Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762829
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762829/1
Verordening van de raad van Westerveld houdende bepalingen over Jeugdhulp (Verordening jeugdhulp gemeente Westerveld 2026)
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 13-06-2026 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Verordening van de raad van Westerveld houdende bepalingen over Jeugdhulp (Verordening jeugdhulp gemeente Westerveld 2026)De raad van de gemeente Westerveld;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 maart 2026;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Westerveld;
gelet op de doelstellingen zoals verwoord in de door raad vastgestelde Maatschappelijke Visie
overwegende dat:
- •
het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt. Ouders worden geacht de tot hun gezin behorende jeugdige(n) dagelijkse hulp, zorg en ondersteuning te bieden, ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking;
- •
dit betekent dat door de gemeente alleen een individuele voorziening wordt ingezet indien de jeugdige, diens ouder(s) en het sociale netwerk er op eigen kracht niet uitkomen;
- •
de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld (hierna: college) heeft gelegd;
- •
het op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is hieromtrent regels vast te stellen:
- a.
over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;
- b.
over de afbakening Jeugdwet in relatie tot andere wetgevende kaders;
- c.
over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
- d.
over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;
- e.
over de voorwaarden waaronder een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet wordt verstrekt;
- f.
voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet;
- g.
over de wijze waarop ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun ouder(s), worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;
- h.
h. ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden;
- i.
over onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
besluit vast te stellen: de Verordening jeugdhulp gemeente Westerveld 2026.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
- 1.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als bepaald in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet.
- 2.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- •
aanvrager: de jeugdige, diens ouder(s) of diens wettelijk vertegenwoordiger, die een verzoek om jeugdhulp indient;
- •
andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
- •
budgetbeheerder: de wettelijk vertegenwoordiger of een door de budgethouder gemachtigde persoon die het pgb namens de budgethouder beheert;
- •
budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet;
- •
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld;
- •
eigen kracht: verwijst naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van jeugdigen, hun ouders en hun sociale netwerk om zelf invulling te geven aan het opgroeien, opvoeden en ontwikkelen. Dit omvat onder meer:
-
- •
het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering;
- •
het inzetten van personen uit het sociale netwerk, waaronder vrijwilligers;
- •
de inzet van andere overige voorzieningen of hulpbronnen.
- •
- •
Onder eigen kracht wordt verstaan hetgeen in artikel 10 van deze verordening nader is uitgewerkt, waarbij uitgangspunt is dat eerst wordt gekeken naar wat jeugdigen, diens ouders en diens omgeving zelf kunnen organiseren en realiseren, alvorens (aanvullende) jeugdhulp wordt ingezet;
- •
familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot het sociale netwerk van de jeugdige behoren;
- •
ggz: geestelijke gezondheidszorg;
- •
hulpvraag: de behoefte van de aanvrager aan jeugdhulp als bedoeld in de wet, in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen;
- •
individuele voorziening: een op de aanvrager toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt, als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
- •
iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1 van de Regeling Jeugdwet;
- •
overige voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op jeugdhulp, als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
- •
ouder(s): gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot diens gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;
- •
pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan de aanvrager, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;
- •
pgb-plan: een plan waarmee de aanvrager het college verzoekt om via een pgb zelf jeugdhulp in te kopen, als bedoeld in artikel 12. In dit plan maakt de aanvrager aan het college inzichtelijk welke jeugdhulp met het pgb wordt ingekocht, het te besteden bedrag per hulpverlener, de gewenste resultaten van deze hulpverlening, in welke mate pgb-vaardigheid aanwezig is en, indien van toepassing, wie de aanvrager vertegenwoordigt en voor welke taken;
- •
pgb-vaardig: Het vermogen van de budgethouder of diens budgetbeheerder om het pgb op een verantwoorde wijze te beheren, als bedoeld in artikel 13;
- •
sociaal netwerk: de personen uit de huiselijke kring van de jeugdige of diens ouders, evenals andere personen met wie een duurzame sociale relatie bestaat. Dit betreft in ieder geval familieleden, vrienden, kennissen, buren en andere betrokkenen die een rol spelen in het dagelijks leven van de jeugdige of diens ouders;
- •
SVB: Sociale Verzekeringsbank;
- •
wet: Jeugdwet.
HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
- 1.
De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:
- a.
informatie, advies en trainingen;
- b.
jeugdgezondheidszorg, waaronder de GGD (consultatiebureau, schoolarts);
- c.
welzijnswerk;
- d.
jongerenwerk;
- e.
schoolmaatschappelijk werk;
- f.
opvoedondersteuning.
- 2.
De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
- a.
begeleiding;
- b.
gespecialiseerde ambulante zorg;
- c.
dagbehandeling / dagbesteding;
- d.
open residentiële zorg;
- e.
pleegzorg / gezinshuizen;
- f.
spoedeisende zorg;
- g.
jeugd-ggz;
- h.
gesloten jeugdhulp;
- i.
vervoer;
- j.
overige vormen van jeugdhulp die, naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn in een individueel geval.
- 3.
Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het tweede lid met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen:
- a.
doelgroepen;
- b.
activiteiten;
- c.
doorlooptijd;
- d.
intensiteit;
- e.
kwaliteit;
- f.
beoogd resultaat; en
- g.
vermelding productcode iJw.
- 4.
Het in dit artikel opgenomen aanbod van jeugdhulp geldt als het door het college gecontracteerde aanbod. Verwijzers worden geacht naar dit aanbod te verwijzen, waarbij de in het zesde lid bepaalde voorrang van overige voorzieningen boven individuele voorzieningen in acht wordt genomen. Verwijzing naar ander aanbod komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking, tenzij:
- a.
er geen passend gecontracteerd zorgaanbod beschikbaar is. In dat geval kan een huisarts, medisch specialist of jeugdarts verwijzen naar niet-gecontracteerde zorg.
- a.
- 5.
De gecertificeerde instelling (GI) overlegt met de gemeente over de inzet van jeugdhulp. Indien de GI jeugdhulp noodzakelijk acht die niet door de gemeente is gecontracteerd, vindt hierover voorafgaand aan de inzet overleg plaats met de gemeente op casusniveau.
- 6.
Een passende overige voorziening gaat voor op de inzet van een individuele voorziening.
HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente
- 1.
Jeugdigen en ouders dienen een aanvraag voor jeugdhulp in bij het college door middel van een door het college vastgesteld formulier. Indien daarom wordt verzocht, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte.
- a.
Indien een aanvraag niet volledig is, biedt het college de aanvrager de gelegenheid de aanvraag aan te vullen binnen een door het college te stellen termijn.
- b.
De beslistermijn wordt opgeschort vanaf de dag waarop de aanvrager is verzocht de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
- a.
- 2.
Het college registreert en bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk of digitaal. Het college informeert de aanvrager over de gang van zaken, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
- 3.
Het college neemt een besluit op een aanvraag uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
- a.
Deze termijn is tien weken indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een familiegroepsplan in te dienen.
- a.
- 4.
Indien het onderzoek vanwege de complexiteit van de situatie, de noodzaak tot extern onderzoek of andere zwaarwegende redenen niet binnen de gestelde termijn kan worden afgerond, kan het college de termijn verlengen met een redelijke termijn zoals bedoeld op grond van de Awb.
- 5.
In spoedeisende situaties zorgt het college zo snel mogelijk voor een tijdelijke passende voorziening, in afwachting van het onderzoek als bedoeld in artikel 5. Indien nodig, vraagt het college een machtiging voor gesloten jeugdhulp aan als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. De beschikking over de definitieve inzet van hulp wordt vervolgens zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na de start van de hulp.
- 6.
Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.
- 7.
De aanvrager dient zich binnen zes maanden na de datum van de verwijzing of beschikking te melden bij de aangewezen jeugdhulpaanbieder, of binnen deze termijn het pgb aan te wenden voor de toegekende jeugdhulp.
- 8.
De aanvrager kan zich te allen tijde rechtstreeks wenden tot een overige voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
- 1.
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan de jeugdige en/of ouders is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft, tenzij:
- a.
voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb en de niet-gecontracteerde hulp daarmee is ingekocht door de jeugdige of diens ouders, of
- b.
de aanvrager redelijkerwijs niet kon anticiperen op het ontbreken van een contract, en het college op grond van bijzondere omstandigheden besluit tot vergoeding.
- a.
- 2.
Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.
- a.
In gevallen als bedoeld in lid 1.b beoordeelt het college de situatie met inachtneming van:
- i.
de professionele standaarden;
- ii.
het belang van de jeugdige; en
- iii.
de redelijkheid van de keuze voor de betreffende aanbieder.
- i.
- a.
-
Het college motiveert zijn besluit zorgvuldig.
- 3.
De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en aan de afspraken die de aanbieder daarover met het college heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.
- 4.
Het college legt de inzet van de betreffende individuele voorziening door een jeugdhulpaanbieder na een verwijzing genoemd in het eerste lid van dit artikel vast in een beschikking.
HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
- 1.
Wanneer het college op de hoogte wordt gesteld van een aanvraag met betrekking tot een individuele voorziening, voert het zo spoedig mogelijk, overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid, een onderzoek uit naar de aanvraag van de jeugdige.
- 2.
Eén of meerdere gesprekken maken deel uit van het onderzoek en worden namens het college door een consulent met de aanvrager gevoerd.
- 3.
In overleg met het college kan de aanvraag tijdens het onderzoek nader worden aangevuld of gewijzigd.
- 4.
Het college informeert de aanvrager tijdens het gesprek over de gang van zaken, over hun rechten en plichten, en over de vervolgprocedure, waaronder:
- a.
de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5 van de wet en van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; en
- b.
de mogelijkheid om een familiegroepsplan, als bedoeld in de wet, in te dienen. Hiervoor geldt een termijn van veertien dagen nadat de aanvraag kenbaar is gemaakt. Indien de aanvrager daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. Als de aanvrager een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.
- a.
- 5.
Het college kan in overleg met de aanvrager afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.
- 6.
Het college onderzoekt samen met de aanvrager, wanneer een vraag over jeugdhulp wordt kenbaar gemaakt, het volgende:
- a.
wat de hulpvraag van de aanvrager is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;
- b.
de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de aanvrager, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;
- c.
of sprake is van psychische problemen en/of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:
- i.
welke problemen of stoornissen dat zijn;
- ii.
welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met diens leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
- iii.
of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de aanvrager en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en
- iv.
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;
- i.
- d.
hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de aanvrager;
- e.
indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.
- a.
Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
- 1.
Het college kan, voor een zorgvuldige afhandeling van een aanvraag en met inachtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel of advies inwinnen indien het dit noodzakelijk acht. Het deskundigenadvies wordt door het college betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
- 2.
Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvinden, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Artikel 7. Identificatie
- 1.
Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en diens ouder(s) dan wel wettelijk vertegenwoordiger. Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is:
- a.
gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp;
- b.
ter voorkoming van fraude; of
- c.
ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige.
- a.
- 2.
Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:
- a.
een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;
- b.
een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);
- c.
een buitenlands paspoort; of
- d.
een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).
- a.
Artikel 8. Onderzoeksverslag
- 1.
Uiterlijk binnen vijf werkdagen na afronding van het onderzoek, verstrekt het college aan de aanvrager een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek, het in verband daarmee gevoerde gesprek en de uitkomsten van het onderzoek (het onderzoeksverslag). De aanvrager kan opmerkingen of latere aanvullingen op het onderzoeksverslag kenbaar maken. Deze worden aan het onderzoeksverslag toegevoegd.
- 2.
Het college vergewist zich ervan dat de aanvrager de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek heeft begrepen.
- 3.
Indien uit het onderzoeksverslag, de opmerkingen of latere aanvullingen blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst, wordt het verslag ‘voor gezien’ ondertekend door de jeugdige of diens ouder(s) en door deze teruggestuurd.
Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
- 1.
Een jeugdige of ouder komt in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening indien het college vaststelt dat jeugdhulp noodzakelijk is vanwege opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, en voor zover de jeugdige:
- a.
woonplaats heeft in de gemeente Westerveld overeenkomstig het woonplaatsbeginsel als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waarbij wordt aangesloten bij de inschrijving van de jeugdige in de Basisregistratie Personen; en
- b.
de eigen mogelijkheden ontoereikend zijn, zoals het niet zelfstandig kunnen vinden van een oplossing voor de hulpvraag met ouder(s) of andere personen uit het sociale netwerk, en het probleemoplossend vermogen ontoereikend is; en
- c.
geen oplossing kan vinden voor diens hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening.
- a.
- 2.
Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:
- a.
daadwerkelijk beschikbaar is; en
- b.
passend en toereikend is voor de hulpvraag.
- a.
- 3.
Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.
- 4.
Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Waar beschikbaar wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Er wordt geen gebruik gemaakt van interventies die bewezen niet effectief zijn. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:
- a.
de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;
- b.
de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;
- c.
de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);
- a.
- 5.
Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de aanvrager voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken:
- a.
indien op dat moment nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en;
- b.
voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
- a.
- 6.
De voorziening als bedoeld in lid 5 kan slechts betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt in een periode van maximaal drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de aanvraag is ingediend.
Artikel 10. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
- 1.
Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
- •
gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;
- •
bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;
- •
de ondersteuning vanuit het sociale netwerk, waaronder vrijwilligers;
- •
het gebruik van een overige voorziening; en
- •
het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten
- 2.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
- 3.
Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
- •
de leeftijd van de jeugdige;
- •
de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;
- •
de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;
- •
de mate van planbaarheid van de hulp; en
- •
de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.
- 4.
Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
- 5.
Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
- •
Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.
- •
Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
- 6.
Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:
- •
de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;
- •
de mate van planbaarheid van de hulp;
- •
het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;
- •
de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;
- •
vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);
- •
of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;
- •
welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;
- •
het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;
- •
de woonsituatie;
- •
de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);
- •
is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of diens ouders te ondersteunen;
- •
overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht.
- 7.
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
- 8.
Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:
- •
Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.
- •
Als de overbelasting betrekking heeft op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of op andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
- •
Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
- •
Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder(s) verwacht.
- •
Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.
- •
Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
- 9.
Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige, wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
- 10.
Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Artikel 11. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
- 1.
Het college legt het besluit om wel of geen individuele voorziening te verstrekken gemotiveerd vast in een beschikking.
- 2.
In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval vermeld:
- a.
de vorm van de voorziening, waaronder begrepen in natura of als pgb;
- b.
door welke jeugdhulpaanbieder de voorziening geleverd wordt;
- c.
de wijze waarop bezwaar tegen de beschikking gemaakt kan worden;
- a.
- 3.
Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;
- b.
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en
- c.
indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
- a.
- 4.
Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
- d.
welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;
- e.
wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en
- f.
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
- a.
- 5.
Het voor gezien ondertekende onderzoeksverslag, bedoeld in artikel 8, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.
HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 12. Algemene voorwaarden voor een pgb
- 1.
Indien een aanvrager in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient de aanvrager daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen:
- a.
de motivatie waarom het natura-aanbod van het college volgens de aanvrager niet passend is en een pgb gewenst is; en
- b.
welke jeugdhulp de aanvrager wil inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; en
- c.
de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; en
- d.
de doelen (SMART geformuleerd) die tijdens de hulpverlening behaald moeten worden; en
- e.
de concrete acties waarmee de gestelde doelen worden bereikt; en
- f.
op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; en
- g.
de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; en
- h.
indien van toepassing, welke jeugdhulp de aanvrager willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; en
- i.
de motivatie aan de hand van de negen punten benoemd in artikel 13 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
- a.
- 2.
Het college verstrekt een pgb indien de aanvrager:
- a.
het college een pgb-plan overhandigt als bedoeld in het eerste lid; en
- b.
bij de toekenning van een pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk er geen (risico op) overbelasting is.
- a.
Artikel 13. Pgb-vaardigheid
- 1.
Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:
- a.
een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;
- b.
in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;
- c.
voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met het college, de SVB en de zorgverleners;
- d.
in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;
- e.
in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;
- f.
in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;
- g.
in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;
- h.
in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en
- i.
voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.
- a.
- 2.
Bij de beoordeling of een budgethouder of budgetbeheerder in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord uit te voeren, vindt altijd een individuele toetsing plaats. Hierbij worden de omstandigheden van de budgethouder en het eventuele betrokken netwerk afzonderlijk en in samenhang beoordeeld. De volgende omstandigheden worden meegenomen in de beoordeling:
-
1°. het beheer wordt niet verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp
-
levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend;
-
2°. schuldenproblematiek;
-
3°. ernstige verslavingsproblematiek;
-
4°. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te
-
verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
-
5°. een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
-
6°. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
-
7°. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
-
8°. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
-
9°. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.
Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp
- 1.
Bij toekenning van een pgb wordt bij vaststelling van het tarief onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
- 2.
Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
- a.
personen die werkzaam zijn bij een organisatie die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
- b.
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of
- c.
deze personen staan ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp (SKJ-register).
- a.
- 3.
Indien de jeugdhulp wordt verleend door een persoon die behoort tot het sociale netwerk van de budgethouder, is sprake van informele hulp, ook indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid.
- 4.
Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het tweede lid, onder a, b of c, is er sprake van informele hulp.
- 5.
Met een pgb ondersteuning inkopen bij een persoon uit het sociaal netwerk is alleen toegestaan indien:
- a.
gemotiveerd wordt waarom de inzet van informele hulp leidt tot een gelijk of beter resultaat dan de inzet van professionele hulp; en
- b.
deze persoon in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) die niet ouder is dan 2 jaar;
- a.
-
1°. (groot)ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis; en
- c.
de persoon die de informele hulp verleent, beschikt over de voor de hulpvraag benodigde competenties, kennis en vaardigheden om adequate hulp te bieden; en
- d.
deze persoon beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; en
- e.
de ondersteuning aan de inwoner niet leidt tot overbelasting bij de persoon die de informele hulp verleent; en
- f.
de relatie tussen deze persoon en de jeugdige het adequaat werken aan de doelen van de ondersteuning niet in de weg staat; en
- g.
de persoon die de informele hulp verleent geen deel uitmaakt van de problematiek waarvoor de ondersteuning ingezet wordt; en
- h.
er geen sprake is van het creëren of in stand houden van een afhankelijkheidsrelatie;en
- i.
deze persoon niet het pgb beheert behalve met toestemming van het college vanwege bijzondere omstandigheden.
- c.
Artikel 15. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
- 1.
Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:
- a.
beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie;
- b.
beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;
- c.
houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;
- d.
is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;
- e.
werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;
- f.
voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;
- g.
stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de aanvrager;
- h.
stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de aanvrager gebruik van maakt;
- i.
respecteert de privacy van de aanvrager en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;
- j.
neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de aanvrager voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;
- k.
werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en
- l.
is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.
- a.
- 2.
Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:
- a.
hetgeen is bepaald in artikel 14, tweede lid;
- b.
handelt in overeenstemming met de professionele standaard;
- c.
werkt op basis van een hulpverleningsplan;
- d.
werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;
- e.
hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en
- f.
stelt een vertrouwenspersoon in staat diens taak uit te voeren.
- a.
- 3.
De norm verantwoorde werktoedeling zoals beschreven in het Kwaliteitskader Jeugd is van toepassing op het formele pgb.
Artikel 16. De hoogte van het pgb (treedt in werking per 1 januari 2027)
- 1.
De hoogte van het pgb wordt gebaseerd op basis van een uur-, dagdeel- of etmaaltarief. Er zijn twee soorten tarieven: het formele en het informele tarief.
- 2.
Het formele tarief is van toepassing indien wordt voldaan aan de eisen voor formele hulp, zoals bedoeld in artikel 14, lid 2, van deze verordening. Het pgb is nooit hoger dan dat de goedkoopste voorziening in natura zou kosten die past bij wat nodig is.
- 3.
De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura (zorg in natura, ZIN).
- 4.
De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp geleverd door zelfstandigen zonder personeel (zzp) bedraagt 75% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura, omdat zzp’ers geen tot weinig overheadkosten hebben.
- 5.
De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt 45% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.
- 6.
Alle genoemde tarieven zijn integraal en omvatten tevens kosten als werkgeverslasten en verzekeringen.
- 7.
Voor een lopende indicatie blijft het pgb gebaseerd op de tarieven die golden op het moment van de toekenning van de indicatie, totdat de looptijd van deze indicatie is verstreken.
- a.
Bij een herindicatie wordt het pgb vastgesteld op basis van de tarieven zoals opgenomen in deze verordening, die op het moment van de herindicatie van kracht zijn.
- a.
- 8.
Het tarief voor jeugdhulp dat op onverplichte basis wordt verleend door een hulpverlener uit het sociaal netwerk wordt door het college vastgesteld overeenkomstig artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet.
- 9.
Het tarief is lager als op basis van het door de aanvrager dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.
- 10.
Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend op de gemeentelijke website.
Artikel 17. Indexering pgb
- 1.
De zorg in natura tarieven (ZIN) worden jaarlijks geïndexeerd conform wettelijke, contractuele of andere bindende afspraken.
- 2.
De pgb-tarieven worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van het goedkoopst adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde hulp in ZIN. Het pgb-tarief wordt jaarlijks vastgesteld als een percentage van dit tarief:
- a.
professioneel pgb: 100% van ZIN;
- b.
zzp pgb: 75% van ZIN;
- c.
informeel pgb: 45% van ZIN;
- a.
- 3.
Het college kan, indien noodzakelijk, de tarieven tussentijds aanpassen op grond van gewijzigde economische omstandigheden of andere relevante factoren.
- 4.
De indexering voor de verschillende producten verloopt volgens de volgende indexeringsnormen bij ZIN:
- a.
vervoer wordt geïndexeerd volgens de NEA-index;
- b.
de overige individuele voorzieningen, zoals genoemd in deze verordening, worden geïndexeerd volgens OVA/PCC.
- a.
- 5.
Voor de contracten die momenteel lopen en nog niet opnieuw zijn aanbesteed, blijft de indexering gebaseerd op 100% OVA. Tot uiterlijk 31 december 2027 geldt een overgangsperiode waarin beide indexeringsmethoden naast elkaar bestaan.
Artikel 18. Uitgesloten van pgb
- 1.
Alle in artikel 16 genoemde tarieven zijn integraal en mogen verder niet besteed worden aan:
- a.
kosten voor bemiddeling, waaronder kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
- b.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
- c.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
- d.
kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;
- e.
kosten voor vervoer als de jeugdige naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;
- f.
kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);
- g.
kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;
- h.
kosten voor feestdagenuitkering en eenmalige uitkering;
- i.
kledingvergoeding hulpverlener;
- j.
schoonmaakmiddelen;
- k.
reiskosten;
- l.
reistijd voor personen die de jeugdhulp verlenen;
- m.
administratietijd voor personen die jeugdhulp verlenen;
- n.
overheadkosten van jeugdige en/of personen die de jeugdhulp verlenen;
- o.
kosten voor een overige voorziening;
- p.
contributie voor belangenorganisaties, kosten voor het volgen van cursussen en kosten voor informatiemateriaal;
- q.
de aan de jeugdige opgelegde bijdrage in de kosten;
- r.
extra beloningen, zoals eindejaarsuitkering of overlijdensuitkering en gratificaties;
- s.
alle kosten voor hulp die onder een andere wet dan de Jeugdwet vallen;
- t.
alle zorg en ondersteuning (door aanbieders) in het buitenland.
- a.
- 2.
Een pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag.
- 3.
Het pgb bevat geen verantwoordingsvrij bedrag.
- 4.
Bij toepassing van de uitsluitingen zoals bedoeld in dit artikel, houdt het college rekening met het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden, kan het college gemotiveerd afwijken van de uitsluitingen, mits dit noodzakelijk is voor een verantwoorde uitvoering van het pgb.
HOOFDSTUK 6. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Artikel 19. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
- 1.
Het college stemt de jeugdhulp waaraan een aanvrager behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
- a.
de Leerplichtwet;
- b.
de Participatiewet;
- c.
de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;
- d.
de Wet inburgering 2021;
- e.
de Wet kinderopvang;
- a.
-
1°. Het college draagt er zorg voor dat locaties voor kinderopvang een
-
contactpersoon/contactteam hebben bij de lokale toegang.
-
2°. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en onderwijszorg worden
-
vastgelegd in het plan voor de jeugdhulp van de aanvrager.
- f.
de Wet langdurige zorg;
- f.
-
1°. Het college draagt er zorg voor dat de lokale toegang de aanvrager ondersteunt
-
richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te
-
nemen dat de aanvrager in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet
-
langdurige zorg.
-
2°. Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg kan
-
cliëntondersteuning worden ingeschakeld.
- g.
de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- g.
-
1°. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de lokale toegang en de
-
Wet maatschappelijke ondersteuning, indien een aanvrager naast
-
jeugdhulpvoorzieningen ook in aanmerking komt voor voorzieningen op grond van de
-
Wet maatschappelijke ondersteuning.
-
2°. Het college draagt er zorg voor dat wanneer de begeleiding van een aanvrager na het
-
achttiende jaar voortgezet moet worden onder de Wet maatschappelijke
-
ondersteuning, de continuïteit gewaarborgd wordt en de lokale toegang een besluit
-
hiertoe zo nodig (mede)voorbereidt.
- h.
de Wet passend onderwijs;
- h.
-
1°. Het college draagt er zorg voor dat locaties voor primair en voortgezet onderwijs een
-
contactpersoon/contactteam hebben bij de lokale toegang.
-
2°. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen en onderwijszorg worden
-
vastgelegd in het plan voor de jeugdhulp van de aanvrager.
- i.
de Wet publieke gezondheid;
- j.
de Wet tijdelijk huisverbod;
- k.
de Zorgverzekeringswet;
- i.
-
1°. de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en
- i.
Het college draagt er zorg voor dat wanneer zij een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de aanvrager door zal lopen, het besluit voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars.
- ii.
Het college draagt er zorg voor dat in de gevallen bedoeld in het eerste lid de aanvrager worden gewezen op de consequentie dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de aanvrager onder de Zorgverzekeringswet valt, en spant zich in voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk.
- i.
-
zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de aanvrager actief bij het
-
verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de
-
zorg op grond van de benodigde zorg.
- 2.
De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:
- a.
het opheffen van een situatie die voor een aanvrager of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;
- b.
stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;
- c.
een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een aanvrager, voor zover dat binnen het vermogen ligt.
- a.
- 3.
Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:
- a.
de behoefte aan hulp en ondersteuning van een aanvrager;
- b.
de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een aanvrager zoals bedoeld in artikel 10 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;
- c.
welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;
- d.
welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.
- a.
- 4.
Als een aanvrager van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:
- a.
voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en
- b.
de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.
- a.
- 5.
Ter uitvoering van het vierde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
- 2.
HOOFDSTUK 7. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
Artikel 20. Inlichtingen
Het college informeert de aanvrager in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Artikel 21. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering
- 1.
Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing over een individuele voorziening, in natura of als pgb, te heroverwegen, te wijzigen, in te trekken of te beëindigen.
- 2.
Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat:
- a.
de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- b.
de aanvrager niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;
- c.
de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;
- d.
de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb;
- e.
de aanvrager de voorziening niet of voor een ander doel gebruikt; of
- f.
de aanvrager langer dan zes weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.
- a.
- 3.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
- 4.
Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de aanvrager zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aangewezen jeugdhulpaanbieder.
- 5.
Als het college een beslissing heeft herzien, ingetrokken of beëindigd op grond van het tweede lid onder a dan kan het college de geldwaarde vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.
- 6.
Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onderdeel a, heeft gewijzigd, ingetrokken of beëindigd, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb terugvorderen.
- 7.
Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.
Artikel 22. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
- 1.
Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.
- 2.
De aangewezen toezichthouder is belast met:
- a.
de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen;
- b.
de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener;
- c.
de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder;
- d.
vorderen van identificatie;
- e.
inzage van documenten en toegang tot gegevens;
- f.
het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen);
- g.
controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft;
- h.
ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan de gegevens en informatie die bij de aanvraag zijn verstrekt.
- a.
- 3.
Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.
- 4.
Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.
- 5.
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.
Artikel 23. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
- 1.
Het college kan de nodige maatregelen treffen om het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:
- a.
het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;
- b.
het college verricht zo nodig onderzoek bij (pgb-) aanbieders van individuele voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente onderhouden of die ondersteuning verlenen op grond van een pgb aan aanvragers en die verplicht zijn om kosteloos hun medewerking te verlenen.
- a.
- 2.
Het college maakt met de door diens gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
- 3.
Het college maakt met de door diens gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.
- 4.
Signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen bij het college worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet.
Artikel 24. Wangedrag
- 1.
Het college kan bij herhaald en/of ernstig wangedrag van een jeugdige, diens ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een (in bruikleen verstrekte) voorziening, tijdelijke of blijvende maatregelen nemen ter bescherming van medewerkers, medegebruikers van de voorziening of andere inwoners en ter voorkoming van (verdere) schade aan de voorziening.
- 2.
Herhaling van ernstig wangedrag of onzorgvuldig gebruik kan leiden tot:
- a.
schorsing van toegang tot individuele voorzieningen;
- b.
heroverwegen of beëindigen van de individuele voorziening;
- c.
beëindiging van de toegang tot een overige voorziening.
- a.
- 3.
Maatregelen worden slechts getroffen indien deze noodzakelijk en proportioneel zijn en de noodzakelijke jeugdhulp voor de jeugdige gewaarborgd blijft.
HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 25. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
- 1.
Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:
- a.
cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;
- b.
cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;
- c.
overheadkosten;
- d.
kosten voor indexering;
- e.
kosten voor bijscholing van het personeel.
- a.
- 2.
Het college bedingt bij de door hen gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
- 3.
Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouder(s) en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
- 4.
De jeugdhulpaanbieder moet zich bij de uitvoering (aanvraag, start, levering en beëindiging) van de jeugdhulp houden aan:
- a.
Het administratieprotocol van de Jeugdhulpregio (Zuid-)Drenthe;
- b.
De instructies van het college met betrekking tot het toepassen van jeugdhulpvormen;
- c.
De eisen uit de modulebeschrijvingen en het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein, zoals gepubliceerd op de website van de jeugdhulpregio (Zuid-)Drenthe.
- a.
- 5.
Het college kan jaarlijks per 1 januari de tarieven verhogen of verlagen.
HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Artikel 26. Klachtregeling
De gemeente hanteert een klachtenregeling voor de afhandeling van klachten van inwoners over de behandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen op grond van de wet en deze verordening. De regeling waarborgt dat inwoners een formeel aanspreekpunt hebben en dat klachten op een zorgvuldige en transparante wijze worden behandeld.
Artikel 27. Betrekken van inwoners bij het beleid
- 1.
Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
HOOFDSTUK 10. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 28. Bevoegdheid van het college in gevallen waarin de verordening niet voorziet
In gevallen betreffende de uitvoering van deze verordening, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 29. Hardheidsclausule
Het college kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als het toepassen van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de aanvrager of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is.
Artikel 30. Evaluatie
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd.
HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN
Artikel 31. Overgangsrecht, intrekking oude verordening
- 1.
Een aanvrager houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.
- 2.
Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld, waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
- 3.
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de aanvrager van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp gemeente Westerveld 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst.
- 4.
Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld te herzien:
- a.
op de gronden, vermeld in Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld;
- b.
indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;
- c.
indien de aanvrager wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm.
- a.
- 5.
Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld, terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden.
- 6.
De Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld wordt ingetrokken.
Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel
- 1.
Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2026.
- 2.
Artikel 16 Hoogte van het pgb, treedt in werking per 1 januari 2027. Tot deze datum blijft artikel 6.2 Persoonsgebonden budget uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Westerveld 2020 van toepassing.
- 3.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Westerveld 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 april 2026.
De voorzitter,
De griffier,
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl