Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762828
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762828/1
Verordening van de raad van Westerveld houdende bepalingen over maatschappelijke ondersteuning (Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld 2026)
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 13-06-2026 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Verordening van de raad van Westerveld houdende bepalingen over maatschappelijke ondersteuning (Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld 2026)De raad van de gemeente Westerveld;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders (college) van 24 maart
2026;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede en derde lid, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5, eerste lid,
2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning
2015 (Wmo), en de artikelen 3.8, tweede lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo
(Uitvoeringsbesluit);
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Westerveld;
gelet op de doelstellingen zoals verwoord in de door raad vastgestelde Maatschappelijke Visie;
overwegende dat:
- •
het uitgangspunt is dat inwoners een eigen verantwoordelijkheid hebben voor de manier
waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan de maatschappij;
- •
van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;
inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende
zelfredzaam zijn, onvoldoende in staat zijn tot participatie, of niet in staat zijn zich
zelfstandig te handhaven in de samenleving in verband met een beperking, chronische
psychische of psychosociale problemen, een beroep moeten kunnen doen op
gemeentelijke ondersteuning, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen
blijven wonen;
- •
het noodzakelijk is om regels vast te stellen voor het verlenen van maatschappelijke
ondersteuning;
- •
dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor
mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van
een inclusieve samenleving;
besluit vast te stellen: de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld
2026.
HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
- 1.
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als bepaald in de Wmo, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet.
- 2.
In deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving wordt verstaan onder:
- •
algemene gebruikelijke voorziening: een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner zelfredzaam kan zijn of kan participeren, en met een inkomen tot maximaal 120% van de geldende bijstandsnorm financieel kan worden gedragen. Dit houdt in dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten.
- •
budgetbeheerder: een wettelijk vertegenwoordiger of een door de budgethouder gemachtigde persoon die het persoonsgebonden budget (pgb) namens de budgethouder beheert.
- •
budgethouder: de inwoner die een pgb ontvangt op grond van de wet. Indien de budgethouder niet in staat is het pgb zelf te beheren, kan een wettelijk vertegenwoordiger, budgetbeheerder of pgb-vertegenwoordiger namens de inwoner optreden.
- •
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld.
- •
eigen kracht: verwijst naar de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de inwoner om zelf de zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of oplossingen te vinden voor de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, zonder directe ondersteuning van de gemeente. Dit omvat onder meer:
- •
de inzet van algemene gebruikelijke voorzieningen;
- •
het inzetten van personen uit het sociale netwerk;
- •
het inzetten van Gebruikelijke Hulp.
- •
- •
Gebruikelijke Hulp: de normale, dagelijkse ondersteuning die huisgenoten elkaar onderling moeten bieden, omdat zij gezamenlijk een duurzaam huishouden voeren en op grond daarvan een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar.
- •
goedkoopst adequate voorziening: de voorziening die voldoet aan de behoeften van de inwoner, tijdig beschikbaar is en de laagste kosten met zich meebrengt onder de adequaat passende alternatieven.
- •
hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij een Wmo-melding kenbaar maakt, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie.
- •
huisgenoot: de persoon die met de inwoner duurzaam gezamenlijk een woonruimte bewoont, zonder dat er sprake is van een commerciële huurders- of kostgangerrelatie.
- •
inwoner: ingezetene van de gemeente Westerveld, zoals bedoeld in artikel 1.1, onderdeel f, in samenhang met onderdeel o, van de Wet basisregistratie personen.
- •
inwonerondersteuner: hetzelfde als een cliëntondersteuner, zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.
- •
melding: een verzoek van de inwoner aan het college om onderzoek te doen naar de behoefte aan ondersteuning, zoals bedoeld in de Wmo.
- •
OCO: onafhankelijke cliëntondersteuning.
- •
onderzoeksverslag: een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo. Het betreft een plan van aanpak dat het college opstelt, waarin de knelpunten die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, worden beschreven, de gewenste ondersteuning wordt geïnventariseerd en mogelijke oplossingen worden aangedragen door het college.
- •
persoonlijk plan: een door de inwoner opgesteld plan waarin de wensen, behoeften en doelen voor het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie zijn vastgelegd. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek naar de hulpvraag.
- •
pgb: persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.
- •
pgb-plan: een plan waarmee de aanvrager het college verzoekt om via een pgb zelf ondersteuning in te kopen. Het betreft een plan van aanpak waarin de inwoner diens hulpvraag, onderliggende problematiek en beoogde doelen beschrijft, aangeeft welke middelen en werkzame elementen nodig zijn om deze doelen te bereiken, en aantoont dat de inwoner beschikt over voldoende pgb-vaardigheid om het pgb verantwoord te beheren. Het opstellen van een pgb-plan is verplicht wanneer de inwoner ondersteuning van derden wil inkopen met een pgb.
- •
pgb-vaardigheid: het vermogen van de budgethouder of diens budgetbeheerder om het pgb op een verantwoorde wijze te beheren.
- •
respijtzorg: zorg aan de inwoner die ondersteuning nodig heeft, met als doel de mantelzorger(s), tijdelijk en aanvullend op de reguliere ondersteuning te ontlasten of vrijaf te geven.
- •
sociaal netwerk: de personen uit de huiselijke kring van de inwoner, evenals andere personen met wie een duurzaam sociale relatie bestaat. Dit omvat in ieder geval familieleden, vrienden, kennissen, buren, mantelzorgers en andere betrokkenen die een rol spelen in het dagelijks leven van de inwoner.
- •
SVB: Sociale Verzekeringsbank.
- •
Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo.
- •
wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
- •
ZIN: zorg in natura.
HOOFDSTUK 2 – GEBRUIKELIJKE HULP
Artikel 2. Gebruikelijke Hulp
- 1.
De inwoner komt pas in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als de hulpvraag met eigen kracht of Gebruikelijke Hulp (gedeeltelijk) niet kan worden opgelost.
- 2.
Gebruikelijke Hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van:
- a.
echtgenoot of partner;
- b.
inwonende ouders;
- c.
inwonende kinderen;
- d.
of andere huisgenoten.
- a.
-
Het betreft de normale, dagelijkse ondersteuning die huisgenoten elkaar onderling moeten bieden, omdat zij gezamenlijk een duurzaam huishouden voeren en op grond daarvan een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar.
- 3.
Het college maakt bij de beoordeling of de (Gebruikelijke) Hulp van de huisgenoot verwacht mag worden onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
- a.
kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner. Het gaat hierbij over een periode van maximaal drie maanden in één jaar;
- b.
langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp bij de zelfredzaamheid en/of participatie langer dan drie maanden nodig is.
- a.
- 4.
Het college verwacht van huisgenoten dat zij in kortdurende situaties de Gebruikelijke Hulp verlenen. Het gaat hierbij ook om hulp die meer omvat dan alleen de gangbare Gebruikelijke
-
Hulp, voor zover dit redelijkerwijs kan worden gevraagd.
- 5.
Het college verwacht van huisgenoten dat zij in langdurende situaties de Gebruikelijke Hulp bieden. Wat Gebruikelijke Hulp is, wordt bepaald aan de hand van de leden 6, 7 en 8. Hulp die daarboven uitstijgt, kan aanleiding zijn tot toekenning van een maatwerkvoorziening.
- 6.
Bij de beoordeling of sprake is van Gebruikelijke Hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de inwoner:
- a.
de aard van de relatie met de huisgenoot;
- b.
de mate van hulp die de inwoner nodig heeft;
- c.
de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit;
- d.
de mate van planbaarheid van de hulp;
- e.
de behoeften en mogelijkheden van de inwoner.
- a.
- 7.
Bij de beoordeling of sprake is van Gebruikelijke Hulp in langdurende situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de huisgenoot:
- a.
de leeftijd van de huisgenoten;
- b.
de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten;
- c.
de woonsituatie;
- d.
de beschikbaarheid om de hulp te bieden;
- e.
de kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden;
- f.
de lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot;
- g.
of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot, zoals relationele problemen of schulden;
- h.
welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;
- i.
het belang van de huisgenoot om een inkomen uit arbeid te krijgen;
- j.
de vraag of financiële problemen (kunnen) ontstaan door het bieden van de hulp;
- k.
de inhoud, omvang en complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner;
- l.
overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten die van invloed kunnen zijn op hun mogelijkheid om de inwoner te ondersteunen.
- a.
- 8.
Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt bovendien het volgende:
- a.
er moet een verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de hulp aan de inwoner;
- b.
indien de (over)belasting voortvloeit uit spanningen door het werk, bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress, of door andere factoren buiten de hulpverlening aan de inwoner om, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen;
- c.
bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen;
- d.
indien de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten, wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht.
- a.
- 9.
Indien sprake is van (dreigende) overbelasting van een huisgenoot, wordt er geen pgb verstrekt voor het verlenen van informele hulp aan de inwoner. De noodzakelijke ondersteuning wordt in dat geval door een derde partij geleverd.
HOOFDSTUK 3 – TOEGANG TOT ONDERSTEUNING
Artikel 3. Melding
- 1.
Indien een inwoner een hulpvraag heeft op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, kan een Wmo-melding bij de gemeente worden ingediend.
- 2.
Het doen van een melding is vormvrij en kan mondeling, schriftelijk of digitaal plaatsvinden.
- 3.
Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk of digitaal.
- 4.
Het college informeert de inwoner in begrijpelijke taal over de verdere gang van zaken, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
- 5.
Na ontvangst van de melding stelt het college vast of de hulpvraag valt binnen het toepassingsbereik van de Wmo. Indien blijkt dat de hulpvraag onder een andere wettelijke regeling valt, zorgt het college binnen de wettelijke kaders voor afstemming en voor een zorgvuldige overdracht naar de juiste wet en bijbehorende ondersteuning.
- 6.
In spoedeisende gevallen, zoals bedoeld in de wet, beslist het college onverwijld na ontvangst van de Wmo-melding over het verstrekken van een tijdelijke maatwerkvoorziening, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Artikel 4. Onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO)
- 1.
Het college zorgt ervoor dat inwoners gratis en onafhankelijk ondersteuning kunnen krijgen bij vragen over hun hulpbehoefte, waarbij het belang van de inwoner centraal staat.
- 2.
Bij de bevestiging van de ontvangst van de melding wijst het college de inwoner op de mogelijkheid om gratis gebruik te maken van OCO.
Artikel 5. Onderzoek
- 1.
Na ontvangst van een melding voert het college zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding, een onderzoek uit naar de hulpvraag voor maatschappelijke ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet.
- 2.
Indien het college langer dan zes weken de tijd nodig heeft voor het onderzoek, kan in overleg met de inwoner de termijn worden verlengd.
- 3.
Voor het onderzoek maakt de gemeente gebruik van het door de Centrale Raad van Beroep ontwikkelde beoordelingskader.
- 4.
Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De inwoner dient dit plan bij voorkeur binnen zeven dagen na ontvangst van de bevestiging van de melding in. Indien dit door omstandigheden niet mogelijk is, kan het plan ook later tijdens het onderzoek worden overlegd, mits dit voor de afronding van het onderzoek gebeurt.
- 5.
Het college kan een extern deskundig oordeel en advies inwinnen indien dit noodzakelijk wordt geacht.
Artikel 6. Onderzoeksverslag
- 1.
Na afronding van het onderzoek verstrekt het college aan de inwoner of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek, het bijbehorende gesprek en de uitkomsten daarvan. Deze schriftelijke weergave wordt het onderzoeksverslag genoemd.
- 2.
Na ontvangst van het onderzoeksverslag heeft de inwoner of diens vertegenwoordiger het recht om opmerkingen of aanvullingen op het onderzoeksverslag kenbaar te maken. Deze worden bij het onderzoeksverslag gevoegd. Hieronder valt ook de mogelijkheid om aan te geven dat een andere maatwerkvoorziening, naar eigen inzicht, passender is dan de voorziening die in het onderzoeksverslag is vermeld.
Artikel 7. Aanvraag
Indien uit het onderzoek blijkt dat een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan bij de gemeente een aanvraag worden ingediend.
- 1.
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond, dan wel indien zes weken zijn verstreken na de melding zonder dat het onderzoek is afgerond. De aanvraag wordt ingediend door middel van:
- a.
een door het college vastgesteld aanvraagformulier; of
- b.
een door de inwoner ondertekend onderzoeksverslag, zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening.
- a.
- 2.
Het college geeft binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking af.
- 3.
Indien het college langer dan twee weken de tijd nodig heeft om een beschikking af te geven, kan de termijn in overleg met de inwoner worden verlengd. Bij een weigering kan het college de beslistermijn éénmaal verlengen op grond van artikel 4:14 van de Awb.
- 4.
Het college informeert de inwoner duidelijk over de toepassing van de genoemde bevoegdheden, de gevolgen hiervan, en welke acties of medewerking van de inwoner worden verwacht.
Artikel 8. Inhoud beschikking
- 1.
De beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening vermeldt of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.
- 2.
Een beschikking voor een maatwerkvoorziening in natura bevat in ieder geval:
- a.
de hulpvraag;
- b.
de te verstrekken maatwerkvoorziening, de omvang en het beoogde resultaat;
- c.
de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
- d.
indien van toepassing de termijn van zes maanden waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet hebben (aan)gemeld;
- e.
de verplichtingen van de inwoner;
- f.
de eventuele eigen bijdrage;
- g.
de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar.
- a.
- 3.
De beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb bevat in ieder geval:
- a.
de hulpvraag;
- b.
voor welke maatwerkvoorziening het pgb kan worden aangewend, de omvang en voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
- c.
de hoogte en berekening van het pgb;
- d.
de ingangsdatum en duur van de verstrekking;
- e.
indien van toepassing de termijn van zes maanden waarbinnen de inwoner het pgb moet besteden;
- f.
de criteria en verplichtingen die zijn verbonden aan het pgb;
- g.
de eventuele eigen bijdrage;
- h.
de kwaliteitseisen die gelden voor de met het pgb in te kopen ondersteuning;
- i.
de regels voor facturering en verantwoording van het pgb;
- j.
de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar.
- a.
- 4.
In deze gemeente wordt in de praktijk geen financiële tegemoetkoming verstrekt. Alle maatwerkvoorzieningen worden uitsluitend in natura of als pgb toegekend.
HOOFDSTUK 4 – VOORWAARDEN EN WEIGERINGSGRONDEN
Artikel 9. Bepalingen rondom de algemene voorzieningen
Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig en bedoeld als preventieve ondersteuning in het voorliggende veld. Voor het gebruik van een algemene voorziening is geen formele beslissing van het college vereist, tenzij de wet of andere gemeentelijke regels anders bepalen.
Artikel 10. Ondersteuning via algemene voorzieningen
Onder algemene voorzieningen worden in ieder geval, doch niet uitsluitend, verstaan:
- a.
informatie, voorlichting, advies en consultatie;
- b.
maatschappelijk werk;
- c.
activiteiten en ontmoetingsplekken;
- d.
(preventieve) ondersteuning bij eenzaamheid;
- e.
ondersteuning gericht op (het ontzorgen van) mantelzorgers;
- f.
was- en strijkservice.
Artikel 11. Algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen
- 1.
Een inwoner komt slechts in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien de beperkingen in zelfredzaamheid en/of participatie niet kunnen worden weggenomen of verminderd door:
- a.
(versterking van de) eigen kracht;
- b.
Gebruikelijke Hulp;
- c.
sociaal netwerk, mantelzorg of vrijwilligers;
- d.
algemene voorzieningen;
- e.
algemene gebruikelijke voorzieningen.
- a.
- 2.
Het college onderzoekt en stelt vast of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om:
- a.
de beperkingen in zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen, zodat de inwoner met een maatwerkvoorziening, al dan niet aanvullend, zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven functioneren; of
- b.
de problemen bij het handhaven in de samenleving te verminderen of weg te nemen, indien sprake is van een licht verstandelijke beperking, psychische en/of psychosociale problematiek, of wanneer de inwoner de thuissituatie heeft verlaten (bijvoorbeeld vanwege risico’s op huiselijk geweld of mishandeling), zodat de inwoner met een maatwerkvoorziening, al dan niet aanvullend, uiteindelijk weer op eigen kracht kan functioneren.
- a.
- 3.
Indien een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Indien de inwoner een duurdere maatwerkvoorziening wenst, kan de inwoner, mits er wordt voldaan aan de pgb-voorwaarden, kiezen voor een pgb.
Artikel 12. Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren
- 1.
Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren indien één of meer van de volgende omstandigheden van toepassing zijn:
- a.
de inwoner had de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs kunnen voorzien en zelf maatregelen treffen ter voorkoming daarvan;
- b.
de inwoner vraagt om vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening terwijl deze nog voldoende ondersteuning biedt en technisch niet is afgeschreven, tenzij:
- i.
de eerder verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan door omstandigheden buiten de schuld van de inwoner; of
- ii.
de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten.
- i.
- a.
- 2.
De inwoner de gevraagde voorziening vóór de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het treffen van de voorziening dringend noodzakelijk was.
HOOFDSTUK 5 – BESCHERMD WONEN EN MAATSCHAPPELIJKE OPVANG
Artikel 13. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang
- 1.
De centrumgemeente Assen is door regiogemeenten gemandateerd om ondersteuning op het gebied van beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen (en de bijbehorende begeleiding en eventueel dagbesteding) toe te kennen en draagt zorg voor financiering vanuit de Wmo.
- 2.
De inwoner met een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, woonachtig binnen de regio van de centrumgemeente, meldt zich bij de gemeente waar diegene ingeschreven staat. Deze gemeente onderzoekt of, en zo ja welke, ondersteuning via de Wmo nodig is, of er voorliggende oplossingen zijn, en stelt indien van toepassing de indicatie. Het college van de centrumgemeente Assen is gemandateerd om de toekenning en uitvoering van de maatwerkvoorziening te verzorgen en verzendt namens de regiogemeenten de beschikking.
- 3.
Bij een melding van een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, van een persoon woonachtig buiten de regio van de centrumgemeente, stelt de gemeente waar de inwoner zich meldt vast waar deze persoon het beste kan wonen. Hierbij handelt de gemeente in de geest van de uitgangspunten en modelregels in het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen en de bijbehorende handreiking.
- 4.
De inwoner die zich bij een regiogemeente heeft gemeld met een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, dient de aanvraag voor een voorziening beschermd wonen, begeleid kamerwonen of thuiswonen in bij de gemeente die het onderzoek heeft gedaan.
- 5.
Het beleid van de centrumgemeente op het gebied van beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen geldt als uitgangspunt voor de toekenning van een maatwerkvoorziening.
HOOFDSTUK 6 – REGELS VOOR PGB
Artikel 14. Algemene voorwaarden voor pgb
Het college kent een pgb toe indien de inwoner zelf de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wenst in te kopen. Hiervoor dient de inwoner een pgb-plan in, op basis van een door het college vastgesteld format. Het pgb wordt alleen toegekend indien de inwoner voldoet aan de wettelijke criteria, waaronder de vereiste pgb-vaardigheden. Het college beoordeelt dit op basis van een individuele toetsing, aan de hand van het 10-puntenkader van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Artikel 15. Criteria pgb-plan
- 1.
De pgb-aanbieder stelt samen met de inwoner en eventuele ondersteuning het pgb-plan op om de kwaliteit van de ondersteuning te waarborgen.
- 2.
Bij de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een pgb verstrekt de inwoner, bij inzet van professionele hulp, bewijsstukken waaruit blijkt dat de directe en vervangende uitvoerder van de zorg aan de vereiste kwaliteitseisen voldoet, zoals opgenomen in de wet.
- 3.
Bij het beoordelen van de kwaliteit wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de kwaliteitscriteria voor gecontracteerde zorgaanbieders voor ZIN die vergelijkbare ondersteuning leveren en het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2019. Dit geldt voor zover dit redelijkerwijs van de persoon die de ondersteuning verleent kan worden gevraagd.
- 4.
Het college kan de criteria voor de kwaliteit van de zorg en het pgb-plan nader uitwerken.
Artikel 16. Pgb formele en informele hulp
- 1.
Bij toekenning van een pgb wordt bij vaststelling van het tarief onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
- 2.
Van formele hulp is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen:
- a.
personen die werkzaam zijn bij een organisatie die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister, conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s en over een VOG niet ouder dan drie jaar, zoals vereist voor de uitoefening van de desbetreffende taken; of
- b.
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s en over een VOG niet ouder dan drie jaar, zoals vereist voor de uitoefening van de desbetreffende taken.
- a.
- 3.
Van informele hulp is sprake als de ondersteuning verleend wordt door een persoon uit het sociaal netwerk, ook indien de hulpverlener voldoet aan de voorwaarden, zoals bedoeld in het tweede lid.
- 4.
Het college beoordeelt per casus de inzet van het sociaal netwerk en bepaalt of de geboden informele hulp passend en verantwoord is.
Artikel 17. Hoogte van het pgb (treedt in werking per 1 januari 2027)
- 1.
De hoogte van het pgb wordt maximaal vastgesteld op:
- a.
het bedrag van de goedkoopst adequate voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, tenzij op basis van het pgbplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht; of
- b.
het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.
- a.
- 2.
De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de netto zoneprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer, vermenigvuldigd met het aantal benodigde zones. Het uitgangspunt is dat binnen de eigen leef- en woonomgeving jaarlijks maximaal 2.000 kilometer kan worden gereisd.
- 3.
De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 100% van het goedkoopst adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde hulp in natura.
- 4.
De hoogte van het pgb voor formele hulp geleverd door zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) bedraagt 75% van het goedkoopst adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde hulp in natura, omdat zzp’ers geen of weinig overheadskosten hebben.
- 5.
De hoogte van het pgb voor informele hulp bedraagt 45% van het goedkoopst adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde hulp in natura.
- 6.
Uitzondering geldt voor informele hulp met betrekking tot huishoudelijke hulp: het pgb bedraagt 60% van het goedkoopst adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde hulp in natura. Dit is vastgesteld met het oog op het personeelstekort en de wachtlijsten.
- 7.
Alle genoemde tarieven zijn integraal en omvatten tevens kosten zoals werkgeverslasten en verzekeringen.
- 8.
Indien de in dit artikel genoemde pgb-tarieven ontoereikend blijken om de aangewezen voorziening in te kopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de voorziening bij ten minste één aanbieder kan worden ingekocht.
- 9.
Voor een lopende indicatie blijft het pgb gebaseerd op de tarieven die golden op het moment van de toekenning van de indicatie, totdat de looptijd van deze indicatie is verstreken. Bij een herindicatie wordt het pgb vastgesteld op basis van de tarieven zoals opgenomen in deze verordening, die op het moment van de herindicatie van kracht zijn.
- 10.
Het college maakt eenmaal per jaar de pgb-tarieven bekend op de gemeentelijke website.
Artikel 18. Rechten en plichten van de budgethouder
- 1.
Alle in artikel 17 genoemde tarieven zijn integraal en mogen niet besteed worden aan:
- a.
kosten voor bemiddeling, waaronder kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;
- b.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
- c.
ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;
- d.
kosten die worden gemaakt voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;
- e.
kosten voor vervoer wanneer de aanvrager naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;
- f.
kosten voor direct in te zetten hulp zoals crisishulp;
- g.
kosten voor het aanvragen van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG);
- h.
feestdagenuitkeringen en eenmalige uitkeringen;
- i.
kledingvergoeding voor de hulpverlener;
- j.
schoonmaakmiddelen;
- k.
reiskosten en reistijd van personen die de hulp verlenen;
- l.
administratietijd van personen die de hulp verlenen;
- m.
overheadkosten;
- n.
kosten voor overige voorzieningen;
- o.
contributies voor belangenorganisaties, kosten voor het volgen van cursussen en informatiemateriaal;
- p.
de opgelegde bijdrage in de kosten;
- q.
extra beloningen, zoals eindejaarsuitkering, overlijdensuitkering of gratificaties;
- r.
alle kosten voor hulp die onder een andere wet dan de Wmo vallen.
- a.
- 2.
Een pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag.
- 3.
Een pgb bevat geen verantwoordingsvrij bedrag.
- 4.
Betaling van ondersteuning via een vaste maandvergoeding is niet toegestaan. De budgethouder declareert de daadwerkelijk verleende ondersteuning achteraf per uur via de SVB.
- 5.
De budgethouder zorgt voor een correcte en controleerbare administratie en bewaart deze gedurende vijf jaar vanaf de ingangsdatum van het pgb.
Artikel 19. Weigeringsgronden pgb
- 1.
Het college kan besluiten een pgb niet te verstrekken, in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet en met inachtneming van de verplichtingen uit de Awb, indien één of meer van de volgende omstandigheden aanwezig zijn:
- a.
het bedrag van het pgb overschrijdt de kosten van een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura; het pgb wordt in dat geval gemaximeerd tot het bedrag van die maatwerkvoorziening in natura;
- b.
het pgb wordt aangevraagd voor kosten die zijn gemaakt vóór de datum van de aanvraag;
- c.
de inwoner laat de aan het pgb verbonden taken uitvoeren door:
- i.
de zorgaanbieder die de ondersteuning levert;
- ii.
een persoon die bij of voor deze zorgaanbieder werkt;
- iii.
een persoon die zodanig met de zorgaanbieder/hulpverlener verbonden is waardoor de objectiviteit niet gewaarborgd is.
- i.
- d.
de kwaliteit van de ondersteuning kan onvoldoende worden gewaarborgd.
- a.
- 2.
Het college kan besluiten een pgb niet te verstrekken na individuele toetsing van de aanvraag, inclusief de individuele toetsing omtrent de pgb-vaardigheden.
- 3.
Het college kan beleidsregels voor pgb opstellen.
HOOFDSTUK 7 – BIJDRAGE IN DE KOSTEN
Artikel 20. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s
- 1.
Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of voor een pgb, gedurende het gebruik van de voorziening of de looptijd van het pgb.
- 2.
Bij een eenmalig pgb of een eenmalige verstrekking is de bijdrage verschuldigd tot maximaal de kostprijs van de betreffende maatwerkvoorziening of het pgb, zoals bedoeld in artikel 2.1.4a van de wet.
- 3.
Voor een maatwerkvoorziening geldt dat de inwoner de maximale bijdrage in de kosten verschuldigd is, zoals bepaald in de wet.
- 4.
In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd per bijdrageperiode in de volgende gevallen, met inachtneming van artikel 3.1 en 3.8 van het Uitvoeringsbesluit en de wet:
- a.
minderjarigen zijn geen bijdrage verschuldigd, behalve bij een woningaanpassing; in dat geval bekostigen de onderhoudsplichtige ouder(s) of diegene die samen met de ouder het gezag uitoefent de bijdrage;
- b.
respijtzorg;
- c.
kosten voor:
- i.
verhuis- en inrichtingskosten;
- ii.
collectief vraagafhankelijk vervoer.
- i.
- d.
het gezinsinkomen van de inwoner bedraagt maximaal 120% van de geldende bijstandsnorm.
- a.
- 5.
De kostprijs wordt als volgt bepaald:
- a.
voor een maatwerkvoorziening in natura: gelijk aan de kosten die het college voor de voorziening maakt;
- b.
voor een pgb: de kostprijs is gelijk aan het bedrag van het toegekende pgb. In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet worden de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening of pgb vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).
- a.
Artikel 21. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen
De inwoner is een bijdrage verschuldigd voor het gebruik van de was- en strijkservice. De bijdrage bedraagt de volledige kostprijs per waszak. Voor inwoners die huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening ontvangen, geldt een gereduceerd tarief. De eigen bijdrage voor de was- en strijkservice is gebaseerd op de door Nibud vastgestelde kosten voor aan-huis wassen, drogen en strijken, inclusief elektriciteitskosten. In de bijdrage zijn tevens de kosten van het ophalen en terugbrengen van wasgoed inbegrepen.
HOOFDSTUK 8 – MANTELZORGWAARDERING
Artikel 22. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
Mantelzorgers van inwoners in de gemeente kunnen, na een melding bij de welzijnsorganisatie, jaarlijks in aanmerking komen voor een blijk van waardering.
HOOFDSTUK 9 – KWALITEIT VAN DE ONDERSTEUNING
Artikel 23. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
- 1.
Het college legt contracten en subsidieafspraken vast met kwaliteitseisen waaraan maatschappelijke ondersteuning moet voldoen. Hierbij wordt, voor zover mogelijk, aangesloten bij artikel 3.1 van de wet en bij de relevante branche- en deskundigheidsnormen en het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2019.
- 2.
Aanbieders waarborgen de kwaliteit van voorzieningen, inclusief de deskundigheid van beroepskrachten, door:
- a.
voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner;
- b.
voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning;
- c.
toezien op het handelen van beroepskrachten in overeenstemming met de professionele standaard;
- d.
indien van toepassing, toezien op naleving van de criteria van sectorale keurmerken.
- a.
- 3.
De door het college gestelde kwaliteitseisen en het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein
-
2019 zijn ook van toepassing op professionele ondersteuning die via een pgb wordt ingekocht.
- 4.
Het college ziet, onverminderd andere handhavingsbevoegdheden, toe op de naleving van deze eisen door:
- a.
periodieke overleggen met aanbieders;
- b.
een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek;
- c.
indien nodig, in overleg met de inwoner, ter plaatse de geleverde voorzieningen te controleren.
- a.
Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden
- 1.
Het college ziet toe op het inkopen en contracteren van aanbieders, waarbij de kwaliteit van de te leveren voorzieningen leidend is, in overeenstemming met de wet en de geldende aanbestedingswetgeving.
- 2.
Bij het inkopen en contracteren van aanbieders wordt een kostprijsonderzoek (KPO) uitgevoerd, conform de aanbestedingsregels. Dit KPO vormt de basis voor de indexering van de Wmo-tarieven, zowel in natura als voor pgb. Het college besluit onder andere op basis hiervan met welke aanbieder een overeenkomst wordt aangegaan.
- 3.
Het college kan zich, indien noodzakelijk, bij complexe of afwijkende tarieven, laten adviseren door een onafhankelijke adviseur.
HOOFDSTUK 10 – TOEZICHT
Artikel 25. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
- 1.
Aanbieders melden onverwijld iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening aan de toezichthoudend ambtenaar.
- 2.
De toezichthoudend ambtenaar onderzoekt de gemelde calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over maatregelen ter voorkoming van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Artikel 26. Klachtregeling en medezeggenschap
- 1.
Aanbieders stellen een regeling vast inzake:
- a.
de afhandeling van klachten van inwoners;
- b.
de medezeggenschap van inwoners bij besluiten van aanbieders die van belang zijn voor de gebruikers van de voorzieningen.
- a.
- 2.
Het college ziet, onverminderd andere handhavingsbevoegdheden, toe op de naleving van
-
de klacht- en medezeggenschapsregelingen van aanbieders. Het college ziet onder meer toe door:
- a.
periodieke overleggen met de aanbieders;
- b.
een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
- a.
- 3.
Inwoners kunnen hun medezeggenschap uitoefenen via de Adviesraad Sociaal Domein
-
Westerveld. Het college ondersteunt het adviesorgaan bij het effectief vervullen van deze rol en zorgt ervoor dat inwoners tijdig en voldoende worden geïnformeerd.
Artikel 27. Klachtregeling college
De gemeente hanteert een klachtenregeling voor de afhandeling van klachten van inwoners over de behandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen op grond van de wet en deze verordening. De regeling waarborgt dat inwoners een formeel aanspreekpunt hebben en dat klachten op een zorgvuldige en transparante wijze worden behandeld.
Artikel 28. Onderzoek naar kwaliteit en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s
- 1.
Het college onderzoekt periodiek, eventueel steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s.
- 2.
Het onderzoek richt zich op de beoordeling van de rechtmatigheid, kwaliteit en doelmatigheid van de verstrekte voorzieningen en toegekende budgetten.
- 3.
Het college kan bij dit onderzoek gebruikmaken van dossieronderzoek, huisbezoeken, gesprekken met aanbieders en andere relevante onderzoeksmethoden.
Artikel 29. Intrekking, herziening en opschorten
- 1.
Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing intrekken, herzien of opschorten, zoals bedoeld in artikelen 2.3.5 en 2.3.6 van de wet, indien:
- a.
de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt waardoor een andere beslissing zou zijn genomen;
- b.
de inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;
- c.
de maatwerkvoorziening in natura of pgb niet langer toereikend is;
- d.
de voorziening of het pgb niet binnen zes maanden wordt gebruikt;
- e.
de voorziening of het pgb niet wordt gebruikt voor het beoogde doel.
- a.
Artikel 30. Wangedrag
- 1.
Het college kan bij herhaald en/of ernstig wangedrag van een inwoner of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een (in bruikleen verstrekte) voorziening, tijdelijke of blijvende maatregelen nemen ter bescherming van medewerkers, medegebruikers van de voorziening of andere inwoners en ter voorkoming van (verdere) schade aan de voorziening.
- 2.
Herhaling van ernstig wangedrag of onzorgvuldig gebruik kan leiden tot:
- a.
schorsing van toegang tot een maatwerkvoorziening;
- b.
heroverwegen of beëindigen van de verstrekte maatwerkvoorziening;
- c.
beëindiging van de toegang tot de algemene (gebruikelijke) voorziening.
- a.
Artikel 31. Terugvordering
- 1.
Het college kan een besluit nemen tot terugvordering van de geldwaarde van een maatwerkvoorziening, indien het recht op die maatwerkvoorziening is herzien of ingetrokken op grond van artikel 2.4.1 van de wet.
- 2.
Terugvordering kan tevens plaatsvinden van degene die opzettelijk heeft bijgedragen aan de omstandigheden die hebben geleid tot herziening of intrekking van het recht op de maatwerkvoorziening.
- 3.
Het college legt het terug te vorderen bedrag vast in een beschikking.
- 4.
In de beschikking wordt een betalingstermijn van zes weken gesteld.
- 5.
Indien niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, kan het college overgaan tot invordering, overeenkomstig de artikelen 4:87 en 4:88 van de Awb.
HOOFDSTUK 11 – SLOTBEPALINGEN
Artikel 32. Hardheidsclausule
- 1.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden en een afwijking een beter resultaat voor de inwoner oplevert.
- 2.
In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 33. Indexering
- 1.
De ZIN-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd conform wettelijke, contractuele of andere bindende afspraken.
- 2.
De pgb-tarieven worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van het goedkoopst adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde hulp in natura (ZIN). Het pgb-tarief wordt jaarlijks vastgesteld als een percentage van dit tarief:
- a.
professioneel pgb: 100% van ZIN;
- b.
zzp pgb: 75% van ZIN;
- c.
informeel pgb: 45% van ZIN;
- d.
informeel pgb huishoudelijke hulp: 60% van ZIN.
- a.
- 3.
Het college kan, indien noodzakelijk, de tarieven tussentijds aanpassen op grond van gewijzigde economische omstandigheden of andere relevante factoren.
- 4.
De indexering voor de verschillende producten verloopt volgens de volgende indexeringsnormen bij ZIN:
- a.
CPI-AH [Consumenten Prijs Index Alle Huishoudens]: verhuiskosten, sportrolstoel, vervoertarieven;
- b.
OVA/PCC [Ontwikkeling van de Overheidsbijdrage in de Arbeidskosten / Prijsindex Producten Commerciële Dienstverlening]: Jeugdhulp, begeleiding individueel;
- c.
Cao VVT [Collectieve Arbeidsovereenkomst Verpleeg- & Verzorgingshuizen & Thuiszorg]: huishoudelijke ondersteuning en individuele begeleiding;
- d.
NZa [Nederlandse Zorgautoriteit]: vervoertarieven ZIN.
- a.
Artikel 34. Evaluatie
Deze verordening wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd door het college.
Artikel 35. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
- 1.
De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Westerveld wordt ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld 2026.
- 2.
Een inwoner houdt recht op lopende voorzieningen verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Westerveld, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.
- 3.
Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Westerveld en waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, worden afgehandeld volgens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld 2026.
- 4.
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld die ten aanzien van de betreffende zaak haar rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de aanvrager van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst.
- 5.
Het college kan ten gunste van de inwoner afwijken van het bepaalde in het derde en vierde lid.
Artikel 36. Inwerkingtreding en citeertitel
- 1.
De verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026.
- 2.
Artikel 17 Hoogte van het pgb, treedt in werking per 1 januari 2027. Tot deze datum blijft artikel 6.2 Persoonsgebonden budget uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Westerveld van toepassing.
- 3.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Westerveld 2026.
Ondertekening
Aldus besloten door de raad van de gemeente Westerveld in zijn openbare vergadering van 21 april 2026.
De voorzitter, de heer J. Spoelstra
De griffier, mevrouw R. Weemakers
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl