Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762825
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762825/1
Damoclesbeleid gemeente Ede 2026
Geldend van 17-06-2026 t/m heden
Intitulé
Damoclesbeleid gemeente Ede 2026Beleidsregels van de burgemeester van de gemeente Ede houdende regels omtrent drugshandel en voorbereidingshandelingen vanuit woningen, lokalen en/of daarbij behorende erven.
De burgemeester van de gemeente Ede;
gelet op artikel 13b van de Opiumwet, de Aanwijzing Opiumwet, artikel 4:81 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2:41 van de Algemene Plaatselijke Verordening Ede 2026 (APV),
besluit
vast te stellen:
het ’Damoclesbeleid gemeente Ede 2026’.
Hoofdstuk 1. Definities, reikwijdte en doelstellingen
1.1. Definities
In dit Damoclesbeleid wordt verstaan onder:
- a.
betrokkene: de overtreder, de eigenaar van het pand, de (hoofd)-bewoner(s) of degene die anderszins als rechthebbende op het pand waarop de last betrekking heeft, kan worden aangemerkt (zie ook artikel 5:24, derde lid, van de Awb);
- b.
designerdrugs: een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld op lijst IA van de Opiumwet of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Opiumwet;
- c.
drugs: softdrugs, harddrugs of designerdrugs;
- d.
drugshandel: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs in een pand en/of het daarbij behorende erf. Hierbij wordt ook gedoeld op hennepplantages, -knipperijen en -drogerijen;
- e.
handelshoeveelheid: een hoeveelheid drugs die de criteria voor ‘geringe hoeveelheid voor eigen gebruik’ zoals vastgelegd in de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het Openbaar Ministerie 1 (OM) overstijgt;
- f.
harddrugs: een middel als bedoeld op lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet;
- g.
lachgas: distikstofmonoxide (N2O), als bedoeld op lijst II van de Opiumwet;
- h.
lokaal: zowel voor publiek toegankelijke als niet voor publiek toegankelijke lokalen;
- I.
‘voor publiek toegankelijke lokalen’: een besloten ruimte, met inbegrip van een daarbij behorend erf, die – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijk is. Voorbeelden van voor publiek toegankelijke lokalen zijn winkels, horecabedrijven, zoals hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria, snackbars en discotheken, kantoren, buurthuizen of clubhuizen;
- II.
‘niet voor publiek toegankelijke lokalen’: een besloten ruimte, met inbegrip van een daarbij behorend erf, die niet voor het publiek toegankelijk is, niet zijnde een woning. Een voor bewoning bestemde ruimte die niet wordt gebruikt als woning kan ook als lokaal worden aangemerkt. Voorbeelden zijn bedrijfsruimten, kantoren, opslagruimtes, productiehallen, bergingen, garages, garageboxen, schuren en stallen.
- I.
- i.
pand: een woning of een al dan niet voor publiek toegankelijk lokaal met bijbehorend erf, niet zijnde een gedoogd verkooppunt voor softdrugs (coffeeshop). Ook een woonwagen, woonschip en een keet vallen onder het begrip;
- j.
recidive: een tweede of opvolgende overtreding van de artikelen 2, 3, 10a en 11a van de Opiumwet binnen vijf jaar na de verzenddatum van een bestuurlijke maatregel of een waarschuwing;
- k.
softdrugs: een middel als bedoeld op lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet;
- l.
voorbereidingshandelingen: het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet;
- m.
woning: een pand dat in hoofdzaak dient tot woning, dan wel dienstbaar is aan wonen, alsmede het daarbij behorende erf en de hierop staande (bijbehorende) objecten. Hieronder valt zowel een koopwoning als een huurwoning, maar bijvoorbeeld ook een stacaravan, woonwagen, woonschip en een keet. Onder het begrip ‘woning’ worden tevens begrepen de op hetzelfde perceel gelegen en aan de woning dienstbare bijgebouwen, waaronder bergingen, garages, garageboxen, schuren en stallen.
1.2. Reikwijdte
- 1.
Met dit Damoclesbeleid vult de burgemeester in hoe uitvoering wordt gegeven aan de bevoegdheid, zoals bepaald in artikel 13b van de Opiumwet ten aanzien van:
- a.
woningen en bijbehorende erven;
- b.
voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven;
- c.
niet voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven.
- a.
- 2.
Dit Damoclesbeleid is niet van toepassing op gedoogde verkooppunten voor softdrugs.
1.3. Doelstellingen
Het algemene doel van artikel 13b van de Opiumwet is het bieden van een bestuursrechtelijke mogelijkheid aan de burgemeester om drugshandel en de aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs in of bij woningen en lokalen tegen te gaan. Hiermee kunnen situaties die de openbare orde en veiligheid in de directe omgeving van een pand ernstig verstoren worden beëindigd en kan de openbare orde hersteld worden. Daarnaast gelden als algemene doelstellingen de bescherming van het woon- en leefklimaat en de bestrijding van drugscriminaliteit. De sluiting van een pand is in principe een herstelsanctie en is bedoeld om de bekendheid van het pand als drugspand bij gebruikers en dealers ongedaan te maken. De toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet en dit Damoclesbeleid strekken er concreet toe om:
- •
de verkoop, de aflevering of verstrekking, dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs in of vanuit een woning of lokaal of een daarbij behorend erf te beëindigen en beëindigd te houden;
- •
herhaling van overtreding van de Opiumwet te voorkomen; en
- •
de aanvang van drugshandel en/of -productie te beletten (voor wat betreft voorbereidingshandelingen).
Deze beleidsregels hebben daarnaast tot doel om:
- •
de bekendheid van het pand als drugspand in het drugscircuit te doorbreken en te verhinderen dat het pand (opnieuw) wordt gebruikt voor de georganiseerde drugshandel;
- •
een duidelijk en zichtbaar signaal af te geven dat de handel in en productie van drugs niet wordt getolereerd en dat daartegen wordt opgetreden;
- •
het woon- en/of leefklimaat in en rondom het pand te beschermen en gevaar voor (nieuwe) bewoners, ondernemers en omwonenden te voorkomen;
- •
de openbare orde en veiligheid en de rust te herstellen in de directe omgeving van het pand.
Dit betreft geen uitputtende en limitatieve opsomming.
Hoofdstuk 2. Juridisch kader
2.1. Vaststellen van de bevoegdheid
Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien in woningen of lokalen of op een daarbij behorend erf drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Deze last onder bestuursdwang kan het bevel van de burgemeester inhouden om de woning of het lokaal te sluiten. In beginsel is daarom niet van belang wie feitelijk de overtreding van de Opiumwet heeft begaan, zoals de eigenaar, verhuurder, huurder, bewoner, rechthebbende of een derde. De constatering van overtreding van de Opiumwet in een pand is voor de burgemeester als zodanig al voldoende om van zijn bevoegdheid tot handhaving gebruik te kunnen maken. Tevens omvat deze bevoegdheid de mogelijkheid om een waarschuwing of een last onder dwangsom op te leggen, zie hiervoor 3.5. en 3.6. De bevoegdheid bestaat ook als in een pand of op een daarbij behorend erf geen drugs worden aangetroffen, noch verkocht, afgeleverd of verstrekt, maar er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur, waaronder maar niet beperkt tot assimilatielampen, slakkenhuizen, IBC-vaten, chemicaliën zoals apaan, zoutzuur, aceton en versnijdingsmiddelen, oftewel wanneer sprake is van zogenoemde strafbare voorbereidingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° (harddrugs), of artikel 11a van de Opiumwet (softdrugs).
2.1.1. Handelshoeveelheid
Onder drugshandel wordt op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel de aanwezigheid daartoe van drugs als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA van de Opiumwet of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de Opiumwet. De genoemde lijst I heeft betrekking op harddrugs, lijst II bevat de verboden softdrugs en lijst IA bevat de zogenoemde designerdrugs. Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid is in dit Damoclesbeleid aansluiting gezocht bij de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het College van procureurs-generaal van het OM van 27 februari 2025’2 . Volgens deze Aanwijzing wordt een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram en een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram (of 0,5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel) gezien als hoeveelheden voor eigen gebruik. Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid designerdrugs is in dit beleid aansluiting gezocht bij de ‘Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, lijst I en lijst IA’3 . Uit de rechtspraak volgt dat in het bestuursrecht gebruik mag worden gemaakt van een indicatieve test om te bepalen of het aannemelijk is dat een bepaalde stof/drugs een verdovend middel bevat4 . Als sprake is van een handelshoeveelheid mag in beginsel worden aangenomen dat de drugs (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking en dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet, bevoegd is om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. De verboden van de Opiumwet gelden dus niet alleen voor middelen als genoemd in lijst I en II, maar ook voor middelen die vooruitlopend op plaatsing op lijst I of II, zijn aangewezen bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet. 5
2.1.2. Voorbereidingshandelingen
Van een strafbare voorbereidingshandeling in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder b, van de Opiumwet is sprake als in een woning of een lokaal of een daarbij behorend erf voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs te produceren en/of te verhandelen. De aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden, zoals deze door de politie zijn vastgesteld. Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof(fen), de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet worden betrokken, zoals bij voorbereidingshandelingen ten behoeve van een hennepkwekerij. Hierbij kan aan de hand van het beoogde aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter worden gewaardeerd. De burgemeester is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel, indien op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk is dat de voorwerpen en stoffen aanwezig waren en waarvan kan worden geweten of ernstig kan worden vermoed dat deze bestemd waren voor het bereiden van drugs.
2.1.3. Designerdrugs
Per 1 juli 2025 is de ‘Wijzigingswet Opiumwet’ in werking getreden. Deze wet richt zich op het tegengaan van productie en handel in nieuwe psychoactieve stoffen (NPS), ook wel ‘designerdrugs’ genoemd. Voorheen vielen deze middelen niet onder de Opiumwet. Met de wijziging is lijst IA toegevoegd, waarin stofgroepen zijn opgenomen die chemisch zijn afgeleid van harddrugs op lijst I. Door deze uitbreiding kan de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet ook optreden wanneer in een pand stoffen of preparaten aanwezig zijn die behoren tot de stofgroepen op lijst IA. Daarmee wordt handhaving tegen handel in designerdrugs mogelijk. Omdat lijst IA de basisstructuren bevat van harddrugs op lijst I, wordt voor de beoordeling van handelshoeveelheden aangesloten bij de Aanwijzing Opiumwet voor harddrugs. Dit betekent dat bij meer dan 0,5 gram designerdrugs wordt aangenomen dat deze (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking.’
2.2. Evenredigheidstoets
Het evenredigheidsbeginsel speelt een belangrijke rol in de beoordeling of gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid uit artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting van een woning is namelijk een ingrijpende maatregel: het raakt aan het recht op huisvesting, aan de privacy van bewoners en aan het recht op gezinsleven. Het evenredigheidsbeginsel is ten aanzien van woningsluitingen nader uitgewerkt in de overzichtsuitspraak uit 2025 van de Raad van State. 6
- 1.
De burgemeester beoordeelt per individueel geval of de maatregel die uit de handhavingsmatrix volgt zoals opgenomen in hoofdstuk 4:
- a.
de maatregel moet geschikt zijn om de gestelde doelen zoals opgenomen onder 1.3 te bereiken (overtreding beëindigingen en herhaling voorkomen);
- b.
de maatregel moet noodzakelijk zijn, in die zin dat het doel niet met een minder ingrijpend middel kan worden bereikt. De noodzaak tot sluiting wordt beoordeeld op basis van de volgende, niet limitatieve, feiten en omstandigheden:
- •
de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op (verdere) criminaliteit of ernstige verstoring van de openbare orde;
- •
of de drugs feitelijk in of vanuit het pand zijn verhandeld;
- •
of het pand feitelijke bekendheid heeft als drugspand;
- •
of sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving van het pand;
- •
of het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel;
- •
of het pand eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet (recidive)
- •
of het pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk ligt;
- •
het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat; en
- •
- •
- c.
de maatregel moet evenwichtig zijn, gelet op de gevolgen van de maatregel voor betrokkene(n). De evenwichtigheid van een sluiting wordt beoordeeld op basis van de volgende (niet limitatieve) feiten en omstandigheden:
- •
de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen, waarbij geldt dat ook bij geringe of ontbrekende verwijtbaarheid sluiting gerechtvaardigd kan zijn bij voldoende ernst van de feiten;
- •
of de betrokkene(n) en/of de bewoner(s) een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven;
- •
de aanwezigheid van minderjarige kinderen in de woning en de impact van de sluiting op hun welzijn en woonbelangen;
- •
hoelang de woning gesloten blijft;
- •
of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken.
- •
- 2.
Het is aan de betrokkene(n) om de relevante en verifieerbare feiten en omstandigheden naar voren te brengen die bij de beoordeling van de evenredigheid moeten worden meegewogen.
- 3.
Indien naar het oordeel van de burgemeester de nadelige gevolgen van een woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, dan wordt afgezien van sluiting en wordt overgegaan tot het geven van een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom.
2.2.1. Noodzakelijkheid
Bij de beoordeling of sluiting van een pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet noodzakelijk is, weegt de burgemeester alle relevante omstandigheden mee. Het toetsingskader voor de beoordeling of sluiting noodzakelijk is, is gebaseerd op vaste rechtspraak van de Afdeling waaronder de uitspraak van 6 juli 2022 (Harderwijk-uitspraak)7 en de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025.8 De af te wegen feiten en omstandigheden staan hiervoor onder artikel 2.2 genoemd. Indicaties voor handel in of vanuit het pand zijn onder meer: meldingen van de politie, verklaringen van buurtbewoners of betrokkenen, het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand, waaronder maar niet beperkt tot: gripzakjes, ponypacks, grammenweegschaal, een vuurwapen, en/of het aantreffen van een grote hoeveelheid contant geld. Indicaties of een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk ligt zijn onder meer: meldingen bij de politie, MMA-meldingen, verklaringen van buurtbewoners of betrokkenen en/of meerdere constateringen van overtredingen van de Opiumwet binnen de betreffende of direct aangrenzende wijk(en) in de afgelopen drie jaar. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling geldt dat in ieder geval bij een geringe overschrijding van een gebruikshoeveelheid steeds dient te worden beoordeeld of kan worden volstaan met een minder verstrekkende maatregel.9 De burgemeester betrekt bij zijn afweging of het noodzakelijk is om tot sluiting van een pand over te gaan aan de concrete
omstandigheden van het geval. De beoordeling van de noodzaak van de sluiting van een pand kan tot gevolg hebben dat de burgemeester kiest voor een lichtere bestuurlijke maatregel dan een sluiting, bijvoorbeeld het geven van een waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom. Ook kan uit de beoordeling van de noodzaak volgen dat sluiting noodzakelijk is om het doel te bereiken, maar dat gekozen wordt voor een kortere sluitingsduur.
2.2.2. Evenwichtigheid
Na het beoordelen van de noodzakelijkheid beoordeelt de burgemeester of de sluiting in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Hierbij worden de voor betrokkenen nadelige gevolgen van de sluiting afgewogen tegen de zwaarwegende belangen van de burgemeester bij het handhaven van de openbare orde, het beëindigen van de overtreding en het voorkomen van herhaling. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Bij woningen vindt de beoordeling plaats met inachtneming van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De impact op bewoners wordt meegewogen, maar bij ernstige of structurele overtredingen kan het belang van bescherming van de samenleving zwaarder wegen. Bij de beoordeling of de bewoners na de sluiting van de woning weer gebruik kunnen maken van de woning weegt de burgemeester bij een huurwoning mee of de verhuurder de mogelijkheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter te ontbinden, toepast. Het is inherent aan de sluiting van een woning dat de bewoner de woning moet verlaten. Het is in beginsel de verantwoordelijkheid van de bewoner zelf om, al dan niet met behulp van zijn netwerk, vervangende woonruimte te vinden. 10 Indien de bewoner geen vervangende woonruimte kan vinden, is het aan de bewoner zelf om dit tijdig bij de burgemeester kenbaar te maken en aan te tonen. Zonder hulpvraag mag de burgemeester ervan uitgaan dat de bewoner zelf kan voorzien in tijdelijke woonruimte. De kosten voor vervangende woonruimte komen voor rekening van bewoner. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang. Voorbeelden zijn de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, de aanwezigheid van minderjarige kinderen, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om na de sluiting weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegenover de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is zoals gezegd niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de bewoner een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst en omvang van de overtreding. Een belangrijk element bij de beoordeling van de evenwichtigheid is de persoonlijke verwijtbaarheid van de bewoner/eigenaar. Daarbij geldt dat van degene die een pand verhuurt of in gebruik geeft wordt verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. Dat houdt in dat concreet toezicht moet worden gehouden op het gebruik van het verhuurde pand en dat het niet genoeg is als het pand alleen maar wordt bezocht. Ook als echter de verwijtbaarheid ontbreekt, bijvoorbeeld omdat verhuurder op een goede manier invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht, kan een sluiting toch op zijn plaats zijn omdat de belangen die daarmee zijn gediend zwaarder wegen.
2.3. Hennepconvenant
In het kader van een effectieve regionale samenwerking is op 1 september 2014 het ‘Regionaal hennepconvenant voor de integrale aanpak van hennepkwekerijen in Oost Nederland’ in werking getreden. Dit convenant is ondertekend door verschillende gemeenten in de provincies Gelderland en Overijssel, politie, het OM van het arrondissementsparket Oost-Nederland, woningbouwcorporaties, netwerkbeheerders, drinkwaterbedrijven, waterschappen, intergemeentelijke diensten en omgevingsdiensten (partners). Het doel van het convenant is het integraal aanpakken en bestrijden van
drugscriminaliteit en de daarmee samenhangende problematiek. Het convenant zorgt ervoor dat de aangesloten partners onderling informatie kunnen uitwisselen om dit doel te kunnen behalen.
2.4. Hardheidsclausule
De burgemeester kan in individuele gevallen bij uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden afwijken van dit Damoclesbeleid indien strikte toepassing leidt tot een onredelijk of onbillijk resultaat voor betrokkene(n).
Hoofdstuk 3. Uitgangspunten Damoclesbeleid
In dit hoofdstuk zijn de algemene uitgangspunten opgenomen voor de wijze waarop de burgemeester uitvoering geeft aan zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
3.1. Woningen
- 1.
Bij toepassing van artikel 13b van de Opiumwet weegt de burgemeester de gevolgen van een woningsluiting voor bewoners, waaronder de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM.
- 2.
Bij de aanwezigheid van minderjarigen of psychisch of fysiek kwetsbare bewoners met een specifieke binding aan de woning wordt aan de inbreuk op hun belangen extra gewicht toegekend.
- 3.
De burgemeester beoordeelt op grond van dit Damoclesbeleid of een woningsluiting evenwichtig is; hierbij wordt de ernst van de overtreding meegewogen.
- 4.
Bij een eerste overtreding worden de mogelijkheden van een waarschuwing of een last onder dwangsom verkend, tenzij de ernst van de situatie afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigt.
3.2. Lokalen
Voor lokalen, al dan niet voor publiek toegankelijk, geldt het uitgangspunt van vooraf waarschuwen of het treffen van minder ingrijpende maatregelen in beginsel niet. Of een pand als woning of als lokaal wordt aangemerkt, wordt per geval vastgesteld op basis van alle relevante feiten en omstandigheden.
3.3. (Sociale) huurwoningen
- 1.
Voor huurwoningen van woningcorporatie Woonstede wordt in beginsel de handhavingsmatrix voor woningen, zoals opgenomen in hoofdstuk 4, toegepast.
- 2.
Bij het bepalen van de sluitingsduur wordt geen onderscheid gemaakt tussen huur- en koopwoningen.
- 3.
Een sluitingsduur langer dan drie maanden kan worden opgelegd indien sprake is van een ernstig geval als bedoeld in artikel 3.7.
- 4.
De burgemeester kan onder bepaalde omstandigheden een kortere sluitingsduur of een verzoek tot opheffing van een reeds geëffectueerde sluiting van een sociale huurwoning honoreren.
- 5.
Opheffing van een sluiting is slechts mogelijk indien de doelstellingen genoemd in artikel 1.3 van dit Damoclesbeleid zijn bereikt en met inachtneming van de termijnen genoemd in artikel 4.3.
3.4. Last onder bestuursdwang
- 1.
Bij overtreding van de Opiumwet in woningen of lokalen wordt in beginsel een last onder bestuursdwang opgelegd.
- 2.
De last onder bestuursdwang strekt tot sluiting van de woning, het lokaal en het daarbij behorende erf.
- 3.
Van dit uitgangspunt wordt uitsluitend afgeweken bij een eerste constatering waarbij sprake is van een geringe overschrijding van de gebruikshoeveelheid én geen sprake is van een ernstig geval.
3.5. Waarschuwing
- 1.
Bij een eerste overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet in een woning wordt in beginsel volstaan met een waarschuwing of een last onder dwangsom.
- 2.
Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien sprake is van een ernstig geval als bedoeld in artikel 3.7.
- 3.
Een waarschuwing geldt voor een periode van vijf jaar.
3.6. Last onder dwangsom
- 1.
Op grond van artikel 5:32 van de Awb kan in plaats van een last onder bestuursdwang een last onder dwangsom worden opgelegd, indien dit gelet op de omstandigheden van het geval evenrediger is dan een sluitingsmaatregel.
- 2.
De hoogte van de dwangsom wordt bepaald overeenkomstig artikel 4.4.1 van dit Damoclesbeleid en sluit aan bij de vermoedelijke opbrengst van de drugs of de te produceren drugs.
- 3.
Een last onder dwangsom kan uitsluitend worden opgelegd aan de overtreder die de overtreding kan beëindigen.
- 4.
De hoogte van de dwangsom moet een voldoende afschrikkende werking hebben en daadwerkelijk effectief zijn om herhaling van de overtreding van de Opiumwet te voorkomen.
3.7. Ernstig geval
Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als één of meer van de onderstaande indicatoren van toepassing zijn. Dit gaat om de volgende niet-limitatieve indicatoren:
- a.
de aangetroffen grootte van de (handels)hoeveelheid soft-/harddrugs. Daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking hoeft niet aangetoond te worden;
- b.
een combinatie van een (handels)hoeveelheid soft-/hard-/designerdrugs als bedoeld op lijst I, IA en/of II van de Opiumwet;
- c.
het bezit van of de verkoop van drugs aan minderjarigen;
- d.
ongeacht de hoeveelheid aangetroffen drugs, het aantreffen van attributen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals een grote som aan contant geld, een weegschaal, verpakkingsmaterialen, versnijdingsmiddelen;
- e.
er is sprake van verboden wapenbezit en/of aanwezigheid van verboden wapens als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie;
- f.
er is sprake van recidive door één of meerdere betrokkenen, daaronder in ieder geval begrepen eerdere overtredingen van de Opiumwet;
- g.
de mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden;
- h.
de omstandigheid dat het pand bekend staat als ontmoetingsplek voor handelaren en/of gebruikers (dit kan bijvoorbeeld blijken uit politieobservaties of verklaringen van gebruikers, omwonenden en getuigen);
- i.
er is een vermoeden dat de bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten ten aanzien van de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie. Ook antecedenten op het gebied van geweld tegen personen of zaken, zoals geweldpleging, mishandeling, bedreiging, vernieling of diefstal kunnen een rol spelen;
- j.
het is aannemelijk dat de eigenaar of huurder/gebruiker zelf betrokken is bij de aangetroffen drugs;
- k.
het is aannemelijk dat behalve de woning of lokaal nog één of meer locaties betrokken zijn bij drugshandel in georganiseerd verband;
- l.
er zijn overige feiten en omstandigheden die duiden op drugshandel of criminaliteit in georganiseerd verband;
- m.
er is sprake van merkbare overlast vanuit het pand, waaronder openbare ordeverstoringen in, vanuit of rond het pand (dit kan o.a. blijken uit politiewaarnemingen, waarnemingen van toezichthouders en/of meldingen van buurtbewoners);
- n.
er is sprake van ondeugdelijke of ondoorzichtige huurconstructies en de gebruikers/huurders zijn niet ingeschreven in de BRP van de gemeente;
- o.
er is sprake van beroeps- of bedrijfsmatige (hennep)teelt. De mate van professionaliteit wordt beoordeeld aan de hand van de indicatoren, opgenomen in bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet. Wanneer aan twee of meer van de aangegeven indicatoren van professionaliteit wordt voldaan, wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatige teelt.
Hoofdstuk 4. Handhavingsmatrix
4.1. Drugshandel in woningen of lokalen
Bij drugshandel in woningen of lokalen of daarbij behorende erven, in de zin van artikel 13b, eerste lid onder a, van de Opiumwet, wordt, nadat is vastgesteld dat sprake is van een handelshoeveelheid drugs, in beginsel het regime toegepast zoals opgenomen in onderstaande matrix.
4.1.1. Geringe handelshoeveelheid
|
|
Hoeveelheid |
Maatregel |
|
|
Softdrugs |
> 5 en < 30 gram, > 5 en < 20 hennepplanten, > 1 en < 10 ampullen lachgas (8 gram per ampul)/ballonnen lachgas |
Waarschuwing of last onder dwangsom |
indien sprake is van verzwarende omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 3.7, wordt dit behandeld als een ernstig geval overeenkomstig de onderstaande matrix onder 4.1.2 . |
4.1.2. Ernstig geval
|
|
Hoeveelheid |
|
1e constatering |
2e constatering |
3e constatering |
|
Softdrugs |
> 30 gram, > 20 hennepplanten > 10 ampullen lachgas (8 gram per ampul/ ballonnen lachgas) |
Woning |
3 maanden sluiten |
6 maanden sluiten |
12 maanden sluiten |
|
Lokaal |
3 maanden sluiten |
6 maanden sluiten |
12 maanden sluiten |
||
|
Harddrugs/ designerdrugs |
> 0,5 gram, > 1 pil > 1 eenheid GHB (5 ml.) |
Woning |
6 maanden sluiten |
12 maanden sluiten |
24 maanden sluiten |
|
Lokaal |
6 maanden sluiten |
12 maanden sluiten |
24 maanden sluiten |
4.2. Voorbereidingshandelingen in woningen of lokalen
Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid onder b, van de Opiumwet, wordt, nadat uit alle feiten en omstandigheden is vastgesteld dat sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen, in beginsel het regime toegepast zoals opgenomen in onderstaande matrix.
|
|
|
1e constatering |
2e constatering |
3e constatering |
|
Softdrugs |
Woning |
3 maanden sluiten |
6 maanden sluiten |
12 maanden sluiten |
|
Lokaal |
3 maanden sluiten |
6 maanden sluiten |
12 maanden sluiten |
|
|
Harddrugs/ designerdrugs |
Woning |
3 maanden sluiten |
6 maanden sluiten |
12 maanden sluiten |
|
Lokaal |
6 maanden sluiten |
12 maanden sluiten |
Min. 12 maanden sluiten |
4.3. Verzoek opheffing sluiting
- 1.
De duur van de sluiting wordt vastgesteld op basis van de periode die noodzakelijk is om de overtreding van de Opiumwet te beëindigen en herhaling te voorkomen.
- 2.
De burgemeester kan onder bepaalde omstandigheden medewerking verlenen aan een verzoek tot opheffing van een reeds geëffectueerde sluiting.
- 3.
Bij de beoordeling van een verzoek tot opheffing betrekt de burgemeester onder meer:
- a.
of de doelstellingen van de sluiting, als bedoeld in artikel 1.3, zijn bereikt;
- b.
of betrokkene(n) aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen hebben genomen om herhaling van de overtreding te voorkomen.
- a.
- 4.
Opheffing van de sluiting vindt in de regel niet eerder plaats dan na het verstrijken van de in de onderstaande tabel opgenomen termijnen.
|
Sluitingsduur |
Verzoek opheffing na |
|
4 weken |
Niet mogelijk |
|
3 maanden |
6 weken |
|
6 maanden |
3 maanden |
|
12 maanden |
6 maanden |
|
Onbepaalde tijd |
12 maanden |
4.4. Last onder dwangsom (bij softdrugs)
- 1.
Bij het aantreffen van een hennepplantage, een handelshoeveelheid softdrugs, lachgas of voorbereidingshandelingen gericht op softdrugs en/of lachgas kan aan de overtreder een last onder dwangsom worden opgelegd.
- 2.
De hoogte van de dwangsom wordt bepaald aan de hand van de matrix onder 4.4.1, afhankelijk van het aantal aangetroffen of beoogde hennepplanten, de hoeveelheid softdrugs (in grammen) en/of het aantal lachgasampullen of -ballonnen.
- 3.
Bij het opleggen van een last onder dwangsom wordt in beginsel geen onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen.
- 4.
In geval van verzwarende omstandigheden als bedoeld in artikel 3.7 kunnen de in de matrix onder 4.4.1 opgenomen bedragen worden verhoogd.
- 5.
Verzwarende omstandigheden kunnen aanleiding geven tot toepassing van een zwaardere maatregel dan in de matrix is opgenomen.
4.4.1. Hoogte dwangsom
|
Hennepplanten |
Hoogte dwangsom ineens |
|
Van 6 tot 50 planten |
€ 12.500 |
|
Van 50 tot 200 planten |
€ 25.000 |
|
Van 200 tot 750 planten |
€ 50.000 |
|
Vanaf 750 planten |
€ 75.000 |
|
Softdrugs |
Hoogte dwangsom ineens |
|
5-30 gram |
€ 1.275 |
|
30-50 gram |
€ 3.500 |
|
50-100 gram |
€ 7.000 |
|
100-150 gram |
€ 10.500 |
|
150-200 gram |
€ 14.000 |
|
200 gram – 6 kilogram |
€ 25.000 |
|
6 kilogram – 22,5 kilogram |
€ 50.000 |
|
Vanaf 22,5 kilogram |
€ 75.000 |
|
Lachgas (ampullen/ballonnen) |
|
|
2-11 |
€ 2.500 |
|
12-20 |
€ 5.000 |
|
21-30 |
€ 7.500 |
|
Vanaf 30 |
Maatwerk |
|
Lachgas (gasflessen) |
|
|
Per kg. netto volume (ongeacht formaat of vulling) |
€ 5.000 |
|
Vanaf 15 kg |
Maatwerk |
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
5.1. Inwerkingtreding
Dit Damoclesbeleid treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking.
5.2. Intrekken bestaand Damoclesbeleid
Het Damoclesbeleid van de gemeente Ede, gemeenteblad 2017, 188664, wordt ingetrokken.
5.3. Overgangsrecht
- 1.
Procedures op grond van artikel 13b van de Opiumwet die zijn aangevangen onder het voormalige Damoclesbeleid worden afgehandeld volgens dat voormalige beleid en de daarbij behorende handhavingsarrangementen.
- 2.
Een procedure geldt als aangevangen zodra ten minste een voornemen als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb is verzonden.
- 3.
Onder het voormalige Damoclesbeleid afgegeven waarschuwingen en gedane constateringen worden aangemerkt als waarschuwingen en constateringen onder dit Damoclesbeleid.
Eerdere waarschuwingen en overtredingen uit het voormalige beleid kunnen aanleiding vormen om direct de volgende stap in de handhavingsmatrix, zoals opgenomen in hoofdstuk 4, toe te passen.
5.4. Citeertitel
Dit Damoclesbeleid wordt aangehaald als ‘Damoclesbeleid gemeente Ede 2026’
Ondertekening
Aldus vastgesteld door de burgemeester van de gemeente Ede op 9 juni 2026, 20260507946768
De burgemeester van Ede,
mr. L.J. Verhulst
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl