Nadere regels Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2026

Geldend van 13-06-2026 t/m heden

Intitulé

Nadere regels Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2026

Burgemeester en wethouders van Wassenaar,

gelet op de Jeugdwet,

de Verordening jeugdhulp gemeente Wassenaar 2025,

artikel 156 van de Gemeentewet;

besluiten de volgende nadere regeling vast te stellen:

Nadere regels Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2026

Definities en afbakening

Artikel 1 Definities

Alle definities die in deze nadere regels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de hierop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, uitvoeringsbesluiten en de Verordening jeugdhulp gemeente Wassenaar 2025.

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

Aanvraag:

Een verzoek van de jeugdige en/of zijn ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger aan het college om een besluit te nemen over het verstrekken van een individuele voorziening jeugdhulp.

Een verzoek als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL):

Dagelijkse, persoonlijke handelingen die nodig zijn voor het functioneren in het dagelijks leven. Hieronder worden in ieder geval verstaan: wassen, aankleden en uitkleden, eten en drinken, toiletgang, verplaatsen, medicatie innemen en persoonlijke verzorging.

Algemene voorziening:

Aanbod van diensten of activiteiten passend binnen de Jeugdwet dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is.

Awb:

Algemene wet bestuursrecht

Andere voorziening:

Voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.

Budgetbeheerder:

Degene die het persoonsgebonden budget (pgb) beheert en daarvoor handelingsbekwaam is. Dit kan een ouder, de jeugdige zelf of een andere gemachtigde zijn, zoals een bewindvoerder, mentor of curator.

Budgethouder:

De persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet.

Cliëntondersteuning:

Onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige en de ouder(s) en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke, ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

College:

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar.

Dossier:

Geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot de verlening van jeugdhulp aan een jeugdige of ouder.

Eigen kracht:

De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (capaciteit), tijd en middelen van de jeugdige en/of ouder(s) om, zelf of met personen uit het sociaal netwerk, de opgroei en/of opvoedingsproblemen op te lossen.

Familiegroepsplan:

Hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld (in aanvulling op een ondersteuningsplan) door of met de ouder(s), samen met de familie, aanverwanten, jeugdhulpverlener of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige en de ouder(s) behoren.

Gecertificeerde instelling:

Rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert.

Hulpvraag:

Behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.

Individuele voorziening:

Een op de jeugdhulpbehoefte van de jeugdige of zijn ouder toegesneden voorziening dan wel een voorziening bedoeld voor een groep jeugdigen met specifieke kenmerken waarvoor het college een beschikking afgeeft.

Informatiestandaard Jeugdwet (iJw):

Door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15 derde lid, van de Jeugdwet, bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1 van de Regeling Jeugdwet.

Jeugdhulp:

  • 1.

    Ondersteuning van hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouder(s) bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen.

  • 2.

    Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.

  • 3.

    Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. De leeftijdsgrens van achttien jaar geldt niet voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.

Jeugdhulpaanbieder:

  • 1.

    Natuurlijke of rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college.

  • 2.

    Solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het college.

Jeugdige:

Een persoon die:

  • 1.

    De leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.

  • 2.

    De leeftijd van achttien jaar heeft bereikt ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of:

  • 3.

    De leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt voor zover de te verlenen jeugdhulp uit pleegzorg bestaat, indien:

    • -

      de pleegzorg was aangevangen voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, of:

    • -

      de pleegzorg die was aangevangen voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar binnen een termijn van een half jaar na beëindiging wordt hervat, of:

  • 4.

    Onverminderd onderdeel 3, de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van de Jeugdwet:

    • -

      is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1 van de begripsbepaling van jeugdhulp, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is;

    • -

      vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of;

    • -

      is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.

Jeugdwet:

De Jeugdwet is bedoeld voor jeugdigen (kinderen en jongeren) tot 18 jaar en hun ouders die ondersteuning nodig hebben bij het opgroeien of bij de opvoeding.

Ondersteuningsplan:

Een plan met daarin:

  • -

    een beschrijving van de hulpvraag;

  • -

    de doelen van de ondersteuning met een beoogd resultaat;

  • -

    welk deel van de hulpvraag binnen het eigen netwerk kan worden opgepakt;

  • -

    de algemene gegevens van de jeugdige en zijn systeem;

  • -

    en de afspraken die zijn gemaakt over de inhoud van de jeugdhulp.

Dit plan is de basis voor de in te zetten jeugdhulp. De invulling van het plan wordt in dialoog tussen de jeugdige en/of ouder(s) door de jeugdhulpverlener ontwikkeld.

Opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen:

  • 1.

    psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

  • 2.

    beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en

  • 3.

    een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;

Ouder:

Gezaghebbende ouder, adoptieouder, stiefouder, voogd, wettelijk vertegenwoordiger of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.

Persoonsgebonden budget (pgb):

Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken.

Toegang:

Een op gemeentelijk niveau georganiseerd multidisciplinair team van professionals die de eerste verheldering van de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) doet, waar mogelijk verwijst naar een algemene voorziening en/of de aanvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en kan eventueel worden doorgeleid naar het college voor de toegang tot individuele voorzieningen.

Vaktherapie:

Overkoepelende naam voor de vaktherapeutische disciplines. Hieronder wordt verstaan beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie.

Verlengde jeugdhulp:

Jeugdhulp die is aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar en die, op grond van de Jeugdwet, door het college kan worden voortgezet na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, tot uiterlijk het 23e levensjaar

VOG:

Verklaring Omtrent het Gedrag

Zorg in natura (ZIN):

Een door het college verstrekte voorziening die door de gemeente rechtstreeks wordt betaald.

Artikel 2 Reikwijdte nadere regels

  • 1. Deze nadere regels concretiseren de uitvoering van de Verordening jeugdhulp gemeente Wassenaar 2025 en geven een nadere uitwerking van de beoordeling, toekenning en inzet van individuele voorzieningen jeugdhulp op grond van de Jeugdwet.

  • 2. Voor vormen van ondersteuning of voorzieningen die onder andere wettelijke kaders of afzonderlijke gemeentelijke regelingen vallen, gelden de daarvoor vastgestelde regelingen.

  • 3. Daar waar deze nadere regels verwijzen naar bepalingen uit de Jeugdwet, de Verordening of de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2026, geldt dat die bepalingen leidend zijn.

Vervoer

Artikel 3 Vervoer

  • 1. Het college beoordeelt of een vervoersvoorziening noodzakelijk is om de jeugdhulp te ontvangen en verstrekt deze indien aan de voorwaarden en aan artikel 10 van de verordening is voldaan.

  • 2. De verantwoordelijkheid van het college ziet uitsluitend op het vervoer van de jeugdige naar en van de jeugdhulplocatie. Vervoer van ouder(s) of vervoer naar andere locaties valt hier niet onder.

  • 3. Bij de beoordeling of vervoer noodzakelijk is, hanteert het college het volgende afwegingskader:

    • a.

      is sprake van een geldige beschikking voor een individuele voorziening jeugdhulp;

    • b.

      kan de jeugdige of kunnen de ouder(s) het vervoer zelf organiseren (eigen kracht);

    • c.

      kan het sociale netwerk ondersteunen bij het vervoer;

    • d.

      is een voorliggende vervoersmogelijkheid beschikbaar, zoals openbaar vervoer;

    • e.

      is aangepast vervoer noodzakelijk vanwege medische of zelfredzaamheidsbeperkingen.

  • 4. Indien vervoer noodzakelijk is, kan het college één of meer van de volgende voorzieningen inzetten:

    • a.

      begeleiding gericht op het zelfstandig leren reizen;

    • b.

      vergoeding voor openbaar vervoer;

    • c.

      vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding;

    • d.

      vergoeding voor eigen vervoer;

    • e.

      aangepast vervoer (taxivervoer).

  • 5. Een vervoersvoorziening kan worden toegekend indien sprake is van:

    • a.

      een risico dat de jeugdige noodzakelijke jeugdhulp niet kan ontvangen; en

    • b.

      medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid; en

    • c.

      intensieve jeugdhulp; en

    • d.

      een enkele reisafstand van minimaal zes kilometer; en

    • e.

      bovengebruikelijke vervoerskosten.

  • 6. Het college kan combinaties van vervoersvoorzieningen toekennen, mits gemotiveerd wordt waarom deze combinatie passend en noodzakelijk is.

  • 7. Het niet kunnen betalen van vervoer is niet direct reden voor toekenning van een vervoersvoorziening.

  • 8. Vergoeding voor vervoer wordt alleen verstrekt voor bovengebruikelijke kosten. De gebruikelijke kosten bedragen € 30,- per maand.

  • 9. Parkeerkosten komen niet in aanmerking voor vergoeding vanuit dit artikel.

  • 10. Vergoeding voor vervoer wordt niet met terugwerkende kracht voorafgaand aan het besluit toegekend.

  • 11. De hoogte van de vergoeding voor eigen vervoer en openbaar vervoer wordt berekend volgens de regels zoals vastgelegd in de verordening en wordt maandelijks achteraf uitbetaald.

Aanvraag, onderzoek, verslag, beoordeling, afweging en besluit

Artikel 4 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor een individuele voorziening jeugdhulp wordt schriftelijk ingediend door de jeugdige en/of zijn ouder(s).

  • 2. Er wordt hiervoor gebruikgemaakt van het aanvraagformulier dat door de gemeente beschikbaar wordt gesteld.

  • 3. Het college toetst of de aanvraag volledig is aan de hand van de vereisten genoemd in lid 5.

  • 4. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van een volledige aanvraag.

  • 5. De aanvraag bevat ten minste:

    • a.

      de naam en contactgegevens van de aanvrager;

    • b.

      voor wie de ondersteuning wordt aangevraagd;

    • c.

      een verzoek om ondersteuning in de vorm van jeugdhulp;

    • d.

      de datum van de aanvraag;

    • e.

      de gegevens die de jeugdige en/of ouder(s) redelijkerwijs kan verstrekken en die noodzakelijk zijn om de aanvraag te beoordelen.

  • 6. De aanvraag is ten minste voorzien van een handtekening van de jeugdige en/of diens wettelijk vertegenwoordiger;

  • 7. Indien de aanvraag onvolledig is, stelt het college de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb in de gelegenheid de aanvraag binnen een redelijke termijn aan te vullen. De beslistermijn wordt in dat geval opgeschort overeenkomstig artikel 4:15 Awb.

  • 8. Indien de aanvraag na afloop van de hersteltermijn niet is aangevuld, kan het college besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten. Dit betekent dat het college geen inhoudelijk besluit neemt over de aanvraag.

  • 9. Indien de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) onvoldoende medewerking verlenen aan het onderzoek en daardoor niet kan worden vastgesteld of een individuele voorziening jeugdhulp noodzakelijk en passend is, kan het college besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten.

  • 10. Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s)/verzorger(s) schriftelijk over het buiten behandeling laten van de aanvraag en de reden daarvan.

Artikel 5 Onderzoek

  • 1. Het onderzoek naar de noodzaak van een individuele voorziening jeugdhulp wordt uitgevoerd door een jeugdconsulent (gemeentelijke medewerker van de Toegang) van de gemeente Wassenaar.

  • 2. In afwijking van lid 1 kan bij een aanvraag via een wettelijke verwijzer de zorgaanbieder een professionele inschatting maken van de benodigde ondersteuning en de jeugdige direct verwijzen naar jeugdhulp. Afstemming met de Toegang vindt in alle gevallen plaats, behalve bij verwijzingen in het kader van een crisissituatie en die gevallen waarbij de medisch verwijzer ervoor kiest zelf te verwijzen naar jeugdhulp.Het onderzoek vindt plaats binnen de termijn die geldt voor de behandeling van de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 4. Indien meer tijd nodig is voor een zorgvuldig onderzoek, wordt de termijn verlengd en worden de jeugdige en/of ouder(s) hierover schriftelijk geïnformeerd.

  • 3. Voorafgaand aan het onderzoek wordt de jeugdige en/of ouder(s) de mogelijkheid geboden een familiegroepsplan op te stellen en in te dienen. Het familiegroepsplan kan door de jeugdige en/of ouder(s) zelf worden opgesteld, eventueel samen met het sociale netwerk of een professional, en bevat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van de ervaren problematiek;

    • b.

      de benodigde ondersteuning;

    • c.

      wie deze ondersteuning kan bieden;

    • d.

      welke ondersteuningsbehoefte buiten de eigen kracht nog overblijft.

  • 4. Het familiegroepsplan wordt binnen veertien dagen na de aanvraag ingediend en in ieder geval voordat het onderzoek is afgerond.

  • 5. Het onderzoek vindt plaats in gesprek met de jeugdige en/of zijn ouder(s). Op verzoek van de jeugdige en/of ouder(s) kan een onafhankelijke cliëntondersteuner aanwezig zijn. Een (beoogd) zorgaanbieder neemt alleen met instemming van de jeugdige en/of ouder(s) deel aan (een deel van) het gesprek.

  • 6. Jongere kinderen worden gezien en oudere kinderen worden ook gesproken, tenzij hier gemotiveerd van wordt afgezien. Die motivatie wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan.

  • 7. De jeugdige en/of ouder(s) verstrekken de gegevens die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de ondersteuningsbehoefte, waaronder relevante (medische of psychologische) onderzoeksgegevens.

  • 8. Voor het opvragen van gegevens bij derden is toestemming van de jeugdige en/of ouder(s) vereist. Daarbij is steeds duidelijk:

    • a.

      welke gegevens worden opgevraagd;

    • b.

      bij wie deze worden opgevraagd;

    • c.

      met welk doel.

  • In situaties waarin sprake is van (acute) onveiligheid kan hiervan worden afgeweken.

  • 9. In het onderzoek wordt de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s) in kaart gebracht, inclusief de aard van de zorgen, de ervaren problemen en de gewenste ondersteuning. Daarbij wordt betrokken welke ondersteuning al aanwezig is vanuit aanpalende wetgeving of voorzieningen buiten de Jeugdwet. Bij het vaststellen van de hulpvraag onderzoekt het college in ieder geval:

    • a.

      wat de jeugdige en/of ouder(s) zelf ervaren als probleem of belemmering;

    • b.

      welke ondersteuning volgens hen nodig is;

    • c.

      wat zij met die ondersteuning willen bereiken.

  • 10. Het onderzoek brengt in beeld of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problematiek die de ontwikkeling of het functioneren van de jeugdige belemmeren. Daarbij brengt het college in kaart:

    • a.

      de aard en ernst van de problematiek;

    • b.

      hoe lang de problemen bestaan en hoe zij zich ontwikkelen;

    • c.

      de gevolgen voor het dagelijks functioneren van de jeugdige en het gezin.

  • 11. Indien van toepassing wordt onderzocht of sprake is van vastgestelde of vermoede stoornissen, beperkingen of aandoeningen en welke gevolgen deze hebben voor het dagelijks functioneren van de jeugdige.

  • 12. Het onderzoek beschrijft welke ondersteuning nodig kan zijn om de jeugdige veilig en gezond te laten opgroeien, rekening houdend met de ontwikkelingsfase en de leefomgeving van de jeugdige. Het college bepaalt daarbij:

    • a.

      welk resultaat met de ondersteuning wordt beoogd;

    • b.

      welke aard van ondersteuning nodig is;

  • 13. Indien de jeugdige 16 jaar of ouder is, wordt tevens aandacht besteed aan een toekomstbestendig perspectief, waaronder de overgang naar volwassenheid en eventuele voortzetting van ondersteuning buiten de Jeugdwet (Big 5-levensgebieden). Andere domeinen, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning, worden hierin meegenomen.

  • 14. In het onderzoek wordt beschreven welke mogelijkheden de jeugdige, zijn ouder(s) en het sociale netwerk hebben om zelf bij te dragen aan het oplossen of verminderen van de ondersteuningsbehoefte.

Artikel 6 Verslag

  • 1. Op basis van het onderzoek wordt een verslag opgesteld in de vorm van een ondersteuningsplan.

  • 2. In het ondersteuningsplan wordt ten minste vastgelegd:

    • a.

      wat de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) is;

    • b.

      met welke opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problematiek deze behoefte samenhangt;

    • c.

      welke doelen en resultaten met de ondersteuning worden beoogd;

    • d.

      welke mogelijkheden en bijdragen aanwezig zijn bij de jeugdige, de ouder(s) en het sociale netwerk;

    • e.

      welke andere voorzieningen, algemene voorzieningen of individuele voorzieningen worden betrokken;

    • f.

      welke ondersteuning wordt ingezet, door wie, en met welke beoogde duur en intensiteit;

    • g.

      welke afspraken zijn gemaakt over evaluatie en voortgang.

  • 15. Indien de jeugdige en/of ouder(s) een persoonsgebonden budget (pgb) wenst, wordt dit in het ondersteuningsplan vermeld. Het bijbehorende budgetplan wordt voorafgaand aan het besluit tot toekenning van een pgb aan het ondersteuningsplan toegevoegd.

  • 16. De jeugdige en/of ouder(s) krijgen de gelegenheid het ondersteuningsplan te lezen en hierop te reageren. Feitelijke onjuistheden worden aangepast. Aanvullingen of opmerkingen van de jeugdige en/of ouder(s) worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd.

Artikel 7 Beoordeling

  • 1. Het college beoordeelt een aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een individuele voorziening op basis van:

    • a.

      het verslag en/of ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 10;

    • b.

      een eventueel door de jeugdige en/of ouder(s) opgesteld familiegroepsplan;

    • c.

      de gevoerde gesprekken met de jeugdige en/of ouder(s);

    • d.

      indien noodzakelijk, ingewonnen informatie van derden; en

    • e.

      van reeds betrokken professionals uit het domein van onderwijs, zorg en welzijn;

    • f.

      indien noodzakelijk, (medisch) advies van een deskundige.

  • 2. Nadat is vastgesteld dat ondersteuning noodzakelijk is, beoordeelt het college in hoeverre de jeugdige en/of ouder(s) met inzet van eigen kracht, gebruikelijke hulp en ondersteuning vanuit het sociale netwerk kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelen.

  • 3. Een jeugdige en/of zijn ouder(s) komt in aanmerking voor een individuele voorziening indien:

    • a.

      de hulpvraag niet op eigen kracht kan worden opgelost, ook niet met inzet van het sociale netwerk; en

    • b.

      de hulpvraag niet, of niet voldoende, kan worden opgelost met gebruikmaking van een vrij toegankelijke of algemene voorziening; en

    • c.

      de hulpvraag niet kan worden opgelost met voorzieningen op grond van voorliggende wetgeving.

  • 4. Bij de beoordeling van eigen kracht betrekt het college:

    • a.

      wat redelijkerwijs van de jeugdige en ouder(s) mag worden verwacht; en

    • b.

      de draagkracht en belastbaarheid van het gezin en het sociale netwerk.

  • 5. Bij de beoordeling betrekt het college of sprake is van gebruikelijke hulp. De beoordeling hiervan vindt plaats met inachtneming van bijlage Gebruikelijke hulp bij deze nadere regels.

  • 6. Indien sprake is van (dreigende) overbelasting van ouder(s), onderzoekt het college welke mogelijkheden er zijn om deze overbelasting te verminderen of op te heffen, voordat wordt besloten tot het toekennen van een individuele voorziening.

  • 7. De (dreigende) overbelasting kan tijdelijk worden verminderd of opgeheven door inzet van:

    • a.

      het sociaal netwerk;

    • b.

      algemene voorzieningen;

    • c.

      een individuele voorziening of ondersteuning door een jeugdhulpaanbieder, zoals bedoeld in artikel 21, vierde lid, onder c, van de Verordening.

  • 8. Van ouder(s) wordt verwacht dat zij hun eigen kracht blijven inzetten, indien de (dreigende) overbelasting het gevolg is van maatschappelijke activiteiten buiten de zorg voor de jeugdige, met uitzondering van scholing of beroepsmatige activiteiten (werk).

  • 9. Van ouder(s) wordt verwacht dat zij, waar mogelijk, actief meewerken aan het verminderen van (dreigende) overbelasting, bijvoorbeeld door het versterken van herstel, draagkracht of een andere verdeling van taken binnen het gezin of het sociaal netwerk.

  • 10. Het college kan, indien dit nodig is voor een zorgvuldige beoordeling, advies inwinnen van een door het college aan te wijzen deskundige, voordat wordt beslist over het verlenen van een individuele voorziening.

Artikel 8 Afweging

  • 1. Indien uit de beoordeling als bedoeld in artikel 11 volgt dat een individuele voorziening noodzakelijk kan zijn, maakt het college een afweging over:

    • a.

      de aard van de in te zetten ondersteuning;

    • b.

      de omvang en duur van de ondersteuning; en

    • c.

      de wijze waarop de ondersteuning wordt geleverd.

  • 2. De afweging vindt plaats binnen de kaders van de Jeugdwet, de Verordening en deze nadere regels en wordt voorbereid door de jeugdconsulent namens het college.

  • 3. Bij de afweging betrekt het college in ieder geval:

    • a.

      de ondersteuningsbehoefte, ontwikkelingsfase en persoonlijke omstandigheden van de jeugdige;

    • b.

      de uitkomsten van het onderzoek, het verslag en/of het ondersteuningsplan;

    • c.

      de mogelijkheden en beperkingen van de jeugdige en zijn ouder(s);

    • d.

      de mate waarin eigen kracht, gebruikelijke hulp en het sociale netwerk toereikend zijn;

    • e.

      de inzet, beschikbaarheid en effectiviteit van algemene of vrij toegankelijke voorzieningen;

    • f.

      de samenloop met voorzieningen op grond van voorliggende wetgeving;

    • g.

      de veiligheid van de jeugdige en zijn omgeving; en

    • h.

      de noodzaak om tijdig passende ondersteuning in te zetten.

  • 4. Het college weegt of de inzet van een individuele voorziening:

    • a.

      noodzakelijk is om de ondersteuningsbehoefte op te lossen of te verminderen;

    • b.

      passend is bij de situatie van de jeugdige en zijn ouder(s);

    • c.

      doeltreffend bijdraagt aan het behalen van de vastgestelde doelen;

    • d.

      zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig is; en

    • e.

      doelmatig is, waarbij de goedkoopst adequate voorziening het uitgangspunt vormt.

  • 5. Indien meerdere individuele voorzieningen passend zijn, kiest het college de voorziening die naar verwachting het meest bijdraagt aan het behalen van de doelen tegen de laagst noodzakelijke inzet.

  • 6. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) een persoonsgebonden budget wensen, betrekt het college dit in de afweging met inachtneming van de bepalingen over het persoonsgebonden budget in deze nadere regels en de Verordening.

  • 7. Indien sprake is van (dreigende) onveiligheid of een crisissituatie, weegt het college het belang van directe inzet van ondersteuning zwaarder dan het uitgangspunt van stapsgewijze opbouw.

  • 8. De uitkomst van de afweging leidt tot een gemotiveerd oordeel over de meest passende vorm van ondersteuning en vormt de basis voor het besluit als bedoeld in artikel 13.

Artikel 9 Besluit

  • 1. Het college neemt op basis van de beoordeling als bedoeld in artikel 7 en de afweging als bedoeld in artikel 8 een besluit over het al dan niet verstrekken van een individuele voorziening jeugdhulp.

  • 2. Een individuele voorziening, zowel in de vorm van zorg in natura (ZIN) als een persoonsgebonden budget (pgb), wordt niet met terugwerkende kracht verstrekt.

  • 3. Een besluit tot toekenning van een individuele voorziening wordt in beginsel genomen voor een maximale duur van één jaar, tenzij in dit artikel anders is bepaald.

  • 4. In afwijking van lid 3 kan het college een langere looptijd vaststellen indien sprake is van:

    • a.

      pleegzorg of verblijf in een gezinshuis, wanneer is besloten dat terugkeer naar huis niet (meer) mogelijk is en langdurige plaatsing noodzakelijk is; in dat geval kan de beschikking in beginsel lopen tot de jeugdige de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

    • b.

      verblijf in een woonvoorziening, wanneer langdurig verblijf noodzakelijk is; in dat geval kan de beschikking een looptijd hebben van maximaal vijf jaar.

  • 5. In afwijking van lid 4 geldt voor een persoonsgebonden budget dat de looptijd van de beschikking maximaal één jaar bedraagt.

  • 6. Het college kan, ook ambtshalve, een nieuw onderzoek starten en het besluit wijzigen, herzien of intrekken indien:

    • a.

      blijkt dat de ingezette ondersteuning onvoldoende bijdraagt aan het behalen van de beoogde resultaten;

    • b.

      de ondersteuning kwalitatief onvoldoende is;

    • c.

      de ondersteuning niet rechtmatig wordt ingezet; of

    • d.

      het resultaat, de kwaliteit of de rechtmatigheid van de ondersteuning onvoldoende kan worden vastgesteld.

  • 7. De jeugdige en/of zijn ouder(s) kunnen bezwaar maken tegen het besluit. De wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt en de daarvoor geldende termijnen worden opgenomen in de beschikking.

Artikel 10 Beschikking

  • 1. Het besluit van het college over een aanvraag voor een individuele voorziening jeugdhulp wordt vastgelegd in een beschikking.

  • 2. In de beschikking wordt in ieder geval opgenomen:

    • a.

      de uitkomst van het besluit (toekenning, gedeeltelijke toekenning of afwijzing);

    • b.

      de vorm van de voorziening (zorg in natura of persoonsgebonden budget);

    • c.

      de aard, omvang en duur van de voorziening;

    • d.

      de kosten van de voorziening;

    • e.

      de beoogde resultaten van de ondersteuning;

    • f.

      de ingangsdatum van de voorziening;

    • g.

      de wijze en het moment van evaluatie;

    • h.

      een gemotiveerde onderbouwing van het besluit, waarbij verwezen kan worden naar het ondersteuningsplan;

  • 3. Indien een persoonsgebonden budget wordt toegekend, vermeldt de beschikking daarnaast:

    • a.

      het toegekende budget en de looptijd;

    • b.

      de voorwaarden voor besteding en verantwoording;

    • c.

      de verplichtingen van de jeugdige en/of ouder(s).

  • 4. Op de aanvraag voor een individuele voorziening neemt het college binnen acht weken een besluit. Indien dit noodzakelijk is voor een zorgvuldige besluitvorming, kan het college deze termijn eenmalig verdagen. De jeugdige en/of ouder(s) worden hierover schriftelijk geïnformeerd onder vermelding van een nieuwe, redelijke beslistermijn.

  • 5. Indien sprake is van meerdere individuele voorzieningen en de aanvraag uitsluitend ziet op wijziging van één voorziening, kan het college volstaan met een wijzigingsbeschikking voor dat onderdeel.

  • 6. In de beschikking worden de rechten en plichten die verbonden zijn aan de verstrekte voorziening vastgelegd, overeenkomstig artikel 33 van de Verordening.

  • 7. De beschikking vermeldt de rechtsmiddelen, waaronder:

    • a.

      de mogelijkheid om bezwaar te maken;

    • b.

      de termijn waarbinnen bezwaar kan worden ingediend;

    • c.

      de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt.

  • 8. De beschikking wordt toegezonden aan de jeugdige en/of zijn ouder(s).

Slotbepalingen

Artikel 11 Slotbepalingen

  • 1. Deze nadere regels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking;

  • 2. Met de inwerkingtreding van deze nadere regels worden de Nadere regels jeugdhulp gemeente Wassenaar 2016 ingetrokken;

  • 3. Deze nadere regels worden uiterlijk 1 april 2027 geëvalueerd;

  • 4. Deze nadere regels worden aangehaald als:

  • Nadere regels Jeugdhulp gemeente Wassenaar 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 19 mei 2026

gemeentesecretaris,

A.P.A. Oostermeijer

burgemeester,

drs. L.A. de Lange

Bijlagen

Gebruikelijke hulp

Doel en positie van deze bijlage

Deze bijlage geeft een uitwerking van het begrip eigen kracht en gebruikelijke hulp, zoals bedoeld in artikelen 8 en 9 van deze nadere regels, artikel 21, vierde lid, onder c, van de Verordening jeugdhulp gemeente Wassenaar 2025 en artikel 2.3 van de Jeugdwet.

De bijlage ondersteunt professionals van de Toegang en het college bij een zorgvuldige, consistente en uitlegbare beoordeling van aanvragen om jeugdhulp. Zij biedt richting en houvast, en vervangt daarbij niet de individuele afweging die in elke concrete situatie vereist is.

Uitgangspunten: eigen kracht en jeugdhulpplicht

De Jeugdwet gaat uit van het principe dat jeugdigen en hun ouders in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de opvoeding, verzorging en begeleiding van kinderen.

De gemeente hoeft geen jeugdhulp in te zetten als:

  • problemen door de jeugdige en/of ouders op eigen kracht kunnen worden opgelost, of

  • de benodigde hulp valt onder gebruikelijke hulp die ouders naar redelijke maatstaven mogen worden geacht te bieden.

Pas wanneer eigen mogelijkheden tekortschieten, het sociale netwerk onvoldoende kan ondersteunen, en algemene of voorliggende voorzieningen geen oplossing bieden, ontstaat een verantwoordelijkheid van het college om jeugdhulp te bieden.

Gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp

Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan:

de verzorging, begeleiding, opvoeding en toezicht die ouders of verzorgers naar algemene, maatschappelijk aanvaarde maatstaven bieden aan hun minderjarige kind, passend bij leeftijd en normale ontwikkeling, ongeacht of sprake is van een aandoening, stoornis of beperking.

Gebruikelijke hulp sluit aan bij de levensfase van het kind, kan ook meer omvatten dan bij een gezond kind, zolang dit redelijkerwijs van ouders verwacht mag worden en hoeft niet identiek te zijn voor elk kind binnen dezelfde leeftijdscategorie.

Van bovengebruikelijke hulp is sprake als de noodzakelijke hulp:

in aard, frequentie of tijdsomvang duidelijk uitstijgt boven wat voor een kind van dezelfde leeftijd gebruikelijk is en structureel of langdurig van aard is.

Bovengebruikelijke hulp kan aanleiding zijn voor het inzetten van jeugdhulp, mits dit volgt uit een zorgvuldig onderzoek.

Kortdurende en langdurige ondersteuningsbehoefte

Bij de beoordeling wordt onderscheid gemaakt tussen:

Kortdurende situaties

Er is uitzicht op herstel of verbetering binnen een beperkte periode (meestal tot circa 3 maanden).

In deze situaties wordt verwacht dat ouders alle noodzakelijke hulp zelf bieden.

Langdurige situaties

Er is sprake van een chronische of blijvende situatie waarbij ondersteuning naar verwachting langer nodig is. In dat geval kan sprake zijn van (gedeeltelijk) bovengebruikelijke hulp.

Hoe korter de verwachte duur van de ondersteuning, hoe meer van ouder(s) of verzorger(s) wordt verwacht.

Beoordelingsfactoren bij gebruikelijke hulp

Bij de beoordeling of hulp gebruikelijk is, worden de volgende factoren in samenhang betrokken.

Leeftijd en ontwikkelingsfase

De leeftijd van de jeugdige vormt een belangrijk referentiekader. Daarbij wordt rekening gehouden met:

  • normale ontwikkelingsverschillen;

  • het tempo waarin kinderen zich ontwikkelen;

  • de context van het gezin.

De richtlijnen per leeftijdsfase zijn opgenomen bij Richtlijnen per leeftijdsfase verderop in deze bijlage.

Aard van de hulphandelingen

Hulphandelingen kunnen gebruikelijk zijn, ook als zij afwijken van wat bij andere kinderen voorkomt en/of een vervangende vorm zijn van reguliere activiteiten.

Voorbeelden zijn, onder andere, sondevoeding in plaats van eten, katheterzorg in plaats van verschonen, oefenen met pictogrammen in plaats van huiswerk.

Een blijvende volledige overname van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) bij oudere kinderen kan duiden op bovengebruikelijke hulp.

Frequentie en patroon

Gebruikelijke hulp past in het normale dag- en weekritme van een gezin.

Voorbeelden zijn, onder andere medicatie bij vaste momenten (gebruikelijk), hulp die voortdurend of ’s nachts meerdere keren nodig is (mogelijk bovengebruikelijk).

Tijdsomvang

Extra tijd voor hulp kan gebruikelijk zijn, zolang deze redelijk blijft in verhouding tot leeftijd en situatie en niet structureel het gezinsleven ontwricht.

Situatie van ouder(s) en verzorger(s)

Uitgangspunt is dat ouders gebruikelijke hulp kunnen leveren, tenzij uit onderzoek blijkt dat dit niet mogelijk is. Factoren die hierbij worden betrokken:

  • fysieke of psychische beperkingen van ouders;

  • (min of meer structureel) gebrek aan kennis of vaardigheden;

  • verplichte fysieke afwezigheid (bijvoorbeeld werk in het buitenland);

  • draagkracht en draaglast binnen het gezin.

Overbelasting wordt zorgvuldig onderzocht en altijd in relatie gebracht tot de aard van de hulp, andere verplichtingen en mogelijke oplossingen binnen het gezin of netwerk.

Richtlijnen per leeftijdsfase (reguliere ontwikkeling)

Onderstaande beschrijving geeft een referentiekader voor wat in verschillende leeftijdsfases als gebruikelijk wordt beschouwd.

Kinderen van 0 t/m 2 jaar

  • Volledige verzorging en nabij toezicht.

  • Begeleiding bij alle ADL.

  • Stimulans bij motorische en sociale ontwikkeling.

  • Beschermende woonomgeving.

Kinderen van 3 t/m 4 jaar

  • Voortdurend toezicht nodig.

  • Begeleiding bij zindelijkheid, aankleden, wassen, eten.

  • Begeleiding bij spel en dagstructuur.

  • Geen zelfstandige deelname aan verkeer.

Kinderen van 5 t/m 11 jaar

  • Schoolgaande dagbesteding.

  • Toezicht op afstand mogelijk.

  • Geleidelijke zelfstandigheid in ADL.

  • Begeleiding bij medicatie en verkeer.

  • Stimulans bij ontwikkeling en zelfredzaamheid.

Jeugdigen van 12 t/m 17 jaar

  • Geen voortdurend toezicht nodig.

  • Toenemende zelfstandigheid.

  • Beperkt toezicht bij medicatie.

  • Begeleiding bij ontwikkeling, planning en toekomstperspectief.

  • Beschermende opvoedomgeving blijft vereist.

Samenhangende beoordeling en motivering

Bij elke beoordeling geldt dat de factoren niet afzonderlijk, maar in samenhang worden beoordeeld. Dat afwijkingen van richtlijnen worden gemotiveerd en verwijzing naar beleid alleen onvoldoende is. Het college motiveert waarom hulp als gebruikelijk wordt beschouwd of als bovengebruikelijk wordt aangemerkt.

Bronnen

  • Jeugdwet, artikel 2.3

  • Centrale Raad van Beroep, jurisprudentielijn eigen kracht en gebruikelijke hulp

  • CIZ – Indicatiewijzer AWBZ 2014, versie 7.1

  • Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2016

  • Gemeentelijke beleidsregels gebruikelijke hulp (diverse gemeenten, o.a. West Maas en Waal)