Verordening leerlingenvervoer gemeente Noardeast-Fryslân 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-08-2026

Intitulé

Verordening leerlingenvervoer gemeente Noardeast-Fryslân 2026

De raad van de gemeente Noardeast-Fryslân;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 april 2026;

gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening leerlingenvervoer gemeente Noardeast-Fryslân 2026

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • Aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar;

  • Afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg gemeten volgens de ANWB routeplanner; begeleider: ouder of persoon die door de ouders en/of gemeente wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;

  • Deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige, of de school;

  • Dichtstbijzijnde toegankelijke school: dichtstbijzijnde school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting of de openbare school;

  • Eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets;

  • Gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken;

  • Inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;

  • Leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel;

  • Openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken;

  • Opstapplaats: plaats aangewezen door burgemeester en wethouders, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider;

  • Ouders: ouders als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet voortgezet onderwijs 2020 of met gezag over de leerling belaste ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling;

  • Persoonlijk vervoersontwikkelingsplan: een schriftelijk plan waarin de activiteiten worden beschreven door middel waarvan de leerling de vaardigheden kan aanleren die nodig zijn om zoveel mogelijk zelfstandig en met het openbaar vervoer of de fiets te reizen;

  • Reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 15 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 15 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;

  • Samenwerkingsverband:

  • 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;

  • 2°. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of

  • 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

  • School: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is:

  • 1°. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;

  • 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;

  • 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of

  • 4°. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;

  • Schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;

  • Straal: de hemelsbrede afstand tussen de woning en het tweede adres;

  • Toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt;

  • Tweede adres: een extra adres waar, onder voorwaarden, een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer vandaan of naar toe mogelijk is;

  • Vervoerstraining: begeleiding gericht op het aanleren van veilig en zo zelfstandig mogelijk reizen van en naar school;

  • Vervoersvoorziening:

  • 1°. Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;

  • 2°. Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;

  • 3°. Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of

  • 4°. Gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig van diens begeleider;

  • Woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.

Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening

Artikel 2. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een vervoersvoorziening kan worden ingediend voor een leerling die zijn woning in de gemeente heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.

  • 2.

    Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.

Artikel 3. Onderzoek

  • 1.

    Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school. De mogelijke afstemming van de vervoersvoorziening met andere in het kader van het sociaal domein aan de leerling of het gezin verstrekte voorzieningen kan deel uitmaken van het onderzoek.

  • 2.

    Het college kan in een gesprek met de ouders en desgewenst de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, ook [een medewerker uit een ander domein of ] een deskundige aansluiten.

  • 3.

    Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.

  • 4.

    Wanneer de leerling de leeftijd vantien jaar bereikt, kan het college, in overleg met de ouders en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen.

Artikel 4. Inzet deskundige

  • 1.

    Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat hij specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.

  • 2.

    De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige.

Artikel 5. Beslistermijn

  • 1.

    Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.

  • 2.

    Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

Artikel 6. Ingangsdatum voorziening

Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:

  • a.

    wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;

  • b.

    wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum.

Artikel 7. Besluit

  • 1.

    Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

    • 2.

      Het college kent, als zij dat noodzakelijk acht, een vervoerstraining toe en voegt als bijlage bij het besluit het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan toe.

    • 3.

      Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.

Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria

Artikel 8. Algemene bepalingen

  • 1.

    De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.

  • 2.

    Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt.

  • 3.

    De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

  • 4.

    De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders.

  • 5.

    Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:

  • a. per fiets;

  • b. per openbaar vervoer;

  • c. met eigen vervoer;

  • d. met aangepast vervoer.

Artikel 9. Afwijzingsgronden

  • 1.

    Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan de in artikel 12, tweede lid genoemde afstandscriteria. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.

  • 2.

    Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij:

  • a.

    er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of

  • b.

    de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 10. Andere Oplossing

  • 1.

    Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening.

  • 2.

    Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.

Artikel 11. Aanwijzing opstapplaats

  • 1.

    Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer.

    • 2.

      De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.

    • 3.

      De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.

    • 4.

      Het college wijst geen opstapplaats aan als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1.

    In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt.

  • 2.

    Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor:

  • a.

    basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer;

  • b.

    speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of

  • c.

    speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer.

  • 3.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 12, eerste lid is vervoer van en naar een tweede adres mogelijk als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • de leerling verblijft op vaste dagen op dit adres; en

  • het adres van de woning en het tweede adres zijn in te plannen in één vaste route;

  • het adres bevindt zich binnen een straal van 10 kilometer van de woning; en

  • het tweede adres is een adres van een erkende organisatie voor kinderopvang, gastouder of een familielid of een ander door de aanvrager opgegeven geschikt opvangadres; en

  • betreft geen adres voor een vorm van therapie, dagbehandeling, dagbesteding of sportvoorziening.

  • 4.

    Voor ouders die werk hebben met een flexibel rooster is, bij hoge uitzondering en in plaats van het bepaalde in artikel 12, derde lid, ook vervoer van en naar een tweede adres, zonder dat er sprake is van verblijf op vaste dagen op dit adres, mogelijk als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • het adres bevindt zich binnen een straal van 5 kilometer van de woning; en

  • het adres van de woning en het tweede adres zijn in te plannen in één vaste route; en

  • het tweede adres is een adres van een erkende organisatie voor kinderopvang, gastouder of een familielid of een ander door de aanvrager opgegeven geschikt opvangadres; en

  • betreft geen adres voor een vorm van therapie, dagbehandeling, dagbesteding of sportvoorziening.

Artikel 13. Schooltijden en wachttijden

  • 1.

    Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

    • 2.

      Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één of meerdere uren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten.

    • 3.

      Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten gemeente

  • 1.

    Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;

    • b.

      in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en

    • c.

      de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.

    • 2.

      Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.

    • 3.

      Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert.

Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat

  • 1.

    Met inachtneming van de artikelen 8 en 10 kent het college op aanvraag een vervoersvergoeding voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.

    • 2.

      Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het eerste lid genoemde schoolvakanties.

    • 3.

      Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de ouders eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie.

    • 4.

      Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.

      Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.

    • 5.

      Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken.

    • 6.

      Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer:

  • a.

    openbaar vervoer geheel ontbreekt; of

  • b.

    het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijvend in een internaat of pleeggezin, wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig, ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer.

Artikel 16. Vervoersvoorziening naar stageadres

  • 1.

    Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

    • 2.

      De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

      • a.

        de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;

      • b.

        de stage vindt plaats op één stageadres.

    • 4.

      Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.

    • 5.

      Burgemeester en wethouders kunnen het stagecontract opvragen.

    • 6.

      In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, kan een aanvraag voor stagevervoer bovendien door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs gedaan worden.

Artikel 17. Vervoersvoorziening voor hoogbegaafdheid

  • 1.

    Op verzoek kan een vervoersvoorziening worden toegekend voor vervoer voor een hoogbegaafde leerling als de dichtstbijzijnde school (nog) geen passend aanbod heeft voor een hoogbegaafde leerling en de leerling verder moet reizen naar een voor hem eerst volgende dichtstbijzijnde toegankelijke school die wel een passend aanbod kan bieden.

    • 2.

      De hoogbegaafdheid van de leerling moet op basis van een intelligentie-onderzoek worden gestaafd en er dient vanuit de dichtstbijzijnde school een toelichting te worden gegeven waarom er geen passend aanbod is voor de desbetreffende leerling. Het samenwerkingsverband kan hierbij worden ingeschakeld.

Artikel 18. Vervoerstraining

  • 1.

    Het college kan, naast een vervoersvoorziening, ook een vervoerstraining inzetten ter versterking van de zelfredzaamheid van de leerling, waardoor deze na de training niet langer zal zijn aangewezen op een vervoersvoorziening, of door de training gebruik leert te maken van een goedkopere vervoersvoorziening.

  • 2.

    De training sluit aan op het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan.

Artikel 19. Vervoersvergoeding voor de leerling

  • 1.

    Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

  • 2.

    Als aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders de vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets.

  • 3.

    De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt € 0,09 per kilometer per enkele reisafstand gemeten langs de kortste afstand.

Artikel 20. Vervoersvergoeding voor de begeleider

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer of het vervoer per fiets van een begeleider van de leerling als:

    • a.

      de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft jonger dan tien jaar is;

    • b.

      de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft ouder dan tien jaar is en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.

  • 2.

    Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor vergoeding in aanmerking.

  • 3.

    Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.

  • 4.

    De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt € 0,09 per kilometer per enkele reisafstand gemeten langs de kortste afstand.

Artikel 21. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer

  • 1.

    Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

  • 2.

    Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren.

  • 3.

    De vergoeding voor het door ouders zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer, gebaseerd op twee retourreizen per dag.

  • 4.

    Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit en niet per leerling.

  • 5.

    Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer al een vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt.

  • 6.

    Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college, in afwijking van het tweede lid, een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

Artikel 22. Aangepast vervoer

Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als:

  • a.

    aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 18 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

  • b.

    aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 18 en openbaar vervoer ontbreekt;

  • c.

    aanspraak bestaat op een vergoeding op grond van artikel 19 en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden;

  • d.

    de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken.

Artikel 23. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening

Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een vergoeding verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.

Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten

Artikel 24. Drempelbedrag

  • 1.

    Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 31.500,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 12 bepaalde afstand te boven gaan.

  • 2.

    Indien bij ouders, van een leerling die een basisschool zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, een drempelbedrag in rekening wordt gebracht geldende daarvoor het volgende:

    • a.

      Voor het eerste kind uit het gezin wordt het geldende drempelbedrag in rekening gebracht; voor het tweede kind uit het gezin wordt twee derde van het geldende drempelbedrag in rekening gebracht; voor het derde kind uit een gezin wordt één derde van het geldende drempelbedrag in rekening gebracht.

    • b.

      Indien uit een gezin meer dan drie kinderen gebruik maken van een voorziening op basis van de verordening leerlingenvervoer, wordt voor drie kinderen een drempelbedrag in rekening gebracht.

  • 3.

    In geval burgemeester en wethouders in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgen dan wel doen verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 12 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 31.500,-, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 4.

    De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 12 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

  • 5.

    Het inkomensbedrag van € 31.500,- genoemd in het eerste en derde lid, wordt met ingang van 1 januari 2026 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 31.500,-.

  • 6.

    Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op:

  • a.

    gehandicapte leerlingen;

  • b.

    leerlingen die een speciale school voor basisonderwijs zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoeken;

  • c.

    leerlingen met een toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband.

Artikel 25. Draagkrachtafhankelijke bijdrage

  • 1.

    Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de ouders verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

    • 2.

      De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie bedragen:

  • Inkomen vanaf Tot Eigen bijdrage

  • 0 € 42.000 nihil

  • € 42.000 € 50.000 € 185

  • € 50.000 € 58.000 € 820

  • € 58.000 € 65.000 € 1.520

  • € 65.000 € 74.500 € 2.230

  • € 74.500 € 81.500 € 2.990

  • € 81.500 Voor elke € 5.000,- erbij € 715

    • 3.

      De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

    • 4.

      De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.

    • 5.

      Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

    • 6.

      Het drempelbedrag genoemd in artikel 24 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan het gezin.

    • 7.

      Dit artikel is niet van toepassing op:

  • a.

    gehandicapte leerlingen;

  • b.

    leerlingen die een speciale school voor basisonderwijs zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoeken;

  • c.

    leerlingen met een toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband.

Hoofdstuk 5. Rechtmatigheid

Artikel 26. Doorgeven van wijzigingen

De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.

Artikel 27. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien, of intrekken, als het vaststelt dat:

    • a.

      niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening;

    • b.

      beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;

    • c.

      de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;

    • d.

      ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 24 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;

    • e.

      ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 25 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;

    • f.

      sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of

    • g.

      het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer.

  • 2.

    De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 28. Overige aanvullende bepalingen

  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college is bevoegd ter zake van de uitvoering van deze verordening en de daarop berustende besluiten nadere regels te sluiten en algemene voorwaarden te stellen.

Artikel 29. Hardheidsclausule

Het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.

Artikel 30. Intrekking oude regeling en overgangsrecht

  • 1.

    De verordening Leerlingenvervoer Bekostiging gemeente Noardeast-Fryslân 2021 wordt met ingang van 1 augustus 2026 ingetrokken.

  • 2.

    Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft van toepassing ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Verordening Bekostiging Leerlingenvervoer gemeente Noardeast-Fryslân 2021.

Artikel 31. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De Verordening Leerlingenvervoer gemeente Noardeast-Fryslân 2026 treedt met ingang van 1 augustus 2026 in werking en is van toepassing op alle aanvragen die betrekking hebben op de periode na 1 augustus 2026.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Leerlingenvervoer gemeente Noardeast-Fryslân 2026.

Ondertekening

Aldus besloten door de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân in zijn openbare vergadering

d.d. 21 mei 2026

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,

{{Signer1}} {{Signer2}}

mr. S.K. Dijkstra mr. J.G. Kramer