Beleidsregel overlast gemeentelijke bomen

Geldend van 12-06-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel overlast gemeentelijke bomen

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

Overwegende dat:

- meer groen Eindhoven gezond en aantrekkelijk maakt. Het helpt bij het aanpakken van de klimaatcrisis en bevordert de biodiversiteit. Groen geeft identiteit aan de stad.

- de gemeente ook een goede buur wil zijn voor inwoners;

- de gemeente vanuit artikel 5:44 van het Burgerlijk Wetboek een actieve houding moet tonen voor het oplossen van schade aan bouwwerken en riolering;

- iedere boomeigenaar, dus ook de gemeente, een zorgplicht heeft vanuit artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, en daarom bomen regulier op veiligheid controleert en onderhoud pleegt;

- de gemeente invulling wil geven aan artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek over “onrechtmatige hinder”;

- er rondom bomen vaak een beroep gedaan wordt op het eigendom van bewoners via het privaatrecht. Gezien bomen een duidelijk publiek belang dienen, wenst de gemeente klachten en meldingen zoveel als mogelijk via de publieksrechtelijke weg te behandelen. Dit levert openbare besluiten op, en het eventueel vellen van een boom verloopt via een openbare vergunningsaanvraag;

- de beleidsregel houvast biedt voor het maken van keuzes bij klachten en meldingen over bomen waarbij zowel de belangen van de bewoners, de belangen voor de veiligheid, en het belang voor een groene leefomgeving afgewogen moeten worden;

- de keuzes variëren tussen niets doen tegen de overlast, kleine ingrepen zoals snoei of wortelwering, of grote maatregelen zoals het vellen van een boom;

- de afwegingsmatrix bijdraagt aan een transparante afweging bij overlastmeldingen.

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de Verordening Bomen 2026 en de Nadere regels compensatieplicht Verordening bomen 2026;

besluit vast te stellen:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

De definities en termen uit de Verordening bomen 2026 en de Nadere regels compensatieplicht Verordening bomen 2026 zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregel.

Hoofdstuk 2 Beoordelingsaspecten, doelstelling en afwegingsmatrix

Artikel 2 Beoordelingaspecten

  • 1. Bij de beoordeling van klachten en/of meldingen over gemeentelijke bomen betrekt het college in ieder geval de volgende aspecten:

  • a.

    de aard en ernst van de door de klager en/of melder ervaren overlast of schade;

  • b.

    de ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van de betreffende boom;

  • c.

    de functie van de boom voor de directe en wijdere omgeving;

  • d.

    de proportionaliteit van mogelijke maatregelen, waaronder preventieve maatregelen, onderhoudsmaatregelen en ingrijpende maatregelen.

  • 2. Het behoud van gemeentelijke bomen is het uitgangspunt.

  • 3. De beoordeling geschiedt op basis van een integrale belangenafweging, waarbij zowel de belangen van de klager en/of melder, als de waarde van de boom worden meegewogen.

Artikel 3 Doelstelling

Met deze beleidsregel worden de volgende doelen nagestreefd:

  • a.

    Transparant zijn in de manier waarop het college overlastmeldingen van gemeentelijke bomen beoordeelt, en hoe boomwaarde en boomoverlast worden afgewogen.

  • b.

    Een bestendige gedragslijn creëren voor de gemeentelijke organisatie.

  • c.

    Inzicht geven in wanneer kleine maatregelen of preventieve maatregelen volstaan (snoei of wortelwering), en wanneer grote maatregelen (vellen) worden overwogen.

  • d.

    Het bevorderen van zorgvuldigheid en vertrouwen door een duidelijk en uitlegbaar afwegingskader te hanteren, zodat misverstanden in de omgeving over de noodzaak en rechtmatigheid van ingrepen aan bomen worden voorkomen.

Artikel 4 Afwegingsmatrix

  • 1. Het college maakt gebruik van een afwegingsmatrix om klachten en/of meldingen over overlast van gemeentelijke bomen op een consistente en transparante wijze te beoordelen.

  • 2. In de afwegingsmatrix worden boomwaarde, overlastwaarde bovengronds en overlastwaarde ondergronds voorzien van een waardering via punten. Per thema is slechts één waardering mogelijk, met uitzondering van de thema’s die zijn voorzien van een *. Binnen de met dit symbool aangegeven thema’s uit de matrix worden punten die van toepassing zijn bij elkaar opgeteld. Indien een thema of onderdeel hiervan niet van toepassing is, wordt de kolom niet aangekruist, en wordt hier geen score aan toegekend.

  • 3. De uitkomst van de matrix vormt een belangrijk onderdeel van de integrale belangenafweging zoals bedoeld in artikel 2, maar laat ruimte voor afwijking indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

  • 4. De afwegingsmatrix is vormgegeven als invultabellen. De invultabel, onderdeel boomwaarde:

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling afbeelding binnen de regeling afbeelding binnen de regeling

De invultabel, onderdeel Overlastwaarde Bovengronds:

afbeelding binnen de regeling afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

De invultabel, onderdeel Overlastwaarde Ondergronds:

afbeelding binnen de regeling afbeelding binnen de regeling

De totaalwaarden uit bovenstaande drie tabellen bepalen vervolgens in welke categorie de boom valt wat betreft boomwaarde, overlastwaarde bovengronds en overlastwaarde ondergronds:

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

  • 5. Ten slotte bepalen de volgende spelregels welke maatregelen er mogelijk zijn:

  • a.

    Indien de boomwaarde en de overlastwaarde gelijk zijn, wordt de mogelijke vervolgactie bepaald op basis van de boomwaarde.

  • b.

    Wanneer de boomwaarde lager is dan de overlastwaarde, treft het college in beginsel een maatregel aan de boom.

  • c.

    De overlastwaarde bovengronds en ondergronds worden afzonderlijk vergeleken met de boomwaarde; deze waarden worden niet bij elkaar opgeteld.

  • 7. Bij het bepalen van mogelijke maatregelen kan het college ook andere criteria meewegen, waaronder soortspecifieke eigenschappen van de boom, conditie van de boom, of een boom zich nog in de begeleidingssnoeifase bevindt, het karakter van de omgeving, of de boom onderdeel is van een bosplantsoen, en capaciteitsoverwegingen/ prioritering.

Hoofdstuk 3 Evaluatie

Artikel 9 Evaluatie

Na het eerste jaar na inwerkingtreding vindt er een evaluatie van deze beleidsregel plaats.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt een dag na bekendmaking in werking.

Artikel 11 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel overlast gemeentelijke bomen.

Ondertekening

Ondertekening

Aldus vastgesteld door college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven in de vergadering van 12 mei 2026.

Eindhoven,

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

, secretaris,

Toelichting Overlast bomen

Artikel 2

Eindhoven heeft veel bomen die grenzen aan particuliere percelen. Takken kunnen over de erfgrens hangen, wortels kunnen over de erfgrens groeien, bomen kunnen zorgen voor overlast en schade. Tegelijkertijd kunnen bomen waarde hebben voor de wijdere omgeving, of onderdeel van een (cultuurhistorische) structuur die niet zomaar aangetast mag worden. Bij iedere melding wordt een afweging gemaakt over de manier van ingrijpen, waarbij zowel rekening gehouden wordt met de belangen van de bewoners als de waarde van het groen in de stad.

Artikel 4

Overlastwaarde bovengronds

De Overlastwaarde bovengronds betreft de overlast die een boom kan hebben met zijn stam of boomkroon.

Angst voor omvallende bomen en overhangende takken

Dit onderdeel wordt niet apart genoemd in de matrix, omdat angst ongegrond kan zijn. Het college controleert regelmatig alle bomen in de stad op veiligheid. Deze controle gebeurt via een boomveiligheidscontrole, zodat het college kan beoordelen of een boom gevaarlijk is. Angst kan vaak worden weerlegd door goed te controleren of bomen veilig zijn. Bomen kunnen niet volledig worden beschermd tegen omvallen door wind of storm, maar het college zorgt altijd voor veiligheid waar dat mogelijk is.

De gemeentelijk boomdeskundige kan onderzoeken of er aanwijzingen zijn dat een boom onveilig is. Als er twijfels zijn, wordt een onafhankelijk specialist ingeschakeld. Als blijkt dat een boom gevaarlijk is, wordt er direct actie ondernomen om de situatie veilig te maken.

Lichtontneming

Bij meldingen van overlast door lichtontneming vanuit gemeentelijke bomen kijkt het college naar hoeveel licht wordt ontnomen, en op welke momenten van de dag. Met “een belangrijke verblijfruimte” wordt gerefereerd naar een woon- of werkkamer. Dit tegenover minder prominente verblijfruimtes zoals een berging of gang. Ook bij tuinen en terrassen wordt doorgaans een grote mate van variatie geaccepteerd.

Normering van daglichttoetreding (Bbl).

Het is belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken aanwezig is. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan daarom regels voor voldoende daglicht in bouwwerken. Deze verschillen per gebruiksfunctie en soort ruimte. De berekening vindt plaats volgens de NEN 2057. Bij het beoordelen van daglichttoetreding in verblijfsruimtes wordt van deze norm gebruik gemaakt.

Bloesem/ vruchtdracht, allergie of dieren

Blad- en bloesemval.

Het laten vallen van bladeren en bloesems is normaal voor bomen. Soms kan dit voor overlast zorgen, vooral wanneer er veel bladeren vallen. Blad en bloesem op gemeentelijke grond die gevaarlijke situatie veroorzaken worden zo snel mogelijk verwijderd. Tijdens de bladval periode kan het wat langer duren voordat het blad op wegen en trottoirs worden geruimd.

Zaadval en zaadpluis.

Sommige bomen produceren veel zaad dat door de wind wordt verspreid. Dit kan voor een rommelige aanblik zorgen en er kunnen zaailingen ontstaan. Dit kan ongemak veroorzaken, maar geen gevaar. Bij nieuwe bomen houdt de het college rekening met zaadproductie om toekomstige overlast te beperken. In bestaande situaties worden er geen maatregelen getroffen. Aangezien het college ook rekening houdt met variatie aan plant- en boomsoorten, kan niet worden gegarandeerd dat een boomsoort nooit meer wordt toegepast.

Harde en zachte vruchten.

Bomen kunnen harde vruchten zoals eikels of kastanjes laten vallen. Deze kunnen overlast veroorzaken, maar veroorzaken zelden schade. Zachte vruchten, zoals appels of peren, kunnen aan schoenen blijven plakken of ongedierte aantrekken. De vruchten zijn een natuurlijk verschijnsel en kunnen zorgen voor overlast wanneer er veel vruchten vallen.

Ginkgo biloba bomen kunnen vruchten produceren die stankoverlast veroorzaken. Deze bomen worden actief gesnoeid of ontdaan van vruchten om de vruchtvalperiode te beheersen. Wanneer de vruchten niet worden weggenomen, kunnen inwoners een melding maken via de gemeentelijke website: Melding openbare ruimte | Gemeente Eindhoven.

Allergie door pollen

Bomen kunnen tijdens hun bloei pollen verspreiden. Dit kan bij sommige mensen allergieën veroorzaken, met symptomen zoals niezen of jeukende ogen. Het verwijderen van een boom helpt niet tegen allergieën, omdat pollen van veel bomen in de stad verspreid worden. Mensen die last hebben van pollen kunnen ramen dicht houden of luchtfilters gebruiken.

Dieren geassocieerd met bomen

Dieren en (vogel)poep.

Dieren gebruiken bomen vaak om te eten, nestelen of rusten. Vogels kunnen ook poepen terwijl ze in de boom zitten, wat kan leiden tot vieze auto’s of stoepen. Dit is normaal gedrag voor vogels, maar kan toch overlast geven. Vogelpoep kan vervelend zijn, maar het is geen reden om bomen te verwijderen, te snoeien of dieren te verjagen. Het college houdt zich bovendien aan hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Druipende bomen door luizen.

Sommige bomen hebben last van luizen die kleverige druppels (honingdauw) afscheiden. Deze kunnen plakken op auto’s, ramen of straatstenen. Hoewel dit vervelend kan zijn, richt de kleverige substantie geen schade aan en kan het worden schoongemaakt. De overlast duurt meestal maar een paar maanden, en in natte zomers valt het mee. Het college neemt geen maatregelen tegen luizen, omdat de overlast meestal beperkt is. Als de overlast echter te groot is, bijvoorbeeld in drukke parkeergebieden, kan er wel gekeken worden naar een oplossing.

Overlastwaarde Ondergronds

De Overlastwaarde ondergronds betreft de overlast die een boom kan hebben met zijn wortelgestel.

Bij alle onderdelen vallend onder “overlastwaarde ondergronds” geldt een “wortelkaprecht”. Dit recht wordt toegekend vanuit Artikel 5:44 van het Burgerlijk Wetboek. Het artikel geeft degene op wiens erf wortels van een ander erf doorschieten, het recht om deze voor zover ze doorgeschoten zijn weg te hakken en zich toe te eigenen.

Dit artikel geldt ongeacht de afstand van de beplanting tot de erfgrens. Eveneens is niet noodzakelijk dat de eigenaar van het erf daadwerkelijk hinder ondervindt van de doorschietende beplantingen. Bij het wegsnijden mag de eigenaar echter geen onevenredig grote schade toebrengen aan de beplantingen, hetgeen misbruik van het recht zou betekenen. Beschadiging kan gevolgen hebben voor de gezondheid/ levensverwachting van een boom, en voor de veiligheid vanwege instabiliteit van de boom. Bovendien is er voor kap van meer dan 30% van het wortelgestel een omgevingsvergunning nodig.

Als blijkt dat het wortelkaprecht onterecht is aangewend, kan het college de kosten voor herstel of het vervangen van de boom verhalen op de veroorzaker die verantwoordelijk is voor het misbruik.

Aantoonbare schade aan verblijfsruimtes of erfafscheidingen:

Boomwortels van gemeentelijke bomen kunnen schade veroorzaken aan eigendommen, zoals verblijfsruimtes, erfafscheidingen, bestrating, leidingen of riolen, zowel op openbaar als op particulier terrein. Inwoners en eigenaren van onroerend goed kunnen dergelijke schade bij de gemeente melden.

De gemeente (college) heeft als eigenaar en beheerder van gemeentelijke bomen een zorgplicht om deze bomen op zorgvuldige en controleerbare wijze te beheren. Deze zorgplicht houdt in dat bomen planmatig worden geïnspecteerd en onderhouden, en dat bij signalen van verhoogd risico of (mogelijke) schade een nadere beoordeling plaatsvindt.

Indien aannemelijk is dat schade verband houdt met wortels van een gemeentelijke boom, beoordeelt het college of en welke maatregelen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van haar kunnen worden verlangd. Bij deze beoordeling wordt tevens betrokken in hoeverre de melder zelf redelijkerwijs maatregelen kan of had kunnen treffen om schade te voorkomen of (verdere) schade te beperken.

De zorgplicht vloeit voort uit het civielrechtelijke kader (artikel 6:162 BW) en regelgeving voor bomen in de openbare ruimte. De zorgplicht houdt geen automatische verplichting in tot het treffen van maatregelen, noch tot vergoeding van schade. Of sprake is van aansprakelijkheid, wordt per geval beoordeeld.

Categorieën

Bij mogelijke acties worden genoemd “kleine ingreep”, “grote ingreep” en “maatwerk”. Deze definiëren we als volgt:

Kleine ingreep: een ingreep met een beperkt risico voor de boom, gericht op behoud van de boomstructuur.

Grote ingreep: Ingrijpende wijzigingen aan boomkroon of wortelgestel, risicovol voor de toekomstverwachting van de boom. De ingreep kan kapvergunningsplichtig zijn (bijvoorbeeld snoei van meer dan 30% van het kroonvolume of wortelgestel van de boom).

Maatwerk: Ingrepen die afgestemd worden op de situatie. Ingrepen kunnen groot of klein zijn, maar vergen aanvullend onderzoek, advies of afstemming. De ingreep kan kapvergunningsplichtig zijn.

Overige criteria

Bij het bepalen van maatregelen weegt het college ook andere criteria mee, waaronder:

Soortspecifieke eigenschappen van de boom.

Elke boomsoort heeft specifieke eigenschappen die invloed kunnen hebben op de mate van overlast. Bijvoorbeeld, sommige bomen hebben een zeer brede kroon die snel overhangt, terwijl andere bomen meer recht omhoog groeien en minder overlast veroorzaken. Het college houdt rekening met de specifieke eigenschappen van de boom bij het beoordelen van de overlast. Daarnaast moet er bij het snoeien en ingrijpen in bepaalde boomsoorten, met name bij zachthoutsoorten zoals de berk, rekening worden gehouden met het feit dat deze bomen minder stevig hout hebben dan bijvoorbeeld hardhoutsoorten zoals de eik of acacia. Het snoeien van zachthoutsoorten kan sneller leiden tot een verminderde levensverwachting van de boom, omdat de houtstructuur minder sterk is en sneller kan worden aangetast door snoeiwonden. Bij hardhoutsoorten daarentegen, zoals de eik of acacia, kan harder ingegrepen worden zonder dat de levensverwachting van de boom significant wordt beïnvloed. Dit betekent dat bij hardhoutsoorten eerder en in grotere mate kan worden ingegrepen zonder de gezondheid van de boom te schaden, terwijl bij zachthoutsoorten meer voorzichtigheid geboden is om de boom op lange termijn te behouden.

Conditie van de boom.

De gezondheid en de staat van de boom spelen een belangrijke rol in de beoordeling. Een gezonde boom kan meer snoei tolereren dan een boom die in slechte conditie verkeert. Bij een boom in slechte conditie kunnen de takken onder zware belasting breken of zich verder uitstrekken, wat kan leiden tot gevaarlijke situaties. Bovendien verdraagt een boom met een slechte conditie snoei vaak slecht, waardoor snoei in dit geval voorzichtig en terughoudend wordt toegepast. In dergelijke situaties wordt gekeken of het kappen en vervangen van de boom wellicht een duurzamere oplossing is, om zo de veiligheid te waarborgen en te zorgen voor gezonde, toekomstbestendige bomen.

Of een boom zich nog in de begeleidingssnoeifase bevindt

Bomen die nog in de begeleidingssnoei zitten, bevinden zich in een fase waarin ze nog jong zijn en vaak lagere takken hebben die nog in ontwikkeling zijn. Deze takken worden in de eerste jaren van de boom gecontroleerd en vaak gesnoeid om een gezonde, stevige stam en een goede vorm te bevorderen. Binnen de reguliere snoeirondes worden deze lagere takken verwijderd, omdat ze in de toekomst zorgen voor overlast, bijvoorbeeld door te dicht bij wegen, trottoirs of gebouwen te komen.

Door deze takken tijdig te verwijderen, kan een groot deel van de overlast al worden weggenomen. Dit is een standaard onderdeel van het onderhoud van jonge bomen en helpt niet alleen om de boom in de juiste vorm te krijgen, maar vermindert ook hinder voor de omgeving, zoals obstakels voor voetgangers of verkeer. Het snoeien van de lagere takken zorgt ervoor dat de boom gezond kan groeien en voorkomt dat deze takken later, wanneer de boom groter is, problemen gaan veroorzaken.

Het karakter van de omgeving.

In bosrijke buurten is schaduwwerking bijvoorbeeld een inherent onderdeel van de woonomgeving en wordt over het algemeen meer geaccepteerd.

Of een boom onderdeel is van een bosplantsoen.

Er is een verschil in beheer van bomen op gazon of in verhardingen, versus bomen in een bosplantsoen met lage beplanting, struiken en andere bomen. Dit verschil heeft te maken met het belang van de individuele boom en de bredere ecologische context waarin de boom staat. Bomen in bosplantsoen zijn vaak onderdeel van een groter ecosysteem, waarbij de nadruk ligt op de waarde van het geheel, in plaats van op individuele bomen.

De benadering van bomen in bosplantsoen is meer gericht op het beheer van het plantsoen als geheel, waarbij het behoud van de biodiversiteit en het versterken van het ecosysteem centraal staan. Snoeien of kappen van bomen kan eerder gezien worden als een vorm van dunning. Dit betekent dat het doel is om de gezondheid van het bos te verbeteren, de overleving van andere bomen te bevorderen en de biodiversiteit te verhogen.

Capaciteitsoverwegingen/ prioritering.

Bij het nemen van maatregelen kan eventueel rekening worden gehouden met personele/ financiële capaciteitsoverwegingen, zeker wanneer een besluit tot ingrijpen leidt tot vergelijkbare verzoeken van meer bewoners uit de omgeving.