Verordening jeugdhulp gemeente Noardeast-Fryslân 2026

Geldend van 12-06-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening jeugdhulp gemeente Noardeast-Fryslân 2026

De raad van de gemeente Noardeast-Fryslân,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 maart 2026;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;

besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Noardeast-Fryslân 2026:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen niet vallend onder de wet;

  • Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • Complementaire ondersteuning: een aanvullende vorm van jeugdhulp, die enkel naast

  • Specialistische Jeugdhulp kan worden ingezet. Onder Complementaire ondersteuning vallen alle

  • laagdrempelige vormen van ondersteuning en coaching waarbij er vaak een holistische benadering wordt gehanteerd. Bij deze vorm van ondersteuning worden veelal interventies ingezet die de nadruk leggen op creativiteit en fysiek actief zijn. Deze vorm van ondersteuning is vaak ‘Practice based’ en richt zich vooral op het algemeen welbevinden van de Jeugdige en/of het gezin.

  • Deskundige: beroepskracht met specifieke kennis en vaardigheden ten aanzien van de opgroei- en opvoedproblematiek van de jeugdige of zijn ouder(s) en/of de benodigde individuele maatwerkvoorziening, die kan aantonen dat hij voldoet aan de in de branche geldende kwaliteitseisen;

  • Eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (capaciteit), tijd en middelen van de jeugdige en/of ouder(s) (gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp) om, zelf of met personen uit het sociaal netwerk (mantelzorg, de opgroei en/of opvoedingsproblemen op te lossen;

  • Familiegroepsplan: een plan dat de jeugdige en/of ouder(s), zelf of samen met het sociaal netwerk van de jeugdige en/of ouder(s), opstelt;

  • Formele ondersteuning: ondersteuning die met een vergoeding vanuit het Pgb wordt geboden door een deskundige, niet zijnde een persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige of de ouder(s);

  • Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek naar de melding van de behoefte aan ondersteuning van de jeugdige en/of ouder(s);

  • Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet;

  • Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouder(s) toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid;

  • Informele ondersteuning: ondersteuning die met een vergoeding vanuit het Pgb wordt geboden door een persoon die niet formele ondersteuning biedt, zoals een persoon uit het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouder(s) of een beroepskracht niet zijnde een deskundige;

  • Intensiteit: de intensiteit geeft de zwaarte aan van de behandeling, begeleiding of ondersteuning van specialistische jeugdhulp;

  • Jeugdige: persoon die:

    • 1°. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt (dit impliceert ook een ongeborene vanaf – 9 maanden),

    • 2°. de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

    • 3°. de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van de wet:

      • is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is;

      • vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of

      • is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;

  • Melding: het bericht waarin aangegeven wordt dat de jeugdige en/of ouder(s) behoefte aan ondersteuning hebben;

  • Ondersteuningsprofiel: een algemeen geformuleerd profiel binnen specialistische jeugdhulp dat de aard van de ondersteuningsbehoefte weergeeft. Er zijn binnen specialistische jeugdhulp 10 ondersteuningsprofielen gedefinieerd zoals vastgelegd in artikel 2, tweede lid, sub c;

  • Overige voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 3, eerste lid;

  • Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • Sociaal netwerk: een familielid, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder(s) een sociale relatie onderhoudt;

  • SVB: Sociale Verzekeringsbank;

  • Traject: een traject omvat alle ondersteuning die een jongere en/of het gezin nodig heeft in een bepaalde situatie;

  • Wet: Jeugdwet;

  • ZIN: zorg in natura.

Artikel 2. Toegang en beschikbare algemene voorzieningen

  • 1. Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 2. De volgende vormen van ondersteuning zijn zonder voorafgaand onderzoek beschikbaar:

  • a. Preventieve ondersteuning, waaronder publieke jeugdgezondheidszorg;

  • b. Toegang en toeleiding en lichte generalistische ambulante ondersteuning (gebiedsteams en

  • POH GGZ Jeugd);

  • c. Basisdiagnostiek;

  • d. Toegangsfunctie (voor individuele voorzieningen);

  • e. Veilig Thuis (Advies- en Meldpunt geweld en Kindermishandeling).

  • 3. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Artikel 3. Beschikbare individuele voorzieningen

  • 1. De volgende vormen van ondersteuning zijn niet zonder voorafgaand onderzoek beschikbaar:

  • a. Dyslexiezorg:

  • Ondersteuning voor jeugdigen met (een vermoeden van) Ernstig Dyslexie (ED), in de vorm van dyslexieonderzoek en/of behandeling. Dyslexiezorg wordt geboden aan jeugdigen in de leeftijd van 7 tot en met 12 jaar, dan wel aan jeugdigen waarvan de dyslexiezorg vóór de 13e verjaardag van de jeugdige is gestart.

  • Er is sprake van ED als de leerachterstand in lezen en/of spellen erg groot is gezien de leeftijd en het onderwijsniveau, ondanks extra instructie op school. Er is alleen sprake van ED als er volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0 een diagnose is gesteld en er geen andere oorzaken zijn gevonden die de problemen kunnen verklaren.

  • b. Pleegzorg:

  • Pleegzorg is Jeugdhulp voor Jeugdigen tot 21 jaar die tijdelijk of blijvend niet thuis kunnen wonen. Het is een vorm van ondersteuning waarbij pleegouder(s) de jeugdige basiszorg op het gebied van dagelijkse en specifieke verzorging en opvoeding, onderwijs en wonen bieden in combinatie met professionele begeleiding van het pleegkind, de pleegouder(s) en de biologische ouder(s) door een pleegzorgaanbieder. Pleegzorg kan zowel tijdelijk als langdurig en zowel in voltijd, deeltijd als crisis geboden worden. Een pleeggezin kan zowel een gezin uit het pleeggezinnenbestand van een voorziening voor pleegzorg als een gezin uit het eigen netwerk van familie of bekenden zijn.

  • c. Woonvoorziening:

  • Woonvormen voor jeugdigen die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen, waar jeugdigen kunnen opgroeien en opvoedondersteuning ontvangen. Woonvormen zijn: gezinshuizen, kleinschalige woonvoorzieningen, ouder en kind woonvoorzieningen en zelfstandigheidstraining woonvoorzieningen.

  • d. Specialistische jeugdhulp:

  • Alle ambulante jeugdhulp en jeugdhulp met verblijf, niet zijnde dyslexiezorg, pleegzorg, woonvoorziening, of hoog specialistische jeugdhulp. Ambulante jeugdhulp betreft jeugdhulp die op vaste of onregelmatige tijden plaats vindt bij de jeugdige thuis, op locatie van de aanbieder of elders (school, kinderdagverblijf e.d.).

  • Specialistische Jeugdhulp moet binnen de wettelijke kaders van de Jeugdwet vallen. Specialistische Jeugdhulp kan dus alleen worden ingezet als er sprake is van psychische, ontwikkel-, gedrag-, emotionele c.q. verslavingsproblematiek bij Jeugdigen en zij en/of hun opvoeders daar belemmeringen door ervaren bij het functioneren in hun gezin, op school, in de buurt of in sociale relaties.

  • Ook bij Specialistische Jeugdhulp dient er, conform het Friese ordeningsprincipe Kind in Fryslân, sprake te zijn van ‘opvoedingsnood’ of ‘opvoedingscrisis’. Wanneer er sprake is van ‘opvoedingsvragen’ of van ‘opvoedingsspanning’ dan wordt daarvoor geen Specialistische Jeugdhulp ingezet maar indien nodig een overige voorziening.

  • Specialistische jeugdhulp (zowel ambulante jeugdhulp als jeugdhulp met verblijf) wordt op basis van een ondersteuningsprofiel en in de vorm van een traject geboden.

  • Binnen specialistische jeugdhulp zijn de volgende ondersteuningsprofielen vastgesteld:

  • I. Profiel A: Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp. Ambulante ondersteuning gerichte aanpak enkelvoudige ontwikkel-, gedrags- emotionele en/of verslavingsproblematiek (ook bij jeugdigen met beneden gemiddelde intelligentie). Er is geen sprake van (zware) gezinsproblematiek. De problemen van de Jeugdige zijn goed beïnvloedbaar door het pedagogische handelen van de ouder(s) en andere mede-opvoeders.

  • II. Profiel B: Meervoudige Specialistische Jeugdhulp. Ambulante ondersteuning gerichte aanpak meervoudige ontwikkel-, gedrags- emotionele en/of verslavingsproblematiek (ook bij jeugdigen met beneden gemiddelde intelligentie). Er is geen sprake van (zware) gezinsproblematiek. De problemen van de Jeugdige zijn goed beïnvloedbaar door het pedagogische handelen van de ouder(s) en andere mede-opvoeders.

  • III. Profiel C: Complexe problematiek. Complexe problematiek waarbij het gehele gezin onderdeel is van de Behandeling en mogelijk is ook individuele problematiek van meerdere gezinsleden aan de orde.

  • IV. Profiel D: (Zeer) Complexe en intensieve problematiek. Meervoudige (zeer)complexe problematiek van de betreffende Jeugdige is feitelijk de centrale problematiek binnen het betrokken gezinssysteem.

  • V. Profiel E: Begeleiding en ondersteuning bij duurzame problematiek en versterken van zelfredzaamheid Jeugdige en ouder(s). Het leren hanteren en omgaan met duurzame problematiek van Jeugdigen en het versterken van de zelfredzaamheid van de betreffende Jeugdige en gezinssysteem door inzet van Begeleiding en steun.

  • VI. Profiel F: Dagopvang (niet zijnde 24 uur per dag). Gegeven de aanwezige problematiek (beschreven bij profiel B, C, D of E) is aanvullend, tijdelijk en beperkt, beschikbaarheid van een pedagogische setting buiten de eigen thuissituatie van de Jeugdige nodig.

  • VII. Profiel G: Dagbehandeling Specialistische Jeugdhulp. Er zijn moeilijkheden in het functioneren van de betrokken Jeugdige in de dagelijkse leefwereld, waardoor gedurende één of meerdere dagdelen per week Behandeling of hulpverlening nodig is.

  • VIII. Profiel H: Residentiële Specialistische Jeugdhulp. Er zijn moeilijkheden in het functioneren van de betrokken Jeugdige in de dagelijkse leefwereld, waardoor een (tijdelijk) permanent verblijf met Behandeling gedurende één of meerdere dagen per week noodzakelijk is. Het profiel betreft uitsluitend de verblijf component.

  • IX. Profiel I: Logeren. Logeeropvang in een pedagogische setting aanvullend op profiel B, C, D of E.

  • X. Profiel J: Randvoorwaardelijke zaken en producten. De onder dit profiel vallende producten kunnen noodzakelijk zijn om er voor te zorgen dat er sprake is van effectieve jeugdhulp. Het gaat om de volgende producten:

  • 1. Vervoer

    2. Reistijd hulpverlening op één van de Friese Waddeneilanden

    3. Medicatiecontrole

    4. Overbrugging naar WLZ of Diagnostiek

    5. Laag frequent contact

    6. Nazorg

    7. Multidisciplinaire Diagnostiek t.b.v. het bepalen van Passende Jeugdhulp.

  • e. Open 3 milieus voorziening (O3M):

  • Ondersteuning in de vorm van residentiële jeugdhulp voor jeugdigen met ernstige gedrags- en/of gezinsproblemen, al dan niet met een licht verstandelijke beperking en/of psychiatrische problematiek. De voorziening heeft als doel om binnen de 3 milieus - wonen, onderwijs en vrije tijd – met 24 uurs verblijf en begeleiding een gezonde ontwikkeling van jeugdigen te stimuleren, aanwezige problemen te verminderen, en de stabiliteit, veiligheid en positieve interactie tussen de jeugdige en het sociaal netwerk te herstellen.

  • g. Toegevoegd Jeugdhulp Plus:

  • Ondersteuning in de vorm van gesloten residentiële jeugdhulp voor jeugdigen die zich onttrekken aan de jeugdhulp die noodzakelijk is. Zonder behandeling vormen zij een risico voor zichzelf en/of hun omgeving. Deze ondersteuning wordt indien nodig ingekocht buiten de regio Fryslân.

  • h. Landelijk Transitiearrangement (LTA):

  • ondersteuning voor jeugdigen met een zeer weinig voorkomende ondersteuningsvraag die specialistische inzet vraagt. Deze ondersteuning is namens alle gemeenten landelijk ingekocht door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Een overzicht van het LTA staat op: www.vng.nl/artikelen/functies-en-aanbieders-jeugdhulp

  • i. Crisishulp:

  • Ondersteuning die directe inzet vraagt om de veiligheid van de jeugdige en/of ouder(s) te garanderen. Dit kan zijn in situaties waarbij gevaar voor een jeugdige dreigt door ernstige verwaarlozing, fysiek geweld of seksueel misbruik, situaties waarin een ouder of jeugdige dreigt met zelfdoding of een psychose heeft. Crisishulp kan zowel ambulant als residentieel zijn.

  • j. Jeugdbescherming:

  • Ondersteuning in de vorm van jeugdbeschermingsmaatregelen. Deze maatregelen kan de rechter opleggen als vrijwillige hulp niet toereikend is en de jeugdige ernstig bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Soms woont een kind daarom (tijdelijk) niet meer thuis. Gezinsvoogden van een gecertificeerde instelling begeleiden een gezin bij de opvoeding, tot de ouder(s) dit weer zelfstandig kunnen. Hiertoe gecertificeerde instellingen zijn het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, William Schrikker Groep en Leger des Heils.

  • k. Jeugdreclassering:

  • Ondersteuning in de vorm van intensieve begeleiding en controle voor jongeren die veroordeeld zijn of verdacht worden van een strafbaar feit. Dit kan zowel op basis van een proces-verbaal van de politie als van de leerplichtambtenaar zijn. De jeugdreclassering wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling of de volwassenreclassering.

  • 2. Complementaire ondersteuning is solitair beschikbaar voor situaties waarbij:

  • a. er, conform het Friese ordeningsprincipe Kind in Fryslân, sprake is van ‘opvoedingsspanning’;

  • b. een hulpvraag vanwege het genoemde bij a. niet in aanmerking komt voor specialistische jeugdhulp als bedoeld in lid 2 onder d.;

  • c. de inzet van ondersteuning gewenst is om de inzet van een individuele voorziening te voorkomen;

  • d. de vormen van ondersteuning genoemd in lid 1 geen of onvoldoende oplossing bieden;

  • e. de artikelen 4, 5 en 6 van deze verordening zijn hierbij van toepassing.

Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de beschikbaarheid van de ondersteuning genoemd in dit artikel.

Artikel 4 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts mogen alleen naar gecontacteerde aanbieders verwijzen.

  • 3. Als de jeugdige of zijn ouder(s) hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking als bedoeld in artikel 10. Ook het afwijzen van een gevraagde individuele voorziening wordt, indien de jeugdige of zijn ouder(s) hierom verzoeken vastgelegd in een beschikking.

Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    De behoefte aan jeugdhulp kan door of namens een jeugdige en/of ouder(s) bij het college worden

  • gemeld. Als de jeugdige en/of ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte.

  • 2.

    De melding van behoefte aan jeugdhulp is vormvrij en kan schriftelijk, digitaal, mondeling of

  • telefonisch bij het college worden gedaan.

  • 3.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding, schriftelijk (per mail of post), tenzij de jeugdige

  • en/of ouder(s) dit niet wensen.

  • 4.

    Het college wijst de jeugdige en/of ouder(s) voor het onderzoek, bedoeld in artikel 7, op de

  • mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

  • 5.

    Het college wijst de jeugdige en/of ouder(s) op de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te

  • stellen en stelt hen gedurende 7 dagen na de melding in de gelegenheid om het plan te overhandigen.

  • 6.

    Indien noodzakelijk verstrekt het college bij spoedeisende gevallen direct na ontvangst van een

  • melding een tijdelijke individuele maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de jeugdige en/of ouder(s) of dient het college een verzoek in tot machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

  • 7.

    Er wordt afgezien van een ontvangstbevestiging en onderzoek als een melding enkel bestaat uit een

  • informatieverzoek of uit een (vervolg)vraag die direct kan worden beantwoord of waar voor een adequate behandeling van de vraag een gerichte doorverwijzing naar een andere organisatie of afdeling noodzakelijk is.

  • 8.

    Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening.

Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de GI nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. 

  • 2.

    Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. Het college verstrekt geen beschikking.  

Artikel 7. Onderzoek en gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger(s) en desgewenst iemand uit het sociaal netwerk, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 6 weken na ontvangst van de melding:

  • a.

    De behoefte aan ondersteuning, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en/of

    ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie.

  • b.

    Of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen,

    gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen en zo ja welke problemen of stoornissen dit zijn.

  • c.

    Wat het aanvaardbare niveau van een veilige (cognitieve, sociale, emotionele en/of

  • lichamelijke) ontwikkeling is (ofwel het gewenste resultaat).

  • d.

    Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend

  • met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar

  • zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.

  • e.

    De (ervaren) belasting van de mantelzorger(s) en de daaruit voortvloeiende behoefte aan

  • maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger(s).

  • f.

    De mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s) om op eigen kracht, het aanvaardbaar niveau van een veilige ontwikkeling te behouden of te bereiken.

  • g.

    Voor zover de eigen kracht ontoereikend is, de mogelijkheden om met gebruik van andere

  • voorzieningen of algemene voorzieningen het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling te behouden of te bereiken.

  • h.

    Voor zover het gebruik van andere voorzieningen of algemene voorzieningen ontoereikend is,

  • de mogelijkheid om met gebruik van een individuele maatwerkvoorziening het aanvaardbare niveau van een veilige ontwikkeling te behouden of te bereiken.

  • i.

    De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg en ondersteuning, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, welzijn, wonen, werk en inkomen met het oog op het behouden of bereiken van het aanvaardbaar niveau van een veilige ontwikkeling.

  • j.

    Hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan

  • worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

  • 2. Als de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een familiegroepsplan aan

  • het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.

  • 3. Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de

  • gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 4. Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de mogelijkheden om onder bepaalde voorwaarden te kiezen voor de verstrekking van een PGB, waarbij de jeugdige en/of ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 5. Het college kan, met instemming van de jeugdige en/of ouder(s), informatie opvragen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest passende hulp. 

  • 6. Na het gesprek onderzoekt de gemeente de hulpvraag van de jeugdige. Als het nodig is vraagt de gemeente daarbij om advies van een deskundige. 

  • 7. Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouder(s) aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

  • 8. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en ouder(s) vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de wet op de identificatieplicht.

Artikel 8. Identificatie

1. Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger.

2. Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is:

a. gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp;

b. ter voorkoming van fraude; of

c. ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige.

3. Onder identiteitsbewijs wordt verstaan: document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht of ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit:

a. vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;

b. verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);

c. buitenlands paspoort; of

d. vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Artikel 9. Verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 7.

  • 2.

    Het college verstrekt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) een verslag van de uitkomsten van het

  • onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het verslag

  • toegevoegd.

Artikel 10. Aanvraag

  • 1.

    Jeugdigen en ouder(s) kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij

  • het college.

  • 2.

    Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of

  • zijn ouder(s) dat op het verslag hebben aangegeven.

Artikel 11. Individuele voorziening

  • 1.

    Een individuele voorziening kan in de vorm van ZIN of Pgb worden verstrekt.

  • 2.

    In aanvulling op lid 1 kan een Pgb alleen verstrekt worden door het college.

Artikel 12. Beoordeling gebruikelijke hulp, bovengebruikelijke hulp en eigen kracht

  • 1. Jeugdigen of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt verstaan:

  • a.

    Gebruikelijke hulp van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders;

  • b.

    Bovengebruikelijke hulp van ouder(s) voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;

  • c.

    De ondersteuning vanuit het sociaal netwerk;

  • d.

    Het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

  • 2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouder(s) neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouder(s). Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 3. Om vast te stellen of er sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van de dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:

  • a.

    De leeftijd van de jeugdige;

  • b.

    De mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;

  • c.

    De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

  • d.

    De mate van planbaarheid van de hulp;

  • e.

    De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouder(s) door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 5. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouder(s) in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouder(s) verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 2 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:

  • a.

    Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar;

  • b.

    Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere perioden in één kalenderjaar. Het college verwacht van ouder(s) dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouder(s) door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 6. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.  

  • 7. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:

  • a.

    De aard van de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

  • b.

    De mate van planbaarheid van de hulp;

  • c.

    Het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s);

  • d.

    De manier van omgaan van ouder(s) met de problemen van de jeugdige;

  • e.

    Vaardigheden van de ouder(s) om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);

  • f.

    Of er sprake is van problematiek bij de ouder(s), zoals relationele problemen of schulden;

  • g.

    Welke verplichtingen ouder(s) hebben , bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;

  • h.

    Het belang van ouder(s) om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;

  • i.

    De woonsituatie;

  • j.

    De samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);

  • k.

    Is er een sociaal netwerk en zo ja wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige en zijn ouder(s) te ondersteunen;

  • l.

    Overige individuele omstandigheden die door de jeugdige worden ingebracht.

  • 8. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het verlenen van de hulp door de ouder(s), bij de beschikbaarheid van ouder(s) voor het verlenen van hulp, bij de belasting van de ouder(s) en de financiële situatie van de ouder(s) wordt van het verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen, het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.

  • 9. Bij dreigende overbelasting geldt nog het volgende:

  • a.

    Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige;

  • b.

    Als de overbelasting voorziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen;

  • c.

    Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die inspanning te verminderen;

  • d.

    Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht;

  • e.

    Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten;

  • f.

    Een PGB voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

  • 10. Als de ouder(s) een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van het verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening jeugdhulp.

  • 11. Als de jeugdige en/of ouder(s) een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van de ouder(s) verwacht dat zij deze aanspreken, het college verstrekt dan geen individuele voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

Artikel 13. Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als Pgb wordt verstrekt.

  • 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

  • a. welke individuele voorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;

  • b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

  • c. hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een Pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:

  • a. welk resultaat met het Pgb wordt beoogd;

  • b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het Pgb;

  • c. de hoogte van het Pgb en hoe deze is bepaald;

  • d. de duur van de verstrekking waarvoor het Pgb is bedoeld.

  • 4. Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouder(s) op grond van de wet, de verordening en de nadere regels.

  • 5. Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in lid 2 als de gemaakte kosten zien op een periode van maximaal één maand vóór de aanvraag. 

  • 6. Een voorziening in de vorm van een PGB kan niet met terugwerkende kracht worden verstrekt.

Artikel 14. Weigerings- en beëindigingsgronden

Het college weigert dan wel beëindigt een individuele voorziening, in ieder geval, als:

  • a. de gemeente gelet op het woonplaatsbeginsel niet (meer) verantwoordelijk is voor de jeugdhulp;

  • b. de jeugdige of zijn ouder(s) in staat zijn zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van personen uit het sociaal netwerk (eigen kracht), waaronder mede wordt verstaan het kunnen oplossen van de problemen middels gebruikelijke hulp;

  • c. gebruik kan worden gemaakt van een andere voorliggende voorziening;

  • d. gebruik kan worden gemaakt van een overige voorziening;

  • e. de individuele voorziening is afgerond en het beoogde resultaat is bereikt;

  • f. naar het oordeel van het college anderszins niet langer noodzakelijk is of geen betrekking (meer) heeft op de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.

Artikel 15. Regels voor Pgb

  • 1. Het college kan een individuele maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een PGB in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet.

  • Een PGB kan worden verstrekt indien:

  • a. de jeugdige en/of ouder(s), al dan niet met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een PGB verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • b. de jeugdige of zijn ouder(s) overtuigend kunnen motiveren waarom zij de individuele maatwerkvoorziening die door een gecontracteerde zorgaanbieder wordt geleverd, niet passend achten;

  • c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) willen betrekken van een zorgaanbieder of een persoon die behoort tot het sociale netwerk van goede kwaliteit is.

  • 2. In aanvulling op lid 1 a kan een persoon in de volgende gevallen worden geweigerd een PGB te beheren als de persoon:

  • a.

    geen (financieel) onafhankelijke positie heeft ten aanzien van de zorgaanbieder die formele ondersteuning biedt;

  • b.

    een wettelijk vertegenwoordiger heeft, zoals een curator, bewindvoerder of (zorg)mentor;

  • c.

    niet meerderjarig is;

  • d.

    niet over een woonadres beschikt volgens de Basisregistratie Personen;

  • e.

    in detentie zit;

  • f.

    de Nederlandse taal onvoldoende beheerst;

  • g.

    onvoldoende rekenvaardig is;

  • h.

    niet in staat is de veiligheid in de eigen leefsituatie te waarborgen;

  • i.

    een verslaving heeft, zoals een alcohol-, drugs-, gok- of koopverslaving;

  • j.

    ondersteuning nodig heeft bij de eigen administratie;

  • k.

    in de schuldsanering zit of daarvoor een verzoek heeft ingediend;

  • l.

    surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;

  • m.

    eerder een PGB heeft beheerd en toen is gebleken dat deze persoon onvoldoende vaardig was en/of verplichtingen niet nakwam en/of er sprake is geweest van fraude met een PGB of sociale voorzieningen.

  • 3. Het college verstrekt in principe geen PGB voor Crisishulp.

  • 4. Voor informele hulp kan alleen een PGB worden verstrekt voor de profielen A: Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp, E: Begeleiding en Ondersteuning en I: Logeren. Dit in verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexere problematiek in de andere profielen.

  • 5. Onverminderd artikel 8.1.1, van de wet verstrekt het college geen PGB voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.

  • 6. Een jeugdige en/of ouder(s) die in aanmerking komt voor een individuele maatwerkvoorziening

  • middels een PGB, kan informele ondersteuning inkopen, onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    (voor) de opgroei- en opvoedproblematiek:

  • niet op eigen kracht kan worden opgelost;

  • de gebruikelijke hulp overstijgt;

  • bovengebruikelijke hulp of mantelzorg geen passende oplossing is;

  • geen mogelijkheden zijn voor andere voorzieningen of inzet van vrijwilligers;

  • b.

    dit aantoonbaar tot een beter resultaat leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan formele ondersteuning of zorg in natura;

  • c.

    tussenpersonen, belangenbehartigers of anderszins niet uit het PGB worden betaald.

  • 7. De volgende bestedingsregels gelden voor een PGB:

  • a.

    Het PGB tarief is inclusief overhead en alle bijkomende kosten (zoals opleiding, maaltijden, entreegelden), hier wordt geen extra budget voor toegekend.

  • b.

    Kosten voor de uitvoering van taken die horen bij een budgetbeheer mogen niet uit het PGB worden betaald.

  • c.

    Kosten voor bemiddeling, coördinatie, tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het PGB worden betaald.

  • d.

    Na het overlijden van de jeugdige mag, indien niet teruggevallen kan worden op het sociaal netwerk, vanwege activiteiten verband houdend met het overlijden maximaal een gemiddeld maandbedrag, berekend over de laatste drie gewerkte maanden, door de zorgaanbieder gedeclareerd worden.

  • e.

    Het bedrag dat niet verantwoord hoeft te worden betreft alleen de jaarlijkse kosten voor het basislidmaatschap voor ‘Per Saldo’ (de belangenorganisatie voor PGB-budgethouder(s)).

  • f.

    De vergoeding bij informele ondersteuning in de vorm van Logeren bedraagt, conform de

  • ministeriële regeling voor hulp uit het sociaal netwerk (te betalen uit een PGB), per kalendermaand maximaal het bedrag dat is opgenomen in de regeling.

  • g.

    Voor sub d tot en met sub f wordt geen extra budget toegekend.

Artikel 16. Pgb-vaardigheid

  • 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: 

  • a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; 

  • b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; 

  • c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

  • d. voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse of Friese taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; 

  • e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; 

  • f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; 

  • g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; 

  • h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; 

  • i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

  • j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 

  • 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb

  • verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: 

  • a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de

  • budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend of de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige;

  • b. er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: 

  • - schuldenproblematiek; 

  • - ernstige verslavingsproblematiek; 

  • - aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen,

  • begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; 

  • - een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 

  • - een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 

  • - een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; 

  • - het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse of Friese taal in woord en geschrift; 

  • - het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag; 

Artikel 17. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de

  • uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:

  • a. beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij

  • aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis;

  • b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

  • c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

  • d. is voldoende vaardig om in de Nederlandse of Friese taal te communiceren;

  • e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd. Het college kan een

  • voorgeschreven format voor het (budget)plan vaststellen;

  • f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

  • g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

  • h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele

  • voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

  • g. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met

  • informatie over de persoonlijke situatie;

  • h. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de

  • jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

  • i. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

  • j. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid;

  • k. is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

  • a. hetgeen is bepaald in artikel 17, tweede en derde lid;

  • b. handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

  • b. werkt op basis van een hulpverleningsplan;

  • c. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

  • d. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp;

  • e. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.

Artikel 18. Verschil tussen formele en informele hulp bij een PGB

  • 1. Het tarief waarmee het PGB wordt berekend hangt af van de soort hulp die nodig is. Er wordt hierbij verschil gemaakt tussen formele en informele hulp.

  • 2. Er is sprake van formele hulp als de jeugdhulp geboden wordt door:

  • a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de betreffende taken, of

  • b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de betreffende taken, of

  • c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 3. Als de jeugdhulp door iemand anders dan een persoon beschreven in lid 2 wordt verleend, is er sprake van informele hulp.

  • 4. Als de jeugdhulp wordt geboden door iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige en/ of ouder(s), is er altijd sprake van informele hulp.

  • 5. Als de jeugdhulp wordt geboden door een formele hulp, moet deze van goede kwaliteit zijn en aan dezelfde wettelijke kwaliteitseisen voldoen die gelden voor alle professionele gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zoals staat beschreven in Hoofdstuk 4 van de wet. Dit betekent dat de formele hulp in elk geval SKJ of BIG geregistreerd is.

  • 6. Als de jeugdhulp wordt geboden door een informele hulp, moet deze van goede kwaliteit zijn om de gestelde resultaten te behalen.

  • 7. Bij de beoordeling van de kwaliteit wordt onder andere gekeken of de hulp:

  • a.

    Veilig is. Hierbij gaat het om het zoveel mogelijk beperken van risico’s van de fysieke, sociale

  • of psychische situatie van de jeugdige. Er wordt gekeken naar de aard van de relatie tussen de hulpverlener en de jeugdige en/of ouder(s) en het gebruik van bepaalde gedrag- en meldcodes.

  • b.

    Doeltreffend is. Hierbij gaat het om de vraag of de hulp passend en toereikend is bij de

  • problematiek en benodigde hulp van de jeugdige en/of ouder(s). Hierbij wordt gekeken naar de bekwaamheid van de hulp (opleiding en ervaring), de manier van hulpverlening en naar de situatie en problematiek van de jeugdige en/of ouder(s). De aard van de relatie tussen de hulpverlener en de jeugdige en/of ouder(s) speelt ook een rol bij de doeltreffendheid. Sommige resultaten kunnen alleen behaald worden als de hulp geboden wordt door een onafhankelijke hulpverlener.

  • c.

    Klantgericht is. De hulp moet aansluiten op dat wat de jeugdige en/of ouder(s) nodig heeft en

  • aansluiten op de wensen, voorkeuren en behoeftes. Er wordt gekeken of de hulpverlener beschikt over de juiste deskundigheid en competenties om die specifieke hulp te kunnen bieden.

  • 8. Om te bepalen of het beoogde resultaat bereikt kan worden met de inzet van een pgb, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende aspecten:

  • a. of de jeugdige en/of ouder(s) voldoende motiveren waarom er wordt gekozen voor (in)formele hulp en niet voor ZIN. Inzet van informele hulp met een pgb is in principe alleen voor die gevallen waarin dit beter, efficiënter en doelmatiger is dan formele hulp of ZIN.

  • b. of de beoogde hulpverlener in staat is om het soort, de omvang, frequentie en duur van de jeugdhulp te bieden.

  • c. of de kwaliteit van de geboden jeugdhulp voldoende geborgd is en aansluit op de aard van de benodigde jeugdhulp.

  • d. of de inzet van jeugdhulp niet leidt tot overbelasting bij de beoogde hulpverlener in combinatie met andere hulp die hij/zij verleend, mantelzorg, (on)betaald werk en persoonlijke omstandigheden.

  • e. of er voldoende alternatieven zijn in geval van ziekte of vakantie.

  • 9. Er kan in principe geen jeugdhulp door een informele hulpverlener worden ingezet met een pgb als:

  • a. Er sprake is van jeugdhulp in de vorm van behandeling, die naar zijn aard alleen door professionals geboden kan worden. Dit komt door de noodzaak van relevante diploma’s, maar ook het volledig objectief en onafhankelijk kunnen handelen. Hiervoor is een bepaalde professionele afstand tussen de hulpverlener en jeugdige nodig, waardoor informele hulp niet passend kan zijn.

  • b. Er sprake is van (dreigende) overbelasting van de persoon die de jeugdhulp gaat bieden.

Artikel 19. Hoogte van de PGB bedragen

  • 1.

    Bij de tariefbepaling voor een PGB wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van ondersteuning (formele en informele ondersteuning) en voor zover van toepassing, de te bieden deskundigheid en/of de in de branche geldende kwaliteitseisen. De tarieven voor formele ondersteuning PGB hoeven niet gelijk te zijn aan de ZIN tarieven, omdat er door de betreffende zorgaanbieders minder overheadkosten gemaakt hoeven worden dan door gemeente gecontracteerde aanbieders. Dit betreft o.a. kosten in relatie tot de aanbesteding en bijbehorende programma van eisen, verantwoordingsrapportages en (afstemmings-)overleggen.

  • 2.

    De hoogte van een PGB:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige en/of ouder(s) opgesteld en door het

  • college goedgekeurd budgetplan waarin in ieder geval uiteen is gezet:

  • I.

    welke jeugdhulp die tot de individuele maatwerkvoorziening behoort de jeugdige en/of ouder(s) van het budget willen betrekken, en

  • II.

    indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige en/of ouder(s) wil inkopen middels informele ondersteuning.

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief:

  • I.

    waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB de jeugdige en/of ouder(s) in staat stelt om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede ondersteuning van derden te betrekken, en

  • II.

    waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de jeugdige en/of ouder(s) de jeugdhulp willen betrekken, en

  • III.

    waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het negende lid van dit artikel gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welk de jeugdige en/of ouder(s) de mogelijkheid heeft om de betreffende jeugdhulp in te kopen middels informele ondersteuning.

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in

  • de gemeente tijdig beschikbare individuele maatwerkvoorziening in natura.

  • 3. Het tarief voor formele hulp wordt vastgesteld op ten hoogste de kostprijs voor de gemeente van de goedkoopste vorm van zorg in natura. Als uit het door de ouder(s) en/of jeugdige opgesteld pgb-plan dat door de gemeente is goedgekeurd blijkt dat passende hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht, wordt het pgb op dit lagere tarief vastgesteld.

  • 4. De ZIN-tarieven (100%) worden bepaald door de inkoop SJH 2024 door SDF en worden jaarlijks geïndexeerd.

  • 5. Als er geen vergelijkbaar ZIN-tarief is voor de in te zetten jeugdhulp, wordt samen met de jeugdige, de ouder(s) en de beoogde hulp een marktconform tarief afgesproken dat voldoende is om passende jeugdhulp te kunnen bieden. Dit wordt afgestemd met contractbeheer sociaal domein.

  • 6. Het aantal uren, dagdelen of etmalen wordt vastgesteld in het ondersteuningsplan.

  • 7. Het Pgb (uur)tarief voor informele ondersteuning bedraagt het (uur)tarief van het wettelijk brutominimumloon voor werknemers van 21 jaar en ouder bij een volledig dienstverband zoals vastgesteld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, inclusief vakantiegeld en vakantie-uren. De uitgangssituatie van het volledig dienstverband is 36 uren per week. Er worden enkel uren vergoed die de situatie van gebruikelijke zorg overstijgen, voor zover het bepaalde in artikel 6 lid 1 onderdeel e niet toereikend is.

Artikel 20. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele maatwerkvoorzieningen (in natura of PGB) en misbruik of oneigenlijk gebruik

  • 1. Het college informeert de jeugdige en/of ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele maatwerkvoorziening (in natura of PGB) zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de voorziening.

  • 2. Onverminderd de Jeugdwet artikel 8.1.2 doet een jeugdige en/of ouder(s) op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn voor een heroverweging van een beslissing aangaande een individuele maatwerkvoorziening.

  • 3. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 4. Een jeugdhulpaanbieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

  • 5. Bij schending van de meewerkplicht zoals bedoeld in het vierde lid is het college bevoegd een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen.

  • 6. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele maatwerkvoorziening (in natura of PGB) herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

  • a.

    de jeugdige en/of ouder(s) en/of wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

  • b.

    de jeugdige en/of ouder(s) niet langer op de individuele maatwerkvoorziening (in natura of PGB) zijn aangewezen;

  • c.

    de individuele maatwerkvoorziening (in natura of PGB) niet (meer) toereikend is te achten of op een lager niveau vastgelegd dient te worden;

  • d.

    de jeugdige en/of ouder(s) niet voldoen aan de individuele maatwerkvoorziening (in natura of PGB) verbonden voorwaarden;

  • e.

    de jeugdige en/of ouder(s) de individuele maatwerkvoorziening (in natura of PGB) niet of voor een ander doel gebruiken;

  • f.

    de jeugdige langer dan 2 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 7. Een beslissing tot verlening van een PGB kan worden ingetrokken als blijkt dat het PGB binnen 3 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 8. Als het college een beslissing op grond van het zesde lid, onder a, heeft ingetrokken kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten PGB terugvorderen.

  • 9. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele maatwerkvoorzieningen (in natura of PGB) met het oog op de beoordeling van de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid daarvan.

Artikel 21. Schending inlichtingenplicht

  • 1. Bij signalen dan wel een vermoeden van schending inlichtingenplicht, conform artikel 19 lid 2 en 3, is de gemeentelijke toezichthouder bevoegd onderzoek te verrichten. De jeugdige en/of ouder(s), de PGB budgetbeheerder en de zorgaanbieder(s) zijn verplicht aan dit onderzoek mee te werken en alle relevante informatie ten behoeve van dit onderzoek schriftelijk en/of mondeling aan de gemeentelijke toezichthouder te verstrekken.

  • 2. Het college kan bij geconstateerde schending inlichtingenplicht een besluit tot verstrekking van een individuele maatwerkvoorziening of het PGB geheel of gedeeltelijk intrekken.

  • 3. Aanvullend op lid 2 kan het college, geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten PGB.

  • 4. Indien de beschikking voor een PGB is gewijzigd of ingetrokken vanwege toerekenbaar handelen van de zorgaanbieder die ten laste van het PGB formele of informele ondersteuning levert, ontstaat een vordering op die zorgaanbieder. De vordering bedraagt het bedrag gelijk aan het door de zorgaanbieder, vanwege het toerekenbaar handelen, ten laste van het PGB ten onrechte ontvangen bedrag. Dit derdenbeding is onherroepelijk en blijft ook na beëindiging van de zorgovereenkomst van kracht.

Artikel 22. Invorderen

  • 1. De wijze van invorderen van de geldwaarde van de ten onrechte genoten individuele maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten PGB (Artikel 13, lid 3) vindt plaats conform artikel 4:92 van de Awb.

  • 2. De vastgestelde (gehele of gedeeltelijke) geldwaarde, zoals medegedeeld in het betalingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.

  • 3. De termijn waarbinnen deze betalingsverplichting moet plaatsvinden is, conform de Awb, in principe zes weken. Hiervan kan afgeweken worden als, op basis van de vastgestelde betalingscapaciteit of voorstel van de belanghebbende, een betalingsregeling conform lid 6 is afgesproken.

  • 4. De betalingscapaciteit in het inkomen is gelijk aan het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet overschrijdt.

  • 5. Elk voorstel van de belanghebbende, waarbij het totaal bedrag van de nieuwe vorderingen in beginsel binnen een termijn van 36 maanden betaald wordt, wordt geaccepteerd.

  • 6. Voor zover de belanghebbende beschikt over activa, die nauw samenhangen met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van deze activa.

  • 7. Voor zover de belanghebbende beschikt over vermogen (waaronder wordt verstaan alle aan de belanghebbende in eigendom toebehorende roerende en onroerend zaken en vermogensrechten dat nauw samenhangt met de ontstaansgrond van de vordering), wordt teruggevorderd ten laste van het vermogen voor zover het vermogen na aftrek van alle schulden, uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,-- te boven gaat.

  • 8. Bij de vaststelling van de betalingsverplichting en de betalingscapaciteit in het inkomen dient rekening gehouden te worden met de bijzondere, financiële en persoonlijke omstandigheden van belanghebbende.

Artikel 23. Opschorting betaling uit het PGB

  • 1. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een jeugdige en/of ouder(s) een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in de wet artikel 8.1.4 eerste lid, onder a, d of e. (zie artikel 19, lid 6 sub a, d en e).

  • 2. Indien de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname.

  • 3. Het college stelt de persoon aan wie het PGB is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoel in lid 1 en 2.

Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren preventie, jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, conform artikel 2.3 van de Jeugdwet, in ieder geval rekening met de volgende kostprijselementen:

  • a. Kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden);

  • b. Cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

  • c. Overheadkosten;

  • d. Kosten voor indexering.

  • 2. Het college bedingt bij aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden indien zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het college geeft ten minste vorm aan prijs- of tariefdifferentiatie door rekening te houden met de verschillende vormen van ondersteuning.

Artikel 25. Klachtregeling

De afhandeling van klachten van jeugdigen en ouder(s) die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening vindt plaats conform de Gezamenlijke klachtenregeling van de gemeenten Dantumadiel en Noardeast-Fryslân.

Artikel 26. Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Artikel 27. Gegevensverwerking en privacy

  • 1. Het college informeert actief de bewoner over zijn privacy rechten en de gegevensverwerkingen die in het kader van de ondersteuning plaats vinden.

  • 2. Het college is, bij de verwerking van persoonsgegevens, gehouden aan de wettelijke bepalingen in de Jeugdwet, de daaruit afgeleide regelgeving, de Algemene Wet Bestuursrecht, de Algemene Verordening Gegevensbescherming en aanvullende wetgeving omtrent gegevensverwerking.

  • 3. Indien er door of aan het college een overdracht plaats vindt ten behoeve van onderzoek naar of het bieden van passende ondersteuning aan de jeugdige en/of ouder(s), verstrekt de betrokken professional – met toestemming van de jeugdige en/of ouder(s)- de informatie die nodig is voor de beoordeling hiervan.

  • 4. Binnentreden van de woning geschiedt in samenspraak met de jeugdige en/of ouder(s), tenzij in het kader van jeugdhulp binnentreden zonder instemming noodzakelijk is omdat er acuut levensgevaar dreigt voor betrokkene en/of een ander dan wel een aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

Artikel 28. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 29. Overige aanvullende bepalingen

  • 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening en de hierop gebaseerde regelgeving niet voorziet, beslist het college.

  • 2. Het college is bevoegd een (her)onderzoek te doen naar het voortbestaan van de aanspraak op een voorziening en eventueel de aanspraak te herzien, bijvoorbeeld indien er sprake is van een wijziging in de situatie van de jeugdige en/of ouder(s), de vorm van de voorziening, de afwegings- en toetsingscriteria voor de toekenning van een voorziening of het tarief. Indien de herbeoordeling leidt tot een wijziging ten nadele van de jeugdige en/of ouder(s) wordt een gewenningstermijn gehanteerd van minimaal 3 maanden en maximaal 6 maanden, ingaande vanaf de datum van het nieuwe besluit.

  • 3. Het college is bevoegd ter zake van de uitvoering van deze verordening en de daarop berustende besluiten nadere regels te sluiten en algemene voorwaarden te stellen.

Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening jeugdhulp gemeente Noardeast-Fryslân 2020. De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening gelden, met betrekking tot een individuele voorziening waarvoor op grond van de Verordening Jeugdhulp Noardeast-Fryslân 2020 en zijn voorgangers een besluit is afgegeven, blijven gelden gedurende de looptijd van het besluit, of tot het moment dat er een nieuw besluit wordt genomen op grond van deze verordening.

  • 2.

    Een besluit op een aanvraag wordt genomen op basis van de op de datum van het besluit geldende verordening.

  • 3.

    Bij bezwaarschriften wordt beslist met inachtneming van de verordening die geldig was ten tijde van het bestreden besluit.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Noardeast-Fryslân 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van Noardeast-Fryslân van 7 mei 2026.

De raad voornoemd,

de griffier de voorzitter,

mr. S.K. Dijkstra M. van der Staal