Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762724
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762724/1
Notitie bescherming zuiveringstechnische werken
Geldend van 11-06-2026 t/m heden
Intitulé
Notitie bescherming zuiveringstechnische werkenHoe gaan we om met lozingen in de afvalwaterketen
1 Aanleiding
Het bestuurlijk vastgesteld beslissings- en toetsingskader van waterschap Hollandse Delta (WSHD) voor nieuw in te nemen afvalstromen op zuiveringstechnische werken is sterk verouderd. Deze “Notitie bescherming zuiveringstechnische werken” beschrijft het beslissings- en toetsingskader. Deze notitie vervangt het bestaande toetsingskader en vormt het centrale kader voor vergunningverlening, advisering en toezicht.
2 Inleiding
Waterschap Hollandse Delta beheert 20 rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), 64 rioolgemalen (RG) en ongeveer 82 kilometer persleiding.
Dit zijn de rioolwaterzuiveringsinstallaties:
- 1.
Rotterdam Dokhaven
- 2.
Dordrecht
- 3.
Zwijndrecht
- 4.
Rotterdam Hoogvliet
- 5.
Hellevoetsluis
- 6.
Spijkenisse
- 7.
Heenvliet
- 8.
Oostvoorne
- 9.
Strijen
- 10.
Piershil
- 11.
Numansdorp
- 12.
Ooltgensplaat
- 13.
Oude-Tonge
- 14.
Middelharnis
- 15.
Goedereede
- 16.
Den Bommel
- 17.
Barendrecht
- 18.
Ridderkerk
- 19.
Oud-Beijerland
- 20.
Rozenburg
De werking van onze rioolwaterzuiveringen en het transportsysteem hangt af van de kwaliteit van het afvalwater dat wordt aangeleverd.
Als daarin veel stoffen zitten die het zuiveringsproces verstoren, kan dat problemen geven.
Samen met de gemeenten in ons werkgebied werken we aan een goed functionerende afvalwaterketen en aan het hergebruiken van zoveel mogelijk grondstoffen.
Daarom maken we duidelijke afspraken over het lozen van afvalwater. We willen dat alle partijen aan het begin van de keten de juiste keuzes maken. Het gaat dan om bedrijven die direct op een zuivering lozen en om bedrijven die via het riool van de gemeente lozen.
We spreken met gemeenten af welke regels gelden voor afvalwater dat naar onze zuiveringen komt.
Deze afspraken leggen we vast in afvalwaterakkoorden of andere samenwerkingsafspraken, zodat voor iedereen duidelijk is welke kwaliteit en hoeveelheden zijn toegestaan.
3 Doelstelling
De doelstelling van deze notitie is om de werking van onze zuiveringstechnische werken goed te beschermen. Daarbij kijken we ook naar de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Waterschap Hollandse Delta wil voorbereid zijn op de toekomst, waarin rioolwaterzuiveringen steeds meer grondstoffen, energie en zoet water leveren. Ook deze belangen beschermen we.
Deze notitie vormt de basis voor afspraken met gemeenten over de hoeveelheid en de samenstelling van het afvalwater dat naar onze zuiveringen gaat. Daarnaast gebruiken we deze notitie als toetsingskader voor adviezen aan het bevoegd gezag bij aanvragen voor vergunningen of maatwerkvoorschriften voor afvalwaterlozingen op het riool (indirecte lozingen). Ook biedt de notitie het kader voor vergunningverlening voor directe lozingen op een zuiveringstechnisch werk. De uitgangspunten zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 6 en de toepassing in hoofdstuk 7 en 8.
4 Juridisch kader
Op grond van de zorgplicht voorkomt een bedrijf dat activiteiten nadelige gevolgen hebben voor het milieu. Dit betekent dat het bedrijf geen stoffen mag lozen die de werking van het rioolstelsel of de rioolwaterzuiveringsinstallatie verstoren.
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat inhoudelijke regels voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten. Deze regels gelden alleen als de lozing plaatsvindt binnen een milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen.
Het lozen van afvalwater met gevaarlijke of schadelijke stoffen, zoals zware metalen, bestrijdingsmiddelen, olie, BTEX en PFAS, is niet toegestaan. Dat geldt alleen anders als het bevoegd gezag hiervoor expliciet toestemming heeft gegeven via een omgevingsvergunning of een maatwerkbesluit. In dat geval moet de lozing voldoen aan de Algemene Beoordelingsmethodiek en de immissietoets.
Voor de aanvoer van afvalwater op zuiveringstechnische werken onderscheiden we twee situaties:
- 1.
Directe lozing van afvalwater op een zuiveringstechnisch werk. Dit kan via een rioolgemaal, een persleiding of rechtstreeks op een rioolwaterzuivering, via het transportsysteem.
-
Voor deze lozingen is een omgevingsvergunning voor de wateractiviteit van waterschap Hollandse Delta nodig. De vergunning wordt behandeld door het team Ruimte en Regulering van het cluster Omgeving en Dienstverlening. Het team Toezicht en Handhaving toetst de conceptvergunning. Ook wordt per email advies gevraagd aan het cluster Bouw en Advies en/of het cluster Zuiveren en Energiebeheer.
- 2.
Indirecte lozing op het rioolstelsel
-
Bij indirecte lozingen zijn de gemeente of de provincie bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning. In de praktijk voeren de omgevingsdiensten deze taak uit. Voor het werkgebied van waterschap Hollandse Delta gaat het om DCMR Milieudienst Rijnmond en de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Het waterschap heeft hierbij een wettelijk adviesrecht op grond van artikel 16.15 van de Omgevingswet en artikel 4.35 van het Omgevingsbesluit.
In artikel 4.35 van het Omgevingsbesluit staat het volgende:
-
Artikel 4.35 Ob
Het bestuursorgaan dat zorg draagt voor het beheer van een zuiveringstechnische werk of een oppervlaktewaterlichaam waarop afvalwater vanuit een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, is adviseur voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die betrekking heeft op het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen in een dergelijke voorziening.
De beoordeling voor de indirecte lozing loopt via artikel 8.23 van het Besluit kwaliteiten leefomgeving (Bkl):
-
Artikel 8.23 Bkl
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit waardoor afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater worden gebracht, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de milieubelastende activiteit verenigbaar is met het belang van het beschermen van de doelmatige werking van die voorziening en van het zuiveringstechnische werk waarop vanuit die voorziening afvalwater wordt gebracht en als de verwerking van slib uit dat werk of uit een openbaar vuilwaterriool niet wordt belemmerd.
De rechtsgrondslag voor het stellen van voorschriften over emissiegrenswaarden staat in artikel 8.26 e.v. Bkl.
De afstemming en samenwerking tussen overheidspartijen is geregeld in artikel 2.2 van de Omgevingswet:
-
Artikel 2.2. (afstemming en samenwerking)
- 1.
Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.
- 2.
Bestuursorganen kunnen taken en bevoegdheden gezamenlijk uitoefenen. Daarbij wordt niet voorzien in een overdracht van taken of bevoegdheden.
- 3.
Een bestuursorgaan treedt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden slechts in de taken en bevoegdheden van een ander bestuursorgaan voor zover dat nodig is voor de uitoefening van zijn eigen taken en bevoegdheden.
- 1.
Het aanwijzen van toezichthouders is geregeld in artikel 18.6 van de Omgevingswet:
-
Artikel 18.6. (aanwijzing toezichthouder)
- 1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de personen die daartoe bij besluit van het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een waterschap, gedeputeerde staten, Onze Minister die het aangaat of andere met de uitvoering van deze wet belaste bestuursorganen zijn aangewezen.
- 2.
Van een besluit tot aanwijzing van toezichthouders wordt mededeling gedaan door plaatsing in het gemeenteblad, het waterschapsblad, het provinciaal blad of de Staatscourant.
- 1.
Het adviseren door toezichthouders is geregeld in artikel 19.4 van de Omgevingswet:
-
Artikel 19.4. (veroorzaker verplichten tot treffen van maatregelen)
- 1.
Het bevoegd gezag verplicht de veroorzaker tot het treffen van de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen.
- 2.
Het bevoegd gezag kan aanwijzingen geven over het verrichten van de activiteit of het treffen van maatregelen, waaronder de aanwijzing om de activiteit waardoor het ongewoon voorval is veroorzaakt, onmiddellijk stil te leggen.
- 3.
Artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
- 4.
Als een ongewoon voorval de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk belemmert of dreigt te belemmeren, kan het bestuur waarbij de zuiveringstaak, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 2°, berust het bevoegd gezag verzoeken de veroorzaker van het voorval te verplichten tot het treffen van de nodige maatregelen of de veroorzaker de nodige aanwijzigen te geven om de nadelige gevolgen voor de werking van het zuiveringtechnische werk te beperken of weg te nemen.
- 5.
Het bevoegd gezag geeft onverwijld uitvoering aan dit verzoek, voor zover dat niet in strijd is met het belang van de bescherming van het milieu.
- 1.
Het adviseren door vergunningverleners in artikel 16.15 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.35 van het Omgevingsbesluit:
-
Artikel 16.15. (advies)
- 1.
Bij algemene maatregel van bestuur worden bestuursorganen of andere instanties aangewezen die, in daarbij aangewezen gevallen, in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag of een ander bestuursorgaan advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van deze wet.
- 2.
Bij een omgevingsplan, waterschapsverordening of omgevingsverordening kunnen bestuursorganen of andere instanties worden aangewezen die in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag advies uit de brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4.
- 3.
Een bestuursorgaan of andere instantie wordt als adviseur aangewezen als dat wenselijk is vanwege:
- a.
de deskundigheid van het bestuursorgaan of de instantie, of
- b.
de door het bestuursorgaan te behartigen belangen, gelet op de aan dat bestuursorgaan toegedeelde taken voor de fysieke leefomgeving.
- a.
- 1.
Uit jurisprudentie blijkt dat het begrip "doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk" hierbij ruim moet worden opgevat:
-
Citaat jurisprudentie:
-
“Alle aspecten die van invloed zijn op de werking van het zuiveringstechnische werk, waaronder zo nodig het tegen kunnen gaan van sterk verdunde lozingen. Het betreft, naast het in technische zin goed werken van de zuiveringsinstallatie, ook de doelmatige exploitatie ervan waarbij een zo optimaal mogelijke benutting van de aanwezige capaciteit voorop staat tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten zonder dat dit ten koste gaat van de effluentkwaliteit van de installatie, de kwaliteit van het zuiveringsslib en zonder dat dit stankoverlast veroorzaakt.”
(ABRvS 8 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:)
Het team Ruimte en Regulering van het cluster Omgeving en Dienstverlening ontvangt adviesverzoeken en behandelt deze. Team Toezicht en Handhaving voert een handhavingstoets uit op de conceptadviezen. Als het gaat om grotere afvalwaterlozingen met mogelijk meer invloed op een zuiveringstechnisch werk, wordt het cluster Bouw en Advies betrokken.
Verdere toepassing van deze kaders zijn uitgewerkt in hoofdstuk 7 en 8.
De Omgevingswet maakt het mogelijk dat het waterschap ambtenaren aanwijst als toezichthouder voor indirecte lozingen. Zij adviseren het bevoegd gezag. Dit volgt uit de artikelen 18.6 en 19.4 van de Omgevingswet. Deze toezichthouders hebben geen bevoegdheid om te handhaven.
Voor maatregelen zoals een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of het intrekken van een vergunning moet het bevoegd gezag worden ingeschakeld. Het waterschap kan alleen een bindend verzoek om handhaving doen als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de doelmatige werking van een zuiveringstechnisch werk of de kwaliteit van het oppervlaktewater in gevaar komt.
Daarnaast kunnen gemeenten of provincies toezichthouders van het waterschap benoemen tot buitengewoon opsporingsambtenaar. In dat geval werken zij onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan dat hen heeft benoemd. Waterschap Hollandse Delta maakt geen gebruik van deze mogelijkheid.
5 Samenwerking
Het waterschap werkt nauw samen met gemeenten en omgevingsdiensten. Deze notitie biedt een handvat voor afspraken over advisering, controle en handhaving van afvalwaterlozingen om de zuiveringstechnische werken te beschermen. De inhoud van deze notitie wordt gebruikt in de reguliere samenwerking en afstemming met gemeenten en omgevingsdiensten. Het cluster Omgeving en Dienstverlening verzorgt hierbij de contacten tussen het waterschap en de omgevingsdiensten.
Met de omliggende waterschappen, de inliggende omgevingsdiensten en de gemeente Rotterdam zijn werkafspraken gemaakt over de aanpak van incidenten bij indirecte lozingen. Deze afspraken zijn vastgelegd in een gezamenlijk document en door alle betrokken organisaties ondertekend.
De Rijksoverheid, de provincie, gemeenten en waterschappen zijn samen verantwoordelijk voor een goed functionerend watersysteem. Daarom hebben zij het Bestuursakkoord Water1 gesloten. In dit akkoord staat welke middelen worden ingezet om de wateropgaven van deze tijd aan te pakken, welke taken en verantwoordelijkheden iedere partij heeft en hoe partijen elkaar ondersteunen bij de uitvoering daarvan.
Onder de Omgevingswet wordt de samenwerking met andere bestuursorganen versterkt. Zie artikel 2.2, eerste lid, in hoofdstuk 4.
De Omgevingswet heeft gevolgen voor het stedelijk waterbeheer. De wet gaat uit van ‘decentraal, tenzij’. Dat betekent dat taken en bevoegdheden in principe bij gemeenten en waterschappen liggen. Daardoor zijn er minder landelijke regels en ontstaat meer ruimte voor regionaal maatwerk. In het addendum bij het Bestuursakkoord Water (2018) zijn hierover afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn:
- •
Gemeenten en provincies maken beleid voor hun taken rond stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater. Zij nemen dit, waar nodig, op in hun omgevingsvisies. Waterschappen leveren hiervoor hun inhoudelijke bijdrage. Het grondwaterbeheer wordt samen met drinkwaterbedrijven afgestemd.
- •
De uitwerking van dit beleid gebeurt in verschillende programma’s, bestuurlijke afspraken en, waar nodig, verordeningen. Als drinkwaterbronnen of infrastructuur kunnen worden geraakt, worden drinkwaterbedrijven betrokken.
- •
In de samenwerkingsregio’s werken gemeenten en waterschappen op basis van gelijkwaardigheid samen aan beleidsvoorbereiding en investeringsprogramma’s voor het stedelijk waterbeheer, waaronder de waterketen. De maatschappelijke doelen staan daarbij centraal. Gemeenten leggen hun zorgplichten idealiter vast in een water- en rioleringsprogramma of een vergelijkbaar programma.
- •
Er wordt een traject opgezet voor waterprofessionals bij gemeenten en waterschappen om hen te ondersteunen bij de invoering van de Omgevingswet. Drinkwaterbedrijven worden hierbij betrokken als experts.
- •
Door de decentralisatie van lozingsregels voor huishoudens en veel bedrijven maken waterketenpartijen lokaal een afweging over welke regels zij toepassen. De regionale samenwerking blijft hierbij belangrijk, omdat lokale keuzes ook gevolgen kunnen hebben voor andere gebieden.
Figuur 1 Onderlinge relaties kerninstrumenten. Samenspel op regionaal / lokaal niveau
Ter uitvoering van de aanvullende afspraken heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat de “Handreiking Stedelijk waterbeheer onder de Omgevingswet: Praktisch werk maken van wettelijke taken en maatschappelijke opgaven” opgesteld2. Deze handreiking ondersteunt iedereen die werkt aan stedelijk waterbeheer bij de invoering van de Omgevingswet.
Ook in de toekomst kunnen afvalwaterakkoorden worden gesloten. In een afvalwaterakkoord leggen partijen afspraken vast die aanvullend zijn op bestaand beleid en regelgeving, en die zijn gericht op de praktische uitvoering. Voor het opstellen van waterakkoorden is door de Unie van Waterschappen en Rijkswaterstaat de “Leidraad Waterakkoorden 2018” 3opgesteld. In hoofdstuk 10 wordt verder ingegaan op de afvalwaterakkoorden met de gemeentes.
6 Inhoudelijke uitgangspunten
6.1 Bescherming zuiveringstechnische werken
Het aangevoerde afvalwater kan in het transportsysteem of op de rioolwaterzuiveringen problemen veroorzaken. Dat kan komen door stoffen in hoge concentraties, die materialen aantasten, gasvorming veroorzaken of het biologische proces verstoren. Problemen kunnen ook ontstaan door te grote hoeveelheden afvalwater, waardoor het transportsysteem of de zuivering wordt overbelast.
De bescherming van zuiveringstechnische werken omvat:
- •
Bescherming van het zuiveringsproces, zodat het effluent aan de lozingseisen blijft voldoen en het slibgistingsproces niet wordt verstoord;
- •
Bescherming van de installaties tegen aantasting door geloosde stoffen;
- •
Bescherming van de doelmatige werking in financieel en bedrijfseconomisch opzicht. Ook de kwaliteit van het zuiveringsslib speelt daarbij een rol, omdat slechte slibkwaliteit gevolgen kan hebben voor de verdere verwerking ervan.
-
(bij rioolwaterzuivering Dordrecht gebeurt dit door het publieke energie- en afvalbedrijf HVC “Huisvuilcentrale”)
6.2 Bescherming oppervlaktewater
Op het riool geloosde verontreinigingen kunnen op twee manieren in het oppervlaktewater terechtkomen:
- •
Via het effluent van de rioolwaterzuivering, wanneer restanten van de verontreiniging niet volledig zijn verwijderd;
- •
Via overstorten van het gemengde rioolstelsel, bijvoorbeeld tijdens hevige neerslag of bij een storing.
In beide situaties kunnen ongewenste effecten optreden, zoals zuurstoftekort, giftigheid of verrijking van het water met voedingsstoffen. Bij overstorten zijn deze effecten direct verbonden aan de geloosde stoffen. Wanneer een verontreiniging de zuivering bereikt, kan deze onvoldoende worden verwijderd of kan het zuiveringsproces worden verstoord, waardoor andere stoffen eveneens minder goed worden verwijderd.
Er kunnen ook kwantitatieve effecten zijn op de waterhuishouding, waarmee rekening wordt gehouden bij adviezen over indirecte lozingen.
Daarnaast kunnen specifieke puntlozingen, vaak afkomstig van bedrijven, grote problemen veroorzaken. Denk aan toxische stoffen die de werking van een zuivering verstoren, afvalwaterlozingen die leiden tot storingen of hogere onderhoudskosten (zoals vezels of doekjes in afvalwater) of afvalwaterlozingen die leiden tot overschrijding van kwaliteitseisen, bijvoorbeeld door hoge concentraties zware metalen in slib.
Actuele aandachtspunten zijn lozingen van zeer zout water bij aanleg en onderhoud van bodemenergiesystemen of warmte‑koudeopslag, lozingen van zeer zorgwekkende stoffen, medicijnresten en andere nieuwe stoffen, en afwijkingen in samenstelling door industriële lozers.
6.3 Toekomstige ontwikkelingen
Naast de eisen die waterschap Hollandse Delta stelt aan de kwaliteit van het aangevoerde afvalwater om de zuiveringstechnische werken te beschermen, zijn er ook wensen voor de toekomstige samenstelling van het afvalwater. Dit hangt samen met ontwikkelingen zoals het winnen van grondstoffen en energie en het verwijderen van microverontreinigingen.
Deze notitie wordt geactualiseerd wanneer de doelen van het waterschap veranderen. In overleg met het bevoegd gezag en gemeenten kan de notitie worden aangepast, zodat nieuwe zuiveringen blijven voldoen aan de gestelde eisen.
7 Toetsingsmethodiek
Vergunning aanvragen voor directe lozingen op zuiveringstechnische werken worden op grond van de Omgevingswet ingediend bij waterschap Hollandse Delta, als bevoegd gezag. Het team Ruimte en Regulering van het cluster Omgeving en Dienstverlening behandelt en beoordeelt deze aanvragen.
Vergunning aanvragen voor afvalwaterlozingen op het gemeentelijk riool worden ingediend bij de gemeente of de provincie. Zij zijn bevoegd gezag voor deze indirecte lozingen en besteden de beoordeling meestal uit aan de omgevingsdienst. Voor het werkgebied van waterschap Hollandse Delta gaat het om DCMR Milieudienst Rijnmond en de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Op basis van artikel 4.36 van het Omgevingsbesluit moeten deze aanvragen formeel ter advisering aan het waterschap worden voorgelegd. Team Ruimte en Regulering onderhoudt het contact met het bevoegd gezag en neemt daarbij alle punten mee die belangrijk zijn voor de vergunningverlening. Als de doelen van waterschap Hollandse Delta voor het beheer en de bescherming van de zuiveringstechnische werken niet kunnen worden gehaald, ook niet met voorwaarden, adviseert het waterschap om de omgevingsvergunning niet te verlenen.
Beide soorten aanvragen worden door het waterschap getoetst aan deze notitie.
Vooraf wordt bekeken of de afvalwaterlozing voldoet aan de uitgangspunten voor het toepassen van de best beschikbare techniek en bronaanpak.
De aanvrager moet dit onderbouwen en het bevoegd gezag beoordeelt dit.
Voor een snelle en zorgvuldige behandeling wordt gewerkt met een toetsingsmethode in drie stappen. Deze methodiek geldt voor vergunningverlening door het waterschap voor directe lozingen en voor adviezen bij vergunningaanvragen voor indirecte lozingen waarvoor de gemeente of de provincie bevoegd gezag is.
- 1.
Volledigheid van de aanvraag.
-
De eerste stap betreft de toetsing op volledigheid van de aanvraag.
- a.
Bij een volledige aanvraag wordt de vergunning in behandeling genomen of het advies uitgebracht en wordt de aanvraag doorgezet naar stap 2.;
- b.
Bij een onvolledige aanvraag worden aanvullende gegevens opgevraagd.
- a.
- 2
Toetsing aan wet- en regelgeving.
-
In de tweede stap wordt beoordeeld hoe de lozing past binnen de geldende wet- en regelgeving, waaronder de Waterschapsverordening Hollandse Delta en het Besluit activiteiten leefomgeving.
- 3.
Beoordeling van de aanvraag.
-
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt getoetst aan het nationale emissiebeleid. Deze toets bestaat uit drie opeenvolgende onderdelen: bronaanpak, minimalisatie en de immissietoets.
In de volgende paragrafen worden de afzonderlijke toetsstappen nader toegelicht.
7.1 Stap 1: Volledigheid aanvraag
Voor de toets op volledigheid wordt beoordeeld of de aanvraag voldoet aan de geldende indieningsvereisten. Voor aanvragen op grond van de Waterschapsverordening zijn deze vereisten opgenomen in artikel 3.61 van de Waterschapsverordening. Voor afvalwaterlozingen op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de indieningsvereisten vastgelegd in afdeling 7.2 van de Omgevingsregeling.
Bij een onvolledige aanvraag wordt een verzoek om aanvullende gegevens verstuurd. Dit gebeurt richting de aanvrager bij een vergunningaanvraag en richting de omgevingsdienst bij een adviesverzoek.
7.2 Stap 2: Toetsing aan wet- en regelgeving
Bij een adviesverzoek kan sprake zijn van een lozing afkomstig van een milieubelastende activiteit (mba). In dat geval wordt beoordeeld of voor de lozing algemene regels van toepassing zijn op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en of hieraan wordt voldaan. Als geen algemene regels van toepassing zijn, wordt het advies opgesteld aan de hand van bijlage 1.
Bij een directe lozing op de rioolwaterzuiveringsinstallatie kan sprake zijn van een vergunningplicht op grond van artikel 3.60 van de Waterschapsverordening of op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving.
7.3 Stap 3: Beoordeling
De afvalwaterlozing moet voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Voor IPPC‑installaties geldt dat moet worden voldaan aan de Europese BREF‑documenten en de bijbehorende BBT‑conclusies. Als geen sprake is van een IPPC‑installatie, wordt getoetst aan de Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, zoals opgenomen in bijlage XVIII, onderdeel B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Daarnaast worden bij indirecte lozingen, op grond van artikel 8.9, lid 4 van het Bkl, ook de Algemene Beoordelingsmethodiek en de immissietoets toegepast.
Tijdens de beoordeling van de aanvraag kan worden vastgesteld dat aanvullende informatie nodig is om tot een besluit of advies te komen. In dat geval kunnen alsnog nadere gegevens worden opgevraagd.
8 Toezicht & toepassing
8.1 Bevoegdheid indirecte lozingen
Een indirecte lozing is het lozen van afvalwater op de openbare gemeentelijke riolering (vuilwater- of gemengd riool), waarna het afvalwater via een rioolwaterzuiveringsinstallatie op het oppervlaktewater wordt geloosd. Voor indirecte lozingen van reguliere bedrijven is de gemeente het bevoegd gezag. Voor indirecte lozingen van complexe bedrijven, zoals bedoeld in het Bal afdeling 3.3, is de provincie het bevoegd gezag. Deze bevoegdheidsverdeling volgt uit de artikelen 4.6 en 4.16 van het Omgevingsbesluit en het Besluit activiteiten leefomgeving. Indirecte lozingen vloeien juridisch voort uit milieubelastende activiteiten en zijn geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, omgevingsvergunningen en maatwerkvoorschriften.
8.2 De rol van het waterschap
Het waterschap is geen bevoegd gezag voor indirecte lozingen, maar heeft wel een wettelijke rol in toezicht, monitoring en advisering. De Omgevingswet verplicht het bevoegd gezag tot afstemming en samenwerking. Dit is vastgelegd in artikel 2.2 en verder uitgewerkt in hoofdstuk 18, waaronder de artikelen 18.2, 18.3 en 18.19, waarin afstemming bij uitvoering, handhaving en kwaliteitsbevordering is geregeld. In artikel 4.36 van het Omgevingsbesluit is vastgelegd dat waterkwaliteitsbeheerders worden geïnformeerd en betrokken. Afstemming bij ongewone voorvallen is geregeld in artikel 19.2 van de Omgevingswet. De informatieplicht bij ongewone voorvallen is opgenomen in artikel 19.3 van de Omgevingswet.
8.3 Samenwerking bij toezicht en handhaving
Voor het toezicht op indirecte lozingen heeft het bestuur van het waterschap twee fte aan toezichthouders aangesteld. Deze inzet is het gevolg van procesverstoringen bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie.
De toezichthouders van het waterschap voeren toezicht uit:
- •
namens of samen met de omgevingsdienst;
- •
bij bedrijven die indirect afvalwater lozen;
- •
met als doel veroorzakers van ongewenste afvalwaterlozingen op te sporen;
- •
op basis van een samenwerkingsovereenkomst en het VTH‑programma;
- •
veelal risicogestuurd, met focus op prioritaire sectoren.
Dit toezicht is geregeld in de artikelen 18.6 (aanwijzing toezichthouders) en 19.4 van de Omgevingswet. Het toezicht heeft geen zelfstandige handhavingsbevoegdheid. Feiten en bevindingen worden gedeeld met het bevoegd gezag. Daarnaast adviseren de toezichthouders van het waterschap de omgevingsdiensten over indirecte lozingen die voortvloeien uit milieubelastende activiteiten. Hiervoor zijn zij aangewezen als toezichthouder namens het bevoegd gezag.
De toezichthouder van het waterschap adviseert het bevoegd gezag onder meer over:
- •
de doelmatige werking van rioolwaterzuiveringsinstallaties;
- •
de bescherming van het oppervlaktewater;
- •
het behalen van de KRW‑doelen;
- •
zeer zorgwekkende stoffen;
- •
de zuiveringstechnische haalbaarheid;
- •
bedrijfsprocessen;
- •
best beschikbare technieken;
- •
lozingsvoorschriften uit omgevingsvergunningen en maatwerkvoorschriften;
- •
ongewenste afvalwaterlozingen, incidenten en calamiteiten met invloed op de werking van de zuivering, inclusief het opsporen van de veroorzaker.
Met deze advisering wordt beoogd negatieve effecten op het zuiveringsproces te voorkomen, overschrijding van lozingseisen te beperken, emissies van zeer zorgwekkende stoffen via rioolwaterzuiveringsinstallaties te voorkomen en verdere verslechtering van de waterkwaliteit tegen te gaan. De adviezen zijn niet bindend, maar wegen zwaar bij sprake van substantiële milieubelasting.
De Omgevingswet onderstreept het belang van het waterschap bij indirecte lozingen, omdat waterschappen verantwoordelijk zijn voor het behalen van de KRW‑doelen en worden afgerekend op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Tegelijkertijd heeft de wetgever bewust gekozen voor een gescheiden bevoegdhedenstructuur, waarbij samenwerking het centrale instrument vormt.
8.4 Afvalwaterlozing bij onderhoudswerkzaamheden riool
De gemeente beheert het rioolstelsel en voert onderhoudswerkzaamheden uit. Tijdens deze werkzaamheden kan het voorkomen dat bedrijven hun afvalwater tijdelijk niet indirect kunnen lozen op het gemeentelijk riool en het afvalwater moeten bufferen. Het waterschap heeft vastgesteld dat gemeenten in situaties waarin bedrijven het afvalwater niet kunnen bufferen, soms toestemming verlenen om afvalwater te lozen op een door de gemeente aangewezen put in het gemeentelijk vuilwaterriool.
Bedrijfsafvalwater is een milieubelastende activiteit. Zodra bedrijfsafvalwater buiten de reguliere lozingssituatie van het bedrijf wordt geloosd, raakt dit direct de taken en verantwoordelijkheden van het waterschap.
In die gevallen ontbreekt voor het waterschap het inzicht in:
- •
welke stoffen worden geloosd;
- •
door wie wordt geloosd;
- •
met welke effecten wordt geloosd;
- •
of het afvalwater voldoet aan de lozingseisen uit de omgevingsvergunning of het Besluit activiteiten leefomgeving;
- •
de hoeveelheid afvalwater die op deze wijze wordt geloosd;
- •
de vervuilingswaarde van dit afvalwater in het kader van de heffing.
Ook wanneer de gemeente tijdelijk toestemming verleent voor het lozen tijdens rioolonderhoud, mag bedrijfsafvalwater niet worden geloosd zonder dat het waterschap vooraf is geïnformeerd en betrokken. Dit is noodzakelijk met het oog op de bescherming van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en het oppervlaktewater, en voor de juiste toepassing van de verontreinigingsheffing.
9 Aanvullende maatregelen of voorschriften
Uit de integrale afweging kan blijken dat de effecten zo groot zijn dat de zuiveringstechnische werken niet meer kunnen voldoen aan de eisen voor effluent, geur of slibverwerking. In dat geval worden aanvullende voorschriften opgenomen in de vergunning. Deze voorschriften zijn erop gericht om verstoringen te voorkomen of te verminderen. Wanneer aanvullende maatregelen worden toegepast, wordt de toetsing opnieuw uitgevoerd, inclusief de beoordeling van de Best Beschikbare Techniek.
De aanvullende voorschriften hebben vaak betrekking op het goed blijven verwijderen van stikstof en fosfaat. Dit kan betekenen dat een bepaalde verhouding tussen organische stof, stikstof en fosfaat moet worden aangehouden. De lozer kan dit bereiken door verbeterde bedrijfsvoering. Ook kunnen voorschriften worden gesteld om piekafvoer te voorkomen, bijvoorbeeld door maximale uur‑ of dagdebieten vast te leggen.
Het is mogelijk dat afvalwaterlozingen die afwijken van verschillende toetsingswaarden de werking van de zuivering toch niet belemmeren. In die situaties worden de afwijkingen vastgelegd in specifieke voorschriften. Daarbij kan worden bepaald dat de lozing van bepaalde stoffen alleen gedurende een bepaalde periode is toegestaan. Dit is nodig omdat veranderingen in andere lozingen kunnen leiden tot een andere samenstelling van het totale influent. Daardoor kan een afwijkende lozing op termijn wel gevolgen hebben voor de doelmatige werking van de zuivering.
10 Afvalwaterakkoorden (bestuurlijke borging)
Waterschap Hollandse Delta heeft met alle gemeenten in het werkgebied een afvalwaterakkoord gesloten. In deze akkoorden zijn afspraken vastgelegd over het beheer van het afvalwatersysteem, de operationele samenwerking, de verdeling van kosten en de kwaliteit en hoeveelheid van het afvalwater dat aan het waterschap wordt aangeleverd. De afspraken zijn gericht op het realiseren van maatschappelijke doelen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten en worden ondersteund door gezamenlijke optimalisatie van het afvalwatersysteem.
Omdat gemeenten in de meeste gevallen bevoegd gezag zijn voor indirecte lozingen op het gemeentelijk riool, kunnen zij deze afspraken verwerken in hun beleid en in het omgevingsplan. Voor afvalwaterlozingen door IPPC‑, Seveso‑ en andere complexe bedrijven is de provincie het bevoegd gezag.
In specifieke situaties kan worden gekozen voor uitbreiding of aanpassing van de zuiveringstechnische werken. Daarbij worden de kosten en baten afgewogen tegen de mogelijkheid om afvalwater lokaal te zuiveren, steeds met het uitgangspunt van de laagst mogelijke maatschappelijke kosten.
Een goede samenwerking tussen rioolbeheerder, beheerder van de zuivering en omgevingsdiensten is essentieel voor een doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken. Dit vraagt om het structureel delen van kennis en informatie over afvalwaterlozingen, de effecten daarvan op de afvalwaterketen en de risico’s op incidenten, binnen de geldende wettelijke kaders.
Ondertekening
Bijlage 1 Emissiegrenswaarden
Wanneer geen algemene regels uit het Bal of wanneer er geen regels opgenomen zijn uit het omgevingsplan voor de afvalwaterlozing van toepassing zijn, worden de emissiegrenswaarden in het besluit of het advies voor de lozing van bedrijven gebaseerd op onderstaande tabel.
Tabel 1 Emissiegrenswaarden
|
Parameters |
Emissiegrenswaarden (in enig monster) |
Toelichting |
|
Zuurgraad |
6,5-10 |
pH‑eenheden |
|
Temperatuur |
30 °C |
|
|
Sulfaat |
300 mg/l |
|
|
Chloride |
300 mg/l |
|
|
Sulfide |
1 mg/l |
|
|
Onopgeloste bestanddelen |
150 mg/l |
|
|
Minerale Olie |
200 mg/l |
|
|
Vetten |
300 mg/l |
|
|
BTEX |
100 µg/l |
|
|
Fenolen |
50 µg/l |
|
|
EOX |
100 µg/l |
|
|
VOX |
100 µg/l |
|
|
AOX |
100 µg/l |
|
|
PAK |
50 µg/l |
|
|
Koper |
500 µg/l |
|
|
Zilver |
500 µg/l |
|
|
Tin |
500 µg/l |
|
|
Zink |
500 µg/l |
|
|
TOC/BZV (CZV/BZV) |
< 1 (<2,5) |
Tussen haakjes de oude CZV normen |
|
TOC/N (CZV/N) |
> 3 (>8) |
Tussen haakjes de oude CZV normen |
|
TOC/P (CZV/P) |
> 17 (>50) |
Tussen haakjes de oude CZV normen |
Per 1 januari 2026 is CZV vervangen door TOC. In het Besluit activiteiten leefomgeving en de Waterschapsverordening is deze wijziging nog niet doorgevoerd. Het waterschap adviseert en legt in vergunningen al wel een TOC waarde vast. Daarbij wordt uitgegaan van de verhouding TOC = CZV/3. De vergunninghouder kan gemotiveerd afwijken van deze verhouding wanneer uit analysegegevens blijkt dat deze niet representatief is voor de te lozen afvalwaterstroom.
Tabel 2 Overige kwalitatieve randvoorwaarden afvalwaterlozingen
|
Overige randvoorwaarden |
|
Voor de Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), waaronder zware metalen en Pfas verbindingen, worden de richtlijnen van het RIVM gevolgd. |
|
Stoffen die brand‑ of explosiegevaar veroorzaken, mogen niet worden geloosd. |
|
Stoffen die zijn versneden met versnijdende apparatuur mogen niet worden geloosd, tenzij het stoffen betreft die ook zonder versnijding mogen worden geloosd of het waterschap hierover positief heeft geadviseerd. |
|
Stoffen die verstopping, beschadiging of verstoring van de goede werking van het zuiveringstechnische werk kunnen veroorzaken, mogen niet worden geloosd. |
|
Vetafbrekende middelen (verder uitgewerkt in bijlage 2) |
|
Blusschuim (verder uitgewerkt in bijlage 2) |
|
De remming van het nitrificatieproces door de kwaliteit van het te zuiveren afvalwater bedraagt minder dan 25%. |
Bijlage 2 Verboden middelen of producten
Middelen of producten die niet op het gemeentelijk riool mogen worden geloosd zijn:
Vetafbrekende middelen in riool en vetafscheiders
Op de markt zijn al jarenlang middelen beschikbaar die vetten afbreken. Deze middelen worden toegepast in afvoeren, rioolbuizen en vet‑ of pompputten. Ze lossen geleidelijk op en geven daarbij micro‑organismen en enzymen af, die aanwezige en nieuw aangevoerde vetten biologisch afbreken.
Vetten bestaan uit een glycerolmolecuul waaraan maximaal drie vetzuurketens chemisch zijn gebonden via esterverbindingen. De in deze middelen aanwezige natuurlijke extracellulaire enzymen verbreken deze bindingen. De micro‑organismen produceren daarnaast biologische oppervlakte‑actieve stoffen, waardoor het contactoppervlak van vetten toeneemt en de afbraak wordt versneld. Door toepassing van deze middelen worden vetten geëmulgeerd tot kleine vetdruppels, die verderop in het riool opnieuw kunnen samenklonteren. Daarnaast leidt de afbraak van aminozuren tot een hogere biologische zuurstofvraag (BZV).
Voor een goede werking zijn vetten als voedingsbron en voldoende zuurstof noodzakelijk. Bij onvoldoende zuurstof neemt de activiteit van de micro‑organismen af en sterven zij uiteindelijk af. Verder vraagt een effectieve werking om een pH‑waarde tussen 6 en 9 (optimaal 7) en een temperatuur tussen 10 en 40 °C. De levensduur van deze middelen, zoals blokken, bedraagt circa 30 tot 90 dagen en is afhankelijk van buisdiameter, watertemperatuur en stroomsnelheid.
In vetafscheiders functioneren deze middelen onvoldoende. In de winter ligt de afvalwatertemperatuur vaak onder de 10 °C, de pH kan door schoonmaakmiddelen hoger zijn dan 7 en door verzuring lager dan 6, en de zuurstoftoevoer is beperkt. Daarnaast vergen de middelen frequente vervanging, terwijl lastig vast te stellen is of zij nog werkzaam zijn. De milieu nadelen wegen daardoor zwaarder dan de voordelen, bijvoorbeeld voor de horeca. Deze middelen worden in wet‑ en regelgeving niet aangemerkt als beste beschikbare techniek. Het periodiek legen, reinigen en onderhouden van olie‑ en vetafscheiders is wettelijk verplicht. Het waterschap staat het gebruik van deze middelen daarom niet toe.
In uitzonderlijke situaties, zoals bij een acute rioolverstopping, kan tijdelijk gebruik van vetoplossende middelen geen nadelige gevolgen hebben voor de werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Toepassing door de gemeente vindt plaats na voorafgaand overleg met het team Indirecte Lozingen van het waterschap via het Waterschapsloket (088‑9743000). Het waterschap geeft er de voorkeur aan de veroorzaker van de verstopping op te sporen en aan te spreken, aangezien dit structureel de meest effectieve oplossing is.
Blusschuim en lozing op het gemeentelijk riool
Blusschuim wordt ingezet bij brandbestrijding, met name bij branden waarbij brandbare vloeistoffen betrokken zijn. Het schuim zorgt voor afdekking en koeling van de brandhaard en voorkomt herontsteking. Bij inzet van blusschuim komt bluswater vrij dat is verontreinigd met schuimresten en andere stoffen.
Testschuim en oefensituaties
Het lozen van testschuim of blusschuim afkomstig van oefeningen op het gemeentelijk riool of op het oppervlaktewater is niet toegestaan. Dit bluswater moet worden opgevangen of worden opgezogen door een gespecialiseerd bedrijf en vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker.
Hiervoor gelden de volgende overwegingen:
- •
het testschuim is een afvalstof die niet door een rioolwaterzuiveringsinstallatie mag worden verwerkt; een rioolwaterzuiveringsinstallatie is ingericht voor de zuivering van stedelijk afvalwater;
- •
blusschuim kan PFAS, PFOS of PFOA bevatten;
- •
oppervlakte‑actieve stoffen in blusschuim kunnen het zuiveringsproces afdekken, waardoor onvoldoende zuurstof beschikbaar is voor bacteriën en extra beluchting noodzakelijk wordt;
- •
het schuim kan leiden tot procesverstoringen op de rioolwaterzuiveringsinstallatie, onder meer door schuimvorming en remming van biologische processen;
- •
testschuim kan relatief eenvoudig worden afgezogen, opgevangen en gescheiden afgevoerd, waardoor lozing niet noodzakelijk is.
Juridisch kader: omgevingsplan en zorgplicht
In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, waaronder de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het doelmatig beheer van afvalstoffen (artikel 22.42).
Daarnaast geldt op grond van de specifieke zorgplicht dat degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor deze belangen, verplicht is om afvalstoffen na beëindiging van de activiteit af te voeren (artikel 22.44).
Het omgevingsplan bepaalt verder dat een lozing alleen is toegestaan zolang deze de doelmatige werking van het openbaar riool en de rioolwaterzuiveringsinstallatie niet schaadt en wordt voldaan aan de zorgplicht. Voor specifieke situaties gelden rijksregels, onder andere opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Omdat in het verleden op rioolwaterzuiveringsinstallaties herhaaldelijk sprake is geweest van ernstige schuimvorming en procesverstoring, staat het waterschap de lozing van blusschuim of testschuim op het riool of het oppervlaktewater niet toe.
Blusschuim met PFAS, PFOS of PFOA
Blusschuimen die PFAS, PFOS of PFOA bevatten zijn persistent, niet biologisch afbreekbaar en verstoren zowel de werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie als het watersysteem. Deze stoffen mogen niet worden geloosd op het gemeentelijk riool of op het oppervlaktewater. Verspreiding via de afvalwaterketen is onaanvaardbaar vanwege risico’s voor effluentkwaliteit, slibkwaliteit en het behalen van milieudoelstellingen.
Echte brand of calamiteit (geen oefening)
Bij een daadwerkelijke brand of calamiteit ligt de situatie juridisch anders dan bij oefeningen. Het vrijkomende bluswater is in dat geval vaak onvermijdelijk en meestal sterk verontreinigd, onder meer met brandstoffen, chemicaliën en mogelijk PFAS‑houdend blusschuim.
Het uitgangspunt blijft ook in deze situaties:
- •
het bluswater zoveel mogelijk inzamelen en afvoeren als afvalwater of afvalstof;
- •
waar nodig maatwerkafspraken maken met het bevoegd gezag (gemeente, waterschap).
Lozing van met blusschuim verontreinigd bluswater via het riool naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie is niet vanzelfsprekend toegestaan en vereist vrijwel altijd voorafgaande afstemming en beoordeling door het waterschap.
Calamiteitenoefeningen
In de waterschapsverordening is een specifieke regeling opgenomen voor lozingen bij calamiteitenoefeningen. Afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening kan – onder voorwaarden – op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, met uitzondering van afvalwater afkomstig van permanente oefenvoorzieningen.
Ten minste vier weken vóór aanvang van de oefening moet bij het dagelijks bestuur van het waterschap worden gemeld:
- •
of bij de oefening blusschuim wordt gebruikt;
- •
welke stoffen het blusschuim bevat.
Deze bepaling laat onverlet dat het waterschap, met het oog op de bescherming van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en het oppervlaktewater, aanvullende eisen kan stellen of een lozing kan weigeren wanneer risico’s voor de doelmatige werking of de waterkwaliteit aanwezig zijn.
Noot
1Vanuit de startovereenkomst Waterbeleid 2001 zijn er in 2003 in het Nationaal Bestuursakkoord Water samenwerkingsafspraken vastgelegd. Het Nationaal Bestuursakkoord Water benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het op orde krijgen en houden van het totale watersysteem. Het geeft aan welke instrumenten ingezet worden om de opgave te realiseren, welke taken en verantwoordelijkheden ieder partij heeft en hoe partijen elkaar in staat willen stellen hun taken uit te voeren (zie https://www.helpdeskwater.nl/publish/pages/130138/nationaal_bestuursakkoord_water.pdf) Het Nationaal Bestuursakkoord Water is de basis voor het Bestuursakkoord Water uit 2011 (zie: https://www.helpdeskwater.nl/publish/pages/132270/bestuursakkoord_water_definitieve_versie_met_handtekeningen.pdf). Op 31 oktober 2018 hebben de waterpartners aanvullende afspraken gemaakt op het bestuursakkoord water en vastgelegd in een Addendum (zie: Min I&W | Addendum Bestuursakkoord Water (officielebekendmakingen.nl)
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl