Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762690
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762690/1
Aanwijzingsbesluit cameratoezicht Vlissingen 2026
Geldend van 08-06-2026 t/m heden
Intitulé
Aanwijzingsbesluit cameratoezicht Vlissingen 2026De burgemeester van Vlissingen;
gezien het voorstel van de cluster veiligheid van de afdeling Ruimte en Samenleving van
15 april 2026;
gehoord de beraadslaging in het driehoeksoverleg van 12 januari 2026 met de gebiedsofficier van justitie en de teamchef Walcheren van de landelijke politie;
overwegende:
- •
dat de burgemeester overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet en artikel 2:68 van de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013 kan besluiten tot plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats in het kader van de handhaving van de openbare orde;
- •
dat het cameratoezicht in het hierna genoemde gebied voldoet aan de eisen die artikel 151c van de Gemeentewet stelt aan het instellen van cameratoezicht (bijvoorbeeld kenbaarheid van cameratoezicht, noodzaak, proportionaliteit, subsidiariteit);
- •
dat de burgemeester de beweegredenen die staan beschreven in het voorstel inzake aanwijzing van het gebied cameratoezicht van de afdeling Ruimte en Samenleving van 15 april 2026 tot de zijne maakt en dat deze als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd in dit besluit (zijnde de evaluatie cameratoezicht 2023 -2025);
- •
dat de belangen van openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en van strafbare feiten en de bescherming van de gezondheid in het onderhavige geval zwaarder wegen dan het individuele belang van de burgers (bescherming van de persoonlijke levenssfeer);
- •
dat de duur van de aanwijzing en de omvang van het gebied proportioneel zijn in relatie tot het beoogde legitieme doel;
- •
dat overige maatregelen die in het bewuste gebied zijn getroffen om inbreuk op de openbare orde en verslechtering van het woon- en leefklimaatbezit te voorkomen onvoldoende effect sorteren;
- •
dat het uitoefenen van voornoemde controlebevoegdheden in het bewuste gebied een onderdeel is van een breder handhavingsbeleid (IVB en Uitvoeringsprogramma Vlissingen) ter vergroting van leefbaarheid en veiligheid;
- •
dat het aanwijzen van dit gebied als gebied met cameratoezicht zal bijdragen aan het verhogen van de veiligheid in het algemeen en de veiligheid in het aangewezen gebied in het bijzonder;
- •
dat de aanwijzing van dit gebied voor de voorgestelde periode noodzakelijk is om, via intensivering van de probleemaanpak, het risico van inbreuk op de openbare orde en het verslechteren van het woon- en leefklimaat terug te kunnen dringen naar een aanvaardbaar niveau;
- •
dat drie maanden voor expiratie van dit aanwijzingsbesluit een rapportage zal worden opgesteld waaruit moet blijken of het cameratoezicht in het genoemde gebied dient te worden voortgezet;
- •
gelet op het bepaalde in artikel 151c van de Gemeentewet en artikel 2:68 van de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013;
b e s l u i t :
vast te stellen het Aanwijzingsbesluit cameratoezicht Vlissingen 2026;
Artikel 1
- 1.
De Bloemenlaan, de Scheldestraat en de Boulevards, het Bellamypark, Nieuwendijk, Sterkenburg, Betje Wolffplein, het Pablo Picassoplein, de Nieuw Bonedijkestraat en de Walstraat zijn aangewezen als gebieden waar cameratoezicht plaatsvindt als bedoeld in artikel 2:68 van de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013.
- 2.
Dit gebied omvat:
- a.
De Bloemenlaan, met uitzicht op de Hogeweg en de President Rooseveltlaan
- b.
de Scheldestraat
- c.
de Boulevard Bankert, Boulevard de Ruijter en Boulevard Evertsen.
- d.
Nieuwendijk met uitzicht op het Bellamypark, de Smalle Kade, het Beursplein, de Noordzeestraat, de Ruijterplein, Michiel de Ruyterhaven en de Ballastkade.
- e.
Betje Wolffplein met uitzicht op de Walstraat(zuid), Aagje Dekenstraat, Coosje Buskenstraat en de Badhuisstraat
- f.
Sterkenburg
- g.
Pablo Picassoplein en Nieuw Bonedijkstraat ter hoogte van het complex de Combinatie
- 3.
De mogelijkheid om binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Vlissingen, na ernstige openbare orde en veiligheidsincidenten, een camera te plaatsen voor de duur van maximaal 3 maanden na het incident.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na dagtekening van het Gemeenteblad waarin het wordt geplaatst en geldt tot en met 31 december 2027.
Artikel 3
Dit besluit wordt aangehaald als ‘Aanwijzingsbesluit cameratoezicht Vlissingen 2026’.
Bezwaar
Tegen dit besluit kan iedere belanghebbende op grond van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de verzending daarvan bezwaar maken door het indienen van een bezwaarschrift bij de burgemeester van Vlissingen. Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en de gronden van het bezwaar.
Voorts kan de Voorzieningenrechter van de Arrondissementsrechtbank Middelburg, sector Bestuursrecht, Postbus 5015, 4330 KA Middelburg, indien u bezwaar hebt gemaakt, op uw verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. U moet dan een afschrift van uw bezwaarschrift bij het verzoekschrift om een voorlopige voorziening overleggen. Voor het in behandeling nemen van een verzoek om een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd.
Ondertekening
Aldus vastgesteld door de burgemeester op 1 juni 2026
De burgemeester voornoemd,
drs. A.R.B. van den Tillaar
ALGEMENE TOELICHTING
Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen omkleed. In Vlissingen is het cameratoezicht geregeld in artikel 2:68 van de algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013.
Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn.
Doel van het cameratoezicht
Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht mag leiden tot bijvangst voor de opsporing van strafbare feiten. Ook biedt artikel 151c, zevende lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid.
Openbare plaats
De invulling van het begrip openbare plaats uit artikel 151c Gemeentewet is ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op grond van die wet omvat het begrip openbare plaats, zeer in het algemeen, de plaatsen “waar men komt en gaat”. In eerste instantie gaat het hierbij om “de straat” of “de weg” in de ruime zin des woords, ofwel de wegen die voor eenieder vrij toegankelijk zijn. Maar het begrip omvat nog een aantal andere plaatsen die een met de weg vergelijkbare functie vervullen en daarom als het “verlengde” van de weg kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan als voorbeelden vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor eenieder vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen en vliegvelden.
Artikel 2 Wom bevat twee criteria om vast te stellen of er sprake is van een openbare plaats:
1. Vereist is dat de plaats “openstaat voor het publiek”. Dat wil zeggen volgens de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16) zeggen dat eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (…). Dat de plaats “openstaat” betekent voorts dat geen beletselen in de vorm van een meldingsplicht, de eis van een voorafgaand verlof of de heffing van een toegangsprijs gelden voor het betreden van de plaats. Op grond van het vorenstaande kunnen bijvoorbeeld stadions, postkantoren, gemeentehuizen, parkeerterreinen, musea, warenhuizen, ziekenhuizen en kerken niet als “openbare plaatsen” worden aangemerkt.
2. Het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op vast gebruik. Deze bestemming kan blijken uit een besluit van de gerechtigde of uit de bedoeling die spreekt uit de inrichting van de plaats. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). Een incidentele openstelling van een plaats door de rechthebbende maakt de plaats nog niet tot een openbare plaats in de zin van de Wom.
In de Wom zijn kerken en andere gebouwen, die door de rechthebbende zijn bestemd voor de belijdenis van een geloofsovertuiging, uitgesloten van het begrip openbare plaats. Dit betekent dat het ook krachtens artikel 151c Gemeentewet niet is toegestaan toezichtcamera’s te plaatsen in kerken, moskeeën en dergelijke. Evenmin is het toegestaan om, in het kader van dit artikel, toezichtcamera’s te richten op de ingang van dergelijke gebouwen. Indien echter beelden worden gemaakt van een openbare plaats (een straat of plein) waaraan bijvoorbeeld een kerk is gelegen, is het wel toegestaan dat het exterieur van die kerk in beeld komt.
Particulier eigendom
Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden hiervan zijn de vrijelijk voor publiek toegankelijke gedeelten van stationsterreinen, stationshallen en sommige winkelpassages. De onderhavige regeling geldt indien gemeenten in het desbetreffende gebied cameratoezicht willen toepassen in het belang van de handhaving van de openbare orde.
Gemeenten kunnen bij openbare plaatsen die in particulier eigendom zijn, zoals bedrijfsterreinen, voor de handhaving van de openbare orde gebruik maken van particuliere camera’s en/of het cameratoezicht samen met particulieren uitvoeren. Deze samenwerking moet dan wel voldoen aan de voorwaarden uit artikel 151c Gemeentewet.
Vaste camera’s
Artikel 151c, eerste lid, Gemeentewet heeft betrekking op het langdurig plaatsen van vaste camera’s op openbare plaatsen voor de handhaving van de openbare orde. Met het begrip vast (statisch) wordt bedoeld dat de camera’s nagelvast zijn bevestigd. Dit bevestigen gebeurt veelal door montage aan de gevels of dakranden van gebouwen of op daarvoor geplaatste palen. Met het begrip vast (statisch) wordt niet bedoeld dat camera’s een vast ingekaderd beeld weergegeven. Het gebruik van de camera’s kan dynamisch zijn, dat wil zeggen dat de observatiehoek en de grote van de observatiehoek op afstand kan worden ingesteld (pendelen/in- en uitzoomen). Evenmin is er een beperking voor interactieve toepassingen, zoals het gebruik van noodknoppen en de mogelijkheid om vanuit de centrale burgers op hun gedrag toe te spreken.
De wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld. Uitsluitend op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden besloten tot langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de openbare orde en veiligheid dan het hiervoor bedoelde statische en langdurige gebruik, wordt door de regeling onverlet gelaten. Hierbij moet men met name denken aan kortstondig en/of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige ordeverstoringen. In die gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding bestaat, kan de bevoegdheid tot cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van de Politiewet 1993.
Proportionaliteit en subsidiariteit
Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl