Mandaat- en machtigingsbesluit jeugdhulp

Geldend van 11-06-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 27-03-2024

Intitulé

Mandaat- en machtigingsbesluit jeugdhulp

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

gelet op artikel 160 van de Gemeentewet, 2.11 Jeugdwet, afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.3 en 3.5 van de Verordening Jeugdhulp Amsterdam;

besluit de volgende regeling vast te stellen:

Mandaat- en machtigingsbesluit jeugdhulp

Artikel 1 Mandaat en machtiging aan het bestuur

  • 1. Mandaat respectievelijk machtiging wordt verleend aan:

    Het bestuur van de Stichting Ouder- en Kindteams Amsterdam en diens rechtsvoorganger ten aanzien van de volgende bevoegdheden:

    • a)

      het doen van onderzoek naar aanleiding van een aanvraag tot verlening van jeugdhulp met hulpvraag en bijbehorende afstemming met andere betrokkenen in het veld;

    • b)

      het treffen van jeugdhulp voorzieningen en toeleiding naar een voorziening als geen ander wettelijk regime van toepassing is op de hulp die een jeugdige nodig heeft;

    • c)

      het nemen van besluiten over de toekenning, herziening en intrekking van voorzieningen, met uitzondering van besluiten die middels een persoonsgebonden budget worden gefinancierd;

    • d)

      het doen van een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming;

  • 2. De bevoegdheid om besluiten te nemen, impliceert de bevoegdheid tot ondertekening namens het college.

Artikel 2 Ondermandaat en -machtiging

Door het bestuur wordt aan personen met onderstaande functieprofielen binnen de stichting ondermandaat en -machtiging verleend voor het nemen van beslissingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a tot en met d, van dit mandaatbesluit:

  • a.

    ouder- en kindadviseur (registratie SKJ);

  • b.

    pgb specialist (registratie SKJ);

  • c.

    gz-psycholoog (BIG/SKJ);

  • d.

    orthopedagoog-generalist (NVO/SKJ);

  • e.

    kinder- en jeugdpsycholoog NIP (SKJ).

Artikel 3 Informatieplicht

  • 1. De (onder)gemandateerde verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die betrekking hebben op de uitoefening van het bij het besluit verleende mandaat.

  • 2. In voorkomende gevallen informeren de (onder)gemandateerde het college tijdig over: het nemen van beslissingen van principieel juridische aard, beleidsmatig principiële aard, of politiek- of bestuurlijk-gevoelige aard en tevens over het nemen van beslissingen met risico’s van financiële aard, zoals een mogelijk kostenverhaal op basis van onrechtmatige daad of anderszins.

Artikel 4 Instructies

  • 1. Het bestuursorgaan kan de gemandateerde algemene instructies en instructies per geval geven omtrent de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid.

  • 2. Indien sprake is van ondermandatering, is de gemandateerde gehouden deze instructies onverwijld aan de betreffende ondergemandateerden door te geven, onverminderd de bevoegdheid van het bestuursorgaan dit zelf te doen.

  • 3. Voor zover de algemene instructies niet in dit besluit zijn opgenomen, worden deze op schrift gesteld in een afzonderlijke mandaatinstructie.

Artikel 5 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 27 maart 2024.

Artikel 6 Citeerwijze

Deze regeling wordt aangehaald als Mandaat- en machtigingsbesluit jeugdhulp.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 2 juni 2026.

De burgemeester

Femke Halsema

De gemeentesecretaris

Catrien Lenstra

Ondertekening voor gezien en akkoord:

Stichting Ouder- en Kindteams Amsterdam, statutair gevestigd te Amsterdam, ingeschreven in de Kamer van Koophandel onder nummer 72996862, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door Anneke Buys, het bestuur,

Toelichting

Algemeen deel

Met dit mandaatbesluit verleent het college mandaat aan het bestuur van de Stichting Ouder- en Kindteams Amsterdam. Dat is nodig voor de uitvoering van een deskundige toeleiding naar hulp.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Dit artikel bevat een opsomming van bevoegdheden die worden gemandateerd aan het bestuur van de stichting en bepaalt tevens de reikwijdte. Het eerste lid geeft aan dat voor de bepalingen van dit besluit mandaat gelijk wordt gesteld met machtiging. Bij mandaatverlening gaat het om de bevoegdheid om een bestuursorgaan te mogen vertegenwoordigen. Een bestuursorgaan kan zowel een algemeen mandaat als een mandaat voor een specifiek geval verlenen (art. 10:5 Awb). Onderhavig mandaatbesluit ziet op een algemeen mandaat. Een algemeen mandaat moet altijd schriftelijk worden verleend. In casu gaat het om mandaatverlening aan een niet-ondergeschikte. Bij mandatering aan niet-ondergeschikten is instemming vereist van de mandaatontvanger en degene onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt, tenzij bij wet in mandatering is voorzien (deze instemming kan ook blijken uit de feitelijke uitoefening van het mandaat).

Artikel 2

Omdat uit de wet volgt dat het college ten behoeve van de toeleidingstaak zorg draagt voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid met betrekking tot o.a. opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd, somatische aandoeningen en lichamelijke of verstandelijke beperkingen. De norm van verantwoorde werktoedeling is ook van toepassing in het toeleidingsproces. In dit artikel is daarom opgenomen dat het bestuur de bevoegdheden ondermandateert aan personen werkzaam voor de stichting in de genoemde functieprofielen.

Artikel 3 en 4

Gemandateerden verstrekken desgevraagd alle inlichtingen die betrekking hebben op de uitoefening van het bij het mandaatsbesluit verleende mandaat.

In voorkomende gevallen informeert de (onder)gemandateerde het college tijdig over het nemen van beslissingen van principieel juridische aard, beleidsmatig principiële aard en/of politiek- of bestuurlijk-gevoelige aard. Tevens stelt hij het college in de gelegenheid hem aanwijzingen te geven. Zo nodig treedt de (onder)gemandateerde in overleg met de wethouder. Hieraan voorafgaand stemt de (onder)gemandateerde ambtelijk af. Het bevoegd gezag kan in deze gevallen in lijn met artikelen 10:6 en 10:7 van de Awb de aanvraag zelf afhandelen, of een bijzonder mandaat aan het bestuur verlenen voor verdere behandeling van de zaak onder voorwaarde van naleving van de voor de afhandeling door de het bevoegd gezag gegeven instructies. Afhandeling van deze gevallen geschiedt bij voorkeur door het bestuur, niet door het bevoegd gezag zelf.

Artikel 5

Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 27 maart 2024 en bestrijkt derhalve een periode waarin de Verordening op de zorg voor de jeugd Amsterdam 2021 nog van kracht was.