Beleidsregels Begrotingssubsidies gemeente Leiden

Geldend van 10-06-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Begrotingssubsidies gemeente Leiden

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden;

gelet op

  • -

    artikel 4:23, derde lid, onder c en artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    artikel 2 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Leiden 2026 en daaropvolgende wijzigingen,

overwegende dat

  • -

    het wenselijk is beleidsregels vast te stellen over de verstrekking van subsidies vanuit artikel 4:23, derde lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit vast te stellen:

‘Beleidsregels Begrotingssubsidies gemeente Leiden’

Artikel 1 Reikwijdte

  • 1. Deze beleidsregels zijn van toepassing op subsidies die worden verstrekt vanuit artikel 4:23, derde lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Criteria

  • 1. Het college kan uitsluitend een subsidie verlenen of direct vaststellen als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie;

  • 2. Er is sprake van één serieuze gegadigde voor de subsidie als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan één of meer van de volgende criteria:

    • a.

      de te subsidiëren activiteit behoort tot de wettelijke taak van de gegadigde;

    • b.

      uitvoering van de te subsidiëren activiteit is uitsluitend mogelijk met gebruik van een goed dat eigendom is van de gegadigde of waarover de gegadigde zeggenschap heeft;

    • c.

      het is aannemelijk dat de uitvoering van de te subsidiëren activiteit uitsluitend door de gegadigde kan plaatsvinden, omdat deze als enige beschikt over:

      • i.

        de benodigde financiële bekwaamheden en draagkracht;

      • ii.

        specialistische kennis of een unieke methodiek;

      • iii.

        de vereiste certificaten, keurmerken of andere kwaliteitsverklaringen;

      • iv.

        de noodzakelijke vergunning(en);

      • v.

        de noodzakelijke contractuele betrekkingen; of

      • vi.

        de noodzakelijke governance-structuur;

    • d.

      uit een marktverkenning is gebleken dat er maar één serieuze gegadigde is;

    • e.

      in het kader van de specifieke uitkering door een ander overheidsorgaan reeds is bepaald wie de subsidieontvanger is;

    • f.

      uitvoering van de te subsidiëren activiteit is in overwegende mate afhankelijk van:

      • i.

        de unieke geografische positie van de gegadigde;

      • ii.

        de bijzondere binding die de gegadigde heeft met de doelgroep of gebied/regio of de stad Leiden;

      • iii.

        een bestaand netwerk, samenwerkingsrelatie of langdurig partnerschap;

    • g.

      subsidiëring aan een andere gegadigde leidt tot ondoelmatige versnippering van het aanbod in de stad Leiden of gebied/regio;

    • h.

      subsidiëring aan een andere gegadigde draagt niet of in mindere mate bij aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen.

  • 3. Het college kan ook op grond van of tezamen met andere dan de in het tweede lid genoemde criteria tot het oordeel komen dat bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat sprake is van slechts één gegadigde voor de subsidie, voor zover die criteria objectief, toetsbaar en redelijk zijn.

Artikel 3 Voornemen

  • 1. Ten minste acht weken voorafgaand aan het besluit waarbij de subsidie wordt verleend of direct wordt vastgesteld, wordt een voornemen daartoe bekendgemaakt.

  • 2. Het voornemen vermeldt ten minste:

    • a.

      de naam van de beoogde subsidieontvanger;

    • b.

      het subsidiebedrag;

    • c.

      de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt;

    • d.

      een motivering aan de hand van de criteria genoemd in artikel 2, tweede en derde lid, waaruit blijkt waarom de beoogde subsidieontvanger de enige serieuze gegadigde is.

Artikel 4 Bekendmaking voornemen en zienswijzeprocedure

  • 1. Het voornemen wordt bekendgemaakt in het Gemeenteblad en/of ander publicatieplatform.

  • 2. Bij de bekendmaking van het voornemen wordt vermeld op welke wijze en binnen welke termijn belanghebbenden een zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 3. Belanghebbenden zijn andere potentiële gegadigden die zich in hetzelfde marktsegment begeven en in hetzelfde verzorgingsgebied opereren.

  • 4. Een zienswijze wordt alleen in behandeling genomen als:

    • a.

      de andere potentiële gegadigde zelf aanspraak maakt op de subsidie;

    • b.

      de zienswijze schriftelijk gebeurt;

    • c.

      de zienswijze binnen het daarvoor aangewezen tijdvak gebeurt;

    • d.

      de zienswijze is ondertekend;

    • e.

      duidelijk is omschreven op welk voorgenomen besluit en op welke subsidieontvanger de zienswijze ziet;

    • f.

      de zienswijze is voorzien van een onderbouwing die is gemotiveerd aan de hand van de Beleidsregels Begrotingssubsidies gemeente Leiden.

  • 5. Als op de voorgenomen subsidieverlening geen zienswijze is ingediend overeenkomstig leden 3 en 4, dan kan de begrotingssubsidie worden verleend.

  • 6. Als op de voorgenomen subsidieverlening wel een zienswijze is ingediend overeenkomstig leden 3 en 4, dan beoordeelt het college de zienswijze en weegt zij de belangen af bij het nemen van haar definitieve besluit over de begrotingssubsidie. In dat proces mag zij de subsidieaanvrager van het voornemen waar de zienswijze op ziet om reactie vragen.

  • 7. Het college informeert de indiener van de zienswijze over de afdoening van de zienswijze.

Artikel 5 Afwijkingsbevoegdheid

Het college laat artikelen 2, 3 en 4 buiten toepassing indien dat noodzakelijk is gelet op het bieden van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51 Awb.

Artikel 6 Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2. Deze beleidsregels zijn voor het eerst van toepassing op subsidies voor activiteiten die in het jaar 2027 plaatsvinden.

  • 3. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels begrotingssubsidies gemeente Leiden.

Ondertekening

Artikelsgewijze toelichting

Algemeen

Met deze beleidsregels wordt uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3399). In die uitspraak is bepaald dat bij verstrekking van (schaarse) begrotingssubsidies in beginsel mededingingsruimte wordt geboden. Als vanuit objectieve, toetsbare en redelijke criteria bij voorbaat vaststaat dat slechts één serieuze gegadigde voor de subsidie in aanmerking komt, kan van mededinging worden afgezien, als het voornemen daartoe minimaal acht weken vooraf openbaar wordt gemaakt en de keuze voor de subsidieontvanger daarin deugdelijk wordt gemotiveerd. Op die wijze hebben belanghebbenden bij de subsidieverstrekking de mogelijkheid het voornemen te betwisten dat er één serieuze gegadigde is of te betwisten dat de gestelde criteria aan de daaraan te stellen eisen voldoen.

Artikel 1

De beleidsregels gelden alleen voor subsidies van artikel 23, derde lid, onder c van de Awb, ook wel genoemd ‘begrotingssubsidies’.

Artikel 2

Uit het eerste lid volgt dat een begrotingssubsidie kan worden verstrekt als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat slechts één gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie. In het tweede lid staan redelijke, objectieve en toetsbare criteria op basis waarvan het college tot dat oordeel kan komen.

Voor de benodigde financiële bekwaamheden en draagkracht (tweede lid, onder c, onder i) kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin er maar één gegadigde is die beschikt over de capaciteiten om de subsidiemiddelen op een verantwoorde manier te beheren en op behoorlijke wijze rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van subsidiegelden. Ook kan worden gedacht aan de situatie dat er naast de enige serieuze gegadigde een andere gegadigde is, maar deze verkeert in staat van faillissement of surseance van betaling.

Bij de noodzakelijke governance-structuur (tweede lid, onder c, onder vi) kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de inbedding van een organisatie in een geheel van instellingen die noodzakelijk wordt geacht voor het uitvoeren van een onderzoek op basis van bureau- of veldonderzoek, bijvoorbeeld gesprekken met mogelijk geïnteresseerden.

Uit het derde lid volgt dat het college ook op grond van andere dan de in het tweede lid genoemde criteria tot het oordeel komen dat er maar één serieuze gegadigde is voor de subsidie. Ook die criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Het college kan dit andere criterium of deze andere criteria hanteren in plaats van of tezamen met één of meer criteria in het tweede lid.

Artikel 5

Het kan voorkomen dat een bestaande begrotingssubsidie wordt beëindigd, omdat niet wordt voldaan aan deze beleidsregels. Voor zover op grond van artikel 4:51 Awb een redelijke termijn voor de beëindiging van de subsidie moet plaatsvinden, kan de subsidie nog (tijdelijk) worden verstrekt zonder dat toepassing wordt gegeven aan artikelen 2, 3 en 4.