Verzamelbeleidsregels Participatiewet in Balans fase 1 gemeente Best 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 09-06-2026 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verzamelbeleidsregels Participatiewet in Balans fase 1 gemeente Best 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best,

gelet op:

artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s,

41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en

16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

overwegende dat:

de Participatiewet gemeenten ruimte biedt om bij de uitvoering maatwerk te leveren en onbedoelde hardheden te voorkomen, en dat het programma Participatiewet in Balans tot doel heeft deze ruimte beter te benutten door te werken vanuit vertrouwen, eenvoud en proportionaliteit, zodat inwoners op een mensgerichte en evenwichtige wijze worden ondersteund;

B E S L U I T

vast te stellen de Verzamelbeleidsregels Participatiewet in Balans fase 1 gemeente Best 2026.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    College: het college van burgemeester en wethouders;

  • b.

    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • c.

    Probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;

  • d.

    Schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • e.

    Wet: Participatiewet;

  • f.

    Voedselbankbijdragen: giften verstrekt door erkende voedselbanken, doorgaans in natura en in uitzonderlijke gevallen in geld;

  • g.

    Bijdragen van erkende maatschappelijke organisaties: financiële of materiële ondersteuning (zoals van Stichting Leergeld) die rechtstreeks worden verstrekt aan derden, zoals sportclubs, culturele instellingen of aanbieders van educatieve of maatschappelijke activiteiten, en die niet vrij besteedbaar zijn voor de belanghebbende.

HOOFDSTUK 2. BELEIDSKEUZES

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord. Deze opsomming creëert geen recht op (bijzondere) bijstand, maar bepaalt uitsluitend wanneer giften niet als middel in aanmerking worden genomen:

  • a.

    Giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

  • b.

    Giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

  • c.

    Giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;

  • d.

    Giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet;

  • e.

    Giften die worden verstrekt met een specifiek en aantoonbaar doel, gericht op maatschappelijke participatie, scholing of arbeidsinschakeling, voor zover deze niet leiden tot structurele verbetering van de financiële positie.

Artikel 3. Vermogenstoets

  • 1. Het vermogen wordt vastgesteld conform artikel 34 van de Wet, inclusief de uitzonderingen zoals genoemd in dat artikel, met inachtneming van de vermogensgrenzen en vrijlatingen zoals bepaald in de wet en deze beleidsregels.

  • 2. Het actuele vermogen op het moment van beoordeling is bepalend. Er wordt geen staffelmethode of vermogensaanwasruimte toegepast.

  • 3. Bij heronderzoeken kan het college financiële problematiek signaleren en verwijst het college, indien nodig, naar schuldhulpverlening.

  • 4. Indien sprake is van een gift, beoordeelt het college of deze:

    • a.

      als inkomen wordt aangemerkt, indien de gift strekt tot levensonderhoud; of

    • b.

      het vermogen verhoogt, nadat de wettelijk geldende vrijlatingsgrens is toegepast.

    Een gift wordt uitsluitend tot het vermogen gerekend voor zover deze niet als inkomen is aangemerkt en de vrijlatingsruimte voor giften is overschreden. Het college houdt daarbij rekening met de aard, het doel en het incidentele karakter van de gift, en beoordeelt of de gift redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden.

  • 5. Voedselbankbijdragen worden niet meegenomen bij de beoordeling van inkomen, gift of vermogen.

  • 6. Bijdragen van erkende maatschappelijke organisaties worden niet meegenomen bij de beoordeling van inkomen, gift of vermogen.

Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer:

    • a.

      dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en

    • c.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:

      • 1)

        werkaanvaarding;

      • 2)

        een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet;

      • 3)

        een verblijf buiten de gemeente; of

      • 4)

        een tijdelijk verblijf in een instelling, opvangvoorziening of detentie.

  • 2. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3. Het college maakt geen gebruik van de vereenvoudigde aanvraagprocedure indien het gebruik van beschikbare gegevens niet leidt tot een zorgvuldige vaststelling van het recht op bijstand.

  • 4. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de IOAW.

  • 5. Bij toepassing van de vereenvoudigde aanvraagprocedure vergewist het college zich ervan dat de gebruikte gegevens juist en actueel zijn. Daarbij:

    • a.

      gaat het college na of zich wijzigingen hebben voorgedaan als bedoeld in het tweede lid, onder meer door raadpleging van de belanghebbende; en

    • b.

      verifieert het college, voor zover noodzakelijk en proportioneel, de relevante gegevens aan de hand van beschikbare registraties of aanvullende informatie.

Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1. Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen vóór de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet, indien:

    • A.

      Er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

      • a.

        De belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

      • b.

        De belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

      • c.

        Een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

      • d.

        Een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;

      • e.

        De belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

      • f.

        De belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen;

      • g.

        De belanghebbende door taalbelemmeringen, beperkte digitale vaardigheden of laaggeletterdheid niet in staat was zich tijdig te melden;

      • h.

        De belanghebbende door psychische problematiek of andere zwaarwegende persoonlijke omstandigheden niet in staat was zich tijdig te melden;

    • B.

      Er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen heeft voor de belanghebbende als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

      • a.

        De belanghebbende heeft probleemschulden;

      • b.

        Na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is de belanghebbende failliet verklaard;

      • c.

        Na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of zijn gas, licht of water afgesloten.

  • 2. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering als bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW.

Artikel 6. Vrijlating van compensatie vanuit de toeslagenaffaire

  • 1. Compensatiebetalingen aan bijstandsgerechtigden op grond van artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen, evenals aanvullende compensatiebetalingen of tegemoetkomingen verstrekt door het college in het kader van de brede ondersteuning voor gedupeerden, worden niet aangemerkt als inkomen, gift of vermogen bij de beoordeling van het recht op uitkering.

  • 2. Deze vrijlating geldt ongeacht de omvang van de compensatie.

Artikel 7. Hardheidsclausule

  • 1. Het college kan in individuele gevallen afwijken van bepalingen in deze beleidsregels indien toepassing daarvan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, gelet op het doel en de strekking van de Participatiewet.

  • 2. Afwijking is alleen mogelijk indien dit noodzakelijk is om ernstige financiële of sociale gevolgen voor de belanghebbende te voorkomen en niet in strijd is met hogere wet- en regelgeving.

HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN

Artikel 8. Evaluatie

De evaluatie van deze beleidsregels vindt plaats na de vorming van de nieuwe gemeente Best Oirschot. Het tijdstip van evaluatie wordt door de nieuwe gemeente bepaald.

Artikel 9. Inwerkingtreding, overgangsrecht, intrekking en citeertitel

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot 1 januari 2026.

  • 2. Besluiten die zijn genomen vóór de datum van inwerkingtreding blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

  • 3. Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden ingetrokken:

    • -

      Beleidsregels giften Participatiewet gemeente Best 2021;

    • -

      Beleidsregels Bijzondere Bijstand gemeente Best 2020.

  • 4. Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Verzamelbeleidsregels Participatiewet in Balans fase 1 gemeente Best 2026’.

Ondertekening

M.J.D. Donders- de Leest

Burgemeester

Y.Y.M. Hasselman

Secretaris

Algemene toelichting

Aanleiding

Per 1 januari 2026 is fase 1 van de Participatiewet in Balans in werking getreden. De wetswijziging heeft tot doel de uitvoering van de Participatiewet beter in balans te brengen tussen bestaanszekerheid, participatie en handhaving. De wet geeft gemeenten op verschillende onderdelen meer ruimte voor maatwerk en een mensgerichte toepassing van de regels. Deze verzamelbeleidsregels geven invulling aan de nieuwe en verruimde bevoegdheden van het college.

Reikwijdte

Deze verzamelbeleidsregels zien uitsluitend op de onderdelen waarvoor per 1 januari 2026 beleidsruimte is ontstaan of verruimd. Het gaat onder meer om het vrijlaten van giften, de vereenvoudigde aanvraagprocedure en het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht. Voor onderwerpen die door de wetswijziging niet zijn geraakt, blijft het bestaande beleid van kracht.

Uitgangspunten

Bij het opstellen en toepassen van deze beleidsregels staan maatwerk, evenredigheid, rechtszekerheid en transparantie centraal. De beleidsregels maken inzichtelijk hoe het college de beschikbare beleidsruimte gebruikt binnen de kaders van de wet.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Definities

Dit artikel bevat de begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt. De definities zorgen voor duidelijkheid en een eenduidige uitleg bij de toepassing van de beleidsregels. De gekozen termen sluiten zoveel mogelijk aan bij de terminologie uit de Participatiewet en aanverwante wetgeving. Op deze manier wordt consistentie gewaarborgd en wordt voorkomen dat begrippen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd door inwoners en uitvoerders.

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Artikel 2 verduidelijkt in welke situaties giften niet worden meegenomen bij de beoordeling van het recht op bijstand. Daarbij maakt het college gebruik van de bevoegdheid in artikel 31, tweede lid, van de Participatiewet om giften vrij te laten wanneer dit verantwoord is uit het oogpunt van bijstandsverlening. Uitgangspunt is dat giften in beginsel een incidenteel karakter hebben, gericht zijn op een concreet en aantoonbaar doel, en niet leiden tot een structurele verbetering van de financiële positie.

Onderdeel c ziet op giften die worden ingezet voor het aflossen van probleemschulden die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de algemene bijstand. Van belang is dat het gaat om schulden die niet zijn ontstaan tijdens een periode van bijstandsverlening en die naar hun aard als probleemschulden kwalificeren.

Bij de beoordeling staat centraal of de gift concreet is gebruikt voor het aflossen van een probleemschuld en of het betrekken van deze gift als middel zou leiden tot onredelijke gevolgen voor de bijstandsverlening. Door geen vaste termijn te hanteren, blijft ruimte bestaan voor maatwerk en wordt voorkomen dat inwoners met aantoonbare probleemschulden onbedoeld worden uitgesloten.

Onderdeel e betreft giften die worden verstrekt met een specifiek en aantoonbaar doel, gericht op maatschappelijke participatie, scholing of arbeidsinschakeling. Deze bepaling is bedoeld om dergelijke giften mogelijk te maken, juist omdat zij kunnen bijdragen aan participatie en perspectief op werk. Met de toevoeging dat geen sprake mag zijn van een structurele verbetering van de financiële positie, wordt voorkomen dat giften feitelijk worden ingezet als structurele inkomensondersteuning. Een incidentele gift voor bijvoorbeeld een opleiding, cursus, rijbewijs of ander concreet traject gericht op participatie of arbeidsinschakeling kan daarom in beginsel voor vrijlating in aanmerking komen, mits deze niet wordt gebruikt ter aanvulling van het reguliere levensonderhoud over een langere periode.

De landelijke vrijlatingsgrens van € 1.200,- (grens 2026) geldt voor alle typen giften gezamenlijk, zowel geldelijke giften als giften in natura en bijdragen die leiden tot kostenbesparing.

Tot slot worden bijdragen van de voedselbank en materiële ondersteuning door erkende maatschappelijke organisaties geheel buiten beschouwing gelaten. Deze vormen van hulp richten zich op basisbehoeften of maatschappelijke participatie en behoren geen gevolgen te hebben voor het recht op bijstand.

Artikel 3. Vermogenstoets

Dit artikel verduidelijkt hoe het college artikel 34 van de Wet toepast bij de beoordeling van het vermogen. Uitgangspunt is dat wordt uitgegaan van het actuele vermogen op het moment van beoordeling. Er wordt geen gebruik gemaakt van staffels of vermogensaanwasruimte; dit zorgt voor eenvoud, rechtszekerheid en sluit aan bij de vereenvoudigingsdoelen van de Participatiewet in Balans.

Bij heronderzoek heeft het college aandacht voor signalen van financiële problematiek. Wanneer dat nodig is, wordt de belanghebbende verwezen naar schuldhulpverlening, zodat problemen vroegtijdig kunnen worden aangepakt.

Het artikel verduidelijkt ook de omgang met giften. Het college beoordeelt eerst of een gift als inkomen moet worden aangemerkt (bijvoorbeeld wanneer deze strekt tot levensonderhoud). Is dat niet het geval, dan kan een gift het vermogen verhogen, waarbij de wettelijke vrijlatingsgrenzen worden toegepast. Een gift wordt alleen tot het vermogen gerekend wanneer deze niet als inkomen geldt én de vrijlatingsruimte is overschreden.

Bij deze beoordeling kijkt het college ook naar de aard, het doel en het incidentele karakter van de gift, en naar de vraag of de gift redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden. Dit sluit aan bij vaste jurisprudentie en maakt een zorgvuldige en evenwichtige beoordeling in individuele gevallen mogelijk.

Tot slot worden voedselbankbijdragen en bijdragen van erkende maatschappelijke organisaties buiten beschouwing gelaten. Deze vormen van doelgerichte ondersteuning zijn niet bedoeld als financieel voordeel en mogen geen negatieve gevolgen hebben voor het recht op bijstand.

Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

Dit artikel bepaalt in welke situaties het college gebruikmaakt van de vereenvoudigde aanvraagprocedure. Het uitgangspunt is dat een nieuwe aanvraag minder belastend kan worden afgehandeld wanneer het college reeds beschikt over actuele gegevens uit een eerdere bijstandsverlening. Dit past bij de uitgangspunten van de Participatiewet in Balans, waarin eenvoud, vertrouwen en vermindering van administratieve lasten centraal staan.

Het college maakt van deze procedure gebruik wanneer een aanvraag wordt gedaan binnen zes maanden na beëindiging van een eerdere bijstandsverlening en de persoonlijke en financiële situatie naar verwachting beperkt is gewijzigd. Hoewel de Participatiewet ruimte biedt om gegevens over een langere periode te hergebruiken, is gekozen voor een termijn van zes maanden. Hiermee wordt geborgd dat de gebruikte gegevens voldoende actueel en betrouwbaar zijn voor een zorgvuldige beoordeling van het recht op bijstand.

Voordat gegevens worden hergebruikt, controleert het college altijd of er wijzigingen zijn in het hoofdverblijf, de gezinssituatie en het inkomen en vermogen, zodat het recht op bijstand zorgvuldig en rechtmatig kan worden vastgesteld.

Indien hergebruik van gegevens niet tot een zorgvuldige beoordeling kan leiden, wordt de reguliere aanvraagprocedure gevolgd. De vereenvoudigde aanvraagprocedure geldt zowel voor aanvragen op grond van de Participatiewet als voor aanvragen op grond van de IOAW, zodat een consistente en toegankelijke werkwijze wordt gehanteerd.

Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

Dit artikel verduidelijkt in welke situaties het college bijstand kan toekennen met terugwerkende kracht. Op grond van de Wet wordt bijstand normaal gesproken toegekend vanaf de dag van melding. In lijn met de Participatiewet in Balans kan het college hiervan afwijken wanneer dit, gelet op de individuele omstandigheden, redelijk is.

Terugwerkende kracht kan worden toegepast wanneer de belanghebbende zich niet eerder kon melden, of wanneer niet-toekenning over de voorafgaande periode zou leiden tot ernstige financiële of sociale gevolgen. De in het artikel opgenomen voorbeelden geven richting aan deze beoordeling; zij zijn niet limitatief. Het college weegt steeds alle omstandigheden van het geval en beoordeelt of terugwerkende kracht noodzakelijk en evenredig is.

Bij toepassing van dit artikel wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, met een wettelijke maximale terugwerkende kracht van drie maanden. Daarmee is de bevoegdheid helder begrensd, terwijl er ruimte blijft om in schrijnende of complexe situaties maatwerk te leveren.

Dezelfde beoordelingswijze geldt voor aanvragen op grond van de IOAW, zodat binnen het inkomensdomein een consistente en zorgvuldige werkwijze wordt gevolgd.

Artikel 6. Vrijlating van compensatie vanuit de toeslagenaffaire

Artikel 6 regelt dat compensatie in het kader van de hersteloperatie toeslagen volledig wordt vrijgelaten bij de beoordeling van het recht op bijstand. Deze bedragen worden dus niet als inkomen, gift of vermogen gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat financiële herstelmaatregelen voor gedupeerden niet alsnog leiden tot vermindering of beëindiging van bijstand.

De compensaties die worden verstrekt via de Wet hersteloperatie toeslagen en de aanvullende gemeentelijke ondersteuning hebben nadrukkelijk het doel om het geleden financiële en maatschappelijke nadeel te herstellen. Het is daarom niet passend dat deze bedragen invloed hebben op de bijstandsverlening. Door dit expliciet vast te leggen ontstaat duidelijkheid voor inwoners, voorkomt het onzekerheden in de uitvoering en wordt een uniforme toepassing gewaarborgd.

De vrijlating geldt ongeacht de hoogte van de compensatie en ook wanneer deze in meerdere delen of met terugwerkende kracht wordt uitbetaald. Op deze manier wordt voorkomen dat gedupeerden opnieuw in de problemen komen door een technische beoordeling binnen de Wet.

Artikel 7. Hardheidsclausule

Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in uitzonderlijke individuele situaties af te wijken van deze beleidsregels wanneer strikte toepassing zou leiden tot een onbillijke of onredelijke uitkomst. De hardheidsclausule is bedoeld als vangnet voor situaties waarin het beleid onvoldoende aansluit op de specifieke omstandigheden van de belanghebbende.

Afwijking is alleen mogelijk als dit noodzakelijk is om ernstige financiële of sociale gevolgen te voorkomen en mits dit niet in strijd is met hogere wet- en regelgeving. Het betreft een discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt toegepast en waarbij het college per geval een zorgvuldige belangenafweging maakt.

Artikel 8. Evaluatie

De evaluatie van deze beleidsregels vindt plaats nadat de nieuwe gemeente Best-Oirschot per 1 januari 2028 is gevormd. Vanaf dat moment ligt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Participatiewet en de bijbehorende beleidsruimte bij de nieuwe gemeente. Het is daarom aan de nieuwe gemeente om te bepalen op welk tijdstip een evaluatie van deze beleidsregels het meest passend en zinvol is.

Artikel 9. Inwerkingtreding, overgangsrecht, intrekking en citeertitel

Dit artikel bepaalt dat de beleidsregels in werking treden op de dag na bekendmaking en met terugwerkende kracht gelden vanaf 1 januari 2026. Hiermee wordt een duidelijke en eenduidige ingangsdatum geborgd en sluit de werking van de beleidsregels aan op het beoogde beleidsjaar.

Daarnaast is geregeld dat besluiten die zijn genomen vóór de datum van inwerkingtreding hun rechtskracht behouden totdat daarover opnieuw wordt beslist. Dit overgangsrecht voorkomt rechtsonzekerheid en waarborgt dat lopende besluiten niet automatisch worden beïnvloed door de nieuwe beleidsregels.

Verder is in dit artikel vastgelegd dat zowel de Beleidsregels giften Participatiewet gemeente Best 2021 als de Beleidsregels Bijzondere Bijstand gemeente Best 2020 worden ingetrokken. Door deze intrekkingen expliciet op te nemen, wordt voorkomen dat oudere regelingen onbedoeld naast de nieuwe verzamelbeleidsregels blijven bestaan. Daarmee wordt duidelijkheid gecreëerd voor zowel inwoners als de uitvoering en worden tegenstrijdige interpretaties of toepassing van verouderd beleid voorkomen. De nieuwe verzamelbeleidsregels vormen hiermee het actuele en volledige beleidskader voor de toepassing van de Participatiewet in Balans, fase 1.

Tot slot is in dit artikel de citeertitel opgenomen, zodat duidelijk is onder welke naam deze beleidsregels kunnen worden aangehaald.