Beleidsregels inkomen, giften en vermogen Land van Cuijk 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 09-06-2026 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels inkomen, giften en vermogen Land van Cuijk 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk,

gelet op de artikelen 31 tot en met 34 van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende dat het wenselijk is om regels vast stellen over hoe om te gaan met bepaalde middelen in de vorm van inkomen, giften en vermogen;

Besluit:

vast te stellen de beleidsregels inkomen, giften en vermogen Land van Cuijk 2026

Artikel 1. Begripsbepalingen

Alle begrippen die in deze regeling worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • a.

    de Wet: de PW, IOAW, IOAZ

  • b.

    Belanghebbende: degene die de uitkering ontvangt.

  • c.

    Probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;

  • d.

    Charitatieve instelling: een organisatie zonder winstoogmerk die zich inzet voor het algemeen belang door middel van het verlenen van hulp, steun of diensten, vaak gefinancierd uit donaties en giften.

  • e.

    Co-ouderschap: niet-samenwonende ouders die de verzorgingstaken voor hun kind ongeveer gelijk hebben verdeeld.

Artikel 2. Algemene bepalingen vaststelling vrijlating van inkomsten uit arbeid

  • 1. De inkomstenvrijlating is van toepassing op inkomsten uit arbeid die na de ingangsdatum van de uitkering zijn aangevangen.

  • 2. Indien een belanghebbende bij aanvang van de uitkering al inkomsten uit arbeid ontvangt, wordt de inkomstenvrijlating pas toegepast vanaf het moment waarop sprake is van een aantoonbare en structurele uitbreiding van de arbeidsduur met minimaal 5 uur per week.

  • 3. Inkomsten die voortvloeien uit illegale activiteiten en ook inkomsten uit arbeid waarvan geen, niet tijdig of onvolledige opgave is gedaan waardoor sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht en te veel uitkering is verstrekt, worden niet geacht bij te dragen aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende en komen daardoor niet in aanmerking voor inkomstenvrijlating.

Artikel 3. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval verantwoord zijn voor de bijstandsverlening, zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Participatiewet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

  • 1. giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand of een vergoeding op de grond van de WMO verstrekt had kunnen worden;

  • 2. giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

  • 3. giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;

  • 4. giften van werkgevers ten behoeve van werknemers worden niet in aanmerking genomen als middelen voor de bijstand voor zover en in zoverre deze onbelast zijn;

  • 5. giften van charitatieve instellingen;

  • 6. giften in de vorm van een voertuig tot een waarde van € 5.000,00.

Artikel 4. Schadevergoedingen

  • 1. De schadevergoeding die belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade.

  • 2. Het herstellen van de schade zoals bedoeld in lid 1 dient binnen zes maanden na ontvangst van de schadevergoeding te worden aangetoond.

  • 3. Schadevergoedingen die zijn bedoeld ter compensatie van verlies van arbeidsvermogen, worden aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft.

  • 4. Indien de schadevergoeding voor immateriële schade meer bedraagt dan de geldende vermogensgrens genoemd in artikel 34, lid 3 van de wet, moet een individuele afweging worden gemaakt welk bedrag buiten beschouwing wordt gelaten.

Artikel 5. Saldo van een lopende (spaar)rekening bij vermogensvaststelling

Bij de vermogensvaststelling wordt eenmalig het bedrag ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) vrijgelaten op het gezamenlijke saldo van alle lopende betaal- en spaarrekeningen.

Artikel 6. Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm

Bij een tussentijdse wijziging van de leefvorm wordt het vermogen opnieuw vastgesteld, waarbij de vermogensgrens van de nieuwe leefvorm van toepassing wordt. Bij een alleenstaande ouder die alleenstaand (omdat het kind 18 jaar wordt) wordt kan een deel van het vermogen worden overgedragen aan de niet meer ten laste komende kinderen waardoor het vermogen van de alleenstaande lager wordt.

Artikel 7. Vaststelling vermogen bij echtscheiding of verlating

Indien er sprake is van een echtscheiding of verlating met een boedelscheiding, wordt het vermogen voorlopig vastgesteld en na afronding van de boedelscheiding definitief vastgesteld.

Artikel 8. Vaststelling vermogen bij co-ouderschap

De vermogensgrens bij co-ouderschap is het gemiddelde van de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder en de vermogensgrens voor een alleenstaande.

Eventueel inkomen en vermogen van het ten laste komende kind worden voor de helft toegerekend aan belanghebbende.

Artikel 9. Vaststelling vermogen bij overname uitkeringsgerechtigde uit een andere gemeente

Bij overname van een belanghebbende uit een andere gemeente wordt het vermogen niet opnieuw vastgesteld. Mocht echter uit de ingeleverde bewijsstukken blijken dat hier aanleiding voor is dan kan hier alsnog van worden afgeweken.

Artikel 10. Waarde motorrijtuig bij vermogensvaststelling

  • 1. Een auto of motor wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd en niet als vermogen aangemerkt indien:

    • a.

      de dagwaarde niet hoger is dan € 5.000,00, of

    • b.

      de auto of motor ouder is dan achttien jaar.

  • 2. Indien een auto of motor ouder is dan achttien jaar maar toch (door zeldzaamheid of exclusiviteit) een hogere waarde heeft dan € 5.000,00, wordt deze als niet algemeen gebruikelijk beschouwd.

  • 3. Indien de auto of motor als niet algemeen gebruikelijk wordt beschouwd, wordt uitsluitend het deel van de waarde boven € 5.000,00 als vermogen aangemerkt.

  • 4. Indien belanghebbende beschikt, of redelijkerwijs kan beschikken, over meer dan één auto of motor, wordt de gezamenlijke waarde van deze voertuigen vastgesteld. De in lid 3 genoemde vrijlating geldt dan voor de totale waarde van alle voertuigen samen.

  • 5. Voor de vaststelling van de waarde van auto’s en motoren wordt uitgegaan van de dagwaarde volgens de ANWB-koerslijsten.

  • 6. Caravans, campers, vouwwagens, aanhangers, vaartuigen en veetrailers worden volledig als vermogen aangemerkt.

  • 7. Scooters, bromfietsen, snorfietsen en elektrische fietsen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd en niet als vermogen aangemerkt.

  • 8. Het college kan besluiten de (meer)waarde van een auto of motor buiten beschouwing te laten indien sprake is van medische beperkingen waardoor het voertuig noodzakelijk is en verkoop in redelijkheid niet kan worden verlangd.

Artikel 11. Reserveren uitvaartkosten bij vermogensvaststelling

  • 1. De waarde van een uitvaartverzekering of een termijndeposito dat alleen bij overlijden uitkeert, wordt niet als vermogen meegerekend (artikel 34 Pw), als:

    • a.

      de waarde niet hoger is dan redelijk, waarbij als richtlijn het gemiddelde bedrag aan uitvaartkosten volgens de Nibud Prijzengids geldt;

    • b.

      het tegoed pas na overlijden vrijkomt en tussentijds niet kan worden opgenomen;

    • c.

      de verzekering is afgesloten of verhoogd op een moment waarop niet te verwachten was dat bijstand nodig zou zijn.

  • 2. Geld dat belanghebbende spaart of reserveert, wordt altijd als vermogen meegeteld, ook wanneer het bedoeld is voor een specifiek doel zoals uitvaartkosten.

Artikel 12. Afwijking van de regeling

Het college kan in bijzondere gevallen, gelet op bijzondere omstandigheden afwijken van deze beleidsregels (hardheidsclausule, artikel 16 Participatiewet).

Artikel 13. Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregels wordt aangehaald als ‘Beleidsregels inkomen, giften en vermogen Land van Cuijk 2026’’.

  • 2. Deze beleidsregels treden een dag na bekendmaking in werking en werken terug tot en met 1 januari 2026.

  • 3. De ‘Beleidsregels middelentoets gemeente Land van Cuijk 2023’ worden ingetrokken per de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels.

  • 4. De ‘Beleidsregels giften Participatiewet Land van Cuijk 2022’ worden ingetrokken per de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 26 mei 2026.

Burgemeester en wethouders voornoemd,

Johan Postma

secretaris / algemeen directeur

Marieke Moorman

burgemeester

Toelichting beleidsregels middelentoets 2026

gemeente Land van Cuijk

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1. Begripsbepaling

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Artikel 2. Algemene bepalingen vaststelling vrijlating van inkomsten uit arbeid

Lid 1

Bij inkomsten uit arbeid beoordeelt het college automatisch of recht bestaat op een inkomstenvrijlating; hiervoor is geen aanvraag nodig.

De inkomstenvrijlating geldt alleen als het werk is gestart nadat de bijstandsuitkering is ingegaan en vanuit een situatie zonder werk. Heeft iemand al een parttimebaan voordat de bijstand ingaat, dan geldt de vrijlating niet. Daarom is bepaald dat de inkomstenvrijlating alleen van toepassing is wanneer vanuit de uitkering werk wordt aanvaard.

Lid 2

De inkomstenvrijlating geldt wel voor de belanghebbende die bij aanvang van de uitkering al parttime werkt en zijn werkzaamheden in de uitkeringsperiode aantoonbaar structureel uitbreidt met minimaal 5 uur per week. De vrijlating geldt dan voor de volledige inkomsten uit arbeid vanaf het moment dat de urenuitbreiding plaatsvindt.

Lid 3

Inkomsten uit illegale activiteiten komen niet in aanmerking voor vrijlating, omdat ze niet bijdragen aan arbeidsinschakeling. Hetzelfde geldt wanneer een belanghebbende geen, onjuiste of te late informatie verstrekt over zijn inkomsten, waardoor te veel uitkering is betaald. Of inkomsten uit arbeid bijdragen aan arbeidsinschakeling moet vooraf of bij aanvang van de werkzaamheden worden beoordeeld. Als achteraf blijkt dat de belanghebbende heeft verzwegen dat hij werkt, kan het college de vrijlating niet toepassen. Vanaf het moment dat de inkomsten bekend zijn bij het college, kan de inkomstenvrijlating wel worden toegepast.

Artikel 3. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Naast de vaste vrijlatingsregeling van € 1.200,00 kan het college bepalen wanneer het verantwoord is om giften niet mee te tellen bij de beoordeling van het recht op bijstand. In dit artikel staat beschreven in welke situaties het college giften in een individueel geval in ieder geval niet meeneemt.

Lid 1

Voorbeeld van giften waarvoor anders bijzondere bijstand of WMO verstrekt had kunnen worden zijn duurzame gebruiksgoederen, zoals een koelkast of wasmachine of rolstoel of aangepaste fiets.

Lid 2

Voorbeelden van giften voor medisch noodzakelijke kosten zijn ziekenhuiskosten, medicijnkosten of bepaalde tandartskosten.

Lid 3

Het begrip ‘probleemschulden’ wordt toegelicht in artikel 1. Het gaat om schulden die naar oordeel van het college redelijkerwijs niet meer afgelost kunnen worden. Daarnaast moeten de schulden ontstaan zijn voorafgaand aan de ingangsdatum van de bijstand.

Lid 4

Voorbeelden van ‘onbelaste’ giften van werkgevers voor werknemers zijn een kerstpakket, een cadeaubon of een andere kleine presentatie als blijk van waardering.

Lid 5

Giften van charitatieve instellingen worden niet gezien als middel. Hierbij valt te denken aan een gift van de voedselbank, kledingbank of speelgoedbank.

Lid 6

Als belanghebbende een voertuig cadeau krijgt wordt deze tot een waarde van € 5.000,00 vrijgelaten.

Artikel 4. Schadevergoedingen

Lid 1

Belanghebbende is verantwoordelijk voor het aanleveren van stukken waaruit de grondslag van de schadevergoeding blijkt, zoals een besluit van een verzekeraar of rechter. De bewijslast ligt bij de belanghebbende, die de schade aannemelijk moet maken.

Lid 2

Indien een belanghebbende een schadevergoeding voor materiële schade ontvangt, wordt beoordeeld of deze is aangewend voor het herstel van de schade. Het deel van de vergoeding dat hier niet (volledig) voor is gebruikt, wordt als vermogen aangemerkt. Daarbij wordt rekening gehouden met aantoonbare toekomstige kosten die nog uit de schade voortvloeien; voor dat deel wordt de vergoeding niet als vermogen beschouwd.

Lid 3

Bij tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid kan sprake zijn van inkomensverlies door het wegvallen van arbeid. Een vergoeding voor loonderving is bedoeld ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en wordt binnen de bijstand daarom als inkomen aangemerkt.

Lid 4

Een schadevergoeding voor immateriële schade wordt toegekend bij ernstige situaties en is bedoeld als compensatie voor geleden schade, zonder direct het recht op bijstand te beïnvloeden. Deze vergoeding wordt daarom niet volledig als vermogen aangemerkt. Er dient per situatie beoordeelt te worden in welk bedrag als vermogen wordt aangemerkt. Daar spelen de oorzaak van de schade (letsel of iets anders), de leeftijd en levensverwachting, de spreiding van het bedrag en het toekomstperspectief in ieder geval een rol in. De feitelijke besteding of aanwending van het bedrag en een vergelijking met andere personen met soortgelijk leed maar zonder vergoeding wordt uitdrukkelijk niet mee gewogen bij de beoordeling voor aanmerking van het vermogen. Belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van bewijsstukken om een goede beoordeling te kunnen maken.

Artikel 5. Saldo van een lopende (spaar)rekening bij vermogensvaststelling

De saldi van lopende en spaarrekeningen van de belanghebbende, diens eventuele echtgenoot/partner en minderjarige kinderen behoren tot het vermogen. Bij het toekennen van de uitkering wordt er rekening gehouden met vaste lasten en recente toevallige bijschrijvingen, zoals kinderbijslag, worden niet direct op het vermogen in mindering gebracht.

Bij de start van de uitkering wordt daarom een vrijlating toegepast op het totale banksaldo (inclusief spaarrekeningen) ter hoogte van één keer de toepasselijke norm per maand, inclusief vakantiegeld. Als het saldo hierdoor negatief zou worden, wordt het vastgesteld op € 0. Eventuele negatieve saldi die al bestonden, blijven gehandhaafd.

Artikel 6. Vaststelling vermogen bij wijziging leefvorm

Een verandering in de leefvorm kan ook gevolgen hebben voor de vermogensgrens. De wet geeft echter niet precies aan hoe in zo’n situatie het vermogen en de vermogensgrens moeten worden vastgesteld. Daarom wordt bij een verandering van leefvorm altijd een nieuwe vermogensvaststelling gedaan, waarbij de vermogensgrens van de nieuwe leefvorm geldt. Daarbij wordt voorkomen dat er onredelijke situaties ontstaan. Het uitgangspunt is dat wat eenmaal is vrijgelaten, vrijgelaten blijft zolang de bijstand doorloopt.

Voorbeeld 1

Bij alleenstaande ouders die alleenstaanden worden, is het onder omstandigheden aanvaardbaar dat een deel van het vermogen wordt overgedragen aan de (niet meer ten laste komende) kinderen. Hierdoor wordt het vermogen van de alleenstaande belanghebbende lager.

Van deze mogelijkheid kan alleen gebruik worden gemaakt indien bij de oorspronkelijke vermogensvaststelling rekening is gehouden met vermogensbestanddelen van (het) ten laste komende kind(eren).

Wanneer kinderen de leeftijd van 18 jaar bereiken, behoren zij niet langer tot het gezin in de zin van de wet. Het is niet meer dan redelijk om bij de vermogensvaststelling van de ouder niet langer rekening te houden met de vermogensbestanddelen van het kind. Als het eerder vastgestelde vermogen van de ouder hoger is dan het grensbedrag voor een alleenstaande, dan wordt geen verplichte intering van vermogen opgelegd. Er is immers geen sprake van een feitelijke vermogenstoename op dat moment: eens vrijgelaten, blijft vrijgelaten.

Voorbeeld 2

Indien een van de partners (of beiden) al een bijstandsuitkering ontving, wordt de daarbij behorende vermogensvaststelling gehandhaafd. Indien dit leidt tot overschrijding van de vermogensgrens voor gehuwden wordt de resterende vermogensvrijlating op nihil gesteld, maar zijn er geen verdere gevolgen voor het recht op bijstand (eens vrijgelaten blijft vrijgelaten).

Artikel 7. Vermogensvaststelling bij echtscheiding of verlating

Soms kan het vermogen niet direct definitief worden vastgesteld, bijvoorbeeld bij echtscheiding of vertrek uit een huishouden. In die gevallen wordt een voorlopige vaststelling gedaan op basis van de beschikbare gegevens, en het daadwerkelijke vermogen wordt vastgesteld zodra de boedelscheiding is afgerond. In de beschikking staat dat het vermogen na de scheiding definitief wordt vastgesteld en dat een eventuele overschrijding van de vermogensgrens kan leiden tot terugvordering van te veel verleende bijstand. Onder de Participatiewet in Balans hoeft alleen te worden gecontroleerd of het vermogen onder de grens blijft. Als uit de aanvraag al blijkt dat de grens niet wordt overschreden, kan dit worden gemotiveerd in het rapport en is heronderzoek niet nodig.

Artikel 8. Vaststelling vermogen bij co-ouderschap

Ouders die niet samenwonen, kunnen kiezen voor co-ouderschap als ze hun kind(eren) gezamenlijk blijven opvoeden. Dit moet door de rechter zijn vastgesteld of vastgelegd in duidelijke schriftelijke afspraken die beide ouders naleven. Van co-ouderschap is sprake als beide ouders structureel en regelmatig de zorg dragen, minimaal drie etmalen per week. De feitelijke verblijfs- en zorgsituatie telt, niet wie de kinderbijslag ontvangt. Kortdurende of incidentele verblijven, zoals tijdens vakanties, gelden niet als co-ouderschap. Verblijft het kind of de kinderen minder dan drie dagen per week bij één van de ouders, dan wordt dit gezien als een gebruikelijke omgangsregeling en niet als co-ouderschap.

Artikel 9. Vaststelling vermogen bij overname uitkeringsgerechtigde uit een andere gemeente

Indien belanghebbenden in de vorige gemeente een bijstandsuitkering genoot, kan er vanuit gegaan worden dat het vermogen lager is dan het vrij te laten vermogen. Mocht uit de ingeleverde bewijstukken (bijvoorbeeld bankafschriften) bijzonderheden naar voren komen die aanleiding geven tot verder onderzoek, dan kan alsnog besloten worden om het vermogen opnieuw vast te stellen.

Artikel 10. Waarde motorrijtuig bij vermogensvaststelling

Lid 1

Het college gebruikt haar bevoegdheid om auto’s en motoren met een dagwaarde van maximaal € 5.000 of een ouderdom van meer dan 18 jaar buiten de vermogenstoets te houden. Voor voertuigen jonger dan 18 jaar kan de waarde eenvoudig worden vastgesteld aan de hand van de ANWB-koerslijst.

Lid 2

Auto’s en motoren van 18 jaar of ouder worden, tenzij sprake is van een zeldzaam of exclusief model, geacht een waarde te hebben van maximaal € 5.000,00. Indien er sprake is van een exclusief model of zeldzaam model auto of motor, dan dient de waarde door de belanghebbende aangetoond te worden doormiddel van bijvoorbeeld een actueel taxatierapport van een dealer. De dure en verboden auto’s op de autolijst met goedkope, dure en verboden auto’s van Stichting Inlichtingenbureau kan ook als basis dienen voor het bepalen of een auto exclusief is.

Lid 3

Indien de auto of motor als niet algemeen gebruikelijk wordt beschouwd, wordt uitsluitend het deel van de waarde boven € 5.000,00 als vermogen aangemerkt.

Voorbeeld

Belanghebbende heeft een motor waarbij de waarde vastgesteld is op € 6.250,00. Het vermogen voor deze motor wordt dan bepaald op: € 6.250,00 - € 5.000,00 = € 1.250,00.

Lid 4

Indien belanghebbende beschikt, of redelijkerwijs kan beschikken, over meer dan één auto of motor, wordt de gezamenlijke waarde van deze voertuigen vastgesteld. De in lid 3 genoemde vrijlating geldt dan voor de totale waarde van alle voertuigen samen.

Voorbeeld 1

Een echtpaar heeft twee auto’s op hun naam geregistreerd staan. Van één auto is de waarde volgens de ANWB-koerslijst vastgesteld is op € 3.225,00. Daarnaast hebben ze nog een auto waarvan de waarde kan worden vastgesteld op € 5.750,00. Het bedrag wat meegenomen wordt bij de vermogensvaststelling is: € 3.225,00 + € 5.750,00 - € 5.000,00 = € 3.975,00.

Voorbeeld 2

Een belanghebbende heeft een auto en een motor op zijn naam staan. De waarde van de motor is vastgesteld op € 2.375,00. De auto is 25 jaar oud, maar betreft een klassieker met een waarde van € 7.250,00. Het bedrag wat meegenomen wordt bij de vermogensvaststelling is: € 2.375,00 + € 7.250,00 - € 5.000,00 = € 4.625,00.

Lid 5

Bij het vaststellen van de waarde van een auto wordt gebruikgemaakt van de onafhankelijke ANWB-autokoerslijst (www.anwb.nl/auto/koerslijst). Hierbij wordt uitgegaan van:

  • het kenteken

  • de kilometerstand op de meldingsdatum (gecontroleerd via RDW-gegevens in Suwinet of, indien niet beschikbaar, via inzage ter plekke of het meest recente RDW-keuringsrapport)

  • de uitvoering

  • eventuele extra opties

Als uitvoering en opties niet bekend zijn, wordt uitgegaan van de goedkoopste uitvoering zonder extra opties. Voor de waarde wordt de inruilprijs (‘inkoopprijs autobedrijf’) gehanteerd, omdat deze in de ANWB-koerslijst geldt als dagwaarde. Wanneer de ANWB-koerslijst geen waarde vermeldt voor het betreffende voertuig of wanneer er voldoende concrete gegevens zijn waaruit blijkt dat de waarde hiervan afwijkt, wordt de dagwaarde op een andere objectieve wijze bepaald. Dit kan bijvoorbeeld met een aankoopfactuur, taxatierapport, of door waardering via een merkdealer, verzekeringsmaatschappij, internetbron of onafhankelijke taxateur.

Lid 6

Het college vindt het bezit van een caravan, camper, vouwwagen, aanhanger, vaartuig en/of veetrailer niet algemeen gebruikelijk en daarom wordt de volledige dagwaarde meegenomen in de vermogensvaststelling. De waarde wordt objectief vastgesteld op basis van merk, type, bouwjaar en uitvoering, bijvoorbeeld via dealerinformatie, verzekeringsgegevens, internet of een onafhankelijke taxatie, rekening houdend met de feitelijke staat van het object.

Lid 7

Het college vindt het bezit van scooters, bromfietsen, snorfietsen en elektrische fietsen algemeen gebruikelijk en deze hoeven niet als vermogen aangemerkt te worden.

Lid 8

In sommige gevallen kan het bezit van een auto of motor om medische redenen noodzakelijk zijn. Bijvoorbeeld een aangepaste autobus voor een gehandicapt kind. In dergelijke situaties wordt de waarde van de auto niet als vermogen beschouwd.

Artikel 11. Reserveren uitvaartkosten bij vermogensvaststelling

Lid 1

De waarde van een uitvaartverzekering of termijndeposito wordt niet als vermogen meegerekend als deze uitsluitend bestemd is voor de uitvaart. Er wordt uitgegaan van een redelijke waarde en de NIBUD prijzengids dient hierbij als uitgangspunt, waarbij de algemene kosten en begrafeniskosten bij elkaar opgeteld kunnen worden. Er wordt uitgegaan van begrafeniskosten, omdat deze hoger zijn dan crematiekosten. Daarnaast moet uit de voorwaarden blijken dat het tegoed pas vrijkomt na overlijden en tussentijds niet kan worden opgenomen.

Lid 2

Indien belanghebbende aangeeft geld te sparen voor haar of zijn uitvaart, wordt dit geld niet vrijgelaten bij de vermogensvaststelling. Geld dat iemand zelf spaart of reserveert, wordt op grond van artikel 31, eerste lid, Pw altijd als vermogen meegeteld. Het is niet mogelijk de vermogensgrens te verhogen door geld te reserveren voor een specifiek doel.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 13. Vervallen verklaard

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.