Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2026

Geldend van 05-06-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2026

De raad van de gemeente Gorinchem;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025 en D-999572;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;

gezien het advies van de WMO Adviesraad gemeente Gorinchem;

overwegende dat:

  • 1.

    Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt; ouders worden geacht de tot hun gezin behorende jeugdige(n) dagelijkse hulp, zorg en ondersteuning te bieden ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking;

  • 2.

    de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft gelegd;

  • 3.

    het op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is hieromtrent regels vast te stellen:

    • a.

      over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;

    • b.

      over de afbakening Jeugdwet in relatie tot andere wetgevende kaders;

    • c.

      over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

    • d.

      over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

    • e.

      over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet wordt vastgesteld;

    • f.

      voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet;

    • g.

      over de wijze waarop ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun ouder(s)/wettelijke vertegenwoordiger(s), worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet;

    • h.

      ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij wordt rekening gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden;

    • i.

      over de voorwaarden waaronder de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk;

besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2026.

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Andere voorziening:

voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen

Budgetbeheerder

wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder; 

Budgethouder

persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;

Budgetplan

plan waarin staat beschreven hoe het pgb wordt gebruikt om zorg of ondersteuning te regelen. Het plan geeft inzicht in welke zorg nodig is, wie daarvoor wordt ingeschakeld en hoeveel het gaat kosten;

College

college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem

Draagkracht

de fysieke, psychische en sociale (niet de financiële) vermogens waarover een persoon of huishouden beschikt om dagelijkse zorgtaken en problemen zelfstandig of met hulp uit het eigen netwerk aan te kunnen. Dit omvat onder meer de gebruikelijke zorg die ouders of huisgenoten bieden aan minderjarige kinderen, ook in situaties waarin sprake is van ziekte, beperking of aandoening.

Draaglast

de totale hoeveelheid fysieke, psychische en sociale belasting die op een persoon of huishouden rust, inclusief het vermogen te voorzien in een inkomen, als gevolg van omstandigheden, gebeurtenissen of verantwoordelijkheden die aandacht, energie of aanpassing vragen. De draaglast omvat zowel structurele taken als plotselinge of ingrijpende gebeurtenissen die de beschikbare draagkracht op de proef stellen.

Hulpvraag

behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een (licht) verstandelijke beperking;

als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet.

Individuele voorziening:

niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, waarvoor het college een beschikking afgeeft;

IJW

door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1, van de Regeling Jeugdwet; 

Lokaal team

op gebiedsniveau georganiseerd, multidisciplinair team dat zorgdraagt voor de toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening.

Onafhankelijk cliëntondersteuner

Onafhankelijke ondersteuner die met informatie, advies en algemene ondersteuning bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.

Overige voorziening

voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, waarvoor het college geen beschikking afgeeft en die voorliggend is op individuele voorzieningen;

Perspectiefplan (actieplan)

Een perspectiefplan is een plan met daarin:

  • een beschrijving en het doel van de behandeling met een beoogd resultaat, wat binnen het eigen netwerk kan worden opgepakt,

  • de algemene gegevens van de jeugdige en zijn systeem,

  • en de afspraken die zijn gemaakt over de inhoud van de jeugdhulp.

Dit plan is de basis voor de in te zetten jeugdhulp. De inhoud van het plan wordt in dialoog tussen de jeugdige en/of ouders en de professional ontwikkeld. Indien nodig wordt niet alleen een perspectiefplan gemaakt voor de jeugdige, maar voor het gehele gezin.

Pgb

persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de jeugdwet,zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; 

Sociaal Netwerk

  • 1.

    familieleden van de jeugdige of zijn ouders tot en met bloed- of aanverwantschap in de tweede graad;

  • 2.

    andere personen binnen de kring van vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).

Wet

Jeugdwet

HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

  • 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Jeugdhulp uitgevoerd door het lokaal team;

    • b.

      Jeugdhulp uitgevoerd door de POH- jeugd GGZ/Jeugdprofessional GGZ (jeugdmodule Sociaal Team)

  • 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • Persoonlijke verzorging

    • Dagbehandeling/dagbesteding

    • Jeugdhulp ambulant

    • Jeugd GGZ basis

    • Jeugd GGZ specialistisch

    • Jeugdzorg Plus

    • Gezinshuis

    • Pleegzorg

    • Logeren

    • Wonen met begeleiding

    • Verblijf met behandeling

    • Crisishulp

    • Curatieve zorg door kinderarts

    • Medicatieveiligheid

    • Jeugdhulpvervoer

    • Onderzoek en behandeling bij ernstige dyslexie

  • 3. De in het vorige lid genoemde individuele voorzieningen zijn opgenomen in bijlage 1 (Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ) bij deze verordening en zijn onderverdeeld in producten, waarbij per product in elk geval is opgenomen:

    • a.

      doelgroepen;

    • b.

      activiteiten (aanpak);

    • c.

      Maximale doorlooptijd (duur);

    • d.

      Maximale intensiteit (frequentie);

    • e.

      kwaliteit (product specifieke eisen);

    • f.

      beoogd resultaat (doel);

    • g.

      vermelding productcode iJW.

  • 4. De individuele voorzieningen hebben in beginsel een maximale duur en frequentie. Dit is opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.

HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een jeugdhulpaanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de nadere regels en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.

  • 2. Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 8 aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.

  • 4. Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in als bedoeld in artikel 16. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend budgetplan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb.

  • 5. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 6. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 7. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een tijdelijke individuele voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, waarbij de jeugdige ten minste één keer wordt gezien, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.

  • 2. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 3. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.

  • 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.

  • 5. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger:

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;

    • c.

      of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:

      • i.

        welke problemen of stoornissen dat zijn;

      • ii.

        welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

      • iii.

        of en in hoeverre de draagkracht en draaglast van de ouder(s) en van het sociale netwerk in evenwicht zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden, overeenkomstig artikel 10;

      • iv.

        voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is, de mogelijkheden om met inzet van een andere voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;

      • v.

        voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is en de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening ontoereikend is, de mogelijkheden om met inzet van een overige voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; en

      • vi.

        voor zover de balans tussen de draagkracht en draaglast niet in evenwicht is, de mogelijkheid tot inzet van een andere voorziening en de mogelijkheid tot inzet van een overige voorziening ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met inzet van een individuele

        voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;

    • d.

      hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s);

    • e.

      indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.

  • 6. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.

  • 7. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld dat het gecontracteerde zorgaanbod het uitgangspunt is en welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 8. De jeugdige of zijn ouders, dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.

Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

  • 1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.

Artikel 7. Identificatie

  • 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.

  • 2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:

    • a.

      een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;

    • b.

      een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);

    • c.

      een buitenlands paspoort; of

    • d.

      een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Artikel 8. Verslag

  • 1. Binnen tien werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd.

  • 2. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.

  • 3. Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend voor akkoord door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd.

  • 4. Als uit het verslag blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met de eigen draagkracht, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend voor akkoord door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.

Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

  • 1. Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder slechts in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag:

    • a.

      Binnen hun eigen draagkracht zoals bedoeld in artikel 10;

    • b.

      Door gebruik te maken van een andere voorziening, of;

    • c.

      Door gebruik te maken van een overige voorziening.

  • 2. Het college verleent geen individuele voorziening als het hulpverleningstraject waarvoor de jeugdige en/of de ouders die voorziening vragen op het moment van aanvraag al is afgerond, tenzij sprake is van gewijzigde omstandigheden of een hernieuwde hulpvraag.

  • 3. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen, jongeren en ouders’ van het Nederlands Jeugdinstituut’, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening.

  • 4. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:

    • a.

      daadwerkelijk beschikbaar is; en

    • b.

      passend en toereikend is voor de hulpvraag.

  • 5. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. Als een jeugdige en/of zijn ouders/verzorgers toch een duurdere voorziening wil die eveneens passend is, komen de meerkosten voor rekening van de jeugdige en/of zijn ouders/verzorgers. In dergelijke situaties zal, mits aan de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb wordt voldaan, de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening.

  • 6. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college mede door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt waar beschikbaar gewerkt met een bewezen effectieve interventie. Indien er geen bewezen effectieve interventie is, moet de jeugdhulpaanbieder aantonen dat hij werkt met een practice based methodiek of een historisch en in de branche gangbare methodiek. In geen geval mag er gewerkt worden met een bewezen niet effectieve interventie.

  • 7. Er is sprake van bewezen effectieve interventies als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);

  • 8. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.

  • 9. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.

  • 10. Voor het bepalen van het soort individuele voorziening dat het college inzet, sluit het aan bij de dienstomschrijvingen in de door of namens gemeente gesloten overeenkomsten met of verleende subsidiebesluiten aan jeugdhulpaanbieders voor het leveren van voorzieningen, waarbij:

    • a.

      de mogelijkheid voor het inzetten van ervaringsdeskundigheid altijd in overweging wordt genomen; en

    • b.

      in dialoog tussen de jeugdprofessional, de jeugdige en de ouder(s) een gezamenlijk beeld ontwikkeld is over de jeugdhulpvraag en de meest passende aanpak alvorens een keuze gemaakt wordt voor het soort individuele voorziening.

Artikel 10. Beoordeling draagkracht en draaglast

  • 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 5, blijkt dat de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) in evenwicht is.

  • 2. Als de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) in evenwicht is, is het college van oordeel dat de eigen mogelijkheden toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 3. Tot de eigen mogelijkheden behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 4. Bij de beoordeling van de balans tussen draagkracht en draaglast, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de draagkracht van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 5. Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en

    • f.

      de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

Artikel 11. Vervoer

  • 1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

  • 2. Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 3. Het college kent uitsluitend een vervoersvoorziening aan de jeugdige toe:

    • a.

      als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een medische noodzaak bestaat of beperkingen in de zelfredzaamheid bestaan tot inzet van deze voorziening; en

    • b.

      als de enkele reisafstand meer bedraagt dan 6 kilometer en maximaal 35 kilometer gerekend vanaf de gemeente waar betrokkene woonachtig is, tenzij de zorg wordt verzilverd binnen de regio Zuid-Holland Zuid en tenzij de aard van de medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid het nemen van eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer onevenredig maken.

    Het college stelt de enkele reisafstand vast aan de hand van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 4. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 10, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de balans tussen de draagkracht en draaglast van de jeugdige of zijn ouder(s) niet in evenwicht is en zij daardoor de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer niet op zich kan nemen.

  • 5. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

  • 6. De vervoersvoorziening betreft groepsvervoer per taxi bij een gecontracteerde vervoerder, tenzij groepsvervoer niet mogelijk is. In dat laatste geval zet het college individueel vervoer in per taxi bij een gecontracteerde vervoerder.

  • 7. In plaats van een vervoersvoorziening kan het college op verzoek van de jeugdige of zijn ouder(s) een vergoeding per kilometer verstrekken. Voor de hoogte van het bedrag van deze vergoeding wordt aangesloten bij het maximale bedrag van de reiskostenvergoeding dat de Rijksoverheid hanteert (bij vaststelling van de verordening is dit € 0,23 per kilometer). Het college stelt de vergoeding per kilometer vast op de reisafstand van de kortste route retour volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 8. De looptijd van een beschikking tot verstrekking van een vervoersvoorziening kan afwijken van de looptijd van de beschikking voor de individuele jeugdhulpvoorziening zelf, als de noodzaak voor vervoer daartoe aanleiding geeft.

  • 9. Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 12. Dyslexie

  • 1. De zorg voor kinderen die primair onderwijs volgen met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet.

  • 2. Het college kent alleen een individuele voorziening ED toe als de ED-specialist van het verantwoordelijke Samenwerkingsverband Primair Onderwijs op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0 van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.

Artikel 13. Vaktherapie

  • 1. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.

  • 2. De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van het lokaal team die zelf of onder verantwoordelijkheid valt van iemand die beschikt over een registratie zoals bedoeld in artikel 6 lid 2, moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling.

  • 3. Het maximum aantal uren behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is 30 uren op jaarbasis. Als de ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale inzet.

Artikel 14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang

  • 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp.

  • 2. In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.

Artikel 15. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

  • 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en

    • c.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking ook in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB

Artikel 16. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

  • 1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een budgetplan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is opgenomen:

    • a.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • e.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • f.

      indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; en

    • g.

      de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 17 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • 2. Het college verstrekt een pgb als:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten;

    • b.

      uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 17 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en

    • c.

      naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 19 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.

  • 3. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; of

    • d.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder;

  • 4. Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is.

Artikel 17. Pgb-vaardigheid

  • 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder;

    • b.

      er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • i.

        schuldenproblematiek;

      • ii.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • iii.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • iv.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • v.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld

      • vi.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • vii.

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of

      • viii.

        het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag;

Artikel 18. Onderscheid pgb formele hulp en pgb sociaal netwerk

  • 1. Van pgb formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 2. Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van pgb sociaal netwerk omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.

  • 4. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van pgb sociaal netwerk.

Artikel 19. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp minimaal aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in de overeenkomsten met de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders in de regio Zuid-Holland Zuid. Daarnaast gelden de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie.

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

    • h.

      stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • i.

      respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • k.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • l.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en

    • m.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 17, eerste en tweede lid;

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • d.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • e.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • f.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3. Er wordt geen pgb sociaal netwerk verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.

Artikel 20. Hoogte pgb

  • 1. De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.

  • 2. De hoogte van het pgb sociaal netwerk bedraagt het wettelijke minimumloon.

  • 3. De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij:

    • a.

      de indexering wordt berekend uit de som van het geprognostiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognostiseerde percentage voor het lopende jaar (t) en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en

    • b.

      het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 80% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 20% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA.

  • 4. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 5. Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels.

  • 6. Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend.

Artikel 21. Uitgesloten van pgb

De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:

  • a.

    kosten voor bemiddeling;

  • b.

    kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

  • c.

    kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

  • d.

    kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

  • e.

    kosten voor feestdagenuitkering en eenmalige uitkering;

  • f.

    kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;

  • g.

    kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;

  • h.

    kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); en

  • i.

    kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;

HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK

Artikel 22. Inlichtingen

  • 1. Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2. Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.

Artikel 23. Niet meewerken ouder(s)

  • 1. De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.

  • 2. Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Artikel 24. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering

  • 1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb;

    • e.

      de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is;

    • f.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 16, derde lid; of

    • g.

      de jeugdige met het pgb jeugdhulp langer dan twaalf weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4. Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

  • 5. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.

  • 6. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.

  • 7. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.

  • 8. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het vorige lid.

Artikel 25. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

  • 1. Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2. Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.

  • 3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 26. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

  • 1. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • 2. Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.

HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN

Artikel 27. Voorliggende voorzieningen

  • 1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:

    • a.

      met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;

    • b.

      naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of

    • c.

      gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

  • 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.

  • 3. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

Artikel 28. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

  • 1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:

    • a.

      de Leerplichtwet;

    • b.

      de Participatiewet;

    • c.

      de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • d.

      de Wet Inburgering 2021;

    • e.

      de Wet kinderopvang;

    • f.

      de Wet langdurige zorg;

    • g.

      de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • h.

      de Wet passend onderwijs;

    • i.

      de Wet publieke gezondheid;

    • j.

      de Wet tijdelijk huisverbod;

    • k.

      de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en

    • l.

      de Zorgverzekeringswet,

    zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.

  • 2. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:

    • a.

      het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;

    • b.

      stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;

    • c.

      een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.

  • 3. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:

    • a.

      de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;

    • b.

      de balans tussen de draagkracht en draaglast van een jeugdige of ouder(s) zoals bedoeld in artikel 10 en de mogelijkheden van het sociaal netwerk;

    • c.

      welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

    • d.

      welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

  • 4. Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.

  • 5. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:

    • a.

      voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en

    • b.

      de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

  • 6. Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.

  • 7. Conform de overeenkomsten met gecontracteerde jeugdhulpaanbieders in de regio stelt een jeugdhulpaanbieder, in afstemming met het lokale team en/of de betrokken Gecertificeerde Instelling, voor jeugdigen die jeugdhulp krijgen een perspectiefplan op bij het bereiken van het 16e levensjaar. Wanneer een jeugdige bij aanmelding de leeftijd van 16 jaar reeds heeft bereikt, wordt dit plan opgesteld bij de start van de zorg. In het perspectiefplan staat:

    • a.

      welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag; en

    • b.

      hoe en vanuit welke wet (Wmo, Wlz, zorgverzekeringswet of verlengde Jeugdwet) de hulp de 18e verjaardag wordt ingezet.

  • 8. De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, de ouder(s) en het college bij het opstellen van het perspectiefplan.

  • 9. Het college kan nadere regels opstellen met betrekking tot afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning.

HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT

Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

    • b.

      cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • c.

      overheadkosten;

    • d.

      kosten voor indexering; en

    • e.

      de voor de sector toepasselijke CAO-schalen;

  • 2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 30. Klachtregeling

Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

Artikel 31. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de, krachtens artikel 150 van de Gemeentewet, gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2. Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN

Artikel 32. Evaluatie en monitoring

  • 1. Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

  • 2. Ten behoeve van de evaluatie verzamelt het college systematisch informatie bij relevante betrokkenen over de uitvoering en het proces over:

    • a.

      het aantal jeugdigen met jeugdhulp (totaal en per type jeugdhulp);

    • b.

      de kosten van jeugdhulp (totaal, gemiddeld per cliënt, gemiddeld per type jeugdhulp);

    • c.

      het aantal verwijzingen (per type verwijzer);

    • d.

      de verhouding tussen Zorg in natura en pgb;

Artikel 33. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende nadere regels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 34. Overgangsrecht, intrekking oude verordening

  • 1. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.

  • 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2022 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 3. Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2022 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst.

  • 4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2022 te herzien:

    • a.

      op de gronden, vermeld in Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2022;

    • b.

      indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

    • c.

      indien de cliënt wenst te veranderen van jeugdhulpaanbieder of van verstrekkingsvorm.

  • 5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2022, terug te vorderen op de in deze verordening[en] genoemde gronden.

  • 6. De Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2022 wordt ingetrokken.

Artikel 35. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Gorinchem 2026

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 november 2025.

De griffier,

De voorzitter,

Bijlage 1: Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ versie per 1 januari 2026

Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ Versie 5.1 (1-1-2026)

Inleiding

Voor u ligt het document ‘Dienstomschrijvingen Jeugdhulp Zuid-Holland Zuid'. Vanaf 1 januari 2022 zijn de hierin opgenomen diensten van toepassing binnen de regio Zuid-Holland Zuid. Dit document dient als een overzicht van alle jeugdhulpdiensten waarop binnen deze regio gedeclareerd kan worden. In de inleiding en hoofdstuk 1 worden relevante begrippen nader toegelicht en gedefinieerd. Vanaf hoofdstuk 2 vindt u de gedetailleerde omschrijvingen van de producten.

De rode draad

In 2018 heeft de regio Zuid-Holland Zuid het beleidsplan Meerjarenperspectief vastgesteld. In aanloop naar de nieuwe inkoopperiode zijn bestuurlijke uitgangspunten geformuleerd en vastgesteld die het kader vormen voor de contractering van jeugdhulp. Deze uitgangspunten zijn in dialoog met cliëntvertegenwoordigers, jeugdhulpaanbieders en gemeenten verder geconcretiseerd en vertaald naar onder andere doelen, inspanningsverplichtingen, resultaatverplichtingen, KPI's en de dienstomschrijvingen in dit document.

Deze gezamenlijke ontwikkeling heeft geleid tot de volgende zes kernwaarden die richtinggevend zijn voor de jeugdhulp in de regio:

  • 1.

    Jeugdhulp wordt geboden in de leefomgeving; jeugdigen groeien thuis op.

  • 2.

    Jeugdhulpaanbieders (professionals) bieden dienstbaar vakmanschap.

  • 3.

    Iedere jeugdige volgt onderwijs.

  • 4.

    Jeugdhulp zorgt voor toegenomen zelfredzaamheid en duurzaam herstel van de jeugdige en het gezin.

  • 5.

    Jeugdhulp versterkt het netwerk van de jeugdige en het gezin.

  • 6.

    Doelmatige inzet van (schaarse) middelen.

Verhouding deelovereenkomsten en dienstomschrijvingen

Diensten kunnen uitsluitend worden gedeclareerd wanneer de jeugdhulpaanbieder hiervoor een Bijzondere Deel Overeenkomst (hierna: BDO) met SOJ ZHZ heeft gesloten. Sommige diensten kunnen vanuit meerdere BDO's worden aangeboden/geleverd. In onderstaande tabel is aangegeven voor welke diensten dit van toepassing is:

Naam

Segment 1: Hoog specialistisch

Segment 2: Wonen

Segment 3a: Dagbesteding & dagbehandeling

Segment 4:

Specialistisch

veelvoorkomend

Persoonlijke verzorging

X

Ervaringsdeskundige

X

X

X

X

Begeleiding basis

X

Begeleiding regulier

X

Begeleiding specialistisch

X

Behandeling VG

X

Behandeling J&O

X

Dienstverlening consult en advies

X

X

X

X

Vaktherapie

X

GGZ regulier/ generalistisch (basis GGZ)

X

GGZ specialistisch

X

Curatieve zorg door kinderartsen

X

Medicatieveiligheid

X

Forensische GGZ

X

Basis diagnostiek

X

Specialistische diagnostiek

X

Dagbesteding regulier

X

Dagbesteding intensief

X

Naschoolse dagbesteding

X

Dagbehandeling regulier

X

Dagbehandeling intensief

X

Dagbehandeling specialistisch (GGZ)

X

Pleegzorg Intensief

X

Pleegzorg regulier (voltijd)

X

Pleegzorg regulier (deeltijd)

X

Gezinshuis (regulier)

X

Gezinshuis (intensief)

X

Gezinsbehandeling

X

Logeren (regulier)

X

Logeren (intensief)

X

Logeren (extra-intensief)

X

Wonen met begeleiding - licht

X

Wonen met begeleiding - regulier

X

Wonen met begeleiding intensief

X

Verblijf met behandeling

X

Verblijf met behandeling – 3 milieu

X

Toeslag crisis ambulant

X

Toeslag crisis bij pleegzorg

X

ED Diagnostiek en behandeling *

Verblijf met behandeling - intensief

X

HIC - GGZ

X

GGZ Specialistisch Midden

X

GGZ Hoogspecialistisch

X

Toeslag crisis bij Wonen (diverse intensiteiten)

X

Toeslag crisis bij Verblijf met behandeling

X

Voorbeeld

Het product 'ervaringsdeskundige' is in alle Bijzondere Delen Overeenkomsten toegankelijk.

Ieder hoofdstuk start met een overzicht van alle diensten, met hierbij opgenomen of deze specifiek zijn toegekend aan een bepaalde Bijzondere Delen Overeenkomst. Als hier geen opmerkingen over opgenomen zijn, is de dienst toegekend aan alle Bijzondere Delen Overeenkomsten. Voorwaarde voor declaratie is en blijft natuurlijk dat u voor de betreffende dienst gecontracteerd bent en voldoet aan de kwaliteitscriteria en specifieke eisen die per dienst zijn beschreven.

Voorbeeld

De diensten voor dagbesteding en dagbehandeling kunnen uitsluitend verleend worden door jeugdhulpaanbieders die de Bijzondere Delen Overeenkomsten voor dagbesteding en dagbehandeling hebben ondertekend. Voor andere diensten geldt dat het tekenen van het Algemene Deel en een van de Bijzondere Delen Overeenkomsten het mogelijk maakt het product te declareren, mits aan de kwaliteitscriteria van het product wordt voldaan.

Hoofdstuk 1: Toelichting op begrippen en processen

In deze dienstomschrijvingen jeugdhulp 2026 worden de begrippen aangehouden zoals die zijn opgenomen in de Jeugdwet en de Verordening Jeugd van de gemeenten. In bijlage 5 van deze overeenkomst worden, daar waar noodzakelijk, nog een aantal begrippen nader toegelicht. Waar in dit hoofdstuk dat aan de orde is, wordt met een sterretje (*) verwezen naar deze bijlage. Hieronder geven we een nadere duiding van een aantal begrippen en processen die van invloed zijn op de uitvoering van de jeugdhulp.

Jeugdige, gezin en netwerk

De jeugdhulpaanbieder ondersteunt de jeugdige én hun sociale omgeving. Dat betekent dat ondersteuning en advies aan gezins- en familieleden, school, vereniging, kerk, enzovoorts onderdeel uitmaken van de jeugdhulp wanneer dat leidt tot een grotere inzet van het sociale netwerk, meer zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige en bijdraagt aan de voor de jeugdige en het gezin opgestelde doelen. De hulp wordt geboden op de locatie die het meest passend en effectief is om de gestelde doelen te bereiken. Uitgangspunt is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor degenen die het echt nodig hebben en dat de jeugdhulp betaalbaar moet blijven. De jeugdhulp wordt immers gefinancierd met gemeenschapsgeld.

De wijze waarop de jeugdhulp wordt uitgevoerd draagt bij aan het onderhouden, activeren en/of opbouwen van een steunend netwerk voor de jeugdige en het gezin. De jeugdhulpaanbieder zet actief netwerkversterkende strategieën in. Het werken vanuit sociale netwerkstrategieën is een basishouding van waaruit de professional denkt en handelt. Zijn rol is die van een facilitator; hij maakt mogelijk dat iedereen die aanklopt in zijn eigen kracht blijft en gebruik maakt van de krachten in zijn eigen omgeving. De jeugdige houdt de regie over zijn eigen leven. Het verdient aanbeveling om naast deze basishouding ook hiervoor specifiek ontwikkelde werkwijzen consequent toe te passen. (Zoals de Jim aanpak en Eigen Kracht conferenties).

Analyse van de problematiek van de jeugdige en/of het gezin

Voordat overgegaan kan worden tot het inzetten van hulp aan de jeugdige en/of het gezin is het noodzakelijk dat er een gedegen analyse plaatsvindt van de problematiek van de jeugdige en/of het gezin. Daarvoor zijn verschillende methoden mogelijk. Te denken valt bijvoorbeeld aan een probleemanalyse*, risico-taxatie*, DSM* en/of de verklarende analyse*.

Vanaf 2024 wordt er met name ingezet op het gebruik van de verklarende analyse waar in een gezamenlijk proces met de jeugdige, de ouders en de jeugdhulpverlener wordt toegewerkt om de problemen te begrijpen. De focus hierbij ligt op het achterhalen waardoor de hulpvragen zijn ontstaan en waardoor ze blijven voortbestaan. Daarbij wordt gekeken naar de verschillende factoren die een rol spelen, zoals kindfactoren, gezinsfactoren,

omgevingsfactoren en interacties tussen betrokkenen. Het moet helpen om patronen te herkennen in de problemen en de interacties binnen het gezin en de omgeving. Doel van de verklarende analyse is dat er inzicht ontstaat in de problematiek en er betere beslissingen kunnen worden genomen welke hulp passend en noodzakelijk is. In de komende jaren zal tot verdere implementatie van deze methode gekomen moeten worden.

Aanmelding en intake

Aanmelding en intake zijn activiteiten die plaatsvinden aan het begin van het traject bij de desbetreffende aanbieder. Hoewel de intake kenmerken van een analyse kan bevatten, mag deze niet worden gedeclareerd onder het product diagnostiek als er geen diagnostiek of behandeling op volgt. De intake wordt beschouwd als start van de hulpverlening en is declarabel zodra de jeugdige daadwerkelijk jeugdhulp gaat ontvangt. Indien u na een intake tot de conclusie komt dat u geen passende hulp kunt bieden voor de gestelde hulpvraag, neemt u direct contact op met de verwijzer. Dit helpt om mismatches in het vervolg te voorkomen.

Werkwijze jeugdhulpverleners (aanvullend op de gestelde personele eisen)

Norm verantwoorde werktoedeling en inzet via de verlengde arm

Volgens de Jeugdwet dienen de toegang, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen in beginsel te werken met geregistreerde professionals. Dit betreft professionals die zijn opgenomen in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of die als artikel 3-beroep zijn geregistreerd in het BIG-register.

De norm verantwoorde werktoedeling is opgenomen in het Besluit Jeugdwet en verplicht jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen om zorgvuldig taken toe te delen aan professionals. Deze norm bestaat uit drie onderdelen:

  • 1.

    Geregistreerde professionals voeren de taken uit

    De taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. Er wordt gewerkt met professionals die zijn geregistreerd in het BIG-register en/of Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), op HBO- of WO-niveau.

  • 2.

    Toedeling taken op basis van kennis en vaardigheden

    De jeugdhulpaanbieder deelt de taken toe met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de geregistreerde professionals.

  • 3.

    Werken volgens professionele standaarden

    Jeugdhulpaanbieders dragen er zorg voor dat de geregistreerde professionals werken volgens de voor hen geldende professionele standaarden, zoals de beroepscode en vakinhoudelijke richtlijnen.

Daarnaast moet de werkwijze voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en aan de beroepscode. Hierin is vastgesteld welke niet SKJ-geregistreerde professional mag werken onder de eindverantwoordelijkheid van een SKJgeregistreerde professional. Dit wordt de verlengde arm-constructie genoemd.

Gedeelde besluitvorming/shared decision making

Het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) stelt dat minderjarigen, ongeacht hun leeftijd, recht hebben om hun mening te geven. Bij beslissingen die in het leven van jeugdigen genomen worden, dus ook over passende hulp, moet een passend gewicht aan hun mening gehecht worden (artikel 12 IVRK). Daarnaast is wettelijk vastgelegd dat ouders verplicht zijn om de ontwikkeling en het welzijn van hun kind te bevorderen (Burgerlijk wetboek 1, art 247). Daarmee ligt de verantwoordelijkheid om hulp in te schakelen bij ouders wanneer jeugdigen zich onvoldoende ontwikkelen.

Zowel de literatuur over jeugdhulp en jeugdbescherming als de medische literatuur laat zien dat participatie van ouders en jeugdigen in het besluitvormings- en het behandelproces een positief effect heeft op de uitkomsten van de behandeling of zorg. In de medische wereld is shared decision making’ ontwikkeld. Dit is een methode waarbij zorgprofessionals samen met jeugdigen beslissingen nemen over de behandeling. Shared decision making is gebaseerd op ‘evidence based practice, wat inhoudt dat beslissingen gebaseerd zijn op de hoogst haalbare evidentie.

Uitgangspunt van jeugdhulp is dan ook dat in dialoog tussen de professional, het gezin en de jeugdige een gezamenlijk beeld ontwikkeld wordt over de problematiek en de meest passende aanpak.

Werkwijzen binnen de jeugdzorg

Evidence-based practice en practice based werken

Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid wordt beoordeeld door vast te stellen of de individuele voorziening bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Ook wordt er door jeugdhulpaanbieders gewerkt met bewezen effectieve interventies, oftewel evidence based-practice*. Wanneer er geen bewezen effectieve interventie is, moet de jeugdhulpaanbieder aantonen dat hij werkt met een practice based* methodiek. In geen geval mag er gewerkt worden met een bewezen niet effectieve interventie. In de gemeentelijke verordening is aanvullende informatie over de verschillende methodieken terug te lezen. U bent verplicht hier kennis van te nemen.

Methodisch werken

Alle jeugdhulp kenmerkt zich door een methodische aanpak. Dat betekent dat er stelselmatig, geordend en voor de jeugdige navolgbaar wordt gewerkt, met een concreet resultaat voor ogen. Methodisch werken bevat een aantal stappen:

  • 1)

    verzamelen van informatie

  • 2)

    vaststellen van behoeften en problemen,

  • 3)

    formuleren van doelen

  • 4)

    vaststellen van en plannen van passende activiteiten

  • 5)

    uitvoeren van de activiteiten volgens planning,

  • 6)

    evalueren van de voortgang

  • 7)

    bijstellen van de zorg en ondersteuning indien nodig

Deze werkwijze is cyclisch, dat wil zeggen dat op basis van evaluatie doelen en aanpak kunnen worden aangepast, waarna de stappen opnieuw worden doorlopen. De stappen worden vastgelegd in het hulpverleningsplan van de jeugdige en/of het gezin.

Als je als hulpverlener gestructureerd en planmatig werkt, weten jeugdigen en opvoeders beter wat er gaat gebeuren. Dit vergroot hun betrokkenheid en actieve inzet. Het resultaat is doelgerichte hulp die op koers blijft en daadwerkelijk bijdraagt aan verbeteringen in het leven van jeugdigen en gezinnen (T. van Yperen)

Multidisciplinair team en multidisciplinaire samenwerking

In de dienstenomschrijving maken we onderscheid tussen een multidisciplinair team en multidisciplinaire samenwerking. Dit onderscheid helpt bij het inzetten van de juiste diensten. Het hier gedefinieerde onderscheid is geen allesomvattende definitie van multidisciplinair werken. Vanuit de werkwijze 1 Gezin, 1 Plan, 1 Regisseur is er altijd sprake van multidisciplinaire samenwerking als meerdere partijen of organisaties (binnen of buiten de jeugdhulp) actief zijn in een gezin. De professional brengt zijn specifieke kennis en expertise in binnen dit netwerk en stemt werkzaamheden en doelrealisatie af met andere betrokkenen. In de dienstenomschrijving noemen we deze vorm van samenwerking een multidisciplinair netwerk.

Er is sprake van een multidisciplinair team wanneer

  • 1)

    verschillende noodzakelijke disciplines geborgd zijn binnen de organisatie en

  • 2)

    de verantwoordelijkheid voor de uitvoerings- en behandelregie binnen dit team is belegd.

Een multidisciplinair team is samengesteld uit verschillende noodzakelijke complementaire disciplines en bestaat tenminste uit:

  • 1.

    Uitvoerend ambulante behandelaren/gezinswerkers die actief betrokken zijn bij de uitvoering van het behandelplan;

  • 2.

    Ambulant begeleiders;

  • 3.

    Indien van toepassing: groepswerkers van de dag- en/of verblijfsvoorziening;

  • 4.

    Een regiebehandelaar (zie beschrijving onder regie);

  • 5.

    Aanvullende inhoudelijke specialistische deskundigheid in relatie tot de gestelde hulpvraag wordt zo nodig toegevoegd aan het team.

De kracht van een multidisciplinair team ligt in de structurele en georganiseerde uitwisseling tussen disciplines én tussen persoonlijk professionele inzichten van de bovengenoemde disciplines (minimaal 4 personen). Indien nodig participeert het multidisciplinaire team in breder een multidisciplinair netwerk rondom het gezin.

Een multidisciplinair team kan worden gevormd wanneer:

  • Eén jeugdhulpaanbieder het team volledig binnen de eigen organisatie samenstelt, of

  • Meerdere (gecontracteerde) jeugdhulpaanbieders gezamenlijk een team vormen, waarbij afspraken over beschikbaarheid, rolverdeling, inzet en afrekening formeel zijn vastgesteld

Let op: Wanneer in de dienstomschrijving expliciet wordt geëist dat een multidisciplinair team wordt ingezet, is de bekostiging van dit team inbegrepen in het tarief. De inzet van het multidisciplinair team kan in dat geval niet separaat worden gedeclareerd.

Direct cliëntgebonden tijd, indirect cliëntgebondentijd en niet-cliëntgebonden tijd,

De volgende definities, zoals uitgewerkt door de VNG, worden gehanteerd voor de begrippen: direct cliëntgebonden, indirect cliëntgebondentijd en niet-cliëntgebondentijd:

Direct cliëntgebonden tijd

De tijd waarbij de jeugdaanbieder direct contact heeft met de jeugdige en/of gezin ten behoeve van de begeleiding/behandeling. Dit kan zowel face-to-face als telefonisch of elektronisch zijn. De direct cliëntgebonden tijd is gericht op de behandeling/begeleiding van de jeugdige en levert handvatten voor omgeving om de effecten van de behandeling/begeleiding te versterken.

Een onderdeel van direct cliëntgebonden tijd is de groepscontacttijd per cliënt. Deze wordt als volgt berekend: De totale tijd van aanwezige hulpverlener bij een groepsbehandeling /begeleiding groep, gedeeld door het aantal aanwezige cliënten in behandeling / begeleiding.

Voorbeeld

Bij groepstherapie van 1 uur door verpleegkundige en psycholoog (2 * 60 minuten = 120 minuten), delen door 10 aanwezige cliënten betekent 12 minuten facturatie per jeugdige; 6 minuten te facturen op functiecode verpleegkundige en 6 minuten op functiecode van de psycholoog.

Indirect cliëntgebonden tijd

De tijd die de jeugdhulpaanbieder besteedt aan zaken rondom een contactmoment (de direct cliëntgebonden tijd), maar waarbij de jeugdige en/of gezin zelf niet aanwezig is zoals:

  • administratie, verslaglegging, rapportage

  • overleg over de cliënt (dus ook de tijd die anderen dan de directe behandelaar hieraan besteden)

  • analysetijd (bijvoorbeeld ten behoeve van diagnostiek)

  • reistijd (van en naar de cliënt(en))

  • voorbereiding

  • coördinatie met andere hulpverleners in het gezin (wanneer nodig)

Niet-cliëntgebonden tijd

De tijd van een professional die niet direct of indirect gerelateerd is aan contactmomenten met de jeugdig zoals instellingsoverleg beleidsmatig overleg, ziekte, vakantie, verlof, opleiding, reflectie/intervisie en pauzes. Nietcliëntgebonden tijd is niet declarabel.

Normenkader

In lijn met de ontwikkelingen in de regio en met de pilot 'Begeleiding' is per product een normenkader opgesteld. De exacte definities zijn opgenomen in de definitielijst in bijlage 5. Dit normenkader heeft als doel een impuls te geven aan de doelmatigheid van de geleverde hulp en bij te dragen aan kernwaarde 4: Jeugdhulp zorgt voor toegenomen zelfredzaamheid en duurzaam herstel van de jeugdige en het gezin (zie bijlage 1 ´Kernwaarden Jeugdhulp 2022´ en verder).

Een belangrijk aandachtspunt is dat het normenkader niet te rigide mag worden toegepast. Een te strikte toepassing kan maatwerk in de hulpverlening belemmeren, wat haaks staat op het beoogde doel, namelijk een impuls voor doelmatigheid. Indien noodzakelijk mag er van het normenkader worden afgeweken binnen de vastgestelde bandbreedte zoals omschreven in definitielijst. De bevoegdheid om hierover te beslissen ligt bij het lokale team of de betrokken GI. Afwijking van het normenkader wordt met name overwogen in de volgende situaties:

  • 1.

    Dreigende uithuisplaatsing;

  • 2.

    Dreigende schooluitval;

  • 3.

    Bij een levenslange en levensbrede noodzaak tot ondersteuning en hulp;

  • 4.

    Een rechterlijke uitspraak die afwijking vereist.

Het besluit tot afwijking wordt genomen vóór de start van de zorg. Indien gedurende de looptijd van de toewijzing door gewijzigde omstandigheden een aanpassing noodzakelijk is, dient de jeugdhulpaanbieder tijdig contact op te nemen met het lokaal team of de GI.

Een afwijking van het normenkader zonder (tijdige) toestemming van het lokale team of de GI zal er toe leiden dat de dienstverlening die buiten het normenkader valt niet vergoed wordt.

Jeugdhulpverleningsplannen

Het is belangrijk dat achter de in te zetten jeugdhulp een plan ligt waarin de verschillende aspecten van de jeugdhulp zelf maar ook doelen en te behalen resultaten beschreven staan. Het zorgen dat de gestelde doelen worden behaald is vanzelfsprekend. Door de plannen samen met de jeugdigen, ouders en het eventuele netwerk op te stellen ontstaat er een basis van waaruit gewerkt kan worden.

Er zijn verschillende soorten van plannen die afhankelijk van de situatie van de jeugdige en/of het gezin worden opgesteld. Zo is daar het familiegroepsplan* waar gemeenten hun inwoners op wijzen dat bij de vraag om jeugdhulp op te stellen. Wanneer de jeugdhulp start is het verplicht een perspectiefplan* op te stellen dat voor jeugdigen van 16 jaar en ouder*l nog eens speciaal noodzakelijk om hun toekomstperspectief na hun 18de verjaardag te schetsen en tussen hun 16de en 18de jaar ook nog eens bij te stellen. Daar het volgen van onderwijs belangrijk en noodzakelijk is voor de toekomst van de jeugdigen wordt het opstellen van het ontwikkelingsperspectief (OPP)* binnen de jeugdhulp is samenwerking met het onderwijs steeds belangrijker. Het opstellen van een OPP is de verantwoordelijkheid van school (vanuit de Wet Passend Onderwijs). Bij verzoek om inzet jeugdhulp in school moet er een OPP zijn (opgesteld door school) waaruit blijkt dat er extra ondersteuning vanuit onderwijs en jeugdhulp nodig is. Het OPP is een werkdocument en omvat naast het ontwikkelingsdeel (denk aan belemmerende en stimulerende factoren) een planningsdeel (uitstroom, doelen en beredeneerd aanbod) en een evaluatiedeel. Zo moet duidelijk worden wat de school inzet om doelen met de leerling te bereiken. Het OPP dient in gezamenlijkheid met ouders te worden opgesteld. Ouders moeten instemming verlenen op het handelingsdeel (de individuele ondersteuning die de leerling krijgt). School is dit verplicht vanuit de Wet Passend Onderwijs.

Nazorg of gewoon jeugdhulp

Om overgangen tussen verschillende typen jeugdhulp te verbeteren en multidisciplinair samenwerken te bevorderen, wordt een overdrachts- of afbouwperiode ingezet. Met andere woorden: de jeugdhulpaanbieder is klaar als de ander verder kan. Dit kunnen ouders of de jeugdige zelf zijn, maar ook leerkrachten, woonvoorzieningen,

dagbehandelingen, beschermd wonen, en andere betrokken partijen. Uitgangspunt is dat jeugdhulp alleen tijdelijk en voor een korte periode wordt ingezet, en alleen indien nodig.

Bij diensten met een verblijfscomponent (eenheid = etmaal) en de diensten met een dagdeelcomponent (eenheid = dagdeel) is in de productomschrijving een ambulant natraject opgenomen. Dit betekent dat een aantal uren voor deze overgangsfase is verdisconteerd in het tarief van het betreffende product. Wanneer niet tijdig gestart wordt met het voorbereiden van en toewerken naar deze overgangsfase, loopt de jeugdhulpaanbieder het risico dat het verwachte aantal uren uit de omschrijving onvoldoende toereikend is. Dit ontslaat de aanbieder echter niet van de verantwoordelijkheid de bijbehorende activiteiten en acties uit te voeren.

Voor diensten waarbij geen natraject is opgenomen, dienen deze activiteiten worden uitgevoerd binnen het gestelde normenkader (maximale uren/ intensiteit en maximale duur).

Het is van belang om tijdig te starten met de jeugdige en/of het gezin en met de transfer van het geleerde naar medeopvoeders of beroepsopvoeders die na afloop van de interventie betrokken zijn. Met de term “transfer” wordt bedoeld dat jeugdigen de gelegenheid krijgen om het geleerde onder begeleiding toe te passen in de thuissituatie.

Regie

De regie op de uitvoering van het opgestelde plan ligt primair bij ouders en, afhankelijk van de leeftijd, bij de jeugdigen. Indien nodig ondersteunt de professional hierbij. In uitzonderlijke situaties kan het wenselijk of noodzakelijk zijn om de regie tijdelijk en voor zeer korte duur over te nemen. Ook wanneer er sprake is van een jeugdbeschermingsmaatregel, blijft de regie – waar mogelijk – bij het gezin . Het (gedeeltelijk) overnemen van het gezag betekent niet automatisch dat de regie op het plan volledig wordt overgenomen.

Naast de algehele regie op de uitvoering van het plan zelf hebben we binnen het gehele hulpverleningsproces te maken met behandelregie* en casusregie* en procesregie*. Van belang is dat verschillende verantwoordelijkheden hierin steeds goed worden belegd (en genomen) en dat, zeker bij zeer complexe situaties, samenwerking tussen de verschillende regiehouders plaats heeft. Voor wat betreft de casusregie ligt de verantwoordelijkheid hiervan bij het lokale team of een GI. Wanneer één van deze partijen niet betrokken zijn, ligt dit bij de uitvoerende jeugdhulpaanbieder. De functie van procesregie is primair belegd bij het expertteam Passende Hulp Zuid-Holland Zuid dat kan worden ingezet bij zeer complexe situaties of waarin de hulpverlening vastloopt. Vanwege de aard en het karakter van de rol, is de procesregisseur in principe niet betrokken bij de inhoudelijke behandeling en draagt geen verantwoordelijkheid voor de uitvoering daarvan.

No show binnen de jeugdhulp

No show, ook wel ongeplande afwezigheid, is het niet verschijnen van een jeugdige op een afspraak die niet minimaal 24 uur van tevoren is afgezegd. Er is dus sprake van ongeplande afwezigheid. Over geplande afwezigheid spreken we als een jeugdige niet verschijnt op een afspraak die wel minimaal 24 uur van tevoren is afgezegd. Declaratie van no shows is uitsluitend toegestaan voor onderstaande producten. Het is van belang dat de jeugdhulpaanbieder zich aantoonbaar inspant om no show te voorkomen. De jeugdhulpaanbieder is verplicht om no shows administratief bij te houden (valt o.a. onder indicator bereik/uitval – verschijnen op afspraak – zie opmerking).

No show bij ambulante voorzieningen

Bij een no show op locatie bij de jeugdige thuis mag de reistijd worden gedeclareerd onder de code van de beoogde dienst. Bijvoorbeeld indien begeleiding basis was gepland, mag de reistijd worden gefactureerd onder de code begeleiding basis. De ingeroosterde tijd voor de afspraak dient te worden benut voor werkzaamheden voor andere jeugdigen.

Afwezigheidsdagen bij jeugdhulp met een verblijfscomponent

De periode van tijdelijke afwezigheid start op de eerste dag na vertrek bij de jeugdhulpaanbieder of het woonadres en eindigt op de dag vóór de terugkomst. Verplichting: De dagen worden alleen bekostigd als de jeugdige voorafgaand aan de vakantie of detentie minimaal 14 dagen in de instelling verbleef. Afwezigheid van een jeugdige in een verblijfssetting wordt in de volgende situaties bekostigd:

  • 1.

    Bij afwezigheid vanwege vakantie, detentie of ziekenhuisopname voor:

    • Maximaal 14 aaneengesloten dagen per keer en

    • Maximaal 42 dagen per kalenderjaar.

    • Weekenddagen tellen mee in de telling van de dagen

  • 2.

    Bij weekendverlof geldt:

    • Maximaal 52 keer 2 aaneengesloten dagen in een periode van 7 dagen (=104 dagen op jaarbasis).

  • 3.

    Voor jeugdigen die dagonderwijs volgen, wordt afwezigheid bekostigd tot maximaal de wettelijke vakantieduur.

No show bij dagvoorzieningen De no show vergoeding is opgenomen in de opbouw van het tarief van de dagvoorzieningen. Aparte declaratie is hiervoor dus niet mogelijk.

No show binnen Jeugdhulp op School

Enkel voor aanbieders die gecontracteerd zijn voor BDO 7 Jeugdhulp op School geldt de volgende no-show regeling. Bij onvoorziene uitval (afzegging binnen 24 uur) mag gedurende maximaal drie weken maximaal 80% van de reguliere inzet worden gedeclareerd. Dit gebeurt op basis van het gemiddelde van de inzet (wat blijkt uit declaraties) over de drie voorafgaande maanden. In dit geval vervalt de mogelijkheid om gebruik te maken van de no-show regeling voor ambulante voorzieningen.

Bijzondere kosten

Wanneer jeugdigen niet thuis wonen, maar in een instelling of pleeggezin verblijven, blijven de ouders

verantwoordelijk voor alle kosten die voortvloeien uit hun onderhoudsplicht, zoals vastgesteld in artikel 1:392 van het Burgerlijke wetboek. De enige uitzondering hierop zijn verzorgingskosten die direct samenhangen met het verblijf. Kosten voor voeding, verzorgingsproducten, linnengoed en was zijn opgenomen in de tarieven voor logeren, pleegzorg, gezinshuizen, wonen met begeleiding en verblijf met behandeling. Naast de reguliere kosten maken jeugdigen – ook wanneer zij niet thuis wonen – gebruik van voorzieningen waarvoor aanvullende kosten ontstaan. Deze worden aangeduid als bijzondere kosten*. Voorbeeld hiervan zijn aanvullende zorgverzekering, reiskosten voor omgangsregeling, kosten voor aanschaf van een fiets en schoolkosten. Deze kosten vallen onder de verantwoordelijkheid van de ouders of verzorgers, tenzij zij aantoonbaar niet kunnen betalen of zij weigeren te betalen ondanks inspanningen daartoe.

  • 1.

    Zak en kleedregeling in residentiële hulp

  • 2.

    Bijzondere kosten Jeugdbescherming

  • 3.

    Bijzondere kosten Pleegzorg

Zak- en kleedgeldregeling in residentiële jeugdhulp

De zak- en kleedgeldregeling in residentiële jeugdhulp is per 1 januari 2024 vastgelegd in de Regeling Jeugdwet. Deze regeling is bedoeld voor jeugdigen die langdurig in een jeugdhulpinstelling verblijven en waarvan de ouders niet (meer) in staat zijn om te voorzien in zak- en kleedgeld, ondanks hun wettelijke onderhoudsplicht.

Uitgangspunten en voorwaarden;

  • Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun kind, ook wanneer de jeugdige in een residentiële voorziening verblijft onder toezicht of voogdij.

  • Jeugdhulpaanbieders zijn verplicht om de kosten op ouders te verhalen. Pas wanneer dit aantoonbaar niet lukt, mogen zij zak- en kleedgeld verstrekken aan de jeugdige.

  • Gemeenten vergoeden deze kosten achteraf aan de jeugdhulpaanbieder via een nacalculatie.

  • De jeugdige moet minimaal één maand voltijds in een jeugdhulpinstelling verblijven.

  • De vergoeding wordt verstrekt voor een kalenderjaar of de duur van de opname.

  • De jeugdhulpaanbieder verhaalt deze kosten bij de SOJ middels het zak- en kleedgeldformulier.

Pleegzorg valt buiten deze regeling

Tolkkosten

De jeugdhulpaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van tolken/vertalers bij de hulpverlening. Een zorgverlener wordt namelijk geacht 'verantwoorde hulp' te bieden conform professionele richtlijnen en standaarden.

Een onderdeel daarvan kan zijn dat in een aantal situaties een professionele of informele tolk wordt ingezet om 'verantwoorde zorg' te kunnen bieden. De jeugdhulpaanbieder is in dat geval ook zelf verantwoordelijk voor de kosten van de tolk. Declaratie is niet mogelijk.

Respijtzorg

Respijtzorg wordt ingezet om de balans tussen draagkracht en draaglast van de jeugdige en het gezin te behouden. Het doel is om overbelasting van ouders en andere gezinsleden te voorkomen en de veerkracht van het gezin te versterken.

Doelgroep:

  • 1.

    Gezinnen met één of meerdere kinderen die vanwege hun beperking of aandoening een bovengemiddeld beroep doen op de draagkracht van ouders en andere gezinsleden. De balans is zodanig verstoord dat overbelasting dreigt. Respijtzorg voor volwassenen is vanuit de Wmo voorliggend op de Jeugdwet. Voordat respijtzorg vanuit de Jeugdwet wordt verkend, is het verplicht om eerst respijtzorg vanuit de Wmo in te zetten. Neem hiervoor contact op met de Wmo-afdeling van de betreffende gemeente.

  • 2.

    Jeugdigen vanaf 12 jaar die vanwege hun aandoening of beperking in combinatie met onvoorspelbaar en/of agressief gedrag, geen gebruik kunnen maken van reguliere activiteiten in de lokale sociale infrastructuur (zoals sport, vrije tijd, jongerenwerk of cultuur). Ook het sociale netwerk biedt structureel en periodiek onvoldoende ondersteuning.

Voor de inzet van respijtzorg wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden binnen

  • reguliere voorzieningen binnen de lokale infrastructuur;

  • de inzet van het (brede) sociale netwerk van het gezin. Hierbij wordt nadrukkelijk ingezet op netwerkversterkende strategieën om een duurzame steunstructuur te realiseren. Wanneer uit onderzoek blijkt dat deze mogelijkheden onvoldoende beschikbaar of toegankelijk zijn, wordt eerst kortdurende begeleiding ingezet om deze voorzieningen alsnog bereikbaar te maken. Indien deze inzet ontoereikend is, kan (tijdelijk) gebruik gemaakt worden van de volgende diensten:

  • Begeleiding regulier

  • Begeleiding specialistisch

  • Dagbesteding regulier

  • Dagbesteding intensief

  • Naschoolse dagbesteding

  • Logeren regulier

  • Logeren intensief

  • Logeren extra intensief

  • Weekendpleegzorg

Vergroten van de zelfredzaamheid

In de dienstomschrijvingen wordt regelmatig verwezen naar het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdigen. Voor de jeugdhulpverlening houdt dit in dat men zich niet alleen richt op het oplossen van de problemen of bieden van tijdelijk ondersteuning, maar vooral om de jeugdige vaardigheden, inzichten en mogelijkheden bij te brengen zodat hij/zij in het dagelijks leven steeds beter zelfstandig kan functioneren. Concreet gaat het dan om:

  • Praktische zelfredzaamheid, zoals het leren omgaan met geld, structureren van hun dag, huishouden doen, afspraken nakomen of hun school- en werkzaken regelen.

  • Sociaal-emotionele zelfredzaamheid, waarbij jeugdigen wordt geleerd om te gaan met hun emoties, weerbaar worden, relaties opbouwen en onderhouden, hulp durven vragen en grenzen aangeven.

  • Vergroten van hun probleemoplossend vermogen door hen vaardigheden te laten ontwikkelen om met tegenslagen om te gaan, keuzes te maken en hun eigen toekomst vorm te geven.

  • Het realiseren van zelfregie, waarbij zij worden gestimuleerd om eigen doelen te formuleren, mee te beslissen over zijn/haar traject en verantwoordelijkheid te nemen voor stappen die gezet worden.

Het uiteindelijke doel is dat de jeugdige na afloop van de jeugdhulp zo zelfstandig mogelijk kan functioneren in de samenleving, met zo min mogelijk blijvende afhankelijkheid van hulpverlening.

Draagkracht* en draaglast*

Bij het beoordelen van de noodzaak om jeugdhulp in te zetten spelen de begrippen draagkracht en draaglast een belangrijke rol. De gemeenten hebben in hun lokale verordening jeugdhulp (2025) daarover een aantal bepalingen opgenomen die zij in de beoordeling van een aanvraag meenemen. Maar ook bij het uitvoeren van het jeugdhulptraject zelf is de balans en eventuele disbalans van beiden van belang.

Draagkracht verwijst naar wat een jeugdige en het gezin/ouders aankan. Hoe zit het bijvoorbeeld met de beschikbare energie, vaardigheden, veerkracht, copingstrategieën, beschermende factoren en steun uit het sociale netwerk? Bij draaglast gaat het over de belasting die een jeugdige en het gezin/ouders ervaart. Hierin spelen de aard van de problemen, conflicten thuis, stress (bijv. schooldruk) en verplichtingen, zoals te weinig inkomen, schulden maar ook mantelzorgtaken waarmee men te maken heeft, een rol.

Centrale Intake

Jeugdhulpaanbieders in segment 1 'Hoog specialistische hulp' hebben zich bij het ondertekenen van de betreffende Bijzondere Deelovereenkomsten gecommitteerd aan het inrichten en uitvoeren van een centrale intake. Deze centrale intake, als deze operationeel is, komt in plaats van de intake bij de afzonderlijke organisaties. Doel van deze centrale intake:

  • 1.

    Vroegtijdig inzet van de benodigde deskundigheid in het hulpverleningsproces;

  • 2.

    Versterking van gedeeld eigenaarschap op casusniveau, met name bij complexe casussen;

  • 3.

    Voorkomen en verminderen van onnodige vertraging en wachttijden voor jeugdige en gezinnen in ingewikkelde omstandigheden.

De centrale intake is uiterlijk per 1 januari 2026 operationeel.

(Onderwijs)urennorm dagvoorzieningen

In de regio zal de (onderwijs)urennorm voor dagvoorzieningen worden geïntroduceerd. Voor de dagvoorzieningen betekent dit dat een urenrichtlijn wat betreft de aanwezigheid op de voorzieningen in lijn wordt gebracht met de door het ministerie van OCW vastgestelde onderwijs-urennorm. Deze norm zal worden vastgesteld voor een periode van 3 jaar maar kan worden aangepast als het ministerie de norm bijstelt. De onderwijs-urennorm is vanaf 2024 operationeel.

Uitsluitings- en afwegingslijst

Op alle in dit documenten beschreven diensten zijn in beginsel - maar niet uitsluitend -de criteria uit de uitsluitings- en afwegingslijst van toepassing. Zie hoofdstuk 7. Deze lijst biedt handvatten voor het beoordelen van aanvragen en het maken van zorgvuldige afwegingen binnen het jeugdhulpaanbod.

Jeugdhulpvervoer

Het product jeugdhulp vervoer is niet opgenomen in deze dienstenomschrijving.

Op grond van artikel 2.3 lid 2 van de Jeugdwet zijn gemeenten verplicht om jeugdhulpvervoer te organiseren voor jeugdigen, die om medische redenen of beperkingen in de zelfredzaamheid hierop zijn aangewezen. Het college beslist over de noodzaak voor de inzet van deze voorziening. In Zuid-Holland Zuid worden deze verwijzingen door Stichting Jeugdteams ZHZ uitgevoerd

Conform het geldende delegatiebesluit heeft de SOJ ZHZ de vervoersvoorziening middels een Europese aanbestedingen separaat in de markt gezet. Hiermee wordt voorzien in de vervoersvoorziening voor jeugdigen. Jeugdhulpvervoer wordt derhalve niet belegd bij jeugdhulpaanbieders en maakt geen onderdeel uit dienstomschrijvingen. Dit betekent dat jeugdhulpvervoer dat door aanbieders wordt georganiseerd niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Voor vragen omtrent vervoer kunnen jeugdhulpaanbieders zich richten tot Stichting Jeugdteams/het lokale team van de gemeente. Indien nodig stemt Stichting jeugdteams/het lokale team van de gemeente af met SOJ ZHZ en/of Stroomlijn (de regionale regiecentrale voor vervoer). Meer informatie is te vinden in de vervoersregeling op de website van de SOJ ZHZ.

Overige voorzieningen

Jeugdhulp lokaal – overige voorziening

Met jeugdhulp naar voren hebben gemeenten de lokale infrastructuur versterkt door deskundigheid naar voren te halen en zelf te contracteren. De inhoud en omvang van deze deskundigheid kan variëren per gemeente. Initiatief tot en regie op deze lokale contractering ligt bij de gemeenten.

Hoofdstuk 2: Jeugdhulp zonder verblijfscomponent

Inleiding

Jeugdhulp wordt doorgaans uitgevoerd in de dagelijkse leefomgeving van het gezin of op de locatie van de aanbieder. Jeugdhulp kan ook worden gecombineerd met vormen van jeugdhulp met verblijf, zoals dagvoorzieningen met een 24-uurs verblijfsvoorziening. Wanneer de hulpvraag van de jeugdige vraagt om aanvullende begeleiding of behandeling naast de verblijfsvoorziening (bed of stoel), is het mogelijk om verschillende diensten per jeugdige te combineren. Basisvoorzieningen van dag- en verblijfsdiensten kunnen niet worden uitgebreid met aanvullende diensten uit dit hoofdstuk.

Een uitzondering hierop de geldt voor de inzet van jeugdhulp binnen het (speciaal) onderwijs. Begeleiding en behandeling op school dienen altijd via Jeugdhulp op school te worden ingezet. Alleen wanneer deze voorziening niet beschikbaar is kan een dienst uit deze dienstomschrijvingen worden gedeclareerd, mits er een geldige wettelijke verwijzing aanwezig is.

Niet declarabele activiteiten

In hoofdstuk 7 van deze dienstomschrijving is een overzicht opgenomen van activiteiten die niet declarabel zijn binnen de producten in dit hoofdstuk.

Jeugdhulp in groepsverband

Jeugdigen leren van volwassenen én van elkaar en hetzelfde geldt voor ouders. Om dit onderlinge leren te bevorderen en ook om te stimuleren dat de uitgevoerde interventie bijdraagt aan het ontwikkelen en bouwen van een netwerk (zoals lotgenotencontact, herkenning en herstel), is het uitvoeren van begeleiding en behandeling in groepsverband voorliggend op individuele jeugdhulp. Hiermee worden niet de diensten bedoeld die vallen onder dagbesteding of dagbehandeling. Dit betreft gestructureerde dagdeelactiviteiten die doorgaans plaatsvinden op een speciaal ingerichte locatie van de aanbieder. Groepsgerichte jeugdhulpinterventies kunnen betrekking hebben op onderdelen van het programma, maar ook op het geheel. Centraal staat dat de interventie bijdraagt aan het doel van de jeugdige en/of het gezin. De bedoeling is om gezamenlijk de beweging te maken van individuele (dure) jeugdhulp naar groepsgerichte jeugdhulp, en op deze manier de jeugdhulp betaalbaar en beschikbaar te houden.

Jeugdhulp op School (JOS)

JOS is een individuele voorziening die scholen in staat stelt jeugdhulp binnen de school te organiseren als onderdeel van de ondersteuningsstructuur. Door de deskundigheid van de jeugdhulpaanbieders hieraan toe te voegen, wordt de ondersteuning versterkt. De samenwerkingsverbanden kiezen hiervoor een preferente jeugdhulpaanbieder. Vooralsnog is JOS beschikbaar op scholen voor het speciaal basis- , voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs.

Op verzoek van de samenwerkingsverbanden in het werkgebied Zuid-Holland Zuid worden contracten gesloten met door hen aangewezen preferente jeugdhulpaanbieders.

Resultaatgebieden

  • Elke jeugdige volgt een vorm van onderwijs;

  • Jeugdhulp op school maakt onderdeel uit van het integraal onderwijs perspectiefplan onder regie van de school waarbij een optimaal onderwijsklimaat wordt beoogd en schooluitval wordt voorkomen.

Activiteiten (niet uitputtend)

Jeugdhulp die wordt geleverd op de groep of op locatie van de school waar de jeugdige onderwijs volgt is onderdeel van het onderwijs perspectiefplan (OPP). Als een leerling extra ondersteuning nodig heeft, bovenop de basisondersteuning zoals beschreven in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband, dient een OPP te worden opgesteld. Vanuit de Wet Passend Onderwijs heeft school de verplichting om een OPP op te stellen. Het OPP dient door school in gezamenlijkheid met ouders te worden opgesteld. Ouders moeten instemming verlenen op het handelingsdeel (de individuele ondersteuning die de leerling krijgt).De concrete activiteiten worden, binnen de kaders van de overeenkomst, in samenwerking met de samenwerkingsverbanden, scholen en poortwachters vastgesteld.

Jeugdhulp op school is niet bedoeld voor:

  • Het aanleren van didactische kennis, inzichten of vaardigheden die samenhangen met de leerdoelen van jeugdige.

  • Het financieren van preventieve activiteiten, zoals sociale vaardigheidstrainingen, Rots & Water trainingen, weerbaarheidstrainingen, coachingsgesprekken en vergelijkbare interventies. Deze vallen onder het lokale preventiebeleid van de gemeenten.

  • Het aanbieden van scholing of training gericht op deskundigheidsbevordering van leerkrachten. Deze vallen onder het reguliere scholingsbeleid van de school of het samenwerkingsverband.

Verwijzing

JOS is een individuele voorziening. De toetsing op de inzet is belegd bij de poortwachters. De poortwachters zijn een team van tenminste twee personen namelijk een vertegenwoordiger van het samenwerkingsverband en een vertegenwoordiger van de lokale toegangsorganisatie.

Jeugdhulp op School

Normenkader

Wanneer er sprake is van dreigend schooluitval, gelden binnen JOS de volgende normen:

  • a)

    De beoordeling van dreigende schooluitval is belegd bij de poortwachter van de lokale (gemeentelijke) toegang.

  • b)

    Er geldt een maximum van 6 uur jeugdhulp per jeugdige per week, gedurende maximaal 40 schoolweken per jaar.

  • c)

    Binnen deze inzet mag maximaal 2 uur per jeugdige per week bestaan uit gespecialiseerde begeleiding .

  • d)

    Per klaslokaal kan maximaal één medewerker worden toegevoegd voor het bieden van de diensten begeleiding of persoonlijke verzorging;

Overzicht

Overzicht persoonlijke verzorging, begeleiding, behandeling

Dienst

Persoonlijke verzorging

Begeleiding

Behandeling

Diagnostiek en analyse

opmerking

Ervaringsdeskundige

X

Wordt toegevoegd aan begeleidings- of behandeltraject

Consult en advies

Beschikkingsvrij en niet via berichtenverkeer

Persoonlijke verzorging

X

Begeleiding basis

X

Begeleiding regulier

X

Zo nodig ook in te zetten voor respijtzorg

Begeleiding specialistisch

X

Zo nodig ook in te zetten voor respijtzorg

Vaktherapie

X

Behandeling VG

X

Behandeling J&O

X

Curatieve zorg door kinderartsen

X

(medicamenteus)

Medicatieveiligheid

X

Basis GGZ

X

Specialistische GGZ

X

GGZ Specialistisch

Midden

X

Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 1

Forensische GGZ

X

GGZ

Hoogspecialistisch

X

Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 1

Gezinsbehandeling

X

Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 4

ED diagnostiek en behandeling

X

X

Jeugdhulp op school

X

X

X

X

Uitsluitend bij aanbieders met een contract in segment 7

Ervaringsdeskundige

Normenkader

Eenheid

Minuut

Intensiteit

Maximaal 10% van de totale tijdsinzet van jeugdhulp door jeugdhulpaanbieder, met een maximale inzet van 4 uur per week

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel

De ondersteuning die door de ervaringsdeskundige geboden wordt, is gebaseerd op herkenning, erkenning en begrip van ‘binnenuit’ en sluit aan op de principes van herstel ondersteunende zorg, methodische zelfhulp en de kernwaarden van ervaringsdeskundigheid.

De ervaringsdeskundige onderscheidt zich van andere hulpverleners doordat hij of zij ervaringskennis heeft van de methoden en het proces van jeugdige en gezinnen. Daarnaast is hij zelf een voorbeeld van hoop en empowerment.

De kerntaken van een ervaringsdeskundige zijn uitgewerkt naar verschillende taakgebieden1:

cliëntgebonden, organisatiegebonden en professiegebonden taken. In het kader van een voorziening Jeugdhulp zijn uitsluitend de cliëntgebonden taken declarabel.

De ervaringsdeskundige wordt vooral ingezet voor gezinnen en jeugdigen met meer complexe hulpvragen. De inzet van de ervaringsdeskundige is uitsluitend declarabel als aanvulling, ondersteuning en versterking van een andere dienst uit deze dienstencatalogus.

Activiteiten

De ervaringsdeskundige is in te zetten op de volgende activiteiten:

  • 1.

    De ervaringsdeskundige ondersteunt het individuele proces van de jeugdige en het gezin

    • a.

      Maakt en houdt contact en verbinding;

    • b.

      Creëert een vertrouwensband en bouwt een samenwerkingsrelatie op;

    • c.

      Nodigt uit tot dialoog;

    • d.

      Faciliteert ruimte voor het vertellen en onderzoeken van het eigen verhaal;

    • e.

      Brengt herstelkennis in;

    • f.

      Ondersteunt de opbouw van zelfbesef en eigenwaarde;

    • g.

      Ondersteunt bij het ontdekken en ontwikkelen van eigen krachtbronnen en handelingsstrategieën (ervaringskennis).

  • 2.

    De ervaringsdeskundige biedt gevraagd sociale en praktische ondersteuning.

    • a.

      Faciliteert ruimte en toegang tot hulpbronnen voor het herwinnen van zelfredzaamheid en regie;

    • b.

      Is ondersteunend bij het ontdekken van eigen mogelijkheden en voor het zelf formuleren van doelen;

    • c.

      Kan motiveren tot het nemen van eigen initiatief en ondersteunen bij het realiseren daarvan;

    • d.

      Ondersteunt bij het zoeken naar andere mogelijkheden voor hulp binnen en buiten de professionele jeugdhulp;

    • e.

      Ondersteunt bij het organiseren van het persoonlijk netwerk, bv. door ondersteuning bij inzet van eigen krachtconferenties en maatschappelijke steunsystemen;

    • f.

      Kan in regie en belang van de jeugdige/ ouders de zorg kortdurend overnemen als iemand daar meer bij gebaat blijkt te zijn, komt hier altijd op terug;

    • g.

      Doet wat aan de orde is en biedt gevraagde praktische en sociale steun, bv. door bezoek aan huis, praktische hulp, het gezamenlijk ondernemen van ontspannende activiteiten, begeleiden bij bezoek aan maatschappelijke instellingen of instanties;

    • h.

      Ondersteunt bij bemiddeling en conflicthantering met derden;

    • i.

      Biedt ondersteuning bij en tijdens crisismomenten vanuit gemaakte afspraken;

    • j.

      De ervaringsdeskundige begeleidt mensen in groepsverband in hun jeugdhulpproces.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen en gezinnen met meervoudige problematiek

De ervaringsdeskundige wordt vooral ingezet voor:

  • 1.

    Gezinnen met problematiek op meerdere levensgebieden

    (richtlijn: minimaal 3 leefgebieden van de ZRM);

  • 2.

    Jeugdigen met problematiek op meerdere levensgebieden.

Resultaat

Type resultaat

De inzet van een ervaringsdeskundige voor jeugdige of ouders beoogt bij te dragen aan een aantal gestelde doelen:

  • 1.

    De jeugdige en de ouders worden gesteund in hun proces van acceptatie en verwerking. Hierdoor zijn ze meer ontvankelijk voor de noodzakelijke verandering/ hulp;

  • 2.

    De geboden specialistische jeugdhulp sluit beter aan bij de jeugdige/ het gezin;

  • 3.

    Door de laagdrempeligheid en de te ontwikkelen vertrouwensband wordt het beeld van de mogelijkheden van de jeugdige, het gezin en hun netwerk, verrijkt met meer verfijnde kennis.

Dienst specifieke eisen

  • 1.

    De inzet van de ervaringsdeskundige is uitsluitend facturabel als aanvulling, ondersteuning en versterking van een andere dienst uit deze dienstencatalogus

  • 2.

    De ervaringsdeskundige voldoet tenminste aantoonbaar aan het competentieprofiel opgesteld door het Trimbos instituut met betrekking tot het cliëntgebonden taakgebied.2 Hiertoe is tenminste een voor jeugdhulp relevante cursus gevolgd tot ervaringsdeskundige, zoals 'Werken met eigen ervaring', Herstellen doe jezelf', de ‘TOED’ training of de ‘Expex’ training.

    De ervaringsdeskundige

    • a.

      neemt tenminste twee keer per jaar deel aan activiteiten voor deskundigheidsbevordering;

    • b.

      maakt onderdeel uit van een (regionaal netwerk) van ervaringsdeskundigen waarbinnen intervisie geborgd is;

    • c.

      ontvangt supervisie van een SKJ of BIG geregistreerde jeugdhulpverlener, bij voorkeur met ervaringskennis.

Functieprofiel

n.v.t.

Functiemix

n.v.t.

Dienstverlening consult en advies

Normenkader

Eenheid

Minuten

Inleiding

Een belangrijk doel van de Jeugdwet is dat deskundigheid van specialisten vroegtijdig en (thuis)nabij beschikbaar is, voor het gezin en de jeugdige. In de gesprekken met de aanbieders kwam naar voren dat in voorkomende gevallen de bekostiging een belemmering was om de beschikbare deskundigheid dichtbij te brengen. Namelijk wanneer een aanbieder een consult of advies geeft voor een jeugdige die geen hulp ontvangt of gaat ontvangen van deze aanbieder. Deze dienstverlening consultatie en advies is toegevoegd aan de declaratiemogelijkheden, zodat de inspanning voor een jeugdige gedeclareerd kan worden.

Omschrijving

Type dienst

NVT

Door consult en advies wordt aanvullende specifieke kennis en ervaring ingezet om tot een goede duiding van problematiek te komen. Opdrachtnemer wordt gevraagd om gericht mee te denken over een vraagstuk/casus, het beoordelen van de hulpvraag en inzet van passende jeugdhulp/ ondersteuning terwijl de jeugdige niet bij opdrachtnemer in zorg is. Jeugdige en/of ouders zijn geïnformeerd over het gevraagde consult. Het betreft nadrukkelijk het wisselen en kennis en informatie ten gunste van de probleemanalyse en/of het komen tot vervolgstappen voor passende hulpverlening.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdhulpprofessionals, waarbij de beschikbare kennis- en kunde binnen de eigen organisatie incidenteel onvoldoende is in relatie tot de hulpvraag van de jeugdige/ het gezin.

Resultaten

Type resultaat

Een integrale, eventueel tussentijdse (probleem)analyse en heldere vervolgstappen voor de jeugdige en het gezin.

Dienst specifieke eisen

  • 1.

    Dit product betreft niet: intervisie, coaching, kennisuitwisseling zonder dat een jeugdige/gezin betrokken is, reguliere nazorg, intern casuïstiekoverleg, reguliere en telefonische afstemming met jeugdhulpaanbieder (zie ook definitie multidisciplinair netwerk);

  • 2.

    Zodra een jeugdhulpaanbieder een jeugdhulpproduct biedt aan jeugdige/gezin, kan ‘consultatie en advies’ niet meer (separaat) worden gedeclareerd. Consultatie en advies maken dan onderdeel uit van de geboden jeugdhulp;

  • 3.

    Reguliere afstemming die plaatsvindt in het kader van toeleiding, aanmelding en acceptatie van een jeugdige kan niet als advies en consult gedeclareerd worden. Hiermee is rekening gehouden in de reguliere tariefopbouw van de verschillende diensten.

  • 4.

    Consult en advies kan een zorgaanbieder één keer per jaar indienen bij de SOJ. Het format wordt maximaal één keer per jaar verwerkt. Correcties en/of aanvullingen op het ingediende format worden niet meer in behandeling genomen.

  • 5.

    Zorgaanbieders dienen de gedeclareerde bedragen voor Consult & Advies op te nemen in de productieverantwoording. Deze bedragen dienen ook onderdeel uit te maken van de controleverklaring van aanbieder. Indien dit niet is verantwoord op de hiervoor beschreven werkwijze, worden uitbetaalde bedragen teruggevorderd.

  • 6.

    Voor het indienen van consult en advies mag er per overleg één behandelaar opgegeven worden.

  • 7.

    Netwerkbijeenkomsten tussen zorgaanbieder en Stichting jeugdteams zijn geen onderdeel van de dienst consult en advies.

Functieprofiel

Functiemix

Alle professionals die voldoen aan de kwaliteitseisen gesteld door de Jeugdwet en werken bij een gecontracteerde aanbieder.

Regiebehandelaar

Nee

Persoonlijke verzorging

Normenkader

Eenheid

Minuut

Duur

Niet van toepassing

Intensiteit

Niet van toepassing

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel

Persoonlijke verzorging richt zich op de ontwikkeling of stabiliseren van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg om een tekort aan zelfredzaamheid op te lossen door het aanleren van vaardigheden zodat de jeugdige zo zelfstandig mogelijk kan deelnemen aan de samenleving. De inzet van persoonlijke verzorging is tevens mogelijk om het gezin tijdelijk te ondersteunen omdat de draagkracht/draaglast binnen het gezin is verstoord of om de maatschappelijke participatie van ouders mogelijk te maken. De hulp vindt plaats in de thuissituatie. De persoonlijke verzorging wordt thuis en zo nodig buiten kantoortijden uitgevoerd, als ouders niet in staat zijn deze verzorging zelf te bieden.

Activiteiten

  • Het ondersteunen bij, stimuleren van, het aanleren van of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging;

  • Risicovolle handelingen: dit zijn veelal handelingen die bij onbekwaam en onzorgvuldig handelen vrijwel zeker tot gezondheidsschade zullen leiden. Voorbeelden zijn het toedienen van medicatie via een infuus of sonde.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen 0 – 18 jaar

Jeugdigen die extra ondersteuning nodig hebben bij de dagelijkse verzorging als wassen/douchen, aankleden, eten en drinken, toedienen van medicatie en toiletbezoek. Het betreft ondersteuning die niet door ouders, leerkrachten of jeugdprofessionals kan worden geleverd.

Resultaten

Type resultaat

De zelfredzaamheid van de jeugdige/ het gezin m.b.t. zelfzorg van de jeugdige is toegenomen.

Dienst specifieke eisen

  • 1.

    Persoonlijke verzorging vanuit de Jeugdwet bekostigd, kan uitsluitend ingezet worden, als geen beroep gedaan kan worden op de WLZ of de zorgverzekeringswet.

  • 2.

    Persoonlijke verzorging dat wordt vergoed vanuit de zorgverzekeringswet betreft verpleging en verzorging. https://www.schulinck.nl/infographic/persoonlijke-verzorging-valt-het-onder-de-wmo-2015zvw-of-de-jeugdwet/

  • 3.

    Wanneer persoonlijk verzorging onderdeel is van een ander product (diensten jeugdhulp met verblijf), kan niet separaat dit product ingezet worden, tenzij er specifiek sprake is van de eerdergenoemde risicovolle handelingen;

  • 4.

    De jeugdhulpaanbieder heeft, wanneer er sprake is van de uitvoering van risicovolle handelingen, een ‘bevoegdheidsregeling’, waarbij aangegeven wordt welke handelingen (protocollen) getoetst worden en hoe vaak;

  • 5.

    Persoonlijke verzorging op school is onderdeel van Jeugdhulp op school wanneer Jeugdhulp op school operationeel is op de betreffende school;

  • 6.

    Uitreiking van medicatie, het aan-en afkoppelen van sondevoeding tijdens lesuren is een verantwoordelijkheid van de school/ouders zelf en valt niet onder de jeugdhulp, tenzij dit deel uitmaakt van de totale ondersteuning van de ADL.

Functieprofiel

MBO

Functiemix

De uitvoering vindt tenminste plaats door een MBO verzorgende.

Regiebehandelaar

Nee

Begeleiding basis

Normenkader

Eenheid

Minuut

Duur

Maximaal 18 maanden

Intensiteit

Maximaal 182 uur per jaar (maand 13 t/m 18 mag max. 91 uur)

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel of als groepsdienst

De ondersteuning richt zich op:

  • Het aanbrengen of behouden van regie en structuur (coachen en stimuleren)

  • Het aanleren of behouden van vaardigheden in het dagelijks leven (meehelpen)

  • Het stabiliseren van een ernstig ontregelde thuissituatie (regisseren en samen aan de slag)

Voorwaarde is dat altijd systeemgericht wordt gewerkt op alle leefgebieden.

Begeleiding basis is gericht op het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. De in te zetten hulp is doelmatig met een passende (personele) inzet om de in het gezinsplan en/of begeleidingsplan gestelde doelen te bereiken en de leefbaarheid te optimaliseren.

Begeleiding basis is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van het lokale team mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden voor een maximale periode van een half jaar voor maximaal 2 uur per week. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk, omgeving en gemeentelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. Afwijking op deze richtlijn is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team.

Activiteiten

Onder begeleiding basis kunnen onder andere de volgende activiteiten vallen:

  • 1.

    Verbeteren en/of stabiliseren opgroeiomgeving;

  • 2.

    Advies aan en begeleiding van jeugdigen, ouders/verzorgers en hun netwerk;

  • 3.

    Leren omgaan met een beperking en/of stoornis;

  • 4.

    Oefenen, inslijten en generaliseren van (opvoed)vaardigheden;

  • 5.

    Aanbrengen van dag-structuur.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0 tot 18 jaar en hun ouders

Begeleiding basis richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:

  • 1.

    Jeugdige/gezin ondervindt matige opgroei-, opvoed- en/of gedragsproblemen;

  • 2.

    Jeugdige heeft een (licht) verstandelijke of fysieke beperking en/of psychische stoornis;

  • 3.

    Jeugdige (incl. het gezin) met beperkt regieverlies, en (redelijk) voorspelbare situatie, matige complexiteit, (redelijk) ziekte-inzicht en stabiel medicatiegebruik.

Resultaten

Type resultaat

De beoogde resultaten van de jeugdhulp liggen op de volgende gebieden:

  • 1.

    De opvoed- en opgroeisituatie is gestabiliseerd of verbeterd;

  • 2.

    De gedragsproblemen zijn verminderd;

  • 3.

    De jeugdige functioneert en ontwikkelt zich zo leeftijdsadequaat als mogelijk;

  • 4.

    De ontwikkeling van de jeugdige is zo veel als mogelijk gestimuleerd;

  • 5.

    Jeugdigen/ouders/(pleeg)gezin weten in het dagelijks leven om te gaan met een specifieke gedragsstoornis en/of beperking;

  • 6.

    Dreiging van terugval wordt tijdig gesignaleerd en waar mogelijk met gerichte inzet zo veel mogelijk voorkomen;

  • 7.

    Jeugdige kan thuis blijven wonen;

  • 8.

    De zelfredzaamheid van jeugdigen en (pleeg) gezinnen is zoveel als mogelijk vergroot;

  • 9.

    Het netwerk om het gezin is zodanig versterkt dat zij zonder professionele jeugdhulp verder kunnen (bijvoorbeeld ook door het activeren van een vrijwillig netwerk);

  • 10.

    De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan;

  • 11.

    Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Methodisch, practice based

Om tot een juiste afgestemde begeleiding te komen kan het nodig zijn om op basis van de vraaganalyse vanuit het lokale team of een andere verwijzer, een nadere inventarisatie te maken van de krachten en de problemen van de jeugdige, het gezin en het netwerk evenals van de factoren die de klachten positief of negatief beïnvloeden c.q. in stand houden. Zie de uitsluitingslijst (hoofdstuk 7) voor activiteiten die niet declarabel zijn.

Functieprofiel

MBO (+)

Functiemix

  • MBO-registerplein sociaal werker

  • Ondersteungingsplan wordt opgesteld onder verantwoordelijkheid van SKJ geregistreerde HBO-jeugd- en gezinsprofessional of gedragswetenschapper.

Regiebehandelaar

Nee

Groepsgrootte

2-8

Begeleiding regulier

Normenkader

Eenheid

Minuut

Duur

Maximaal 18 maanden

Intensiteit

Maximaal 182 uur per jaar (maand 13 t/m 18 mag max. 91 uur)

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel of als groepsdienst. Groepsdienst is voorliggend op individuele jeugdhulp.

De ondersteuning richt zich op:

  • Het aanbrengen of behouden van regie en structuur (coachen en stimuleren)

  • Het aanleren of behouden van vaardigheden in het dagelijks leven (meehelpen)

  • Het stabiliseren van een ernstig ontregelde thuissituatie (regisseren en samen aan de slag)

Voorwaarde is dat altijd systeemgericht wordt gewerkt op alle leefgebieden.

Begeleiding regulier is gericht op het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. De in te zetten hulp is doelmatig met een passende (personele) inzet om de in het gezinsplan en/of begeleidingsplan gestelde doelen te bereiken en de leefbaarheid te optimaliseren.

Begeleiding regulier is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van het lokale team mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend. Financiering vanuit de Wmo is voorliggend op financiering vanuit de Jeugdwet. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden voor een maximale periode van een half jaar voor maximaal 2 uur per week. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk, omgeving en gemeentelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. Afwijking op deze richtlijn is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team.

Activiteiten

Onder begeleiding regulier kunnen onder andere de volgende activiteiten vallen:

  • 1.

    Verbeteren en/of stabiliseren opgroeiomgeving;

  • 2.

    Advies aan en begeleiding van jeugdigen, ouders/verzorgers en hun netwerk;

  • 3.

    Leren omgaan met een beperking en/of stoornis;

  • 4.

    Oefenen, inslijten en generaliseren van (opvoed)vaardigheden;

  • 5.

    Aanbrengen van dagstructuur.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0 tot 18 jaar en hun ouders

Begeleiding regulier richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:

  • 1.

    Jeugdige/gezinnen met een ernstig tekortschietende zelfregie;

  • 2.

    Sociaal- emotionele problematiek;

  • 3.

    Waar sprake is van complexe en/of meervoudige problematiek.

Resultaten

Type resultaat

De beoogde resultaten van de jeugdhulp liggen op de volgende gebieden:

  • 1.

    De opvoed- en opgroeisituatie is gestabiliseerd of verbeterd;

  • 2.

    De gedragsproblemen zijn verminderd;

  • 3.

    De jeugdige functioneert en ontwikkelt zich zo leeftijdsadequaat als mogelijk;

  • 4.

    De ontwikkeling van de jeugdige is zo veel als mogelijk gestimuleerd;

  • 5.

    Jeugdigen/ouders/(pleeg)gezin weten in het dagelijks leven om te gaan met een specifieke gedragsstoornis en/of beperking;

  • 6.

    Dreiging van terugval wordt tijdig gesignaleerd en waar mogelijk met gerichte inzet zo veel mogelijk voorkomen;

  • 7.

    Jeugdige kan thuis blijven wonen;

  • 8.

    De zelfredzaamheid van jeugdigen en (pleeg) gezinnen is zoveel als mogelijk vergroot;

  • 9.

    Het netwerk om het gezin is zodanig versterkt dat zij zonder professionele jeugdhulp verder kunnen. (Bijvoorbeeld ook door het activeren van een vrijwillig netwerk);

  • 10.

    De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan;

  • 11

    Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Methodisch, practice based

Om tot een juiste afgestemde begeleiding te komen kan het nodig zijn om op basis van de vraaganalyse vanuit het lokale team of een andere verwijzer, een nadere inventarisatie te maken van de krachten en de problemen van de jeugdige, het gezin en het netwerk evenals van de factoren die de klachten positief of negatief beïnvloeden c.q. in stand houden. Zie de uitsluitingslijst (hoofdstuk 7) voor activiteiten die niet declarabel zijn.

Functieprofiel

HBO

Functiemix

  • Uitvoering wordt verricht door een minimaal HBO opgeleide SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessional.

  • De regievoering en inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door minimaal een SKJ geregistreerde gedragswetenschapper/gedragsdeskundige (orthopedagoog, ontwikkelingspsycholoog of psycholoog met afstudeerrichting klinische psychologie).

  • Bij EMB-kinderen kan ook een Arts Verstandelijk Gehandicapten (AVG) deze rol vervullen.

  • De inzet wordt geleverd vanuit tenminste een multidisciplinair netwerk.

    Een gedragsdeskundige (WO- geschoold) is beschikbaar voor consultatie en advies en ondersteuning van de uitvoerend professional.

Regiebehandelaar

Nee

Groepsgrootte

2-8

Begeleiding specialistisch

Normenkader

Tarief & eenheid

Minuut

Duur

Maximaal 18 maanden

Intensiteit

Maximaal 182 uur per jaar (maand 13 t/m 18 mag max. 91 uur)

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel

De ondersteuning richt zich op:

  • Het aanbrengen of behouden van regie en structuur (coachen en stimuleren)

  • Het aanleren of behouden van vaardigheden in het dagelijks leven (meehelpen)

  • Het stabiliseren van een ernstig ontregelde thuissituatie (regisseren en samen aan de slag)

Voorwaarde is dat altijd systeemgericht wordt gewerkt op alle leefgebieden.

Begeleiding specialistisch is gericht op het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. De in te zetten hulp is doelmatig met een passende (personele) inzet om de in het gezinsplan en/of begeleidingsplan gestelde doelen te bereiken en de leefbaarheid te optimaliseren.

Begeleiding specialistisch is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van het lokale team mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend. Financiering vanuit de Wmo is voorliggend op financiering vanuit de Jeugdwet. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden voor een maximale periode van een half jaar voor maximaal 2 uur per week. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk, omgeving en gemeentelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. Afwijking op deze richtlijn is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team.

Tijdelijk overnemen van regie op de opvoeding

Ouders kunnen door diverse (vaak een combinatie van) omstandigheden (tijdelijk) de regie in de opvoeding kwijtraken. Er is een disbalans ontstaan tussen de opvoedingscapaciteiten van de ouders en ontwikkelingsbehoeften van de jeugdige. De aanbieder neemt tijdelijk deze rol over van ouders. Van belang is te onderzoeken of er ondersteunende factoren zijn in de omgeving van het gezin die bijdragen aan het terugbrengen van de balans. In sommige gevallen is dat niet beschikbaar en kan met de (tijdelijke) ondersteuning van een jeugdhulpaanbieder hieraan worden bijgedragen.

Activiteiten

Er is altijd sprake van tijdelijk overnemen van regie op de opvoeding

Verder kunnen onder begeleiding specialistisch onder andere de volgende activiteiten vallen:

  • 1.

    Verbeteren en/of stabiliseren opgroeiomgeving;

  • 2.

    Advies aan en begeleiding van jeugdigen, ouders/verzorgers en hun netwerk;

  • 3.

    Leren omgaan met een beperking en/of stoornis;

  • 4.

    Oefenen, inslijten en generaliseren van (opvoed)vaardigheden;

  • 5.

    Aanbrengen van dagstructuur.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0 tot 18 jaar en hun ouders

Begeleiding specialistisch richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:

  • 1.

    Jeugdige/gezinnen met een (zeer) ernstig tekortschietende zelfregie;

  • 2.

    Ernstige tot zeer ernstige sociaal- emotionele problematiek;

  • 3.

    Waar sprake is van complexe en/of meervoudige problematiek;

  • 4.

    Vanwege de aard van de problematiek/ ondersteuning is specialistische inzet vereist die gericht is op het stabiliseren van de situatie en coördinatie van de opvoeding in het gezin.

Resultaten

Type resultaat

De beoogde resultaten van de jeugdhulp liggen op de volgende gebieden:

  • 1.

    De opvoed- en opgroeisituatie is gestabiliseerd of verbeterd;

  • 2.

    De gedragsproblemen zijn verminderd;

  • 3.

    De jeugdige functioneert en ontwikkelt zich zo leeftijdsadequaat als mogelijk;

  • 4.

    De ontwikkeling van de jeugdige is zo veel als mogelijk gestimuleerd;

  • 5.

    Jeugdigen/ouders/(pleeg)gezin weten in het dagelijks leven om te gaan met een specifieke gedragsstoornis en/of beperking;

  • 6.

    Dreiging van terugval wordt tijdig gesignaleerd en waar mogelijk met gerichte inzet zo veel mogelijk voorkomen;

  • 7.

    Jeugdige kan thuis blijven wonen;

  • 8.

    De zelfredzaamheid van jeugdigen en (pleeg) gezinnen is zoveel als mogelijk vergroot;

  • 9.

    Het netwerk om het gezin is zodanig versterkt dat zij zonder professionele jeugdhulp verder kunnen. (Bijvoorbeeld ook door het activeren van een vrijwillig netwerk);

  • 10.

    De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan;

  • 11

    Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Methodisch, bij voorkeur evidence based

  • 1.

    Om tot een juiste afgestemde begeleiding te komen kan het nodig zijn om op basis van de vraaganalyse vanuit het lokale team of een andere verwijzer, een nadere inventarisatie te maken van de krachten en de problemen van de jeugdige, het gezin en het netwerk evenals van de factoren die de klachten positief of negatief beïnvloeden c.q. in stand houden.

  • 2.

    Zie de uitsluitingslijst (hoofdstuk 7) voor activiteiten die niet declarabel zijn

  • 3.

    Er worden therapeutische (erkende) interventies ingezet.

  • 4.

    Deze dienst kan alleen als individueel ambulante dienst geboden worden.

Functieprofiel

HBO WO

Functiemix

  • Uitvoering wordt verricht door een combinatie van HBO en WO opgeleide SKJ of BIG geregistreerde jeugd- en gezinsprofessionals.

  • De regievoering en inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door minimaal een SKJ geregistreerde gedragswetenschapper/gedragsdeskundige (orthopedagoog, ontwikkelingspsycholoog of psycholoog met afstudeerrichting klinische psychologie).

  • Bij EMB-kinderen kan ook een Arts Verstandelijk Gehandicapten (AVG) deze rol vervullen.

  • De inzet wordt geleverd vanuit tenminste een multidisciplinair netwerk.

  • Een gedragsdeskundige (WO- geschoold) is beschikbaar voor consultatie en advies en ondersteuning van de uitvoerend professional.

Regiebehandelaar

ja

Vaktherapie

Normenkader

Tarief & eenheid

Minuut

Duur

Maximaal 1 jaar

Intensiteit

Maximaal 30 uur (Als de ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale inzet.)

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel, mag ook als groepsdienst worden aangeboden

Vaktherapie is een manier van behandelen van psychosociale en psychische problematiek, verwerken van trauma waarbij de nadruk ligt op doen en ervaren, en minder op praten. Onder vaktherapie vallen:

  • beeldende therapie;

  • danstherapie;

  • dramatherapie;

  • muziektherapie;

  • psychomotorische kindertherapie;

  • speltherapie.

Vaktherapie biedt de jeugdige de mogelijkheid te communiceren en zich te uiten, daar waar hij dit verbaal nog niet kan. Daarnaast geeft het jeugdige de mogelijkheid spanning te ontladen en gevoelens te uiten. Daardoor kunnen zij hun ervaringen verwerken en experimenteren met vormen van nieuw gedrag. Vaktherapie mag alleen worden ingezet als onderdeel van een gehele behandeling en kan dus niet als zelfstandig los product worden ingezet.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen tot18 jaar

Vaktherapie wordt vooral gebruikt door jeugdigen van 4 – 12 jaar en richt zich op jeugdigen en hun ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:

  • 1.

    Jeugdige/gezin ondervindt matige tot ernstige opgroei-, opvoed- en/of gedragsproblemen;

  • 2.

    Jeugdige heeft een (licht) verstandelijke of fysieke beperking en/of psychische stoornis.

Resultaten

Type resultaat

  • Aanleren van vaardigheden/ nieuw gedrag voor jeugdige en ouders

  • Verwerkt trauma

afbeelding binnen de regeling

Dienst specifieke eisen

Functieprofiel

H BO of master NVAO erkend

Functiemix

Regiebehandelaar

Nee

  • 1.

    Vaktherapeuten hebben een door de NVAO erkende opleiding gevolgd, een door de verenigingen erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding;

  • 2.

    In afwijking op de contractueel vastgelegde verplichting tot SKJ/BIG registratie: Vrijgevestigde vaktherapeuten dienen als 'geregistreerd' of 'senior geregistreerd' vermeld te staan in het Register Vaktherapie dat valt onder de Federatie Vaktherapeutische Beroepen (FVB); Opdrachtgever controleert dit door middel van raadpleging van het Register Vaktherapie;

  • 3.

    Zie de uitsluitingslijst voor activiteiten die niet declarabel zijn.

  • 4.

    De dienst Vaktherapie is altijd onderdeel van een totale behandeling en kan niet als losstaande dienst worden ingezet.

Behandeling VG

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

Maximaal 1 jaar

Intensiteit

Maximaal 65 uur

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel, mag ook als groepsproduct worden aangeboden.

Behandeling is gericht op het leren van nieuw gedrag/vaardigheden van de jeugdigen en opvoedvaardigheden van de ouders/verzorgers. Een aantal kenmerken van dit product:

  • 1.

    Behandeling vindt altijd plaats vanuit een multidisciplinair team;

  • 2.

    Is relatief kortdurend;

  • 3.

    Maakt gebruik van Evidence based methodieken.

Wanneer de behandeling binnen de gestelde tijd onvoldoende tot het gewenste resultaat leidt, wordt actief overwogen een vorm van begeleiding of gezinsbehandeling in te zetten.

Bij een levenslange en levensbrede noodzaak tot ondersteuning en hulp wordt een afwijking van het normenkader actief overwogen. Bij voorkeur wordt dit besluit genomen voor start zorg (zie normenkader hoofdstuk 1).

Activiteiten (niet uitputtend)

  • 1.

    Multidisciplinair onderzoek om helder te krijgen wat de situatie is van de jeugdige met betrekking tot cognitieve, psychische en gedrag gerelateerde problemen;

  • 2.

    Functionele diagnostiek door een gedragswetenschapper;

  • 3.

    (Kortdurende) behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag. Deze nieuw aan te leren vaardigheden of het gedrag richten zich op het terugdringen van stoornissen en beperkingen;

  • 4.

    Verbeteren en/of stabiliseren van de opgroeiomgeving;

  • 5.

    Advies aan en begeleiding van jeugdigen, ouders/verzorgers en hun netwerk (gerichte opvoedondersteuning);

  • 6.

    Leren omgaan met een beperking en/of stoornis.

Doelgroep

Voor wie?

0 tot 18 jaar en hun ouders

Er is bij de jeugdige sprake van een blijvende stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige matige tot ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Behandeling VG richt zich op jeugdigen tot 18 jaar en hun (pleeg)ouders met één of meerdere van de volgende kenmerken:

  • 1.

    Jeugdige/(pleeg)gezin ondervindt matige tot complexe opvoed- en/of gedragsproblemen;

  • 2.

    Jeugdige heeft een (licht) verstandelijke en/of fysieke beperking en/of psychische stoornis met een sterk belemmerend effect op het dagelijks leven;

  • 3.

    Jeugdige vertoont ernstig probleemgedrag.

Resultaten

Type resultaat

Aanleren van vaardigheden/nieuw gedrag voor jeugdige en ouders

De opvoed- en opgroeisituatie is gestabiliseerd of verbeterd. Gedragsproblemen van de jeugdige zijn gestabiliseerd. Jeugdige en/of andere gezinsleden hebben nieuwe vaardigheden of gedragsalternatieven aangeleerd. Interactie binnen het gezin tussen alle gezinsleden onderling is positief en er is sprake van een

stabiele en positief opvoedklimaat. Het gezin en de jeugdige hebben voldoende handvatten om het geleerde in de praktijk te brengen.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Evidence based

  • 1.

    De behandeling vindt zoveel als mogelijk plaats in de directe leefomgeving van jeugdige (en ouders);

  • 2.

    Als behandeling onvoldoende resultaat geeft, is na akkoord van het lokale team/de GI Gezinsbehandeling of een GGZ-behandeling in te zetten;

  • 3.

    Als gedurende de behandelperiode onvoldoende tijd resteert om het geleerde in te slijpen en/of te generaliseren kan zo nodig, na akkoord van het lokale team/de GI, begeleiding ingezet worden;

  • 4.

    De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en/of aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan;

  • 5.

    Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind.

  • 6.

    Er wordt intensief samengewerkt met het onderwijs om tijdige in- en doorstroom naar passend onderwijs te realiseren.

Functieprofiel

HBO/WO/WO+/SKJ of BIG geregistreerd

Functiemix

Vanuit een multidisciplinair team (zie inleiding) en onder regie van een SKJ geregistreerde Orthopedagoog generalist, een SKJ geregistreerde Kinder- en Jeugd psycholoog en/of een arts verstandelijk Gehandicapten.

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

2-8

Behandeling J&O

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

Maximaal 1 jaar

Intensiteit

Maximaal 65 uur

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel of als groepsproduct. Groepsproduct is voorliggend op individueel.

Behandeling is gericht op het leren van nieuw gedrag/ vaardigheden van de jeugdigen en opvoedvaardigheden van de ouders/ verzorgers. Een aantal kenmerken van dit product:

  • 1.

    Behandeling vindt altijd plaats vanuit een multidisciplinair team;

  • 2.

    Is relatief kortdurend;

  • 3.

    Maakt gebruik van evidence of practice based methodieken.

Wanneer de behandeling binnen de gestelde tijd onvoldoende tot het gewenste resultaat leidt, wordt in dialoog met het lokale team of de GI actief overwogen een vorm van begeleiding of gezinsbehandeling in te zetten.

Activiteiten

  • 1.

    Multidisciplinair onderzoek om helder te krijgen wat de situatie is van de jeugdige met betrekking tot cognitieve, psychische en gedrag gerelateerde problemen;

  • 2.

    Functionele diagnostiek door een gedragswetenschapper;

  • 3.

    (Kortdurende) behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag. Deze nieuw aan te leren vaardigheden of gedrag richten zich op het terugdringen van stoornissen en beperkingen;

  • 4.

    Verbeteren en/of stabiliseren van de opgroeiomgeving;

  • 5.

    Advies aan en begeleiding van jeugdigen, ouders/verzorgers en hun netwerk (gerichte opvoedondersteuning);

  • 6.

    Leren omgaan met een beperking en/of stoornis.

Doelgroep

Voor wie?

0 tot 18 jaar en hun ouders

Er is bij de jeugdige sprake van een tijdelijke of blijvende stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige matige tot ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Er is bij de jeugdige geen DSM benoemde stoornis vastgesteld. Behandeling J&O richt zich op jeugdigen tot 18 jaar en hun (pleeg)ouders, met één of meerdere van de volgende kenmerken:

  • 1.

    Jeugdige/(pleeg)gezin ondervindt matige tot complexe opvoed- en/of gedragsproblemen;

  • 2.

    Jeugdige vertoont ernstig probleemgedrag;

  • 3.

    Jeugdige vertoont ernstig probleemgedrag in interactie met de omgeving.

Resultaten

Type resultaat

Aanleren van vaardigheden/ nieuw gedrag voor jeugdige en ouders

De opvoed- en opgroeisituatie is gestabiliseerd of verbeterd. Gedragsproblemen van de jeugdige is gestabiliseerd. Jeugdige en/of andere gezinsleden hebben nieuwe vaardigheden of gedragsalternatieven aangeleerd. Interactie binnen het gezin tussen alle gezinsleden onderling is positief en er is sprake van een stabiele en positief opvoedklimaat. Het gezin en de jeugdige hebben voldoende handvatten om het geleerde in de praktijk te brengen.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Evidence based

  • 1.

    De behandeling vindt zoveel als mogelijk plaats in de directe leefomgeving van jeugdige (en ouders).

  • 2.

    Als behandeling onvoldoende resultaat geeft, is gezinsbehandeling of een GGZ-behandeling in te zetten;

  • 3.

    Als gedurende de behandelperiode onvoldoende tijd resteert om het geleerde in te slijpen en/of te generaliseren kan zo nodig begeleiding ingezet worden;

  • 4.

    De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan;

  • 5.

    Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind;

  • 6.

    Er wordt intensief samengewerkt met het onderwijs om tijdige in- en doorstroom naar passend onderwijs te realiseren.

Functieprofiel

HBO/WO/WO+/SKJ of BIG geregistreerd

Functiemix

Vanuit een multidisciplinair team (zie inleiding) en onder regie van een SKJ of BIG geregistreerde Orthopedagoog generalist, BIG geregistreerde GZ-psycholoog of een SKJ geregistreerde Kinder- en Jeugd psycholoog

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

2-8

Curatieve zorg door kinderartsen (Farmacotherapie kinderartsen en kinder- en jeugdpsychiaters)

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

1,5 jaar

Intensiteit

Maximaal 350 minuten

Omschrijving

Type dienst

Farmacotherapie kinderartsen en kinder- en jeugdpsychiaters: is gericht op medicamenteuze behandeling van matig, ernstige tot zeer complexe kinderpsychiatrische problematiek (bv. een depressieve stoornis, angst- en dwangstoornissen, ticstoornissen, ernstige ADHD, eetstoornissen en autisme). Nonmedicamenteuze interventies in de voorgeschiedenis hebben geen of beperkt effect gehad. De ontwikkeling van het kind of diens welbevinden is bedreigd. De in te zetten hulp is doelmatig en zo kortdurend als mogelijk.

Dit product betreft het indiceren en adviseren van medicatie bij een client, het geven van voorlichting over de effecten en mogelijke bijwerkingen van het gebruik van deze medicatie en het instellen en bijstellen van psychofarmaca. Bij complexere kinderpsychiatrische problematiek wordt vanaf het begin multimodaal behandeld. Als de medicatie-instelling wordt uitgevoerd door een kinderarts, wordt in deze situaties actief samenwerking gezocht met een deskundige collega-aanbieder die bevoegd en bekwaam is voor het uitvoeren van gedragstherapie (zie kwaliteitscriteria GGZ regulier en GGZ specialistisch).

Dit product betreft het instellen en bijstellen van psychofarmaca, evenals het geven van voorlichting over de effecten en mogelijke bijwerkingen van het gebruik van deze medicatie alsook de medicatiecontrole.

Activiteiten

De volgende activiteiten kunnen worden onderscheiden:

  • Anamnese: het verzamelen van alle noodzakelijke informatie bij de client omtrent het gebruik van medicijnen;

  • Lichamelijk onderzoek en somatische screening;

  • Gesprek met cliënt en ouders over uitslag onderzoek en afspraken voor eventueel in te zetten zorg en/of medicatie;

  • Medicatie uitleg/voorlichting (Psycho-educatie);

  • Medicatie instellen, evalueren en indien nodig bijstellen;

  • Consulteren en adviseren naar huisarts of andere verwijzer.

  • Verslaglegging naar huisarts en andere verwijzers.

Doelgroep

Voor wie?

0 tot 18 jaar en hun ouders

Jeugdigen met gedragsproblemen en psychische en/of psychiatrische stoornissen waarbij het instellen van medicatie noodzakelijk is om de belemmerende effecten van de aandoening te verminderen en de kans op herstel en ontwikkeling te bevorderen. Jeugdigen met complexe (DSM V) stoornissen die gelijktijdig nietmedicamenteuze behandeling ontvangen.

Resultaten

Type resultaat

  • Volledig of zover mogelijk verminderen van de ernst van klachten en symptomen met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden zowel thuis als op school en in de vrije tijd of hierin positieve ontwikkelingen laat zien;

  • Bestrijden of reduceren van de symptomen en belastende factoren door middel van medicijnen; • Medicatie is stabiel ingesteld en teruggeleid naar de huisarts.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Evidence based

Voor jeugdigen jonger dan 6 jaar dient men zeer terughoudend te zijn in het voorschrijven van medicatie (off label). Dit wordt dan ook alleen toegestaan voor Kinder- jeugdpsychiaters met aantoonbare ervaring met jonge jeugdigen. Na adequate instelling, wordt de medicatiecontrole overgedragen aan de huisarts met de mogelijkheid de kinder- en jeugdpsychiater of kinderarts te consulteren en desgewenst de jeugdige terug te verwijzen.

De regiebehandelaar die de medicamenteuze behandeling , is bevoegd en bekwaam ten aanzien van de medicamenteuze behandeling van gedragsproblemen en psychische en/of psychiatrische stoornissen. Deze dienst wordt uitgevoerd volgens de voor het vakgebied en de discipline geldende richtlijnen.

Deze dienst wordt uitgevoerd volgens de voor het vakgebied en de discipline geldende richtlijnen, zie https://www.ggzstandaarden.nl/.

Functieprofiel

WO/WO+

Functiemix

Regiebehandelaar

Ja

Medicatieveiligheid

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

1 jaar

Intensiteit

Maximaal 200 minuten

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel

De curatieve GGZ-zorg is gericht op medicamenteuze behandeling van lichte tot matige, licht- tot middelcomplexe ADHD of stabiele chronische problematiek. De in te zetten hulp is doelmatig en zo eenvoudig als mogelijk.

Activiteiten

De volgende activiteiten kunnen worden onderscheiden gedurende de GGZ-behandeling (niet het instellen) of voor jeugdigen welke niet meer in GGZ-behandeling zijn:

  • Medicatie monitoren, evalueren en indien nodig bijstellen;

  • Consulteren en adviseren naar huisarts of andere verwijzer.

Doelgroep

Voor wie?

0 tot 18 jaar en hun ouders

Jeugdigen met gedragsproblemen en psychische en/of psychiatrische stoornissen waarbij het monitoren evalueren en indien nodig bijlstellen van medicatie noodzakelijk is om de belemmerende effecten van de aandoening te dempen. Jeugdigen met complexe (DSM V) stoornissen.

Resultaten

Type resultaat

  • Volledig of zover mogelijk verminderen van de ernst van klachten en symptomen met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden zowel thuis als op school en in de vrije tijd of hierin positieve ontwikkelingen laat zien;

  • Bestrijden of reduceren van de symptomen en belastende factoren door middel van medicijnen;

  • Medicatie is stabiel ingesteld en teruggeleid naar de huisarts.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Evidence based

Deze dienst wordt uitgevoerd volgens de voor het vakgebied en de discipline geldende richtlijnen, zie https://www.ggzstandaarden.nl/.

Functieprofiel

HBO, VS, MSP

Functiemix

Regiebehandelaar

Ja

GGZ regulier/ generalistisch (basis GGZ)

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

Maximaal 1 jaar

Intensiteit

Maximaal 840 minuten, met de mogelijkheid tot eenmalige verlenging met 600 minuten. (Na akkoord van lokaal team of de GI)

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel of als groepsproduct.

Groepsproduct is voorliggend op individueel.

De Basis GGZ is gericht op behandelen van lichte tot ernstige, psychische problematiek. De in te zetten hulp is doelmatig en zo eenvoudig als mogelijk en niet meer dan nodig om het behandeldoel te bereiken. De behandeling is gebaseerd op een protocollaire behandelaanpak die in gemiddeld 10 behandelingen aangewezen is conform multidisciplinaire richtlijnen voor betreffende stoornis. De behandeling vindt grotendeels monodisciplinair plaats.

Basis GGZ vindt zoveel als mogelijk plaats in de directe leefomgeving van jeugdige (en ouders). Als behandeling onvoldoende resultaat geeft, is gezinsbehandeling of een SGGZ-behandeling in te zetten. Als gedurende de behandelperiode onvoldoende tijd resteert om het geleerde in te slijpen en/of te generaliseren kan zo nodig begeleiding ingezet worden.

Met de verruiming van de te declareren uren willen de gemeenten het mogelijk maken dat een behandeling van bepaalde jeugdigen die qua zorgzwaarteprofiel ook in de jeugd GGZ-behandeling specialistisch kunnen vallen nu toch effectief en doelmatig behandeld kunnen worden in de Basis GGZ. Daarmee kan hulp zoveel mogelijk in de normale leefomgeving van de jeugdige worden geboden.

Diagnostiek voorafgaand aan de dienst GGZ regulier/generalistisch maakt geen onderdeel uit van deze dienst GGZ en wordt separaat gedeclareerd onder de dienst basisdiagnostiek. In het kader van normaliseren en destigmatiseren is de uitvoering van diagnostiek niet strikt noodzakelijk om een behandeling declarabel te maken.

Activiteiten

Maatwerkcombinatie van:

  • Face-to-face behandeling;

  • E-Health behandeling;

  • Een kortdurende oudertraining waardoor ouders nieuwe kennis opdoen, daardoor bijvoorbeeld het gedrag van hun kind beter gaan begrijpen en zelf verder kunnen;

  • Gespecialiseerde behandeling;

  • Psycho-educatie;

  • Groepsinterventies.

Het is aan de zorgaanbieder om binnen het behandeltraject een passend zorgaanbod te organiseren. Voor diagnostiek wordt het hiervoor ingerichte product diagnostiek ingezet.

Doelgroep

Voor wie?

0 tot 18 jaar en hun ouders

Er is bij de jeugdige sprake van een tijdelijke of blijvende psychische stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige matige tot ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Er is sprake van (een vermoeden van) een DSM-stoornis.

Resultaten

Type resultaat

Aanleren van vaardigheden/ nieuw gedrag voor jeugdige en ouders

  • De jeugdige en zijn of haar ouders en omgeving ervaren een volledig of zover mogelijke vermindering van de ernst van de klachten en symptomen en deze zijn (minimaal) hanteerbaar. Na het behandeltraject weten jeugdige, ouders en andere betrokkenen, als bijvoorbeeld het onderwijs en sportvereniging, adequaat om te gaan met het gedrag van de jeugdige en weten zijn/haar ontwikkeling te stimuleren;

  • Het doel voor het (zeer) jonge kind is zicht krijgen op en het herstellen van of op gang brengen van een vastgelopen of verstoorde ontwikkeling en het versterken van de opvoedingskracht van de ouders en waar nodig de betrokken opvoedprofessional;

  • Versterken van het netwerk van de cliënt zodat de cliënt duurzaam wordt ondersteund. De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan;

  • Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Evidence based

  • De behandeling vindt zoveel als mogelijk plaats in de directe leefomgeving van jeugdige (en ouders).

  • Als behandeling onvoldoende resultaat geeft, is gezinsbehandeling of een SGGZ-behandeling, in te zetten.

  • Wanneer gedurende de behandelperiode onvoldoende tijd resteert om het geleerde in te slijpen en/of te generaliseren kan zo nodig begeleiding ingezet worden.

  • Bij de behandeling in de generalistische GGZ draagt de regiebehandelaar de eindverantwoordelijkheid voor de totale behandeling. De regiebehandelaar is daarmee eindverantwoordelijk voor de diagnosestelling en de vaststelling en uitvoering van het behandelplan.

  • Regiebehandelaar : Voor de verantwoordelijkheden voor de inzet van BGGZ sluiten we aan bij de eisen die hieraan gesteld worden door de NZa.

Functieprofiel

HBO/WO/WO+/SKJ of BIG-geregistreerd

Functiemix

Wordt hoofdzakelijk (voor 80%) door WO geschoold personeel uitgevoerd. In mindere mate kan naast de WO-er ondersteunend HBO of WO+ geschoold personeel ingezet worden.

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

2-8

GGZ specialistisch

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

1 jaar

Intensiteit

Maximaal 74 uur

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel of als groepsproduct. Groepsproduct is voorliggend op individueel.

De specialistische jeugd ggz is gericht op behandelen van matig tot ernstige, complexe psychische problemen of niet-stabiele chronische problematiek met matige tot ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren. De in te zetten hulp is doelmatig en passend om het behandeldoel te bereiken.

Regiebehandelaar

Bij de behandeling in de specialistische GGZ draagt de regiebehandelaar zoals vastgelegd in het

kwaliteitsstatuut, de eindverantwoordelijkheid voor de totale behandeling. De regiebehandelaar is daarmee eindverantwoordelijk voor de diagnosestelling, de vaststelling, uitvoering en evaluatie van het behandelplan.

Op het moment dat specialistische behandeling volgt na specialistische diagnostiek, wordt de diagnostiek niet separaat gefactureerd maar maakt de diagnostiek onderdeel uit van het behandeltraject en daarmee ook het behandeltarief. In het kader van normaliseren en de-stigmatiseren is de uitvoering van diagnostiek niet strikt noodzakelijk om een behandeling declarabel te maken.

Activiteiten

GGZ-behandeling conform professionele standaarden die binnen de sector gebruikelijk zijn.

Doelgroep

Voor wie?

0 tot 18 jaar en hun ouders

GGZ specialistisch is voor jeugdigen met een beperking op grond van een DSM-benoemde stoornis. Er is sprake is van een hoog risico, een ernstig ziektebeeld en ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren. Er zijn duidelijke aanwijzingen die duiden op co morbiditeit, een gevaar voor zelfverwaarlozing, ernstige opvoedingsproblematiek en/of decompensatie.

Resultaten

Type resultaat

Aanleren van vaardigheden/ nieuw gedrag voor jeugdige en ouders

Volledig of zover mogelijk verminderen van de ernst van klachten en symptomen met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden zowel thuis als op school en in de vrije tijd of hierin positieve ontwikkelingen laat zien.

Dat omvat onder meer:

  • Beperken van de gevolgen van het ziektebeeld, zowel de directe gevolgen (lichamelijke problemen, zelfverwaarlozing, suïcidaliteit) als de indirecte gevolgen (sociale schade);

  • Versterken netwerk van de jeugdige zodat deze duurzaam ondersteund wordt;

  • Zo spoedig mogelijke afschalen naar GGZ regulier/generalistisch of huisarts/POH-er/Lokaal team en/of zo nodig voor het inslijpen en generaliseren van geleerde vaardigheden de verwijzer adviseren de functie begeleiding in te zetten of de jeugdige/ het gezin toe te leiden naar een algemene voorziening;

  • Voorkomen van terugval;

  • De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan;

  • Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Evidence based

  • Het verlengen van toewijzingen die afgegeven zijn door een medische verwijzer kunnen alleen door een jeugdprofessional van een jeugdteam of indien van toepassing een GI verlengd worden. Dit betekent dat aanbieder tijdig in gesprek dient te gaan met een jeugdprofessional rondom afschalen;

  • In het kader van normaliseren en destigmatiseren is de inzet van diagnostiek niet altijd noodzakelijk voor het bepalen van vervolgstappen;

  • Binnen het perspectiefplan van het gezin zijn doelen opgenomen gericht op 1 gezin/1 plan, waarbij wordt samengewerkt met lokale partijen en andere betrokken dienstverleners binnen het gezin. Het behandelplan in de SGGZ draagt bij aan de in het perspectiefplan opgenomen doelen.

  • Hoogspecialistische expertise wordt tijdig ingezet binnen de behandeling waardoor verergering van klachten wordt voorkomen en jeugdige optimaal geholpen is.

  • Deze dienst wordt uitgevoerd volgens de voor het vakgebied en de discipline geldende richtlijnen, zie https://www.ggzstandaarden.nl/.

Functieprofiel

HBO/WO/WO+, onder verantwoordelijkheid regiebehandelaar

Functiemix

Ja

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

2-8

GGZ Specialistisch Midden

Normenkader

Tarief & eenheid

Uren

Duur

Maximaal 2 jaar

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel

GGZ Specialistisch Midden-behandeling is een multidisciplinaire behandeling voor jeugdigen (of gezinnen) met zeer complexe problematiek of bij wie één of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM V) op de voorgrond staan. De methoden die worden gebruikt zijn evidence based en practice based.

GGZ Specialistisch Midden-behandeling komt pas in beeld als andere behandelmogelijkheden geen uitzicht (meer) bieden, of niet tot verbetering of stabilisatie leidt van de psychische problematiek en de belemmeringen in het dagelijks functioneren van de jeugdige. Indien sprake is van zeer specifieke GGZproblematiek waar landelijk een gespecialiseerde behandeling voor is ingekocht, dan is deze voorliggend op GGZ Specialistisch Midden (bijvoorbeeld eetstoornissen). Wanneer psychiatrische diagnostiek heeft plaatsgevonden, kan indien nodig aanvullende of hernieuwde diagnostiek onderdeel uitmaken van de behandeling. Waar GGZ-basis en GGZ specialistisch een maximaal aantal uren kennen op diagnostiek, is bij GGZ Specialistisch Midden geen sprake van een maximum om voor deze doelgroep een traject op maat te kunnen bieden.

Activiteiten

  • 1.

    Samen met jeugdige en ouder(s) concrete, haalbare doelen formuleren.

  • 2.

    Indien nodig aanvullende of hernieuwde diagnostiek.

  • 3.

    Opstellen van het behandelplan.

  • 4.

    Intensieve specialistische behandeling uitvoeren.

  • 5.

    Bijdragen aan het gezinsplan, waar het (onderwijs) ontwikkel perspectief van de jeugdige een onderdeel van is.

  • 6.

    Coachen en adviseren van betekenisvolle anderen.

Voor wie?

Jeugdigen van 0-18 jaar en hun ouders

Jeugdigen met zeer complexe problematiek, bij wie één of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM V) op de voorgrond staan en voor wie geen passende zorg beschikbaar is binnen basis en specialistische GGZ-behandeling en ambulante behandeling. Vaak in combinatie met psychiatrische problematiek bij andere gezinsleden

Te denken valt aan de volgende situaties:

  • 1.

    Een hoge mate van ernst van de stoornis en/of co-morbiditeit en/of complicaties met impact op meerdere leefgebieden van jeugdigen of gezin.

  • 2.

    Onvoldoende respons op/effect van behandeling in de specialistische ggz, of wanneer verwacht wordt dat dit ontoereikend zal zijn.

  • 3.

    Zeldzame (combinaties van) psychische of psychiatrische aandoeningen waarvoor de richtlijnen (nog) geen soelaas bieden.

  • 4.

    Problemen die complexe interventies van meerdere disciplines of (hoog)specialistische kennis vereisen.

  • 5.

    Een hoog risico op gevaar voor zichzelf of anderen, of op verergering van de problematiek.

  • 6.

    Multi-probleem gezinnen met problemen op meerdere sociaal maatschappelijke gebieden en waar sprake is van veelal ingewikkelde systeemproblematiek en met één of meer psychiatrische stoornis(sen).

Resultaten

Type resultaat

Volledig of zover mogelijk verminderen van de ernst van klachten en symptomen met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden zowel thuis als op

school en in de vrije tijd of hierin positieve ontwikkelingen laat zien. De behandeling draagt bij aan het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdige, gezin en hun netwerk. Dat omvat onder meer:

  • 1.

    De eventuele stoornis van de jeugdige is verminderd of gestabiliseerd en/of de jeugdige heeft beter geleerd met zijn/haar stoornis om te gaan.

  • 2.

    (Dreiging van) terugval wordt tijdig gesignaleerd en waar mogelijk met gerichte inzet zo veel mogelijk voorkomen.

  • 3.

    (Het effect op het dagelijks leven van) de problematiek van de jeugdige is volledig of zover mogelijk vermindert met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden op alle leefgebieden of hierin positieve ontwikkelingen laat zien.

  • 4.

    Jeugdige en ouders ervaren een vermindering van het probleem in het dagelijks leven. Na afloop van de behandeling, weten jeugdige en ouders en betekenisvolle anderen adequaat om te gaan met het gedrag van de jeugdigen en weten zijn/haar ontwikkeling te stimuleren.

  • 5.

    De redzaamheid van de jeugdige, het gezin en het netwerk is merkbaar toegenomen op meerdere levensgebieden.

  • 6.

    Het (formele en informele) netwerk van de jeugdige en het gezin is versterkt, zodat een duurzame stut en steun structuur ontstaat.

  • 7.

    Het is mogelijk af te schalen naar begeleiding of lichtere zorg bij andere aanbieder en/of lokale gemeentelijke voorzieningen.

Dienst specifieke eisen

Type resultaat

Evidence based en Practice based

  • 1.

    De totale behandeling kenmerkt zich door maatwerk op inhoud en uitvoering en wordt passendgemaakt voor de jeugdige, het gezin en het netwerk met gebruikmaking van evidence based en practicebased methoden.

  • 2.

    In dit ‘Tussenproduct’ GGZ kunnen regiebehandelaar zijn:

    • a.

      (kinder- en jeugd) psychiater

    • b.

      (kinder- en jeugd) psychotherapeut

    • c.

      klinisch psycholoog (ook klinisch neuropsycholoog)

    • d.

      De GZ-psycholoog en Verpleegkundig specialist ggz kan tevens regiebehandelaar zijn als diagnose en behandelplan minimaal tweemaal per behandeltraject en zo vaak als nodig in eenmultidisciplinair overleg besproken en vastgesteld worden, waarbij een psychiater, klinischpsycholoog of een psychotherapeut aanwezig is en verantwoordelijk is.

  • 3.

    Indien sprake is van zeer specifieke GGZ-problematiek waar landelijk een gespecialiseerde behandelingvoor is ingekocht, dan is deze voorliggend.

  • 4.

    In beginsel maakt inzet van een ervaringsdeskundige deel uit van het gezinsplan indien sprake is van‘Tussenproduct’ GGZ.

  • 5.

    Uitsluitend in te zetten indien aanbieder is gecontracteerd in segment 1 hoogspecialistische jeugdhulp

  • 6.

    Minimaal één keer per jaar casusbespreking met het Jeugdteam.

Instelling specifieke eisen:

  • 1.

    Biedt integrale behandeling op het gebied van kinder- en jeugdpsychiatrie conform vastgesteldekwaliteitsstandaarden;

  • 2.

    Is een erkend opleidingsinstituut voor onder andere de opleidingen tot: psychiater, GZ-psycholoog enklinisch psycholoog (academische opleidingsplekken);

  • 3.

    Faciliteert het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van kinder- en jeugdpsychiatrie;

  • 4.

    Biedt onder andere (outreachende) specialistische ambulante behandeling door middel van bijv. FACT enEvidenced based Family Therapy IHT, gecertificeerd conform de standaarden in de sector.

  • 5.

    Dient in staat te zijn om, eventueel met hulp van andere partijen, een crisissituatie te bedienen. Deaanbieder beschikt hierbij over een klinische achtervang of kan informatie overleggen waaruit blijkt datzij een concrete samenwerking hebben met een aanbieder van klinische achtervang.

Functieprofiel

Multidisciplinair team HBO/WO/WO+/BIG geregistreerde regiebehandelaar

Functiemix

De behandeling wordt geboden door professionals met een opleidingsniveau variërend van HBO tot en

met medisch specialist. Het zwaartepunt ligt bij de inzet van WO+ opleidingsniveau. De psychiater wordt voor een groter gedeelte van de tijd betrokken dan bij de GGZ specialistisch het geval is.

Regiebehandelaar

Ja

Forensische GGZ

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

1 jaar

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel, mag ook als groepsproduct worden aangeboden

Met forensische zorg wordt alle geestelijke gezondheidszorg bedoeld aan jeugdigen van 12 tot 23 jaar die delict gedrag en/of seksueel of agressief grensoverschrijdend gedrag vertonen (of bij wie de dreiging hiertoe in de nabije toekomst groot is). Bij de jeugdige is óf een strafrechtelijke maatregel opgelegd wegens het plegen van een strafbaar feit volgens het jeugdstrafrecht of adolescentenstrafrecht óf een civielrechtelijke maatregel, een civielrechtelijk onderzoek, óf de zorg die wordt geboden in een vrijwillig kader zonder (straf)maatregel.

Forensische zorg is (hoog)specialistische zorg die in eerste instantie gericht is op de veiligheid. Dit door recidive terug te dringen en delicten en/of grensoverschrijdend gedrag te voorkomen.

Activiteiten

Forensische zorg aan jeugdigen met een hoog risicoprofiel vraagt om hooggespecialiseerde zorg die gebruik maakt van specifieke werkzame elementen. Binnen de forensische zorg wordt in het bijzonder aandacht besteed aan delict- (of grensoverschrijdend) gerelateerd gedrag en risicotaxatie. Deze vorm van behandeling is voor de forensische doelgroep bewezen effectiever dan reguliere GGZ-behandelingen, c.q. behandelingen waarin deze werkzame elementen onvoldoende worden toegepast.

Verschil Forensische GGZ met GGZ Hoog specialistische behandeling.

Uitgangspunt van de forensische zorg is het gevaar criterium en het risicogericht behandelen, terwijl bij de reguliere (hoogspecialistische) GGZ per definitie de stoornis centraal staat. In de forensische zorg wordt een stoornis alleen behandeld als dit ertoe leidt dat de kans op gewelddadig of grensoverschrijdend gedrag afneemt of als het helpt om een jeugdige beter van de behandeling te laten profiteren. Forensische zorg kenmerkt zich verder door de systeemleden op een nadrukkelijke manier bij de behandeling te betrekken.

Voor wie?

Jeugdigen van 12 tot 23 jaar en hun ouders

Het betreft een complexe groep jeugdigen die delict gedrag en/of seksueel of agressief grensoverschrijdend gedrag vertoont (of bij wie de dreiging hiertoe in de nabije toekomst groot is). Veel van deze jeugdigen zijn gediagnosticeerd met een gedragsstoornis, vaak in combinatie met andere stoornissen (bijvoorbeeld ADHD of ASS) en/of een licht verstandelijke beperking. De stoornis die mogelijk ten grondslag ligt aan de zorg is geen in- of exclusiecriterium voor de inzet van forensische zorg. Het gevaar criterium is dit echter wel; zonder passende en tijdige behandeling vormen deze jeugdigen een gevaar voor zichzelf en hun omgeving en wordt het steeds moeilijker om het grensoverschrijdende gedrag te beperken en de negatieve ontwikkeling en achterliggende problematiek aan te pakken. Bij de forensische doelgroep kan het bijvoorbeeld gaan om jeugdigen die betrokken zijn bij straatroof, een zedendelict of gewelddadigheden in groepsverband, maar ook om jeugdigen die op verschillende leefgebieden (ernstige vormen van) grensoverschrijdend gedrag vertonen en hierdoor de dreiging tot uithuisgeplaatst of van school weggestuurd worden groot is.

Resultaten

Type resultaat

Binnen de forensische zorg voor jeugdigen gaat het om:

  • Het voorkomen van terugval en recidive. Dat wil zeggen dat men de kans dat iemand na forensische zorg opnieuw grensoverschrijdend gedrag en/of een strafbare handeling pleegt, wil verkleinen.

  • Bij een deel van de jeugdigen draagt behandeling ook bij aan het voorkomen van uithuisplaatsing of schorsing van school.

  • Het vergroten van de maatschappelijke veiligh eid

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Evidence based

Aangezien risicotaxatie en delict analyse onderscheidende facetten zijn in de forensische zorg, dient de aanbieder aan te tonen dat er risicomanagement wordt uitgevoerd, hierbij zijn de volgende richtlijnen leidend:

  • Een risicotaxatie-instrument wordt ingezet om de risicofactoren die verminderd moeten worden te inventariseren en om het recidiverisico te bepalen.

  • Risicotaxatie gebeurt door middel van een redelijk gevalideerd risicotaxatie-instrument (denk aan het LIJ, SAVRY, RAF-GGZ Jeugd) in combinatie met het klinisch oordeel van de onderzoeker/ behandelaar.

  • Het instrument wordt ook gebruikt als ROM-instrument (Routine Outcome Monitoring) om zo de voortgang van de behandeling te monitoren; er wordt getoetst of de dynamische, criminogene risicofactoren daadwerkelijk verminderen.

  • De aanbieder beschikt over een beschreven format/ werkwijze voor het afnemen van een delict analyse (indien geïndiceerd).

Een forensische zorginstelling of een zorginstelling met een forensische poli beschikt over meer dan drie onderscheidende interventies/methodieken/zorgprogramma's die specifiek ontwikkeld zijn voor de forensische doelgroep, waarvan minimaal één interventie of zorgprogramma erkend is als minimaal 'goed onderbouwd' door de erkenningscommissie justitiële interventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) en de andere behandelvormen minimaal gebaseerd zijn op de werkzame Risk-Need-Responsivity-principes (RNR).

De forensische zorginstelling beschikt over een behandelteam met, onder andere, een ervaren kinder- en jeugdpsychiater, een GZ-psycholoog, orthopedagoog en systeemtherapeut.

Functieprofiel

De behandeling wordt geboden door professionals met een opleidingsniveau variërend van HBO tot en met medisch specialist.

Functiemix

HBO/WO/WO+/SKJ of BIG geregistreerd

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

2-8

GGZ hoogspecialistisch

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

Maximaal 2 jaar

Omschrijving

Type product

Ambulant individueel

Hoogspecialistische GGZ-behandeling is multidisciplinaire behandeling voor jeugdigen (of gezinnen) met zeer complexe problematiek, bij wie een of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM 5) op de voorgrond staan. De methoden die worden gebruikt zijn evidence based.

Hoog specialistische GGZ komt pas in beeld als andere behandelmogelijkheden geen uitzicht (meer) bieden tot verbetering of stabilisatie van de psychische problematiek van de jeugdige en de belemmeringen in het dagelijks functioneren die dit met zich meebrengt.

Indien sprake is van zeer specifieke GGZ-problematiek waar landelijk een gespecialiseerde behandeling voor is ingekocht, dan is deze voorliggend op hoog specialistische GGZ (bijvoorbeeld eetstoornissen). Psychiatrische diagnostiek heeft plaatsgevonden, echter indien nodig kan aanvullende of hernieuwde diagnostiek onderdeel uitmaken van de behandeling.

Waar GGZ-basis en GGZ specialistisch een maximaal aantal uren kennen, is hiervan bij hoog specialistische GGZ geen sprake om voor deze zeer complexe doelgroep een traject op maat te kunnen bieden.

Activiteiten

  • 1.

    Samen met jeugdige en ouder(s) concrete, haalbare doelen formuleren.

  • 2.

    Indien nodig aanvullende of hernieuwde diagnostiek.

  • 3.

    Opstellen van het behandelplan.

  • 4.

    Intensieve hoog specialistische behandeling uitvoeren.

  • 5.

    Bijdragen aan het gezinsplan, waar het (onderwijs) ontwikkel perspectief van de jeugdige een onderdeel van is.

  • 6.

    Coachen en adviseren van betekenisvolle anderen.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0-18 jaar met zeer complexe problematiek

Jeugdigen met zeer complexe problematiek, bij wie één of meer ernstige psychiatrische stoornissen

(benoemd in de DSM V) op de voorgrond staan en voor wie geen passende zorg beschikbaar is binnen basis en specialistische GGZ-behandeling en ambulante behandeling.

Te denken valt aan de volgende situaties:

  • 1.

    Een hoge mate van ernst van de stoornis en/of co morbiditeit en/of complicaties met impact op meerdere leefgebieden van jeugdigen of gezin;

  • 2.

    Onvoldoende respons op/effect van behandeling in de specialistische GGZ;

  • 3.

    Zeldzame (combinaties van) psychische of psychiatrische aandoeningen waarvoor de richtlijnen (nog) geen soelaas bieden;

  • 4.

    Problemen die complexe interventies van meerdere disciplines of hoogspecialistische kennis vereisen;

  • 5.

    Een hoog risico op gevaar voor zichzelf of anderen.

Resultaten

Type resultaat

Afname problematiek, aanleren nieuw gedrag en vaardigheden

Volledig of zover mogelijk verminderen van de ernst van klachten en symptomen met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden zowel thuis als op school en in de vrije tijd of hierin positieve ontwikkelingen laat zien. De behandeling draagt bij aan het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdige, gezin en hun netwerk.

Dat omvat onder meer:

  • 1.

    De eventuele stoornis van de jeugdige is verminderd of gestabiliseerd en/of de jeugdige heeft beter geleerd met zijn/haar stoornis om te gaan.

  • 2.

    (Dreiging van) terugval wordt tijdig gesignaleerd en waar mogelijk met gerichte inzet zo veel mogelijk voorkomen.

  • 3.

    (Het effect op het dagelijks leven van) de problematiek van de jeugdige is volledig of zover mogelijk vermindert met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden op alle leefgebieden of hierin positieve ontwikkelingen laat zien.

  • 4.

    Jeugdige en ouders ervaren een vermindering van het probleem in het dagelijks leven. Na afloop van de behandeling, weten jeugdige en ouders en betekenisvolle anderen adequaat om te gaan met het gedrag van de jeugdigen en weten zijn/haar ontwikkeling te stimuleren.

  • 5.

    De redzaamheid van de jeugdige, het gezin en het netwerk is merkbaar toegenomen op meerdere levensgebieden.

  • 6.

    Het (formele en informele) netwerk van de jeugdige en het gezin is versterkt, zodat een duurzame stut en steun structuur ontstaat.

  • 7.

    Het is mogelijk af te schalen naar begeleiding.

Dienst specifieke eisen

Practice of Evidence based

Evidence based

  • 1.

    De hoogspecialistische behandeling wordt geboden door een opdrachtnemer die specifiek hiervoor is verbonden aan een academisch centrum, aantoonbaar participeert in het ontwikkelen en implementeren van wetenschappelijk kennis en/of beschikt voor de betreffende behandeling over het TOP GGZ keurmerk van de Stichting Topklinische GGZ. Deze aanvullende eis geldt niet voor hoogspecialistische forensische Jeugd-GGZ en voor hoogspecialistische traumabehandeling die geboden wordt in of vanuit een gespecialiseerd centrum.

    Bijvoorbeeld: Als u in bezit bent van een Top GGZ-keurmerk voor psychotrauma of een samenwerking heeft met een academisch centrum voor psychotrauma, kan psychotrauma gefactureerd worden onder hoog specialistische GGZ. De overige SGGZ-behandelingen factureert u onder SGGZ conform dienstomschrijving.

  • 2.

    De totale behandeling kenmerkt zich door maatwerk op inhoud en uitvoering en wordt passend gemaakt voor de jeugdige, het gezin en het netwerk met gebruikmaking van Evidence based methoden.

  • 3.

    In de hoogspecialistische GGZ kunnen regiebehandelaar zijn:

    • a.

      (Kinder- en jeugd) psychiater

    • b.

      (Kinder- en jeugd) psychotherapeut

    • c.

      Klinisch psycholoog (ook klinisch neuropsycholoog)

    • d.

      De GZ-psycholoog kan tevens regiebehandelaar zijn als diagnose en behandelplan minimaal tweemaal per behandeltraject en zo vaak als nodig in een multidisciplinair overleg besproken en vastgesteld worden, waarbij een psychiater, klinisch psycholoog of een psychotherapeut aanwezig is en verantwoordelijk is.

  • 4.

    Indien sprake is van zeer specifieke GGZ-problematiek waar landelijk een gespecialiseerde behandeling voor is ingekocht, dan is deze voorliggend.

  • 5.

    In beginsel maakt inzet van een ervaringsdeskundige deel uit van het gezinsplan indien sprake is van hoog specialistische GGZ.

  • 6.

    Uitsluitend in te zetten indien aanbieder is gecontracteerd in segment 1 hoogspecialistische jeugdhulp.

  • 7.

    Minimaal één keer per jaar casusbespreking met het Jeugdteam.

Functieprofiel

Multidisciplinair team HBO/WO/WO+/BIG geregistreerde regiebehandelaar

Functiemix

De behandeling wordt geboden door professionals met een opleidingsniveau variërend van HBO tot en met medisch specialist. Het zwaartepunt ligt bij de inzet van WO+ opleidingsniveau. De psychiater wordt voor een groter gedeelte van de tijd betrokken dan bij de GGZ specialistisch het geval is.

Regiebehandelaar

Ja

Gezinsbehandeling

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

Maximaal 9 maanden (ambulant)

Intensiteit

Maximaal 640 uur

Omschrijving

Type product

Ambulant

Samen met het gezin wordt er gewerkt aan het beheersbaar maken en verminderen van de meervoudig en complexe problematiek, waarbij de veiligheid en de ontwikkelingsmogelijkheden van de jeugdige(n) centraal staan. Doel is met name gedragsverandering bij de opvoeders, zodanig dat zij beter kunnen aansluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van de jeugdige. Inzet (begeleiding) vanuit de Wmo is dan ook voorliggend. Het betreft immers met name een hulpvraag van de ouders/volwassenen. De gezinsbehandeling vindt zoveel als mogelijk plaats in de directe leefomgeving van de jeugdige.

Gezinsbehandeling start met handelingsgerichte diagnostiek en observatie. Dit product wordt bij voorkeur ingezet in combinatie met een ervaringsdeskundige. De interventie kenmerkt zich door maatwerk op inhoud en uitvoering. De interventie wordt passend gemaakt voor jeugdigen/of ouders en het netwerk en draagt bij aan het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdige, gezin en hun netwerk.

Psychiatrische diagnostiek is geen onderdeel van de gezinsbehandeling. Als er vermoedens zijn van psychische problematiek bij één of meerdere gezinsleden die niet gediagnosticeerd is en die van invloed is op het functioneren van het gezin, dan dient de jeugdhulpaanbieder in overleg met de verwijzer in het belang van de behandeling eerst of gelijktijdig diagnostiek in te zetten. Hiervoor kunnen ‘diagnostiek basis’ en ‘diagnostiek specialistisch’ worden ingezet.

Doelgroep

Voor wie?

Gezinnen met meervoudige problemen (op minimaal drie gebieden van de zelfredzaamheidsmatrix).

Gezinnen met problemen op meerdere levensgebieden in combinatie met een (zeer) ernstige verstoring in het dagelijks leven bij tenminste een van de in het gezin opgroeiende jeugdigen.

Resultaten

Type resultaat

Afname problematiek jeugdige en nieuwe gedrag en vaardigheden in het gezin

Gezinsbehandeling is gericht op het hanteerbaar maken van de meervoudige problematiek op verschillende leefgebieden van de verschillende gezinsleden. De beoogde resultaten van de gezinsbehandeling liggen op de volgende gebieden:

  • 1.

    (Het effect op het dagelijks leven van) de problematiek van de jeugdige is volledig of zover mogelijk vermindert met als doel dat de jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden op alle leefgebieden of hierin positieve ontwikkelingen laat zien.

  • 2.

    De zelfredzaamheid van de jeugdige en het gezin en het netwerk zijn toegenomen.

  • 3.

    De vaardigheden van de ouder(s) zijn versterkt en verbetert, zodat zij beter kunnen omgaan met lastige opvoedingssituaties en andere problematiek die de ontwikkeling van het jeugdige(n) kan bedreigen. De opvoedproblematiek is verminderd.

  • 4.

    De redzaamheid van de jeugdige, het gezin of het netwerk is merkbaar toegenomen op meerdere levensgebieden. Voor beperkte zelfredzaamheden op andere levensgebieden dan opgroeien en opvoeden, is een steunstructuur ingericht voor jeugdige en het gezin.

  • 5.

    Jeugdige en ouders ervaren een vermindering van het probleem in het dagelijks leven. Na afloop van de gezinsbehandeling weten jeugdige en ouders en belangrijke anderen adequaat om te gaan met het gedrag van de jeugdige en weten zijn/haar ontwikkeling te stimuleren.

  • 6.

    De eventuele stoornis van de jeugdige is verminderd of gestabiliseerd en/of de jeugdige heeft beter geleerd met zijn/haar stoornis om te gaan.

  • 7.

    Het netwerk om de jeugdige en het gezin is zodanig versterkt dat zij met minder specialistische en/of minder intensieve professionele zorg verder kunnen.

  • 8.

    (Dreiging van) terugval wordt tijdig gesignaleerd en waar mogelijk met gerichte inzet zo veel mogelijk voorkomen.

  • 9.

    Indien mogelijk zo spoedig mogelijk afschalen naar begeleiding.

Activiteiten (voorbeelden)

  • 1.

    Aanvullende handelingsdiagnostiek en vraagverheldering indien noodzakelijk om tot een effectief gezinsplan te komen.

  • 2.

    Intensieve hoog specialistische behandeling.

  • 3.

    Casusregie.

  • 4.

    Coachen en adviseren van betekenisvolle anderen in het netwerk/ leefomgeving.

  • 5.

    (Laten) organiseren van stut en steun voor ouders en jeugdige (onder andere voor het verwerkingsproces).

Ontwikkeling

Deze hulpverlening kent de volgende belangrijke ontwikkelopgaven:

  • 1.

    Beter passend bij de jeugdige/ het gezin (in basishouding, type deskundigheid, vorm en uitvoering van de hulp).

  • 2.

    Voortdurend in verbinding met (wetenschappelijke) kennis.

  • 3.

    Maatwerk mogelijk maken en de deskundigheid op een passende manier nabij brengen.

  • 4.

    Meer vanuit het perspectief van meerdere levensdomeinen van de jeugdige/ het gezin.

Dienst specifieke eisen

Practice of evidence based

Beide

  • 1.

    In beginsel maakt de inzet van een ervaringsdeskundige deel uit van het gezinsplan indien sprake is van gezinsbehandeling.

  • 2.

    Er wordt gebruik gemaakt van effectief bewezen systeeminterventies.

Functieprofiel

HBO/WO

Functiemix

HBO/ geschoold in de evidence based methode(n) die word(t)(en) toegepast.

Gedragswetenschapper

Multidisciplinair team

Ja

Regiebehandelaar

Ja

MDFT - Multi-dimensionele Familie Therapie

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

Maximaal 9 maanden

Intensiteit

Maximaal 243 uur (gemiddeld 6 uur per week)

Omschrijving

Type product

Ambulant

MDFT is Multi-dimensionele Familie Therapie (MDFT).

MDFT is een erkend behandelprogramma voor jeugdigen én zijn/haar gezin. Het biedt hulp aan jeugdigen met uiteenlopend, vaak meervoudig probleemgedrag. MDFT is effectief bevonden in twaalf goed opgezette onderzoeken op het gebruik van alcohol en drugs; criminaliteit; symptomen van psychische en gedragsstoornissen; band met school en functioneren van het gezin.

MDFT is geprotocolleerd, maar vormt geen strak keurslijf. MDFT ziet de jeugdige als een persoon die eigen aandacht verdient, dus niet louter als verlengstuk van bijvoorbeeld het gezin. Behandeling wordt gecombineerd met begeleiding van de jeugdige. MDFT is flexibel en gericht op ervaringsleren tussen de jeugdige en zijn/haar ouders. Er wordt gewerkt met de emoties die ontstaan tussen de betrokkenen.

Praktische informatie

  • MDFT duurt gemiddeld 6 maanden, afhankelijk van de zwaarte van de problematiek.

  • MDFT werkt met een hoge contactfrequentie. Er zijn vier soorten sessies: individuele gesprekken met de jeugdige, oudersessies, gezinssessies en tot slot ook met derden erbij, zoals een mentor van school, een vriend of een jeugdreclasseringwerker.

MDFT bestaat uit drie fases:

  • 1.

    Motiveren en het sluiten van therapeutische allianties met de jeugdige en met de ouder(s). Analysefase.

  • 2.

    Uitvoeren van het behandelplan

  • 3.

    Afsluiten; nazorg of afschalen

Het behandelprogramma richt zich op de 4 kerngebieden (domeinen) in het leven van de jeugdige: De jeugdige, ouders, het gezin en externe sociale systemen (buiten-gezins domein). Het buiten-gezins domein; is zo breed als nodig (school, werk, huisvesting, pro-sociale activiteiten, netwerk).

Binnen MDFT zijn gezinsgesprekken van groot belang, vanuit het idee dat daar de sleutel tot verandering ligt. Wanneer gezinsleden (weer) in staat zijn met elkaar te communiceren, lukt het hun vaak ook beter samen de problemen aan te pakken en tot verandering te komen. De begeleiding vindt zoveel mogelijk plaats in de directe leefomgeving van het gezin.

Deze dienst wordt bij voorkeur ingezet in combinatie met een ervaringsdeskundige.

MDFT duurt gemiddeld 6 maanden. Vaak heeft het gezin dan weer het vertrouwen op een goede manier toekomstige hobbels met elkaar aan te gaan. Vertrouwen is hersteld en belangrijkste stappen in veranderingsproces zijn gezet. Belangrijk is dat indien nodig er afgeschaald kan worden, zodat het proces na MDFT nog met het gezin opgevolgd kan opvolgen (vaak is dit ook niet nodig).

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen tussen de in basis 13 en 18 jaar met problematiek van verschillende aard en hun gezin, (op minimaal drie gebieden van de zelfredzaamheidsmatrix). Heel soms vanaf 12 jaar

MDFT is een gezinstherapie voor jeugdigen tussen de 13-18 jaar (heel soms 12 jaar) met problematiek van verschillende aard en hun gezin. Het betreft veelal gezinnen waar sprake is van meervoudige problematiek (op minimaal 3 gebieden van de zelfredzaamheidsmatrix).

Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat MDFT goed aansluit bij jeugdigen die problemen hebben met gebruik van alcohol of drugs, en/of crimineel gedrag vertonen. Maar ook bij (andere) symptomen van psychische- en gedragsproblemen is MDFT effectief gebleken. Voorbeelden hiervan zijn spijbelen, weglopen, agressie, zich isoleren. Hier wordt MDFT ingezet ter voorkoming van escalatie.

Resultaten

Type resultaat

Afname problematiek jeugdige en nieuwe gedrag en vaardigheden in het gezin

MDFT is gericht op het hanteerbaar maken van de meervoudige problematiek op verschillende leefgebieden van de jeugdige en hun gezin. De beoogde resultaten van MDFT liggen op de volgende gebieden:

  • 1.

    Jeugdigen en ouders zijn gemotiveerd voor behandeling en bereid hierin de stappen te zetten die nodig zijn.

  • 2.

    De communicatie en verbinding binnen systeem zijn vergoot wat de jeugdige en zijn gezin helpt toekomstige hobbels met elkaar het hoofd te bieden.

  • 3.

    Jeugdigen leren problematische situaties te vermijden.

  • 4.

    Jeugdigen stellen eigen persoonlijke doelen en worden geactiveerd deze na te streven

Activiteiten (niet uitputtend)

  • 1.

    Aanvullende handelingsdiagnostiek en vraagverheldering indien noodzakelijk om tot een effectief gezinsplan te komen.

  • 2.

    Intensieve hoog specialistische behandeling.

  • 3.

    Procesregie.

  • 4.

    Coachen en adviseren van betekenisvolle anderen in het netwerk/ leefomgeving.

  • 5.

    (Laten) organiseren van stut en steun voor ouders en jeugdige (onder andere voor het verwerkingsproces).

Ontwikkeling

Deze hulpverlening kent de volgende belangrijke ontwikkelopgaven:

  • 1.

    Beter passend bij de jeugdige/ het gezin (in basishouding, type deskundigheid, vorm en uitvoering van de hulp).

  • 2.

    Voortdurend in verbinding met (wetenschappelijke) kennis.

  • 3.

    Maatwerk mogelijk maken en de deskundigheid op een passende manier nabij brengen.

  • 4.

    Meer vanuit het perspectief van meerdere levensdomeinen van de jeugdige/ het gezin.

Product specifieke eisen

Practice/evidence based

Ja

In beginsel maakt de inzet van een ervaringsdeskundige deel uit van de MDFT. Er wordt gebruik gemaakt van effectief bewezen systeeminterventies. GGZ-systeeminterventies vallen niet onder dit product.

Functieprofiel

HBO 85 % (schaal 10) WO 15% (schaal 12)

Functiemix

HBO geschoold in de evidence based methode(n) die word(t)(en) toegepast, heeft een opleiding tot MDFT-therapeut gevolgd via Stichting

Jeugdinterventies

Gedragswetenschapper

Supervisor: De supervisie-intervisie structuur is belangrijk in het bewaken van de kwaliteit, dit is voorwaarde voor licentiering (3-jaarlijks) van Stichting Jeugdinterventies. Daarom is in het tarief een toeslag berekend voor de inzet van een supervisor in schaal 11 voor 16% per uur.

Multidisciplinair team

Ja

Regiebehandelaar

Ja

ED diagnostiek en behandeling

Omschrijving

Ernstige Dyslexie diagnostiek en behandeling is bedoeld voorbij jeugdigen in groep 3 tot en met 8 van het basisonderwijs. Het traject omvat zowel onderzoek als behandeling. Wanneer diagnostiek en/of behandeling pas start ná het verlaten van groep 8, kan geen aanspraak meer worden gemaakt op vergoeding vanuit de Jeugdwet.

De uitvoering volgt het meest actuele, landelijk vastgestelde “Protocol Dyslexie, Diagnostiek en behandeling 3.0” van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie. De ED-zorg wordt geleverd door zorgaanbieders die intensief samenwerken met de samenwerkingsverbanden en/of scholen, en die werken volgens de vastgestelde protocollen.

Daarnaast wordt er toegewerkt naar duo behandelingen, waarbij twee jeugdigen gelijktijdig worden behandeld. Ook vindt (een deel van) de behandeling digitaal plaats.

Verwijzing naar ED-zorg

Met alle samenwerkingsverbanden in de regio zijn afspraken gemaakt over de verwijzing naar EDzorgaanbieders. De poortwachter van het samenwerkingsverband treedt op als verwijzer.

Tarief en belangrijkste financierings- en betaalvoorwaarden

ED Diagnostiek en behandeling worden integraal gefactureerd.

De declaratie vindt plaats op basis van daad werkelijk geleverde eenheden (minuten en/of uren). Vergoeding van ED-zorg vindt enkel plaats als er een akkoordverklaring is van de ED-specialist in dienst van het samenwerkingsverband

Ernstige Dyslexie

Normenkader

Voor 90% van de jeugdigen is de maximale behandelduur 5050 minuten en voor het overige deel geldt een maximum van 5800 minuten.

Deze behandelduur is inclusief diagnostiek, behandeling, eindevaluatie, afstemming en samenwerking met het onderwijs. Behandelingen die de grens van 5800 overschrijden komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Hoofdstuk 3: Jeugdhulpdiensten specifiek voor diagnose

Voor een toelichting op de diensten diagnostiek en de verhouding ten opzichte van intake, analyse, vraagverheldering verwijzen wij u naar hoofdstuk 1. In het kader van normaliseren en destigmatiseren is het uitvoeren van diagnostiek niet strikt noodzakelijk om behandeling declarabel te maken.

Het ligt niet voor de hand verschillende diagnostische diensten tegelijkertijd in te zetten. Overzicht diagnostiek

Persoonsgericht met aandacht

voor gezin en omgeving

Gezinsgericht met aandacht voor omgeving

Bijzonderheden

Basisdiagnostiek

X

Specialistische diagnostiek

X

Basis diagnostiek

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

Maximaal 4 maanden

Intensiteit

Maximaal 15 uur

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel

Basis diagnostisch onderzoek heeft betrekking op enkelvoudige onderzoeken zoals IQ of Dyslexie-onderzoek door middel van gesprekken, testen, observatie en vragenlijsten helder krijgen van het diagnostisch beeld van de jeugdige. Diagnostiek omvat alle activiteiten gericht op verduidelijking van de klachten en van de jeugdhulpvraag.

Diagnostiek is noodzakelijk wanneer nog niet duidelijk is welke aanpak/hulp er nodig/passend is voor een jeugdige.

Dit product wordt ingezet indien er een vermoeden is van een onderliggende psychische stoornis of een cognitieve beperking en het voor de inzet van passende ondersteuning ten behoeve van de jeugdige noodzakelijk is:

  • Meer helderheid te krijgen over de oorzaak van de beperkingen in het functioneren en

  • En de vraaganalyse van de verwijzer onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een vervolgtraject.

Mocht de jeugdige/het gezin niet direct na diagnostiek in behandeling worden genomen, dan is de regiebehandelaar van de diagnostiekfase de eerstverantwoordelijke voor de zorg van de jeugdige.

Activiteiten

Observaties, gesprekken, testen, vragenlijst afnemen, rapportage opstellen en het opstellen van een diagnostisch verslag. Basisdiagnostiek wordt uitgevoerd naar de binnen uw branche geldende standaarden.

Doelgroep

Voor wie?

0 tot 18 jaar en hun ouders

Er is bij de jeugdige sprake van een tijdelijke of blijvende psychische stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige matige tot ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling.

Resultaten

Type resultaat

Analyse/diagnostiek

Een duidelijk beeld van de oorzaken van klachten en hulpvraag van de jeugdige en het gezin op basis van een verklarende analyse. Door het diagnostische proces kan de inhoud en omvang bepaald worden van noodzakelijk vervolgstappen in behandeling/begeleiding. Het opstellen van een diagnostisch verslag.

Dienst specifieke eisen

Practice of Evidence based

Evidence based

Een intelligentieonderzoek valt uitsluitend onder de Jeugdwet als het onderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp en als er vermoeden is dat de intelligentie sterk van invloed is op het wel of niet realiseren van de doelen van de jeugdige/het gezin. Dit zijn de doelen die opgesteld zijn in het kader van jeugdhulp.

Regiebehandelaar is op zijn minst opgenomen in het register basisdiagnostiek en in het bezit van basisaantekening orthopedagogiek of psychodiagnostiek.

Wat valt niet onder deze dienst:

  • Diagnostiek noodzakelijk voor het bepalen van een specifiek schooltype valt niet onder dit product.

  • Een los intelligentieonderzoek

Functieprofiel

HBO/WO

Functiemix

Wordt hoofdzakelijk door WO geschoold personeel uitgevoerd. In mindere mate kan naast de WO-er ondersteunend HBO of WO+ geschoold personeel ingezet worden.

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

n.v.t.

Specialistische diagnostiek

Normenkader

Eenheid

Minuten

Duur

Maximaal 3 maanden

Intensiteit

Maximaal 20 uur

Omschrijving

Type dienst

Ambulant individueel

Specialistisch diagnostisch onderzoek is een uitgebreid onderzoek met een mogelijke DSM diagnose tot gevolg, door middel van gesprekken, testen, vragenlijsten en observaties helder krijgen van het diagnostisch beeld van de jeugdige. Diagnostiek omvat alle ambulante activiteiten gericht op verduidelijking van de klachten en van de jeugdhulpvraag.

Diagnostiek (door middel van observatie en/of diagnostisch onderzoek) is noodzakelijk wanneer nog niet (helemaal) duidelijk is welke hulp er nodig is voor een jeugdige of als er behoefte is aan duidelijkheid over de te volgen aanpak.

Dit product wordt ingezet indien er een vermoeden is van een onderliggende psychische stoornis of een cognitieve beperking en het voor de inzet van passende ondersteuning t.b.v. van de jeugdige noodzakelijk is meer helderheid te krijgen over de oorzaak van de beperkingen in het functioneren en indien de vraaganalyse van de verwijzer onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een vervolgtraject. Mocht de jeugdige/het gezin niet direct na diagnostiek in behandeling worden genomen, dan is de regiebehandelaar van de diagnostiekfase de eerstverantwoordelijke voor de zorg van de jeugdige.

Als specialistische behandeling volgt na specialistische diagnostiek maakt de diagnostiek onderdeel uit van de specialistische behandeling en wordt de diagnostiek niet separaat gefactureerd.

Activiteiten

Observaties, gesprekken, testen vragenlijst afnemen, rapportage opstellen.

Doelgroep

Voor wie?

0 tot 18 jaar en hun ouders

Er is bij de jeugdige sprake van een tijdelijke of blijvende psychische stoornis en/of beperking, die maken dat de jeugdige ernstige tot zeer ernstige beperkingen ervaart en/of bedreigd wordt in zijn ontwikkeling.

Vanwege de aard van de problematiek is specialistische inzet vereist.

Resultaten

Type resultaat

Analyse/diagnostiek

Een duidelijk beeld van de oorzaken van klachten en hulpvraag op basis waarvan de kwaliteit en de effectiviteit van opvolgende stappen in een behandeling kunnen worden bepaald. Het opstellen van een diagnostisch verslag. (Technisch professioneel en een cliëntverslag)

Dienst specifieke eisen

Practice of Evidence based

Evidence based

Een intelligentieonderzoek valt uitsluitend onder de Jeugdwet als het onderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. En als er vermoeden is dat de intelligentie sterk van invloed is op het wel of niet realiseren van de doelen van de jeugdige/het gezin. Dit zijn de doelen die opgesteld zijn in het kader van jeugdhulp.

De inzet moet voldoen aan de geldende GGZ-standaarden.

Wat valt niet onder deze dienst: Diagnostiek noodzakelijk voor het bepalen van een specifiek schooltype valt niet onder dit product en een los intelligentieonderzoek.

Functieprofiel

HBO/WO+/Medisch specialist

Functiemix

Wordt hoofdzakelijk door WO geschoold personeel uitgevoerd. In mindere mate kan naast de WO-er ondersteunend HBO of WO+ geschoold personeel ingezet worden, regelmatig onder supervisie van een K&J psychiater of Klinisch psycholoog (WO+)

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

n.v.t.

Hoofdstuk 4: Dagvoorzieningen

Algemeen

De diensten uit dit hoofdstuk zijn uitsluitend te declareren door jeugdhulpaanbieders die Bijzondere Delen Overeenkomst 3: Dagbehandeling en dagbesteding hebben ondertekend.

Overzicht

Dagbesteding

Dagbehandeling

Aanvullende inzet begeleiding mogelijk?

Aanvullende inzet behandeling mogelijk?

Richtlijn

urennorm

Zo nodig in te zetten als respijtzorg

Dagbesteding regulier

X

Ligt niet voor de hand

ja

ja

ja

Dagbesteding intensief

X

Ligt niet voor de hand

Ja

ja

ja

Naschoolse dagbesteding

X

Ligt niet voor de hand

nee

nee

ja

Dagbehandeling regulier

X

Ligt niet voor de hand

Nee, niet op zelfde dagdelen

ja

nee

Dagbehandeling intensief

X

Ligt niet voor de hand

Nee, niet op zelfde dagdelen

ja

nee

Dagbehandeling specialistisch

(GGZ)

X

Ligt niet voor de hand

Ligt niet voor de hand

ja

nee

Dagbesteding regulier

Normenkader

Eenheid

Dagdelen

Duur

Regulier: Maximaal 6 maanden. Voor doelgroep levenslang en levensbreed:

Maximaal 3 jaar

Intensiteit

Maximaal 9 dagdelen per week. i.h.k.v. respijtzorg 2 dagdelen per week

Omschrijving

Het product dagbesteding betreft een dagprogramma met begeleiding (in een groep) waarbij jeugdigen jonger dan 18 jaar verschillende activiteiten krijgen aangeboden gedurende een aantal dagdelen. Het betreft een gestructureerd dagprogramma met een pedagogisch groepsklimaat. De begeleiding is erop gericht de jeugdige zoveel mogelijk zelfstandig te laten zijn. Maar ook ter ondersteunen bij het plannen van activiteiten, het nemen van besluiten of het regelen van dagelijkse zaken. Het samenstellen van de activiteiten voor de jeugdige is maatwerk. Samen met de ouders en het onderwijs wordt het ontwikkelingsperspectief opgesteld dat gericht is op het ontwikkelperspectief van de jeugdige. Het OPP wordt opgesteld door het onderwijs voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en bevat afspraken tussen school, de leerling en de ouders over de benodigde zorg en begeleiding. De zorgaanbieder heeft inzage in het OPP de aangeboden activiteiten passen bij het beschreven Ontwikkel Perspectief. De zorg mag alleen geboden worden, wanneer de zorgaanbieder de zorg aan laat sluiten op het OPP.

Het betreft niet de activiteiten die vallen onder de algemene gemeentelijke voorzieningen of naschoolse activiteiten voor jeugdigen. Het betreft hier ook niet de activiteiten die bekostigd dienen te worden vanuit de Participatiewet dan wel vanuit onderwijs.

Dagbesteding regulier kan tijdelijk of levenslang en levensbreed worden ingezet in het kader van respijtzorg en ter vervanging van school. Het eigen netwerk of lokale voorzieningen zijn altijd voorliggend. Zie respijtzorg in hoofdstuk 1.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar andere tijdsbesteding, zoals school of andere vrijetijdsbesteding. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na-traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen 4-18 jaar

  • 1.

    Jeugdigen die door ziekte, stoornis, aandoening of beperking niet (fulltime) onderwijs kunnen volgen of die niet (fulltime) in naschoolse voorzieningen kunnen deelnemen;

  • 2.

    Jeugdigen wiens perspectief het is om (gedeeltelijk) onderwijs te volgen OF bij wie het nog niet duidelijk is of de jeugdige kan deelnemen aan onderwijs of naschoolse voorzieningen;

  • 3.

    Jeugdigen uit gezinnen met meervoudige problematiek, wiens ouders moeten worden ontlast;

  • 4.

    Jeugdigen die in enige mate beperkt zijn hun ontwikkeling en de mate van zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve, verstandelijke beperking, of een psychiatrische of psychosociaal probleem of een combinatie daarvan. Het gedrag van de jeugdige is redelijk voorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten.

Activiteiten

  • 1.

    Samen met het lokale team oriënteren en verkennen van de mogelijkheden om reguliere voorzieningen te benutten (school, vrije tijd, georganiseerd, netwerk, enz.);

  • 2.

    Een gestructureerd dagprogramma op locatie, bestaande uit ontwikkelingsstimulering gericht op diverse vaardigheden via herhaling en training;

  • 3.

    Binnen het dagprogramma is ruimte voor het ontwikkelingsniveau van ieder individuele jeugdige en komen communicatievaardigheden, ADL vaardigheden, sociale vaardigheden, spelvaardigheden, emotionele vaardigheden en motorische vaardigheden aan bod;

  • 4.

    Samenwerking, overleg en afstemming met de ouder(s) gericht op opvoed- en ontwikkelingsvragen. Er wordt zodanig contact onderhouden met ouders/verzorgers dat het geleerde op de voorziening ook thuis geoefend kan worden en andersom.

Resultaten

Type resultaat

  • 1.

    Voor iedere jeugdige is samen met de wettelijke vertegenwoordigers en het onderwijs een Onderwijs Ontwikkelperspectief opgesteld; de aangeboden activiteiten passen bij het beschreven perspectief;

  • 2.

    Schooluitval wordt voorkomen;

  • 3.

    Bij de tijdelijke inzet voor respijtzorg is het netwerk om het gezin zodanig versterkt dat zij zonder professionele jeugdhulp verder kunnen (bijvoorbeeld ook door het activeren van een vrijwillig netwerk of andere lokale voorzieningen);

  • 4.

    Er is sprake van een zinvolle invulling en structuur aan de dag;

  • 5.

    De jeugdige heeft dagelijkse handelingen en vaardigheden geleerd die thuis, in de vrije tijd en tijdens de dagbesteding worden toegepast;

  • 6.

    De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan;

  • 7.

    Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Methodisch, practice based

  • Dagbesteding regulier kan voor jeugdigen in de leerplichtige leeftijd uitsluitend gedeclareerd worden als sprake is van een Onderwijs Ontwikkel Perspectief, tenzij sprake is van dagbesteding in kader van respijt;

  • Elke voorziening voor dagbesteding werkt aantoonbaar samen met een Samenwerkingsverband van het onderwijs (SWV met werkgebied waar voorziening is gehuisvest). Zo nodig wordt onderwijs op maat per jeugdige op de dagbestedingsvoorziening georganiseerd (inzet leerkracht/Intern begeleider of andere functionaris uit het onderwijs) om de overgang en/of terugkeer naar een (passende) onderwijsvoorziening te realiseren;

  • Het betreft niet activiteiten die vallen onder de algemene gemeentelijke voorzieningen of naschoolse activiteiten voor jeugdigen. Het betreft hier ook niet de activiteiten die bekostigd dienen te worden vanuit de Participatiewet dan wel vanuit onderwijs;

  • Dagbesteding i.h.k.v. respijtzorg: gebruik maken van de voorzieningen van dagbesteding in het kader van respijtzorg is mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend i.h.k.v. normaliseren en destigmatiseren;

  • Afwijking op de richtlijnen is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team;

  • Een dagdeel is 4 uur waarvan minimaal 3 uur direct cliëntcontacttijd;

  • Verzorgingskosten (tussendoortjes en lunch) maken onderdeel uit van het dagtarief.

De zorg mag alleen geboden worden, wanneer de zorgaanbieder de zorg aan laat sluiten op het OPP.

Functieprofiel

MBO/HBO

Functiemix

De Jeugdhulp wordt ten minste uitgevoerd door een MBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional die beschikt over een registratie in het mbo-registerplein ‘sociaal werker’, (dan wel dat de jeugdhulpaanbieder op verzoek een overzicht kan aanleveren van een passend scholings- of opleidingsplan); De regievoering/inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een SKJ geregistreerde HBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional.

Regiebehandelaar

Nee

Groepsgrootte

Maximaal 6

Ratio begeleider : jeugdige

1:6

Dagbesteding intensief

Normenkader

Eenheid

Dagdelen

Duur

Maximaal 6 maanden. i.h.k.v. respijtzorg maximaal 6 maanden

Intensiteit

Maximaal 9 dagdelen per week. i.h.k.v. respijtzorg 2 dagdelen per week

Omschrijving

Het product dagbesteding betreft een dagprogramma met begeleiding (in een groep) waarbij kinderen en jeugdigen jonger dan 18 jaar verschillende activiteiten krijgen aangeboden gedurende een aantal dagdelen. Het betreft een gestructureerd dagprogramma met een pedagogisch groepsklimaat. De begeleiding is erop gericht de jeugdige zoveel mogelijk zelfstandig te laten zijn. Maar ook ter ondersteunen bij het plannen van activiteiten, het nemen van besluiten of het regelen van dagelijkse zaken. Het samenstellen van de activiteiten voor de jeugdige is maatwerk. Samen met de ouders wordt het ontwikkelingsperspectief door school opgesteld dat gericht is op het ontwikkelperspectief van de jeugdige. Het OPP wordt opgesteld door het onderwijs voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en bevat afspraken tussen school, de leerling en de ouders over de benodigde zorg en begeleiding. De zorgaanbieder heeft inzage in het OPP de aangeboden activiteiten passen bij het beschreven Ontwikkel Perspectief. De zorg mag alleen geboden worden, wanneer de zorgaanbieder de zorg aan laat sluiten op het OPP.

Het betreft niet de activiteiten die vallen onder de algemene gemeentelijke voorzieningen of naschoolse activiteiten voor jeugdigen. Het betreft hier ook niet de activiteiten die bekostigd dienen te worden vanuit de Participatiewet dan wel vanuit onderwijs.

Dagbesteding intensief kan tijdelijk of levenslang en levensbreed worden ingezet in het kader van respijtzorg en ter vervanging van school. Het eigen netwerk of lokale voorzieningen zijn altijd voorliggend. Zie respijtzorg in hoofdstuk 1.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar andere tijdsbesteding, zoals school of andere vrijetijdsbesteding. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na-traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0-18 jaar

Dagbesteding intensief is bedoeld voor:

  • 1.

    Jeugdigen die door ziekte, stoornis, aandoening of beperking niet (fulltime) onderwijs kunnen volgen of die niet (fulltime) in naschoolse voorzieningen kunnen deelnemen;

  • 2.

    Jeugdigen van wie het perspectief is om (gedeeltelijk) onderwijs te volgen OF bij wie het nog niet duidelijk is of de jeugdige kan deelnemen aan onderwijs of naschoolse voorzieningen;

  • 3.

    Jeugdigen uit gezinnen met meervoudige problematiek, van wie de ouders moeten worden ontlast;

  • 4.

    Jeugdigen die in enige mate beperkt zijn hun ontwikkeling en de mate van zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve, verstandelijke beperking, of een psychiatrische of psychosociaal probleem of een combinatie daarvan. Het gedrag van de jeugdige is redelijk voorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten.

  • 5.

    De jeugdige is in hoge mate beperkt in zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve, verstandelijke beperking, een psychiatrische of psychosociaal probleem of een combinatie daarvan.

Activiteiten

  • 1.

    Samen met het lokale team oriënteren en verkennen van de mogelijkheden om reguliere voorzieningen te benutten (school, vrije tijd, georganiseerd, netwerk, enz.);

  • 2.

    Een gestructureerd dagprogramma op locatie, bestaande uit ontwikkelingsstimulering gericht op diverse vaardigheden via herhaling en training;

  • 3.

    Binnen het dagprogramma is ruimte voor het ontwikkelingsniveau van ieder individuele jeugdige en komen communicatievaardigheden, ADL vaardigheden, sociale vaardigheden, spelvaardigheden, emotionele vaardigheden en motorische vaardigheden aan bod;

Samenwerking, overleg en afstemming met de ouder(s) gericht op opvoed- en ontwikkelingsvragen. Er wordt zodanig contact onderhouden met ouders/verzorgers dat het geleerde op de voorziening ook thuis geoefend kan worden en andersom.

Resultaten

Type resultaat

  • 1.

    Voor iedere jeugdige is samen met de wettelijke vertegenwoordigers en het onderwijs ontwikkelperspectief opgesteld; de aangeboden activiteiten passen bij het beschreven perspectief;

  • 2.

    Schooluitval wordt voorkomen;

  • 3.

    Bij de tijdelijke inzet voor respijtzorg is het netwerk om het gezin zodanig versterkt dat zij zonder professionele jeugdhulp verder kunnen (bijvoorbeeld ook door het activeren van een vrijwillig netwerk of andere lokale voorzieningen);

  • 4.

    Er is sprake van een zinvolle invulling en structuur aan de dag;

  • 5.

    De jeugdige heeft dagelijkse handelingen en vaardigheden geleerd die thuis, in de vrije tijd en tijdens de dagbesteding, worden toegepast;

  • 6.

    De ouders hebben geleerd over de beperking, stoornis en aandoening van hun kind en diens nieuwe vaardigheden om hiermee om te gaan;

  • 7.

    Ouders hebben geleerd met de opvoeding en verzorging van hun kind beter aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van hun kind.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Methodisch, practice based

  • Dagbesteding intensief kan voor jeugdigen in de leerplichtige leeftijd uitsluitend gedeclareerd worden als sprake is van een Onderwijs Ontwikkel Perspectief, tenzij sprake is van dagbesteding in kader van respijt;

  • Elke voorziening voor dagbesteding werkt aantoonbaar samen met een Samenwerkingsverband van het onderwijs (SWV met werkgebied waar voorziening is gehuisvest). Zo nodig wordt onderwijs op maat per jeugdige op de dagbestedingsvoorziening georganiseerd (inzet leerkracht/Intern Begeleider of andere functionaris uit het onderwijs) om de overgang en/of terugkeer naar een (passende) onderwijsvoorziening te realiseren;

  • Het betreft niet activiteiten die vallen onder de algemene gemeentelijke voorzieningen of naschoolse activiteiten voor jeugdigen. Het betreft hier ook niet de activiteiten die bekostigd dienen te worden vanuit de Participatiewet dan wel vanuit onderwijs;

  • Dagbesteding i.h.k.v. respijtzorg: gebruik maken van de voorzieningen van dagbesteding in het kader van respijtzorg is mogelijk, maar daar is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend i.h.k.v. normaliseren en destigmatiseren;

  • Afwijking op de richtlijnen is enkel mogelijk na toestemming van het lokale team;

  • Een dagdeel is 4 uur waarvan minimaal 3 uur direct cliëntcontacttijd;

  • Verzorgingskosten (tussendoortjes en lunch) maken onderdeel uit van het dagtarief.

  • De zorg mag alleen geboden worden, wanneer de zorgaanbieder de zorg aan laat sluiten op het OPP.

Functieprofiel

HBO/WO onder verantwoordelijkheid van SKJ geregistreerde een gedragswetenschapper

Functiemix

De Jeugdhulp wordt ten minste uitgevoerd door een HBO opgeleide professional. De regievoering/ inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een WO opgeleidegedragswetenschapper.

Regiebehandelaar

Nee

Groepsgrootte

Maximaal 4

Ratio begeleider : jeugdige

1:4

Naschoolse dagbesteding

Normenkader

Eenheid

Dagdelen

Duur

De duur is gelijk aan de duur van de dagbehandelingsvoorzieningen

Intensiteit

Maximaal 3 dagdelen per werkweek

Omschrijving

Naschoolse dagbesteding kan alleen ingezet worden in combinatie met een schoolvervangende dagbehandelingsvoorziening in het geval deze jeugdigen ook na schooltijd ondersteunende dagbesteding nodig hebben en voor wie de ondersteuning in BSO+ ontoereikend of onwenselijk is.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 4 tot maximaal 18 jaar

Naschoolse dagbesteding is bedoeld voor jeugdigen die naar een schoolvervangende dagbehandelingsvoorziening gaan en wiens ouder(s) werken of studeren.

Resultaten

Type resultaat

Er is sprake van gestructureerde besteding van de middag, met ruimte voor ontspanning en het ontwikkelen van vaardigheden voor het besteden van vrije tijd met andere jeugdigen.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Methodisch, practice based

  • Verzorgingskosten (tussendoortjes) maken onderdeel uit van het dagtarief.

  • Een dagdeel is 4 uur waarvan minimaal 3 uur direct cliëntcontacttijd;

Functieprofiel

MBO/HBO De begeleiding vindt plaats door SKJ-geregistreerde medewerkers

Functiemix

Het zwaartepunt ligt bij een inzet van SKJ geregistreerde HBO professionals, die in de uitvoering van hun werk ondersteund kunnen worden door een MBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional die als 'sociaal werker' geregistreerd staat.

Regiebehandelaar

Nee

Groepsgrootte

Maximaal 8

Ratio begeleider : jeugdige

1:4

Dagbehandeling regulier

Normenkader

Eenheid

Dagdelen

Duur

Regulier: Maximaal 6 maanden. Voor doelgroep levenslang en levensbreed:

Maximaal 3 jaar

Intensiteit

Maximaal 9 dagdelen per week

Omschrijving

Bij deze dienst ligt de nadruk op het bieden van structuur en veiligheid om behandeling/ontwikkeling mogelijk te maken. Er is sprake van een therapeutisch groepsklimaat.

Dagbehandeling regulier is jeugdhulp gericht op het herstellen of op gang brengen van een ernstig vastgelopen of verstoorde ontwikkeling van een jeugdige en het versterken van de opvoedingskracht van het gezin en/of gericht op belevingsgerichte activiteiten voor jeugdigen met een verstandelijke beperking.

De hulp vindt plaats in een groep met een therapeutisch leefklimaat, gedurende één of meer dagdelen per week, afhankelijk van de behandelbehoefte. Er wordt een interventieprogramma in een structuurversterkend klimaat geboden door een multidisciplinair team. Ouder(s) worden altijd bij de behandeling betrokken. Afhankelijk van de behandel- en ondersteuningsvragen van de jeugdige en/of ouder(s) kan het aanbod verder bestaan uit:

  • 1.

    Kindgerichte procesdiagnostiek/aanvullend onderzoek;

  • 2.

    Behandeling door vaktherapeuten en paramedici (zoals logopedie, ergotherapie, fysiotherapie, PMT en PRT) voor maximaal 2 uur in de week.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar andere tijdsbesteding, zoals school of andere vrijetijdsbesteding. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na-traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen 0-18 jaar

  • 1.

    Dagbehandeling regulier is bedoeld voor jeugdigen die zodanig beperkt zijn in hun ontwikkeling en zelfredzaamheid dat een betekenisvolle invulling van de dag in reguliere voorzieningen voor kinderopvang, vrije tijd of netwerk niet mogelijk is;

  • 2.

    Waarbij sprake is van een ondersteuningsvraag vanwege meervoudige problematiek, namelijk een combinatie van meerdere beperkingen, stoornissen of aandoeningen;

  • 3.

    waarvoor een behandelprogramma met intensieve ontwikkelingsstimulering en het aanleren van nieuw gedrag en nieuwe vaardigheden noodzakelijk is;

  • 4.

    Waarbij de intensiteit en behandelmogelijkheden van ambulante individuele hulp niet passend zijn voor de jeugdige.

Resultaten

Type resultaat

Dagbehandeling vindt altijd plaats met een concreet behandeldoel. Deze kunnen liggen op het gebied van:

  • 1.

    Herstel, genezing, ontwikkeling, stabiliseren en/of hanteerbaar maken van het probleem of de aandoening;

  • 2.

    Stabilisatie van een gezonde en/of veilige (tijdelijke) opvoedsituatie;

  • 3.

    Het verbeteren van de opvoedsituatie waarin jeugdigen opgroeien;

  • 4.

    Het stimuleren van de normale en gezonde ontwikkeling van jeugdigen;

  • 5.

    Het opheffen of verminderen van probleemgedrag en het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdigen en gezinnen.

  • 6.

    In het geval van KDC een ontwikkelingsgericht school vervangend programma.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Methodisch, practice en evidence based

  • 1.

    Dagbehandeling regulier kan voor jeugdigen in de leerplichtige leeftijd uitsluitend gedeclareerd worden als sprake is van een Ontwikkel Perspectief, tenzij sprake is van dagbesteding in kader van respijt;

  • 2.

    De zorg mag alleen geboden worden, wanneer de zorgaanbieder de zorg aan laat sluiten op het OPP.

  • 3.

    Elke voorziening voor dagbehandeling werkt aantoonbaar samen met een Samenwerkingsverband van het onderwijs (SWV met werkgebied waar voorziening is gehuisvest). Zo nodig wordt onderwijs op maat per jeugdige op de dagbehandelingsvoorziening georganiseerd (inzet leerkracht, Intern Begeleider of andere functionaris uit het onderwijs) om de overgang en/of terugkeer naar een (passende) onderwijsvoorziening te realiseren;

  • 4.

    Een dagdeel is 4 uur waarvan minimaal 3 uur direct cliëntcontacttijd;

  • 5.

    Verzorgingskosten (tussendoortjes en lunch) maken onderdeel uit van het dagtarief.

Functieprofiel

MBO /HBO/WO

Functiemix

Het zwaartepunt ligt bij een inzet van SKJ geregistreerde HBO professionals, die in de uitvoering van hun werk ondersteund kunnen worden door een MBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional die als 'sociaal werker' geregistreerd staat in het mbo-registerplein.

Er is een SKJ of BIG geregistreerde gedragswetenschapper en/of een regiebehandelaar betrokken, beiden minstens WO-niveau. Deze is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de geleverde hulp.

Het werk wordt uitgevoerd vanuit een multidisciplinair team, waar specifiek paramedisch personeel en/of vaktherapeuten onderdeel van uitmaken.

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

Maximaal 8

Ratio begeleider: jeugdige

1:4

Dagbehandeling intensief

Normenkader

Eenheid

Dagdelen

Duur

Maximaal 6 maanden

Intensiteit

Maximaal 9 dagdelen per week

Omschrijving

Bij deze dienst ligt de nadruk op het bieden van structuur en veiligheid om behandeling/ontwikkeling mogelijk te maken. Er is sprake van een therapeutisch groepsklimaat.

Dagbehandeling intensief is jeugdhulp gericht op het herstellen of op gang brengen van een ernstig vastgelopen of verstoorde ontwikkeling van een jeugdige en het versterken van de opvoedingskracht van het gezin en/of gericht op belevingsgerichte activiteiten voor jeugdigen met een verstandelijke beperking. De hulp vindt plaats in een groep met een therapeutisch leefklimaat, gedurende één of meer dagdelen per week, afhankelijk van de behandelbehoefte. Er wordt een interventieprogramma in een structuurversterkend klimaat geboden door een multidisciplinair team. Ouder(s) worden altijd bij de behandeling betrokken.

Afhankelijk van de behandel- en ondersteuningsvragen van de jeugdige en/of ouder(s) kan het aanbod verder bestaan uit:

  • 1.

    Kindgerichte procesdiagnostiek/aanvullend onderzoek;

  • 2.

    Behandeling door vaktherapeuten en paramedici (zoals logopedie, ergotherapie, fysiotherapie, PMT en PRT) voor maximaal 2 uur in de week.

Het verschil met dagbehandeling regulier:

Gedurende de dag momenten van één-op-één behandeling, bijvoorbeeld om de jeugdige te helpen het gedrag te reguleren.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar andere tijdsbesteding, zoals school of andere vrijetijdsbesteding. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen 0-18 jaar

Dagbehandeling intensief is bedoeld voor jeugdigen:

  • Die zodanig beperkt zijn in hun ontwikkeling en zelfredzaamheid dat een betekenisvolle invulling van de dag in reguliere voorzieningen voor kinderopvang, vrije tijd of netwerk niet mogelijk is;

  • Waarbij sprake is van een ondersteuningsvraag vanwege meervoudige problematiek, namelijk een combinatie van meerdere beperkingen, stoornissen of aandoeningen;

  • Waarvoor een behandelprogramma met intensieve ontwikkelingsstimulering en het aanleren van nieuw gedrag en nieuwe vaardigheden noodzakelijk is;

  • Waarbij de intensiteit en behandelmogelijkheden van ambulante individuele hulp niet passend zijn voor de jeugdige.

Gezien de problematiek van de jeugdige wordt het noodzakelijk geacht individuele behandelmomenten op de dag te integreren om de doelen van de jeugdhulp te realiseren.

Resultaten

Type resultaat

Dagbehandeling vindt altijd plaats met een concreet behandeldoel. Deze kunnen liggen op het gebied van:

  • 1.

    Herstel, genezing, ontwikkeling, stabiliseren en/of hanteerbaar maken van het probleem of de aandoening;

  • 2.

    Stabilisatie van een gezonde en/of veilige (tijdelijke) opvoedsituatie;

  • 3.

    Het verbeteren van de opvoedsituatie waarin jeugdigen opgroeien;

  • 4.

    Het stimuleren van de normale en gezonde ontwikkeling van jeugdigen;

  • 5.

    Het opheffen of verminderen van probleemgedrag en het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdigen en gezinnen.

  • 6.

    In het geval van KDC een ontwikkelingsgericht school vervangend programma.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Therapeutisch en evidence based

  • Dagbehandeling intensief kan voor jeugdigen in de leerplichtige leeftijd uitsluitend gedeclareerd worden als sprake is van een ontwikkelingsperspectief, tenzij sprake is van dagbesteding in kader van respijt;

  • De zorg mag alleen geboden worden, wanneer de zorgaanbieder de zorg aan laat sluiten op het OPP.

  • Elke voorziening voor dagbehandeling werkt aantoonbaar samen met een Samenwerkingsverband van het onderwijs (SWV met werkgebied waar voorziening is gehuisvest). Zo nodig wordt onderwijs op maat per jeugdige op de dagbehandelingsvoorziening georganiseerd (inzet leerkracht, Intern Begeleider of andere functionaris uit het onderwijs) om de overgang en/of terugkeer naar een (passende) onderwijsvoorziening te realiseren;

  • Verzorgingskosten (tussendoortjes en lunch) maken onderdeel uit van het dagtarief.

  • Een dagdeel is 4 uur waarvan minimaal 3 uur direct cliëntcontacttijd;

Afwijking van het normenkader (bv. meer dagdelen) is uitsluitend mogelijk na toestemming van de Centrale Intake EN als hiermee uithuisplaatsing wordt voorkomen.

Functieprofiel

MBO/HBO/WO

Functiemix

Het zwaartepunt ligt bij een inzet van SKJ geregistreerde HBO professionals, die in de uitvoering van hun werk ondersteund kunnen worden door een MBO opgeleide jeugd- en gezinsprofessional die als 'sociaal werker' geregistreerd staat in het mbo-registerplein.

Er is een SKJ of BIG geregistreerde gedragswetenschapper en/of een regiebehandelaar betrokken, beiden minstens WO-niveau. Deze is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de geleverde hulp.

Het werk wordt uitgevoerd vanuit een multidisciplinair team, waar specifiek paramedisch personeel en/of vaktherapeuten onderdeel van uitmaken.

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

Maximaal 6

Ratio begeleider: jeugdige

1:3

Dagbehandeling specialistisch (GGZ)

Normenkader

Tarief & eenheid

Dagdeel

Intensiteit

Maximaal 9 dagdelen per week, maximaal 6 maanden

Omschrijving

Bij deze dienst ligt de nadruk op het bieden van structuur en veiligheid om behandeling mogelijk te maken.

Er is sprake van een therapeutisch groepsklimaat.

Dagbehandeling specialistisch is jeugdhulp gericht op het herstellen of op gang brengen van een ernstig vastgelopen of verstoorde ontwikkeling van een jeugdige en het versterken van de opvoedingskracht van het gezin als gevolg van een psychiatrische stoornis.

De hulp vindt plaats in een groep gedurende een of meer dagdelen per week, afhankelijk van de behandelbehoefte. Er wordt een interventieprogramma in een structuurversterkend klimaat geboden door een multidisciplinair team. Ouder(s) worden altijd bij de behandeling betrokken.

Afhankelijk van de behandel- en ondersteuningsvragen van de jeugdige en/of ouder(s) kan het aanbod verder bestaan uit:

  • 1.

    Behandeling door de kinder- en jeugdpsychiater, GZ-psycholoog en vaktherapeuten;

  • 2.

    GGZ diagnostiek/aanvullend onderzoek;

  • 3.

    Gedurende de dag momenten van 1-op-1 behandeling, bijvoorbeeld om de jeugdige te helpen het gedrag te reguleren.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen 0-18 jaar

Dagbehandeling specialistisch GGZ is bedoeld voor jeugdigen:

  • 1.

    Die zodanig beperkt zijn in hun ontwikkeling en zelfredzaamheid dat een betekenisvolle invulling van de dag in reguliere voorzieningen voor kinderopvang, vrije tijd of netwerk niet mogelijk is;

  • 2.

    Waarbij sprake is van een ondersteuningsvraag vanwege meervoudige problematiek, namelijk een combinatie van meerdere beperkingen, stoornissen of aandoeningen;

  • 3.

    Waarvoor een behandelprogramma met intensieve ontwikkelingsstimulering en het aanleren van nieuw gedrag en nieuwe vaardigheden noodzakelijk is;

  • 4.

    Waarbij de intensiteit en behandelmogelijkheden van ambulante individuele hulp niet passend zijn voor de jeugdige.

Het verschil met dagbehandeling regulier J&O/VG en dagbehandeling intensief J&O/VG: Er is sprake van ernstige psychiatrische problematiek.

Resultaten

Type resultaat

Dagbehandeling specialistisch GGZ vindt altijd plaats met een concreet behandeldoel. Deze is altijd:

Behandeling van de psychiatrische problematiek. Aanvullende doelen kunnen liggen op het gebied van:

  • 1.

    Herstel, ontwikkeling, stabiliseren en/of hanteerbaar maken van het probleem of de aandoening;

  • 2.

    Stabilisatie van een gezonde en/of veilige (tijdelijke) opvoedsituatie;

  • 3.

    Het verbeteren van opvoedsituatie waarin jeugdigen opgroeien;

  • 4.

    Het stimuleren van de normale en gezonde ontwikkeling van jeugdigen;

  • 5.

    Het opheffen of verminderen van probleemgedrag en het vergroten van de zelfredzaamheid van jeugdigen en gezinnen.

Dienst specifieke eisen

Evidence of practice based

Therapeutisch, Evidence based

  • 1.

    Het ontwikkelingsperspectief wordt opgevraagd bij het onderwijs.

  • 2.

    Afwijking van het normenkader (bijv. qua duur) is uitsluitend mogelijk na toestemming van de Centrale Intake EN als hiermee uithuisplaatsing wordt voorkomen.

Functieprofiel

HBO/WO

Functiemix

Professionals dagbehandeling zijn SKJ/geregistreerd en hebben minimaal een relevante opleiding op (post)-hbo-niveau of wo-niveau.

Regiebehandelaar

Inzet therapie GZ psycholoog voor behandeling max 1 uur in de week

Inzet paramedische en vaktherapie max 2 uur per week

Inzet KJP max 1 uur per week

Inzet multidisciplinair team

Regiebehandelaar

Ja

Ratio begeleider:

jeugdige

1:4

Hoofdstuk 5: Jeugdhulp met verblijf

De diensten in dit hoofdstuk zijn uitsluitend te declareren door aanbieders die de Bijzondere Delen

Overeenkomsten Wonen en/of Hoogspecialistische Jeugdhulp hebben ondertekend. Voor een aantal diensten is ondertekening van de Bijzondere Delen Overeenkomst Hoogspecialistische jeugdhulp een voorwaarde.

Overzicht

Diensten

Peda gogis ch leefkl imaat

Therap

eutisch leefkli maat

Combi met begeleiding binnen de voorzieningen

Combi met behandeling binnen de voorziening

Combi met dagbesteding/ dagbehandeling binnen de voorziening

Uitsluitend beschikbaar vanuit BDO hoogspecialisti sch

Logeren (3 intensiteiten)

X

nee

nee

nee

Pleegzorg (toeslag) intensief

X

Ligt niet voor de hand

ja

nee

Pleegzorg regulier

(voltijd)

X

Ja (ook in de vorm van respijtzorg)

ja

nee

Pleegzorg regulier (deeltijd)

X

Ja (ook in de vorm van respijtzorg)

ja

nee

Gezinshuis (2 intensiteiten)

X

Ja op basis van ondersteuningsbehoefte jeugdige, niet ter

structurele aanvulling op

de basisvoorziening van het gezinshuis

ja

nee

Wonen met

begeleiding - licht

X

Ja op basis van ondersteuningsbehoefte jeugdige, niet ter

structurele aanvulling op de basisvoorziening.

ja

nee

Wonen met

begeleiding - regulier

X

Ja op basis van ondersteuningsbehoefte jeugdige, niet ter

structurele aanvulling op de basisvoorziening.

ja

nee

Wonen met begeleiding intensief

X

Ligt niet voor de hand

ja

Ligt niet voor de hand

Verblijf met behandeling

X

Ligt niet voor de hand

Aanvullend op therapeutisch klimaat

Ja,

dagbehandeling

X

Verblijf met behandeling - intensief

X

Ligt niet voor de hand

Aanvullend op therapeutisch klimaat

Ja

dagbehandeling

X

Verblijf met behandeling –

3 milieu

X

Ligt niet voor de hand

Aanvullend op therapeutisch klimaat

Ja, indien geen school

X

Jeugdzorg

Plus

X

Ligt niet voor de hand

Aanvullend op therapeutisch klimaat

Ja

X

HIC - GGZ

X

Ligt niet voor de hand

Aanvullend op therapeutisch klimaat

Ligt niet voor de hand

X

Indien jeugdige een eigen woonruimte heeft, zijn hoofdstuk 2, 3, 4 en 5 van toepassing.

Algemeen

In de tarieven voor verblijf is rekening gehouden met huisvestgingskosten, overhead, verzorgingskosten en kapitaallasten (indien van toepassing). Persoonlijke verzorging is een integraal onderdeel van dit tarief en wordt niet separaat gedeclareerd, tenzij sprake is van risicovolle handelingen (zie productomschrijving persoonlijke verzorging).

Kwaliteitseisen specifiek voor jeugdhulp met een verblijfscomponent

De volgende specifieke kwaliteitseisen gelden voor alle diensten in dit hoofdstuk:

  • 1.

    Iedere jeugdige heeft een mentor/vaste hulpverlener die ook beschikbaar is voor het gezin. Deze vaste mentor/hulpverlener is beschikbaar voor het na-traject. Een professional die voor de jeugdige de rol van mentor vervult heeft een vast dienstverband.

  • 2.

    Ouders en andere gezinsleden blijven of worden optimaal betrokken bij de jeugdige. Indien mogelijk participeren zij in de dagelijkse gang van zaken op de voorziening en worden zij in staat gesteld (een deel) van hun opvoedende taak zelf uit te voeren. Mogelijkheden van rooming-in (overnachten) worden optimaal benut en zo nodig uitgebreid. Dit geldt niet als de voorziening ingezet wordt als vorm van respijtzorg, hoewel ook dan overwogen kan worden om in het belang van de jeugdigen de ouders periodiek op onderdelen te laten participeren.

  • 3.

    Om de hulp beter de laten aansluiten bij de leefwereld van jeugdige en ouders worden:

    • Aantoonbaar en structureel netwerkversterkende strategieën ingezet en/of o Ervaringsdeskundigen ingezet;

  • 4.

    Het is tijdig, uiterlijk bij het bereiken van 16e levensjaar, duidelijk wat de jeugdige na zijn 18e levensjaar nodig heeft. Deze eventuele hulp en ondersteuning wordt vanaf het 17e levensjaar ingeregeld. Er wordt hierbij nadrukkelijk aandacht besteed aan de vijf leefdomeinen Support (sociaal netwerk), wonen, school en werk, inkomen en schulden, welzijn en gezondheid.

Wat zit niet in het tarief?

  • 1.

    De inzet van de niet bevoegde ervaringsdeskundige wordt separaat gedeclareerd en maakt geen onderdeel uit van het tarief;

  • 2.

    Behandeling wordt, indien daadwerkelijk aangeboden, separaat gedeclareerd. Deze maakt geen onderdeel uit van het tarief. Indien voor de jeugdige aanvullend specifieke behandeling nodig is, kan hiervoor een van de diensten behandeling ingezet worden. Deze behandeling wordt dan niet uitgevoerd door de basisbezetting van deze voorziening.

Ontwikkelingen

In het kader van de afbouw Jeugdzorg Plus en het steeds beter ontwikkelen van inzicht in behoeften van jeugdigen zijn en worden zeer specifieke en kleinschalige verblijfsvormen ontwikkeld. Bij een beperkt aantal aanbieders zijn deze zeer kleinschalige verblijfsvormen ontwikkelt en we verwachten deze in de toekomst onder regie van de SOJ ZHZ mogelijk nog meer te ontwikkelen. Deze diensten zijn met zeer beperkte informatie opgenomen in de dienstomschrijvingen en kunnen in zeer beperkte mate na overleg met het expertteam en/of SOJ ZHZ ingezet worden.

Een dergelijke jeugdhulpdienst wordt uitsluitend in samenwerking met de SOJ ZHZ ontwikkeld voor jeugdigen uit de regio Zuid-Holland Zuid. Op basis van daadwerkelijke kosten worden vervolgens afspraken gemaakt of facturatie en declaratie. Deze route wordt uitsluitend gevolgd als de huidige dienstomschrijvingen significant afwijken van de uitvoering in de (nieuwe) voorziening.

Logeeropvang regulier

Normenkader

Eenheid

Etmaal

Duur

2 jaar

Intensiteit

Maximaal 63 etmalen per jaar

Omschrijving

Logeren is gericht op het herstel van de draagkracht en de draaglast van het gezin (ouders, broers en zussen) of anderen die een jeugdige als gezinslid verzorgen en opvoeden. Daarnaast is logeren ook gericht op het realiseren van een time-out, rustpunt, voor jeugdigen die niet deel kunnen nemen aan het reguliere maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren binnen het netwerk en de informele zorg. De jeugdige verblijft tijdelijk elders waar verzorging, dagelijkse opvoeding en begeleiding en voor sommige jeugdigen (periodiek) ook specifieke opvoeding geboden wordt. Als meerdere kinderen in het gezin een indicatie voor logeeropvang hebben, dan gaan zij gelijktijdig naar dezelfde logeeropvang, tenzij in het gezinsplan gemotiveerd van deze richtlijn wordt afgeweken.

Gedurende de periode dat deze voorziening ingezet wordt, wordt samen met het lokale team ofwel de GI de alternatieven in het voorveld en het netwerk onderzocht.

Ambulant na-traject: de jeugdige/het gezin wordt begeleid in de afbouw van het gebruik van de logeervoorziening. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit het lokale team. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen uit gezinnen met complexe en meervoudige problemen EN/OF Jeugdigen vanaf 12 die niet deel kunnen nemen aan regulier maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren in netwerk of informele zorg

Jeugdigen die geen gebruik kunnen maken van reguliere voorzieningen voor vrijetijdsbesteding, niet kunnen worden opgevangen in het netwerk of bij vrijwilligersinitiatieven zoals steungezinnen. Meer specifiek:

  • Jeugdigen van 0-18 jaar met een langdurige ondersteuningsbehoefte die, vanwege moeilijk verstaanbaar gedrag of een groot beroep op specifieke opvoedvaardigheden (boven op de alledaagse opvoedvaardigheden) een groot beroep doet op de overige gezinsleden EN/OF

  • Jeugdigen uit gezinnen met problemen op meerdere levensgebieden, van wie de ouder(s) als een gevolg van factoren in de thuissituatie in combinatie met kindfactoren ontlast dienen te worden.

Logeren kan ook ingezet worden als respijtzorg/adempauze voor de jeugdige zelf. Dit kan als:

Er geen enkele mogelijkheid is voor de jeugdige om te participeren in (regulier) maatschappelijk verkeer in de vrije tijd. De jeugdige kan niet deelnemen aan reguliere sport- of culturele activiteiten EN er zijn geen mogelijkheden voor opvang in het netwerk. Dit kan ook als de gezinssituatie een onevenredig grote druk legt op de draagkracht van de jeugdige. Er is met name sprake van gezinsproblematiek, denk aan verslaving ouders in combinatie met zeer beperkte of geen mogelijkheden binnen het netwerk.

De jeugdige is in enige mate beperkt in zijn/haar ontwikkeling en de mate van zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve, verstandelijke beperking, of een psychiatrische of psychosociaal probleem, of een combinatie daarvan. Het gedrag van de jeugdige is voorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten.

Resultaten

Type resultaat

Goed genoeg ouderschap

De ouder(s) kunnen hun opvoedtaak voldoende vormgeven (zie ’goed genoeg ouderschap’ in de richtlijn ‘gezinnen met complexe en meervoudige problemen’) dankzij de ontlasting die de logeeropvang hen biedt.

Met de logeeropvang wordt eventuele dreigende uithuisplaatsing (mede) voorkomen.

De jeugdige ondervindt geen nadelige gevolgen van de logeeropvang en neemt deel aan het maatschappelijk verkeer, namelijk onderneemt activiteiten buitenshuis. Alternatieven in het netwerk en bij reguliere voorzieningen zijn met ouders en het lokaal team nader onderzocht.

Dienst specifieke eisen

  • De jeugdhulpaanbieder biedt, als meerdere kinderen uit een gezin gebruik maken van logeren, indien wenselijk een gezamenlijke plek;

  • Wanneer de voorziening ingezet wordt als tijdelijk verblijf ter voorkoming van uithuisplaatsing (meer dan twee etmalen per week) wordt aan de kwaliteitscriteria voor jeugdhulp met verblijf voldaan;

  • Wanneer de voorziening ingezet wordt als tijdelijk verblijf ter voorkoming van uithuisplaatsing > dan twee etmalen per week, kan afgeweken worden van de maximale intensiteit zoals opgenomen in het normenkader;

  • De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd;

  • Het tarief behelst een all-in tarief voor het verblijf, binnen de voorziening kan er geen begeleiding, behandeling, dagbehandeling of dagbesteding apart worden toegekend.

Functieprofiel

MBO/HBO

Functiemix

De begeleiding wordt voornamelijk geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van MBO-niveau 3/4, onder verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessional, die in dienst is van de organisatie of aantoonbaar hiertoe vastgelegde samenwerkingsafspraken heeft met een voor Jeugdhulp in ZHZ gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. 24-uurs verblijf, dagbesteding en het creëren van een passend pedagogisch klimaat is integraal onderdeel van deze dienst.

Regiebehandelaar

Nee

Groepsgrootte

Maximaal 8

Ratio begeleider: jeugdige

2:8, slapende nachtdienst, waarvan tenminste 1 geschoolde pedagogische medewerker

Logeeropvang intensief

Normenkader

Eenheid

Etmaal

Duur

1 jaar

Intensiteit

Maximaal 63 etmalen

Omschrijving

Logeren is gericht op het herstel van de draagkracht en de draaglast van het gezin (ouders, broers en zussen) of anderen die een jeugdige als gezinslid verzorgen en opvoeden. Daarnaast is logeren ook gericht op het realiseren van een time-out, rustpunt, voor jeugdigen die niet deel kunnen nemen aan het reguliere maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren binnen het netwerk en de informele zorg. De jeugdige verblijft tijdelijk elders waar verzorging, dagelijkse opvoeding en begeleiding en voor sommige jeugdigen (periodiek) ook specifieke opvoeding geboden wordt. Als meerdere kinderen in het gezin een indicatie voor logeeropvang hebben, dan gaan zij gelijktijdig naar dezelfde logeeropvang, tenzij in het gezinsplan gemotiveerd van deze richtlijn wordt afgeweken.

Gedurende de periode dat deze voorziening ingezet wordt, wordt samen met het lokale team ofwel de GI de alternatieven in het voorveld en het netwerk onderzocht.

Ambulant na-traject: de jeugdige/het gezin wordt begeleid in de afbouw van het gebruik van de logeervoorziening. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit het lokale team. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen uit gezinnen met complexe en meervoudige problemen en/of Jeugdigen vanaf 12 die niet deel kunnen nemen aan regulier maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren in netwerk of informele zorg

Jeugdigen die geen gebruik kunnen maken van reguliere voorzieningen voor vrijetijdsbesteding, niet kunnen worden opgevangen in het netwerk of bij vrijwilligersinitiatieven zoals steungezinnen. Meer specifiek:

  • Jeugdigen van 0-18 jaar met een langdurige ondersteuningsbehoefte die, vanwege moeilijk verstaanbaar gedrag of een groot beroep op specifieke opvoedvaardigheden (bovenop de alledaagse opvoedvaardigheden) een groot beroep doet op de overige gezinsleden en voor wie reguliere deelname aan activiteiten buitenshuis (vrijwel) niet mogelijk is en/of

  • Jeugdigen uit gezinnen met problemen op meerdere levensgebieden, van wie de ouder(s) als een gevolg van factoren in de thuissituatie in combinatie met kindfactoren ontlast dienen te worden. De jeugdige is in hoge mate beperkt in zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve, verstandelijke beperking, of een psychiatrische of psychosociaal probleem, of een combinatie daarvan. Het gedrag van de jeugdige is redelijk voorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten.

Resultaten

Type resultaat

Goed genoeg ouderschap

De ouder(s) kunnen hun opvoedtaak voldoende vormgeven (zie ’goed genoeg ouderschap’ in de richtlijn ‘gezinnen met complexe en meervoudige problemen’) dankzij de ontlasting die de logeeropvang hen biedt.

Met de logeeropvang wordt eventuele dreigende uithuisplaatsing (mede) voorkomen.

De jeugdige ondervindt geen nadelige gevolgen van de logeeropvang en neemt deel aan het maatschappelijk verkeer, namelijk onderneemt activiteiten buitenshuis. Alternatieven in het netwerk en bij reguliere voorzieningen zijn met ouders en het lokaal team nader onderzocht.

Dienst specifieke eisen

  • De jeugdhulpaanbieder biedt, als meerdere kinderen uit een gezin gebruik maken van logeren, indien wenselijk een gezamenlijke plek;

  • Wanneer de voorziening ingezet wordt als tijdelijk verblijf ter voorkoming van uithuisplaatsing (meer dan 2 etmalen per week) wordt aan de kwaliteitscriteria voor jeugdhulp met verblijf voldaan;

  • Wanneer de voorziening ingezet wordt als tijdelijk verblijf ter voorkoming van uithuisplaatsing > dan 2 etmalen per week, kan afgeweken worden van de maximale intensiteit zoals opgenomen in het normenkader;

  • De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd;

  • Het tarief behelst een all-in tarief voor het verblijf, binnen de voorziening kan er geen begeleiding, behandeling, dagbehandeling of dagbesteding apart worden toegekend.

Functieprofiel

HBO / MBO

Functiemix

De begeleiding wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van MBO-niveau 3 tot en met HBO (functiemix), onder verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessional.

24-uurs verblijf, dagbesteding en het creëren van een passend pedagogisch klimaat is integraal onderdeel van deze dienst.

Regiebehandelaar

Nee

Groepsgrootte

Maximaal 6

Ratio begeleider: jeugdige

2:6, slapende nachtdienst, waarvan tenminste 1 geschoolde pedagogische medewerker

Logeeropvang extra intensief

Normenkader

Eenheid

Etmaal

Duur

1 jaar

Intensiteit

Maximaal 63 etmalen

Omschrijving

Type dienst

Verblijf

Logeren is gericht op het herstel van de draagkracht en de draaglast van het gezin (ouders, broers en zussen) of anderen die een jeugdige als gezinslid verzorgen en opvoeden. Daarnaast is logeren ook gericht op het realiseren van een time-out, rustpunt, voor jeugdigen die niet deel kunnen nemen aan het reguliere maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren binnen het netwerk en de informele zorg. De jeugdige verblijft tijdelijk elders waar verzorging, dagelijkse opvoeding en begeleiding en voor sommige jeugdigen (periodiek) ook specifieke opvoeding geboden wordt. Als meerdere kinderen in het gezin een indicatie voor logeeropvang hebben, dan gaan zij gelijktijdig naar dezelfde logeeropvang, tenzij in het gezinsplan gemotiveerd van deze richtlijn wordt afgeweken.

Gedurende de periode dat deze voorziening ingezet wordt, wordt samen met het lokale team ofwel de GI de alternatieven in het voorveld en het netwerk onderzocht.

Ambulant na-traject: de jeugdige/het gezin wordt begeleid in de afbouw van het gebruik van de logeervoorziening. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit het lokale team. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen uit gezinnen met complexe en meervoudige problemen en/of Jeugdigen vanaf 12 die niet deel kunnen nemen aan regulier maatschappelijk verkeer en niet kunnen logeren in netwerk of informele zorg

Jeugdigen die geen gebruik kunnen maken van reguliere voorzieningen voor vrijetijdsbesteding, niet kunnen worden opgevangen in het netwerk of bij vrijwilligersinitiatieven zoals steungezinnen. Meer specifiek:

  • Jeugdigen van 0-18 jaar met een langdurige ondersteuningsbehoefte die, vanwege moeilijk verstaanbaar gedrag of een groot beroep op specifieke opvoedvaardigheden (bovenop de alledaagse opvoedvaardigheden) een groot beroep doet op de overige gezinsleden en voor wie reguliere deelname aan activiteiten buitenshuis (vrijwel) niet mogelijk is; en/of

  • Jeugdigen uit gezinnen met problemen op meerdere levensgebieden, van wie de ouder(s) als een gevolg van factoren in de thuissituatie in combinatie met kindfactoren ontlast dienen te worden. De jeugdige is in hoge mate beperkt in zelfredzaamheid door een lichamelijke, zintuiglijke, cognitieve, verstandelijke beperking, of een psychiatrische of psychosociaal probleem, of een combinatie daarvan. Het gedrag van de jeugdige is soms onvoorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn niet altijd goed in te schatten.

Resultaten

Type resultaat

Goed genoeg ouderschap

De ouder(s) kunnen hun opvoedtaak voldoende vormgeven (zie ’goed genoeg ouderschap’ in de richtlijn ‘gezinnen met complexe en meervoudige problemen’) dankzij de ontlasting die de logeeropvang hen biedt.

Met de logeeropvang wordt eventuele dreigende uithuisplaatsing (mede) voorkomen.

De jeugdige ondervindt geen nadelige gevolgen van de logeeropvang en neemt deel aan het maatschappelijk verkeer, namelijk onderneemt activiteiten buitenshuis. Alternatieven in het netwerk en bij reguliere voorzieningen zijn met ouders en het lokaal team nader onderzocht.

Dienst specifieke eisen

  • De jeugdhulpaanbieder biedt, als meerdere kinderen uit een gezin gebruik maken van logeren, indien wenselijk een gezamenlijke plek;

  • Wanneer de voorziening ingezet wordt als tijdelijk verblijf ter voorkoming van uithuisplaatsing (meer dan 2 etmalen per week) wordt aan de kwaliteitscriteria voor jeugdhulp met verblijf voldaan;

  • Wanneer de voorziening ingezet wordt als tijdelijk verblijf ter voorkoming van uithuisplaatsing > dan 2 etmalen per week, kan afgeweken worden van de maximale intensiteit zoals opgenomen in het normenkader;

  • De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd. Het tarief behelst een all-in tarief voor het verblijf, binnen de voorziening kan er geen begeleiding, behandeling, dagbehandeling of dagbesteding apart worden toegekend;

Functieprofiel

HBO / MBO

Functiemix

De begeleiding wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van MBO-niveau 4 tot en met HBO (functiemix), onder verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessional.

24-uurs verblijf, dagbesteding en het creëren van een passend pedagogisch klimaat is integraal onderdeel van deze dienst.

Regiebehandelaar

Nee

Groepsgrootte

Maximaal 4

Ratio begeleider : jeugdige

2:4, slapende nachtdienst, waarvan tenminste 1 geschoolde pedagogische medewerker

Pleegzorg regulier (voltijd)

Normenkader

Eenheid

Etmaal

Gemiddelde trajectprijs

Niet van toepassing

Duur

Geen maximum

Intensiteit

Minimaal 4 etmalen per week, maximaal 7 etmalen per week

Verlengde jeugdzorg

Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp.

Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’.

Verlengde jeugdhulp is indien nodig mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend.

Omschrijving

Pleegzorg is een vorm van hulp waarbij een jeugdige tijdelijk en zo mogelijk in deeltijd in een ander gezin gaat wonen. De jeugdige wordt dan niet door de eigen ouders maar door pleegouders verzorgd en opgevoed. Pleegkinderen blijven de wettelijke kinderen van hun ouders. De jeugdige kan de hele week in een pleeggezin wonen. Wanneer de jeugdige fulltime in het pleeggezin woont, kan ook af en toe in het weekend of in een vakantie bij een ander pleeggezin, de logeeropvang, thuis of in het netwerk zijn. De pleegouder(s) biedt de jeugdige een vervangende opvoedsituatie: een veilig verblijf, goede verzorging en opvoeding. Het 'zo gewoon mogelijk opgroeien' staat daarbij voorop.

Soms is het om een duurzame plaatsing te realiseren nodig dat de jeugdige dagdelen of dagen in het weekend of in vakanties naar een ander pleeggezin gaat, gebruik maakt van logeeropvang of van gespecialiseerde opvang.

Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar huis of naar zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0 tot 21 jaar

Jeugdigen van 0 tot 21 jaar uit gezinnen waar de opvoedingsproblemen zo groot zijn dat de jeugdige tijdelijk of voor langere tijd niet meer volledig in het eigen gezin kan wonen en niet onbegeleid in het netwerk geplaatst kan worden.

Activiteiten

  • 1.

    De begeleiding van de jeugdige/het gezin en het pleeggezin;

  • 2.

    Het uitvoeren van (eenvoudig) perspectiefonderzoek;

  • 3.

    Het werven, screenen, selecteren, trainen en matchen van pleegouders en jeugdige;

  • 4.

    Onderhouden van een netwerk aan pleeggezinnen;

  • 5.

    Ondersteunen van pleegouders bij het ontwikkelen van een steunend netwerk voor zichzelf en de jeugdige;

  • 6.

    Ondersteunen van Jeugdige bij het in stand houden van een betekenisvol netwerk (inclusief de ouders) uit de oorspronkelijke leefomgeving;

  • 7.

    Het in dialoog met het lokale team (laten) organiseren van begeleiding en ondersteuning aan oorspronkelijke ouders en netwerk. Zo mogelijk met ondersteuning vanuit een ervaringsdeskundige.

Resultaten

Type resultaat

Jeugdige groeit op in een veilige, geborgen omgeving

De pleegouders voelen zich door de pleegouderbegeleiding gesteund in hun opvoedtaak.

Een specifiek resultaat voor de jeugdige is dat hij/zij contact houdt met zijn/haar ouders en het eigen netwerk.

Dienst specifieke eisen

  • 1.

    Het perspectief wordt binnen een half jaar bepaald. Indien de jeugdhulpaanbieder meer tijd nodig heeft dan een half jaar om tot een advies over het perspectief te komen dan wordt zodra dit duidelijk is contact opgenomen met de verwijzer of de gecertificeerde instelling en wordt in het dossier vastgelegd waarom het perspectief nog niet duidelijk is, waarom en wat er wel voor nodig is om dit te bepalen;

  • 2.

    De jeugdhulpaanbieder is als erkend pleegzorgaanbieder aangesloten bij ‘Pleegzorg Nederland’;

  • 3.

    Voor de uitvoering van matching, het werven en het opbouwen van een voorraad bestand; pleeggezinnen en voor het aanbod van deskundigheidsbevordering voor pleegouders, werkt de pleegzorgaanbieder aantoonbaar en nauw samen met andere pleegzorgaanbieders in de regio;

  • 4.

    De jeugdhulpaanbieder voldoet aan de volgende kwaliteitskaders en richtlijnen:

    Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening Aspirant Pleegouders en de landelijke richtlijn pleegzorg;

  • 5.

    De aanbieder van pleegzorg overlegt met de verwijzer over gesignaleerde benodigde extra inzet van jeugdhulp voor jeugdige, pleeg- of biologische ouders met de verwijzer. De aanbieder heeft daarbij specifiek voor oog wat pleegouders nodig hebben om een breakdown te voorkomen;

  • 6.

    De aanbieder is aangesloten bij en maakt gebruik van de monitor Pleegzorg;

  • 7.

    Bij de inzet van deze dienst kan tegelijkertijd logeren worden ingezet, maar dit is niet voorliggend.

Functieprofiel

HBO/WO

Functiemix

De jeugdhulp wordt ten minste uitgevoerd door HBO opgeleide SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessionals;

De regievoering/ inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een SKJ en geregistreerde gedragswetenschapper/gedragsdeskundige (orthopedagoog, ontwikkelingspsycholoog of psycholoog met afstudeerrichting klinische psychologie);

Regiebehandelaar

Nee

Pleegzorg regulier (deeltijd)

Normenkader

Eenheid

Etmalen

Gemiddelde trajectprijs

Niet van toepassing

Duur

Geen maximum

Intensiteit

Maximaal 3 etmalen per week

Verlengde jeugdzorg

Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp.

Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’.

Verlengde jeugdhulp is indien nodig mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend.

Omschrijving

Pleegzorg is een vorm van hulp waarbij een jeugdige tijdelijk en zo mogelijk in deeltijd in een ander gezin gaat wonen. De jeugdige wordt dan niet door de eigen ouders maar door pleegouders verzorgd en opgevoed. Pleegkinderen blijven de wettelijke kinderen van hun ouders. Deeltijd pleegzorg wordt ingezet als vorm van respijtzorg voor de jeugdige en/of het basisgezin (dit kan ook andere verblijfplaats zijn dan bij de ouders, denk aan een ander pleeggezin of gezinshuis zijn). Deeltijd pleegzorg wordt uitsluitend ingezet als alle mogelijkheden in het netwerk van de jeugdige en/of het basisgezin zijn uitgeput. De pleegouder(s) biedt de jeugdige een vervangende opvoedsituatie: een veilig verblijf, goede verzorging en opvoeding. Het 'zo gewoon mogelijk opgroeien' staat daarbij voorop.

Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar huis of naar zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0 tot 21 jaar

Jeugdigen van 0 tot 21 jaar uit gezinnen waar de opvoedingsproblemen zo groot zijn dat de jeugdige tijdelijk of voor langere tijd niet meer volledig in het eigen gezin kan wonen en niet onbegeleid in het netwerk geplaatst kan worden.

Activiteiten

  • 1.

    De begeleiding van de jeugdige/het gezin en het pleeggezin;

  • 2.

    Het uitvoeren van een plan van aanpak indien er sprake is van voltijd pleegzorg in een ander gezin, waarbij het benutten van het netwerk van de jeugdige en/of het basisgezin centraal staat;

  • 3.

    Het werven, screenen, selecteren, trainen en matchen van pleegouders en jeugdige;

  • 4.

    Onderhouden van een netwerk aan pleeggezinnen;

  • 5.

    Ondersteunen van pleegouders bij het ontwikkelen van een steunend netwerk voor zichzelf en de jeugdige;

  • 6.

    Ondersteunen van jeugdigen bij het in stand houden van een betekenisvol netwerk (inclusief de ouders) uit de oorspronkelijke leefomgeving;

  • 7.

    Het in dialoog met het lokale team (laten) organiseren van begeleiding en ondersteuning aan oorspronkelijke ouders en netwerk. Zo mogelijk met ondersteuning vanuit een ervaringsdeskundige.

Resultaten

Type resultaat

Jeugdige groeit op in een veilige, geborgen omgeving

De pleegouders voelen zich door de pleegouderbegeleiding gesteund in hun opvoedtaak.

Een specifiek resultaat voor de jeugdige is dat hij/zij contact houdt met zijn/haar ouders en het eigen netwerk.

Dienst specifieke eisen

  • 1.

    Het plan van aanpak wordt binnen een half jaar bepaald indien deeltijdpleegzorg naast (thuis) wonen loopt. Indien er sprake is van deeltijd pleegzorg naast voltijd pleegzorg, wordt het perspectiefplan binnen een half jaar bepaald in het voltijdpleeggezin. Dit plan wordt gedeeld met het deeltijdpleeggezin. Indien de jeugdhulpaanbieder meer tijd nodig heeft dan een half jaar om tot een advies over het plan van aanpak te komen, dan wordt zodra dit duidelijk is contact opgenomen met de verwijzer of de gecertificeerde instelling en wordt in het dossier vastgelegd waarom het plan van aanpak nog niet duidelijk is, waarom en wat er wel voor nodig is om dit te bepalen;

  • 2.

    De jeugdhulpaanbieder is als erkend pleegzorgaanbieder aangesloten bij ‘Pleegzorg Nederland’;

  • 3.

    Voor de uitvoering van matching, het werven en het opbouwen van een voorraad bestand; pleeggezinnen en voor het aanbod van deskundigheidsbevordering voor pleegouders, werkt de pleegzorgaanbieder aantoonbaar en nauw samen met andere pleegzorgaanbieders in de regio;

  • 4.

    De jeugdhulpaanbieder voldoet aan de volgende kwaliteitskaders en richtlijnen: Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening Aspirant Pleegouders en de landelijke richtlijn pleegzorg;

  • 5.

    De aanbieder van pleegzorg overlegt met de verwijzer over gesignaleerde benodigde extra inzet van jeugdhulp voor jeugdige, pleeg- of biologische ouders met de verwijzer. De aanbieder heeft daarbij specifiek voor oog wat pleegouders nodig hebben om een breakdown te voorkomen;

  • 6.

    De aanbieder is aangesloten bij en maakt gebruik van de monitor Pleegzorg;

  • 7.

    Bij de inzet van deze dienst kan tegelijkertijd logeren worden ingezet, maar dit is niet voorliggend.

Functieprofiel

HBO/WO

Functiemix

De jeugdhulp wordt ten minste uitgevoerd door HBO opgeleide SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessionals;

De regievoering/ inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een SKJ en geregistreerde gedragswetenschapper/gedragsdeskundige (orthopedagoog, ontwikkelingspsycholoog of psycholoog met afstudeerrichting klinische psychologie);

Regiebehandelaar

Nee

Pleegzorg (toeslag) intensief

Normenkader

Eenheid

Toeslag per etmaal

Gemiddelde trajectprijs

Niet van toepassing

Duur

Maximaal 12 maanden

Bij crisisplaatsing; maximaal 2 maanden

Intensiteit

Maximaal 7 etmalen per week

Verlengde jeugdzorg

Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp.

Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’.

Verlengde jeugdhulp is indien nodig mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend.

Omschrijving

Pleegzorg is een vorm van hulp waarbij een jeugdige tijdelijk en zo mogelijk in deeltijd in een ander gezin gaat wonen. De jeugdige wordt dan niet door de eigen ouders maar door pleegouders verzorgd en opgevoed. Pleegkinderen blijven de wettelijke kinderen van hun ouders. De jeugdige kan de hele week in een pleeggezin wonen. Wanneer de jeugdige fulltime in het pleeggezin woont, kan ook af en toe in het weekend of in een vakantie bij een ander pleeggezin, de logeeropvang, thuis of in het netwerk zijn. Onder pleegzorg valt zowel voltijd- als deeltijdpleegzorg. De pleegouder(s) biedt de jeugdige een vervangende opvoedsituatie: een veilig verblijf, goede verzorging en opvoeding. Het 'zo gewoon mogelijk opgroeien' staat daarbij voorop.

Verschil met Pleegzorg Regulier

Het product ‘pleegzorg (toeslag) intensief' onderscheidt zich van ‘pleegzorg regulier’, omdat er meer tijd is ingeruimd om bijvoorbeeld in het eerste jaar het perspectiefonderzoek goed uit te kunnen voeren en/of meer uren pleegzorgbegeleiding te kunnen bieden. In pleegzorg (toeslag) intensief wordt altijd een team samengesteld rondom de jeugdige. Dit team bestaat uit ouders, pleegouders, betrokken professionals en netwerkleden. De jeugdige wijst een vertrouwenspersoon uit zijn eigen netwerk aan en ook deze vertrouwenspersoon maakt deel uit van het team rondom de jeugdige.

Pleegzorg (toeslag) intensief wordt ingezet

  • In het geval van een dreigende breakdown die met extra inzet mogelijk voorkomen kan worden.

  • In het geval van netwerkverkenningen en/ of netwerkplaatsingen

  • In het geval van een andere onvoorziene noodzaak tot intensivering

Plaatsing in het netwerk wordt altijd onderzocht en indien dit niet mogelijk is dan wordt dit door de jeugdhulpaanbieder gemotiveerd vastgelegd in het dossier van de jeugdige. Als netwerkplaatsing niet mogelijk is, worden pleegouders gezocht in de leefomgeving van de jeugdige. Indien de jeugdige bij bestandspleegouders wordt geplaatst, dan wordt de plaatsing gerealiseerd in de regio Zuid-Holland Zuid, zo dicht mogelijk bij de leefomgeving van de jeugdige (tenzij dit vanuit zorginhoudelijke overwegingen niet wenselijk is). De jeugdige gaat bij voorkeur naar zijn eigen school, als dat een beschermende, positieve factor is. Kan de jeugdige niet naar zijn eigen school, dan is gemotiveerd in het dossier beschreven waarom niet. Geen vervoer mag nooit de reden zijn.

Pleegzorg kan een tijdelijke situatie zijn met als perspectief de terugkeer in het eigen gezin

(hulpverleningsperspectief). Als terugkeer in het eigen gezin niet meer mogelijk is, is de pleegzorg gericht op langdurige opvoeding in het pleeggezin (opvoedingsperspectief). Het perspectief moet binnen een half jaar worden bepaald.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar huis of richting zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een

begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0 tot 21 jaar

Jeugdigen van 0 tot 21 jaar uit gezinnen waar de opvoedingsproblemen zo groot zijn dat de jeugdige tijdelijk of voor langere tijd niet meer volledig in het eigen gezin kan wonen en niet onbegeleid in het netwerk geplaatst kan worden.

Activiteiten

  • 1.

    De begeleiding van de jeugdige/het gezin en het pleeggezin;

  • 2.

    Het uitvoeren van perspectiefonderzoek;

  • 3.

    Het werven, screenen, selecteren, trainen en matchen van pleegouders en jeugdige;

  • 4.

    Onderhouden van een netwerk aan pleeggezinnen;

  • 5.

    Ondersteunen van pleegouders bij het ontwikkelen van een steunend netwerk voor zichzelf en de jeugdige;

  • 6.

    Ondersteunen van de jeugdige bij het in stand houden van een betekenisvol netwerk uit de oorspronkelijke leefomgeving (inclusief ouders);

  • 7.

    Het in dialoog met het lokale team (laten) organiseren van begeleiding en ondersteuning aan oorspronkelijke ouders en netwerk. Zo mogelijk met ondersteuning vanuit een ervaringsdeskundige;

  • 8.

    Het in dialoog met het lokale team en/of de GI opstellen van een ondersteuningsplan om jeugdige veilig in het gezin of binnen het netwerk van het gezin op te laten groeien.

Resultaten

Type resultaat

Stabiele opgroeisituatie en duidelijkheid over het perspectief (jeugdige)

Ouders en pleegouders voelen zich door de pleegzorgbegeleiding gesteund in hun opvoedtaak.

De jeugdige houdt contact met zijn/haar ouders en het eigen netwerk.

Het perspectiefonderzoek is uitgevoerd en het perspectief is helder. Binnen dit onderzoek is nadrukkelijk aandacht besteed in de mogelijkheden en kansen binnen het (bredere) netwerk van de jeugdige/het gezin.

Dienst specifieke eisen

Het perspectief wordt binnen een half jaar bepaald. Indien de jeugdhulpaanbieder meer tijd nodig heeft dan een half jaar om tot een advies over het perspectief te komen, dan wordt zodra dit duidelijk is contact opgenomen met de verwijzer of de gecertificeerde instelling en wordt in het dossier vastgelegd waarom het perspectief nog niet duidelijk is, waarom en wat er wel voor nodig is om dit te bepalen.

  • 1.

    De jeugdhulpaanbieder is als erkend pleegzorgaanbieder aangesloten bij ‘Pleegzorg Nederland’;

  • 2.

    Voor de uitvoering van matching, het werven en het opbouwen van een voorraad bestand pleeggezinnen en voor het aanbod van deskundigheidsbevordering voor pleegouders, werkt de pleegzorgaanbieder aantoonbaar en nauw samen met andere pleegzorgaanbieders in de regio;

  • 3.

    De jeugdhulpaanbieder voldoet aan de volgende kwaliteitskaders en richtlijnen:

    Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening Aspirant Pleegouders en de landelijke richtlijn pleegzorg;

  • 4.

    De aanbieder van pleegzorg overlegt met de verwijzer over gesignaleerde benodigde extra inzet van jeugdhulp voor jeugdige, pleeg- of biologische ouders met de verwijzer. De aanbieder heeft daarbij specifiek voor oog wat pleegouders nodig hebben om een breakdown te voorkomen;

  • 5.

    De aanbieder is aangesloten bij en maakt gebruik van de monitor Pleegzorg;

  • 6.

    Wanneer dit product in deeltijd < 5 etmalen per week ingezet wordt, kan niet tegelijkertijd logeren ingezet worden.

  • 7.

    Pleegzorg intensief kan zo nodig worden gedeclareerd als sprake is van een crisisplaatsing.

Functieprofiel

De jeugdhulp (begeleiding en het perspectiefonderzoek) wordt ten minste uitgevoerd door HBO opgeleide SKJ geregistreerde jeugd- en gezinsprofessionals;

De regievoering/ inhoudelijke coördinatie van het werkproces wordt uitgevoerd door ten minste een SKJ geregistreerde gedragswetenschapper/gedragsdeskundige (orthopedagoog, ontwikkelingspsycholoog of psycholoog met afstudeerrichting klinische psychologie);

Functiemix

HBO/WO

Regiebehandelaar

Nee

Gezinshuis regulier

Normenkader

Eenheid

Etmaal

Duur

Geen maximum

Verlengde jeugdzorg

Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp.

Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’.

Verlengde jeugdhulp is indien nodig mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend.

Omschrijving

Een gezinshuis is een kleinschalige vorm van jeugdhulp - georganiseerd vanuit een natuurlijk gezinssysteem waar gezinshuisouders volgens het 24x7-principe opvoeding, ondersteuning en zorg bieden aan bij hen in huis geplaatste jeugdigen die tijdelijk of langdurig zijn aangewezen op intensieve en professionele hulpverlening als gevolg van beschadigende ervaringen en/of complexe problematiek. Waar mogelijk en nodig wordt ook de terugkeer naar huis, onderwijs en de doorstroom naar werk of arbeidsmatige dagbesteding gerealiseerd.

In een gezinshuis is ten minste één van de ouders professioneel opvoeder. Er is sprake van een hybride vorm van opgroeien, die deels normaal en deels professioneel van aard is. Jeugdigen die in een gezinshuis geplaatst worden, zijn vanzelfsprekend onderdeel van het bredere netwerk waar het gezinshuis in is ingebed en horen er daardoor bij (inclusie). Voor een gezonde ontwikkeling van de jeugdige is het belangrijk dat waar mogelijk ouders en gezinshuisouders intensief samenwerken aan de opvoeding en de toekomst van de jeugdige.

Bij plaatsing in een gezinshuis wordt de jeugdige opgenomen in een gezin en ook het bredere netwerk neemt de jeugdige op natuurlijke wijze op. De bewoners van een gezinshuis vormen een geheel met (gezinshuis)ouders, eventuele eigen en andermans kinderen en betekenisvolle anderen buiten het gezinshuis. Jeugdigen die in een gezinshuis geplaatst worden, zijn vanzelfsprekend onderdeel van het bredere netwerk waar het gezinshuis in is ingebed en horen er daardoor bij (inclusie).

De gezinshuisouder kan andere gezinshuisouders inzetten om het gezinshuis in het weekend of tijdens een vakantie over te nemen. Hoe vaak een 'weekendgezinshuisouder' wordt ingezet is niet strikt ingekaderd. Uitgangspunt hierbij is wel de basis uit de definitie, namelijk: een natuurlijk gezinssysteem.

Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar bijvoorbeeld thuis, een pleeggezin of richting zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers.

Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0 tot 21 jaar

Jeugdigen die tijdelijk of blijvend niet thuis kunnen wonen en voor wie pleegzorg niet mogelijk is vanwege de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Kenmerkend voor de doelgroep is dat zij naast verzorging en alledaagse opvoeding, structureel een beroep doen op specifieke opvoedingsvaardigheden. Dat kan het geval zijn als er sprake is van beperkingen, trauma’s, verwaarlozing, misbruik en/of mishandeling. Wanneer jeugdigen (hierdoor) moeilijk verstaanbaar gedrag ontwikkelen (acting-out en/of acting-in), vraagt dat om specifieke, het alledaagse overstijgende opvoedvaardigheden, veel extra aandacht en dus professionele vaardigheden om hiermee om te gaan. Gezinshuisouders onderscheiden zich hierin van pleegouders.

Resultaten

Type resultaat

Afschalen of stabiele woonplek

De jeugdige die (tijdelijk) niet meer thuis kan wonen, wordt een veilige en geborgen plaats geboden binnen een gezinsverband. De in te zetten jeugdhulp richt zich op een positieve ontwikkeling van de jeugdige, waardoor terugkeer naar huis, plaatsing in een (netwerk)pleeggezin, zelfstandig wonen wordt gerealiseerd. Is dat niet haalbaar dan is het streven een stabiele situatie in gezinshuis waarin de jeugdige zich zo goed mogelijk ontwikkeld.

Dienst specifieke eisen

  • 1.

    Minimaal één van de gezinshuisouders heeft een pedagogische opleiding afgerond en is SKJ of BIG geregistreerd. Eén gezinshuisouder is als vaste opvoeder 24 uur per dag, 7 dagen per week betrokken bij/in het gezin.

  • 2.

    De hulp wordt geboden vanuit een multidisciplinair team. Specifiek voor gezinshuizen geldt dat het weekendgezinshuisouder onderdeel uitmaakt van dit team;

  • 3.

    Eventuele noodzakelijke aanvullende behandeling van de jeugdige maakt geen onderdeel uit van ‘gezinshuis regulier’ en moet apart worden geïndiceerd. De gezinshuisouder(s) en eventueel betrokken begeleiders bieden verzorging, alledaagse en specifieke opvoeding en mogen dit niet combineren met het bieden van behandeling;

  • 4.

    Het is aan de gezinshuisouders of en wanneer zij binnen het product ‘gezinshuis regulier’ naast hun eigen aanwezigheid een pedagogisch medewerker of ambulant begeleider inzetten. Uitgangspunten hierbij zijn wel: zo veel mogelijk vaste gezichten, behoud van huiselijkheid, gezinsgerichtheid en betrokkenheid;

  • 5.

    Het gezinshuis voldoet aan het ‘kwaliteitskeurmerk gezinshuizen’; https://www.nji.nl/publicaties/kwaliteitscriteria-gezinshuizen

  • 6.

    In tegenstelling tot pleegzorg is een combinatie met extra dagdelen ‘gezinshuis regulier’ (een ander gezinshuis), pleegzorg, logeeropvang, dagbesteding of ambulante begeleiding ter ontlasting van de gezinshuisouders in combinatie met ‘gezinshuis regulier’ niet mogelijk;

  • 7.

    Het is wel mogelijk deze diensten (logeren, weekend pleegzorg, logeren, dagbesteding, begeleiding en behandeling in te zetten vanuit de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Als dat het geval is wordt de hulp altijd uitgevoerd door een andere persoon, dan de gezinshuisouder en aanvullend: wanneer sprake is van een dag(deel) voorziening wordt deze dan uitgevoerd op een andere locatie. Het lokaal team of de GI heeft deze inzet expliciet opgenomen in de verwijzing c.q. bepaling jeugdzorg;

  • 8.

    Verlengen is mogelijk na (tussen) evaluatie met lokaal team / GI.

Functieprofiel

HBO

Functiemix

Tenminste 1 van de gezinshuisouders beschikt over

orthopedagogische/(ped)agogische kennis en ervaring op HBOopleidingsniveau en is SKJ en/of BIG geregistreerd.

Gedragswetenschapper Multi Disciplinair Team

Regiebehandelaar

Nee

Groepsgrootte

Maximaal 6

Gezinshuis intensief

Normenkader

Eenheid

Etmaal

Duur

Geen maximum

Verlengde jeugdzorg

Plaatsing is wettelijk mogelijk tot 21 jaar en dat is geen verlengde jeugdhulp.

Het uitgangspunt is daarbij: ‘ja, tenzij’.

Verlengde jeugdhulp is mogelijk tot 23 jaar, ligt echter niet voor de hand, WMO is voorliggend.

Omschrijving

Een gezinshuis is een kleinschalige vorm van jeugdhulp - georganiseerd vanuit een natuurlijk gezinssysteem waar gezinshuisouders volgens het 24x7-principe opvoeding, ondersteuning en zorg bieden aan bij hen in huis geplaatste jeugdigen die tijdelijk of langdurig zijn aangewezen op intensieve en professionele hulpverlening als gevolg van beschadigende ervaringen en/of complexe problematiek. Waar mogelijk en nodig wordt ook de terugkeer naar huis, onderwijs en de doorstroom naar werk of arbeidsmatige dagbesteding gerealiseerd.

In een gezinshuis is ten minste één van de ouders professioneel opvoeder. Er is sprake van een hybride vorm van opgroeien, die deels normaal en deels professioneel van aard is. Jeugdigen die in een gezinshuis geplaatst worden, zijn vanzelfsprekend onderdeel van het bredere netwerk waar het gezinshuis in is ingebed en horen er daardoor bij (inclusie). Voor een gezonde ontwikkeling van de jeugdige is het belangrijk dat waar mogelijk ouders en gezinshuisouders intensief samenwerken aan de opvoeding en de toekomst van de jeugdige.

Bij plaatsing in een gezinshuis wordt de jeugdige opgenomen in een gezin en ook het bredere netwerk neemt de jeugdige op natuurlijke wijze op. De bewoners van een gezinshuis vormen een geheel met (gezinshuis)ouders, eventuele eigen en andermans kinderen en betekenisvolle anderen buiten het gezinshuis. Jeugdigen die in een gezinshuis geplaatst worden, zijn vanzelfsprekend onderdeel van het bredere netwerk waar het gezinshuis in is ingebed en horen er daardoor bij (inclusie).

De gezinshuisouder kan andere gezinshuisouders inzetten om het gezinshuis in het weekend of tijdens een vakantie over te nemen. Hoe vaak een 'weekendgezinshuisouder' wordt ingezet is niet strikt ingekaderd. Uitgangspunt hierbij is wel de basis uit de definitie, namelijk: een natuurlijk gezinssysteem.

Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap naar bijvoorbeeld thuis, een pleeggezin of richting zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Deze hulp wordt geboden in aansluiting op de hulp vanuit de lokale verwijzers.

Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0 tot 21 jaar

Jeugdigen die tijdelijk of blijvend niet thuis kunnen wonen. De doelgroep onderscheidt zich van de doelgroep gezinshuis regulier door een hogere zorgzwaarte: hoge risico’s en behoeften en lageresponsiviteit. Veelal zijn er vaardigheidstekorten op bijvoorbeeld het gebied van zelfzorg, zelfredzaamheid, sociale agressieregulatie en zijn er problemen op meerdere levensgebieden. Voor de doelgroep geldt dat er veelal sprake is van sterk ontregeld gedrag waarvoor een gezinshuis regulier of een leefgroep geen optie (meer) is.

Naast de problematiek van de jeugdige zelf is er sprake van een onveilige of instabiele opvoed- en opgroeiomgeving en een ernstige verstoorde balans in de draagkracht en de draaglast. Er is veelal sprake van verstoorde gezagsverhouding, pedagogische onmacht en/of verwaarlozing/ mishandeling

Resultaten

Type resultaat

Stabiele woonplek

De jeugdige die (tijdelijk) niet meer thuis kan wonen, wordt een veilige en geborgen plaats geboden binnen een gezinsverband. De in te zetten jeugdhulp richt zich op een positieve ontwikkeling van de jeugdige, waardoor terugkeer naar huis, plaatsing in een (netwerk)pleeggezin of zelfstandig wonen wordt gerealiseerd. Is dat niet haalbaar dan is het streven een stabiele situatie in gezinshuis waarin de jeugdige zich zo goed mogelijk ontwikkeld. Indien zou kunnen worden afgeschaald naar ‘gezinshuis regulier’ dan verhuisd de jeugdige niet, tenzij de overplaatsing meer oplevert dan dat deze kost voor de jeugdige.

Dienst specifieke eisen

  • 1.

    Minimaal één van de gezinshuisouders heeft een pedagogische opleiding afgerond en is SKJ of BIG geregistreerd. Eén gezinshuisouder is als vaste opvoeder 24 uur per dag, 7 dagen per week betrokken bij/in het gezin. De andere ouder werkt/studeert maximaal 20 uur in de week en bij voorkeur niet ’s avonds en in het weekend;

  • 2.

    De hulp wordt geboden vanuit een multidisciplinair team. Specifiek voor gezinshuizen geldt dat het weekendgezinshuisouder onderdeel uitmaakt van dit team;

  • 3.

    Eventuele noodzakelijke aanvullende behandeling van de jeugdige maakt geen onderdeel uit van ‘gezinshuisintensief’ en moet apart worden geïndiceerd. De gezinshuisouder(s) en eventueel betrokken begeleiders bieden verzorging, alledaagse en specifieke opvoeding en mogen dit niet combineren met het bieden van behandeling;

  • 4.

    Het is aan de gezinshuisouders of en wanneer zij binnen het product ‘gezinshuis intensief’ naast hun eigen aanwezigheid een pedagogisch medewerker of ambulant begeleider inzetten. Uitgangspunten hierbij zijn wel: zo veel mogelijk vaste gezichten, behoud van huiselijkheid, gezinsgerichtheid en betrokkenheid;

  • 5.

    Het gezinshuis voldoet aan het ‘kwaliteitskeurmerk gezinshuizen’; https://www.nji.nl/publicaties/kwaliteitscriteria-gezinshuizen

  • 6.

    In tegenstelling tot pleegzorg is een combinatie met extra dagdelen ‘gezinshuis intensief ’ (een ander gezinshuis), pleegzorg, logeeropvang, dagbesteding of ambulante begeleiding ter ontlasting van de gezinshuisouders in combinatie met ‘gezinshuis intensief’ niet mogelijk;

  • 7.

    Het is wel mogelijk deze diensten (logeren, weekend pleegzorg, logeren, dagbesteding, begeleiding en behandeling in te zetten vanuit de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Als dat het geval is wordt de hulp altijd uitgevoerd door een andere persoon, dan de gezinshuisouder en aanvullend: wanneer sprake is van een dag(deel) voorziening wordt deze dan uitgevoerd op een andere locatie. Het lokaal team of de GI heeft deze inzet expliciet opgenomen in de verwijzing c.q. bepaling jeugdzorg;

  • 8.

    Verlengen is mogelijk na (tussen) evaluatie met lokaal team/ GI.

Functieprofiel

HBO

Functiemix

Tenminste 1 van de gezinshuisouders beschikt over orthopedagogische/(ped)agogische kennis en ervaring op hboopleidingsniveau en is SKJ en/of BIG geregistreerd.

Gedragswetenschapper Multi Disciplinair Team

Groepsgrootte

Maximaal 6

Wonen met begeleiding licht

Normenkader

Eenheid

Etmaal + 8 uur nazorg

Intensiteit

Maximaal 12 maanden

Omschrijving

Jeugdigen vanaf ongeveer 16 jaar

In een voorzieningen voor wonen en begeleiding krijgen jeugdige met psychosociale-, gedragsproblemen en/of een (licht) verstandelijke beperking hulp en begeleiding. De instelling is dan de (tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats. Er kan sprake zijn van studio's of andere varianten

Het betreft een voorziening met een pedagogisch leefklimaat, waar verzorging, alledaagse opvoeding, en periodiek specifieke opvoeding de kern is. Het betreft voorzieningen waar geoefend wordt met zelfstandig wonen en zo zelfstandig mogelijk leven.

Er wordt nadrukkelijk geïnvesteerd in het versterken van het netwerk van de jeugdige en de ouders. Hiertoe worden erkende, goed beschreven interventies ingezet. De mogelijke meerwaarde voor de inzet van een ervaringsdeskundige voor de ouders of de jeugdige wordt doelgericht met hen besproken. Indien mogelijk participeren ouders, ook binnen, bij de dagelijkse begeleiding en opvoeding van de jeugdige.

De jeugdige gaat in principe naar school of werk. Als dagbesteding buiten de woonlocatie ingezet wordt, wordt deze separaat gedeclareerd.

Bedbezetting: Het merendeel van de jeugdigen gaat in het kader van het ontwikkelplan regelmatig enkele dagen (weekend of doordeweeks) naar huis en maakt dan geen gebruik van de verblijfsfaciliteiten.

Toezicht/beveiliging: Jeugdigen kunnen zonder toestemming de verblijfsvorm verlaten, tenzij er specifieke afspraken van toepassing zijn.

Kenmerken huisvesting: Open verblijfsvorm voor basis verblijf zonder specifieke aanpassingen.

Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen vanaf ongeveer 16 jaar

Jeugdige die niet in het eigen gezin, binnen het eigen netwerk, of in een gezinsetting op kan groeien. Jeugdige kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psychosociaal of een (licht) verstandelijke beperking.

Jeugdige is in staat om (redelijk) zelfstandig te functioneren, gaat o.a. naar school, en verblijf is gericht op het zelfstandig wonen of terugkeer naar een gezinssysteem. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en jeugdige. Het betreft voornamelijk jeugdigen in de leeftijd vanaf 16 jaar.

Resultaten

Type resultaat

Zelfstandig wonen en leven

  • Jeugdige is in staat zo zelfstandig mogelijk te leven;

  • Jeugdige heeft een steunend netwerk opgebouwd en/of het bestaande netwerk versterkt;

  • Voor de jeugdige is het tijdig (vanaf de 17e verjaardag) duidelijk wat na hij/zij zijn/haar 18e verjaardag nodig heeft, en deze eventuele hulp en ondersteuning wordt vanaf het 17e jaar ingeregeld. Er wordt hierbij nadrukkelijk aandacht besteed aan: Wonen, welzijn, onderwijs/werk, financiën/inkomen, netwerk en vrije tijd.

Dienst specifieke eisen

Practice based

  • 1.

    Er is een slapende nachtdienst in hetzelfde of een naburig pand;

  • 2.

    Buiten de uren dat een begeleider aanwezig is, is er bereikbaarheid en snelle inzetbaarheid van gekwalificeerde medewerkers, waarbij gegarandeerd kan worden dat gekwalificeerde medewerker binnen 15-20 minuten aanwezig kan zijn;

  • 3.

    Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 56 uur per week;

  • 4.

    Huisvestingskosten en kosten voor levensonderhoud zijn onderdeel van deze dienst;

  • 5.

    Consult en input van een gedragswetenschapper voor de groep, gericht op regie, kwaliteit en advies/sparring voor de pedagogisch medewerkers;

  • 6.

    In de tariefstelling is rekening gehouden met: kapitaallasten, overhead, leegstand en risico-opslag

  • 7.

    Jeugdhulpaanbieder heeft bij voorkeur ook een contract voor het leveren van WMO-diensten bij betreffende gemeenten;

  • 8.

    Professional die voor de jeugdige de rol van mentor vervult heeft een vast dienstverband.

  • 9.

    De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd;

Functieprofiel

MBO/HBO/WO

Functiemix

  • Binnen het team beschikt tenminste één pedagogisch medewerker/ hulpverlener over een relevante BIG-, SKJ-kwalificatie en een relevante HBO-opleiding/WO-opleiding. Er kunnen ook medewerkers met een relevante MBO-opleiding werken op de groep.

  • Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor de groep. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/regiebehandelaar is minimaal WO-opgeleid.

Regiebehandelaar

Ja, gedragswetenschapper

Groepsgrootte

Maximaal 8

Wonen met begeleiding - regulier

Normenkader

Eenheid

Etmaal + 8 uur nazorg

Intensiteit

Maximaal 24 maanden

Omschrijving

In een voorzieningen voor wonen en begeleiding regulier krijgen jeugdigen met psychosociale-, gedragsproblemen en/of een (licht) verstandelijke beperking hulp en begeleiding. De instelling is dan de (tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats.

Het betreft een voorziening met een pedagogisch leefklimaat, waar verzorging, alledaagse opvoeding, en periodiek specifieke opvoeding de kern is. Het betreft voorzieningen waar geoefend wordt met zelfstandig wonen en zo zelfstandig mogelijk leven.

Er wordt nadrukkelijk geïnvesteerd in het versterken van het netwerk van de jeugdige en de ouders. Hiertoe worden erkende, goed beschreven interventies ingezet. De mogelijke meerwaarde voor de inzet van een ervaringsdeskundige voor de ouders of de jeugdige wordt doelgericht met hen besproken. Indien mogelijk participeren ouders, ook binnen, bij de dagelijkse begeleiding en opvoeding van de jeugdige.

De jeugdige gaat in principe naar school of werk. Als dagbesteding buiten de woonlocatie ingezet wordt, wordt deze separaat gedeclareerd.

Bedbezetting: Het merendeel van de jeugdigen gaat in het kader van het ontwikkelplan regelmatig enkele dagen (weekend of doordeweeks) naar huis en maakt dan geen gebruik van de verblijfsfaciliteiten.

Toezicht/beveiliging: Jeugdigen kunnen zonder toestemming de verblijfsvorm verlaten, tenzij er specifieke afspraken van toepassing zijn.

Kenmerken huisvesting: Open verblijfsvorm voor basis verblijf zonder specifieke aanpassingen.

Ambulant na-traject: De jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen vanaf 12 jaar

Jeugdige die niet in het eigen gezin, binnen het eigen netwerk, of in een gezinsetting op kan groeien. Jeugdige kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psychosociaal of een (licht) verstandelijke beperking. Jeugdige is in staat om (redelijk) zelfstandig te functioneren, gaat o.a. naar school, en verblijf is gericht op het zelfstandig wonen of terugkeer naar een gezinssysteem. Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en jeugdige.

De jeugdige is minder zelfredzaam dan binnen een voorziening wonen met begeleiding – licht. Dit kan komen door een jongere leeftijd, maar ook doordat de problematiek van de jeugdige hem/haar meer beperkt in het dagelijks leven.

Resultaten

Type resultaat

Zelfstandig wonen en leven

  • Jeugdige is in staat zo zelfstandig mogelijk te leven;

  • Jeugdige heeft een steunend netwerk opgebouwd en/of het bestaande netwerk versterkt;

  • Voor de jeugdige is het tijdig (vanaf de 17e verjaardag) duidelijk wat na hij/zij zijn/haar 18e verjaardag nodig heeft, en deze eventuele hulp en ondersteuning wordt vanaf het 17e jaar ingeregeld. Er wordt hierbij nadrukkelijk aandacht besteed aan: Wonen, welzijn, onderwijs/werk, financiën/inkomen, netwerk en vrije tijd.

Dienst specifieke eisen

Practice based

  • 1.

    Er is een slapende nachtdienst;

  • 2.

    Er is 24 uur bereikbaarheid en snelle inzetbaarheid van gekwalificeerde medewerkers, waarbij gegarandeerd kan worden dat gekwalificeerde medewerker binnen 15-20 minuten aanwezig kan zijn;

  • 3.

    Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 115 uur per week;

  • 4.

    Huisvestingskosten en kosten voor levensonderhoud zijn onderdeel van deze dienst;

  • 5.

    Consult en input van een gedragswetenschapper voor de groep, gericht op regie, kwaliteit en advies/sparring voor de pedagogisch medewerkers;

  • 6.

    In de tariefstelling is rekening gehouden met: kapitaallasten, overhead, leegstand en risico-opslag;

  • 7.

    Jeugdhulpaanbieder heeft bij voorkeur ook een contract voor het leveren van WMO-diensten bij betreffende gemeenten;

  • 8.

    Professional die voor de jeugdige de rol van mentor vervult heeft een vast dienstverband.

  • 9.

    De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd;

Functieprofiel

MBO/HBO/WO

Functiemix

Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 115 uur per week.

Consult en input van een gedragswetenschapper voor de groep, gericht op regie, kwaliteit en advies/sparring voor de pedagogisch medewerkers.

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

Maximaal 8

Wonen met begeleiding - intensief

Normenkader

Eenheid

Etmaal + 8 uur nazorg

Intensiteit

Maximaal 24 maanden

Omschrijving

Jeugdigen vanaf 12 jaar

In een voorziening voor wonen en begeleiding intensief krijgen jeugdige met psychosociale-, gedragsproblemen en/of een (licht) verstandelijke beperking hulp en begeleiding. De instelling is de

(tijdelijke) vaste woon- en verblijfplaats. Het betreft een voorziening met een pedagogisch leefklimaat, waar verzorging, alledaagse opvoeding, en specifieke opvoeding de kern is. De nadruk ligt op het bieden van structuur en veiligheid. Wat betreft de zelfstandigheid is wisselende begeleiding op aanvraag/behoefte noodzakelijk. De zelfredzaamheid van de jeugdigen is wisselend. Meestal is sprake van jeugdigen met gemiddelde/intensieve (gedrags)problemen (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak is tot verblijf buiten het eigen gezin. Wat betreft de ADL/BDL zijn begeleidende zorg en structureel toezicht noodzakelijk.

Er wordt nadrukkelijk geïnvesteerd in het versterken van het netwerk van de jeugdige en de ouders. Hiertoe worden erkende, goed beschreven interventies ingezet. De mogelijke meerwaarde voor de inzet van een ervaringsdeskundige voor de ouders of de jeugdige wordt doelgericht met hen besproken. Indien mogelijk participeren ouders, ook binnen, bij de dagelijkse begeleiding en opvoeding van de jeugdige.

Bedbezetting: Het merendeel van de jeugdigen blijft doorgaans doordeweeks dan wel in het weekend in de verblijfsvorm.

Toezicht/beveiliging: Structurerende maatregelen en/of huisregels zijn op een groot gedeelte van de jeugdigen van toepassing. Jeugdigen verblijven voornamelijk in een open/besloten verblijfsvorm die gemiddeld tot intensieve bescherming biedt. Er is 24-uurs toezicht.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/ een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen vanaf 12 jaar

Jeugdige die niet in het eigen gezin, binnen het eigen netwerk, of in een gezinsetting op kan groeien. Jeugdige kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psychosociaal of een (licht) verstandelijke beperking. Jeugdige is in staat om (redelijk) zelfstandig te functioneren, gaat o.a. naar school/werk (of dagbesteding), en verblijf is gericht op het zelfstandig wonen of terugkeer naar een gezinssysteem.

Ondersteuning is gericht op de ouder(s) en jeugdige.

Wat betreft de zelfstandigheid is wisselende begeleiding op aanvraag/behoefte noodzakelijk. De

zelfredzaamheid van de jeugdigen is wisselend. Meestal is sprake van jeugdigen met gemiddelde/intensieve (gedrags-)problemen (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak is tot verblijf buiten het eigen gezin. Wat betreft de ADL/BDL zijn begeleidende zorg en structureel toezicht noodzakelijk.

Resultaten

Type resultaat

Zelfstandig wonen en leven

  • Jeugdige is in staat zo zelfstandig mogelijk en/of in gezinsverband te leven;

  • Jeugdige heeft een steunend netwerk opgebouwd en/of het bestaande netwerk versterkt;

  • Voor de jeugdige is het tijdig (vanaf de 17e verjaardag) duidelijk wat na hij/zij zijn/haar 18e verjaardag nodig heeft, en deze eventuele hulp en ondersteuning wordt vanaf het 17e jaar ingeregeld. Er wordt hierbij nadrukkelijk aandacht besteed aan: Wonen, welzijn, onderwijs/werk, financiën/inkomen, netwerk en vrije tijd.

Dienst specifieke eisen

Evidence based

  • 1.

    Er is een slapende nachtdienst;

  • 2.

    Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het pedagogische klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 165 uur per week;

  • 3.

    Huisvestingskosten en kosten voor levensonderhoud zijn onderdeel van deze dienst;

  • 4.

    Consult en input van een gedragswetenschapper voor de groep, gericht op regie, kwaliteit en advies/sparring voor de pedagogisch medewerkers;

  • 5.

    In de tariefstelling is rekening gehouden met: kapitaallasten, overhead, leegstand en risico-opslag;

  • 6.

    Jeugdhulpaanbieder heeft bij voorkeur ook een contract voor het leveren van WMO-diensten bij betreffende gemeenten.

  • 7.

    De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd;

Functieprofiel

MBO/HBO/WO

Functiemix

Er wordt in de uitvoering hoofdzakelijk HBO geschoold personeel ingezet.

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

Maximaal 8

Wonen met begeleiding – EXTRA intensief

Normenkader

Eenheid

Etmaal

Groepsgrootte

Maximaal 4

EIS

In uitzonderlijke situaties kan deze code worden afgegeven na afstemming met het expertteam.

Verblijf met behandeling

Normenkader

Eenheid

Etmaal + 8 uur nazorg

Duur

Maximaal 12 maanden

Omschrijving

Bij deze dienst ligt de nadruk op het bieden van structuur en veiligheid om behandeling mogelijk te maken.

Er is sprake van een therapeutisch leefklimaat.

Wat betreft de zelfstandigheid in het ADL/BDL is structureel begeleiding op aanvraag/behoefte nodig. De zelfredzaamheid van de jeugdigen is wisselend. Meestal is sprake van jeugdigen met intensieve (gedrags) problemen (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak is tot verblijf buiten het eigen gezin. Er is volledige begeleidende zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door het personeel noodzakelijk.

Bedbezetting: De jeugdigen blijven doorgaans tijdens de duur, zeker in het begin, van het hulptraject in de verblijfsvorm. In het weekend gaan de jeugdigen, indien mogelijk, naar huis.

Toezicht/beveiliging: Jeugdigen verblijven veelal in een open verblijfsvorm Door middel van nabijheid wordt veiligheid geboden. Er is 24-uurs toezicht.

Kenmerken huisvesting: Overwegend open verblijfsvorm met mogelijke aanpassingen.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 8 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Jeugdigen die zeer ernstig belemmerd worden in dagelijks functioneren

Voor wie?

Meestal is sprake van jeugdigen met intensieve (gedrags)problemen (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, waardoor er een noodzaak is tot verblijf buiten het eigen gezin. Het betreft jeugdigen uit gezinnen met (ernstige) problemen op meerdere levensgebieden EN/OF jeugdige met ernstige problematiek, bij wie ambulante behandeling tot nu toe onvoldoende resultaat heeft gegeven.

Doel van dit verblijf is primair behandeling mogelijk te maken. De behandeling binnen deze dienst bestaat tenminste uit:

  • Een excellent therapeutisch leefklimaat;

  • Specifieke therapeutische benadering/groepsaanpak, gebaseerd op erkende werkwijze (zoals bijvoorbeeld Triple C);

  • Groepsgerichte behandelinterventies;

  • Individuele gesprekken;

  • psycho-educatie aan ouders en jeugdige.

Indien voor de jeugdige aanvullend specifieke behandeling nodig is, kan hiervoor een van de diensten behandeling ingezet worden. Deze behandeling wordt dan niet uitgevoerd door de basisbezetting van deze voorziening.

Resultaten

Type resultaat

Terug naar huis of naar een gezinssetting

  • De jeugdige, het gezin en het netwerk hebben voldoende aanknopingspunten om het geleerde tijdens het verblijf, vorm te geven in het dagelijks leven;

  • De jeugdige kan weer in een gezinssetting wonen;

  • De (gedrags)problematiek is verminderd, waardoor jeugdige minder belemmerd wordt in het dagelijks leven;

  • De jeugdige kan handelings-, gedrags- en denkstrategieën toepassen in andere situaties dan uitsluitend de verblijfssetting;

  • Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor de groep. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/regiebehandelaar is minimaal WO-opgeleid.

Dienst specifieke eisen

Evidence based

  • Er is 24 uurs-aanwezigheid van minimaal één HBO-/WO- en SKJ- of BIG geregistreerde professional op de groep;

  • Binnen het multidisciplinair team beschikken meerdere hulpverleners over een BIG-/SKJ kwalificatie en een relevante HBO-opleiding/WO-opleiding. Indien MBO geschoolde professionals werkzaam zijn, staan zij onder supervisie van de HBO’ers/WO’ers;

  • Er is een multidisciplinair team;

  • Begeleiding of ondersteuning via pedagogisch medewerker(s) ten behoeve van het therapeutisch klimaat in de groep. Bij groep van 8 (gemiddelde groepsgrootte) is dat 200 uur per week;

  • Er is een slapende of wakende dienst op de groep;

  • Indien sprake is van klinische GGZ-behandeling: verpleegkundigen, sociaalpedagogisch medewerkers, kinderarts en/of kinder- en jeugdpsychiater.

  • De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd;

Functieprofiel

HBO/WO/WO+

Functiemix

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

Maximaal 8

Ratio begeleider: jeugdige

1 : 4

Verblijf met behandeling - intensief

Normenkader

Eenheid

Etmaal + 4 uur nazorg

Omschrijving

Het betreft een (korte) klinische opname voor jeugdigen, als onderdeel van hun lopende (ambulante) behandeling. VOV-personeel is permanent beschikbaar. In voorkomende gevallen wordt hulp door medewerkers van andere afdelingen geboden. De nadruk ligt op het opleggen van oplossingen. Wat betreft de zelfstandigheid is er permanente begeleiding nodig.

Bedbezetting: De jeugdigen blijven doorgaans tijdens de gehele duur van de behandeling in de verblijfsvorm.

In het weekend gaan de jeugdigen, indien mogelijk, naar huis.

Toezicht/beveiliging: Vrijheidsbeperkende maatregelen zijn op een gedeelte van de jeugdigen van toepassing. Jeugdigen verblijven in een gesloten of besloten verblijfsvorm, beschermend en beveiligd, waarbij het grootste deel van die jeugdigen zich niet aan het toezicht kan onttrekken. Er is 24-uurs toezicht.

Kenmerken huisvesting: Besloten of gesloten verblijfsvorm.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/ een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Het betreft jeugdigen met een ernstige verstoring in het functioneren door een verstoring in (bijvoorbeeld) het psychiatrisch ziektebeeld.

Wat betreft de zelfstandigheid is er permanente begeleiding nodig. De zelfredzaamheid van de patiënten is laag. Een gedeeltelijk overname van zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door VOV-personeel is noodzakelijk. Er is sprake van gedragsproblemen/agressie. In het algemeen is sprake van intensieve dagelijkse begeleiding en dag structurering.

Resultaten

Type resultaat

Stabilisatie

  • 1.

    De jeugdige wordt behandeld, waarbij:

    • Behandeling (en zo nodig diagnostiek en analyse) uitgevoerd kan worden

    • Het behandeltraject ambulant vervolgd kan worden (denk ook aan voorwaarde van onderwijs);

  • 2.

    Een helder ondersteuningsplan voor jeugdige/gezin, en het netwerk om ambulante behandeling kansrijk en duurzaam te maken;

  • 3.

    Het gezin en het netwerk om het gezin, is zodanig versterkt dat hier een informele steunstructuur behouden blijft/versterkt wordt.

Dienst specifieke eisen

Evidence based

Er is 24 uurs-aanwezigheid van minimaal één HBO-/WO-, en SKJ- of BIG-geregistreerde professional op de groep. Er wordt actief beleid gevoerd het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen tot een maximum terug te dringen.

De hulp wordt uitgevoerd vanuit een multidisciplinair team. Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor het team. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/regiebehandelaar is minimaal WO-opgeleid.

De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd.

Functieprofiel

HBO/WO/WO+

Functiemix

Uitvoerend personeel op de groep hebben allen een SKJ of Big registratie

Er is een wakende dienst in de nacht.

Regiebehandelaar is op niveau WO+/ WO++ (Kinder- en Jeugdpsychiater, Arts verstandelijk Gehandicaptenzorg), VOV+

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

Maximaal 8

Aantal fte

Inzet VOV+ begeleiding personeel: gem 1,3 fte op de groep per cliënt

Verblijf met behandeling 3 milieu

Normenkader

Eenheid

Etmaal + 12 uur nazorg

Intensiteit

Niet van toepassing?

Omschrijving

Binnen de 3milieuvoorziening krijgen jeugdigen een zeer intensieve behandeling op locatie. Zeer intensief betekent dat de jeugdige 24 uur per dag toezicht krijgt van de begeleiders en dat directe begeleiding beschikbaar is.

De 3-milieuvoorziening bestaat uit een combinatie van onderwijs, behandeling en verblijf op één terrein. Het onderwijs dat wordt aangeboden is passend bij het leerniveau van de jeugdige. Het gedrag van deze jeugdigen maakt intensief toezicht noodzakelijk.

Bedbezetting: De jeugdigen blijven doorgaans tijdens de duur van het hulptraject in de verblijfsvorm. Toezicht/beveiliging: Vrijheidsbeperkende maatregelen zijn op een gedeelte van de jeugdigen van toepassing. Jeugdigen verblijven veelal in een open verblijfsvorm. In dat geval is er intensieve bescherming, waarbij de jeugdige de verblijfsvorm niet zonder toestemming mogen verlaten. Er is 24-uurs toezicht. Kenmerken huisvesting: Overwegend open verblijfsvorm met mogelijke aanpassingen. In sommige gevallen kan ook een gesloten verblijfsvorm worden ingezet.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 12 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen die zeer ernstig belemmerd worden in dagelijks functioneren

Jeugdigen met de leeftijd van 6 tot 18 jaar met een licht verstandelijke beperking en/of zeer ernstige psychosociale, emotionele en gedragsproblemen. Deze jeugdigen hebben negatief gedrag ontwikkeld wat zich kan uiten in agressief of dreigend gedrag, woede- en paniekaanvallen, zelfverminking en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zij hebben zeer intensieve begeleiding en ondersteuning nodig en moeten beschermd worden tegen zichzelf en hun omgeving.

Resultaten

Type resultaat

Wonen (en eventueel behandeling) in gezinssetting is mogelijk

Na behandeling zijn jeugdige en het gezin voldoende toegerust op wonen in een gezinssetting en (zo nodig met extra hulp) deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.

Dienst specifieke eisen

Evidence based

  • Er dient op het terrein de mogelijkheid te zijn voor schoolgang en de besteding van vrije tijd;

  • Na behandeling zijn cliënt en het systeem voldoende toegerust op thuisplaatsing of een lichtere vorm van hulpverlening;

  • Binnen het team beschikken meerdere hulpverleners over een BIG-/SKJ kwalificatie en een relevante hbo-opleiding/wo-opleiding. Indien mbo geschoolde professionals werkzaam zijn, staan zij onder supervisie van de HBO’ers/WO’ers;

  • Er is 24 uurs-aanwezigheid van minimaal één HBO-/WO-niveau, en SKJ- of BIG geregistreerde professional op de groep;

  • Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor de groep. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/regiebehandelaar is minimaal WO-opgeleid;

  • De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd.

Functieprofiel

HBO/WO/WO+

Functiemix

Uitvoerend personeel op de groep hebben allen een SKJ of BIG registratie Er is een wakende dienst in de nacht.

Regiebehandelaar is op niveau WO+/ WO++ (Kinder- en Jeugdpsychiater, Arts verstandelijk Gehandicaptenzorg)

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

Maximaal 6 jeugdigen

Aantal fte

Gemiddeld 0,9 fte begeleiding op de groep per cliënt

JeugdhulpPlus Groep 6 jeugdigen

Normenkader

Eenheid

Etmaal + 24 uur nazorg

Duur

Maximaal 9 maanden

Verlengde jeugdzorg

Maximaal 6 maanden

Eis

Dit product kan alleen maar worden geboden door daarvoor geregistreerde jeugdhulpaanbieders

Omschrijving

Als de ontwikkeling van jeugdigen zo slecht verloopt dat er voor hun functioneren in de toekomst gevreesd wordt én de jeugdigen ook nog eens onvoldoende bereikbaar zijn voor hulp, dan kan er op een gegeven moment ‘onontkoombare hulp’ worden geboden. Deze ‘onontkoombare hulp’ wordt gerealiseerd door JeugdhulpPlus.

JeugdhulpPlus is gericht op het mentaal bereiken van de jeugdige. De behandelaars gaan de relatie met hen aan door hen te steunen en er te zijn. Er wordt maximaal ingezet op het bereiken van een keerpunt. Daarbij kan de jeugdige afgeschermd worden van invloeden die het behandelproces in de weg kunnen zitten:

contact met bijvoorbeeld vrienden en ouders kan worden voorkomen. Dit alles om de behandelbaarheid van de jeugdige zo groot mogelijk te maken.

Het onderwijs dat wordt aangeboden is passend bij het leerniveau van de jeugdige.

Bedbezetting: De jeugdige blijft doorgaans tijdens de gehele duur van de behandeling in de verblijfsvorm Toezicht/beveiliging: Vrijheid beperkende maatregelen zijn van toepassing Jeugdige verblijft in een gesloten verblijfsvorm, (zwaar) beschermend en beveiligd, waarbij de jeugdige zich niet aan het toezicht kan onttrekken. Er is 24-uurs toezicht.

Kenmerken huisvesting: gesloten verblijfsvorm worden ingezet.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/ een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 24 uren verspreid over de duur van 8 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team en/of de GI.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 12 tot 18 jaar, die zeer ernstig belemmerd worden in dagelijks functioneren

Jeugdige met ernstige gedragsproblemen, vaak in combinatie met een psychiatrische stoornis, een verstandelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. In een aantal gevallen gaat het ook om jeugdigen die (tegen zichzelf) in bescherming genomen moeten worden, bijvoorbeeld in geval van loverboy problematiek.

Jeugdigen kunnen alleen maar worden toegelaten tot deze dienst met een Machtiging gesloten jeugdzorg of een voorlopige of geschorste machtiging. Daar waar na beëindiging van de machtiging een vervolgplaatsing voorlopig niet mogelijk is kan de jeugdige op basis van een zogenoemde hybride plek, bij een daarvoor in aanmerking komende jeugdzorgplus aanbieder, gebruik blijven maken van deze (hybride) plek. De wijziging van het regiem wordt afgestemd met de procesregisseur en de betreffende gemeente (Serviceorganisatie Jeugdhulp ZHZ). In overleg met hen wordt er voor gezorgd dat de doorstroom naar een vervolgplek zo snel mogelijk kan plaatsvinden.

Resultaten

Type resultaat

Verminderen ontwikkelbedreiging

  • JeugdhulpPlus maakt jeugdigen en hun gezin behandelbaar en vermindert de bedreiging van de ontwikkeling. Het proces van verminderen van de ontwikkelbedreiging zet zich door tot na de adolescentie. Een proces dat ook na JeugdhulpPlus begeleid moet worden;

  • De onontkoombaarheid van behandeling is niet meer nodig, de ontwikkelbedreiging is bijgestuurd;

Er is aansluitend hulp zodat de ontwikkelbedreiging verder wordt verminderd.

Dienst specifieke eisen

  • Er is 24 uur per dag een psychiater en een arts bereikbaar;

  • De begeleiding wordt geboden door professionals met een opleidingsniveau variërend HBO/WO/WO+. Het zwaartepunt ligt op HBO-geschoolde professionals en minstens 30% WO-geschoolde professionals. Deze zijn SKJ geregistreerd. Indien MBO-geschoolde professionals werkzaam zijn, staan zij onder supervisie van de HBO’ers.

  • Professionals zijn toegerust om daar waar strikt noodzakelijk vrijheidsbeperkende maatregelen toe te passen. Vrijheidsbeperkende maatregelen die nodig zijn, vinden uitsluitend plaats op basis van het “nee, tenzij” principe. Professionals beheersen de procedures en gedragscodes.

  • Zowel groepsgrootte als de inzet van medewerkers zijn afgestemd op de zorgvraag van de jeugdigen en op een inschatting van veiligheidsrisico’s.

  • Er is 24 uurs-aanwezigheid van minimaal één - SKJ- of BIG geregistreerde HBO-professional op de groep.

  • Er is gedragswetenschappelijke expertise beschikbaar voor de groep. Deze gedragswetenschapper/gedragsdeskundige/regiebehandelaar is minimaal WO-opgeleid.

  • De mentor is beschikbaar voor het ambulant na-traject, maar ook voor meegaan naar zittingen op de rechtbank.

  • De landelijke richtlijn Residentiële Jeugdhulp wordt gevolgd.

Binnen het bovenregionale ontwikkeltraject 'Af- en ombouw JeugdhulpPlus kunnen anderen varianten van dit type jeugdhulp ontstaan en/of een ander gebruik van deze dienstomschrijving worden gehanteerd.

Afwijking van de productomschrijving is mogelijk na akkoord van opdrachtgever.

Functieprofiel

HBO/WO/WO+

Functiemix

De groepsbegeleiding bestaat uit hoofdzakelijk SKJ geregistreerde HBOgeschoolde professionals en minstens 30% SKJ geregistreerde WOgeschoolde professionals. Indien MBO-geschoolde professionals werkzaam zijn, staan zij onder supervisie van de HBO'ers;

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

Maximaal 6

Ratio begeleider: jeugdige

1:4

JeugdhulpPlus Intensief Groep 3 jeugdigen

Normenkader

Eenheid

Etmaal

Duur

Maximaal 3 maanden

Verlengde jeugdzorg

Ligt niet voor de hand

Doelgroep

De groepen zijn bedoeld voor jeugdigen tussen de 12 en 18 jaar waarvoor zeer intensieve begeleiding/behandeling noodzakelijk is.

Voor hen is een machtiging gesloten jeugdhulp afgegeven, doch plaatsing binnen een groep van zes is vooralsnog niet haalbaar.

Groepsgrootte

Maximaal 3

EIS

Deze voorziening is thans in ontwikkeling bij de jeugdhulpplusaanbieder voor het landsdeel Zuidwest. De opdracht hiervoor komt voort uit de derde actualisatie van de af- en ombouw jeugdhulpplus in het landsdeel Zuidwest (vastgesteld door het AB van de DG&J Zuid-Holland-Zuid op 19 december 2024).

De inzet van dit product wordt bepaald na overleg met het expertteam.

JeugdhulpPlus (Ambulant)

Normenkader

Eenheid

Uren

Doelgroep

Jeugdigen tot en met 18 jaar en hun gezinnen die voor zichzelf en/of hun omgeving een dermate groot veiligheidsrisico vormen dat zij een (voornemen tot) voorwaardelijke machtiging voor opname in een JeugdhulpPlus instelling hebben.

Voor jeugdigen (en gezinnen) met een (geschorste) machtiging voor gesloten jeugdhulp, is Ambulante JeugdhulpPlus bedoeld als voorziening ter verkorting van voor jeugdigen tot en met 18 jaar die voor zichzelf en/of hun omgeving een dermate groot veiligheidsrisico vormen dat zij een

(voornemen tot) voorwaardelijke machtiging voor opname in een Jeugdhulpplus instelling hebbende plaatsing in de Jeugdhulp Plus en het verduurzamen van de behandeling.

Groepsgrootte

Niet van toepassing

Eis

In aanmerking komen aanbieders die als zodanig geregistreerd zijn als aanbieder JeugdhulpPlus en die als zodanig voor het landsdeel Zuidwest zijn benoemd in de derde actualisatie af- en ombouw JeugdhulpPlus landsdeel Zuidwest.

De inzet van dit product wordt bepaald na overleg met het expertteam.

Hoogspecialistische klinische opname GGZ/HIC GGZ

Normenkader

Eenheid

Etmaal + 4 uur nazorg

Intensiteit

Niet van toepassing

Omschrijving

Hoogspecialistische klinische opname GGZ is bedoeld voor jeugdigen met een zeer intensieve verstoring in het psychiatrisch ziektebeeld (psychisch, sociaal en somatisch functioneren), waardoor er een noodzaak tot opname is om de geneeskundige zorg te leveren. De behoefte aan begeleiding is afhankelijk van het beloop van het ziektebeeld van de jeugdige en kan, indien nodig, tot één-op-één begeleiding worden opgeschaald. De nadruk ligt hierbij op het aanbieden van oplossingen en voorkomen van dwangmaatregelen. Intensiteit van de begeleiding kan sterk wisselen en, indien nodig, opgeschaald worden tot één-op-één begeleiding of meermansbegeleiding.

Bedbezetting: De jeugdige blijft doorgaans tijdens de gehele duur van de behandeling in de verblijfsvorm. Toezicht/beveiliging: Alhoewel alles in het werk wordt gesteld om dwangmaatregelen te voorkomen, kunnen deze wel toegepast worden. Er is permanent toezicht.

Kenmerken huisvesting: Indien mogelijk een open verblijfsvorm met mogelijke aanpassingen. In sommige gevallen kan ook een gesloten verblijfsvorm worden ingezet.

Ambulant na-traject: de jeugdige wordt begeleid in het maken van de overstap richting bijvoorbeeld zelfstandigheid of naar wonen in het gezin/ een gezinssetting. In nauwe samenwerking met de casusregisseur van het lokale team wordt indien nodig een begeleidingsplan opgesteld om terugval te voorkomen. Het is de taak van de aanbieder de samenwerking met het lokale team te initiëren. De inzet van dit na traject betreft ongeveer 4 uren verspreid over de duur van 4 weken en is aanvullend op de inzet van en verantwoordelijkheden van het lokale team.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen tot 18 jaar die zeer ernstig belemmerd worden in dagelijks functioneren

Jeugdige vertoont over het algemeen ernstige (acute) gedragsproblemen/agressie, dan wel ernstige verstoringen in het functioneren. In het algemeen is sprake van intensieve dagelijkse begeleiding en dag structurering, met continu individueel (opvoedkundig) toezicht. Er is of kan sprake zijn van ernstige problematiek die moeilijk veranderbaar is en/of veel begeleiding behoeft. Er is sprake van

gedragsproblemen die ontwrichting of gevaar op agressie (naar zichzelf/anderen) veroorzaken, met een continu risico hierop.

Wat betreft de zelfstandigheid in het ADL/BDL is er permanente begeleiding nodig. De zelfredzaamheid van de patiënten is wisselend. Wel is er gedeeltelijk overname van zorg en permanent (opvoedkundig) toezicht door VOV-personeel nodig.

Resultaten

Type resultaat

Stabilisatie

Stabilisatie van de jeugdige en/of het gezin zodat behandeling (bij voorkeur ambulant) weer hervat kan worden.

Dienst specifieke eisen

De aanbieder heeft bij voorkeur afspraken met de zorgverzekeraar om de zorg ongedeeld door te kunnen laten lopen na de 18e verjaardag

Functieprofiel

HBO/WO/WO+

Functiemix

Uitvoerend personeel voornamelijk HBO/WO, de behandeling wordt separaat gedeclareerd

Regiebehandelaar

Ja

Groepsgrootte

Maximaal 6

Aantal fte

Er wordt gemiddeld 1,6 fte per bed/plaats ingezet

Ratio begeleider: jeugdige

1,6 : 1

Hoofdstuk 6: Toeslag bij Crisisinterventies

Algemene omschrijving

Bij een crisissituatie is een snelle en efficiënte samenwerking tussenketenpartners essentieel. Het doel is om de situatie zoveel mogelijk te de-escaleren. Ketenpartners dragen door hun houding en attitude bij aan het creëren van rust, veiligheid en vertrouwen voor de persoon in crisis en diens omgeving. De hulp is niet goed planbaar, maar moet wel acuut beschikbaar zijn.

Het is van belang om te werken volgens de geldende protocollen , maar ook rekening te houden met de wensen van de persoon in crisis en diens naasten. Er wordt altijd gevraagd of de jeugdige ofhet gezin een Crisiskaart heeft en de daarin opgenomen wensen worden serieus genomen.

In acute situaties kan er spanning ontstaan tussen het snel willen handelen van hulpverleners en het blijven aansluiten bij de jeugdige of het het gezin . Ook het begrijpen van beslissingen van hulpverleners door alle partijen kan een uitdaging zijn. Heldere en duidelijke communicatie over het proces en over de rol van de aanwezige hulpverleners is van belang. Uitgangspunt is dat de crisisinterventie ambulant wordt uitgevoerd en gericht is op de-escaleren, rust creëren en vertrouwen opbouwen. Wanneer voldoende rust is opgebouwd en er (het begin van) vertrouwen is, wordt samen met de jeugdige/ het gezin een perspectiefplan opgesteld (inclusief een goede vraaganalyse). Alle interventies zijn gericht op herstel van het evenwicht thuis (zodat een veilige opgroeisituatie ontstaat) en als de jeugdige tijdelijk vanwege de crisis uit huis geplaatst is , op terugkeer van de jeugdige.

Iedere crisisinterventie is gericht op het doelmatig bijdragen aan de in het perspectiefplan opgenomen doelen van de jeugdige/ het gezin.

Er zijn meerdere wettelijke kaders van toepassing:

  • De Jeugdwet;

  • Wet verplichte GGZ;

  • Wet zorg en dwang.

Deze wettelijke kaders geven aanwijzingen op het proces en de kwaliteit van crisisdiensten en crisisinterventies.

Doelgroep

In een crisissituatie gaat het om een complexe situatie waarin biologische, psychologische en sociale factoren een rol spelen. Een crisissituatie kan iedereen overkomen. Een crisis is een ernstige verstoring van het alledaagse functioneren. Door de ontregeling die plaatsvindt, schieten de gebruikelijke oplossingsstrategieën tekort (Hoekert, Lommerse & Beunderman, 2000).

Veroorzaakt door:

  • Een (plotselinge) wijzigingen in de situatie vanwege de aandoening/ stoornis/ beperking van de jeugdige;

  • Een (plotselinge) wijziging in de situatie vanwege problemen tussen ouders en kinderen;

  • Een (plotselinge) wijzigingen in de situatie vanwege problemen van de ouders.

Waarbij het noodzakelijk is om binnen 24 uur een (intensieve) crisisinterventie in te zetten.

We maken onderscheid tussen uitputtingscrises en acute crisis.

  • Uitputtingscrisis: de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen. Er is al langere tijd sprake van een disbalans binnen het gezin.

  • Acute crisis: een plotselinge wijziging in de situatie leidt tot een crisissituatie. (Zoals psychose, suïcidepoging, overlijden ouder).

De crisisinterventie wordt als volgt gedeclareerd:

  • U declareert de productcode die past bij de inzet die gepleegd wordt (begeleiding, behandeling, een dag voorziening, wonen met begeleiding, verblijf met behandeling);

  • Daarnaast factureert u eenmalig de toeslagcomponent die correspondeert met uw inzet. Deze toeslag compenseert de onplanbaarheid van de hulp, dus het feit dat u als organisatie personeel beschikbaar moet hebben om binnen de gestelde termijnen te kunnen leveren.

Crisisbed en Crisismeldpunt

Voor de beschikbaarheid van een bed in crisissituaties is een beschikbaarheidsbekostiging afgesproken met twee aanbieders gekoppeld aan de voortzetting van het huidige crisismeldpunt.

Toeslag crisis ambulant

Normenkader:

Eenheid

Toeslag per uur

Duur

Maximaal 28 werkdagen

Omschrijving

Alle ambulante crisis diensten die binnen 24 uur worden ingezet in een crisissituatie, komen in aanmerking voor de ‘toeslag crisis ambulant’, met uitzondering van ‘dienstverlening consult en advies’.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen en gezinnen die binnen 24 uur ambulante jeugdhulp nodig hebben in verband met een crisissituatie

Resultaten

Type resultaat

Jeugdige en gezinnen ontvangen binnen 24 uur hulp

Jeugdige en gezin ontvangen hulp die bestaat uit:

  • 1.

    De-escaleren, rust creëren en vertrouwen en veiligheid opbouwen;

  • 2.

    Start analyse en opstellen van/ bijdragen aan perspectief van jeugdige/gezin;

Na eerste fase van stabilisatie zijn de resultaten van het ingezette product van toepassing.

Dienst specifieke eisen

Naast de reguliere dienst specifieke eisen van het ingezette product, is het personeel wat in crisissituaties ingezet hiertoe extra geschoold/getraind/ervaren.

Functieprofiel

Passend bij reguliere dienst + aantoonbaar geschoold voor crisisinterventies

Toeslag crisis bij Pleegzorg

Normenkader

Eenheid

Eénmalig stuks

Omschrijving

Naast algemene omschrijving ook:

Compensatie voor de onplanbaarheid van de inzet van het personeel + tijd voor regelzaken en de extra benodigde beschikbaarheid voor de jeugdige die van pleegouders wordt gevraagd na een crisisplaatsing.

Deze opbouw bestaat om de onplanbaarheid van de pleegzorgbegeleiding gecombineerd van een extra bijdrage voor de pleegouders die ten tijde van crisis ook onplanbaar hun huis openzetten voor de jeugdige. De extra bijdrage voor de pleegouders behelst minimaal 65% van het tarief.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen die geplaatst worden in een pleeggezin in een crisissituatie

Jeugdigen die geplaatst worden in een pleeggezin in een crisissituatie.

Resultaten

Type resultaat

Jeugdige wordt binnen 48 uur opgevangen in een stabiele gezinssituatie

Jeugdige en gezin ontvangen hulp die bestaat uit:

  • 1.

    De-escaleren, rust creëren en vertrouwen opbouwen;

  • 2.

    Start analyse en opstellen van/ bijdragen aan perspectief van jeugdige/gezin;

Na eerste fase van stabilisatie zijn de resultaten van het ingezette product van toepassing.

Dienst specifieke eisen

  • 1.

    De pleegzorg wordt binnen 48 uur geboden;

  • 2.

    De pleegzorgouders worden extra ondersteund en toegerust/ ontzorgd.

Functieprofiel

Passend bij reguliere dienst + aantoonbaar geschoold voor crisisinterventies

Toeslag crisis bij Wonen (diverse intensiteiten)

Normenkader

Eenheid

Eenmalig - stuks

Omschrijving

Deze eenmalige toeslag compenseert de onplanbaarheid van de hulp voor het feit dat de jeugdhulpaanbieder personeel beschikbaar moet hebben om binnen de gestelde termijnen hulp te kunnen leveren.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen die in een crisissituatie geplaats worden in woonvoorziening – met begeleiding (diverse intensiteiten.

Resultaten

Type resultaat

Jeugdige wordt binnen 48 uur opgevangen in een stabiele woonvoorziening

Jeugdige ontvangt hulp die bestaat uit:

  • 1.

    De-escaleren, rust creëren en vertrouwen opbouwen;

  • 2.

    Start analyse en opstellen van/ bijdragen aan perspectief van jeugdige/gezin.

Na eerste fase van stabilisatie zijn de resultaten van het ingezette product van toepassing.

Dienst specifieke eisen

De woonvoorziening wordt binnen 48 uur geboden

Functieprofiel

Passend bij reguliere dienst + aantoonbaar geschoold voor crisisinterventies

Toeslag crisis bij Verblijf met behandeling

Normenkader

Eenheid

Eenmalig - stuks

Omschrijving

Deze eenmalige toeslag compenseert de onplanbaarheid van de hulp voor het feit dat de jeugdhulpaanbieder personeel beschikbaar moet hebben om binnen de gestelde termijnen hulp te kunnen leveren.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen die in een crisissituatie geplaats worden in een voorziening verblijf met behandeling (diverse intensiteiten).

Resultaten

Type resultaat

Jeugdige wordt binnen 48 uur opgevangen in voorziening verblijf met behandeling.

Jeugdige ontvangt hulp die bestaat uit:

  • 1.

    De-escaleren, rust creëren en vertrouwen opbouwen;

  • 2.

    Start analyse en opstellen van/ bijdragen aan perspectief van jeugdige/gezin.

Na eerste fase van stabilisatie zijn de resultaten van het ingezette product van toepassing.

Dienst specifieke eisen

De voorziening wordt binnen 48 uur geboden.

Functieprofiel

Passend bij reguliere dienst + aantoonbaar geschoold voor crisisinterventies

Hoofdstuk 7: Uitsluitings- en afwegingslijst

In lijn met de nadere regels en verordeningen Jeugdhulp van de 10 gemeenten in Zuid-Holland Zuid zijn de volgende aanwijzingen van toepassing:

Omschrijving

Jeugdwet?

Voorwaarden

Extra informatie

Andere voor ziening

Acupunctuur

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Mogelijk aanvullende zorgverzekering. Informeer bij de zorgverzekeraar

Administratie, overnemen van

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening jeugdhulp. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren.

Alarmsysteem

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Au pair

Nee, tenzij

Het jeugdteam heeft vastgesteld dat er sprake is van het bieden van jeugdhulp onder de noemer sociaal netwerk.

De au pair voldoet aan de eisen van artikel 15.

Een au pair is een persoon van niet Nederlandse nationaliteit die participeert in een cultureel uitwisselingsprogramma. De hoofddoelstelling van het verblijf is de culturele uitwisseling en de overige werkzaamheden zijn nevenactiviteiten waarbij niet concreet is geregeld welke werkzaamheden een au pair wel of niet mag doen. Het is daardoor mogelijk dat een au pair bv. een jeugdige met een verstandelijke beperking begeleidt met een pgb. U moet wel rekening houden met bepaalde fiscale aspecten. De SVB kan u hierover informeren.

(www.svb.nl)

Begeleiding bij regulier onderwijs

Nee, tenzij

Door het jeugdteam is vastgesteld dat er sprake is van een individuele voorziening jeugdhulp, namelijk begeleiding

Te denken valt hierbij aan begeleiding bij praktijklessen als schoolzwemmen of schoolgym of bij de omgang met andere jeugdiggen, lunchpauze en/of bij spel. De overige begeleiding is de verantwoordelijkheid van de school onder Passend Onderwijs. Het plannen en structureren van schoolse zaken als huiswerk is in

Passend onderwijs

Omschrijving

Jeugdwet?

Voorwaarden

Extra informatie

Andere voor ziening

principe de verantwoordelijkheid van de ouder.

Begeleiding bij bijzonder en/of speciaal onderwijs

Nee, tenzij

Door het jeugdteam is vastgesteld dat er sprake is van de noodzaak om begeleiding in het kader van jeugdhulp in te zetten

.

Twee aandachtspunten:

  • Kritisch kijken of de belgeleiding onder de Jeugdwet of passend onderwijs valt.

  • Plannen en structureren van schoolse zaken als huiswerk in principe de verantwoordelijkheid van de ouder is.

In combinatie met Passend onderwijs

Begeleiding via moderne media, bijvoorbeeld Skype.

Nee, tenzij

Het jeugdteam heeft vastgesteld dat er sprake is van een individuele voorziening jeugdhulp, namelijk begeleiding

Het gaat hier bijv. om het tijdelijk ondersteunen in het aanbrengen van structuur, het stimuleren en aanzetten tot activiteit en daardoor het uitvoeren van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen

Begroting, hulp bij het opstellen van een PGB

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een pgb verbonden taken uit te voeren.

Beheer pgb

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren.

Bemiddelingskosten

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren.

Bewindvoerderkosten

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat

Bijzondere bijstand afhankelijk van inkomen ouders

Omschrijving

Jeugdwet?

Voorwaarden

Extra informatie

Andere voor ziening

zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren.

Blindengeleidehond

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

BV Zvw

Braille training

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

BV Zvw

Buitenschoolse of naschoolse opvang

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Wk

Cadeau voor zorgverlener

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening.

Computer, aanpassingen en onderhoud

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Consumpties

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Cursus zorgverlener

Nee

Eigen verantwoordelijkheid zorgverlener

Cursus/training opvoeden en opgroeien voor ouders/verzorgers in groepsverband, collectieve voorziening

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp. Dit wordt geboden door een andere of overige voorziening, bijvoorbeeld CJG, jeugdgezondheidszorg of jeugdteam

Nee, tenzij

Er sprake is van jeugdhulp voor het omgaan met gedragsproblemen en het aanleren van opvoed- vaardigheden

Cursus voor een jeugdige

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp. Dit wordt geboden door een andere of overige voorziening, bijvoorbeeld CJG, jeugdgezondheidszorg

Nee, tenzij

Er sprake is van een individuele training gericht op het omgaan met psychosociale of psychische problemen

Detentie van een jeugdige, jeugdhulp bij

Nee

Als een jeugdige in detentie is dan valt hij/zij onder Justitie en wordt geen jeugdhulp onder de Jeugdwet ingezet.

Dieren, therapie met / begeleiding met,

Nee, tenzij

Een jeugdhulpverlener gebruik maakt van dieren

Dieren zijn geen jeugdhulpverlener zoals genoemd in de Jeugdwet. Binnen de therapie dienen de doelen

Omschrijving

Jeugdwet?

Voorwaarden

Extra informatie

Andere voor ziening

begeleiding bij verzorging van. Dier wordt als middel gebruikt om een doel te bereiken.

bij de begeleiding en/of ondersteuning

om verzorging van een dier in te zetten concreet te zijn beschreven en met elkaar in verhouding te staan. Hierbij moet ook een duidelijk resultaat worden geformuleerd met een tijdspad.

Doventolk

Nee

Menzis regelt de vergoeding van doventolkuren in privésituaties, ongeacht waar de jeugdige is verzekerd.

Zie:

http://www.menziszorgkantoor.nl/w eb/Consumenten/ZorgNodig/Dovent olkZorg.htm

Zvw

Entreegeld jeugdige

Nee

Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding.

Entreegeld bij begeleiding van de jeugdige

Nee

Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de (bekostiging van) begeleiding bij vrijetijdsbesteding.

Evaluatiegesprek zorgverleners

Nee

Evalueren is onderdeel van de te leveren zorg en maakt daarmee onderdeel uit van de gewerkte zorguren van de zorgverlener. Zie ook ‘Overheadkosten’.

Familiebezoek, begeleiding bij

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp. Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de begeleiding bij familiebezoek.

Feuerstein methode

Nee, tenzij

Onderdeel van een behandelplan van een jeugdhulpaanbieder

Vorm van psychosociale hulpverlening waarbij wordt uitgegaan van de mogelijkheden van de cliënt

Mogelijk aanvullende zorgverzekering, informeer bij uw zorgverzekeraar

Fitness (medische - , fysio - )

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Er is mogelijk een andere voorziening

AV Zvw

Gesprekken instanties, overnemen van

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Dit is een overige voorziening, die wordt geboden door het jeugdteam.

Jeugdteam

Gratificatie zorgverlener

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend

Omschrijving

Jeugdwet?

Voorwaarden

Extra informatie

Andere voor ziening

ten behoeve van een individuele voorziening.

Homeopathie/ homeopathisch arts

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Mogelijk AV Zvw

Huiswerkbegeleiding basisonderwijs en voortgezet onderwijs

Nee

Elke jeugdige heeft ontwikkelrecht, het onderwijs is hiervoor verantwoordelijk. Bij hen ligt ook de taak om de betrokkenheid van de ouders te stimuleren bij het ondersteunen van hun kind daarin.

Mogelijk particuliere of ge-meentelijke huiswerkbegeleiding

Hulphonden

Nee

-

Zie ook ‘blindegeleidehond’

BV Zvw

Nee, tenzij

De jeugdhulpverlener gebruik maakt van dieren bij de begeleiding en/of ondersteuning

Dieren zijn geen jeugdhulpverlener zoals genoemd in de Jeugdwet.

Hulpmiddelen (zoals protheses, speciaal schoeisel, rolstoel)

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

BV/AV Zvw

Jeugdhulp buiten

Nederland

Nee

Kerstpakket

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening.

Kinderopvang kind jeugdhulpverlener

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Wk

Kinderopvang, dagverblijf, babysit, crèche

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Wk

Leermiddelen,

(aangepast)

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Passend onderwijs

Lesgeld / contributie

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding.

Lotgenotencontact

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Manicure

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Massage

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Omschrijving

Jeugdwet?

Voorwaarden

Extra informatie

Andere voor ziening

Mediërend leren

Nee

Er is sprake van een andere voorziening. Het betreft aanleren schoolse vaardigheden.

Passend

Onderwijs

Meditatieve ontwikkeling

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Middelen

Nee

Dit zijn tastbare goederen, die nodig zijn bij het verlenen van jeugdhulp

Mondhygiënist

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

BV Zvw

Muziekles

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding.

Neurofeedback

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Neurolinguïstisch programmeren (NLP)

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Dagbesteding ter vervanging van onderwijs

Nee, tenzij

  • De jeugdige niet meer terugkeert in het onderwijs

  • Dagbesteding (tijdelijk) wordt ingezet voor het bereiken van doelen voortkomend uit problemen en/of stoornissen van de jeugdige

  • Dit betreft jeugdigen die op leerplichtige leeftijd uitstromen uit het onderwijs veelal met een leerplichtontheffing.

  • De jeugdige krijgt een persoonlijk plan in de vorm van een onderwijs/zorgarrangement waar dagbesteding onderdeel van uitmaakt. De dagbesteding wordt specifiek ingezet om de jeugdige te laten werken aan doelen voortkomend uit problemen en/of stoornissen ten behoeve van terugkeer in het (speciaal) onderwijs.

Oppas of kortdurend verblijf jeugdige

Nee, tenzij

Afhankelijk van inzet netwerk en relevantie van het verzoek.

De afweging of het gaat om evenwicht brengen in de draagkracht en -last van de ouders of elders ontspanning zoeken is relevant. Alleen bij ontbreken van het netwerk zou voor het in evenwicht brengen van draagkracht en –last hulp kunnen worden ingezet.

Opvang budgethouder (= ouder/verzorger van de jeugdige )

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Wmo

Overheadkosten van de jeugdhulpverlener

Nee

Is een integraal onderdeel van het uurtarief van de jeugdhulpverlener,

Omschrijving

Jeugdwet?

Voorwaarden

Extra informatie

Andere voor ziening

deze kosten kunnen niet separaat worden gedeclareerd

Paardrijden

Nee, tenzij

Een jeugdhulpverlener gebruik maakt van dieren bij de begeleiding en/of ondersteuning

Dieren zijn geen jeugdhulpverlener zoals genoemd in de Jeugdwet. Paardrijden kan hoogstens voor maximaal 1 uur per week deel uitmaken van de therapie.

Pastorale hulpverlening

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Patiëntenvereniging, bijdrage

Nee

Pedicure

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Personal trainer

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Plannen en structureren

Nee, tenzij

Er door het jeugdteam is vastgesteld dat er sprake is van individuele begeleiding voor het aanleren van algemene plannings- en structureringsvaardigheden van de dag of week in zijn totaliteit als dat niet op eigen kracht door de ouders kan worden geboden.

Het is de taak van de ouders om hun minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook het aanleren van vaardigheden zoals plannen en structureren horen daar in principe bij.

Deze hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht.

Reiskosten van de jeugdige naar en van de jeugdhulpinstelling

Nee

Zie de vervoersregeling op de website van de SOJ ZHZ

Reiskosten woonwerkverkeer jeugdhulpverlener

Nee

Reiskosten woon-werkverkeer van jeugdhulpverlener zijn voor eigen rekening

Remedial teaching

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Passend onderwijs

Respijtzorg

Nee, tenzij

Door het jeugdteam is vastgesteld dat er sprake is van (dreigende) overbelasting van de ouder door de zorg voor een jeugdige met een lichamelijke, zintuiglijke en/of verstandelijke beperking, en/of een psychiatrische of somatische aandoening

Jeugdhulp, die in dit kader die vergoed kan worden uit een pgb is begeleiding, dagbesteding of kortdurend verblijf bij een aanbieder of bij het sociale netwerk, niet zijnde het eigen gezin.

Omschrijving

Jeugdwet?

Voorwaarden

Extra informatie

Andere voor ziening

Sport, begeleiding bij sport en begeleiding middels sport

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van en begeleiding bij vrijetijdsbesteding.

Stage, begeleiding bij

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Onderwijs

Studiebegeleiding

Nee

Uitstapje jeugdige

Nee

Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van en begeleiding bij vrijetijdsbesteding.

Uitstapjes school, begeleiding bij

Nee, tenzij

Door het jeugdteam is vastgesteld er sprake is van een vorm van jeugdhulp, zijnde begeleiding.

Er moet sprake zijn van begeleiding. De uitstapjes zelf mogen niet uit het pgb betaald worden.

Vakantie(kamp) jeugdige

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp

Verpleging

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Wlz, Zvw

Vervoer van en naar school van de jeugdige

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Leerlingen vervoer via gemeente

Vervoer van school naar een buitenschoolse/ naschoolse opvanginstelling van een jeugdige

Nee

Er is sprake van een andere voorziening. Vervoer moet worden geregeld via de buitenschoolse /naschoolse opvanginstelling

Wk

Vervoerskosten van een jeugdige van en/of naar de locatie van een jeugdhulpaanbieder

Nee

Zie de vervoersregeling op de website van de SOJ ZHZ.

Video home training

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp. Maakt onderdeel uit van een behandeling.

Vrijetijdsbesteding, vergoeding van

Nee

Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in vrijetijdsbesteding.

Vrijetijdsbesteding, begeleiding bij

Nee

Begeleiding bij vrijetijdsbesteding mag niet vanuit het Pgb jeugdhulp gefinancierd worden wanneer het doel participatie en recreatie is. Mee gaan met winkelen kan bijv. niet vanuit het pgb gefinancierd worden.

Vrijwilligersvergoeding

Nee

Omschrijving

Jeugdwet?

Voorwaarden

Extra informatie

Andere voor ziening

Weerbaarheidstraining

Nee

Geen individuele voorziening jeugdhulp. Maakt onderdeel uit van een behandeling.

Werving zorgverlener

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening.

Woningaanpassing

Nee

Er is sprake van een andere voorziening

Wmo

Zorgplan / werkplan / overeenkomsten

opstellen

Nee

Op grond van de nadere regels kan een pgb alleen worden aangewend ten behoeve van een individuele voorziening. Daarbij moet de jeugdige of zijn ouder zelf in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken uit te voeren.

Zorgverleners uit het buitenland

Nee, tenzij

aan de voorwaarden wordt voldaan die de overheid stelt aan deze werknemers.

Meer informatie over buitenlanders die in Nederland zorg verlenen vindt u op :

http://www.rijksoverheid.nl/onderw erpen/nieuw - in nederland/vergunningen buitenlandse - werknemershttp://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/nieuw-in-nederland/vergunningen-buitenlandse-werknemers

Zwembad entree

Nee

Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding. Zie ook de invulling van ‘gebruikelijke zorg’ op de website van de Serviceorganisatie

Zwemles

Nee

Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in de bekostiging van vrijetijdsbesteding. Zie ook de invulling van ‘gebruikelijke zorg’ op de website van de Serviceorganisatie

Hoofdstuk 8: Dienstomschrijvingen Jeugdbescherming en jeugdreclassering

Jeugdbescherming

Wettelijk kader

De wet kent de volgende kinderbeschermingsmaatregelen:

  • Voogdij en voorlopige voogdij (Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) ;

  • Ondertoezichtstelling (OTS) (artikel 1:255 BW);

  • Voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) (artikel 1:257 BW).

Deze maatregelen worden doorgaans door de rechtbank opgelegd, meestal op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank benoemt een gecertificeerde instelling (zoals bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet) om de uitvoering van deze maatregelen op zich te nemen.

OTS en VOTS

Een gecertificeerde instelling wordt benoemd bij een OTS en VOTS wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan (1:255 BW):

  • De ontwikkeling van een minderjarige wordt ernstig bedreigd;

  • De ouders die het gezag uitoefenen en/of de minderjarige accepteren de noodzakelijke hulpverlening niet of onvoldoende;

  • Er is een gerechtvaardigde verwachting dat de ouders in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding binnen een voor het kind aanvaardbare termijn te kunnen dragen.

Bij een VOTS is sprake van een acute situatie waarin een normaal onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en een reguliere procedure bij de rechtbank niet kan worden afgewacht. De rechtbank kan dan een VOTS uitspreken voor maximaal drie maanden. Daarna wordt de maatregel beëindigd of omgezet in een OTS.

Voogdij en voorlopige voogdij

Bij voogdij en voorlopige voogdij wordt de gecertificeerde instelling met het gezag over een minderjarige belast. Een gecertificeerde instelling kan in verschillende situaties met de (voorlopige) voogdij worden belast:

  • Er is geen ouder of ander persoon (meer) die het gezag kan uitoefenen, bijvoorbeeld door overlijden of juridische onbevoegdheid van de ouder(s) (artikel 1:295 en 1:253r BW);

  • Het gezag van de ouder(s) is door de rechter beëindigd (artikel 1:266 BW);

  • Er is sprake van een acute, bedreigende situatie voor de jeugdige, waarin iemand anders dan de ouder direct beslissingen moet nemen (voorlopige voogdij, artikel 1:241 BW).

Uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen

Wanneer een gecertificeerde instelling wordt belast met de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, wijst zij een jeugdbeschermer aan (voogdijwerker of gezinsvoogdijwerker) . Vervolgens stelt de jeugdbeschermer – indien van toepassing – samen met het gezin een plan van aanpak op. De uitvoering gebeurt geprotocolleerd en methodisch, conform de Regeling Normenkader Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

In geval van een OTS houdt de jeugdbeschermer toezicht op de veilige ontwikkeling van de minderjarige en verleent de jeugdbeschermer begeleiding en steun aan de ouders en de minderjarige. Samen met ouders en minderjarige stelt de jeugdbeschermer een plan op dat gericht is op het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging en/of onveiligheid. De gecertificeerde instelling kan hulpverlening inzetten indien dit nodig is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Tevens kan de gecertificeerde instelling de rechter verzoeken een machtiging uithuisplaatsing af te geven als de jeugdige (tijdelijk) niet door de ouders kan worden verzorgd/opgevoed. De gecertificeerde instelling heeft naast de machtiging uithuisplaatsing andere wettelijke middelen waarvan gebruik kan worden gemaakt, zoals het opvragen van informatie bij andere betrokken professionals en het geven van een schriftelijke aanwijzing.

In geval van voogdij uitgevoerd door de gecertificeerde instelling draagt de jeugdbeschermer er zorg voor dat de verzorging en opvoeding door een ander wordt opgepakt ((netwerk)pleeggezin, leefgroep of anders) en onderhoudt de jeugdbeschermer contact met het netwerk. Waar nodig zet de jeugdbeschermer hulpverlening in. De jeugdbeschermer onderzoekt of de oorspronkelijke gezags-situatie met de biologische ouders (deels) hersteld kan worden, dan wel dat het gezag (weer) bij een natuurlijk persoon belegd kan worden.

Uitvoerders

De werkzaamheden worden uitgevoerd door SKJ-geregistreerde of BIG-geregistreerde professionals.

Ondertoezichtstelling (OTS)

Productcode

48B10

Normenkader

Eenheid

Maand

Duur (maximaal)

Een OTS wordt voor maximaal één jaar uitgesproken en kan op verzoek van de gecertificeerde instelling door de rechtbank worden verlengd met maximaal één jaar.

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Uitvoering van het eerste jaar van de OTS, waarvoor de rechtbank de gecertificeerde instelling heeft benoemd.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin

Jeugdigen van 0 tot 18 jaar, waarbij sprake is van een ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en/of waarbij ouders niet meewerken aan vrijwillige hulp of vrijwillige hulp niet tot voldoende resultaat heeft geleid.

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor jeugdige en gezin

Het doel is het creëren van (voldoende) ontwikkelingsmogelijkheden en een duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor de jeugdige, maar ook ouders versterken in het hernemen van

(opvoeding)verantwoordelijkheid (en daarbij behorend gedrag). De gecertificeerde instelling richt zich bij de uitvoering van de OTS op de concrete ontwikkelingsbedreigingen zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank.

Vanaf het tweede jaar van de OTS ligt het accent daarnaast op het in kaart brengen van het perspectief van de minderjarige. Er zijn twee varianten; 1. De OTS dient verlengd te worden. Eris geen noodzaak tot advies vragen van de Raad voor de Kinderbescherming. 2. De OTS mét machtiging uithuisplaatsing dient verlengd te worden. Er moet eerst advies van de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd worden. .

Wanneer duidelijk is dat ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding niet meer op zich kunnen nemen, kan de gecertificeerde instelling aan de Raad voor de Kinderbescherming vragen onderzoek te doen naar een gezag beëindigende maatregel.

Product specifieke eisen

  • De jeugdbeschermer houdt toezicht op de jeugdige en zorgt dat aan de jeugdige en ouder(s) hulp en steun wordt geboden. De inspanningen zijn erop gericht om waar mogelijk de ouders zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te laten dragen.

  • De jeugdbeschermer stimuleert de ontwikkeling naar zelfstandigheid van de jeugdige.

  • De jeugdbeschermer bevordert de gezinsband tussen de ouders en de jeugdige.

  • De jeugdbeschermer voert de regie over de ingezette hulpverlening. Hierbij wordt zowel gekeken naar de mogelijkheden van het netwerk en de inzet van voorliggende voorzieningen en de inzet van gecontracteerde aanbieders.

  • De jeugdbeschermer zorgt voor een tijdige en zorgvuldige overdracht (conform het 16+ plan) vanuit GI naar het lokale team bij afloop van de maatregel en indien de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Voogdij

Elke minderjarige staat onder gezag. Dit gezag kan worden uitgeoefend door de ouder(s) (ouderlijk gezag) of door een ander dan de ouder (voogdij). Bij voogdij ligt het gezag bij een natuurlijke persoon (zoals pleegouders) of een gecertificeerde instelling.

Voorlopige voogdij door een gecertificeerde instelling

Een gecertificeerde instelling kan met het gezag over een jeugdige (tot 18 jaar) worden belast in de volgende situaties:

  • Er is geen ouder of ander persoon (meer) die het gezag kan uitoefenen, bijvoorbeeld dooroverlijden of juridische onbevoegdheid van de ouder(s) ( artikel 1:295 en 1:253r BW);

  • Het gezag van de ouder(s) is door de rechter beëindigd (artikel 1:266 BW);

  • Er is sprake van een acute, bedreigende situatie voor de jeugdige, waarin iemand anders dan de ouder direct beslissingen moet nemen (voorlopige voogdij, artikel 1:241 BW).

Taken van de jeugdbeschermer bij voogdij

Wanneer een gecertificeerde instelling met voogdij is belast, voert de jeugdbeschermer de volgende taken uit:

  • Zorgdragen voor passende de verzorging en opvoeding van de jeugdige, bijvoorbeeld via een (netwerk)pleeggezin, leefgroep of andere vorm van opvang.

  • Onderhouden van contact met het netwerk van de jeugdige.

  • Inzetten van hulpverlening waar nodig.

  • Onderzoeken of het oorspronkelijke gezag (gedeeltelijk) kan worden hersteld met de biologische ouders of dat het gezag (weer) bij een natuurlijk persoon kan worden belegd.

Voogdij

Productcode

48B11

Normenkader

Tarief & eenheid

Maand

Duur (maximaal)

Een voorlopige voogdij eindigt 3 maanden na de datum van de beschikking, tenzij voor die datum om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht.

De voogdij kan maximaal duren tot de jeugdige 18 jaar is en wordt eerder afgesloten als bijvoorbeeld de rechter een ander als voogd benoemt of het gezag van de ouders herstelt.

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Een voogdijmaatregel is gericht op het voorzien in het gezag van een minderjarige als de ouders hiertoe zelf niet in staat zijn of zijn overleden.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin

Jeugdigen van 0 tot 18 jaar waarvan de ouders zelf niet in staat zijn in het gezag te voorzien of zijn overleden.

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor jeugdige en gezin

De ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige is afgewend en de fysieke en/of psychische veiligheid is geborgd. De jeugdige heeft een stabiele opvoedingssituatie. Er is contact tussen de jeugdige en zijn oorspronkelijke milieu, tenzij dat niet in zijn belang is. De jeugdige wordt vertegenwoordigd in zaken waarin een wettelijke vertegenwoordiger nodig is en zijn vermogen wordt op een verantwoorde wijze beheerd.

Product specifieke eisen

  • De jeugdbeschermer ziet toe op de kwaliteit van de opvoeding en verzorging en zet –indien nodig– hulpverlening in. De jeugdbeschermer voert de regie over de ingezette hulpverlening. Hierbij wordt zowel gekeken naar de mogelijkheden van het netwerk en de inzet van voorliggende voorzieningen en de inzet van gecontracteerde aanbieders.

  • De jeugdbeschermer maakt afspraken met de ouders zonder gezag over de frequentie en wijze van informeren over de jeugdige.

  • Wanneer mogelijk zet de jeugdbeschermer zich ervoor in om toe te werken naar een situatie waarbij de voogdij voor de jeugdige (weer) bij een natuurlijk persoon belegd is. Het verdient de voorkeur dat dit binnen het eigen sociale netwerk van de jeugdige gebeurt.

  • Er wordt wanneer mogelijk ingezet op contact van de jeugdige met zijn oorspronkelijke milieu.

  • De rechter kan een voorlopige voogdij uitspreken. Deze eindigt 3 maanden na de datum van de beschikking, tenzij voor die datum om een voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht.

  • Tijdige en zorgvuldige overdracht (conform 16+ plan) vanuit GI naar lokaal team bij afloop maatregel en indien de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Landelijk expertiseteam jeugdbescherming (LET)

Productcode

Diverse

LET OTS

LET voogdij

48B12

48B13

Duur (maximaal)

Overeenkomstig de maximale duur van een (V)OTS en (voorlopige) voogdij

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Veilige uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel wanneer er sprake is van ernstig grensoverschrijdend gedrag door (één van) de ouders, waarbij er risico bestaat voor de veiligheid van de jeugdige(n) en/of de jeugdbeschermer. In deze gezinnen is sprake van extreem agressief gedrag, heftige psychiatrische problematiek en/of criminele activiteiten.

De kinderbeschermingsmaatregel wordt in deze bijzondere situaties uitgevoerd door een jeugdbeschermer van het landelijk expertiseteam (LET). Dit is een samenwerkingsverband van alle GI’s.

In twee gevallen kan het LET worden ingeschakeld:

  • Het is duidelijk dat de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel door de GI niet langer verantwoord is;

  • Het is te verwachten dat de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel leidt tot een situatie waarbij sprake is van fysiek geweld of ernstige dreiging daarvan naar de jeugdbeschermer.

Naast de overname kan het LET ook gevraagd worden om consultatie, advies en voorlichting.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin

Overeenkomstig de doelgroep van een (V)OTSen (voorlopige) voogdij

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor jeugdige en gezin

Het doel is de inzet van het LET is om de dreigende situatie te beheersen, waar mogelijk te de-escaleren en te stoppen, zodat de hulpverlening aan de jeugdige kan worden gestart. Indien de situatie normaliseert, kan de maatregel hierna weer worden uitgevoerd door de door de rechter benoemde gecertificeerde instelling.

Product specifieke eisen

  • De door de rechter benoemde gecertificeerde instelling blijft eindverantwoordelijk. Het LET maakt gebruik van de ondersteunende diensten van de benoemde gecertificeerde instelling.

  • De LET-medewerkers werken onder een alias. Zij zijn alleen te bereiken via een mobiel telefoonnummer, een mailadres en een postbusnummer.

  • De LET-medewerkers voeren de maatregel uit in koppels en hebben een lagere caseload.

  • Het LET werkt voor alle gecertificeerde instellingen.

  • Het LET is 24/7 bereikbaar.

  • Zie voor meer informatie ook:

    https://vng.nl/nieuws/factsheet-landelijk-expertise-team-jeugdbescherming-update

Jeugdreclassering

De jeugdreclassering biedt toezicht en begeleiding aan jeugdigen van 12 jaar of ouder die een strafbaar feit hebben gepleegd. Voorbeelden van strafbare feiten zijn vernieling, mishandeling of herhaald schoolverzuim..

Jeugdreclassering kan in elke fase van het strafproces worden ingezet. Dit gebeurt soms als enige strafrechtelijke maatregel en soms als onderdeel van een breder pakket aan maatregelen.

Jeugdreclassering wordt vrijwel altijd ingezet op verzoek van en/of na onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in samenspraak met de Officier van Justitie (Openbaar Ministerie). De jeugdreclasseringswerker rapporteert altijd terug naar de Raad voor de Kinderbescherming en eventueel naar het Openbaar Ministerie en indien van toepassing de rechtbank.

In de praktijk bestaat jeugdreclassering uit een combinatie van intensieve hulp aan en toezicht op een jeugdige.. Er zijn verschillende maatregelen van jeugdreclassering. Het wordt uitsluitend uitgevoerd door SKJ-geregistreerde jeugd- en gezinsprofessionals die werkzaam zijn bij een gecertificeerde instelling.

De meest voorkomende maatregel is Toezicht en Begeleiding (T&B). Deze wordt opgelegd door de kinderrechter of de Officier van Justitie en is gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. De jeugdige is verplicht de begeleiding te accepteren; weigering kan juridische gevolgen hebben

Voorafgaand aan de zitting kan de Raad voor de Kinderbescherming ook vrijwillige Toezicht en Begeleiding aanbieden. Deze vorm van begeleiding kan na uitspraak van de rechter worden omgezet in een niet vrijwillige maatregel Toezicht en Begeleiding.

  • 1.

    Binnen het jeugdstrafrecht zijn verschillende vormen van begeleiding die onder Toezicht en Begeleiding vallen, afhankelijk van de ernst en complexiteit van de problematiek.

  • 1.

    Intensieve Trajectbegeleiding (ITB) is een intensieve vorm van T&B, bedoeld voor jeugdigen met complexe problematiek. De begeleiding is intensiever en meer op maat, met een sterkere focus op gedragsverandering.

  • 2.

    Elektronische Controle (EC) wordt ingezet om te controleren of een jeugdige zich houdt aan een gebiedsgebod of gebiedsverbod.

  • 3.

    Gedrag beïnvloedende maatregel (GBM) kan door de rechter opgelegd worden aan jonge delict plegers met ernstige gedragsproblemen. Deze maatregel wordt toegepast wanneer een Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel) te zwaar is, maar een voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden te licht. Het accent ligt niet op straf, maar op gedragsverandering.

De jeugdreclasseerder bepaalt wie de aanvullende jeugdhulp uitvoert die onder bijzondere voorwaarden is opgelegd. Daarnaast kan hij zelf jeugdhulp inzetten die binnen Toezicht en Begeleiding noodzakelijk wordt geacht. Hiervoor vindt afstemming plaats met gemeente. Volgens artikel 3.5 van de Jeugdwet is het oordeel van de jeugdreclassering hierin leidend.

Doel

Het doel van jeugdreclassering is om in samenwerking met ouder(s) of netwerk, met intensieve hulp aan en toezicht op een jeugdige het gedrag van de jeugdige in positieve zin te veranderen en recidive te voorkomen.

Doelgroep

Jeugdreclassering kan worden ingezet bij jeugdigen van 12 tot 18 jaar die een strafbaar feit hebben gepleegd of daarvan worden verdacht. De begeleiding kan doorlopen tot na de 18e verjaardag. Als het delict gepleegd wordt na de 18e verjaardag, dan is in principe het volwassenenstrafrecht van toepassing. Het jeugdstrafrecht kán echter tot 23 jaar toegepast worden als het ontwikkelingsniveau van de dader daartoe aanleiding geeft. Dat gebeurt op grond van het adolescentenstrafrecht (ASR). De gedachte daarachter is dat zolang de hersenen van een jeugdige verdachte nog in ontwikkeling zijn, het gedrag maximaal bijgestuurd kan worden. In het jeugdstrafrecht ligt daarop het accent, terwijl in het gewone strafrecht vergelding voorop staat.

Jeugdreclassering regulier

Productcode

Productcode jeugdreclassering inclusief toeslag elektronisch toezicht

47B10

49S03 (Zie aanvullend dienstomschrijving elektronisch toezicht)

Duur (maximaal)

De maatregel Toezicht en Begeleiding door jeugdreclassering duurt minimaal 6 maanden en maximaal 2 jaar (verlenging met 1 jaar is mogelijk). De vrijwillige Toezicht en Begeleiding duurt 6 maanden en kan eenmaal worden verlengd met 6 maanden.

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Het doel van de jeugdreclasseringsmaatregel is om in samenwerking met ouder(s) of netwerk, met intensieve hulp aan en toezicht op een jeugdige het gedrag van de jeugdige in positieve zin te veranderen en recidive te voorkomen.

.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 12-23 jaar en ouder(s)/gezin

Maatregel van jeugdreclassering met als doel te voorkomen dat de jeugdige recidiveert en hem/haar te begeleiden in een positieve ontwikkelingsrichting. Dit gebeurt onder meer door middel van het inzetten van zinvolle dagbesteding (school of werk) en vrijetijdsbesteding. Ook kan via deze maatregel begeleiding geboden worden op het gebied van wonen, budgetteren, sociale vaardigheden en hulp bij verslavingsproblematiek en psychiatrische problematiek.

De maatregel Toezicht en Begeleiding kan ingezet worden in de volgende situaties:

  • In afwachting van een rechtszitting (vrijwillig);

  • Tijdens of na een plaatsing in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI);

  • Bij een schorsing van een ‘in verzekeringstelling’;

  • Tijdens en na een taakstraf;

  • Na het maken van een proces-verbaal door de leerplichtambtenaar;

  • Als voorwaarde van de officier van justitie voor niet verdere vervolging (voorwaardelijk sepot);

  • Als voorwaarde voor de schorsing van de voorlopige hechtenis;

  • Als voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke taakstraf, jeugddetentie of Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ);

  • Als schorsende voorwaarde bij het aanhouden van een strafzitting (bijvoorbeeld in afwachting van een persoonlijkheidsonderzoek van een jeugdige).

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige

De jeugdige houdt zich aan de opgelegde afspraken. Noodzakelijke hulpverlening wordt ingezet zodat recidive wordt voorkomen.

In een plan worden de doelen van de maatregel door de jeugdige, de ouders en de jeugdreclassering gezamenlijk opgesteld om de positieve ontwikkeling van de jeugdige optimaal te stimuleren en de kans op recidive te verkleinen.

Product specifieke eisen

De begeleiding en ondersteuning is zowel op de jeugdige als op het gezin gericht. Samen met de jeugdige en diens ouders of opvoeders of netwerk wordt een plan gemaakt gericht op voorkomen van recidive en realiseren van een positieve gedragsverandering bij de jeugdige.

Regie voeren en toezicht houden op de aanpak, de jeugdige, het gezin en/of de betrokken professionals en instanties.

De begeleiding wordt veelal gecombineerd met aanvullende vormen van jeugdhulp, zoals agressieregulatietraining, sociale vaardigheidstraining en/of leer- en werktrajecten.

Er wordt intensief samengewerkt met het gezin, de politie en justitie, school, de vriendenkring en met de werkplek van de jeugdige.

Als de maatregel niet met succes wordt voltooid of als de jeugdige zich onttrekt aan de maatregel heeft dit strafrechtelijke gevolgen.

Elektronische controle (EC)

Elektronische controle is de verzamelnaam voor elektronische instrumenten die met behulp van technologie op afstand, altijd in combinatie met begeleiding door de (jeugd)reclassering, de vrijheidsbeperkende bijzondere voorwaarden ondersteunen en controleren. Elektronische controle is binnen het jeugdstrafrecht een hulpmiddel om te controleren of de jeugdige een locatiegebod of een locatieverbod, dat binnen de bijzondere voorwaarden van een schorsing of een voorwaardelijke straf valt, naleeft.

De meest gebruikte variant van elektronische controle, en dat geldt zeker voor het jeugdstrafrecht, is het locatiegebod waarbij de verdachte/dader gedurende een vast te stellen periode, doorgaans de avond en nacht, per etmaal thuis is. Daarnaast bestaat het locatieverbod, waarbij de verdachte/dader gedurende een bepaalde periode niet op bepaalde plekken, de risicozones, mag komen. Voorbeelden van een locatieverbod zijn een straatverbod en een stadionverbod.

Elektronische controle (EC)

Duur (maximaal)

Elektronische controle gaat altijd gepaard met een jeugdreclasseringsmaatregel en wordt doorgaans kortdurend ingezet. Elektronische controle kan niet langer worden ingezet dan de duur van de jeugdreclasseringsmaatregel.

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Het doel van elektronische controle is toezien op het naleven door de jeugdige van een locatiegebod of locatieverbod, dat binnen de bijzondere voorwaarden van een schorsing of een voorwaardelijke straf valt.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 12-23 jaar

Conform het beleidskader elektronische controle kan worden geconcludeerd dat er drie doelgroepen in aanmerking komen voor elektronische controle. Het betreft doelgroepen waarbij op basis van het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrecht (LIJ) sprake is van een verhoogd risicoprofiel: hoog algemeen recidive risico

(ARR) plus hoog/midden risico op geweld tegen personen (RGP). Tevens moet er in het dynamisch risicoprofiel (DRP) sprake zijn van een hoge score op meerdere domeinen

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige

Elektronische controle wordt ingezet om te controleren of de jeugdige zich houdt aan een locatieverbod of locatiegebod.

ITB CRIEM

(Individuele trajectbegeleiding Criminaliteit in Relatie tot de Integratie van Etnische Minderheden)

Productcode

47B13

Eenheid

Maand

Duur (maximaal)

ITB-CRIEM duurt 3 maanden en kan eventueel eenmaal verlengd worden met drie maanden.

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Het doel van de trajectbegeleiding is de jeugdige te begeleiden in een positieve ontwikkelingsrichting zodat wordt voorkomen dat de jeugdige recidiveert en verder afglijdt naar criminaliteit.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 12-23 jaar en ouder(s)/gezin

ITB CRIEM is een vorm van toezicht en begeleiding. Dit kan worden opgelegd bij jeugdigen van niet-westerse afkomst die voor de eerste keer, of voor verschillende lichte vergrijpen met justitie in aanraking komen. De maatregel kan worden ingezet in de volgende situaties:

  • In afwachting van een rechtszitting;

  • Tijdens of na een plaatsing in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI);

  • Bij een schorsing van een ‘in verzekeringstelling’;

  • Tijdens en na een taakstraf;

  • Na het maken van een proces-verbaal door de leerplichtambtenaar;

  • Als voorwaarde van de officier van justitie voor niet verdere vervolging (voorwaardelijk sepot);

  • Als voorwaarde voor de schorsing van de voorlopige hechtenis;

  • Als voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke taakstraf, jeugddetentie of Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ);

  • Als schorsende voorwaarde bij het aanhouden van een strafzitting (bijvoorbeeld in afwachting van een persoonlijkheidsonderzoek van een jeugdige).

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige

Het bevorderen van integratie en het tegengaan of opheffen van maatschappelijke marginalisatie door tijdens de ITB-Criem begeleiding aandacht te hebben voor het risico van het leven tussen twee culturen en de problemen die dat met zich mee kan brengen.

Product specifieke eisen

  • De trajectbegeleiding is zowel op de jeugdigen als op het gezin gericht.

  • Er wordt ingezet op onder meer het versterken van het sociale netwerk van de jeugdige.

  • Tijdens het begeleidingstraject heeft de jeugdreclasseerder verschillende keren per week contact met de jeugdige.

ITB Harde Kern

(Intensieve trajectbegeleiding Harde Kern)

Productcode

47B14

Eenheid

Maand

Duur (maximaal)

ITB-Harde kern duurt maximaal 6 maanden.

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Het doel van de trajectbegeleiding is de jeugdige te begeleiden in een positieve ontwikkelingsrichting zodat recidive en verder afglijden naar criminaliteit voorkomen wordt.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 12-23 jaar en ouder(s)/gezin

ITB Harde Kern is een intensieve vorm van toezicht en begeleiding, die kan worden opgelegd bij jeugdigen die structureel ernstige delicten plegen. Het laatste delict dat is gepleegd kan worden bestraft met een detentie. Ook kan ITB Harde Kern worden opgelegd indien sprake is van een zogenaamde veelpleger die in korte tijd verschillende delicten heeft gepleegd. ITB Harde Kern wordt wel gezien als een vervanging van detentie. In veel gevallen is dit een “laatste kans”.

De maatregel kan worden ingezet in de volgende situaties:

  • Als bijzondere voorwaarde bij schorsing van de voorlopige hechtenis;

  • Als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke jeugddetentie, opgelegd bij vonnis;

  • Bij een voorwaardelijke PIJ, opgelegd bij vonnis;

  • Bij een voorwaardelijke invrijheidsstelling na jeugddetentie;

  • Als programmaonderdeel van de gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM).

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige

De doelen van de maatregel worden door de jeugdige, de ouders en de jeugdreclassering gezamenlijk opgesteld om de positieve ontwikkeling van de jeugdige optimaal te stimuleren en de kans op recidive te verkleinen.

Product specifieke eisen

  • De trajectbegeleiding is zowel op de jeugdige als op het gezin gericht. De jeugdige krijgt een strikt dag rooster;

  • Er is sprake van strenge controle van de jeugdige. In sommige gevallen wordt elektronische controle ingezet of moet een jeugdige zich houden aan een gebiedsverbod;

  • De trajectbegeleiding wordt veelal gecombineerd met aanvullende vormen van jeugdhulp, zoals agressie-regulatietraining, sociale vaardigheidstraining en/of leer- en werktrajecten;

  • De trajectbegeleiding weegt zwaarder op de caseload van de jeugdreclasseerder, waardoor deze meer tijd en aandacht kan besteden aan een intensieve samenwerking met het gezin, de politie en justitie, school, de vriendenkring en met de werkplek van de jeugdige.

  • Tijdens het begeleidingstraject heeft de jeugdreclasseerder meerdere keren per week contact met de jeugdige;

  • Als de maatregel niet met succes wordt voltooid of als de jeugdige zich onttrekt aan de maatregel heeft dit strafrechtelijk gevolgen, bijvoorbeeld opheffing van de schorsing, tenuitvoerlegging van de jeugddetentie of PIJ;

  • De maatregel staat ook bekend als ITB-plus.

GBM-advies

(Gedragsbeïnvloedende maatregel – advies)

Productcode

47B11

Eenheid

Stuks

Duur (maximaal)

De jeugdreclasseerder heeft 6 weken de tijd om een haalbaarheidsonderzoek te doen. Dit product kan eenmalig worden ingezet.

Omschrijving

Type dienst

Veiligheid

Onderzoek naar de haalbaarheid van de gedragsbeïnvloedende maatregel. De jeugdreclasseerder onderzoekt of de jeugdige en de ouders mee willen werken aan het behalen van de doelen. Er is intensief contact met de jeugdige, de ouders, andere leden van het gezin en het omringende netwerk. Ook zorgaanbieders worden benaderd zodat zorg op maat kan worden geboden. De motivatie van de jeugdige en de ouder wordt onderzocht.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 12-23 jaar en ouder(s)/gezin

De gedragsbeïnvloedende maatregel is bedoeld voor jeugdigen die een ernstig misdrijf of veelvuldige delicten hebben gepleegd en die kampen met psychische problematiek. Deze jeugdigen hebben problemen

op veel leefgebieden. De maatregel wordt vaak ingezet als andere strafrechtelijke interventies geen vruchten hebben afgeworpen. Voorafgaand aan de oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel wordt een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd.

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam positieve ontwikkeling van de jeugdige

Een haalbaarheidsrapport waarin zowel de inhoud van de maatregelen als de doelen worden vastgelegd en de formulering van een advies aan de rechtbank.

Product specifieke eisen

  • De Raad voor de Kinderbescherming, officier van justitie of de jeugdreclassering doen voorafgaand aan de oplegging een intensief haalbaarheidsonderzoek;

  • Het haalbaarheidsrapport wordt voorafgaand aan de strafzitting toegestuurd aan de rechtbank;

  • De jeugdreclassering werkt nauw samen met de ketenpartners alsmede met gedragswetenschappers;

  • Dit product kan eenmalig worden ingezet.

Samenloop jeugdbescherming en jeugdreclassering

Productcode

47B15

Eenheid

Maand

Duur (maximaal)

De maximale duur wordt bepaald door de maatregel (OTS of jeugdreclassering) met de kortste duur.

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Samenloop van jeugdbescherming en jeugdreclassering heeft een tweeledig doel: enerzijds het terugdringen van de kans op recidive, door behandeling en de aanpak van de gedragsproblematiek van de jeugdige, anderzijds het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 12-18 jaar en ouder(s)/gezin

Jeugdigen tussen 12 en 18 jaar die veroordeeld zijn of verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit én waarbij sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige en/of de jeugdige en/of ouders niet meewerken aan vrijwillige hulp of vrijwillige hulp niet tot voldoende resultaat heeft geleid.

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam veilige en positieve ontwikkeling van de jeugdige

Samenloop heeft betrekking op het samengaan van een ondertoezichtstelling en een jeugdreclasseringmaatregel voor één jeugdige, welke wordt uitgevoerd door één jeugdbeschermer. De rechtbank heeft de gecertificeerde instelling zowel als uitvoerder van de kinderbeschermingsmaatregel als van de jeugdreclasseringsbegeleiding benoemd.

Het product betreft een toeslag op de kosten voor een OTS.

Product specifieke eisen

  • Voor effectief werken met jeugdigen waarbij sprake is van samenloop is het nodig dat de jeugdbeschermer bekend is met de wettelijke kaders en methodische principes van zowel de jeugdbescherming als de jeugdreclassering. De jeugdbeschermer is in staat in de praktijk gestalte te geven aan een methodische integratie van de methoden jeugdbescherming en jeugdreclassering;

  • De problematiek van de jeugdigen waarbij sprake is van samenloop is vaak complex. Bij de meeste jeugdigen met zowel een civiele als een justitiële maatregel is sprake van een gedragsstoornis. In aanvulling op de problemen van de jeugdige zelf zijn er doorgaans ook in het gezin ernstige opvoedingstekorten en relatieproblemen.

Veilig Opgroeien Is Teamwerk (VOIT)

Veilig opgroeien is teamwerk bestaat uit het samenwerken aan een blijvend veilige ontwikkeling van jeugdigen, door de Stichting Jeugdteams ZHZ, Veilig Thuis ZHZ, Jeugdbescherming West, het Leger des Heils, de William Schrikker Stichting en de Raad voor de Kinderbescherming. Dit maakt het mogelijk dat zorgen over een veilige ontwikkeling van jeugdigen eerder kunnen worden besproken en dat samen met het gezin in een vroegtijdig stadium aan een blijvend veilige ontwikkeling wordt gewerkt.

In Veilig opgroeien is teamwerk stellen GI's onder andere expertise van en ondersteuning door jeugdbeschermers in een eerder stadium beschikbaar aan de professionals van de lokale (jeugd)teams. Namelijk op het moment dat een jeugdprofessional zorgen heeft over de veilige ontwikkeling van de jeugdige en er niet in slaagt om samen met het gezin deze zorgen duurzaam weg te nemen. De jeugdprofessional kan op dat moment rechtstreeks een beroep doen op een jeugdbeschermer voor advisering in anonieme casuïstiek en ondersteuning in concrete casuïstiek. Dit zorgt voor een zuivere rolverdeling waarin de jeugdprofessional naast het gezin kan blijven staan en de jeugdbeschermer met de jeugdprofessional en het gezin meedenkt over wat er nodig is om een ondertoezichtstelling te voorkomen. .

De samenwerking van de gecertificeerde instellingen met lokale (jeugd)teams in het kader van Veilig opgroeien is teamwerk is uitgewerkt in de documenten 'Werkproces 1e fase uitrol nieuwe werkwijze' en 'Gereedschapskist voor vrijwillige ondersteuning bij zorgen over veiligheid in een gezin'.

Veilig opgroeien is teamwerk (VOiT)

Normenkader

Tarief & eenheid

Taakgerichte financiering (vooraf bepaald aantal uren * uurtarief)

Gemiddelde trajectprijs

N.v.t. De totale taakgerichte financiering is gemaximeerd op basis van het afgesproken maximaal aantal in te zetten uren.

Duur (maximaal)

De maximale duur is afhankelijk van de vraag van de jeugdprofessional om advies en/of ondersteuning.

Intensiteit (maximale inzet)

De intensiteit is afhankelijk van de vraag van de jeugdprofessional om advies en/of ondersteuning;

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Vroegtijdige inzet van expertise van jeugdbeschermers in het lokale veld (vrijwillig kader) als er zorgen zijn

over de veilige ontwikkeling van de jeugdige. Jeugdbeschermers bieden op verzoek van de jeugdprofessionals advies en/of ondersteuning aan jeugdprofessionals van de lokale (jeugd)teams..

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdigen van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam veilige ontwikkeling van de jeugdige

Het doel is het creëren van (voldoende) ontwikkelingsmogelijkheden en een duurzaam veilige opgroei- en opvoedsituatie voor de jeugdige, maar ook het versterken van ouders vin het hernemen van (opvoeding)verantwoordelijkheid (en daarbij behorend gedrag).

Product specifieke eisen

  • De gecertificeerde instelling stelt jeugdbeschermers beschikbaar als vaste contactpersonen voor lokale (jeugd)teams met als taken:

  • Deelname aan bijeenkomsten van de lokale teams voor kennismaken, gezamenlijk leren en evalueren.

  • Bieden van advies in anonieme casuïstiek aan professionals van de lokale teams, zoals uitgewerkt in de documenten 'Werkproces 1e fase uitrol nieuwe werkwijze' en 'Gereedschapskist voor vrijwillige ondersteuning bij zorgen over veiligheid in een gezin'.

  • Bieden van ondersteuning in concrete casuïstiek aan professionals van de lokale teams en jeugdigen/gezinnen (met toestemming van het gezin) zoals uitgewerkt in de genoemde documenten.

  • De vaste contactpersonen zijn gemiddeld een vooraf te bepalen aantal uur per week beschikbaar voor de professionals van de Stichting Jeugdteams die werkzaam zijn in de 18 lokale teams in Zuid-Holland Zuid. De vaste contactpersonen zetten deze uren flexibel in, zowel qua tijd als plaats en verdelen deze over de lokale teams, in overleg met de lokale teams.

Instemmingsverklaring gesloten jeugdhulp

Kernwaarde 1 is: Jeugdhulp wordt geboden in de leefomgeving; jeugdigen groeien thuis op.

Echter, sommige jeugdigen hebben zulke ernstige opgroei- of opvoedproblemen dat ze een gevaar vormen voor zichzelf of voor anderen. Deze jeugdigen kunnen in een afgesloten omgeving de juiste hulp krijgen. Zo wordt voorkomen dat de jeugdigen zich aan de behandeling kunnen onttrekken, of dat anderen de zorg in de weg staan. Een gesloten plaatsing omvat een gedwongen opname, gesloten verblijf en gedwongen behandeling in een Jeugdhulp Plus instelling; een zeer ingrijpende maatregel voor de jeugdige. Hiervoor dienen voldoende plaatsen beschikbaar te zijn in bij voorkeur kleine groepen, met op maat behandeling, waar adequate zorg en begeleiding geboden wordt. Er moet voorkomen worden dat jeugdigen overgeplaatst worden. Op grond van nationale en internationale regelgeving dient de mogelijkheid tot het ontnemen of beperken van iemands vrijheid te zijn vastgelegd bij of krachtens een wet. In hoofdstuk 6 van de Jeugdwet is bepaald aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om een jeugdige gesloten te plaatsen. Of aan deze voorwaarden is voldaan wordt getoetst door de kinderrechter.

Er kan ook voor gekozen worden om vanuit het vrijwillig kader een gesloten jeugdhulp plaatsing aan te vragen. Hiervoor kan dit product ook ingezet worden.

Eén van de voorwaarden is dat er een zogenaamde instemmingsverklaring door een gekwalificeerde gedragswetenschapper is afgegeven. In artikel 2 van de Regeling Jeugdwet is bepaald wie een gekwalificeerde gedragswetenschapper kan zijn.

De gekwalificeerde gedragswetenschapper beoordeelt op basis van onderzoek, bestaande uit dossieronderzoek en een recent gesprek (onderzoek) met de jeugdige, of een gesloten plaatsing noodzakelijk is en of hij kan instemmen met het verzoek voor een gesloten plaatsing. De gecertificeerde instelling dient het verzoek voor een gesloten plaatsing samen met de instemmingsverklaring in bij de rechtbank.

Instemmingsverklaring gesloten jeugdhulp

Productcode

47IZG

Eenheid

Stuks

Duur (maximaal)

De instemmingsverklaring is maximaal vier weken geldig.

Omschrijving

Type product

Veiligheid

Een instemmingsverklaring van een gekwalificeerde en onafhankelijke gedragswetenschapper is één van de

wettelijke vereisten voor een gesloten plaatsing in een Jeugdhulp Plus instelling. Met de instemmingsverklaring vindt een extra toets naar de noodzakelijkheid van de gesloten plaatsing plaats.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin

Jeugdigen tussen 0-18 jaar waarvoor een verzoek tot Machtiging Uithuisplaatsing (MUHP) Jeugdhulp Plus wordt ingediend.

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam veilige en positieve ontwikkeling van de jeugdige

Kernwaarde 1 is Jeugdhulp wordt geboden in de leefomgeving; jeugdigen groeien thuis op.

Een voor de jeugdige die gesloten geplaatst wordt met rechtswaarborgen omklede procedure. De gekwalificeerde en onafhankelijke gedragswetenschapper beoordeelt of de gesloten plaatsing noodzakelijk is en geeft, indien hij/zij oordeelt dat de noodzaak aanwezig is, een instemmingsverklaring af. Indien de gekwalificeerde en onafhankelijke gedragswetenschapper oordeelt dat er geen noodzaak voor de gesloten plaatsing is, geeft deze zijn instemming niet. Het oordeel van de gekwalificeerde en onafhankelijke gedragswetenschapper wordt gemotiveerd vastgelegd in de instemmingsverklaring.

Product specifieke eisen

  • De instemmingsverklaring wordt opgesteld door een op grond van artikel 2 Regeling Jeugdwet gekwalificeerde en onafhankelijke gedragsdeskundige/ gedragswetenschapper/psychiater;

  • Het onderzoek van de gedragswetenschapper bestaat uit het doen van dossieronderzoek, een gesprek voeren met de jeugdige, de ouders en/of betrokken school en hulpverlening en het opstellen van een instemmingsverklaring;

  • Het product wordt alleen ingezet als de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoekt om een machtiging gesloten plaatsing Jeugdhulp Plus van een jeugdige of verlenging van een al eerder afgegeven machtiging gesloten plaatsing Jeugdhulp Plus of als de jeugdige voortvluchtig was gedurende de eerdere instemmingsverklaring-procedure (en dus niet gesproken kon worden door de gedragswetenschapper);

  • De gedragswetenschapper handelt zelf de kosten af met de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling declareert de inzet eenmalig via dit product;

  • De gecertificeerde instelling kan zowel tijdens de uitvoering van een ondertoezichtstelling als een voogdijmaatregel een verzoek gesloten plaatsing Jeugdhulp Plus indienen.

  • Voor het opstellen van een instemmingsverklaring gelden eisen van NIP en NVO.

Toeleiding gesloten jeugdzorg

Productcode

47S06

Eenheid

Stuks

Omschrijving

Type product

Veiligheid

De gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor het indienen van een verzoek voor een machtiging gesloten plaatsing bij de rechter, het voorbereiden van de zitting, het raadplegen van een gekwalificeerde en

onafhankelijke gedragswetenschapper voor een instemmingsverklaring tot opname in een gesloten instelling en het zoeken en vinden van een plaats voor de jeugdige in een Jeugdhulp Plus instelling. Een verzoek tot een machtiging gesloten plaatsing kan bij de rechter worden ingediend door een gemeente, de Raad van de Kinderbescherming, een Gecertificeerde Instelling of de Officier van Justitie.

Doelgroep

Voor wie?

Jeugdige van 0-18 jaar en ouder(s)/gezin

  • Jeugdigen tussen 0-18 jaar waarvoor een verzoek tot Machtiging Uithuisplaatsing (MUHP) Jeugdhulp Plus wordt ingediend.

Resultaten

Type resultaat

Duurzaam veilige en positieve ontwikkeling van de jeugdige

  • Onderzoek doen of jeugdige gebaat is bij plaatsing in gesloten Jeugdzorgplus voorziening;

  • Een afgewogen besluit om een jeugdige gesloten te plaatsen met een hulpverleningsplan waarin heldere doelstellingen zijn beschreven waar tijdens de gesloten plaatsing aan gewerkt wordt.

Product specifieke eisen

  • 1.

    De ondersteuning wordt geboden door een SKJ of BIG geregistreerde jeugdbeschermer met tenminste een afgeronde HBO opleiding. De gemeenten streven ernaar zoveel mogelijk jeugdigen door middel van ambulante (in plaats van residentiele) dienstverlening te helpen. Zie kernwaarde 1: Jeugdhulp wordt geboden in de leefomgeving; jeugdigen groeien thuis op.

  • Er zijn in Nederland een aantal ambulante diensten die in bepaalde situaties een volwaardig alternatief kunnen zijn voor gesloten plaatsing . Deze alternatieven worden de komende jaren doorontwikkeld.

Bijlage 2: Opgroeien en opvoeden. Normale uitdagingen voor kinderen jongeren en ouders, van het Nederlands Jeugdinstituut, onderdeel 6 Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedvragen en ‘normale’ uitdagingen, uitgave 4 december 2020

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 3: Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Gorinchem 2026

TOELICHTING BIJ DE VERORDENING JEUGDHULP GORINCHEM 2026

ALGEMEEN

De gemeente is verantwoordelijk voor de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Dit staat in de Jeugdwet. Deze wet verplicht iedere gemeente om regels (een verordening) op te stellen. In die verordening staat welke hulp de gemeente biedt aan kinderen en hun ouders, en hoe zij toegang krijgen tot deze hulp. Dit document is een toelichting bij de Verordening Jeugdhulp Gorinchem 2026.

Opbouw van de verordening

Deze verordening begint in hoofdstuk 1 met een begrippenlijst. In hoofdstuk 2 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden. Hoofdstuk 3 behandelt de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp. Hoofdstuk 4 gaat over de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid. Hoofdstuk 5 bevat aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). De hoofdstukken 6 tot en met 10 bevatten overige (algemene) regels, onder meer over rechten, (medewerkings)plichten, de herziening van besluiten en de relatie tot andere voorzieningen.

In de Verordening en in deze toelichting wordt meestal “het college” genoemd als instantie die acties uitvoert of handelingen verricht. Het college is de juridisch bevoegde instantie. In de praktijk kunnen dit ook organisaties zijn die namens het college optreden, zoals het sociaal team en de Serviceorganisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid (Vanaf 1 januari 2026 gaat de Service Organisatie Jeugd Zuid-Holland Zuid samen met MEE-Vivenz verder onder de naam Mooi Sociaal).

Wat moet de Verordening regelen?

Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jongeren met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de jeugdwet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag.

Deze verordening geeft uitvoering aan de jeugdwet die de gemeenteraad opdraagt om bij verordening regels vast te stellen over:

  • Welke soorten hulp (individuele en overige voorzieningen) het college beschikbaar stelt.

  • Hoe de Jeugdwet zich verhoudt tot andere wetten.

  • Hoe aanvragen voor hulp beoordeeld worden en wat de afwegingsfactoren voor toekenning zijn voor een individuele voorziening.

  • Hoe hulp afgesteld wordt met andere vormen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.

  • Hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt bepaald.

  • Hoe wordt voorkomen dat er ten onrechte een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget wordt ontvangen en hoe misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet wordt voorkomen.

  • Hoe inwoners, vooral jongeren en ouders, worden betrokken bij de uitvoering van de jeugdwet.

  • Hoe de prijs van jeugdhulp in verhouding staat tot de kwaliteit.

  • Wanneer iemand hulp mag krijgen van iemand uit zijn of haar eigen netwerk.

  • De continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering.

Achtergronden

De jeugdwet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Er werd een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), zoals ook is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015).

Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft het tijdig bieden van passende hulp aan jeugdigen en ouders en versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin.

Deze verordening kan niet los gezien worden van de Integrale SamenlevingsVisie (ISV) van de gemeente Gorinchem. Het bieden van passende ondersteuning en zorg maakt onderdeel uit van deze visie.

Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk

In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2, eerste respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een vrij toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de organisatie die de ondersteuning biedt wenden.

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Een hulpvraag van een jeugdige of diens ouder(s) kan binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door Veilig Thuis of een andere organisatie). De beslissing door de gemeente welke hulp een jeugdige of diens ouder(s) precies nodig heeft/hebben, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. In de praktijk voeren de lokale teams [in onze gemeente aangeduid als: sociaal team] deze taak uit voor de gemeente. Het zijn dan de medewerkers van het sociaal team die contact hebben met de jeugdige en of zijn ouder(s). Veelal wordt op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige (de medewerker van het sociaal team) en de jeugdige en diens ouders gekeken wat zij eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan hun hulpvraag. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan wordt eerst gekeken of dit een vrij toegankelijke voorziening is of een niet vrij toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en diens ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening beschreven.

Toegang via de huisarts, de jeugdarts en/of de medisch specialist

De jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en/of de medisch specialist. Na een verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) precies nodig is. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk is het de jeugdhulpaanbieder zelf die op basis van zijn professionele onafhankelijke blik na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling moet de jeugdhulpaanbieder zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken gaan verder ook in op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind. Dit borgt de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij meervoudige problematiek. Maar ook dat er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast moet de jeugdhulpaanbieder rekening houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen (zie artikel 2, vierde lid). De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en/of de medisch specialist (zie artikel 3).

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

Een andere ingang tot jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting.

De gecertificeerde instelling is de organisatie die de door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering uitvoert. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp na een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering.

Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter doen omdat de Raad voor de Kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die, na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van de casus, hiervoor het meest geschikt lijkt. De Raad voor de Kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

Afbakening jeugdhulpplicht

De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de jeugdwet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de landelijke Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de jeugdwet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen dan wel te begrenzen. Deze nieuwe wetgeving is nog niet gereed. De aanpassingen in wetgeving zijn nodig om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de jeugdwet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen.

De verordening voorziet in:

  • Het scherper verwoorden en uitwerken van het beschikbare voorzieningenpakket;

  • Een verbeterde afstemming tussen de jeugdwet en andere wetgeving;

  • Het uitwerken van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen ouders en het college als verstrekker van individuele voorzieningen;

  • Een uitdrukkelijke opname van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verplicht stellen voor de medische verwijsroute; en

  • Duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de jeugdwet.

Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de jeugdwet.

ARTIKELSGEWIJS

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de jeugdwet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de jeugdwet gebruikt. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of’ impliceert hier ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de jeugdwet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).

In artikel 1.1 van de jeugdwet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:

  • ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

  • het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

  • het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht’.

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb).

Een aantal begrippen worden hieronder nader toegelicht.

‘Andere voorziening’: onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de jeugdwet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in artikel 2 (individuele voorzieningen en overige voorzieningen). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 3 en verder.

iJw : is in de Regeling Jeugdwet gedefinieerd als de ‘door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties’. De iJw is de iStandaard om cliënten in alle fasen van de Jeugdwet-keten te volgen: van de toewijzing tot de zorglevering en de declaratie. Het doel is een snelle en efficiënte inzet van zorg ondersteunen en bijdragen aan een afname van administratieve lasten. Daarnaast moet iJw een betrouwbare en duurzame bron van informatie zijn over Jeugdwet-zorg (https://www.istandaarden.nl/ijw).

Pgb’: De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer bekend en gebruikelijk is dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.

HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 4) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘overige voorzieningen’).

Gelet op het voornoemde belang bevat dit artikel een opsomming van de vormen van jeugdhulp die de gemeente biedt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders.

Derde lid

Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de jeugdwet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het derde lid is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket.

Vierde lid

Uit de parlementaire geschiedenis bij de jeugdwet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de jeugdwet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen3 . Dit wordt bepaald in het vierde lid.

De kwaliteitseisen waar jeugdhulpaanbieders die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren aan moeten voldoen vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar zijn wel in de contractuele afspraken opgenomen.

HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN

In dit hoofdstuk worden de toegangsmogelijkheden tot jeugdhulp in het vrijwillig kader (nader) geregeld. De toegang in het gedwongen kader, via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting wordt hier niet geregeld.

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Eerste lid

Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de jeugdwet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.

Tweede lid

De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden4 .

De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent5 . De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college beoordeelt deze aanvraag dan op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5).

Derde lid

In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze jeugdhulpaanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening moet zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het derde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan wat volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 5 is voorgeschreven en dat het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 2 zijn opgesomd. Zie ook de algemene toelichting en de toelichting bij artikel 2. De verordening legt een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute.

Vierde lid

Dit lid biedt het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de toegang tot jeugdhulp via de medische verwijsroute, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder g, van de Jeugdwet. De nadere regels dienen enkel ter uitwerking en verduidelijking van de uitvoering van de toegang via de medische verwijsroute binnen de kaders die de raad in deze verordening heeft vastgesteld.

Bij het gebruik van deze bevoegdheid geldt dat de nadere regels niet in strijd mogen zijn met deze verordening of met hogere regelgeving, zoals de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Evenmin mogen de nadere regels onderwerpen bevatten die naar hun aard of belang uitsluitend in een verordening geregeld kunnen worden.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente

Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen.

De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen”6 . Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 5 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de jeugdwet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen, in de praktijk zijn dit doorgaans de medewerkers van het sociaal team.

Eerste tot en met vierde lid

Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. “Bij het college” betekent in de praktijk bij medewerkers van het sociaal team. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 5). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd7 .

Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de jeugdwet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of zijn ouders een pgb wensen dan moeten zij bij de aanvraag ook een budgetplan indienen.

Vijfde lid

In dit geval wordt in algemene zin tien weken redelijk gevonden om een besluit te nemen. Jeugdigen en ouders hebben in beginsel namelijk de gelegenheid om tot twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen (artikel 5 lid 3). Dit plan betrekt het college vervolgens bij het onderzoek. Om dit onderzoek zorgvuldig uit te kunnen voeren én het plan hierbij te kunnen betrekken, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het onderzoek uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag uitgevoerd moet zijn (artikel 5 lid 1). Vervolgens heeft het college dan nog twee weken om de beschikking af te geven. Een totale doorlooptijd van tien weken wordt daarom redelijk gevonden.

Zesde lid

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting komt ook voort uit de Awb.

Zevende lid

Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.

HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Eerste lid

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht.

Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger en dat de jeugdige ten minste één keer wordt gezien, ongeacht de leeftijd van de jeugdige. Van ouders mag verwacht worden dat zij dit contact mogelijk maken.

Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn.

Tweede lid

Op grond van artikel 2.5, van de jeugdwet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op:

  • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon;

  • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon;

  • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning;

  • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en

  • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.

Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de jeugdwet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen.

Derde lid

Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen.

Vierde lid

Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een overige voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college.

Vijfde lid

De jeugdwet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken. En om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen. Op die manier kan de jeugdige gezond en veilig op groeien en zo goed mogelijk mee doen in de maatschappij8 . Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:

Stap 1 - inventariseer de vraag.

Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan en waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente.

Stap 2 - breng de onderliggende problematiek nauwkeurig in kaart en leg dat vast.

Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.

Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.

De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, rekening houdend met de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, en ook (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. Doel is dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.

Stap 4 - kijk wat het verschil is tussen noodzaak en eigen kracht.

Onderzoek de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, de balans tussen draagkracht en draaglast, van de ouder(s) en van het sociale netwerk. En onderzoek of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.

Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.

Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. Daarbij wordt het inzetten van andere en overige voorzieningen dan een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet, steeds ook in de afweging betrokken.

Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.).

Zesde lid

Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. In lid 1 wordt dit aangevuld met de verplichting dat de jeugdige ten minste één keer wordt gezien.

Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.

Zevende lid

Tijdens het onderzoek legt het college uit welke jeugdhulp beschikbaar is bij de organisaties waarmee zij een contract heeft. Deze gecontracteerde zorg vormt het uitgangspunt. Ook vertelt het college dat het mogelijk is om, in plaats daarvan, een pgb aan te vragen. Het college bespreekt in begrijpelijk taal wat de verschillen en gevolgen zijn van deze keuze, zodat ouders en jongeren goed kunnen beslissen wat het beste past.

Achtste lid

De jeugdigen of zijn ouders moeten het college de informatie geven die nodig is om het onderzoek, om te komen tot een passend besluit over de jeugdhulp, goed uit te voeren.

Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de jeugdwet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 5 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen.

Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.

In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot:

  • opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

  • opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd;

  • taal- en leerproblemen;

  • somatische aandoeningen;

  • lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en

  • kindermishandeling en huiselijk geweld.

Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening9 . Daartoe bepaalt artikel 6, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.

Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp10 . Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te verzekeren of het advies “concludent” is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.

Artikel 7. Identificatie

Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vast te stellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin.

Artikel 8. Verslag

In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid verzekert het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.

De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag 11 . Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd 12 . De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen.

Het vierde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen.

Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.

Eerste lid

Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de jeugdwet . Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt. Het college hoeft geen voorziening te verstrekken als jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere voorziening (onderdeel b). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijvoorbeeld Wmo 2015 of Wlz). Dit vloeit overigens al voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen. Ook als een overige voorziening (onderdeel c) oplossing biedt, hoeft het college geen voorziening te verstrekken.

Tweede lid

In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de situatie dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) al zelf jeugdhulp ingeschakeld hebben en daarna pas een aanvraag indienen bij het college voor de betreffende hulp. Het college is dan niet verplicht een voorziening te verstrekken. Het college is dan immers niet meer in staat de noodzaak en het passend zijn van ingeschakelde hulp te beoordelen. Uiteindelijk is het immers de eigen verantwoordelijkheid van de jeugdige en ouders tijdig een aanvraag in te dienen bij de gemeente. Het komt dan voor risico van de jeugdige/ouders zelf dat ze niet eerder bij het college hebben gemeld.

Derde lid

Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de jeugdwet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de jeugdwet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt.

Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten uit hoofdstuk 6 Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedvragen en ‘normale’ uitdagingen van de publicatie van het Nederlands jeugdinstituut “Normale uitdagingen voor kinderen jongeren en ouders”, uitgave 4 december 2020.

Vierde en vijfde lid

Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.

Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.

Indien de jeugdige en/of zijn ouders of verzorgers ervoor kiezen een duurdere voorziening te gebruiken die eveneens passend is, komen de meerkosten voor hun eigen rekening. De gemeente vergoedt in dat geval slechts de kosten tot het niveau van de goedkoopst adequate voorziening

In een dergelijke situatie wordt gekozen voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Dan geldt dat het pgb wordt vastgesteld op basis van de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening. De jeugdige en/of zijn ouders moeten het verschil zelf bijbetalen indien zij een duurdere voorziening wensen.

Zesde en zevende lid

Het zesde en zevende lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden als deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen . Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/) en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).

Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd.

Achtste en negende lid

Een opgave van de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda Jeugd presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet.

In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de jeugdwet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de jeugdwet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat als er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de jeugdwet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.

Tiende lid

Het college kiest het soort jeugdhulp dat het beste past bij de situatie van het kind en het gezin. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de afspraken die zij heeft gemaakt met jeugdhulpaanbieders. Er wordt altijd gekeken of ervaringsdeskundigen kunnen helpen, en de keuze voor de hulp wordt samen gemaakt: de jeugdprofessional, het kind en de ouders bespreken eerst wat er aan de hand is en welke aanpak het beste werkt.

Artikel 10. Beoordeling draagkracht en draaglast

Algemeen

Artikel 2.3, van de jeugdwet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de jeugdwet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 10 geconcretiseerd. In deze verordening worden de begrippen draagkracht en draaglast (zie ook artikel 1) daarvoor gebruikt.

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen.

Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen13 .

De in de jeugdwet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen14 . Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.

Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.

Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt:

“(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…) ” .15

Eerste lid

Het eerste lid van artikel 10 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.

Tweede lid

Het tweede lid geeft nader invulling aan de rol die het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders speelt bij de beoordeling van de draagkracht en draaglast. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.

Derde lid

Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.

Vierde lid

De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek 16 verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de draagkracht en draaglast in balans zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.

Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.

Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van:

  • a.

    geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

  • b.

    een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

  • c.

    overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.

Vijfde lid

Op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de jeugdwet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

Artikel 11. Vervoer

In artikel 2.3, tweede lid, van de jeugdwet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld.

Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3). De uitzonderingen genoemd in lid 3b gaan over situaties waarbij het nemen van de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer onevenredig is. Dat wil zeggen als het de ouders qua draaglast meer kost dan de gemeente om het vervoer te regelen. Bijvoorbeeld als de jeugdige gedrag vertoont wat maakt dat ouders niet de kortste route kunnen nemen of investeringen in bijvoorbeeld speciale vervoersmogelijkheden (denk aan een rolstoelbus) nodig is. Daarnaast moet de afstand van huis naar de hulplocatie minimaal 6 kilometer en maximaal 35 kilometer zijn, behalve als de hulp in de regio Zuid-Holland Zuid geleverd wordt. De gemeente meet de afstand via de kortste route volgens de ANWB-routeplanner.

Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat17 .

Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het vijfde lid.

Voor situaties in lid 5 waarvoor geen vervoersvoorziening wordt verstrekt, kan gedacht worden aan hulp die op afstand, die bijvoorbeeld digitaal, adequaat en passend kan worden geboden.

Bij deze beoordeling betrekt het college:

  • a.

    de beschikbaarheid van vervoersmogelijkheden binnen het sociaal netwerk;

  • b.

    het gebruik van andere voorzieningen zoals leerlingenvervoer, OV-begeleiding of zorgvervoer in een ander kader.

Artikel 7 bepaalt dat het college, op verzoek van de jeugdige of zijn ouder(s), in plaats van een vervoersvoorziening een vergoeding per kilometer kan toekennen.

De hoogte van de vergoeding sluit aan bij het maximale bedrag dat de Rijksoverheid hanteert voor reiskostenvergoeding (bij vaststelling van deze verordening € 0,23 per kilometer). De afstand wordt berekend op basis van de kortste route (retour) volgens de ANWB-routeplanner tussen het ophaaladres van de jeugdige en de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

In artikel 8 is geregeld dat de looptijd van een vervoersvoorziening kan afwijken van de looptijd van de beschikking voor de onderliggende individuele jeugdhulpvoorziening. De noodzaak voor vervoer kan immers verschillen van de duur van de hulpverlening zelf.

Artikel 9 biedt het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk. Deze bevoegdheid is bedoeld om de uitvoeringspraktijk nader te regelen binnen de kaders van de verordening,

Artikel 12. Dyslexie

Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de jeugdwet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de jeugdwet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd.

Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de jeugdwet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (ernstige dyslexie)18 . Toegang tot dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat via het verantwoordelijke Samenwerkingsverband Primair Onderwijs is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Daarbij wordt het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling gehanteerd van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie19 .

Artikel 13. Vaktherapie

De jeugdwet sluit niet uit dat vaktherapie, indien passend, ingezet wordt als jeugdhulp. De jeugdwet schrijft namelijk niet voor welke vormen van hulp onder jeugdhulp vallen. De wettelijke opdracht is resultaatgericht geformuleerd. De in te zetten voorziening moet de jeugdige in staat stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Voor de vraag wie welke jeugdhulp nodig heeft, dient de gemeente zich te baseren op het oordeel van een ter zake deskundige en de professionele standaarden te respecteren.

Eerste en tweede lid

Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Deze maken onderdeel uit van de Dienstomschrijvingen Jeugdhulp ZHZ (bijlage 1 bij de verordening).

Derde lid

Er geldt een maximum aantal uren (namelijk 30) behandeling dat door het college kan worden verstrekt. Soms is het nog mogelijk om enkele sessies vergoed te krijgen vanuit een aanvullende verzekering. In dat geval wordt dit als eigen mogelijkheden beschouwd als bedoeld in artikel 2.3 eerste lid van de jeugdwet die de ouders eerst moeten aanspreken voordat het college aan zet is (zie ook artikel 10, derde lid). Het maximale aantal behandelingen dat aan vaktherapie door het college wordt vergoed, wordt in dat geval verminderd met het aantal sessies dat door de zorgverzekeraar wordt vergoed.

Artikel 14. Kinderopvang en buitenschoolse opvang

In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is.

Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang.

Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.

Alleen als er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.

Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of BSO+.

Artikel 15. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voor uit de wet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. In het tweede en derde lid wordt omschreven wat nog meer moet zijn vastgelegd.

HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB

In de jeugdwet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb. Ook worden de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de besteding van het pgb in dit hoofdstuk uitgewerkt.

Artikel 16. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

Eerste lid

Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een budgetplan dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het budgetplan dient te zijn opgenomen.

Uit de motivering in het budgetplan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het budgetplan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 17 van de verordening. Verder moet uit het budgetplan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.

Tweede lid

De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de jeugdwet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd:

  • a.

    de jeugdige of zijn ouders zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • b.

    de jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten; en

  • c.

    de individuele voorziening die men in wil kopen is van goede kwaliteit.

Derde lid

In het derde lid wordt niet-limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de jeugdwet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Als deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de jeugdwet.

Vierde lid

Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is strikt en bevelend geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de jeugdwet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.

Artikel 17. Pgb-vaardigheid

Eerste lid

Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren20 .

Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend.

Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.

Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden21 :

  • 1.

    Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, c.q. zorgvraag);

  • 2.

    Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt);

  • 3.

    Goed werkgeverschap;

  • 4.

    Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg;

  • 5.

    Voeren van een administratie;

  • 6.

    Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en

  • 7.

    In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.

Deze taken dienen als basis om op basis van een budgetplan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’22 . In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.

Mocht de inwoner, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.

Tweede lid

In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is daarom geen sprake.

1. Schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.

Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’.

Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.

2. Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat de inwoner verslaving gerelateerd gedrag vertoont.

3. Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.

4. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Ook zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.

5. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.

6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.

7. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands.

Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan ook worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb.

8. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder.

Artikel 18. Onderscheid pgb formele hulp en pgb sociaal netwerk

Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen pgb formele hulp en pgb sociaal netwerk. Voor pgb formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor pgb sociaal netwerk geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.

Eerste en tweede lid

Van pgb formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van pgb formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van pgb sociaal netwerk. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als pgb sociaal netwerk beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

Professionals die hulp verlenen – ook vanuit een pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb.

Een voorwaarde voor toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de wet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie23 . Professionele hulpverleners die via een pgb hulpverlenen moeten dus in beginsel geregistreerd zijn, in het SKJ of BIG (register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg).

In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. De gemeente mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed24 . Let op: het gaat hier dan echt om een uitzondering op de hoofdregel dat de professional moet zijn geregistreerd.

Derde en vierde lid

Pgb sociaal netwerk is daarom alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk.

Bloedverwanten

Bloedverwantschap ontstaat door:

  • geboorte;

  • afstamming van dezelfde voorvader;

  • erkenning;

  • gerechtelijke vaststelling van het vaderschap;

  • Adoptie.

Bloedverwanten zijn in de:

Eerste graad:

  • (adoptie)ouders;

  • (adoptie)kinderen.

Tweede graad:

  • grootouders;

  • kleinkinderen;

  • broers en zussen.

Artikel 19. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder (zie ook bij artikel 16).

Artikel 20. Hoogte pgb

Eerste en tweede lid

In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld25 . Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk.

De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep26 . Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar hetgeen in rechtsoverweging 4.5 is van gelijke toepassing op de jeugdwet27 .

Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor pgb formele hulp en een tarief voor pgb sociaal netwerk. Voor pgb formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor pgb sociaal netwerk geldt het lagere minimumtarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele jeugdhulpaanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen.

De tarieven voor pgb formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura. Voor pgb formele hulp door kleine jeugdhulpaanbieders, in elk geval zzp-ers, wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager vanwege een lager opslagpercentage voor overheadkosten waarmee is gerekend. In de praktijk hebben deze organisaties vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel.

In deze verordening is het pgb-tarief voor pgb sociaal netwerk gebaseerd op 100 procent van het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij pgb sociaal netwerk gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is een tarief op basis van het wettelijk minimumloon passend geacht.

Derde lid

De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura. Voor de tekst van het artikel is aangesloten bij de tekst van de modelovereenkomst contractstandaard jeugd van het Ketenbureau I-Sociaal Domein.

Vierde lid

Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor pgb formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor pgb formele hulp, dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.

Vijfde en zesde lid

De pgb-tarieven worden met het oog op de kenbaarheid vastgesteld door het college in nadere regels. Het college publiceert minimaal jaarlijks de tarieven.

Artikel 21. Uitgesloten van pgb

In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp.

Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt daarom niet betaald vanuit het pgb.

Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor, aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.

De jeugdige of zijn ouders heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven.

Als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de jeugdwet is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 5 van deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige of zijn ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.

HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK

Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de jeugdwet.

Artikel 22. Inlichtingen

Eerste lid

Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.

Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de jeugdwet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening. In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de jeugdwet.

Tweede lid

Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de wettelijk vertegenwoordiger. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura en van de wettelijk vertegenwoordiger kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.

Artikel 23. Niet meewerken ouder(s)

Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp.

Artikel 24. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering

Eerste lid:

Op grond van artikel 8.1.3, van de jeugdwet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing over een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking. Ook wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels te stellen.

Tweede lid:

Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.

De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn28 .

Derde en vierde lid:

Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen drie maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen drie maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken.

Vijfde en zesde lid:

In de jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder29 . Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt ook voor het invorderen van de geldschade als gevolg van een onterecht verstrekte voorziening in natura. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.

Zevende lid:

In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Door opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.

Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat:

  • 1.

    de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a);

  • 2.

    de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of

  • 3.

    de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is (onderdeel e).

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.

Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz.

Op grond van het zevende lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder f. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.

Achtste lid:

Het college laat de pgb-houder schriftelijk weten wanneer er een verzoek is gedaan zoals bedoeld in het zevende lid. Zo blijft de pgb-houder goed op de hoogte van wat er speelt.

Artikel 25. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Eerste lid

In de wet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de wet niet geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat het college ook voor de jeugdwet toezichthouders kan aanwijzen, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd.

Tweede en derde lid:

Op grond van artikel 8.1.3, van de jeugdwet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing over een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de jeugdwet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 25, tweede en derde lid toegevoegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van een pgb.

Op grond van het derde lid moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de jeugdwet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of beheerder, als op de ondersteuningsverlening door een jeugdhulpaanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de jeugdhulpaanbieder.

Artikel 26. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de jeugdwet . Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en in vorm van pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen.

In het eerste en tweede lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp (eerste lid). Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen (tweede lid).

HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN

In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld.

Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wmo 2015, is artikel 1.2, van de jeugdwet van toepassing. Als de jeugdige aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten, dan is de jeugdwet niet van toepassing. Als echter i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de jeugdwet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de jeugdwet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de jeugdwet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de wet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz, de Zvw, of de Wmo 2015.

Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet.

Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de jeugdwet .

Als een gedragswetenschapper Ernstige Dyslexie (ED) vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Het onderzoek van de gedragswetenschapper is overigens wél een vorm van jeugdhulp onder de jeugdwet . Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen evenmin onder jeugdhulp (zie ook toelichting bij artikel 12).

Artikel 27. Voorliggende voorzieningen

Eerste en tweede lid

Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de jeugdwet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de jeugdwet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of op basis van de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de jeugdwet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de jeugdwet niet van toepassing.

Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de jeugdwet , het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening30 .

Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt.

Derde lid

Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen.

Artikel 28. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de jeugdwet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de jeugdwet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de jeugdwet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 28 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen.

Eerste lid

Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief.

Tweede en derde lid

Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.

Vierde lid

Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.

Vijfde tot en met achtste lid

Het vijfde tot en met achtste lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen en dat daarvoor een gezamenlijk plan (perspectiefplan) wordt opgesteld.

Negende lid

Dit lid biedt het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen over hoe jeugdhulp wordt afgestemd met andere vormen van hulp en ondersteuning, zoals zorg, onderwijs of maatschappelijke hulp. De nadere regels dienen enkel ter uitwerking en verduidelijking van de uitvoering binnen de kaders die de raad in deze verordening heeft vastgesteld.

Bij het gebruik van deze bevoegdheid geldt dat de nadere regels niet in strijd mogen zijn met deze verordening of met hogere regelgeving, zoals de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Evenmin mogen de nadere regels onderwerpen bevatten die naar hun aard of belang uitsluitend in een verordening geregeld kunnen worden.

HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT

Artikel 29. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college kan de uitvoering van de jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten31 . Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan32 . Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Artikel 29 voorziet hierin. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.

Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen.

Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en jeugdhulpaanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een jeugdhulpaanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt.

HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 30. Klachtregeling

Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling over klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.

In de regel zal de jeugdhulpaanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de jeugdhulpaanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v., van de jeugdwet.

Pas wanneer dit klachtrecht niet logisch is, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, of wanneer de jeugdhulpaanbieder niet adequaat op de klacht reageert of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen jeugdhulpaanbieder en klager, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.

Artikel 31. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.

Eerste lid

Deze bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN

Artikel 32. Evaluatie en monitoring

Artikel 2.10, van de wet bepaalt dat de evaluatiebepaling van artikel 2.5.1, van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing is. Artikel 3, van de Regeling Jeugdwet regelt welke zaken in elk geval aan de orde moeten komen bij een representatief cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 33. Hardheidsclausule

Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de jeugdwet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders.

Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 Jeugdwet het college reeds maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen.

De hardheidsclausule is van toepassing voor zowel de verordening als de nadere regels. Een situatie waarin de hardheidsclausule toegepast kan worden, is bijvoorbeeld een situatie waarbij in de toekomst op enigerlei wijze duidelijk wordt, dat strijd aanwezig is met internationale verdragen of bepalingen die daarop gebaseerd zijn.

Artikel 34. Overgangsrecht, intrekking van de oude verordening

Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van:

  • Een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is;

  • Een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift;

  • Terugvordering.

Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening.

Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, tenzij heroverweging op basis van de nieuw vastgestelde verordening leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit.


Noot
3

Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40

Noot
4

Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149

Noot
5

Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761

Noot
6

CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL: CRVB:2017:1477

Noot
7

CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL: CRVB:2019:276

Noot
8

CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.

Noot
9

CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL: CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot

Noot
10

vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL: CRVB:2024:1096, rov. 4.11

Noot
11

artikel 4:2, eerste lid, van de Awb

Noot
12

artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb

Noot
13

CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL: CRVB:2019:2362

Noot
14

CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL: CRVB:2021:1326

Noot
15

Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136

Noot
16

artikelen 1:82 en 1:247 BW

Noot
17

CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL: CRVB:2023:655

Noot
18

Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL: CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL: CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL: CRVB:2024:1430

Noot
19

https://www.nkd.nl/professionals/protocol-dyslexie-diagnose-en-behandeling/

Noot
20

artikel 8.1.1, tweede lid, van de jeugdwet

Noot
21

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf

Noot
22

https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf

Noot
23

artikel 4.1.6, vijfde lid, van de jeugdwet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet

Noot
24

artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet

Noot
25

artikel 2.9, onderdeel c, van de wet

Noot
26

CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL: CRVB:2017:1803

Noot
27

zie Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL: RBNNE:2018:1092

Noot
28

CRvB 18 april 2024, ECLI:NL: CRVB:2024:726

Noot
29

zie artikel 8.1.4, derde lid, van de jeugdwet

Noot
30

Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127

Noot
31

(artikel 2.11, eerste lid, van de jeugdwet

Noot
32

artikel 2.11, tweede lid, van de jeugdwet