Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon

Geldend van 04-06-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-05-2026

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon

De raad van de gemeente Hollands Kroon,

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 31 maart 2026

gelet op artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

overwegende dat:

  • -

    inwoners zelf verantwoordelijk zijn voor hoe zij hun leven inrichten en deelnemen aan de samenleving; van inwoners verwacht wordt dat zij elkaar zo goed mogelijk helpen;

  • -

    inwoners die niet zelfredzaam zijn of niet goed kunnen deelnemen aan de samenleving, hulp moeten kunnen krijgen van de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen;

  • -

    het nodig is om regels te maken voor de uitvoering van de wet. Deze regels gaan over hulp bij het versterken van zelfredzaamheid en deelname van mensen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang.

BESLUIT:

vast te stellen de volgende verordening

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen en reikwijdte verordening

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze verordening en de daarop gebaseerde bepalingen worden verstaan onder:

    • a.

      algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is, bijdraagt aan zelfstandig functioneren en participatie, en betaalbaar is voor personen met een minimuminkomen;

    • b.

      algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek voor iedereen toegankelijk is en is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

    • c.

      budgethouder: de persoon aan wie het persoon gebonden budget (pgb) is toegekend;

    • d.

      eigen bijdrage: het bedrag dat een cliënt per maand betaalt voor ondersteuning of voorzieningen op grond van de wet, zoals bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet;

    • e.

      eigen kracht: het vermogen van de cliënt om op eigen initiatief en met eigen mogelijkheden, vaardigheden en motivatie zijn zelfredzaamheid en participatie te behouden of te verbeteren, of zelf tot een oplossing te komen voor de behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • f.

      financieel besluit: een regeling van het college waarin bedragen en eventuele nadere regels zijn vastgesteld;

    • g.

      financiële tegemoetkoming: een vergoeding voor de kosten die direct aan de cliënt wordt betaald voor een specifiek doel;

    • h.

      gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen geldende normen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

    • i.

      hoofdverblijf: de vaste woon- en verblijfplaats van de cliënt, zoals opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie;

    • j.

      hulpvraag: ondersteuningsbehoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

    • k.

      informele hulpverlener: een persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent aan een cliënt, waarbij deze ondersteuning niet beroeps‑ of bedrijfsmatig wordt verleend en rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande sociale relatie of uit het sociale netwerk van de cliënt;

    • l.

      mantelzorg: hulp die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door iemand uit zijn directe sociale omgeving. Deze hulp is langdurig, onbetaald en vloeit voort uit een persoonlijke relatie;

    • m.

      normaal gebruik van de woning: het kunnen uitvoeren van basisfuncties om zelfstandig te kunnen wonen, zoals eten, slapen, persoonlijke verzorging, koken en het zich verplaatsen in en om de woning;

    • n.

      onderzoeksverslag: een schriftelijk verslag van het onderzoek naar de behoefte aan een maatwerkvoorziening, zoals bedoeld in artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet;

    • o.

      pgb: een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

    • p.

      pgb-plan: een plan gemaakt door (of namens) de budgethouder dat laat zien dat aan de regels van de wet en/of deze verordening wordt voldaan;

    • q.

      professionele hulpverlener: een persoon of organisatie die maatschappelijke ondersteuning beroeps‑ of bedrijfsmatig verleent en voldoet aan de daarvoor geldende kwaliteitseisen;

    • r.

      pgb-vertegenwoordiger: een persoon die door de budgethouder is ingeschakeld en door het college is goedgekeurd om de aan het pgb verbonden verplichtingen na te komen. Dit kan een gemachtigde of wettelijke vertegenwoordiger zijn die daarbij ondersteuning biedt. Deze vertegenwoordiger vervult niet de rol van zorgverlener, tenzij dit, gelet op de situatie van de cliënt, passend en verantwoord wordt geacht;

    • s.

      voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling of voorziening waarop de cliënt aanspraak kan maken en die passend is voor de ondersteuningsbehoefte;

    • t.

      wet: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015;

  • 2. Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de daarop gebaseerde regelgeving en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2 Toegang, melding en onderzoek

Artikel 2.1 Melding

  • 1. Een cliënt die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning kan hiervan een melding doen bij het college.

    De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan.

  • 2. De melding kan schriftelijk, digitaal, mondeling of telefonisch worden gedaan.

  • 3. Het college registreert de ontvangst van de melding en stuurt hiervan een schriftelijke bevestiging aan de cliënt of zijn vertegenwoordiger. In deze bevestiging wordt aangegeven wat de vervolgstappen zijn, welke rechten en plichten de cliënt heeft en hoe het verdere proces verloopt.

  • 4. Het college maakt zo spoedig mogelijk een afspraak met de cliënt en/of diens vertegenwoordiger voor een gesprek waarin de hulpvraag wordt besproken en onderzocht.

  • 5. In spoedeisende gevallen, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet, treft het college per direct voor een passende tijdelijke maatregel in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 2.2 Onafhankelijke cliëntondersteuning

  • 1. Het college draagt er zorg voor dat kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar is als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.

  • 2. Cliëntondersteuning bestaat uit onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning, gericht op het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en op het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening.

  • 3. Het college wijst de cliënt en diens vertegenwoordiger voorafgaand aan en tijdens het onderzoek als bedoeld in artikel 2.5 actief op de mogelijkheid om gebruik te maken van deze cliëntondersteuning.

Artikel 2.3 Vooronderzoek en persoonlijk plan

  • 1. Het college verzamelt, voor zover beschikbaar en toegankelijk, de gegevens over de cliënt en de situatie van de cliënt die nodig zijn voor het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet.

  • 2. De cliënt verstrekt de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor het uitvoeren van het onderzoek en waarover de cliënt kan beschikken.

  • 3. Als de hulpvraag en de situatie van de cliënt voldoende duidelijk zijn en hierover overeenstemming bestaat, kan het college in overleg met de cliënt besluiten het onderzoek beperkt uit te voeren.

  • 4. Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet. Het persoonlijk plan wordt betrokken bij het onderzoek.

Artikel 2.4 Gebruikelijke hulp

  • 1. In aansluiting op de artikelen 1.2.1, onder a, en 2.3.5, derde lid, van de wet verstrekt het college geen maatwerkvoorziening als de cliënt de problemen waarvoor een maatwerkvoorziening is aangevraagd zelf kan verminderen of oplossen. Dit kan door:

    • a.

      gebruik te maken van de eigen kracht van de cliënt;

    • b.

      gebruikelijke hulp van huisgenoten;

    • c.

      mantelzorg of hulp van anderen uit het sociale netwerk;

    • d.

      gebruik te maken van algemene voorzieningen;

    • e.

      gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten.

  • 2. Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onder b, van de wet beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten beschikbaar is, zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet. Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht om, voor zover dit redelijkerwijs van hen kan worden verlangd, mee te werken aan dit onderzoek. Dit geldt ook bij een heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet.

  • 3. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van gebruikelijke hulp houdt het college, als dat nodig is, rekening met:

    • a.

      de samenstelling van het huishouden van de cliënt en de huisgenoot of huisgenoten;

    • b.

      de aard van de relatie tussen de cliënt en de huisgenoot of huisgenoten;

    • c.

      de aard, omvang en complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;

    • d.

      de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of huisgenoten om de cliënt te ondersteunen bij zelfredzaamheid, participatie of het zich handhaven in de samenleving;

    • e.

      de mate waarin en de manier waarop de cliënt vóór de melding al werd ondersteund door de huisgenoot of huisgenoten;

    • f.

      andere omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om ondersteuning te bieden.

Artikel 2.5 Onderzoek naar ondersteuningsbehoefte

  • 1. Het college onderzoekt tijdens een gesprek de persoonlijke situatie van de cliënt die een melding heeft gedaan en van wie de ondersteuningsbehoefte wordt onderzocht. Daarbij beoordeelt het college, met inachtneming van artikel 2.4 van deze verordening, welke mogelijkheden er zijn om de zelfredzaamheid of participatie te behouden of te verbeteren en of een maatwerkvoorziening nodig is.

  • 2. Het onderzoek vindt zo spoedig mogelijk, maar niet later dan binnen zes weken na de melding plaats.

  • 3. Daarbij onderzoekt het college zo snel mogelijk en voor zover noodzakelijk:

    • a.

      wat de cliënt nodig heeft, wat zijn persoonlijke situatie is en wat zijn voorkeuren zijn;

    • b.

      welke mogelijkheden er zijn om met eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen de zelfredzaamheid of participatie te behouden of te verbeteren, of te voorkomen dat een maatwerkvoorziening nodig is;

    • c.

      welke ondersteuning nodig is voor de mantelzorger van de cliënt;

    • d.

      welke mogelijkheden de cliënt heeft om zijn zelfredzaamheid of participatie te behouden of te verbeteren door gebruik te maken van (collectieve) algemene voorzieningen;

    • e.

      welke mogelijkheden er zijn om, door samenwerking met zorgverzekeraars, zorgaanbieders en andere partijen op het gebied van gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, de ondersteuning zo goed mogelijk af te stemmen op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie;

    • f.

      of een maatwerkvoorziening nodig is om de cliënt goed te ondersteunen.

  • 4. Het college bespreekt in begrijpelijke taal:

    • a.

      welke kosten de cliënt moet betalen volgens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

    • b.

      welke mogelijkheden de cliënt heeft om te kiezen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van natura of in de vorm van een pgb, en wat de gevolgen van deze keuze zijn.

  • 5. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 6. Het college legt de bevindingen van het onderzoek, zoals bedoeld in het vierde lid, vast in een onderzoeksverslag en verstrekt dat aan de cliënt.

  • 7. Het onderzoeksverslag wordt door het college gebruikt bij de beoordeling van een aanvraag en kan, indien het door de cliënt is ondertekend, worden aangemerkt als een aanvraag voor een maatwerkvoorziening.

Artikel 2.6 Aanvraag

  • 1. Een cliënt of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen bij het college, nadat het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.5 van deze verordening is uitgevoerd.

  • 2. Als het onderzoek niet binnen zes weken na de melding als bedoeld in artikel 2.1 is afgerond, mag de cliënt of zijn vertegenwoordiger de aanvraag ook indienen zonder dat het onderzoek is voltooid.

  • 3. Een door de cliënt ondertekend onderzoeksverslag kan worden aangemerkt als aanvraag.

Artikel 2.7 Deskundigheid en functiescheiding

  • 1. Het college vraagt een daartoe door hem aangewezen adviseur om advies, als dat advies naar het oordeel van het college nodig is voor een zorgvuldig onderzoek rond een melding, aanvraag of heronderzoek.

  • 2. De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het onderzoek, aantoonbaar beschikken over:

    • a.

      sociaal-medische kennis op het niveau van een BIG-geregistreerde arts;

    • b.

      ergonomische kennis;

    • c.

      bouwkundige/technische kennis;

    • d.

      gedragswetenschappelijke kennis.

  • 3. Het college heeft Wmo‑uitvoeringstaken en bevoegdheden tot besluitvorming gemandateerd. Het college ziet erop toe dat advisering, gemandateerde besluitvorming en uitvoering van maatwerkvoorzieningen organisatorisch en functioneel van elkaar zijn gescheiden.

Artikel 2.8 Besluit en beschikking

  • 1. Het college besluit of de cliënt wel of niet een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Dit besluit stuurt het college per brief aan de cliënt. Deze brief heet een beschikking.

  • 2. In de beschikking waarin aan de cliënt een maatwerkvoorziening wordt toegekend, is opgenomen of deze voorziening als zorg in natura of in vorm van een pgb wordt verstrekt. Als de maatwerkvoorziening een dienst betreft, wordt de omvang hiervan zoveel mogelijk vastgesteld in minuten, uren, dagdelen of etmalen.

  • 3. Wanneer de maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt, staat in de beschikking in ieder geval:

    • a.

      om welke voorziening het gaat en wat het gewenste doel en/of resultaat daarvan is;

    • b.

      vanaf welke begindatum en voor welke periode de voorziening wordt gegeven; en

    • c.

      aan welke plichten en voorwaarden de cliënt moet voldoen rondom de voorziening.

  • 4. Wanneer de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt gegeven, staat in de beschikking in ieder geval:

    • a.

      voor welke voorziening het pgb wordt ingezet en wat het doel of resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald;

    • c.

      vanaf welke begindatum en voor welke periode het pgb wordt gegeven, voor zover dit door het college wordt bepaald;

    • d.

      aan welke plichten en voorwaarden de cliënt moet voldoen rondom het pgb;

    • e.

      welke kwaliteitseisen gelden voor het gebruik van het pgb; en

    • f.

      welke regels gelden voor verantwoording en besteding van het pgb.

  • 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking zo nodig:

    • a.

      aan welk resultaat de financiële tegemoetkoming moet worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van de financiële tegemoetkoming;

    • c.

      wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor de financiële tegemoetkoming is bedoeld;

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van de financiële tegemoetkoming;

    • f.

      of een bijdrage in het kader van de uitvoering van de Wmo verschuldigd is.

  • 6. In de beschikking staat of de cliënt een eigen bijdrage in de kosten moet betalen voor de voorziening.

  • 7. In de beschikking staat wanneer, bij wie en hoe de cliënt of vertegenwoordiger bezwaar tegen de beschikking kan maken.

Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen

Artikel 3.1 Inzet algemene voorzieningen

  • 1. Het college zorgt voor de beschikbaarheid van algemene voorzieningen die bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van cliënten.

  • 2. Een algemene voorziening gaat voor op de inzet van een maatwerkvoorziening, tenzij de algemene voorziening niet passend is of niet binnen een redelijke termijn beschikbaar is en een maatwerkvoorziening hier wel in voorziet.

Artikel 3.2 Ondersteuning door wijkteams

  • 1. Het college zorgt voor de beschikbaarheid van algemene voorzieningen die bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van cliënten.

  • 2. Een algemene voorziening gaat voor op de inzet van een maatwerkvoorziening, tenzij de algemene voorziening niet passend is of niet binnen een redelijke termijn beschikbaar is en een maatwerkvoorziening hier wel in voorziet.

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen

Artikel 4.1 Algemene uitgangspunten maatwerkvoorzieningen

  • 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening die zijn beperkingen in zelfredzaamheid of participatie vermindert of wegneemt, als hij deze beperkingen niet kan oplossen door gebruik te maken van:

    • a.

      eigen kracht;

    • b.

      algemeen gebruikelijke voorzieningen;

    • c.

      gebruikelijke hulp;

    • d.

      mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk;

    • e.

      algemene voorzieningen.

  • 2. De maatwerkvoorziening draagt, op basis van het onderzoeksverslag en eventueel het persoonlijk plan, bij aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen.

  • 3. De omvang van de maatwerkvoorziening wordt bepaald op basis van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.5. Daarbij kiest het college in de situatie van de cliënt de goedkoopst passende voorziening.

  • 4. Er bestaat geen recht op een maatwerkvoorziening als aan de cliënt eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en de gebruikelijke afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet is verstreken.

  • 5. Van het vorige lid kan worden afgeweken als:

    • a.

      de eerder verstrekte voorziening buiten de schuld van de cliënt verloren is gegaan, is gestolen of defect is geraakt;

    • b.

      de cliënt geheel of gedeeltelijk bijdraagt in de kosten van vervanging van de voorziening; of

    • c.

      de eerder verstrekte voorziening, door gewijzigde omstandigheden van de cliënt, niet langer een passende oplossing biedt voor de ondersteuningsbehoefte.

Artikel 4.2 Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen

  • 1. Het college kan, als is vastgesteld dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is op grond van artikel 4.1, maatwerkvoorzieningen verstrekken die zijn gericht op:

    • a.

      huishoudelijke ondersteuning;

    • b.

      begeleiding in groepsverband (dagbesteding) of individueel;

    • c.

      mantelzorgondersteuning;

    • d.

      woonvoorzieningen;

    • e.

      hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen;

    • f.

      beschermd wonen.

  • 2. De opsomming is niet uitputtend. De nadere uitwerking van deze maatwerkvoorzieningen is opgenomen in de volgende hoofdstukken van deze verordening.

Artikel 4.3 Vorm en voorwaarden van maatwerkvoorzieningen

  • 1. Iedere cliënt aan wie een maatwerkvoorziening wordt toegekend, heeft volgens de Wmo de keuze tussen zorg in natura en een pgb.

  • 2. Het college kan ondersteuning verstrekken in de vorm van zorg in natura. Dit betekent dat de gemeente de maatwerkvoorziening, dienst of hulp organiseert en levert via een gecontracteerde aanbieder.

  • 3. Het college weigert een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een pgb, als deze is gerealiseerd:

    • a.

      voor de melding van de hulpvraag;

    • b.

      na de melding van de hulpvraag, maar voordat het college op de aanvraag heeft beslist, tenzij het college hiervoor vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven, of sprake is van een situatie waarin zowel de noodzaak van de voorziening als de daarmee gemaakte kosten achteraf nog objectief kunnen worden vastgesteld.

  • 4. De cliënt die een woningaanpassing voor de eigen woning heeft gekregen (al dan niet in de vorm van een pgb), zorgt voor een opstalverzekering die voldoende de waarde van de woning en de woningaanpassing dekt tegen schade.

  • 5. De cliënt zorgt voor een goede verzekering tegen verlies, diefstal en schade als de maatwerkvoorziening, al dan niet is aangeschaft met een pgb.

  • 6. Het college stelt nadere regels vast over de gebruikelijke afschrijvingstermijnen van de maatwerkvoorzieningen (financieel besluit).

Artikel 4.4 Financiële tegemoetkoming

  • 1. Een cliënt kan een financiële tegemoetkoming krijgen voor kosten die te maken hebben met:

    • a.

      verhuizen;

    • b.

      aanschaf van een sportvoorziening;

    • c.

      het gebruik van een (eigen) auto voor lokale verplaatsingen, waarbij rekening wordt gehouden met de vervoersbehoeften van de cliënt en zijn huisgenoten (vervoersbudget).

  • 2. Het college stelt nadere regels vast over de hoogte van de financiële tegemoetkomingen (financieel besluit).

Hoofdstuk 5 Huishoudelijke ondersteuning

Artikel 5.1 Doel en resultaten huishoudelijke ondersteuning

De ondersteuning bij het huishouden is gericht op het bereiken van de volgende resultaten:

  • a.

    het schoon en leefbaar houden van de woning;

  • b.

    het beschikken over schone en draagbare kleding;

  • c.

    het beschikken over boodschappen voor het dagelijks leven;

  • d.

    het beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden;

  • e.

    het thuis kunnen zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren.

Artikel 5.2 Voorwaarden huishoudelijke ondersteuning

  • 1. Hulp bij het schoonmaken, gericht op het schoonhouden van de woning, wordt alleen verstrekt voor zover deze betrekking heeft op de ruimten die noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning.

  • 2. Bij de beoordeling van de noodzaak van huishoudelijke ondersteuning houdt het college rekening met de mate waarin

  • 3. Het college kan huishoudelijke ondersteuning tijdelijk verstrekken als deze ondersteuning is gericht op het aanleren van de noodzakelijke vaardigheden om het huishouden zelfstandig te kunnen uitvoeren.

  • 4. De behoefte aan huishoudelijke ondersteuning wordt bepaald door de mate waarin beperkingen zich voordoen. Daarbij wordt in ieder geval gekeken naar:

    • a.

      de aard en omvang van de beperkingen;

    • b.

      de samenstelling en omvang van het huishouden, waaronder de aanwezigheid van minderjarige kinderen;

    • c.

      de leeftijd van de cliënt en diens mogelijkheden om nieuwe vaardigheden aan te leren.

  • 5. De omvang van de huishoudelijke ondersteuning wordt, op basis van het onderzoek, geïndiceerd in minuten per week.

Hoofdstuk 6 Begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf

Artikel 6.1 Voorwaarden individuele begeleiding

  • 1. Individuele begeleiding is gericht op het bevorderen, behouden of herstellen van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de cliënt.

  • 2. De begeleiding kan onder meer zijn gericht op:

    • a.

      het versterken of stabiliseren van de eigen kracht en vaardigheden;

    • b.

      het ondersteunen bij het voeren van regie over het dagelijks leven;

    • c.

      het aanleren of behouden van vaardigheden die nodig zijn voor het zelfstandig functioneren.

  • 3. De individuele begeleiding vindt plaats in de directe leefomgeving van de cliënt.

  • 4. De omvang van de individuele begeleiding wordt, op basis van het onderzoek, geïndiceerd in minuten per week.

Artikel 6.2 Voorwaarden begeleiding in groepsverband (dagbesteding)

  • 1. Begeleiding in groepsverband (dagbesteding) is gericht op het bieden van structuur, het bevorderen van zelfredzaamheid en het ondersteunen van maatschappelijke participatie.

  • 2. Dagbesteding kan bijdragen aan:

    • a.

      het aanbrengen van dagstructuur;

    • b.

      het onderhouden en ontwikkelen van sociale vaardigheden;

    • c.

      het vergroten van kwaliteit van leven en zingeving;

    • d.

      het ontlasten van mantelzorgers.

  • 3. Dagbesteding vindt plaats in groepsverband op een speciaal daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie van de cliënt.

  • 4. De omvang van de dagbesteding wordt, op basis van het onderzoek, geïndiceerd in dagdelen.

Artikel 6.3 Voorwaarden vervoer van en naar dagbesteding

  • 1. De cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer van en naar begeleiding in groepsverband (dagbesteding) als dit noodzakelijk is om de ondersteuning daadwerkelijk te kunnen ontvangen.

  • 2. Vervoer wordt toegekend wanneer de cliënt, gelet op zijn beperkingen, niet in staat is om zelfstandig of met inzet van het eigen netwerk, gebruikelijke hulp, informele hulp of een algemeen gebruikelijke voorziening te reizen van en naar de locatie waar de dagbesteding wordt aangeboden.

  • 3. Bij de beoordeling van de noodzaak van vervoer worden de persoonlijke omstandigheden van de cliënt in samenhang betrokken, waaronder de aard en ernst van de beperkingen en de mogelijkheden om op een andere wijze in het vervoer te voorzien.

Artikel 6.4 Voorwaarden kortdurend verblijf (respijtzorg)

  • 1. De thuiswonende cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf (respijtzorg), als dit noodzakelijk is om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten.

  • 2. Deze maatwerkvoorziening is bedoeld voor cliënten met een blijvende ondersteuningsbehoefte, waarbij toezicht of zorg in de nabijheid noodzakelijk is.

  • 3. Kortdurend verblijf wordt geïndiceerd per etmaal. Het college bepaalt de omvang en duur op basis van de individuele situatie van de cliënt en de mantelzorger en betrekt daarbij de vraag of toeleiding naar de Wet langdurige zorg passend is.

Hoofdstuk 7 Woonvoorzieningen

Artikel 7.1 Algemene voorwaarden voor woonvoorzieningen

  • 1. Een woonvoorziening is een maatwerkvoorziening die is gericht op het mogelijk maken van het normale gebruik van de woning, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk kan wonen. Het college verstrekt uitsluitend woonvoorzieningen die noodzakelijk zijn om de gebruikelijke en noodzakelijke gebruiksruimten van de woning bereikbaar, toegankelijk, veilig en bruikbaar te maken en te houden.

  • 2. Bij een aanvraag voor een woonvoorziening onderzoekt het college eerst of verhuizen naar een andere, passende woning een geschikte oplossing is. Bij deze afweging betrekt het college de kosten van het aanpassen van de huidige woning, evenals de persoonlijke omstandigheden van de cliënt.

  • 3. Als verhuizen geen passende oplossing is, kan het college een woonvoorziening en/of een hulpmiddel verstrekken, gericht op het normale gebruik van de huidige woning, waaronder het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en het kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimten in de woning waarin de cliënt zijn hoofdverblijf heeft.

  • 4. Bij een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing kan het college, na een individuele afweging, het primaat van verhuizen toepassen. Het college houdt daarbij rekening met een gebruikelijke afschrijvingstermijn van door de woningeigenaar eerder aangebrachte voorzieningen, voor zover dit relevant is voor de beoordeling.

  • 5. Het college stelt nadere regels vast over de gebruikelijke afschrijvingstermijnen van de maatwerkvoorzieningen in het financieel besluit.

Artikel 7.2 Specifieke voorwaarden voor woonvoorzieningen

  • 1. Het college verstrekt een woonvoorziening uitsluitend voor de woning waarin de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.

  • 2. Een woonvoorziening wordt alleen verstrekt als de noodzaak voor de voorziening voortvloeit uit de beperkingen van de cliënt en niet het gevolg is van omstandigheden die voor rekening van de cliënt behoren te blijven. Daarbij wordt betrokken of de noodzaak voor de woonvoorziening voor de cliënt redelijkerwijs voorzienbaar was. Dit is in ieder geval aan de orde als:

    • a.

      de noodzaak het gevolg is van achterstallig onderhoud of de voorziening hoofdzakelijk strekt tot renovatie van de woning;

    • b.

      de cliënt is verhuisd naar een woning die, gelet op de beperkingen, niet geschikt is, terwijl een meer passende woning beschikbaar was, tenzij daarvoor voorafgaand toestemming aan het college is gevraagd;

    • c.

      aannemelijk is dat de cliënt binnen afzienbare tijd zal verhuizen naar een zorginstelling, andere niet‑zelfstandige woonruimte of een meer passende woonsituatie;

    • d.

      de ondervonden problemen uitsluitend voortvloeien uit de gebruikte materialen of de inrichting van de woning en niet samenhangen met de beperkingen van de cliënt of de noodzakelijke inzet van hulpmiddelen.

  • 3. Het college verstrekt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, geen woonvoorzieningen voor gemeenschappelijke ruimten in wooncomplexen die specifiek zijn bestemd voor bewoners met een functiebeperking of voor senioren, als bij de bouw of renovatie redelijkerwijs passende voorzieningen hadden kunnen worden getroffen.

  • 4. Het college kan besluiten geen woonvoorziening te verstrekken als de cliënt woont in een wooncomplex of woongebouw dat specifiek is bestemd voor een bepaalde doelgroep en waarvan in redelijkheid mag worden verwacht dat de noodzakelijke woningaanpassingen al aanwezig zijn.

  • 5. Het college verstrekt geen woonvoorzieningen voor hotels, pensions, (trekkers)woonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‑ of recreatiewoningen of andere vormen van bewoning die niet zijn gericht op permanent verblijf, en ook geen woonvoorzieningen voor ADL‑clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een maatwerkvoorziening gericht op verhuizing en inrichting.

Artikel 7.3 Hulpmiddelen voor verplaatsen in en om de woning

  • 1. Hulpmiddelen zijn gericht op het mogelijk maken dat de cliënt zich kan verplaatsen in en om de woning, voor zover dit noodzakelijk is om de gebruikelijke hoofdruimtes te bereiken en te gebruiken.

  • 2. Hulpmiddelen worden uitsluitend verstrekt voor de woning waarin de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Dit geldt ook voor minderjarige cliënten.

Artikel 7.4 Bezoekbaar maken van een woning

  • 1. Het college kan een woonvoorziening verstrekken gericht op het bezoekbaar maken van een woning als:

    • a.

      de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een instelling als bedoeld in de Wlz; en

    • b.

      het gaat om de woning van een inwoner van de gemeente waar de cliënt regelmatig op bezoek komt.

  • 2. Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet.

Hoofdstuk 8 Vervoersvoorzieningen

Artikel 8.1 Lokaal vervoer

  • 1. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken gericht op het lokaal verplaatsen, in de vorm van een vervoersvoorziening of een vervoersbudget. Deze maatwerkvoorziening is gericht op het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van de cliënt, waaronder deelname aan het maatschappelijk verkeer.

  • 2. Een maatwerkvoorziening voor lokaal verplaatsen kan worden toegekend indien de cliënt als gevolg van beperkingen niet in staat is om, of niet in redelijkheid gebruik kan maken van, het openbaar vervoer, het eigen netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen of collectief vervoer, en deze beperkingen niet met een voorliggende of algemene voorziening kunnen worden gecompenseerd.

  • 3. De maatwerkvoorziening vervoer is bedoeld om verplaatsingen mogelijk te maken in het kader van sociale participatie en zelfredzaamheid in de eigen leefomgeving. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het bereiken van winkels en andere basisvoorzieningen voor het dagelijks leven;

    • b.

      het onderhouden en aangaan van sociale contacten, zoals bezoek aan familie, vrienden of kennissen;

    • c.

      het deelnemen aan maatschappelijke, sociale of recreatieve activiteiten, waaronder vrijwilligerswerk, verenigingsactiviteiten of deelname aan ontmoetingsactiviteiten.

Hoofdstuk 9. Beschermd wonen

Artikel 9.1 Toegang tot beschermd wonen

  • 1. Beschermd wonen is gericht op cliënten die door psychische of psychosociale problemen niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven in de samenleving.

  • 2. De uitvoering van beschermd wonen vindt plaats in regionaal verband en de centrumgemeente vervult hierbij een uitvoerende rol.

  • 3. Het college draagt zorg voor de toegang tot beschermd wonen en handelt daarbij overeenkomstig de geldende regionale afspraken.

  • 4. Nadere regels over de uitvoering van beschermd wonen worden vastgesteld door het college. De uitvoering kan, met inachtneming van mandaat en regionale afspraken, worden verricht door de centrumgemeente.

Hoofdstuk 10. Persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 10.1 Voorwaarden voor een pgb

  • 1. Een cliënt kan een maatwerkvoorziening ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), als de cliënt of diens pgb‑vertegenwoordiger in staat is het pgb op verantwoorde wijze te beheren (pgb‑bekwaamheid).

  • 2. De cliënt stelt een pgb‑plan op. In dit plan motiveert de cliënt de keuze voor een pgb, beschrijft hij waarvoor het budget wordt ingezet en geeft hij aan hoe de kwaliteit van de ondersteuning wordt geborgd.

  • 3. Het college beoordeelt of de ondersteuning, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die met het pgb worden ingekocht passend en geschikt zijn. Een pgb wordt uitsluitend toegekend als het college van oordeel is dat de cliënt of diens vertegenwoordiger de belangen voldoende kan behartigen.

  • 4. Als een pgb‑vertegenwoordiger namens de cliënt optreedt, voert deze de beheertaken zorgvuldig en verantwoord uit. Daarbij geldt dat:

    • a.

      geen sprake is van belangenverstrengeling of de schijn daarvan;

    • b.

      de vertegenwoordiger niet zelf de ondersteuning levert en geen financiële of zakelijke relatie heeft met de zorgaanbieder, tenzij het college gemotiveerd anders besluit;

    • c.

      de vertegenwoordiger beschikt over voldoende tijd en kennis en voldoende inzicht heeft in de persoonlijke situatie en belangen van de cliënt.

  • 5. De cliënt (budgethouder) is verantwoordelijk voor:

    • a.

      het inkopen van de maatwerkvoorziening;

    • b.

      het onderhoud, de reparatie en verzekering van hulpmiddelen en woningaanpassingen;

    • c.

      het sluiten van zorgovereenkomsten met zorgverleners en het aanleveren daarvan aan de Sociale verzekeringsbank (SVB).

  • 6. Het college kan een pgb weigeren of beëindigen als:

    • a.

      het pgb niet op verantwoorde wijze kan worden beheerd;

    • b.

      niet wordt voldaan aan de voorwaarden van deze verordening;

    • c.

      eerder misbruik is gemaakt van een pgb;

    • d.

      het pgb wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt.

Artikel 10.2 Hoogte van het pgb voor diensten

  • 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb betrekt het college het pgb‑plan.

  • 2. De hoogte van het pgb voor diensten is toereikend om noodzakelijke ondersteuning van goede kwaliteit veilig en doeltreffend te kunnen leveren en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura.

  • 3. Het pgb‑tarief bedraagt:

    • a.

      bij ondersteuning door een professionele zorgverlener: een tarief tot maximaal het laagste toepasselijke gemeentelijke tarief voor een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura;

    • b.

      bij ondersteuning door een informele zorgverlener: een tarief dat lager is dan het tarief voor professionele ondersteuning, met als minimum het wettelijk minimumloon en als maximum het tarief als bedoeld in artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg.

  • 4. De tarieven zijn all‑in en omvatten alle kosten die samenhangen met het leveren van ondersteuning, waaronder loon, werkgeverslasten en verzekeringen.

  • 5. Het college kan in bijzondere gevallen een afwijkend tarief vaststellen als dit noodzakelijk is met het oog op kwaliteit, veiligheid, continuïteit of beschikbaarheid van de ondersteuning.

  • 6. Het college stelt verschillende tarieven vast, afhankelijk van de aard, intensiteit en vorm van de ondersteuning en de mate van professionaliteit van de zorgverlener.

  • 7. De tarieven worden vastgelegd in het financieel besluit.

Artikel 10.3 Hoogte van een pgb voor zaken

  • 1. Het pgb voor zaken, waaronder hulpmiddelen en woningaanpassingen, wordt vastgesteld op basis van de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. Als het college geen contract heeft voor de betreffende voorziening, wordt uitgegaan van de goedkoopst passende beschikbare voorziening.

  • 2. Het pgb kan worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering, waarbij wordt uitgegaan van de goedkoopst passende oplossing.

  • 3. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van één of meer offertes en eventuele noodzakelijke bijkomende kosten, zoals legeskosten of kosten voor een architect.

  • 4. Nadere regels over tarieven worden vastgelegd in het financieel besluit.

Artikel 10.4 Besteding en verantwoording van het pgb

  • 1. Betaling uit het pgb vindt plaats:

    • a.

      voor diensten: op basis van daadwerkelijk geleverde ondersteuning;

    • b.

      voor hulpmiddelen en woningaanpassingen: op basis van aantoonbaar gemaakte kosten.

  • 2. Het pgb wordt uitsluitend besteed aan de maatwerkvoorziening waarvoor het is verstrekt. De SVB verzorgt het betalingsverkeer overeenkomstig de geldende regelgeving.

  • 3. De cliënt sluit met iedere zorgverlener of leverancier een schriftelijke overeenkomst. De SVB kan betalingen weigeren of beëindigen als declaraties niet voldoen aan de gemaakte afspraken of aan de regels voor het pgb.

  • 4. Het pgb wordt niet besteed aan:

    • a.

      administratiekosten of kosten van bemiddelingsbureaus, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      uitgaven die geen direct verband houden met de maatwerkvoorziening;

    • c.

      reiskosten, tenzij in de beschikking is bepaald dat deze uit het pgb mogen worden betaald.

  • 5. Het pgb wordt binnen een redelijke termijn na toekenning ingezet voor het doel waarvoor het is verstrekt.

Hoofdstuk 11 Eigen bijdrage in de kosten

Artikel 11.1 Eigen bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen

  • 1. De cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten van een maatwerkvoorziening of een pgb, zolang hij of zij van de voorziening gebruikmaakt, dan wel gedurende de periode waarvoor het pgb is toegekend.

  • 2. De hoogte van de bijdrage wordt vastgesteld op basis van het voor het betreffende kalenderjaar geldende abonnementstarief als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet, en bedraagt over de periode bedoeld in het eerste lid, maximaal de kostprijs van de maatwerkvoorziening of het pgb, en wordt geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

  • 3. De eigen bijdrage is verschuldigd vanaf de maand waarin de maatwerkvoorziening daadwerkelijk in gebruik is genomen of vanaf de maand waarin het persoonsgebonden budget kan worden aangewend, voor zover dit aan de cliënt is toe te rekenen. Als de maatwerkvoorziening of het pgb niet start op de eerste dag van de maand, is de eigen bijdrage verschuldigd vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand.

  • 4. De bijdrage kan worden aangepast of beëindigd als de maatwerkvoorziening feitelijk niet meer wordt gebruikt, overeenkomstig het bepaalde in deze verordening.

  • 5. Voor hulpmiddelen en woonvoorzieningen blijft de bijdrage verschuldigd, ook wanneer de cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de voorziening.

  • 6. Er hoeft geen bijdrage te worden betaald voor:

    • a.

      een rolstoel;

    • b.

      een financiële tegemoetkoming, behalve wanneer deze wordt verstrekt voor een woningaanpassing of een vervoersvoorziening.

    • c.

      een maatwerkvoorziening van personen in de leeftijd tot 18 jaar;

Artikel 11.2 Kostprijs

  • 1. De kostprijs van een:

    • a.

      maatwerkvoorziening wordt bepaald op basis van de kosten die voortvloeien uit een aanbesteding, marktconsultatie of overeenkomst met een aanbieder;

    • b.

      maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

Hoofdstuk 12 Toezicht, calamiteiten en handhaving

Artikel 12.1 Toezicht op rechtmatigheid, kwaliteit en doelmatigheid

  • 1. Om te voorkomen dat maatwerkvoorzieningen, waaronder pgb’s onterecht worden verstrekt en om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet tegen te gaan, wijst het college een of meer toezichthouders aan.

  • 2. De toezichthouder ziet toe op de naleving van de wet, deze verordening en de voorwaarden die zijn verbonden aan de verstrekking van maatwerkvoorzieningen, waaronder pgb’s en ook de naleving van overeenkomsten en subsidieregelingen op grond waarvan aanbieders namens het college voorzieningen leveren.

  • 3. De toezichthouder houdt toezicht op de wijze waarop maatwerkvoorzieningen waaronder pgb's worden gebruikt, met het oog op de beoordeling van de kwaliteit, de rechtmatigheid en de doelmatigheid daarvan.

  • 4. De toezichthoudend ambtenaar kan het college gevraagd en ongevraagd adviseren over de uitvoering en de handhaving van de wet en de daarop gebaseerde regels.

Artikel 12.2 Calamiteiten en geweld

  • 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld die zich voordoen bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan die is belast met het toezicht hierop.

  • 2. Aanbieders dienen iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening, zonder uitstel te melden aan de toezichthoudende ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudende ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 12.3 Handhaving, herziening en terugvordering

  • 1. Het college informeert cliënten en hun vertegenwoordigers op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die horen bij het ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb. Daarbij legt het college ook uit wat de gevolgen kunnen zijn van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en deze verordening.

  • 2. In aanvulling op artikel 2.3.8 van de wet doet de cliënt of zijn wettelijke vertegenwoordiger aan het college, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op of de uitvoering van een maatwerkvoorziening of een pgb.

  • 3. In aanvulling op artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing over een maatwerkvoorziening of een pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

  • 4. De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • a.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen;

    • b.

      de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten;

    • c.

      de cliënt niet (meer) voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden;

    • d.

      de cliënt de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 5. Als het college een beschikking intrekt omdat de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, kan het de waarde van de ten onrechte ontvangen voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen zowel van de cliënt als van anderen die bewust hebben meegewerkt aan het verstrekken van die informatie.

  • 6. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken wegens onrechtmatige verstrekking of onrechtmatig gebruik, kan de tegenwaarde van deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 7. De bepalingen in dit artikel zijn van toepassing op alle vormen van verstrekte maatwerkvoorzieningen, dus ook op pgb's of financiële tegemoetkomingen.

  • 8. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen een redelijke termijn na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 9. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken de betalingen uit het pgb geheel of gedeeltelijk op te schorten voor ten hoogste dertien weken, als er een gegrond vermoeden bestaat dat de cliënt niet voldoet aan verplichtingen op grond van de wet. Daarbij weegt het college de belangen van de cliënt zorgvuldig af en handelt het college proportioneel.

  • 10. Tijdens de periode waarin de betaling van het pgb is opgeschort, verricht het college of de toezichthoudend ambtenaar een onderzoek naar de rechtmatigheid en de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning.

Hoofdstuk 13 Kwaliteit en klachten

Artikel 13.1 Kwaliteitseisen voor maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat voorzieningen:

    • a.

      zijn afgestemd op de persoonlijke situatie, behoeften en mogelijkheden van de cliënt;

    • b.

      waar nodig zijn afgestemd op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      worden geleverd door beroepskrachten die handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2. Voor zover van toepassing zorgen aanbieders ervoor dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten ten minste voldoen aan de voorwaarden die gelden voor in de betreffende sector erkende keurmerken.

  • 3. Het college houdt toezicht op de naleving van de in dit artikel genoemde kwaliteitseisen.

Artikel 13.2 Klachtenregeling

  • 1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen op grond van deze verordening.

  • 2. Aanbieders met wie de gemeente een overeenkomst heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, stellen een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten over gedragingen van de aanbieder naar de cliënt en maken deze regeling bekend aan cliënten en mantelzorgers.

Hoofdstuk 14 Mantelzorgwaardering, ondersteuning en inspraak

Artikel 14.1 Waardering en ondersteuning mantelzorgers

  • 1. Het college geeft jaarlijks een blijk van waardering aan mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat mantelzorgers ondersteuning kunnen krijgen en draagt zorg voor:

    • a.

      het vinden van mantelzorgers;

    • b.

      het versterken van de positie van mantelzorgers;

    • c.

      het verlichten van de taken van mantelzorgers.

  • 3. Het college stelt nadere regels vast over hoogte van de mantelzorgwaardering als bedoeld in dit artikel (financieel besluit).

Artikel 14.2 Inspraak bij beleid maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij het voorbereiden van het beleid voor maatschappelijke ondersteuning;

  • 2. Het college stelt de Adviesraad Sociaal Domein vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen te doen en advies uit te brengen over maatschappelijke ondersteuning. Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij het voorbereiden van het beleid voor maatschappelijke ondersteuning;

Hoofdstuk 15 Slotbepalingen

Artikel 15.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht zou aandoen.

Artikel 15.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon 2019 wordt ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon;

  • 2. Een cliënt behoudt het recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon 2019, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen;

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon 2019 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld volgens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon 2019;

  • 4. Bezwaar tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon 2019 wordt behandeld volgens die verordening, die daarvoor geldig blijft;

  • 5. Het college kan ten gunste van de cliënt afwijken van het bepaalde in lid 3 en 4.

Artikel 15.3 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 mei 2026.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 mei 2026.

Griffier,

J.M.M. Vriend

Burgemeester (wnd),

L.A. de Lange

Toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) verplicht gemeenten om maatschappelijke ondersteuning te bieden aan inwoners die hier niet zelfstandig in kunnen voorzien. Deze ondersteuning is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, het bieden van beschermd wonen en opvang, en het bevorderen van sociale samenhang en veiligheid. Uitgangspunt is dat inwoners zelf verantwoordelijk zijn voor hoe zij hun leven inrichten en deelnemen aan de samenleving. Van hen wordt verwacht dat zij elkaar naar vermogen ondersteunen. Als dit niet voldoende is, kan de gemeente ondersteuning bieden, afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt. Het doel is om inwoners zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen en actief te laten deelnemen aan de samenleving, met ondersteuning waar nodig.

Deze verordening regelt hoe de gemeente Hollands Kroon invulling geeft aan de Wmo 2015. Ze biedt duidelijkheid over:

  • -

    de rechten en plichten van inwoners;

  • -

    de werkwijze van de gemeente;

  • -

    de inzet van algemene en maatwerkvoorzieningen;

  • -

    de mogelijkheid en voorwaarden van een pgb.

Opdracht gemeenteraad

Volgens artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 is de gemeenteraad verplicht om een verordening vast te stellen met regels die nodig zijn voor de uitvoering van de wet, het beleid voor maatschappelijke ondersteuning, en de besluiten of handelingen van het college. Deze verordening is een belangrijk instrument voor de praktische uitwerking van het beleid van de gemeente Hollands Kroon. Voor inwoners biedt het duidelijkheid over wat zij van de gemeente mogen verwachten en wat er van hen gevraagd wordt bij het beoordelen van hun hulpvraag. Voor professionals binnen de gemeente vormt het een kader om samen met de inwoner op een resultaatgerichte manier tot passende ondersteuning te komen.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

De Wmo 2015 bevat al veel definities. In deze verordening zijn alleen begrippen opgenomen die nodig zijn om de regels goed te kunnen lezen. Hieronder staat per begrip een korte uitleg in begrijpelijke taal. Deze toelichting helpt inwoners en professionals om de verordening beter te begrijpen.

Onder a: algemeen gebruikelijke voorziening

Een algemeen gebruikelijke voorziening is een product of dienst die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking. Het gaat om voorzieningen die algemeen verkrijgbaar zijn en die mensen normaal gesproken zelf aanschaffen. Deze voorzieningen zijn betaalbaar voor mensen met een minimuminkomen en helpen bij zelfstandig functioneren, zoals een standaardfiets of eenvoudige hulpmiddelen.

Onder b: algemene voorziening

Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat voor iedereen toegankelijk is. Iedereen kan hier gebruik van maken, zonder dat vooraf een persoonlijk onderzoek nodig is. Deze voorzieningen zijn bedoeld om inwoners te ondersteunen bij het dagelijks leven en deelname aan de samenleving.

Onder c: budgethouder

De budgethouder is de persoon die een pgb (pgb) ontvangt. De budgethouder is verantwoordelijk voor het beheren van het budget en voor het regelen van de ondersteuning binnen de regels van de Wmo en de verordening.

Onder d: eigen bijdrage

De eigen bijdrage is het bedrag dat een cliënt kan betalen voor het gebruik van Wmo‑voorzieningen. De hoogte en regels van de eigen bijdrage zijn vastgelegd in de Wmo 2015. De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het CAK.

Onder e: eigen kracht

Met eigen kracht wordt bedoeld wat iemand zelf kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te behouden of te verbeteren, of om problemen te verminderen of op te lossen. Dit kan door gebruik te maken van persoonlijke vaardigheden, ervaring en beschikbare middelen, eventueel met hulp van mensen uit de eigen omgeving.

Onder f: Financieel besluit

Het Financieel besluit is een regeling van het college waarin financiële afspraken staan die horen bij de uitvoering van deze verordening, zoals regels over bedragen of vergoedingen.

Onder g: financiële tegemoetkoming

Een financiële tegemoetkoming is een vergoeding in geld voor bepaalde kosten die samenhangen met maatschappelijke ondersteuning, als de verordening deze mogelijkheid biedt.

Onder h: gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp is hulp die mensen binnen een huishouden normaal gesproken van elkaar mogen verwachten. Het gaat om dagelijkse ondersteuning, zoals hulp bij het huishouden of lichte zorg, door huisgenoten.

Onder i: hoofdverblijf

Het hoofdverblijf is de plek waar iemand doorgaans woont. Dit is meestal het adres waar iemand staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Het hoofdverblijf bepaalt welk college verantwoordelijk is voor de Wmo‑ondersteuning.

Onder j: hulpvraag

Een hulpvraag is het moment waarop een inwoner aangeeft ondersteuning nodig te hebben. Dit kan gaan om ondersteuning bij zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. De hulpvraag is het startpunt van het Wmo‑proces.

Onder k: informele hulpverlener

Een informele hulpverlener is iemand die ondersteuning biedt vanuit een persoonlijke relatie, zoals een familielid, vriend of buur. Deze hulp wordt niet verleend als beroep of bedrijf, maar komt voort uit betrokkenheid bij de cliënt.

Onder l: mantelzorg

Mantelzorg is langdurige en onbetaalde zorg of ondersteuning die iemand geeft aan een ander vanuit een persoonlijke band. Mantelzorg wordt niet gegeven als professioneel werk, maar vanuit een sociale relatie.

Onder m: normaal gebruik van de woning

Normaal gebruik van de woning betekent dat iemand de basisactiviteiten in en om de woning kan uitvoeren. Het gaat bijvoorbeeld om kunnen slapen, eten, jezelf wassen, koken, naar het toilet gaan en je verplaatsen in huis.

Onder n: onderzoeksverslag

Het onderzoeksverslag is het schriftelijke verslag van het onderzoek dat het college doet na een hulpvraag. In het verslag staat informatie die nodig is om een besluit te nemen over ondersteuning.

Onder o: pgb

Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag waarmee een cliënt zelf maatschappelijke ondersteuning kan inkopen. Dit gebeurt binnen de regels van de Wmo en de verordening.

Onder p: pgb-plan

Het pgb‑plan is een plan van of namens de budgethouder. In dit plan staat hoe de ondersteuning wordt geregeld met het pgb en hoe wordt voldaan aan de regels die daarvoor gelden.

Onder q: professionele hulpverlener

Een professionele hulpverlener is een persoon of organisatie die maatschappelijke ondersteuning biedt als beroep of bedrijf. Deze hulpverlener beschikt over de juiste kennis en vaardigheden en voldoet aan de geldende kwaliteitseisen.

Onder r: pgb-vertegenwoordiger

De pgb‑vertegenwoordiger ondersteunt de budgethouder bij het uitvoeren van de verplichtingen die verbonden zijn aan het persoonsgebonden budget (pgb), zoals het beheren van het budget en het naleven van administratieve en inhoudelijke voorwaarden. De vertegenwoordiger wordt door de budgethouder ingeschakeld en door het college goedgekeurd. Uitgangspunt is dat de pgb‑vertegenwoordiger niet de rol van zorgverlener vervult, om belangenverstrengeling te voorkomen en een duidelijke scheiding aan te brengen tussen het beheren van het budget en het leveren van ondersteuning. In bijzondere situaties kan hiervan worden afgeweken, wanneer dit, gelet op de situatie van de cliënt, passend en verantwoord wordt geacht.

Onder s: voorliggende voorziening:

De Wmo 2015 is aanvullend van aard. Wanneer een andere wettelijke regeling of voorziening passend is voor de ondersteuningsbehoefte, gaat deze voor op ondersteuning op grond van deze verordening.

Onder t: wet

Met de wet wordt in deze verordening bedoeld: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Hoofdstuk 2 Toegang melding en onderzoek

Dit hoofdstuk beschrijft hoe cliënten toegang krijgen tot maatschappelijke ondersteuning. Het regelt de stappen vanaf de melding van een hulpvraag tot en met het onderzoek en de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. De bepalingen in dit hoofdstuk zorgen voor een zorgvuldige en duidelijke procedure, waarin samen met de cliënt wordt onderzocht welke ondersteuning nodig en passend is.

Artikel 2.1 Melding hulpvraag

Een cliënt die ondersteuning nodig heeft, kan dit melden bij het college. De melding is het startpunt van het proces waarin wordt bekeken of en welke ondersteuning nodig is. De cliënt kan zelf een melding doen, maar dit mag ook door iemand anders, zoals een mantelzorger of wettelijk vertegenwoordiger. Een melding kan op verschillende manieren worden gedaan, bijvoorbeeld digitaal via de website, telefonisch of mondeling. Het college bevestigt altijd schriftelijk dat de melding is ontvangen. In deze bevestiging staat wat de vervolgstappen zijn en wat de cliënt kan verwachten. Na de melding wordt zo snel mogelijk een afspraak gemaakt voor een gesprek. In situaties waarin direct hulp nodig is, kan het college alvast een tijdelijke oplossing regelen. Deze tijdelijke ondersteuning is bedoeld om een acute situatie te overbruggen totdat het onderzoek is afgerond.

Artikel 2.2 Onafhankelijke cliëntondersteuning

De wet verplicht gemeenten om te zorgen voor kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning is geen zorg of begeleiding, maar ondersteuning in de vorm van informatie, advies en algemene ondersteuning. Deze ondersteuning helpt de cliënt om zijn situatie te begrijpen, zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken over passende ondersteuning. Cliëntondersteuning is onafhankelijk van het college en van zorgaanbieders. De cliëntondersteuner heeft geen rol bij de besluitvorming over voorzieningen en levert zelf geen ondersteuning in de zin van een algemene of maatwerkvoorziening. Het belang van de cliënt staat altijd centraal.

Cliëntondersteuning kan worden ingezet vóór, tijdens en na het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte. Daarom wijst het college de cliënt en diens vertegenwoordiger actief op deze mogelijkheid voorafgaand aan en tijdens het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.5 van deze verordening. Onder cliënt wordt hierbij verstaan de persoon van wie de ondersteuningsbehoefte wordt onderzocht, ongeacht of al sprake is van een aanvraag of besluit.

Artikel 2.3 Vooronderzoek en persoonlijk plan

Na een melding verzamelt het college informatie die nodig is om de hulpvraag goed te begrijpen. Dit helpt om het gesprek met de cliënt goed voor te bereiden en voorkomt dat vragen onnodig worden herhaald. De cliënt kan worden gevraagd om aanvullende informatie of documenten aan te leveren, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is. Daarnaast kan de cliënt gebruikmaken van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen. In dit plan kan de cliënt aangeven wat hij nodig heeft en welke oplossingen hij zelf ziet. Het persoonlijk plan wordt betrokken bij het onderzoek en helpt om de hulpvraag vanuit het perspectief van de cliënt goed in beeld te brengen.

Artikel 2.4 Gebruikelijke hulp

De wet gaat ervan uit dat mensen zo veel mogelijk zelf hun leven kunnen inrichten en deelnemen aan de samenleving. Daarom kijkt het college eerst naar wat iemand zelf kan doen of kan regelen met hulp van de directe omgeving. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de eigen mogelijkheden van de cliënt, naar hulp van huisgenoten in de vorm van gebruikelijke hulp en naar ondersteuning door familie, vrienden of buren. Ook wordt bezien of gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen of van algemeen gebruikelijke zaken. Gebruikelijke hulp is de normale hulp die mensen binnen een huishouden van elkaar mogen verwachten. Bij de beoordeling hiervan houdt het college rekening met de persoonlijke situatie van de cliënt. Daarbij wordt gekeken naar de samenstelling van het huishouden, de aard van de hulpvraag en wat in redelijkheid van huisgenoten mag worden verwacht. Als deze mogelijkheden niet voldoende zijn om de problemen te verminderen of op te lossen, kan een maatwerkvoorziening worden overwogen.

Artikel 2.5 Onderzoek naar ondersteuningsbehoefte

Na de melding volgt een gesprek tussen de cliënt en een deskundige namens het college. Dit gesprek maakt deel uit van het onderzoek en is bedoeld om samen te bespreken wat nodig is om de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te behouden of te verbeteren. De cliënt mag zich tijdens het gesprek laten bijstaan door een vertegenwoordiger, cliëntondersteuner of iemand uit het sociale netwerk. Met instemming van de cliënt kan ook de mantelzorger worden betrokken. Tijdens het gesprek wordt gesproken over de persoonlijke situatie van de cliënt, mogelijke oplossingen en de vraag of een maatwerkvoorziening nodig is. Ook wordt in begrijpelijke taal uitgelegd of er een eigen bijdrage geldt en wat de keuze tussen zorg in natura en een pgb inhoudt. Het onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding. De uitkomsten van het gesprek en het onderzoek worden vastgelegd in een onderzoeksverslag. Dit verslag wordt door het college aan de cliënt verstrekt, zodat duidelijk is wat is besproken en wat de conclusie van het onderzoek is.

Artikel 2.6 Aanvraag

Na afronding van het onderzoek kan de cliënt of zijn vertegenwoordiger een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden gedaan. Het onderzoeksverslag dat na het onderzoek wordt opgesteld, kan door ondertekening door de cliënt worden aangemerkt als aanvraag. Eventuele opmerkingen of aanvullingen van de cliënt worden bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Om te voorkomen dat de cliënt afhankelijk wordt van de voortgang van het onderzoek, is vastgelegd dat de cliënt de aanvraag ook kan indienen wanneer het onderzoek zes weken na de melding nog niet is afgerond. Hiermee wordt aangesloten bij de wettelijke onderzoekstermijn en wordt de rechtspositie van de cliënt geborgd. Het college betrekt bij de beoordeling de uitkomsten van het onderzoek voor zover deze beschikbaar zijn.

Artikel 2.7 Deskundigheid en functiescheiding

Bij het onderzoek en de beoordeling van aanvragen is zorgvuldigheid belangrijk. Om de hulpvraag goed te kunnen beoordelen, kan het college om advies vragen aan deskundigen. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn bij medische vragen of bij het beoordelen van woningaanpassingen. Als het college een adviseur inschakelt, moet deze beschikken over passende deskundigheid. Daarnaast is het van belang dat advisering, besluitvorming en het leveren van ondersteuning van elkaar gescheiden blijven. Dit voorkomt belangenverstrengeling en draagt bij aan onafhankelijke en objectieve besluitvorming.

Artikel 2.8 Besluit en beschikking

Na afronding van het onderzoek en de aanvraag neemt het college een besluit. Dit besluit wordt vastgelegd in een beschikking. In de beschikking staat of de cliënt wel of geen maatwerkvoorziening krijgt. Bij een toekenning wordt vermeld welke ondersteuning wordt geboden, met welk doel en onder welke voorwaarden. Ook wordt aangegeven of de ondersteuning van zorg in natura wordt geleverd of via een pgb. Verder staat in de beschikking of een eigen bijdrage verschuldigd is en op welke manier bezwaar kan worden gemaakt. Zo weet de cliënt waar hij aan toe is en welke rechten en plichten daarbij horen.

Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen

Dit hoofdstuk beschrijft de inzet van algemene voorzieningen binnen de maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn bedoeld om inwoners op een laagdrempelige manier te ondersteunen bij het zelfstandig functioneren en het meedoen in de samenleving. Zij vormen vaak de eerste stap in de ondersteuning en sluiten aan bij wat inwoners zelf kunnen, eventueel met hulp van hun netwerk.

Artikel 3.1 Inzet algemene voorzieningen

Het college zorgt ervoor dat er algemene voorzieningen beschikbaar zijn voor inwoners van de gemeente. Deze voorzieningen zijn bedoeld om de zelfredzaamheid en participatie te ondersteunen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat voor iedereen toegankelijk is. Er vindt vooraf geen onderzoek plaats naar de persoonlijke situatie, behoeften of mogelijkheden van de gebruiker. De voorziening is gericht op maatschappelijke ondersteuning in algemene zin. Een algemene voorziening gaat voor op de inzet van een maatwerkvoorziening. Dit is anders wanneer de algemene voorziening niet passend is of niet binnen een redelijke termijn beschikbaar is, terwijl een maatwerkvoorziening wel aan deze voorwaarden voldoet. Voor algemene voorzieningen kan een eigen bijdrage worden gevraagd, voor zover dit op grond van de wet is toegestaan.

Artikel 3.2 Ondersteuning door wijkteams

In de gemeente zijn meerdere wijkteams per woongebied actief die fungeren als laagdrempelig aanspreekpunt voor inwoners met vragen of ondersteuningsbehoeften. De wijkteams maken onderdeel uit van de maatschappelijke ondersteuning en vervullen een voorliggende rol binnen het sociaal domein. De wijkteams bieden lichte individuele en collectieve vormen van ondersteuning, zoals informatie en advies, vraagverheldering en begeleiding. Deze ondersteuning is erop gericht om samen met inwoners en hun netwerk inzicht te krijgen in de situatie en te verkennen welke oplossingen passend zijn.

De inzet van het wijkteam is niet gericht op het structureel overnemen van ondersteuning, maar op het versterken van de eigen kracht, het sociale netwerk en het gebruik van algemene voorzieningen. De ondersteuning door de wijkteams heeft als doel het bevorderen of stabiliseren van de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving. Voor zover deze ondersteuning toereikend is, kan hiermee worden volstaan. Als blijkt dat de ondersteuning door het wijkteam onvoldoende is om de ondersteuningsbehoefte te compenseren, wordt beoordeeld of en welke verdere ondersteuning op grond van de wet noodzakelijk is.

Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen

Dit hoofdstuk beschrijft wanneer en onder welke voorwaarden een cliënt in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening. Maatwerkvoorzieningen zijn bedoeld voor situaties waarin andere oplossingen niet toereikend zijn om beperkingen in zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen. De bepalingen in dit hoofdstuk sluiten aan bij het uitgangspunt van de wet dat maatwerk wordt ingezet als aanvulling, wanneer eigen kracht, het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen onvoldoende zijn.

Artikel 4.1 Algemene uitgangspunten maatwerkvoorzieningen

Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening als hij zijn beperkingen in zelfredzaamheid of participatie niet kan oplossen met behulp van eigen mogelijkheden of andere voorliggende oplossingen. Daarbij wordt gekeken naar de inzet van eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening draagt, op basis van het onderzoeksverslag en eventueel het persoonlijk plan, bij aan het vergroten of behouden van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Het doel is dat de cliënt zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen. De omvang van de maatwerkvoorziening wordt bepaald aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek. Het college kiest daarbij de goedkoopst passende voorziening die aansluit bij de situatie van de cliënt.

Daarnaast zijn situaties benoemd waarin geen recht bestaat op een maatwerkvoorziening. Dit is het geval wanneer al eerder een voorziening is verstrekt en de gebruikelijke afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder verstrekte voorziening door omstandigheden buiten de schuld van de cliënt verloren is gegaan, is gestolen of defect is geraakt, wanneer de cliënt geheel of gedeeltelijk bijdraagt in de kosten van vervanging, of wanneer de voorziening door gewijzigde omstandigheden niet langer een passende oplossing biedt voor de ondersteuningsbehoefte. Ook bestaat geen recht op een maatwerkvoorziening wanneer sprake is van een voorliggende voorziening of wanneer de ondersteuning niet langdurig noodzakelijk is. Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding en dagbesteding geldt hierop een uitzondering.

Artikel 4.2 Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen

Dit artikel bevat een overzicht van de typen maatwerkvoorzieningen die het college kan inzetten wanneer op grond van artikel 4.1 is vastgesteld dat een cliënt in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. De opsomming is niet uitputtend en is bedoeld ter structurering van de verordening. De inhoudelijke voorwaarden en nadere uitwerking van de verschillende maatwerkvoorzieningen zijn opgenomen in de daaropvolgende hoofdstukken van deze verordening.

Artikel 4.3 Vorm en voorwaarden van maatwerkvoorzieningen

Een cliënt die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening heeft de keuze tussen zorg in natura en een pgb. Bij zorg in natura organiseert en levert de gemeente de ondersteuning via een gecontracteerde aanbieder. Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd wanneer deze al is gerealiseerd vóór de melding van de hulpvraag of na de melding maar vóór het besluit op de aanvraag, tenzij hiervoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven. Daarnaast zijn bepalingen opgenomen over verzekeringen bij woningaanpassingen en andere maatwerkvoorzieningen. Hiermee wordt geborgd dat schade, verlies of diefstal op passende wijze is verzekerd. Tot slot is vastgelegd dat het college nadere regels vaststelt over gebruikelijke afschrijvingstermijnen in een afzonderlijk financieel besluit.

Artikel 4.4 Financiële tegemoetkoming

Een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt als vorm van maatwerk. Deze tegemoetkoming is bedoeld voor specifieke kosten, zoals verhuizen, de aanschaf van een sportvoorziening of het gebruik van een eigen auto voor lokale verplaatsingen. De hoogte en verdere voorwaarden van de financiële tegemoetkoming worden door het college uitgewerkt in een financieel besluit. De nadere financiële uitwerking van maatwerkvoorzieningen en financiële tegemoetkomingen is vastgelegd in het financieel besluit.

Hoofdstuk 5 Huishoudelijke ondersteuning

Hoofdstuk 5 regelt de huishoudelijke ondersteuning als maatwerkvoorziening op grond van de wet. Dit hoofdstuk sluit aan bij de algemene uitgangspunten en afwegingskaders die zijn vastgelegd in de eerdere hoofdstukken van deze verordening. Huishoudelijke ondersteuning is bedoeld voor cliënten die door lichamelijke, psychische of cognitieve beperkingen niet in staat zijn om (delen van) het huishouden zelfstandig uit te voeren. De ondersteuning wordt ingezet wanneer eigen mogelijkheden, het sociale netwerk, gebruikelijke hulp en algemene voorzieningen onvoldoende zijn om te komen tot een schoon en leefbaar huishouden.

Artikel 5.1 Doel en resultaten huishoudelijke ondersteuning

De huishoudelijke ondersteuning is gericht op het bereiken van resultaten die bijdragen aan het zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving. De ondersteuning wordt resultaatgericht ingezet en is niet gekoppeld aan vaste taken. Om de ondersteuning concreet, objectief en toetsbaar vast te stellen, wordt de omvang van de huishoudelijke ondersteuning, op basis van een individueel onderzoek, geïndiceerd in minuten per week. Hierdoor ontstaat ruimte om de ondersteuning af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt. De genoemde resultaten geven richting aan het onderzoek en de besluitvorming door het college. Zij maken inzichtelijk welke onderdelen van het dagelijks leven door huishoudelijke ondersteuning kunnen worden gecompenseerd, zodat de cliënt in staat blijft een huishouden te voeren en, indien van toepassing, zorg te dragen voor minderjarige kinderen.

Artikel 5.2 Voorwaarden bij de huishoudelijke ondersteuning

Bij de beoordeling van de noodzaak van huishoudelijke ondersteuning hanteert het college een samenhangend afwegingskader. De ondersteuning richt zich op de ruimten die noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. Hiermee wordt geborgd dat de ondersteuning bijdraagt aan elementaire woonfuncties en het dagelijks functioneren in de woning. Bij de afweging wordt rekening gehouden met de mate waarin huisgenoten gebruikelijke hulp kunnen bieden. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de wet dat van huisgenoten mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen ondersteunen. Deze beoordeling vindt altijd plaats op basis van de individuele situatie, waarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden en belastbaarheid van de betrokken huisgenoten.

Huishoudelijke ondersteuning kan tijdelijk worden ingezet wanneer dit bijdraagt aan het aanleren van vaardigheden die nodig zijn om het huishouden zelfstandig te kunnen uitvoeren. Deze tijdelijke inzet is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en het voorkomen van langdurige afhankelijkheid van ondersteuning. Bij het vaststellen van de behoefte aan huishoudelijke ondersteuning worden verschillende omstandigheden in samenhang betrokken. Daarbij spelen onder meer de aard en omvang van de beperkingen, de samenstelling van het huishouden en de aanwezigheid van minderjarige kinderen een rol. Ook de leeftijd van de cliënt en diens mogelijkheden om nieuwe vaardigheden aan te leren worden meegenomen in de beoordeling, met behoud van het uitgangspunt van maatwerk.

Hoofdstuk 6 Begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf

Dit hoofdstuk bevat bepalingen over maatwerkvoorzieningen die zijn gericht op ondersteuning bij het dagelijks functioneren van cliënten die door beperkingen niet volledig zelfstandig kunnen participeren in de samenleving. Het gaat om individuele begeleiding, begeleiding in groepsverband (dagbesteding), het bijbehorende vervoer en kortdurend verblijf (respijtzorg). De voorzieningen zijn aanvullend op eigen kracht, gebruikelijke hulp, het sociaal netwerk en algemene voorzieningen.

Artikel 6.1 Voorwaarden individuele begeleiding

Individuele begeleiding kan worden ingezet wanneer een cliënt ondersteuning nodig heeft bij het dagelijks functioneren en het voeren van regie over het eigen leven. De ondersteuning is gericht op het vergroten of behouden van zelfredzaamheid en participatie. De in dit artikel genoemde resultaten vormen het uitgangspunt voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte. Bij de afweging betrekt het college onder meer de aard en ernst van de beperkingen, de mogelijkheden van de cliënt en de noodzaak van toezicht in verband met veiligheid. De begeleiding vindt in beginsel plaats in de directe leefomgeving van de cliënt. De inzet wordt afgestemd op de persoonlijke situatie en kan verschillen in tijd en frequentie.

Artikel 6.2 Voorwaarden begeleiding in groepsverband (dagbesteding)

Begeleiding in groepsverband, ook wel dagbesteding genoemd, is bedoeld voor cliënten die baat hebben bij ondersteuning in een gestructureerde groepssetting. Deze vorm van begeleiding kan bijdragen aan het aanbrengen van dagstructuur, het onderhouden van sociale contacten en het versterken van vaardigheden. Dagbesteding kan meerdere doelen dienen, zoals het ondersteunen van participatie, het vergroten van kwaliteit van leven en het ontlasten van mantelzorgers. Bij begeleiding ligt de nadruk op het versterken van zelfredzaamheid en het voeren van regie over het eigen leven. De ondersteuning is gericht op het ontwikkelen en behouden van vaardigheden en structuur. Bij de beoordeling van de noodzaak van begeleiding in groepsverband worden onder andere de aard en ernst van de beperkingen van de cliënt, de mate van zelfredzaamheid en de situatie van de mantelzorger betrokken. De ondersteuning vindt plaats op een speciaal daarvoor ingerichte locatie, buiten de woonsituatie van de cliënt. De indicatie wordt afgegeven in dagdelen. Nadere uitwerking van de omvang en frequentie vindt plaats in beleidsregels en het financieel besluit.

Artikel 6.3 Voorwaarden vervoer van en naar dagbesteding

Om daadwerkelijk gebruik te kunnen maken van dagbesteding kan vervoer noodzakelijk zijn. Vervoer is geen zelfstandig doel, maar een ondersteunende maatwerkvoorziening die aanvullend kan worden ingezet. Bij de beoordeling van de vervoersbehoefte wordt gekeken of de cliënt, gelet op zijn beperkingen, zelfstandig of met hulp van het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, informele hulp of een algemeen gebruikelijke voorziening kan reizen. Alleen wanneer deze mogelijkheden niet passend of toereikend zijn, kan vervoer als maatwerkvoorziening worden toegekend.

De persoonlijke omstandigheden van de cliënt worden hierbij in samenhang beoordeeld.

Artikel 6.4 Voorwaarden kortdurend verblijf (respijtzorg)

Kortdurend verblijf, ook wel respijtzorg genoemd, kan worden ingezet om mantelzorgers tijdelijk te ontlasten wanneer de zorg voor een thuiswonende cliënt intensief is. De voorziening is bedoeld als tijdelijke ondersteuning en draagt bij aan het langer volhouden van mantelzorg. Kortdurend verblijf wordt doorgaans ingezet bij cliënten met ernstige en chronische beperkingen. De beoordeling van de omvang en duur vindt plaats op basis van de individuele situatie van de cliënt en de mate van (dreigende) overbelasting van de mantelzorger. Daarbij betrekt het college ook of er signalen zijn dat de cliënt niet veilig alleen kan worden gelaten en blijvend toezicht of zorg in de nabijheid nodig heeft. In die situaties wordt onderzocht of toeleiding naar een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg passend is.

Hoofdstuk 7 Woonvoorzieningen

Dit hoofdstuk beschrijft de voorwaarden waaronder het college een maatwerkvoorziening kan verstrekken die is gericht op het wonen. Het doel van woonvoorzieningen is dat cliënten met beperkingen hun woning zo normaal, veilig en zelfstandig mogelijk kunnen gebruiken. Daarbij staat het dagelijks functioneren in de eigen leefomgeving centraal.

Artikel 7.1 Algemene voorwaarden voor woonvoorzieningen

Dit artikel beschrijft wat onder een woonvoorziening wordt verstaan en welke uitgangspunten het college hanteert bij de beoordeling van een aanvraag. Een woonvoorziening is een maatwerkvoorziening die is gericht op het mogelijk maken van het normale gebruik van de woning. Het gaat daarbij om het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en het kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimtes in de woning waarin de cliënt zijn hoofdverblijf heeft.

Als onderdeel van de beoordeling onderzoekt het college of verhuizen naar een andere, passende woning een geschikte oplossing is. Bij aanvragen voor een woonvoorziening in de vorm van een woningaanpassing kan het college, na een individuele afweging, het primaat van verhuizen toepassen. Dit houdt in dat wordt bezien of verhuizen een beter passende oplossing is dan het aanpassen van de huidige woning. Hulpmiddelen vallen niet onder het primaat van verhuizen. Wanneer verhuizen geen passende oplossing is, kan het college een woonvoorziening en/of een hulpmiddel verstrekken die noodzakelijk is om het normale gebruik van de woning mogelijk te maken. Daarbij worden uitsluitend voorzieningen verstrekt die nodig zijn om de gebruikelijke en noodzakelijke gebruiksruimtes bereikbaar, veilig en bruikbaar te maken. Het college houdt daarbij rekening met een gebruikelijke afschrijvingstermijn van eerder door de woningeigenaar aangebrachte voorzieningen. Nadere regels hierover zijn vastgelegd in het financieel besluit.

Artikel 7.2 Specifieke voorwaarden voor woonvoorzieningen

Een woonvoorziening is bedoeld om de cliënt in staat te stellen de algemene dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en gebruik te maken van de noodzakelijke woonruimtes en voorzieningen voor het dagelijks functioneren. Een woonvoorziening wordt uitsluitend verstrekt voor de woning waarin de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. De noodzaak voor een woonvoorziening moet rechtstreeks voortvloeien uit de beperkingen van de cliënt zelf.

Er wordt geen woonvoorziening verstrekt wanneer de noodzaak het gevolg is van omstandigheden die voor rekening van de cliënt behoren te blijven. Hierbij wordt onder meer betrokken of de noodzaak voor de woonvoorziening voor de cliënt redelijkerwijs voorzienbaar was, bijvoorbeeld bij een verhuizing naar een woning die, gelet op de beperkingen van de cliënt, niet geschikt is, terwijl een meer passende woning beschikbaar was.

Het college kan een aanvraag weigeren wanneer na een individuele afweging blijkt dat de noodzaak is ontstaan door een niet‑noodzakelijke verhuizing. Ook kan een aanvraag worden geweigerd wanneer aannemelijk is dat de cliënt binnen afzienbare tijd zal verhuizen naar een zorginstelling of andere niet‑zelfstandige woonruimte, of wanneer het, gelet op de leeftijd of gezinssituatie van de cliënt, redelijkerwijs algemeen gebruikelijk is dat de cliënt binnen afzienbare tijd zal verhuizen naar een meer passende woonsituatie.

Daarnaast worden geen woonvoorzieningen verstrekt wanneer de ondervonden problemen uitsluitend voortvloeien uit de gebruikte materialen of de inrichting van de woning en niet samenhangen met de beperkingen van de cliënt of met de noodzakelijke inzet van hulpmiddelen. Evenmin wordt een woonvoorziening verstrekt wanneer de voorziening voornamelijk strekt tot renovatie vanwege achterstallig onderhoud.

Voorbeelden hiervan zijn gladde vloeren of een onpraktische indeling die klachten veroorzaken zonder dat sprake is van een functionele beperking van de cliënt. Dit valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt en niet onder de Wmo.

Tot slot worden, met uitzondering van bijzondere omstandigheden, geen woonvoorzieningen verstrekt voor gemeenschappelijke ruimten in wooncomplexen die specifiek zijn bedoeld voor bepaalde doelgroepen, wanneer bij de bouw of renovatie redelijkerwijs passende voorzieningen hadden kunnen worden getroffen. Ook worden geen woonvoorzieningen verstrekt voor woningen die niet zijn bedoeld voor permanent verblijf, zoals recreatiewoningen, hotels of gehuurde kamers. Hierop geldt één uitzondering: een maatwerkvoorziening die is gericht op verhuizing en inrichting.

Artikel 7.3 Hulpmiddelen voor verplaatsen in en om de woning

Dit artikel ziet op hulpmiddelen die het mogelijk maken dat de cliënt zich kan verplaatsen in en om de woning. Deze hulpmiddelen zijn bedoeld om de gebruikelijke hoofdruimtes te kunnen bereiken en te gebruiken. Ook hier geldt dat de hulpmiddelen uitsluitend worden verstrekt voor de woning waarin de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Dit geldt zowel voor meerderjarige als minderjarige cliënten. De voorziening moet noodzakelijk zijn voor het dagelijks functioneren in de woning.

Artikel 7.4 Bezoekbaar maken van een woning

Deze voorziening is bedoeld voor cliënten die hun hoofdverblijf hebben in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg en die regelmatig op bezoek gaan bij een inwoner van de gemeente. Het bezoekbaar maken van een woning betekent niet dat de gehele woning wordt aangepast. Het gaat uitsluitend om het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Met deze voorziening wordt het onderhouden van sociale contacten mogelijk gemaakt en wordt sociale isolatie voorkomen, terwijl de aanpassing beperkt blijft tot wat noodzakelijk is voor een veilig en waardig bezoek.

Hoofdstuk 8 Vervoersvoorzieningen

Dit hoofdstuk beschrijft wanneer het college een maatwerkvoorziening voor lokaal verplaatsen kan verstrekken, zodat inwoners met beperkingen kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. De ondersteuning is aanvullend en wordt alleen ingezet als eigen kracht, netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen en collectief vervoer niet toereikend zijn.

Artikel 8.1 Lokaal vervoer

Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor deelname aan het maatschappelijk verkeer in de vorm van een vervoersvoorziening of een vervoersbudget. Welke vorm van ondersteuning wordt ingezet, hangt af van de individuele situatie van de cliënt en wordt bepaald op basis van een afweging van wat in dat geval het meest passend en doelmatig is. De maatwerkvoorziening is bedoeld voor cliënten met beperkingen van langdurige aard die niet in staat zijn om, of niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van, het openbaar vervoer, het eigen netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen of collectief vervoer. Hiermee wordt geborgd dat de ondersteuning aanvullend is en pas wordt ingezet wanneer andere mogelijkheden onvoldoende toereikend zijn.

Wanneer wordt gekozen voor een vervoersbudget, wordt dit verstrekt als financiële tegemoetkoming op declaratiebasis. De verordening stelt hiervoor het kader. De nadere uitwerking, waaronder de hoogte, omvang en duur van het vervoersbudget, is vastgelegd in het financieel besluit. De maatwerkvoorziening vervoer is gericht op het mogelijk maken van verplaatsingen in het kader van sociale participatie. Het gaat daarbij om verplaatsingen die nodig zijn voor het dagelijks maatschappelijk verkeer, zoals het doen van boodschappen, het onderhouden van sociale contacten en het deelnemen aan maatschappelijke activiteiten. Deze voorbeelden geven richting aan de beoordeling van de vervoersbehoefte, zonder een uitputtende opsomming te vormen.

Hoofdstuk 9 Beschermd wonen

Artikel 9.1 Toegang tot beschermd wonen

Beschermd wonen is bedoeld voor cliënten die door psychische of psychosociale problemen niet in staat zijn zich zelfstandig te handhaven in de samenleving. De uitvoering van beschermd wonen vindt plaats in regionaal verband. Het college blijft verantwoordelijk voor de toegang tot beschermd wonen en handelt daarbij overeenkomstig de geldende regionale afspraken. De centrumgemeente vervult een uitvoerende rol bij beschermd wonen. Deze uitvoering en eventuele besluitvorming vinden plaats namens het college, op basis van mandaat en regionale afspraken.

Hoofdstuk 10 Persoonsgebonden budget (pgb)

Met een pgb kan een cliënt ervoor kiezen om zelf ondersteuning, hulpmiddelen of aanpassingen in te kopen in plaats van deze te ontvangen via een gecontracteerde aanbieder van de gemeente. Het pgb biedt cliënten meer regie en keuzevrijheid bij het organiseren van passende ondersteuning. Tegelijkertijd brengt deze keuze ook verantwoordelijkheden met zich mee, omdat het gaat om de besteding van publieke middelen. Dit hoofdstuk beschrijft onder welke voorwaarden een pgb kan worden verstrekt, hoe het pgb mag worden besteed en hoe de hoogte van het budget wordt vastgesteld. Daarbij wordt een balans gezocht tussen keuzevrijheid voor de cliënt en de verantwoordelijkheid van het college om te zorgen voor een rechtmatige, doelmatige en zorgvuldige inzet van middelen.

Artikel 10.1 Voorwaarden voor een pgb

Een pgb is alleen mogelijk wanneer de cliënt, of diens vertegenwoordiger, in staat is om de taken die bij het beheren van een pgb horen op een verantwoorde manier uit te voeren. Om dit te kunnen beoordelen stelt de cliënt een pgb‑plan op. In dit plan licht de cliënt toe waarom hij kiest voor een pgb, waarvoor het budget wordt ingezet en hoe wordt geborgd dat de ingekochte ondersteuning veilig, doeltreffend en van goede kwaliteit is. Bij de beoordeling kijkt het college onder andere naar de geschiktheid en kwaliteit van de in te kopen ondersteuning of voorziening. Ook wordt beoordeeld of de cliënt pgb‑bekwaam is. Dit betekent dat de cliënt of vertegenwoordiger de administratieve, organisatorische en inhoudelijke taken die bij een pgb horen kan uitvoeren en zijn belangen voldoende kan behartigen.

Wanneer een vertegenwoordiger het pgb beheert, gelden aanvullende voorwaarden om belangenverstrengeling te voorkomen en te waarborgen dat het pgb in het belang van de cliënt wordt ingezet. In beginsel levert een vertegenwoordiger niet zelf de ondersteuning en heeft hij geen zakelijke relatie met de zorgaanbieder, tenzij het college dit in een specifieke situatie passend en verantwoord acht.

Het college kan een pgb weigeren of beëindigen wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de verordening, wanneer het pgb niet verantwoord kan worden beheerd, bij misbruik of wanneer het pgb voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor het is verstrekt. Kosten die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend, komen niet voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van het pgb is nooit hoger dan de kosten van een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura. Hiermee wordt geborgd dat het pgb een passend alternatief is en geen financieel gunstiger voorziening.

Artikel 10.2 Hoogte van een pgb voor diensten

De hoogte van het pgb wordt afgestemd op de ondersteuning die nodig is om het beoogde resultaat te bereiken. Bij het vaststellen van het budget betrekt het college het pgb‑plan van de cliënt. De tarieven moeten toereikend zijn om de noodzakelijke ondersteuning veilig, doeltreffend en van goede kwaliteit te kunnen realiseren.

Uitgangspunt is de goedkoopst passende maatwerkvoorziening. Het pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van een vergelijkbare, goedkoopst passende voorziening in natura. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar de aard, intensiteit en professionaliteit van de ondersteuning. Voor professionele hulpverleners sluiten de tarieven aan bij de laagste gemeentelijke tarieven voor vergelijkbare voorzieningen van zorg in natura. Voor ondersteuning vanuit het sociaal netwerk gelden lagere tarieven, met het wettelijk minimumloon als uitgangspunt. In bijzondere situaties kan het college gemotiveerd afwijken van de vastgestelde tarieven om de kwaliteit, continuïteit of beschikbaarheid van de ondersteuning te waarborgen. De concrete tarieven en de nadere uitwerking daarvan zijn vastgelegd in het financieel besluit.

Artikel 10.3 Hoogte van een pgb voor zaken

Voor zaken zoals hulpmiddelen en woningaanpassingen wordt het pgb vastgesteld op basis van de kostprijs van de voorziening in natura. Wanneer geen gecontracteerde aanbieders beschikbaar zijn, wordt uitgegaan van de goedkoopst passende voorziening. Indien van toepassing kan het pgb worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. Ook hiervoor geldt dat de nadere uitwerking plaatsvindt in het financieel besluit.

Artikel 10.4 Besteding en verantwoording van een pgb

Het pgb mag uitsluitend worden gebruikt voor het inkopen van de maatwerkvoorziening waarvoor het is toegekend. Betaling vindt alleen plaats op basis van daadwerkelijk geleverde ondersteuning of aantoonbaar gemaakte kosten. Het betalingsverkeer wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De cliënt is verplicht zich te houden aan de regels en afspraken die daarbij gelden. Voor elke zorgverlener of aanbieder wordt een schriftelijke zorgovereenkomst afgesloten waarin afspraken zijn vastgelegd over de ondersteuning, het tarief en de periode. De SVB kan betalingen weigeren of stopzetten wanneer declaraties niet voldoen aan deze afspraken of aan de geldende regels.

Om oneigenlijk gebruik te voorkomen is vastgelegd welke kosten niet uit het pgb mogen worden betaald. Zo is het pgb niet bedoeld voor administratie‑ en bemiddelingskosten, vrije besteding of reiskosten, tenzij in de beschikking expliciet is vastgelegd dat reiskosten wel worden vergoed. Daarnaast geldt dat het pgb binnen een redelijke termijn na toekenning moet worden ingezet voor het doel waarvoor het is verstrekt.

Hoofdstuk 11 Eigen bijdrage in de kosten

De wet biedt gemeenten de mogelijkheid om een eigen bijdrage te vragen voor maatwerkvoorzieningen en pgb. Met deze bijdrage betalen cliënten mee aan de kosten van de ondersteuning die zij ontvangen. De wet stelt daarbij duidelijke kaders, onder andere over de hoogte van de bijdrage en de inning daarvan. Dit hoofdstuk beschrijft wanneer een cliënt een bijdrage verschuldigd is, hoe de hoogte van deze bijdrage wordt bepaald en in welke situaties geen bijdrage hoeft te worden betaald. De regeling sluit aan bij de landelijke systematiek van het abonnementstarief en bij de uitvoeringspraktijk van het CAK.

Artikel 11.1 Eigen bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen

Een eigen bijdrage kan worden gevraagd zolang de cliënt daadwerkelijk gebruikmaakt van een maatwerkvoorziening of, bij een pgb, gedurende de periode waarvoor het budget is toegekend. De hoogte van de bijdrage wordt vastgesteld op basis van het voor het betreffende kalenderjaar geldende abonnementstarief zoals bedoeld in de wet. Daarbij geldt dat de bijdrage nooit hoger kan zijn dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening of de hoogte van het pgb.

De vaststelling en inning van de eigen bijdrage vindt plaats door het CAK. Het college verstrekt daartoe de benodigde gegevens aan het CAK. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke uitvoeringssystematiek en wordt voorkomen dat gemeenten zelf bijdragen innen. De bijdrage is verschuldigd vanaf de maand waarin de maatwerkvoorziening daadwerkelijk in gebruik is genomen. Bij een pgb is de bijdrage verschuldigd vanaf de maand waarin het budget kan worden aangewend. Wanneer een maatwerkvoorziening feitelijk niet meer wordt gebruikt, kan de bijdrage worden aangepast of beëindigd overeenkomstig het bepaalde in deze verordening. Voor hulpmiddelen en woonvoorzieningen blijft de bijdrage verschuldigd zolang de voorziening beschikbaar is, ook wanneer de cliënt hiervan tijdelijk geen gebruik maakt. Dit sluit aan bij het karakter van deze voorzieningen, die doorgaans voor een langere periode ter beschikking worden gesteld en niet afhankelijk zijn van dagelijks gebruik.

In een aantal situaties wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Dit geldt voor rolstoelen en voor maatwerkvoorzieningen die worden toegekend aan personen jonger dan 18 jaar. Voor financiële tegemoetkomingen geldt dat in beginsel geen eigen bijdrage wordt gevraagd, tenzij de financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor een woningaanpassing of een vervoersvoorziening. Met deze uitzondering wordt voorkomen dat woning‑ en vervoersaanpassingen onbedoeld buiten de bijdrageplicht vallen.

Artikel 11.2 Kostprijs

Voor het bepalen van de eigen bijdrage is de kostprijs van de voorziening belangrijk. Bij een maatwerkvoorziening in natura is de kostprijs het bedrag dat de gemeente betaalt aan de aanbieder voor het leveren van de ondersteuning. Bij een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is de kostprijs het bedrag dat de cliënt van de gemeente krijgt om zelf de ondersteuning in te kopen. De kostprijs bepaalt wat de maximale eigen bijdrage is die in rekening kan worden gebracht.

Hoofdstuk 12 Toezicht, calamiteiten en handhaving

Het college is op grond van de wet verantwoordelijk voor een rechtmatige, doelmatige en kwalitatief goede uitvoering van maatwerkvoorzieningen en pgb’s. Met dit hoofdstuk wordt vastgelegd welke bevoegdheden het college heeft om toezicht te houden, hoe wordt omgegaan met calamiteiten en geweld, en onder welke voorwaarden een maatwerkvoorziening of pgb kan worden herzien, ingetrokken of teruggevorderd. Het hoofdstuk vormt een juridisch kader. De praktische uitwerking van toezicht en handhaving vindt plaats in beleidsregels en de uitvoering.

Artikel 12.1. Toezicht op rechtmatigheid, kwaliteit en doelmatigheid

Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college om toezicht te houden op het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb. Het toezicht is erop gericht misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen en te beoordelen of de ondersteuning voldoet aan de eisen van kwaliteit en recht‑ en doelmatigheid. Het college kan controles uitvoeren op de naleving van de wet, de bepalingen uit deze verordening en de voorwaarden die zijn vastgelegd in overeenkomsten met aanbieders. Het toezicht kan periodiek en steekproefsgewijs plaatsvinden. Dit betekent dat het college niet alleen reageert op signalen, maar ook actief controleert of maatwerkvoorzieningen en pgb's op de juiste wijze worden ingezet. De uitvoering van deze controles vindt plaats door of namens het college. Daaronder valt ook de toezichthoudend ambtenaar die door het college is aangewezen op grond van artikel 6.1 van de wet. Deze toezichthoudend ambtenaar vervult een onafhankelijke rol en kan het college zowel gevraagd als ongevraagd adviseren over de uitvoering van de Wmo.

Artikel 12.2 Calamiteiten en geweld

Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan het toezicht op calamiteiten en geweld bij de verstrekking van Wmo‑voorzieningen. Het college zorgt ervoor dat er een duidelijke regeling is voor het melden van dergelijke incidenten en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan die hiermee is belast. Aanbieders zijn verplicht om iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich voordoet bij de levering van een voorziening zonder uitstel te melden bij deze toezichthoudend ambtenaar. Op basis van deze meldingen verricht de toezichthoudend ambtenaar onderzoek. De bevindingen van dit onderzoek vormen de basis voor advisering aan het college over maatregelen die zijn gericht op het voorkomen van herhaling en het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de ondersteuning.

Artikel 12.3 Handhaving, herziening en terugvordering

In deze bepaling wordt ingegaan op de omgang met nieuwe feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op een maatwerkvoorziening of een pgb. Het college informeert cliënten en hun vertegenwoordigers op een begrijpelijke manier over hun rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en deze verordening. Van cliënten en hun wettelijke vertegenwoordigers wordt verwacht dat zij het college tijdig informeren over alle relevante feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op of de uitvoering van de ondersteuning. Op basis van deze informatie kan het college een eerder genomen beslissing herzien of intrekken, bijvoorbeeld wanneer onjuiste gegevens zijn verstrekt, de ondersteuning niet langer nodig of passend is, niet aan voorwaarden wordt voldaan of de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt.

Wanneer een beschikking wordt ingetrokken vanwege het opzettelijk verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie, kan het college de waarde van de ten onrechte ontvangen voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Deze bepaling geldt voor alle vormen van maatwerkvoorzieningen, waaronder pgb's en financiële tegemoetkomingen. Tot slot is vastgelegd dat het college bij een gegrond vermoeden van het niet naleven van verplichtingen de betalingen uit een pgb tijdelijk kan laten opschorten, met inachtneming van een zorgvuldige belangenafweging en proportionaliteit, terwijl onderzoek wordt gedaan naar de rechtmatigheid en de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning.

Hoofdstuk 13 Kwaliteitseisen en klachten

Het college is op grond van de wet verantwoordelijk voor het stellen van kwaliteitseisen en het borgen van een zorgvuldige en toegankelijke klachtenafhandeling. Met dit hoofdstuk wordt vastgelegd welk kwaliteitsniveau van aanbieders wordt verwacht en hoe cliënten klachten kunnen indienen over de uitvoering van de Wmo.

Artikel 13.1 Kwaliteitseisen voor maatschappelijke ondersteuning

Dit artikel beschrijft de kwaliteitseisen waaraan aanbieders van maatschappelijke ondersteuning moeten voldoen. Van aanbieders wordt verwacht dat zij ondersteuning leveren die is afgestemd op de persoonlijke situatie, behoeften en mogelijkheden van de cliënt. Daarbij wordt, waar nodig, samenhang gezocht met andere vormen van zorg en ondersteuning. De ondersteuning moet worden geleverd door beroepskrachten die handelen volgens de professionele standaard. Daarnaast is vastgelegd dat aanbieders, voor zover van toepassing, voldoen aan de voorwaarden die gelden voor in de betreffende sector erkende keurmerken. Het college houdt toezicht op de naleving van deze kwaliteitseisen. De wijze waarop dit toezicht wordt uitgevoerd, wordt nader uitgewerkt in beleidsregels en in afspraken met aanbieders.

Artikel 13.2 Klachtenregeling

Het college stelt een regeling vast voor klachten van cliënten over de wijze waarop meldingen en aanvragen worden afgehandeld. Hiermee wordt geborgd dat cliënten op een laagdrempelige en zorgvuldige manier hun klacht kenbaar kunnen maken. Daarnaast zijn aanbieders verplicht om een eigen effectieve en laagdrempelige klachtenregeling te hebben voor klachten van cliënten over gedragingen van de aanbieder. Aanbieders moeten deze regeling actief bekendmaken aan cliënten en mantelzorgers, zodat zij weten waar zij met hun klacht terechtkunnen.

Hoofdstuk 14 Mantelzorgwaardering, ondersteuning en inspraak

Mantelzorgers leveren een belangrijke bijdrage aan het welzijn en de zelfredzaamheid van cliënten die ondersteuning nodig hebben. De gemeente heeft op grond van de wet de taak om mantelzorgers te waarderen en te ondersteunen. Daarnaast is het van belang dat cliënten en vertegenwoordigers uit het sociaal domein worden betrokken bij de voorbereiding en ontwikkeling van het gemeentelijk beleid voor maatschappelijke ondersteuning. Dit hoofdstuk geeft hiervoor het kader. De concrete invulling en uitvoering worden geregeld in beleidsregels.

Artikel 14.1 Waardering en ondersteuning van mantelzorgers

Mantelzorgers leveren een onmisbare bijdrage aan het ondersteunen van cliënten die hulp nodig hebben. Hun inzet is vaak intensief en langdurig en vraagt veel tijd en energie. De gemeente hecht daarom grote waarde aan het erkennen en waarderen van mantelzorgers. Jaarlijks wordt hier op passende wijze invulling aan gegeven door het college.

Naast waardering is het van belang dat mantelzorgers passende ondersteuning kunnen krijgen. Deze ondersteuning richt zich op het in beeld brengen en bereiken van mantelzorgers, het versterken van hun positie en het verminderen van de belasting die mantelzorg met zich mee kan brengen. Door mantelzorgers tijdig te ondersteunen wordt overbelasting zoveel mogelijk voorkomen en kunnen zij hun zorgtaken beter volhouden. De verordening biedt hiervoor het kader, maar laat de concrete uitwerking bewust open. De vorm van de mantelzorgwaardering, de voorwaarden en de wijze waarop ondersteuning wordt aangeboden, worden vastgelegd in beleidsregels. Hierdoor kan het college flexibel inspelen op ontwikkelingen, lokale behoeften en veranderende omstandigheden, zonder dat de verordening telkens hoeft te worden aangepast. De hoogte van de mantelzorgwaardering wordt vastgelegd in het financieel besluit.

Artikel 14.2 Inspraak bij beleid maatschappelijke ondersteuning

Dit artikel regelt de inspraak bij het beleid voor maatschappelijke ondersteuning. Het college betrekt inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van dit beleid. Op deze manier kunnen ervaringen en signalen uit de praktijk worden meegenomen in de beleidsontwikkeling. Daarnaast wordt vastgelegd dat de Adviesraad Sociaal Domein vroegtijdig in de gelegenheid wordt gesteld om voorstellen te doen en advies uit te brengen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning. Hiermee wordt geborgd dat het college gebruikmaakt van de kennis en ervaring van inwoners en vertegenwoordigers uit het sociaal domein bij de besluitvorming.

Hoofdstuk 15 Slotbepalingen

Dit hoofdstuk bevat de slotbepalingen van de verordening. Deze bepalingen zijn bedoeld om te waarborgen dat de verordening op een zorgvuldige en rechtszekere manier wordt toegepast en dat de overgang van de oude naar de nieuwe verordening voor cliënten zo soepel mogelijk verloopt.

Artikel 15.1 Hardheidsclausule

In bijzondere situaties kan de toepassing van de verordening leiden tot onbedoelde of onredelijke gevolgen voor een belanghebbende. Om maatwerk mogelijk te maken, is een hardheidsclausule opgenomen. Deze biedt het college de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in de verordening, wanneer strikte toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. De hardheidsclausule is bedoeld als vangnet en wordt terughoudend toegepast.

Artikel 15.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hollands Kroon 2019 ingetrokken. Om de rechtszekerheid van cliënten te waarborgen, is overgangsrecht opgenomen.

Cliënten die op grond van de eerdere verordening een voorziening ontvangen, behouden deze voorziening totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. Hiermee wordt voorkomen dat lopende ondersteuning abrupt eindigt. Aanvragen die zijn ingediend onder de oude verordening en waarover bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, worden afgehandeld volgens de oude regels. Hetzelfde geldt voor bezwaarschriften tegen besluiten die zijn genomen op basis van de eerdere verordening. Daarnaast is vastgelegd dat het college in het voordeel van de cliënt kan afwijken van de overgangsbepalingen. Dit biedt ruimte om in individuele gevallen maatwerk te leveren en onredelijke uitkomsten te voorkomen.

Artikel 15.3 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel bepaalt het moment waarop de verordening in werking treedt. Door een duidelijke datum vast te leggen, is voor iedereen helder vanaf wanneer de nieuwe regels gelden. Daarnaast bevat dit artikel de citeertitel van de verordening. Deze titel wordt gebruikt bij verwijzingen naar de verordening in officiële stukken en correspondentie.

Dit hoofdstuk beschrijft hoe inwoners toegang krijgen tot maatschappelijke ondersteuning. Het regelt de stappen vanaf de melding van een hulpvraag tot en met het onderzoek en de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. De bepalingen in dit hoofdstuk zorgen voor een zorgvuldige en duidelijke procedure, waarin samen met de inwoner wordt onderzocht welke ondersteuning nodig en passend is.