Verordening Sociaal Medische Indicatie gemeente Oldambt

Geldend van 04-06-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening Sociaal Medische Indicatie gemeente Oldambt

De raad van de gemeente Oldambt;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt;

gelet op:

artikel 149 van de Gemeentewet;

afdeling 3.3 en artikel 3.49 van de Algemene wet bestuursrecht;

B E S L U I T:

vast te stellen de Verordening Sociaal Medische Indicatie gemeente Oldambt

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders in de gemeente Oldambt;

  • b.

    deskundige: een onafhankelijk professional met medische, psychologische of sociale expertise, zoals een jeugdarts, jeugdverpleegkundige, jeugd- of gezinswerker, of jeugdbeschermer, die door of namens de gemeente wordt erkend als bevoegd om een schriftelijke verklaring af te geven over de noodzaak en duur van kinderopvang op sociaal-medische gronden;

  • c.

    kind: minderjarige in de leeftijd van 0 tot het einde van de basisschoolleeftijd;

  • d.

    kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint in een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang, opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang, zoals bedoeld in de Wet kinderopvang;

  • e.

    kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming voor ouders in de kosten van kinderopvang, onder voorwaarde dat ouder(s) werken, een traject naar werk, opleiding of inburgeringscursus volgen;

  • f.

    ouder: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de verzorger van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft;

  • g.

    ouderbijdrage: het gedeelte van de kinderopvangkosten dat de ouder zelf moet bijdragen na toekenning van de tegemoetkoming kosten kinderopvangtoeslag;

  • h.

    toeslagpartner: bij de regeling voor kinderopvangtoeslag wordt niet gesproken over een partner, maar over een ‘toeslagpartner’. Als de aanvragende ouder een toeslagpartner heeft dan telt het inkomen van beiden mee voor het bepalen van de hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage. De definitie van ‘toeslagpartner’ van de belastingdienst wordt gevolgd;

  • i.

    voorliggende voorziening: elke adequate (opvang)voorziening buiten deze beleidsregel waarop belanghebbende aanspraak kan maken of een beroep kan doen voor de bekostiging van de noodzakelijke kinderopvang. De meest voorkomende voorliggende voorzieningen zijn opgenomen in artikel 4b.

Artikel 2 Doel van deze verordening

Sociaal Medische Indicatie (hierna SMI) is een vangnetregeling om gezinnen tijdelijk financieel te ondersteunen in de kosten van de kinderopvang als zij door bepaalde medische of sociale omstandigheden (tijdelijk) niet in aanmerking komen voor de kinderopvangtoeslag (KOT). Het doel van deze verordening is dat kinderen ondersteund worden, die als gevolg van de thuissituatie een ontwikkelingsachterstand dreigen op te lopen. Kinderopvang via een SMI kan voor ouders een tijdelijke oplossing bieden om ze te ontlasten en de ontwikkeling van het kind niet te schaden.

Artikel 3 Doelgroep

  • 1.

    Om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen moet worden voldaan aan minimaal één van de volgende voorwaarden:

  • a.

    het betreffende kind of de betrokken ouder behoort tot de categorie personen met een lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke of psychische beperking en ten behoeve van wie is komen vast te staan dat één of meer van deze beperkingen kinderopvang noodzakelijk maken;

  • b.

    er is vastgesteld dat de veiligheid van het kind in geding is;

  • c.

    er is vastgesteld dat kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het betreffende kind noodzakelijk is;

  • d.

    er is vastgesteld dat er sprake is van een crisissituatie waardoor de ouder tijdelijk niet in staat is de verzorging op zich te nemen;

  • e.

    in overige situaties waarin uit stukken van een deskundige blijkt dat kinderopvang noodzakelijk is.

  • 2.

    De noodzaak van kinderopvang wordt in alle gevallen vastgesteld op basis van stukken van een deskundige.

Artikel 4 Voorwaarden tijdelijke tegemoetkoming kosten kinderopvang

Voor het verkrijgen van een tegemoetkoming moet de aanvraag voldoen aan de volgende aanvullende voorwaarden:

  • a.

    de ouder en/of het kind moeten ingeschreven zijn in de Basisregistratie Personen (BRP) van gemeente Oldambt;

  • b.

    uit de aanvraag blijkt dat andere (voorliggende) voorzieningen geen passende oplossing kunnen bieden. Voorbeelden hiervan zijn: kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst, WLZ (bijv. dagcentra, medisch kinderdagverblijf), Jeugdwet, WMO, PGB, of informele zorg. Indien het aantal geadviseerde uren niet hoger is dan de peuteropvang of voorschoolse educatie, is dit ook voorliggend;

  • c.

    uit de aanvraag blijkt dat ouder zich zal inspannen om gedurende de looptijd van de SMI de afhankelijkheid van de SMI te verkleinen. In geval van lichamelijke, psychische of sociale beperkingen van de ouder(s) dient er sprake te zijn van een medisch traject en/of professionele begeleiding om de problematiek weg te nemen;

  • d.

    de aanvrager maakt gebruik van een kinderopvanginstelling (dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang) die geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang;

  • e.

    de ouder doet aan het college uit eigen beweging of op verzoek direct mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem / haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een tegemoetkoming.

Artikel 5 Omvang en duur van de tegemoetkoming

  • 1.

    Tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang wordt verstrekt voor maximaal 4 dagdelen per week en voor een periode van maximaal 6 maanden.

  • 2.

    De hoogte van de tegemoetkoming wordt bepaald aan de hand van de belastingtabel kinderopvangtoeslag. Hiervoor wordt een inkomenstoets gedaan.

  • 3.

    Deze tegemoetkoming wordt door de gemeente uitgekeerd aan de kinderopvangorganisatie op basis van facturen.

  • 4.

    De ouder betaalt een inkomensafhankelijke ouderbijdrage conform VNG adviestabel peuteropvang van het desbetreffende jaar. De ouder is verantwoordelijk voor betaling van deze bijdrage aan de kinderopvangorganisatie.

  • 5.

    De ouderbijdrage wordt vergoed indien het inkomen van de ouder niet meer bedraagt dan 130% van de bijstandsnorm voor een meerderjarige alleenstaande of gehuwde ouder.

  • 6.

    De tegemoetkoming wordt verleend vanaf de dag waarop de ouder de beoordeling ontvangt. Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming vastgesteld met ingang van de dag waarop de kinderopvang een aanvang neemt.

  • 7.

    In geval van gewijzigde en bijzondere omstandigheden die de beëindiging van de SMI in de weg staan is éénmaal verlenging mogelijk. De duur van de verlenging is maximaal 3 maanden. Deze verlenging kan worden afgewezen als de ouder gedurende de looptijd van de initiële beschikking onvoldoende inspanning heeft geleverd om de afhankelijkheid te hebben verkleind.

Artikel 6 Aanvraag

  • 1.

    De aanvraag om een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie wordt door de ouder ingediend bij het college door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier.

  • 2.

    Een aanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens:

  • a.

    naam, adres en bsn van de ouder(s);

  • b.

    naam, adres en bsn van het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    loonstrook en/of uitkeringsspecificatie waaruit het netto maandinkomen van de ouder blijkt;

  • d.

    een schriftelijke motivering van een deskundige, waaruit blijkt dat aan artikel 3 voldaan wordt en waarin een advies voor duur en omvang van de tegemoetkoming staat;

  • e.

    een offerte van de kinderopvang of het gastouderbureau waar de opvang plaats vindt. Hierin moet in ieder geval worden vermeld: het aantal uren opvang, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de opvang.

  • 3.

    Het college of de door het college aangewezen deskundige kan ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is. Een verzoek om aanvullende gegevens wordt door het college of de deskundige gemotiveerd, zodat voor de ouder duidelijk is waarom deze informatie nodig is.

  • 4.

    Bij de aanvraag verleent de ouder een machtiging aan de door het college aangewezen deskundige voor het opvragen van nadere sociaal medische informatie bij de behandelaars en hulpverleners, voor zover noodzakelijk voor de advisering aan het college over de noodzaak van de gevraagde voorziening.

  • 5.

    Het college neemt binnen tien weken na indiening van de aanvraag een besluit. In bijzondere gevallen kan deze termijn met maximaal vier weken worden verlengd. De aanvrager krijgt hiervan schriftelijk bericht.

  • 6.

    Bij een verlenging van de periode moet opnieuw een aanvraag worden ingediend. Deze aanvraag wordt uiterlijk acht weken voor het einde van de verstrekte termijn ingediend.

Artikel 7 Advies door een deskundige

  • 1.

    Het college kan zich voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming kinderopvang op grond van sociaal medische problematiek laten adviseren door een door het college aangewezen deskundige.

  • 2.

    De deskundige kan, voor zover noodzakelijk voor het uitbrengen van een zorgvuldig advies, aanvullende informatie opvragen bij ouder en bij de in artikel 6 vierde lid genoemde behandelaars en hulpverleners.

Artikel 8 Weigeringsgronden

Het college weigert de tegemoetkoming in de kosten kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie indien:

  • a.

    de ouder niet behoort tot de doelgroep zoals genoemd in artikel 3;

  • b.

    de ouder niet voldoet aan de voorwaarden voor tegemoetkoming zoals genoemd in artikel 4.

Artikel 9 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van hetgeen in deze verordening is bepaald, indien toepassing van het gestelde in deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 10 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na die van publicatie.

  • 2.

    Deze verordening is niet van toepassing op tegemoetkomingen die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 27 mei 2026

De griffier, De voorzitter,

J. van der Meer C.Y. Sikkema