Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762328
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762328/1
Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente VelsenToelichting
Geldend van 04-06-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente VelsenToelichtingHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen;
gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:
Beleidsregels Participatiewet in Balans gemeente Velsen
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen;
- IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;
- probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;
- schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;
- Wet: Participatiewet;
- Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet;
HOOFDSTUK 2. BELEIDSKEUZES
Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen
Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
a. giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;
b. giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;
c. giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;
Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste één van de volgende omstandigheden:
1. De jongere maakt gebruik van, of heeft uiterlijk binnen één jaar voorafgaand aan de melding gebruik gemaakt van, één of meer Wmo-voorzieningen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, zoals:
a. beschermd wonen;
b. verblijf in een opvang;
c. begeleiding.
2. De jongere maakt gebruik van, of heeft uiterlijk binnen één jaar voorafgaand aan de melding gebruik gemaakt van, verlengde jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet, zoals:
a. begeleiding;
b. verblijf bij een pleegouder, in een gezinshuis of in een jeugdhulpinstelling.
3. Voor de jongere geldt, of heeft uiterlijk binnen één jaar voorafgaand aan de melding gegolden, een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4 van de Jeugdwet;
4. De jongere heeft een aantoonbare zorgbehoefte;
5. De jongere met een briefadres is ingeschreven in de Basisregistratie Personen
6. De jongere heeft uiterlijk binnen één jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;
7. De jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden als de zoektermijn wordt toegepast;
Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid, als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet en artikel 15a, eerste lid, van de IOAW, om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening te gebruiken indien:
a. dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;
b. de nieuwe aanvraag is ingediend binnen 12 maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,
c. de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:
1° werkaanvaarding;
2° een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet;
2. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
a. het hoofdverblijf;
b. de gezinssituatie; en
c. het inkomen en het vermogen.
Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
1. Het college is van oordeel dat in ieder geval sprake is van individuele omstandigheden, als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet en bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW, die ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als:
a. er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
1°. de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;
2°. de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;
3°. een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;
4°. een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;
5°. de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;
6°. de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.
b. er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voor de datum van de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
1°. de belanghebbende heeft betalingsachterstanden;
2°. na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende is failliet verklaard;
3°. na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.
2. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. De dag vanaf wanneer bijstand wordt toegekend ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.
HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN
Artikel 6. Inwerkingtreding en overgangsrecht
1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
Artikel 7. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels Participatiewet in Balans gemeente Velsen”.
Algemeen
Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregels zien op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om:
1. vrijgelaten giften te verruimen;
2. de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten;
3. bij het college berustende gegevens te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en,
4. met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding.
Artikelsgewijs
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel onderdelen behandeld die nadere toelichting behoeven.
Artikel 1. Definities
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregels. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregels worden hieronder nader toegelicht.
Probleemschulden
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:
‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’
Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.
Schuldregeling
Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente is verantwoordelijk voor schuldhulpverlening en kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt.
Zoektermijn
Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Wet).
Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen
Achtergrond: artikel 31, tweede lid, onderdeel m Participatiewet
De Participatiewet bepaalt dat alle middelen waar iemand over kan beschikken meetellen voor de bijstand. Dat is het vangnetkarakter van de wet. Toch is er een uitzondering: giften. In artikel 31, tweede lid, onderdeel m staat dat giften tot een jaarlijks bepaald bedrag niet meetellen.
Met de wetswijziging Participatiewet in Balans is dit verduidelijkt. Giften en kostenbesparende bijdragen mogen samen tot € 1.200 per kalenderjaar buiten beschouwing blijven. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast in de wet. Het gaat om giften in geld of natura, zoals boodschappen of een bijdrage voor vaste lasten. Ook andere bijdragen die kosten besparen, bijvoorbeeld als iemand een deel van de huur of energiekosten betaalt, vallen hieronder. Voedselbankbijdragen tellen nooit mee.
Wat is een gift?
Een gift is een bedrag of een bijdrage die iemand krijgt zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat. Het kan gaan om geld, spullen of het betalen van kosten. Een gift is bedoeld om iemand te helpen, niet om inkomen te vervangen. Giften kunnen eenmalig of vaker voorkomen.
Artikel 2 van deze beleidsregels is uitwerking van onderdeel s en staat in relatie tot onderdeel m.
Artikel 2 geeft invulling aan de ruimte die de wet biedt. Het college bepaalt in welke gevallen giften in ieder geval verantwoord zijn. Het gaat om giften die passen bij het doel van de bijstand: een bestaansminimum bieden, maar ook ruimte laten voor hulp uit het netwerk.
De volgende categorieën worden altijd als verantwoord gezien:
a) Giften voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand zou worden verstrekt.
Bijvoorbeeld een bijdrage voor een nieuwe koelkast of een bril.
b) Giften voor medisch noodzakelijke kosten.
Denk aan een tandartsbehandeling, gespecialiseerde behandelingen of hulpmiddelen.
c) Giften om probleemschulden af te lossen die zijn ontstaan vóór de bijstandsaanvraag.
Als iemand door een late aanvraag formele of informele schulden heeft opgebouwd, kan het college beoordelen of een gift voor aflossing van deze schulden verantwoord is. Dit sluit aan bij het doel van artikel 44 lid 5 van de wet om bestaanszekerheid te bieden en nieuwe schulden te voorkomen.
Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, is een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college in die gevallen de jongere na de melding direct in de gelegenheid stelt om zijn aanvraag in te dienen.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.
In artikel 3 wordt bepaald voor welke groepen jongeren de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:
‘1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.
2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’
Dit artikel geeft ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Het college benut de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
Eerste lid
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.
Tweede lid
Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende.
IOAW
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de IOAW. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het eerste lid opgenomen, dat de beleidsregels die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de IOAW. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de IOAW op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:
‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit lid krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
Eerste lid
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:
1. De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden.
2. De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
Onderdeel a
Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1°, 2° en 5° geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3°, 4°, en 6° geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.
Onderdeel b
Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1° en 2°), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een late melding komt zelden op zichzelf voor. Vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek. Daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
Tweede lid
Met dit lid stelt het college vast dat de maximale termijn voor terugwerkende kracht drie maanden is.
IOAW
De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de IOAW. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het eerste lid toegevoegd, dat de beleidsregels die op dit punt geldt voor bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de IOAW. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de IOAW op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Ondertekening
Aldus vastgesteld door het college in zijn vergadering van 26 mei 2026,
het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris,
D. Veurink
de burgemeester,
F.C. Dales
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl