Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762327
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762327/1
Beleidsregels Werk & Inkomen Waalre (2026)
Geldend van 04-06-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels Werk & Inkomen Waalre (2026)Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre tot vaststelling van beleidsregels voor de uitvoering van de Participatiewet en Verordening Participatiewet (PW), IOAW-IOAZ, Wgs en inburgering Waalre 2024;
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre;
overwegende dat,
het gewenst is om beleidsregels vast te stellen omtrent
de uitleg van de Participatiewet en Verordening Participatiewet (PW), IOAW-IOAZ, Wgs en inburgering Waalre 2024,
gelet op artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 156 van Gemeentewet; en artikel 13.1 van de Verordening Participatiewet (PW), IOAW-IOAZ, Wgs Waalre 2024
besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:
Beleidsregels Werk & Inkomen Waalre (2026)
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in Participatiewet, Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) en de Verordening Participatiewet (PW) en IOAW-IOAZ, Wgs Waalre 2024.
Artikel 1.2 Hardheidsclausule
-
1. Het college kan gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet Bestuursrecht.
-
2. In situaties waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.
Hoofdstuk 2. Werk en Inkomen
Paragraaf 2.1 Werk en Participatie
Artikel 2.1.1 Niet-uitkeringsgerechtigden
-
1. Een niet-uitkeringsgerechtigden komt in aanmerking voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling indien de inwoner:
- a.
woont in de gemeente Waalre;
- b.
aan de voorwaarden voldoet van artikel 6, lid 1, sub a van de wet;
- c.
zich voor minimaal 12 uur per week of meer beschikbaar stelt voor arbeid;
- d.
niet in het bezit is van een startkwalificatie;
- e.
zonder inzet van een voorziening in een uitkeringssituatie dreigt te geraken.
- a.
-
2. De ondersteuning bij arbeidsinschakeling door het college bestaat uit:
- a.
één of meerdere gesprekken over de mogelijkheden van arbeidsinschakeling; en/of
- b.
het aanbieden van een voorziening.
- a.
-
3. Het college legt in een overeenkomst vast wat de afspraken zijn bij het aanbieden van een voorziening. Ook legt het college in de overeenkomst vast wat de gevolgen zijn van het niet naar behoren meewerken aan het re-integratietraject.
Artikel 2.1.2 Scholing
-
1. Het college kan ondersteuning aanbieden in de vorm van scholing. In aanvulling op artikel 6.1.5 van de verordening gelden de volgende voorwaarden voor scholing:
- a.
De duur van het scholingstraject is maximaal 12 maanden;
- b.
De kosten van de scholing of opleiding bedragen maximaal € 5.000,00;
- c.
De werkelijk noodzakelijke kosten van vervoer en kinderopvang die een directe relatie hebben met de scholing als bedoeld in het eerste lid, komen voor een aanvullende vergoeding in aanmerking overeenkomstig de bepalingen in artikelen 2.1.9.1 en 2.1.9.2 van deze beleidsregels;
- a.
-
2. Indien het voor de kansen op werkaanvaarding noodzakelijk wordt geacht, kan in bijzondere individuele omstandigheden worden afgeweken van de voorwaarden in het eerste lid.
Artikel 2.1.3 Ondersteuning op een leerwerkplek
-
1. De ondersteuning op een leerwerkplek bestaat uit de inzet van een jobcoach.
-
2. De bepalingen genoemd in artikel 6.1.13, 6.1.13a tot en met d van de verordening zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 6.1.13 lid 2 van de verordening.
Artikel 2.1.4 Proefplaatsing
Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst in aansluiting op de proefplaatsing is het de werkgever niet toegestaan hierbij nog een proeftijd op te nemen in de arbeidsovereenkomst.
Artikel 2.1.5 Wettelijke loonkostensubsidie
-
1. Loonkostensubsidie wordt op aanvraag verleend. Hiervan wordt afgeweken als in de wet is bepaald dat een loonkostensubsidie ambtshalve wordt verleend.
-
2. Voor het vaststellen van de loonwaarde wordt een loonwaardemeting ingezet. Deze wordt uitgevoerd door een onafhankelijke loonwaarde-expert.
-
3. Het college verleent loonkostensubsidie vanaf de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst of bij een inwoner als bedoeld in artikel 10d, lid 2, van de wet vanaf de datum waarop hiervoor een aanvraag door de werkgever is ingediend.
-
4. Loonkostensubsidie wordt verleend voor telkens de duur waarvoor de loonwaarde conform lid 2 van dit artikel is vastgesteld, voor maximaal 36 maanden.
-
5. Als de dienstbetrekking korter is dan 36 maanden, wordt de loonkostensubsidie verleend voor de duur van de dienstbetrekking.
-
6. Loonwaarde wordt voor een periode van maximaal 36 maanden vastgesteld. De loonwaarde kan eerder opnieuw gemeten worden op verzoek van de werkgever, werknemer of het college.
-
7. De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50% voor de maximale duur van 6 maanden en vangt aan bij aanvang van de dienstbetrekking. De loonkostensubsidie wordt niet gewijzigd in de toegekende periode van de forfaitaire loonkostensubsidie. De forfaitaire loonkostensubsidie wordt ook niet achteraf verrekend op basis van een hogere of lagere loonwaarde.
-
8. De verleende loonkostensubsidie wordt in maandelijkse termijnen, vooruitlopend op de vaststelling, voor de 21e van de lopende maand betaald.
-
9. De verleende loonkostensubsidie wordt periodiek definitief vastgesteld. Het college kan van de werkgever verlangen de hiervoor noodzakelijke bewijsstukken te overleggen.
-
10. Indien voor de vaststelling van de loonkostensubsidie blijkt dat een werknemer niet of niet meer behoort tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel 6.1.10 van de verordening kan het college de subsidie intrekken of ten nadele van de subsidieaanvrager wijzigen.
-
11. Indien de betaalde voorschotten als bedoeld in lid 8 van dit artikel hoger zijn dan de definitief vastgestelde subsidie, wordt hetgeen onverschuldigd is betaald op grond van artikel 4.57 van de Algemene wet bestuursrecht teruggevorderd.
-
12. De werkgever mag de loonkostensubsidie niet overdragen aan derden.
Artikel 2.1.6 Tijdelijke loonkostensubsidie
-
1. Het college kan een tijdelijke loonkostensubsidie verstrekken aan een werkgever, die een arbeidsovereenkomst aanbiedt aan een inwoner die:
- a.
één jaar of langer een uitkering ingevolge de wet ontvangt; of
- b.
jonger is dan 27 jaar en een half jaar of langer een uitkering ingevolge de wet ontvangt; of
- c.
50 jaar of ouder is doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en een halfjaar of langer een uitkering ingevolge de wet ontvangt.
- a.
-
2. In aanvulling op artikel 6.1.11 van de verordening gelden de volgende voorwaarden:
- a.
De inwoner behoort niet tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel 6.1.10 van de verordening.
- b.
Voor een niet-uitkeringsgerechte geldt de extra voorwaarde dat deze inwoner zonder deze loonkostensubsidie een beroep op bijstand zou moeten doen.
- c.
De arbeidsovereenkomst is afgesloten voor een periode van tenminste 6 maanden en de inwoner heeft uit de arbeidsovereenkomst inkomsten boven de norm voor een periode van ten minste 6 maanden, of er is sprake van een urenuitbreiding op een bestaande arbeidsovereenkomst waarbij de inkomsten onder de norm gelegen zijn. Inclusief de uitbreiding dient de inwoner uit de arbeidsovereenkomst inkomen boven de norm te hebben.
- d.
De arbeidsovereenkomst mag geen uitzendbeding bevatten.
- e.
Voor zover de arbeidsovereenkomst een detacheringsconstructie betreft, dient in de arbeidsovereenkomst een volledige loondoorbetalingsverplichting te zijn opgenomen voor de duur van de arbeidsovereenkomst in het geval het werk bij de inlener is komen te vervallen.
- a.
-
3. De loonkostensubsidie op basis van dit artikel wordt op aanvraag of ambtshalve verleend.
-
4. De hoogte van de loonkostensubsidie wordt berekend zoals in artikel 10d lid 5 van de wet staat vermeld.
-
5. De hoogte en duur van de subsidie wordt via een beschikking kenbaar gemaakt aan zowel werkgever als werknemer.
-
6. De loonkostensubsidie wordt uitbetaald via een maandelijks voorschot.
-
7. Na afloop van de subsidieperiode levert de werkgever de loonstroken aan over deze periode.
-
8. De hoogte van de subsidie wordt afgestemd op het werkelijk aantal maanden of gedeelten van maanden waarover op basis van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen aantal uren ook daadwerkelijk loon is betaald door de werkgever.
-
9. Het college kan de incidentele loonkostensubsidie lager vaststellen als uit de verantwoordingstukken blijkt, dat de werkelijke loonkosten lager zijn dan de toegekende incidentele loonkostensubsidie.
-
10. Hetgeen onverschuldigd is betaald, wordt op grond van artikel 4.57 van de Algemene wet bestuursrecht teruggevorderd.
-
11. De werkgever mag de loonkostensubsidie niet overdragen aan derden.
Artikel 2.1.7 Uitstroompremie
-
1. De uitstroompremie kan aan een uitkeringsgerechtigde, of in het geval van gehuwden of daaraan gelijkgestelden aan een echtpaar, maximaal één keer worden toegekend. Bij terugval in de bijstand kan de uitstroompremie niet een tweede keer worden toegekend als de inwoner opnieuw langdurig werkloos wordt en uitstroomt.
-
2. Er wordt geen uitstroompremie toegekend als in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag:
- a.
aan de inwoner op grond van het niet voldoen aan zijn arbeids- of re-integratieverplichtingen, zoals bedoeld in artikel 9 van de wet, een maatregel werd opgelegd zoals bedoeld in artikel 18 van de wet; of
- b.
aan de uitkeringsgerechtigde op grond van het niet voldoen aan de inlichtingenplicht, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid van de wet) een bestuurlijke boete werd opgelegd, zoals bedoeld in artikel 18a van de wet.
- a.
-
3. Op lid 2, onder a en b, is een periode van maximaal 12 maanden vanaf de datum van het opleggen van deze maatregel of de boete van toepassing.
-
4. De uitstroompremie wordt na toekenning in één keer volledig uitbetaald.
Artikel 2.1.8 Persoonlijke ondersteuning naar en bij werk
Een werkgever kan in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten die hij maakt voor begeleiding van een werknemer in het kader van de arbeidsinschakeling, zoals bedoeld in artikel 6.1.13 van de verordening.
Artikel 2.1.8.1 Doel
-
1. Persoonlijke ondersteuning naar en bij werk heeft ten doel dat de werknemer na de inzet van persoonlijke ondersteuning naar en bij werk, zonder extra begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.
-
2. De kosten van persoonlijke ondersteuning die de werkgever maakt voor de ontwikkeling van de werknemer in het kader van arbeidsinschakeling, wordt vergoed als het college heeft vastgesteld dat deze ondersteuning noodzakelijk is.
-
3. De vergoeding voor persoonlijke ondersteuning kan op aanvraag of ambtshalve verstrekt.
Artikel 2.1.8.2 Jobcoaching in natura
-
1. De duur en de intensiteit van de coaching zijn afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte:
- a.
Licht: uiterlijk 26 weken met een frequentie van 1x per maand. Na evaluatie verlengen indien nodig.
- b.
Matig: uiterlijk 26 weken met een frequentie van 2x per maand. Na evaluatie verlengen indien nodig.
- c.
Intensief: uiterlijk 26 weken met een frequentie van 4x per maand. Na evaluatie verlengen indien nodig.
- a.
-
2. De ondersteuningsbehoefte wordt vastgesteld in de loonwaardemeting van de werknemer. Deze loonwaardemeting wordt uitgevoerd door een onafhankelijke loonwaarde-expert.
Artikel 2.1.8.3 Subsidie voor jobcoaching
-
1. Bij de inzet van de jobcoach wordt, onder het hanteren van de navolgende bedragen op jaarbasis exclusief eventuele verschuldigde BTW, aangesloten op de ondersteuningsniveaus licht, midden en intensief zoals die door het UWV worden gehanteerd. Het UWV voert tweemaal per jaar een indexering door over de tarieven, welke ook overgenomen worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe jobcoaching, waarbij er voor interne jobcoaching een vast maximaal bedrag gehanteerd wordt en voor externe job coaching een maximaal uurtarief welke te vinden zijn op:
- a.
Externe jobcoaching | UWV | Particulieren
- b.
Interne jobcoaching | UWV | Particulieren
- a.
-
2. De ondersteuningsbehoefte wordt vastgesteld in de loonwaardemeting van de werknemer. Deze loonwaardemeting wordt uitgevoerd door een onafhankelijke loonwaarde-expert.
-
3. In het geval van interne jobcoaching wordt, op basis van de meting als bedoeld in lid 2, door het college bepaald welk ondersteuningsniveau als bedoeld in lid 1 van toepassing is.
Artikel 2.1.9 Vergoeding om werk te krijgen of te behouden Artikel 2.1.9.1 Vergoeding eigen bijdrage kinderopvang
-
1. Voor de noodzakelijke kosten voor kinderopvang kan, in aanvulling op de kinderopvangtoeslag die door de Belastingdienst verstrekt wordt, een vergoeding worden toegekend aan de in Waalre woonachtige ouder als bedoeld in artikel 1.6 eerste lid van de Wkkp, onderdeel c of e;
-
2. De vergoeding zoals bedoeld in dit artikel kan op aanvraag of ambtshalve toegekend worden.
-
3. De vergoeding wordt verstrekt wanneer dit nodig is om het re- integratietraject, parttime werkzaamheden of de opleiding te kunnen verrichten.
-
4. De hoogte van de vergoeding bedraagt het verschil tussen de kosten van de kinderopvang en de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst waarop recht bestaat.
-
5. Voor de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van het daadwerkelijke uurtarief van de kinderopvang.
-
6. De vergoeding wordt maandelijks uitbetaald op basis van de factuur van de kinderopvang.
-
7. De vergoeding wordt verleend voor de duur van het re-integratietraject, parttime werkzaamheden of de opleiding.
-
8. Indien een ouder zoals bedoeld in lid 1 door uitstroom naar arbeid niet langer tot de doelgroep behoort, kan ambtshalve de toekenning van de vergoeding verlengd worden als kinderopvang noodzakelijk is om de arbeid te verrichten.
-
9. De vergoeding zoals genoemd in voorgaand lid wordt slechts éénmaal voor de duur van maximaal 6 maanden verstrekt.
-
10. De vergoeding wordt toegekend met ingang van de datum waarop de kinderopvang plaatsvindt, indien deze datum niet langer dan 3 maanden voor de aanvraagdatum ligt.
-
11. De vergoeding wordt rechtstreeks betaald aan de ouder op voorwaarde dat deze een bewijs van betaling van kosten van kinderopvang kan overleggen.
-
12. Het college kan op verzoek van de ouder een andere betaalwijze dan in lid 11 genoemd toestaan.
-
13. De ouder of de partner geeft wijzigingen, die belangrijk zijn voor de aanspraak op en de hoogte van de vergoeding, onmiddellijk na het bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk door aan het college.
Artikel 2.1.9.2 Reiskostenvergoeding
-
1. Aan inwoners met een uitkering op grond van de PW, IOAW of IOAZ in een re-integratietraject kan eenmalig een (vergoeding voor een) fiets verstrekt worden als de inwoner in staat is om te fietsen maar niet in het bezit is van een fiets.
-
2. Er wordt geen vergoeding verstrekt voor onderhoud van de fiets.
-
3. Aan inwoners met een uitkering op grond van de PW, IOAW of IOAZ in een re-integratietraject kan een reiskostenvergoeding worden verstrekt als:
- a.
de kortste reisafstand enkele reis woon-werk groter is dan 10 kilometer (volgens de ANWB routeplanner), of de inwoner om medische reden niet in staat is om te fietsen, en;
- b.
de inwoner niet op een andere manier een vergoeding voor deze reiskosten krijgt of kan krijgen.
- a.
-
4. De vergoeding wordt vastgesteld op de afstand tussen het huisadres en het adres van de werkplek met behulp van ANWB routeplanner, waarbij we uitgaan van de kortste route.
-
5. De reiskostenvergoeding bestaat uit:
- a.
Een vergoeding van € 0,23 per kilometer; of
- b.
Een vergoeding van een busabonnement.
- a.
-
6. De reisvergoeding wordt toegekend met ingang van de startdatum van het re-integratietraject, indien deze datum niet langer dan 3 maanden voor de aanvraagdatum ligt.
-
7. De reiskosten kunnen worden verstrekt voor de duur van het traject.
Artikel 2.1.9.3 Overige voorzieningen
-
1. De inzet van overige vergoedingen kan als dit nodig is voor het re-integratietraject of de arbeidsinschakeling.
-
2. De kosten van de vergoeding dienen proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de vergoeding moet opwegen tegen de opbrengsten van de inzet van een vergoeding of een voorziening.
Artikel 2.1.10 Vervoersvoorziening
-
1. De vervoersvoorziening kan worden ingezet gedurende een proefplaatsing.
-
2. De vervoersvoorziening kan niet toegekend worden aan inwoners:
- a.
die aanspraak maken op de reguliere reiskostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 2.1.9.2 van deze beleidsregels of een voorliggende voorziening;
- b.
waarvan het inkomen uit de arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die inwoner aan wie in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet is verleend.
- a.
-
3. De kosten van de vervoersvoorziening dienen proportioneel te zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de vervoersvoorziening moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken:
- a.
de kosten van de vervoersvoorziening;
- b.
de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/ jaren/ bepaalde tijd/ onbepaalde tijd);
- c.
de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren/dagen per week dat de inwoner gaat werken;
- d.
de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de Wmo 2015) in relatie tot de kosten van de vervoersvoorziening.
- a.
Artikel 2.1.11 Meeneembare voorzieningen
-
1. Een werknemer met een indicatie voor de banenafspraak of beschut werk, kan ook in aanmerking komen voor een meeneembare voorziening in het kader van de arbeidsinschakeling.
-
2. De werknemer die een meeneembare voorziening nodig heeft, kan de kosten hiervoor op aanvraag vergoed krijgen als:
- a.
het college heeft vastgesteld dat de kosten noodzakelijk zijn voor de arbeidsinschakeling van de werknemer; en
- b.
een dienstbetrekking voor minimaal 12 maanden is aangegaan; of
- c.
er sprake is van verlenging van een dienstverband korter dan 12 maanden. Het college kan alsnog een vergoeding verstrekken als achteraf blijkt dat de werknemer na 12 maanden nog steeds in dienst is bij de werkgever.
- a.
-
3. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de goedkoopst adequaat noodzakelijke voorziening.
-
4. De vergoeding als bedoeld in dit artikel kan eenmalig bij aanvang van het dienstverband worden verstrekt met uitzondering van verstrekkingen als bedoeld in lid 2 sub c van dit artikel.
Artikel 2.1.12 Werkplekaanpassingen
-
1. Een werkgever kan ook in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten die hij maakt voor een aanpassing van de werkplek voor een werknemer met een indicatie voor de banenafspraak of beschut werk.
-
2. De werkgever die kosten van werkplekaanpassing maakt voor zijn werknemer kunnen op aanvraag worden verstrekt als:
- a.
het college heeft vastgesteld dat de kosten noodzakelijk zijn voor de arbeidsinschakeling van de werknemer; en
- b.
een dienstbetrekking voor minimaal 12 maanden is aangegaan; of
- c.
er sprake is van verlenging van een dienstverband korter dan 12 maanden. Het college kan alsnog een vergoeding verstrekken als achteraf blijkt dat de werknemer na 12 maanden nog steeds in dienst is bij de werkgever.
- a.
-
3. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de goedkoopst adequaat noodzakelijke voorziening.
-
4. De vergoeding als bedoeld in dit artikel kan eenmalig bij aanvang van het dienstverband worden verstrekt met uitzondering van verstrekkingen als bedoeld in lid 2 sub c van dit artikel.
-
5. De vergoeding in de kosten van een werkplekaanpassing kan worden verstrekt aan de werkgever of aan de werknemer.
Paragraaf 2.2 Algemene bijstand
Artikel 2.2.1 Woonruimte huren, commerciële relatie en prijs
De woonsituatie van een inwoner kan van invloed zijn op de hoogte van de uitkering. In sommige gevallen is het daarom van belang om te weten of er sprake is van een commerciële relatie en of iemand een commerciële huurprijs betaalt. Ook kan dit van belang zijn om te bepalen of er bijvoorbeeld sprake is van een kostganger in een woning.
-
1. In dit artikel wordt verstaan onder:
- a.
Commerciële huurprijs: Een commerciële huurprijs is een voor de betreffende woonruimte in het economisch verkeer gebruikelijke huurprijs, die in verhouding staat tot de geleverde diensten en die periodiek wordt aangepast. Hierbij kijken we naar de kale huur. Als de kale huur niet gespecificeerd is dan wordt 60% van het totale huurbedrag aangemerkt als kale huur.
- b.
Commerciële prijs bij kostgangers: de commerciële huurprijs als bedoeld in lid 3 van dit artikel vermeerderd met een bedrag voor voeding als bedoeld in de NIBUD prijzengids.
- a.
-
2. Indien een woning wordt gehuurd van een woningbouwcorporatie en de bewoners hun woning/kamer huren op basis van een individueel huurcontract, wordt aangenomen dat de bewoners een commerciële huurprijs betalen. De bewoners worden dan beschouwd als personen, bedoeld in artikel 19a lid 1 onder c van de wet.
-
3. Indien niet wordt gehuurd van een woningcorporatie dan moet worden vastgesteld of sprake is van een commerciële relatie. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van een commerciële relatie moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a.
Er moet sprake zijn van een schriftelijke overeenkomst. In deze overeenkomst zijn de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend. Ook is er een onderscheid vastgelegd tussen de prijs voor huisvesting en overige diensten.
- b.
Er moet sprake zijn van een commerciële huurprijs zoals bedoeld in lid 1.
- c.
De schriftelijke overeenkomst moet zijn gedateerd en ondertekend door huurder en verhuurder of onderhuurder en onderverhuurder of kostganger en kostgever.
- d.
De schriftelijke overeenkomst moet tot stand zijn gekomen met instemming van de eigenaar van de woning.
- e.
Er moet op verzoek worden aangetoond dat er sprake is van periodieke betalingen voor de geleverde prestaties via bank- of giroafschriften of bij contante betalingen kwitanties.
- a.
Artikel 2.2.2 Verlaging in verband met ontbreken of lagere woonkosten
-
1. Onder woonkosten verstaan wij:
- a.
bij bewoning van een huurwoning: de per maand geldende kale huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag en eventuele servicekosten voor de kosten van gemeenschappelijke ruimten;
- b.
bij bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bestaande uit het eigenaarsgedeelte van de onroerendezaakbelasting, de opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten.
- a.
-
2. In het geval een woning wordt bewoond waaraan geen of lage woonkosten zijn verbonden wordt de uitkering hierop aangepast met toepassing van artikel 27 van de wet.
-
3. Lage woonkosten zijn woonkosten die lager zijn dan:
- a.
bij een zelfstandige woonruimte: het bedrag van de basishuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag.
- b.
bij een onzelfstandige woonruimte: 90% van de basishuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag.
- a.
-
4. De verlaging van de norm in verband met geen of lage woonlasten bedraagt:
- a.
20 procent van de gehuwdennorm, zoals vermeld in artikel 21 sub b van de wet, als een woning wordt bewoond waaraan geen woonkosten zijn verbonden.
- b.
10 procent van de gehuwdennorm, zoals vermeld in artikel 21 sub b van de wet, als een woning wordt bewoond waaraan voor de inwoner lage woonkosten verbonden zijn.
- a.
Artikel 2.2.3 Inkomsten uit verhuur en kostgeld
-
1. De inkomsten uit verhuur, zoals bedoeld in artikel 33 lid 4 van de wet, worden op de uitkering in mindering gebracht. We nemen hiervoor het bedrag van de kale huur in aanmerking. Als de kale huur niet gespecificeerd is dan wordt 60% van het totale huurbedrag aangemerkt als kale huur.
-
2. De inkomsten uit kostgangersvergoeding, zoals bedoeld in artikel 33 lid 4 van de wet, worden op de uitkering in mindering gebracht. We nemen hiervoor het bedrag van de kale huur in aanmerking. Als het bedrag van de kale huur niet gespecificeerd is, verminderen we de kostgangersvergoeding met de component voor voeding als bedoeld in artikel 2.2.1 lid 1. Van de overige kostgangersvergoeding wordt 60% in aanmerking genomen als kale huur.
Artikel 2.2.4 Vermogen
-
1. Bij de bepaling van de hoogte van het vermogen wordt van het totaalsaldo van de ter beschikking staande betaal- en spaarrekeningen van aanvrager, partner en de ten laste komende kinderen een bedrag vrijgelaten ter hoogte van maximaal 95% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld) in verband met lopende uitgaven. Vrijlating van dit bedrag kan niet leiden tot een negatief saldo; in dat geval wordt het banksaldo op € 0,00 vastgesteld.
-
2. De bepaling van lid 1 van dit artikel is niet van toepassing als aanvrager naast algemene bijstand ook een overbruggingsuitkering toegekend krijgt.
-
3. Motorvoertuigen met een waarde tot € 2.500,00 worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk en niet tot het vermogen gerekend. Bij een waarde boven € 2.500,00 wordt de waarde meegenomen voor zover deze uitkomt boven € 2.500,00 meegenomen bij de vermogensvaststelling.
-
4. Per gezin kan maximaal 1 voertuig als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Een volgend voertuig wordt volledig tot het vermogen gerekend.
-
5. De afkoopwaarde van de uitvaartverzekeringspolis van de bijstandsgerechtigde en/of gezinsleden wordt buiten beschouwing gelaten tenzij bijzondere bijstand gevraagd wordt voor uitvaartkosten.
Artikel 2.2.5 Giftenvrijlating
-
1. Giften die bedoeld zijn voor kosten waarvoor de bijstandsgerechtigde, zonder de gift, een vergoeding middels bijzondere bijstand zou krijgen, worden vrijgelaten voor bijstandsverlening. Dit kunnen eenmalige en periodieke giften zijn;
-
2. In het geval dat de gift is verstrekt in goederen, wordt de waarde van deze gift vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering van dit goed.
Artikel 2.2.6 Vrijlating schadevergoedingen
-
1. Het college laat een materiële schadevergoeding buiten beschouwing voor bijstandsverlening.
-
2. Compensatie voor verlies aan verdienvermogen wordt aangemerkt als inkomen over de periode waarop deze compensatie ziet.
-
3. Het college laat een immateriële schadevergoeding buiten beschouwing voor bijstandsverlening voor zover deze, gezien het aard en doel van de vergoeding, vanuit bijstandsoogpunt verantwoord is. Of en in hoeverre vrijlating van toepassing is, is maatwerk waarbij het college de volgende belangen afweegt:
- a.
De aard en oorzaak van de schade;
- b.
De hoogte van de vergoeding;
- c.
Of de schade waarvoor de vergoeding is verstrekt (bijvoorbeeld gederfde levensvreugde) blijvend of tijdelijk van aard is;
- d.
De leeftijd van de bijstandsgerechtigde en hoe lang de bijstandsgerechtigde op basis van de levensverwachting moet doen met de immateriële schadevergoeding.
- a.
Artikel 2.2.7 Verkorte aanvraag algemene bijstand
-
1. De inwoner die korter dan 6 maanden geleden algemene bijstand van het college heeft ontvangen én waarbij de algemene bijstand is geëindigd door werkaanvaarding of detentie kan gebruik maken van de verkorte aanvraagprocedure wanneer deze inwoner opnieuw algemene bijstand wil aanvragen.
-
2. De inwoner als bedoeld in lid 1 kan zich bij het college melden voor de verkorte aanvraag.
-
3. De inwoner als bedoeld in lid 1 kan voor het indienen van de nieuwe aanvraag gebruik maken van een verkort aanvraagformulier.
Paragraaf 2.3 Bijzondere bijstand, minimaregelingen en studietoeslag
a. Algemene bepalingen bijzondere bijstand
Artikel 2.3.1 Draagkracht bijzondere bijstand
-
1. In dit artikel wordt verstaan onder ‘draagkracht’: een percentage van het voor de bijzondere bijstand in aanmerking te nemen inkomen en vermogen waarmee de inwoner geacht wordt zelf bij te dragen in de kosten.
-
2. De draagkrachtperiode is 12 maanden en vangt aan op de 1e dag van de maand waarop de kosten, waarvoor bijzondere bijstand wordt verleend, betrekking hebben.
-
3. De draagkracht wordt binnen de draagkrachtperiode van 12 maanden herzien indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. Dit betreft:
- a.
Een inkomensdaling van ten minste 20%;
- b.
Een inkomensstijging van te minste 20%;
- c.
Een stijging van het vermogen waardoor dit uitkomt boven de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet.
- a.
-
4. Er is sprake van een draagkrachtloos inkomen, indien het inkomen van de inwoner gelijk of lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm. Indien het inkomen hoger is dan 115% van de geldende bijstandsnorm, wordt bij de verlening van de bijzondere bijstand rekening gehouden met het meer-inkomen, op de volgende wijze:
- a.
Voor woonkosten wordt 100% van het inkomen boven 115% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld, als draagkracht aangemerkt.
- b.
Voor overige kosten wordt 35% van het inkomen boven 115% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld, als draagkracht aangemerkt.
- a.
-
5. De kostendelersnorm, zoals bedoeld in artikel 22a van de wet, wordt niet toegepast bij het verlenen van bijzondere bijstand. Het inkomen wordt hierbij afgezet tegen de toepasselijke alleenstaande (ouder)norm, gehuwdennorm of de norm als bedoeld in artikel 24 van de wet.
-
6. Bij het berekenen van het feitelijk inkomen wordt rekening gehouden met buitengewone uitgaven zoals:
- a.
Het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag en de huurtoeslag die zou zijn ontvangen bij een inkomen op bijstandsniveau;
- b.
De woonkosten voor zover deze meer bedraagt dan het bedrag aan huurtoeslag waarop de inwoner op grond van de Wet voor de huurtoeslag aanspraak zou hebben;
- c.
Eigen bijdrages zorgkosten;
- d.
De kosten van alimentatie- of onderhoudsverplichtingen;
- e.
Buitengewone verwervingskosten; en
- f.
Kosten voor studie en opleiding.
- a.
-
7. Indien het vermogen van de inwoner en diens partner hoger is dan het volgens artikel 34 lid 3 van de wet toegestane bescheiden vermogen, wordt 100% van het vermogen boven de grens in aanmerking genomen als draagkracht.
-
8. Bij de bepaling van de hoogte van het vermogen wordt van het totaalsaldo van de ter beschikking staande betaal- en spaarrekeningen van de inwoner, diens partner en de ten laste komende kinderen een bedrag vrijgelaten ter hoogte van maximaal 95% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld) in verband met lopende uitgaven. Deze vrijlating kan niet leiden tot een negatief saldo. Indien dit het geval is, wordt het banksaldo vastgesteld op € 0,00.
-
9. Het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf wordt volledig buiten beschouwing gelaten. Artikel 50 lid 3 van de wet is hierbij niet van toepassing.
-
10. Als de inwoner een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen in de 12 maanden voor de eerste dag van de draagkrachtperiode, wordt de verstrekte individuele inkomenstoeslag niet als vermogen in aanmerking genomen.
Artikel 2.3.2 Drempelbedrag bijzondere bijstand
Er wordt geen drempelbedrag, zoals bedoeld in artikel 35 lid 2 van de wet, gehanteerd voor de kosten van bijzondere bijstand.
Artikel 2.3.3 Bijzondere bijstand met terugwerkende kracht
-
1. In beginsel wordt bijzondere bijstand verstrekt vanaf de datum waarop de aanvraag is ingediend.
-
2. In afwijking van het eerste lid kan bijzondere bijstand in specifieke situatie met terugwerkende kracht worden verleend, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
De aanvraag wordt ingediend binnen 3 maanden na de datum waarop de kosten zijn gemaakt, voor zover de noodzaak van de kosten op dat moment nog is vast te stellen.
- b.
Bij incidentele kosten die per kostensoort niet meer bedragen dan €100 wordt de aanvraag ingediend binnen 3 maanden nadat het cumulatieve bedrag van €100 is bereikt.
- c.
Indien het totaalbedrag van incidentele kosten, zoals bedoeld in lid 2 onder b, gedurende een kalenderjaar minder dan €100 bedraagt, wordt de aanvraag ingediend uiterlijk voor 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar.
- a.
Artikel 2.3.4 Aflossingsregels leningen bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand wordt op grond van artikel 48 lid 1 van de wet in beginsel om niet gegeven. Op grond van artikel 48 lid 2 van de wet kan de bijzondere bijstand in bepaalde gevallen worden verleend in de vorm van een geldlening. In dat geval gelden de volgende aflossingsregels.
-
1. Het maandelijkse aflossingsbedrag voor bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening wordt vastgesteld op 5% van het inkomen, inclusief vakantiegeld.
-
2. Als over een periode van drie jaar volledig en onafgebroken aan de aflossingsverplichting in verband met een geldlening is voldaan, wordt het resterende bedrag van de geldlening kwijtgescholden. Dit geldt niet indien er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 48 lid 2 sub b en d van de wet.
-
3. Indien na drie jaar niet volledig aan de aflossingsverplichting is voldaan, wordt het resterende bedrag pas kwijtgescholden, op grond van lid 2, wanneer het achterstallige bedrag alsnog volledig is afgelost.
Artikel 2.3.5 Regels bij meerdere leningen
-
1. In het geval dat aan de lopende aflossingsverplichting van een bestaande geldlening wordt voldaan, maar deze nog niet volledig is afgelost en een nieuwe geldlening wordt verstrekt, gelden de volgende regels:
- a.
Indien een lening voor woninginrichting nog niet volledig is afgelost en er een nieuwe lening voor woninginrichting wordt verstrekt als gevolg van een wijziging in de gezinssituatie, dan wordt deze nieuwe lening toegevoegd aan de bestaande lening voor woninginrichting. In dit geval blijft de totale aflossingsperiode maximaal 36 maanden. Het bedrag van de maandelijkse aflossing wordt vanaf het moment van de wijziging vastgesteld op 5% van het inkomen, inclusief vakantiegeld.
- b.
In alle overige gevallen waarin sprake is van meerdere leningen, wordt de aflossingsperiode vastgesteld op maximaal 36 maanden per lening. In dit geval wordt eerst afgelost op de oudste lening. Na aflossing of om-niet-stelling van de oudste lening wordt gestart met de aflossing van de daaropvolgende oudste lening.
- a.
-
2. Dit artikel is niet van toepassing op een geldlening die is verstrekt met toepassing van artikel 48 lid 2 sub b en d van de wet.
b. Bijzondere bijstand voor medische kosten
Artikel 2.3.6 Collectieve aanvullende ziektekostenverzekering
Het college stelt geen collectieve aanvullende ziektekostenverzekering beschikbaar aan inwoners die recht hebben op bijzondere bijstand
Artikel 2.3.7 Eigen risico en bijdragen
-
1. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het verplicht eigen risico binnen de Zorgverzekeringswet.
-
2. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor eigen bijdragen die een inwoner moet betalen op grond van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.
Artikel 2.3.8 Medische kosten Artikel 2.3.8.1 Algemene voorwaarden bijzondere bijstand voor medische kosten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor medische kosten indien:
- a.
deze kosten niet of niet volledig worden vergoed op grond van een voorliggende voorziening, zijnde de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg.
- b.
er geen aanspraak bestaat op een vergoeding vanuit een aanvullende zorgverzekering. Het ontbreken van een aanvullende zorgverzekering vormt op zichzelf geen grond voor weigering van bijzondere bijstand.
- c.
de medische kosten noodzakelijk zijn.
- a.
-
2. De bijzondere bijstand voor medische kosten wordt om niet verstrekt.
-
3. De bijzondere bijstand betreft de daadwerkelijke kosten minus de eventuele vergoeding vanuit de voorliggende voorziening.
-
4. Het college kan voor het maken van een zorgvuldige afweging in individuele gevallen medisch advies inwinnen bij een deskundige.
Artikel 2.3.8.2 Vervoerskosten naar ziekenhuis of behandelingsinstelling
-
1. In afwijking van artikel 2.3.8.1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor vervoerskosten naar een ziekenhuis of behandelingsinstelling, mits:
- a.
er een afwijzing de zorgverzekeraar inzake vergoeding zittend ziekenvervoer (inclusief beroep op hardheidsclausule) is overlegd.
- b.
sprake is van gemiddeld minimaal één behandeling per week.
- c.
sprake is van een behandelingsduur van langer dan één maand.
- d.
de behandeling plaatsvindt buiten de gemeentegrens maar binnen Nederland.
- a.
-
2. De bijzondere bijstand bedraagt de kosten voor:
- a.
de kosten van de goedkoopste vorm van openbaar vervoer; of
- b.
bij eigen vervoer: het door de Belastingdienst gehanteerde aftrekbare tarief per kilometer (kortste route volgens ANWB-routeplanner); of
- c.
de werkelijke kosten van taxivervoer indien reizen per eigen vervoer of openbaar vervoer medisch niet verantwoord is.
- a.
Artikel 2.3.8.3 Steunzolen en orthopedische schoenen
-
1. In afwijking van artikel 2.3.8.1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van steunzolen en orthopedische schoenen inclusief de kosten van het advies van de podotherapeut.
-
2. De bijzondere bijstand bedraagt de kosten na aftrek van de vergoeding door de zorgverzekeraar en bij orthopedische schoenen het deel dat beschouwd wordt als normale uitgave voor nieuwe schoenen volgens de actuele NIBUD-Prijzengids.
Artikel 2.3.8.4 Batterijen voor een gehoorapparaat
-
1. In afwijking van artikel 2.3.8.1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van batterijen voor een gehoorapparaat.
-
2. De bijzondere bijstand bedraagt de kosten voor de vervanging van maximaal 36 batterijen per kalenderjaar.
-
3. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor kosten van garantieverlenging of schoonmaakmiddelen.
Artikel 2.3.8.5 Brillen en contactlenzen
-
1. In afwijking van artikel 2.3.8.1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van brillen en contactlenzen.
-
2. De (eerste) aanschaf van een bril (montuur en glazen) wordt als noodzakelijk beschouwd indien een gespecificeerde nota van de opticien wordt overlegd. Vervanging binnen 24 maanden wordt alleen als noodzakelijk aangemerkt indien sprake is van een wijziging van de sterkte. Indien nieuwe glazen niet in het oude montuur passen vanwege dikte of gewicht, kan ook voor een nieuw montuur bijzondere bijstand worden verstrekt.
-
3. De bijzondere bijstand bedraagt:
- a.
voor monturen: de kosten van het goedkoopst adequate montuur, tenzij een medische noodzaak bestaat voor een speciaal montuur.
- b.
voor glazen: de kosten van de goedkoopst adequate glazen, tenzij bijzondere glazen zijn voorgeschreven door een oogarts of de noodzaak hiervan is vastgesteld middels een GGD-advies.
- c.
Voor contactlezen: de kosten van de goedkoopst overeenkomstige bril. Eventuele meerkosten worden alleen vergoed indien er sprake is van een medische noodzaak voor de aanschaf van contactlezen. Indien deze medische noodzaak ontbreekt, blijven de meerkosten voor rekening van de inwoner.
- a.
Artikel 2.3.8.6 Zelfzorggeneesmiddelen
De kosten van zelfzorggeneesmiddelen die zijn voorgeschreven bij een chronische aandoening worden als noodzakelijk aangemerkt. Er is sprake van een chronische gebruiker als diegene het zelfzorggeneesmiddel langer dan 6 maanden gebruikt. Op het recept van de arts staat dan ‘voor chronisch gebruik’ (CG). De bijzondere bijstand bedraagt de werkelijke kosten, verminderd met eventuele vergoeding uit een voorliggende voorziening.
Artikel 2.3.8.7 Tandheelkundige hulp
-
1. In afwijking van artikel 2.3.8.1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor tandheelkundige hulp.
-
2. Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor:
- a.
eigen bijdragen.
- b.
één preventief periodiek onderzoek per jaar.
- c.
een incidenteel consult.
- d.
röntgenfoto’s.
- e.
extracties van tanden en kiezen.
- f.
vullingen.
- g.
Wortelkanaalbehandeling
- h.
orthodontie tot maximaal het bedrag dat vanuit een aanvullende verzekering van CZ of VGZ kan worden vergoed.
- a.
-
3. Het college verstrekt uitsluitend bijzondere bijstand indien sprake is van:
- a.
een medische noodzaak; of
- b.
een sociale noodzaak; of
- c.
een andere dringende reden.
- a.
-
4. Voor orthodontie is vooraf een medisch advies nodig om de noodzaak vast te stellen. Voor de overige kosten volstaat een gespecificeerde nota van de tandarts of ziektekostenverzekering en is er geen advies van de GGD nodig.
-
5. Eigen bijdragen worden alleen vergoed als de inwoner een aanvullende zorgverzekering heeft.
-
6. Als er geen aanvullende zorgverzekering aanwezig is, stelt het college de bijzondere bijstand vast op basis van de laagste vergelijkbare vergoeding vanuit een aanvullende verzekering.
Artikel 2.3.8.8 Fysiotherapie en oefentherapie
Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de eerste twintig behandelingen fysiotherapie en oefentherapie, indien de noodzaak is aangetoond met een behandelplan.
c. Bijzondere bijstand voor woonkosten
Artikel 2.3.9 Inrichtingskosten, duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten, eerste maand huur en administratiekosten
-
1. In beginsel wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor inrichtingskosten (inclusief stoffering en opknapkosten), duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten, de eerste maand huur en administratiekosten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden zijn:
- a.
Noodzakelijke verhuizingen als gevolg van een onvoorzienbare medische of sociale noodzaak waarbij niet kon worden gereserveerd voor deze kosten. Detentie is geen noodzakelijke verhuizing;
- b.
Een eerste huisvestiging na het verlaten van een asielzoekerscentrum (AZC).
- a.
-
2. Bijzondere bijstand op grond van lid 1 wordt verstrekt:
- a.
Om niet voor verhuiskosten. Hieronder vallen de kosten van het vervoer van de inboedel (huur, verzekering en benzinekosten bestelwagen; geen vergoeding manuren) voor maximaal één verhuisdag;
- b.
Om niet voor de aansluitkosten van de nutsvoorziening;
- c.
Om niet voor de kosten van dubbele huur en administratiekosten die verschuldigd zijn voor de nieuwe woning;
- d.
Om niet voor opknapkosten. Hieronder vallen de eenmalige materiaalkosten (zoals verf en behang) tot een maximum van € 250,00.
- e.
In de vorm van een geldlening voor stoffering (vloer- en raambekleding) tot een maximum van € 500,00.
- f.
In de vorm van een geldlening voor overige inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen, tenzij er dringende redenen zijn om de bijstand om niet te verstrekken.
- a.
-
3. Voor de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand voor vervoerskosten wordt aansluiting gezocht bij de goedkoopste optie om de inboedel te vervoeren.
-
4. Voor de hoogte van de dubbele huur geldt als uitgangspunt dat bijstand wordt verstrekt voor de laagste huur inclusief servicekosten. Dit kan de huur van de oude of de nieuwe woning zijn.
-
5. Als grondslagbedragen voor inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen worden de actuele bedragen die zijn opgenomen in tabel 2.1A en 2.1B (kolom 0) van de NIBUD Prijzengids gehanteerd. Tabel 2.1A wordt gehanteerd bij een alleenstaande (ouder) en Tabel 2.1B wordt gehanteerd bij gehuwden. Op deze grondslagbedragen wordt een percentage toegepast in specifieke situaties. Deze situaties en bijbehorende percentages zijn als volgt:
- a.
Indien sprake is van zelfstandige bewoning in een huis of een appartement met meerdere kamers wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op 40% van het inventarispakket 2.1A of 2.1B;
- b.
Indien sprake is van een bewoning van een 1-kamerwoning (woonunit/studio) wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op 20% van het inventarispakket 2.1A en 2.1B;
- c.
Indien sprake is van kamerbewoning wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op 13% van het inventarispakket 2.1A;
- d.
Indien sprake is van één of meer minderjarige inwonende kinderen dan wordt, bovenop het in onderdeel a t/m c genoemde bedrag, een bedrag per minderjarig kind verstrekt. De hoogte van de bijzondere bijstand per kind bedraagt 30% van het verschil tussen kolom 1 en kolom 2 van inventarispakket 2.1A.
- e.
Ingeval een meerderjarig kind bij de ouders inwoont, wordt aan dit kind een bijzondere bijstand verstrekt ter hoogte van 30% van het verschil tussen kolom 1 en kolom 2 van inventarispakket 2.1A.
- f.
In het geval een woning volledig gestoffeerd wordt gehuurd, dan worden de bedragen van pakketprijzen onder sub a t/m e verlaagd met 20%.
- a.
Artikel 2.3.10 Woonkostentoeslag voor een huurwoning
-
1. Woonkostentoeslag voor een huurwoning wordt verstrekt als:
- a.
de inwoner door bijzondere omstandigheden en buiten zijn schuld (nog) geen aanspraak kan maken op een huurtoeslag, terwijl de inwoner op grond van de Wet op de huurtoeslag wel in aanmerking komt voor de toekenning van een huurtoeslag; of
- b.
de inwoner een huurwoning bewoont waarvan de huurprijs gedeeltelijk niet subsidiabel is op grond van de Wet op de huurtoeslag (het huurdeel boven het rekenplafond) en hij door bijzondere omstandigheden dit niet-subsidiabele deel niet meer kan betalen.
- c.
er verlies of vermindering van huurtoeslag optreedt als gevolg van de inkomensvrijlating binnen de Participatiewet.
- a.
-
2. Woonkostentoeslag voor een huurwoning wordt niet verstrekt als:
- a.
er geen volledige huurtoeslag wordt ontvangen wegens het hebben van onderhuurders.
- b.
er geen huurtoeslag wordt ontvangen omdat inwoner niet beschikt over zelfstandige woonruimte als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag (met name bij kamerhuur).
- c.
huurtoeslag wel mogelijk is maar de inwoner dit, verwijtbaar, niet heeft aangevraagd, of het hem te verwijten is dat een lager bedrag is toegekend.
- d.
de inwoner verwijtbaar een woning heeft betrokken met een structureel niet-subsidiabel huurdeel, terwijl een woning met passendere woonlasten beschikbaar was of kon worden behouden.
- a.
-
3. Van het bepaalde in lid 2 kan worden afgeweken indien hiervoor zwaarwegende redenen aanwezig zijn.
-
4. De woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de datum waarop de inwoner wel aanspraak kan maken op huurtoeslag, of als huurtoeslag niet aan de orde is, voor de periode van maximaal 1 jaar. De periode kan na afloop tijdelijk worden verlengd indien het feit dat de inwoner nog niet over goedkopere woonruimte beschikt hem niet te verwijten valt.
-
5. De woonkostentoeslag bedraagt het bedrag aan huurtoeslag waarop de inwoner op grond van de Wet voor de huurtoeslag aanspraak zou hebben, uitgaande van de actuele berekeningssystematiek waarbij uitsluitend de subsidiabele huurcomponenten (kale huur) in aanmerking worden genomen. Indien de feitelijke huur hoger is dan het subsidiabele huurdeel, wordt voor de berekening van de woonkostentoeslag uitsluitend uitgegaan van het deel van de huur dat binnen het wettelijk rekenplafond valt.
-
6. Indien de inwoner een huurprijs betaald die hoger is dan het rekenplafond voor subsidiabele huur op grond van de Wet op de huurtoeslag, wordt de woonkostentoeslag, verhoogd met het niet-subsidiabele huurdeel, indien dit noodzakelijk wordt geacht ter voorkoming van onaanvaardbare financiële problemen en voor zover dit past binnen de kaders van de bijzondere bijstand.
-
7. De woonkostentoeslag wordt in de vorm van een geldlening verstrekt in aangewezen situaties zoals beschreven in artikel 48 lid 2 van de wet.
Artikel 2.3.11 Woonkostentoeslag voor een eigen woning
-
1. Woonkostentoeslag voor een eigen woning wordt verstrekt als belanghebbende door bijzondere omstandigheden de woonkosten voor de eigen woning niet (meer) kan betalen.
-
2. Bijzondere bijstand kan worden uitgekeerd voor woonkostentoeslag in relatie tot onderstaande woonkosten:
- a.
Te betalen hypotheekrente
- b.
Premies van opstalverzekeringen
- c.
Eigenaarsdeel van de ontroerende zaakbelasting en de waterschapslasten
- d.
Rioolrechten
- e.
Erfpachtcanon
- f.
Waterschapsbelasting
- a.
-
3. De woonkostentoeslag wordt verstrekt zolang de noodzaak aanwezig is, maar voor de periode van maximaal 1 jaar. De periode kan na afloop van deze periode tijdelijk worden verlengd indien het feit dat de inwoner nog niet over goedkopere woonruimte beschikt hem niet te verwijten valt.
-
4. De woonkostentoeslag bedraagt het bedrag aan huurtoeslag waarop de inwoner op grond van de Wet voor de huurtoeslag aanspraak zou hebben indien de inwoner een huurwoning zou bewonen, uitgaande van de actuele berekeningssystematiek waarbij uitsluitend de subsidiabele huurcomponenten (kale huur) in aanmerking worden genomen.
-
5. Wanneer de feitelijke woonkosten van de eigen woning hoger zijn dan het wettelijk rekenplafond zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, kan de woonkostentoeslag worden verhoogd met het deel van de noodzakelijke woonkosten dat uitstijgt boven dit rekenplafond, indien dit noodzakelijk wordt geacht ter voorkoming van onaanvaardbare financiële problemen en voor zover dit past binnen de kaders van de bijzondere bijstand.
-
6. Bij woonkosten boven de maximale huur genoemd in de Wet op de huurtoeslag wordt het bedrag van de woonkostentoeslag zoals genoemd in lid 4 verhoogd met het verschil tussen de daadwerkelijke woonkosten en de maximale huur genoemd in de Wet op de huurtoeslag
-
7. De woonkostentoeslag wordt verminderd met de belastingteruggave in verband met hypotheekrenteaftrek.
-
8. Aan de woonkostentoeslag wordt met toepassing van artikel 55 van de wet de verplichting verbonden dat inwoner zo spoedig mogelijk verhuist naar een goedkopere woning of het inkomen verhoogt, zodat geen aanspraak meer gedaan hoeft te worden op woonkostentoeslag.
-
9. Van het bepaalde in lid 7 kan worden afgezien indien hiervoor zwaarwegende redenen aanwezig zijn.
Artikel 2.3.12 Doorbetaling vaste lasten wegens verblijf in een instelling
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor het aanhouden van een woning in de periode van detentie of verblijf in een instelling indien er sprake is van een acute noodsituatie waarin het voor de inwoner niet mogelijk is om zelf een afdoende regeling te treffen.
-
2. De bijzondere bijstand wordt verleend voor:
- a.
de woonkosten in de vorm van woninghuur minus huurtoeslag of hypotheekkosten minus de belastingteruggave in verband met hypotheekrente
- b.
het vastrecht van het gas, de elektriciteit en het water;
- c.
de kosten van televisie-, telefoon-, en internetabonnementen voor de periode van de opzegtermijn vanaf het moment van opname;
- d.
de kosten van de inboedel- en opstalverzekering.
- a.
-
3. Bijzondere bijstand worden verstrekt voor de duur van maximaal 6 maanden. De periode kan na afloop tijdelijk worden verlengd op basis van individuele beoordeling.
-
4. Indien vooraf vaststaat dat de detentie of verblijf in de instelling langer dan een jaar zal duren, kan slechts bijstand worden verleend voor de periode van huuropzegging en kan, indien noodzakelijk, bijstand worden verstrekt in de opslagkosten van de inboedel.
d. Bijzondere bijstand voor rechtsbijstand, curatele, bewindvoering, mentorschap en legeskosten
Artikel 2.3.13 Kosten rechtsbijstand en griffiegelden
-
1. Bijzondere bijstand voor rechtsbijstand en griffiegelden kan worden verstrekt als hiervoor een noodzaak bestaat.
-
2. Een noodzaak kan in ieder geval worden vastgesteld wanneer de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging heeft afgegeven.
-
3. Bijzondere bijstand op grond van het eerste lid, wordt verstrekt voor:
- a.
de door de Raad voor Rechtsbijstand vastgestelde eigen bijdrage;
- b.
het griffierecht;
- c.
de benodigde uittreksels uit de Basis Registratie Personen (BRP).
- a.
-
4. Als de hoogte van de eigen bijdrage verlaagd kan worden door het aanvragen van een peiljaarverlegging wordt pas bijzondere bijstand beoordeeld nadat de peiljaarverlegging heeft plaatsgevonden. Als het peiljaar is verlegd, dan kan opnieuw bijstand worden aangevraagd.
-
5. Bijzondere bijstand kan ook worden verstrekt voor de eigen bijdrage rechtsbijstand die gerelateerd is aan een procedure voor gezinshereniging van een minderjarig kind van aanvrager.
Artikel 2.3.14 Kosten curatele
-
1. Bijzondere bijstand voor de kosten van curatele wordt verstrekt nadat de rechter heeft vastgesteld dat curatele noodzakelijk is.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de door de rechter in zijn vonnis vastgelegde vergoeding voor de curator.
-
3. Indien de hoogte van de vergoeding voor de curator niet in het vonnis is opgenomen, wordt aansluiting gezocht bij de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
Artikel 2.3.15 Kosten bewindvoering en mentorschap
-
1. Bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap wordt verstrekt nadat de rechter heeft vastgesteld dat het bewind of mentorschap noodzakelijk is.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de door de rechter in zijn vonnis vastgelegde vergoeding.
-
3. Indien de hoogte van de vergoeding niet in het vonnis is opgenomen, wordt aansluiting gezocht bij de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
Artikel 2.3.16 Kosten budgetbeheer
-
1. Bijzondere bijstand voor budgetbeheer wordt verstrekt zolang de noodzaak voor deze kosten aanwezig is, maar niet langer dan 36 maanden.
-
2. De kosten van budgetbeheer bij een externe budgetbeheerder zijn niet noodzakelijk als de vakgroep Schulddienstverlening van onze gemeente ook passend budgetbeheer aan de aanvrager kan bieden.
-
3. De hoogte van de vergoeding voor budgetbeheer wordt afgestemd op de daadwerkelijke kosten met dien verstande dat deze niet hoger zijn dan het standaardtarief voor bewindvoering genoemd in de Regeling beloning curatoren, mentoren en bewindvoerders.
Artikel 2.3.17 Legeskosten verblijfsvergunningen en naturalisatie
-
1. Bijzondere bijstand wordt verstrekt voor legeskosten van verblijfvergunningen, indien het voor de inwoner niet mogelijk is om voor deze kosten te reserveren of voor deze kosten een lening af te sluiten.
-
2. Voor de legeskosten van naturalisatie wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.
-
3. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakt (leges)kosten verminderd met de kosten voor een Nederlandse identiteitskaart.
e. Bijzondere bijstand voor overige kosten
Artikel 2.3.18 Baby-uitzet
-
1. Voor de kosten van een baby‑uitzet wordt geen bijzondere bijstand verstrekt, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Onder bijzondere omstandigheden wordt in ieder geval verstaan:
- a.
de geboorte van een meerling;
- b.
een onvrijwillige zwangerschap ten gevolge van een zedenmisdrijf;
- c.
er bestaat een medische noodzaak voor het maken van de kosten;
- d.
dat er, als gevolg van bijzondere omstandigheden, geen reserveringsruimte is geweest voor deze kosten.
- a.
-
2. Indien bijzondere bijstand voor een baby‑uitzet wordt verstrekt, bedraagt deze de werkelijke noodzakelijke kosten tot maximaal de actuele bedragen zoals vastgelegd in tabel 4.1 (basispakket babypakket) van de NIBUD Prijzengids. Dit maximum geldt voor de totale kosten van zowel de babykamer als de overige baby‑uitzet.
-
3. De bijzondere bijstand voor een babyuitzet wordt in beginsel om niet verleend. Indien de inwoner redelijkerwijs had kunnen reserveren en een gespreide betaling achteraf tot de mogelijkheden behoort, kan het college besluiten de bijstand te verstrekken in de vorm van een geldlening.
Artikel 2.3.19 Uitvaartkosten
-
1. Voor de kosten van een uitvaart wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Een uitvaartverzekering wordt aangemerkt als passende en toereikende voorliggende voorziening.
-
2. In afwijking van het eerste lid kan aan een erfgenaam van de overledene bijzondere bijstand worden verstrekt indien:
- a.
voor de overledene geen uitvaartverzekering is afgesloten of wanneer de uitvaartverzekering niet toereikend is voor de kosten van de uitvaart; en
- b.
de kosten van de uitvaart niet (tijdig) uit de erfenis kunnen worden voldaan; en
- c.
de erfgenaam onvoldoende draagkracht heeft om de uitvaartkosten (gedeeltelijk) te betalen.
- a.
-
3. De bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt in beginsel om niet verleend. Indien sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 48 lid 2 sub b van de wet, wordt de bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening.
-
4. Het niet afsluiten van een toereikende uitvaartverzekering kan worden gezien als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de volgende gevallen:
- a.
Het overlijden van een echtgenoot of partner van een gehuwden of samenwonenden;
- b.
Het overlijden van een minderjarig kind
- a.
-
5. In deze gevallen kan de partner of ouders worden verweten geen toereikende uitvaartverzekering te hebben afgesloten. Indien sprake is van een alleenstaand ouder, wordt dit verwijt niet aan de kinderen toegerekend.
-
6. Indien er meerdere erfgenamen zijn, wordt uitsluitend bijzondere bijstand verstrekt voor het deel van de uitvaartkosten waarvoor de aanvrager financieel verantwoordelijk is.
-
7. De bijzondere bijstand voor uitvaartkosten bedraagt de werkelijke noodzakelijke kosten met een bovengrens gelijk aan de bedragen die zijn opgenomen in de actuele NIBUD Prijzengids.
-
8. Indien de overledene eerder lid is geweest van een uitvaartverzekering, maar ten tijde van overlijden niet meer verzekerd was, dient de aanvrager te onderzoeken of er een depotbedrag beschikbaar is dat kan worden aangewend voor de uitvaartkosten.
-
9. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:
- a.
De koffietafel
- b.
Een rouwadvertentie in de krant
- c.
Gedachtenisprentjes
- d.
De grafrechten
- a.
Artikel 2.3.20 Overbruggingsuitkering
-
1. Bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van het bestaan kan in bijzondere omstandigheden worden verleend ter overbrugging tot de eerste maandbetaling van de algemene bijstand. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer belanghebbende een asielzoekerscentrum verlaat.
-
2. De duur van de overbruggingsperiode bedraagt maximaal zes weken.
-
3. De hoogte van de in lid 1 bedoelde bijzondere bijstand bedraagt maximaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief de vakantietoeslag. Hierbij wordt rekening gehouden met de draagkracht van de inwoner als bedoeld in artikel 2.3.2.
-
4. De overbruggingsuitkering wordt als gift verstrekt, tenzij er sprake is van betoond tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In dat geval wordt de overbruggingsuitkering als lening verstrekt.
Artikel 2.3.21 Reiskosten bezoek zieke familieleden en detentie
-
1. Extra reiskosten in verband bezoek aan (zieke/gedetineerde) familieleden in een inrichting, penitentiaire inrichting, zorginstelling of ziekenhuis kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen, indien:
- a.
de inwoner een familielid (tot 2e graad) is van de zieke die in een Nederlandse zorginstelling of ziekenhuis verblijft.
- b.
de inwoner tot het gezin behoort van een gedetineerde, die in een Nederlandse Penitentiaire inrichting (PI) verblijft. De gedetineerde heeft geen recht op verlof.
- c.
de enkele reisafstand naar de PI, de zorginstelling dan wel het ziekenhuis is meer dan 10 kilometer vanaf het woonadres van de aanvrager en is gelegen in Nederland.
- a.
-
2. De opname van de zieke of gedetineerde duurt langer dan twee weken.
-
3. De noodzakelijke bezoekfrequentie bedraagt 3 keer per week voor diegenen die tot het gezin van de zieke (niet zijnde gedetineerde) behoren. Voor de overige directe familieleden (eerste en tweede graad) van de zieke geldt een noodzakelijke bezoekfrequentie van 1 bezoek per week. De bijzondere bijstand wordt afgestemd op één persoon per dag tot de maximale frequentie is bereikt.
-
4. In bijzondere situaties, zoals bij een terminaal verpleegde, kan op individuele basis worden afgeweken van de bezoekfrequentie.
-
5. De noodzakelijke bezoekfrequentie bedraagt 1x per twee weken voor diegene die tot het gezin van de gedetineerde, op het moment van arrestatie, behoren.
-
6. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt:
- a.
De goedkoopste som voor het openbaar vervoer voor het betreffende traject, of;
- b.
De som van de voor het bezoek afgelegde kilometers x de onbelaste vergoeding conform de Wet op de Loonbelasting 1964. Voor 2024 is dit € 0,23.
- a.
-
7. De reisafstand wordt bepaald via de kortste gebruikelijke route van de ANWB-routeplanner.
Artikel 2.3.22 Indirecte schoolkosten schoolgaande kinderen tot 18 jaar
-
1. Voor specifieke les- en vakgebonden kosten zoals laptops, gereedschap, tekenmateriaal, leesboekjes en excursies die tot de verplichte lesstof behoren kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor kinderen tot de leeftijd van 18 jaar. Indirecte schoolkosten zoals reiskosten, schrijfgerei, boekentas en excursies komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.
-
2. De bijzondere bijstand voor schoolkosten wordt in beginsel om niet verleend.
f. Bijzondere bijstand voor jongeren en verhaal
Artikel 2.3.23 Verhaal op ouderhoudsplichtige ouders
De bijstand als bedoeld in artikel 20 lid 3 van de wet wordt niet verhaald op de onderhoudsplichtige ouders als bedoeld in de artikelen 61 t/m 62i van de wet.
Artikel 2.3.24 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in een inrichting
Op grond van artikel 13 lid 2 sub a, van de wet heeft een jongere van 18-20 jaar die in een inrichting verblijft geen recht op algemene bijstand. Bijzondere bijstand voor levensonderhoud en bijzondere kosten kan onder bepaalde voorwaarden worden verstrekt.
-
1. Bijzondere bijstand wordt uitsluitend verstrekt aan een in een inrichting verblijvende jongere van 18, 19 of 20 jaar als er geen beroep kan worden gedaan op de onderhoudsplicht van de ouders (of deze tekort schiet) om in de noodzakelijke bestaanskosten te voldoen.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand voor levensonderhoud betreft maximaal de norm algemene bijstand die geldt voor personen verblijvend in een inrichting, zoals bedoeld in artikel 23 van de wet.
-
3. De bijzondere bijstand als bedoeld in dit artikel wordt niet verhaald op de onderhoudsplichtige ouders als bedoeld in de artikelen 61 t/m 62i van de wet.
-
4. De bijzondere bijstand wordt verleend zolang de omstandigheden die aanleiding voor bijzondere bijstandsverlening zijn geweest voortduren en wordt in ieder geval beëindigd bij het bereiken van de 21- jarige leeftijd.
g. Studietoeslag
Artikel 2.3.25 Studietoeslag
-
1. Bij een aanvraag voor studietoeslag beoordeelt het college of de inwoner voldoet aan de voorwaarden voor studietoeslag, zoals beschreven in artikel 36b van de wet. Hiervoor kan het college medisch advies inwinnen. Wanneer het eerste medisch advies daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd om te beoordelen of inwoner nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
-
2. Er is sprake van een structurele medische beperking als:
- a.
de fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie; en
- b.
er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen.
- a.
-
2.De aanvraag voor studietoeslag wordt ingediend middels een door het college vastgesteld format.
-
3. De inwoner verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken:
- a.
Een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000;
- b.
Bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt.
- c.
Indien een aanwezig een deskundigenverklaring waarin staat waarom de inwoner niet kan werken naast de studie.
- a.
-
4. Als door het college is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de inwoner de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.
-
5. In afwijking van lid 5 wordt studietoeslag met terugwerkende kracht ook toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop de inwoner de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als:
- a.
inwoner daarom verzoekt; en
- b.
inwoner over deze periode voldoet aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag, zoals beschreven in artikel 36b van de wet.
- a.
-
6. In afwijking van lid 6 wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen:
- a.
voor 1 april 2022;
- b.
5 jaar voorafgaand aan de dag waarop de inwoner de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.
- a.
-
7. De studietoeslag wordt maandelijks betaald. De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald.
-
8. De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021.
Paragraaf 2.4 Handhaving
Artikel 2.4.1 Waarschuwing in plaats van boete
-
1. Wanneer een schending van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van uitkering, wordt in plaats van een boete een schriftelijke waarschuwing gegeven.
-
2. In afwijking van lid 1 wordt wel een boete opgelegd als:
- a.
duidelijk is dat de uitkeringsgerechtigde zijn inlichtingenverplichting opzettelijk niet of niet behoorlijk is nagekomen;
- b.
het niet nakomen van de inlichtingenverplichting plaatsvindt binnen twee jaar nadat eerder een waarschuwing of een boete is gegeven op grond van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting op grond van de wet, de IOAW of de IOAZ.
- a.
-
3. Als het opzettelijk niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting zoals gesteld in lid 2, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Paragraaf 2.5 Terugvordering
Artikel 2.5.1 Herziening, intrekking en terugvordering
-
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot herziening en intrekking van een besluit als bedoeld in de artikelen 36b en 54 van de wet en artikel 17 van de IOAW en de IOAZ.
-
2. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering van de kosten van bijstand en studietoeslag als bedoeld in artikel 58 lid 2 van de wet.
-
3. Bij toepassing van lid 1 en 2 wordt altijd een individuele belangenafweging gedaan. Dit wil zeggen dat we altijd de afweging maken of het te nemen besluit evenredig is in relatie tot de gevolgen die dit besluit heeft voor de individuele situatie van de inwoner.
Artikel 2.5.2 Terugvordering van gezinsleden/echtgenoten (partners)
-
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 59 van de wet.
-
2. Bij toepassing van lid 1 wordt altijd een individuele belangenafweging gedaan. Dit wil zeggen dat we altijd de afweging maken of het te nemen besluit evenredig is in relatie tot de gevolgen die dit besluit heeft voor de individuele situatie van de inwoner.
Artikel 2.5.3 Terugvordering: bruto of netto
-
1. Het college eist de vordering bruto van de schuldenaar terug als de Wet op de Loonbelasting 1964 af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; evenals de te betalen vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, niet verrekend kunnen worden met nog af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.
-
2. Het college eist de vordering netto van de schuldenaar terug, als sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de schuldenaar en de schuldenaar niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet is betaald in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.
-
3. Besluiten tot terugvordering, verstuurd vanaf 6 weken voor afloop van het kalenderjaar, worden wel of niet gebruteerd conform het bruteringsschema zoals vermeld in de bijlage.
-
4. Brutering van vorderingen vindt niet plaats als er sprake is van dringende redenen. De schuldenaar dient deze dringende redenen aan te geven en aan te tonen.
Artikel 2.5.4 Afzien van terugvordering wegens kruimelbedrag
Het college kan besluiten niet terug te vorderen als:
-
a. het totaal terug te vorderen bedrag lager is dan € 150,-; en
-
b. het terug te vorderen bedrag niet het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht.
Artikel 2.5.5 Afzien van invordering bij schuldenproblematiek
-
1. Er wordt geheel of gedeeltelijk afgezien van invordering van de leenbijstand, de teruggevorderde bijstand, inkomensvoorziening, uitkering, maatwerkvoorziening en individuele voorziening als:
- a.
de vordering niet is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht; en
- b.
als blijkt dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; en
- c.
als te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en
- d.
de vordering van het college tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
- a.
-
2. Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van invordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling, als bedoeld onder het eerste lid tot stand is gekomen. Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van invordering wordt ingetrokken of ten nadele van de schuldenaar gewijzigd als:
- a.
niet binnen twaalf maanden, nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen zoals bedoeld onder het eerste lid; of
- b.
de schuldenaar zijn schuld aan het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
- c.
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; of
- d.
niet wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het afzien van verdere invordering worden verbonden.
- a.
-
3. Afzien van invordering als bedoeld onder het eerste en tweede lid is niet mogelijk bij vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt of geldleningen bij eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de wet, behalve voor zover die niet op dat goed of die goederen verhaald kunnen worden.
Artikel 2.5.6 Kwijtschelding niet-verwijtbare vordering
-
1. Ten aanzien van vorderingen welke niet zijn ontstaan als gevolg van schending van een inlichtingenplicht kan afgezien worden van verdere invordering als de schuldenaar:
- a.
gedurende 36 maanden aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij zijn gemiddelde inkomen in die periode de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan of overeenkomstig de vastgestelde draagkracht was; of
- b.
niet gedurende 36 maanden of gedurende 36 maanden niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover eventueel verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; of
- c.
gedurende 24 maanden geen betalingen heeft verricht en er, rekening houdend met alle omstandigheden in de individuele situatie, niet verwacht wordt dat invordering van het volledige bedrag redelijkerwijs zal plaatsvinden; of
- d.
gedurende minimaal 24 maanden aaneengesloten aan zijn betalingsverplichtingen naar draagkracht heeft voldaan en minimaal 50% van de restsom in één keer aflost; of
- e.
de restsom lager is dan € 150,00, rekening houdende met de omstandigheden.
- a.
-
2. Afzien van verdere invordering als bedoeld in het eerste lid vindt niet plaats bij vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt of geldleningen bij eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de wet, behalve voor zover die niet op dat goed of die goederen verhaald kunnen worden.
Artikel 2.5.7 Kwijtschelding verwijtbare vordering en medevorderingen bij hoofdelijke aansprakelijkheid
Bij vorderingen die zijn ontstaan als gevolg van schending van een inlichtingenplicht kan afgezien worden van verdere invordering als de schuldenaar tijdens een periode van tien jaar volledig heeft voldaan aan zijn betalingsverplichtingen, waarbij zijn gemiddelde inkomen in die periode de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan of overeenkomstig de vastgestelde draagkracht was.
Artikel 2.5.8 Uitstel van betaling
-
1. Wanneer de schuldenaar om uitstel van betaling verzoekt dan wordt deze na onderzoek voor maximaal 12 maanden toegekend indien hier goede redenen voor zijn.
-
2. In overige gevallen zal op basis van berekende draagkracht een individuele afweging worden gemaakt.
Paragraaf 2.6 Verrekening en aflossing
Artikel 2.6.1 Vaststelling aflossingsbedrag bij een schuldenaar zonder uitkering
-
1. De vastgestelde vordering dient binnen 6 weken na dagtekening van het besluit tot terugvordering of invordering ineens terugbetaald te worden.
-
2. Als betaling ineens binnen 6 weken niet mogelijk is, dan kan op verzoek van de schuldenaar een betalingsregeling getroffen worden waarbij we uitgaan van de volgende percentages:
- •
Bij het terugbetalen van een lening blijft de betalingsregeling vastgesteld op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm.
- •
Bij het terugbetalen van een terugvordering wordt de betalingsregeling vastgesteld op 50% van het meerdere inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm.
- •
Er vindt jaarlijks een heronderzoek plaats om te beoordelen of de betalingsregeling nog passend is.
- •
-
3. Als een betalingsregeling, zoals bedoeld in het vorige lid, niet tot stand komt of kan komen, dan vindt een draagkrachtonderzoek plaats. Voor de bepaling van de afloscapaciteit wordt, in elk geval, de beslagvrije voet, als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in acht genomen.
Artikel 2.6.2 Beslaglegging
Als de schuldenaar niet bereid is een minnelijke betalingsregeling te treffen of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt en/of verrekening niet mogelijk is, dan wordt het terugvorderingsbesluit c.q. dwangbevel ten uitvoer gelegd. Deze uitvoering vindt plaats door middel van vereenvoudigd derdenbeslag of ter executie overgedragen aan een incassobureau/gerechtsdeurwaarder.
Artikel 2.6.3 Dwangbevel
Als een schuldenaar de vordering niet binnen de aanmaningstermijn (volledig) heeft betaald of zijn betalingsregeling niet is nagekomen, wordt een dwangbevel uitgebracht.
Artikel 2.6.4 Rente en incasso-/deurwaarderskosten
Wanneer de vordering ter incasso wordt overgedragen aan een incassobureau of een gerechtsdeurwaarder dan worden de daarmee gemoeide kosten en rente doorberekend aan de schuldenaar.
Paragraaf 2.7 Verhaal
Artikel 2.7.1 Verhaal van kosten van bijstand
-
1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot verhaal van de kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 61 tot en met 62i van de wet.
-
2. Het college neemt voor de berekening van de verhaalsbijdrage de Trema-normen (opgenomen in het Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht) als leidraad, tenzij dit leidt tot onredelijke en/of onbillijke situaties voor de onderhoudsplichtige.
-
3. Voor de behoeftevaststelling van het kind gaan wij uit van het actuele inkomen van de onderhoudsplichtige.
Artikel 2.7.2 Indexering verhaalsbijdrage
De door het college vastgestelde verhaalsbijdrage wordt jaarlijks met ingang van 1 januari geïndexeerd met het percentage, bedoeld in artikel 402a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Dit geldt alleen voor bedragen die door de rechter zijn vastgesteld en bedragen die door partijen bij overeenkomst zijn vastgelegd. Als maximum geldt de verstrekte bijstand van de maand, waarover de verhaalsbijdrage is verschuldigd.
Artikel 2.7.3 Nihilbeding
Als echtgenoten of gewezen echtgenoten onderling hebben bepaald dat na een echtscheiding (scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk) de één tegenover de ander geen alimentatie verschuldigd is, kan het college toch de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige verhalen.
Artikel 2.7.4 Wijzigen verhaalsbijdrage bij kruimelbedrag
Wanneer bij een heronderzoek een verhaalsbijdrage is berekend die minder dan
€ 25,- per maand ten nadele van de onderhoudsplichtige afwijkt, wordt de opgelegde verhaalsbijdrage niet gewijzigd.
Artikel 2.7.5 Afzien van verhaal bij dringende reden
Van het opleggen van een verhaalsbijdrage wordt afgezien als er een dringende reden aanwezig is. Deze dringende reden kan van toepassing zijn op de omstandigheden van degenen op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen.
Artikel 2.7.6 Afzien van verhaal bij schuldenproblematiek
Artikel 2.5.5 eerste lid aanhef onder b, c en d en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op verhaal van kosten van bijstand, voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen, die op het moment van het besluit opeisbaar zijn.
Artikel 2.7.7 Afzien van verhaal bij einde onderhoudsplicht
Wanneer bij beëindiging van de onderhoudsplicht van de schuldenaar, het totaal te verhalen bedrag minder dan € 300,- bedraagt, wordt afgezien van verhaal.
Artikel 2.7.8 Kwijtschelding achterstallige verhaalsbijdrage na einde onderhoudsplicht
Een achterstallige verhaalsbijdrage na einde onderhoudsplicht wordt kwijtgescholden:
-
a. als schuldenaar binnen een periode van 4 jaar, gedurende 36 maanden (volledig) aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, waarbij het gemiddelde inkomen van de schuldenaar in die periode de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan of overeenkomstig de vastgestelde draagkracht was; of
-
b. als binnen een periode van 4 jaar, gedurende 36 maanden geen betalingen zijn verricht en niet aannemelijk is dat schuldenaar deze nog binnen 2 jaar zal gaan verrichten; of
-
c. als een bedrag, van tenminste 50% van de restsom, in één keer wordt afgelost.
Artikel 2.7.9 Heronderzoek verhaal
Het college onderzoekt eenmaal per 18 maanden de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage.
Hoofdstuk 3. Slotbepalingen
Artikel 3.1 Intrekken oude beleidsregels
-
1. De Beleidsregels Participatiewet Waalre, vastgesteld op 29 juni 2019, worden ingetrokken met ingang van de datum waarop deze beleidsregels in werking treden.
-
2. De Beleidsregels bijzondere bijstand Waalre 2018, vastgesteld op 13 maart 2018, worden ingetrokken met ingang van de datum waarop deze beleidsregels in werking treden.
Artikel 3.2 Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking
-
2. Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Werk & Inkomen Waalre (2026)
Bijlage
Schema Brutering
|
SITUATIE |
WEL |
NIET |
|
|
1 |
Vordering over het lopende jaar waarbij het handelen van de gemeente mede heeft bijgedragen aan het ontstaan van de vordering en welke bekend is gemaakt binnen 6 weken voor einde van dat lopende jaar |
X |
|
|
2 |
Vordering over voorgaande jaar/jaren waarbij het handelen van de gemeente (mede) heeft bijgedragen aan het ontstaan van de vordering (voorbeeld het schattenderwijs korten van inkomsten) |
X |
|
|
3 |
Vordering over het lopende jaar waarbij het handelen van de gemeente mede heeft bijgedragen aan het ontstaan van de vordering maar welke vordering wel eerder bekend is gemaakt dan 6 weken voor einde van dat lopende jaar en niet (volledig) wordt voldaan voor 31 december van dat jaar |
X |
|
|
4 |
Vorderingen over het voorgaande jaar/jaren waarbij het handelen van de gemeente géén bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van de vordering |
X |
|
|
5 |
Vorderingen over het lopende jaar, waarbij het handelen van de gemeente géén bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van de vordering, maar de vordering volledig het gevolg is van schending inlichtingenplicht EN waarbij het terugvorderingsbesluit is genomen binnen een redelijke termijn nadat de feiten die de terugvordering tot gevolg hebben gehad, bekend zijn geworden. |
X |
Ondertekening
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre in de vergadering van 26 mei 2026.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre,
Gemeentesecretaris, Burgemeester,
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl