Beleidsregels kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteiten

Geldend van 03-06-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteiten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert;

gelet op het bepaalde in art. 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving jo. art. 5.18 en art. 5.21 Omgevingswet,

overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen ten behoeve het verlenen van omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met een beperkte planologische betekenis,

besluit:

vast te stellen:

  • Beleidsregels kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteiten

en in te trekken:

  • Kruimengevallenbeleid Zundert

1. Toelichting

1.1 Tot 1 januari 2024: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Tot 1 januari 2024 waren de lokale planologische regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken vastgelegd in ruimtelijke plannen: de lokale bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Met een omgevingsvergunning kon het college van burgemeester er wethouders (hierna: het college) een aanvrager toestemming verlenen om af te wijken van die planologische regels. Het toetsingskader en de voorbereidingsprocedure waren opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Zo kon een omgevingsvergunning om af te wijken slechts worden verleend indien de aangevraagde activiteit niet in strijd was met een goede ruimtelijke ordening. Dat was een open norm waarvan de grenzen door de bestuursrechter werden gegeven. Aan de hand van die jurisprudentie kon worden ingeschat of een aanvraag al dan niet in strijd was met die open norm.

Ten aanzien van de voorbereidingsprocedure bevatte de Wabo onder andere een zogenoemde kruimelgevallenregeling, een relatief snelle route om met een verleende omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan. Het ging daarbij om afwijkingen van - volgens de wetgever - een beperkte planologische betekenis. Hoewel de naam kruimelgevallen anders doet vermoeden, waren ook betrekkelijk grote afwijkingen mogelijk met de kruimelgevallenregeling, zoals het gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Afwijkingen vergunnen via de kruimelgevallenregeling was een relatief snelle route omdat de reguliere voorbereidingsprocedure van 8 weken van toepassing was en omdat de gemeenteraad geen toestemming hoefde te verlenen. De lijst met kruimelgevallen was opgenomen in artikel 4 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht. Als het ging om de motivering dan kon bij een kruimelgeval worden volstaan met een beknopte ruimtelijke motivering in plaats van een meer uitvoerige ruimtelijke onderbouwing.

Het college had voor bepaalde veelvoorkomende kruimelgevallen beleidsregels vastgesteld waarin voor de aangewezen gevallen al een belangenafweging was gemaakt. Doel was een doelmatige en consequente beoordeling van gelijke kruimelgevallen.

1.2 Sinds 1 januari 2024: de Omgevingswet

Op 1 januari 2024 is, onder andere, de Wabo opgegaan in een nieuwe wet: de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding van die nieuwe wet is de kruimelgevallenregeling zoals die bestond onder de Wabo komen te vervallen. Onder de Omgevingswet is namelijk het toepassen van de reguliere procedure op een vergunningaanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: bopa) de hoofdregel; slechts in een beperkt aantal gevallen kan of moet daarvan worden afgeweken. Daarmee is een aparte regeling voor een procedurele shortcut niet meer nodig. Verder is ook het onderscheid tussen de (beperkte) ruimtelijke motivering voor de kruimelgevallen en de (uitgebreide) ruimtelijke onderbouwing voor niet-kruimelgevallen komen te vervallen.

Ondanks dat er geen ‘procedureel voordeel’ meer bestaat voor kruimelgevallen bij het verlenen van bopa-vergunningen, bestaat de behoefte aan beleidsregels op dit thema waarmee het lokale afwegingskader zoals dat van kracht was onder de Wabo, ook van toepassing wordt onder de Omgevingswet. Het gaat dan om gevallen die onder de kruimelgevallenregeling vielen en waarvan het college van oordeel is dat – gelet op het beperkte planologisch karakter – ook onder de Omgevingswet in beginsel een bopa-vergunning op aanvraag kan worden verleend. Met deze beleidsregel wordt een efficiënte afhandeling van kleine, veelvoorkomende buitenplanse afwijkingen van het omgevingsplan bevorderd.

Omdat onder de Omgevingswet geen kruimelgevallen meer bestaan, wordt voor deze toelichting een nieuwe term gebruikt: de kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met die term worden de gevallen van artikel 2.1.2 van de beleidsregels bedoeld, gebaseerd op voormalige lijst met kruimelgevallen.

Om die reden zal deze ‘omzetting’ van beleidsregels zoveel mogelijk beleidsneutraal zijn; het ‘oude’ kruimelgevallenbeleid wordt gecontinueerd. Ook de opzet van de beleidsregels is grotendeels hetzelfde gebleven, namelijk met algemene en specifieke regels. Gekozen is om de aanwijzing van categorieën kruimelgevallen in Bijlage II van het inmiddels vervallen Besluit omgevingsrecht op te nemen als toepassingsbereik in het eerste lid van elke specifieke regel. Daarna volgt per categorie de afweging of het verlenen van een (kleine) buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk is.

Hoewel een beleidsneutrale omzetting het uitgangspunt is, is de beleidsregel op de volgende onderdelen aangepast:

  • Wijziging van gezamenlijk zij- en achtererf in gezamenlijk erf (art. 2.3.1. lid 2 onder d en lid 3 onder d)

  • Wijziging van voorerfgebied in voorerf (art. 2.3.1 lid 7 onder b)

  • Wijziging van de hoogte van 5 m in 10 m (art. 2.3.4 lid 1 onder a). Deze wijziging houdt verband met een onvolkomenheid in het Kruimelgevallenbeleid Zundert. Met deze wijziging wordt aangesloten bij art. 4 lid 3 onder a van Bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht.

  • Vervallen van onderdeel Gebruiken van bouwwerken en aansluitende terreinen (art. 2.2.9 Kruimelgevallenbeleid Zundert)

  • Wijziging Bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom (art. 2.3.2.):

    • Het college acht het wenselijk dat deze regeling voor bouwwerken buiten de bebouwde komt slechts van toepassing is voor recreatiewoningen op Parc Patersven,.

    • Vanwege het feit dat permanent verblijf is toegestaan op het Parc Patersven is, volgens het college, een bouw van een bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan tot een maximum van 20 m2 te klein om allerlei goederen te kunnen opslaan. Om die reden wordt in deze regeling een maximum van 25 m2 aangehouden. Verder is de eis dat het gaat om vrijstaande bijbehorende bouwwerken komen te vervallen.

  • Wijziging van termijn voor Tijdelijk gebruik van gronden of gebouwen voor een termijn van 10 jaar naar 15 jaar (art. 2.3.9). Hiermee wordt aangesloten bij de definitie van Tijdelijk bouwwerk in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • Wijziging van de gevallen voor Tijdelijk gebruik van gronden of gebouwen (art. 2.3.9). Het is onwenselijk om al het tijdelijk gebruik onder het toepassingsbereik van deze beleidsregels te laten vallen; ook tijdelijke activiteiten met een grote ruimtelijke impact zouden daarmee via deze weg kunnen worden vergund. In zo’n geval is een uitvoerige ruimtelijke onderbouwing vereist om de aanvraag te kunnen beoordelen. Uitzondering hierop is de veelvoorkomende tijdelijke woning gedurende de bouwperiode van een permanente woning. Daarvan wordt aangenomen dat de ruimtelijke impact in beginsel gering is.

Tevens is de redactie op sommige onderdelen aangepast met een ongewijzigde strekking. Vanzelfsprekend zijn de gevallen die waren aangewezen in het Besluit omgevingsrecht en waarvan het college destijds van mening was dat die niet vielen onder het toepassingsbereik van de beleidsregels, niet opgenomen in deze nieuwe beleidsregels.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ook de open norm ‘een goede ruimtelijke ordening’ komen te vervallen. Deze is vervangen door een nieuwe norm: de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: etfal). Volgens de wetgever is het etfal-criterium een voortzetting van de ‘goede ruimtelijke ordening’-norm, maar dan in de bredere context van de fysieke leefomgeving. Daarmee heeft etfal een breder bereik dan zijn voorganger; ook niet-ruimtelijke motieven spelen een in de beoordeling van een bopa-aanvraag.

1.3 Beoordelingskader onder de Omgevingswet

De beoordelingscriteria voor een bopa-aanvraag zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In artikel 8.0a lid 2 van die regeling wordt de verbinding gemaakt met het etfal-criterium:

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Het college dient in het kader van een bopa-aanvraag dus te beoordelen of wordt voldaan aan het etfal-criterium. Van activiteiten die vallen onder het hierna uitgewerkte toepassingsbereik, is het college van oordeel dat die een beperkte planologische betekenis hebben, en waarvan met een summiere ruimtelijke motivering en eventueel een beperkt onderzoek kan worden bepaald dat ze aan het etfal-criterium voldoen. Daarmee kan het college een bopa-vergunning zonder een heel uitgebreide toetsing en motivering verlenen, met verwijzing naar deze beleidsregels. Vanzelfsprekend blijven de beoordelingsregels van het Rijk en de provincie – zoals instructies en instructieregels – onverminderd van toepassing.

1.4 Regulering in het omgevingsplan

Omdat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een kleine buitenplanse omgevings-planactiviteit geen sprake is van uitgebreide toetsing en motivering, komen dergelijke activiteiten in aanmerking voor een ander vorm van regulering in het omgevingsplan, bijvoorbeeld vervanging van de vergunningplicht door een meldingsplicht of de activiteit vergunningsvrij te maken. Te zijner tijd zal het college hiertoe een voorstel doen aan de gemeenteraad waarbij naar verwachting de strekking van deze beleidsregels leidend zal zijn voor de regulering van zulke activiteiten in het omgevingsplan.

2. Beleidsregels

2.1 Beoordeling aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit hanteert het college het criterium als verwoord in artikel 2.1.2, met een verwijzing naar de regels in de paragrafen 2.2 en 2.3. Indien aan die regels wordt voldaan dan verleent het college in beginsel de aangevraagde omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met de term in beginsel wil het college tot uitdrukking brengen dat, hoewel de beleidsregel het uitgangspunt is, in een uitzonderlijk geval gemotiveerd kan worden afgeweken van dat uitgangspunt. Net als alle andere gevallen die buiten het toepassingsbereik van deze beleidsregels vallen, zal dan een uitgebreidere aanvraag nodig zijn waarna die aanvraag alsnog volledig wordt getoetst aan het etfal-criterium.

Artikel 2.1.1 Definities

Op deze beleidsregels zijn de volgende definities van toepassing:

  • college: college van burgemeester en wethouders

  • de begrippen in Bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving

Artikel 2.1.2 Verlenen omgevingsvergunning

Het college verleent in beginsel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit in de zin van de Omgevingswet waarvan de aanvraag voldoet aan alle voorwaarden uit paragraaf 2.2 en waarvoor het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk is op grond van een bepaling uit paragraaf 2.3.

2.2 Algemene beoordelingsregels

In het kader van de beoordeling van een aanvraag gelden de volgende voorwaarden:

  • 1.

    De aanvraag bevat in ieder geval een summiere, ruimtelijke onderbouwing, zo nodig aangevuld met beperkt onderzoek op de relevante onderdelen.

  • 2.

    De aangevraagde activiteit is uitvoerbaar volgens de geldende wet- en regelgeving;

  • 3.

    De aangevraagde omgevingsplanactiviteit is niet strijdig met het beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving, als vastgelegd in onder andere de omgevingsvisie en programma’s, en mag de uitvoering van beleid of een omgevingsplan dat in voorbereiding is niet bemoeilijken;

  • 4.

    De milieuhygiënische kwaliteit mag niet substantieel verslechteren;

  • 5.

    De milieuhygiënische kwaliteit voldoet aan wettelijke normen voor andere functies dan genoemd in het vorige punt, waarbij de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) in acht wordt genomen;

  • 6.

    De aangevraagde omgevingsplanactiviteit mag niet leiden tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden voor omliggende functies;

  • 7.

    De verkeersintensiteit mag niet substantieel toenemen. De verkeerstoename mag niet toenemen boven de maximale capaciteit van de aanwezige infrastructuur met betrekking tot woonfuncties en functies voor kwetsbare groepen (zoals scholen en zorginstellingen) in de omgeving. Verder moet worden voldaan aan de ‘Nota Parkeernormen gemeente Zundert’ van 24 november 2020 of het gewijzigde beleid op dit thema van een latere datum.

  • 8.

    De privacy van woonfuncties in de omgeving mag door het nieuwe gebruik niet substantieel afnemen;

  • 9.

    Indien kostenverhaal in de zin van hoofdstuk 13 van de Omgevingswet aan de orde is, zal, voorafgaand aan het nemen van het besluit op de aanvraag, een anterieure overeenkomst gesloten moeten zijn met de aanvrager of initiatiefnemer. Ook zal per geval beoordeeld moeten worden of voor het initiatief een bijdrage bovenwijkse voorzieningen van toepassing is en of de kans op planschade aanwezig is. Indien een bijdrage bovenwijkse voorzieningen en/of de kans op planschade van toepassing is wordt dit opgenomen in een te sluiten anterieure overeenkomst of planschadeverhaalsovereenkomst tussen de gemeente en de aanvrager.

  • 10.

    Bij het indienen aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet een initiatiefnemer aantonen dat er met direct belanghebbenden gesproken is over het plan. Dit doet een initiatiefnemer aan de hand van het stappenplan in de ‘Participatieleidraad Omgevingswet Gemeente Zundert’ van 19 oktober 2021 dan wel het gewijzigde beleid op dit thema van een latere datum. Daarbij geldt dat naar gelang van een activiteit meer impact heeft op de omgeving, de mate van participatie zwaarder meeweegt.

2.3 Specifieke beoordelingsregels

In het kader van de beoordeling van een aanvraag gelden de volgende specifieke voorwaarden. Een regel is van toepassing indien de aangevraagde activiteit valt onder de reikwijdte van het artikel.

Artikel 2.3.1 Bijbehorende bouwwerken binnen de bebouwde kom

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een bijbehorende bouwwerk of de uitbreiding daarvan gelegen binnen de bebouwde kom.

  • 2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan bij woningen, niet zijnde uitbreidingen van hoofdgebouwen, mits:

    • a.

      bijbehorende bouwwerken minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;

    • b.

      de goothoogte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt vermeerderd met 0,35 m, met dien verstande dat de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen;

    • c.

      de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 6 m bedraagt;

    • d.

      het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 50% van het gezamenlijke erf tot een maximum van 90 m2;

  • 3. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan bij andere gebouwen dan woningen, niet zijnde uitbreidingen van hoofdgebouwen, mits:

    • a.

      bijbehorende bouwwerken minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;

    • b.

      de goothoogte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt vermeerderd met 0,35 m, met dien verstande dat de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen;

    • c.

      de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 6 m bedraagt;

    • d.

      het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 50% van het gezamenlijke erf bedraagt;

    • e.

      op bedrijventerreinen de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens altijd minimaal 5 meter bedraagt.

  • 4. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de uitbreiding van een hoofdgebouw in het geval er sprake is van een woning , mits:

    • a.

      de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt aan de zijde(n) waar geen aaneen gebouwd ander hoofdgebouw is gelegen;

    • b.

      de breedte van hoofdgebouwen niet meer bedraagt dan:

      • voor vrijstaande hoofdgebouwen: 15 m;

      • voor half vrijstaande, geschakelde en aaneen gebouwde hoofdgebouwen: 10 m;

    • c.

      de diepte van hoofdgebouwen niet meer bedraagt dan:

      • voor vrijstaande hoofdgebouwen: 15 m;

      • voor half vrijstaande, geschakelde en aaneen gebouwde hoofdgebouwen: 12 m;

    • d.

      het aantal bouwlagen niet wordt uitgebreid;

    • e.

      de voorgevel van het hoofdgebouw gesitueerd wordt in de voorgevelrooilijn/ de voorzijde van het bouwvlak of tot een afstand van maximaal 3 meter daarachter;

    • f.

      de afstand van het hoofdgebouw tot de achterste perceelgrens dient minimaal 8 meter te bedragen, indien de bestaande afstand minder bedraagt geldt deze afstand.

  • 5. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de uitbreiding van een hoofdgebouw betreffende een ander gebouw dan een woning, mits:

    • a.

      de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 5 m bedraagt aan de zijde(n) waar een ander hoofdgebouw is gelegen;

    • b.

      het bouwvlak, of het geldende maximaal te bebouwen percentage hiervan, wordt met maximaal 10% vergroot;

    • c.

      het aantal bouwlagen niet wordt uitgebreid;

    • d.

      de voorgevel van het hoofdgebouw gesitueerd wordt in de voorgevelrooilijn/ de voorzijde van het bouwvlak of tot een afstand van maximaal 3 meter daarachter

  • 6. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan voor de voorgevel van het hoofdgebouw (voorerfgebied), mits:

    • a.

      de diepte, gemeten vanuit de voorgevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw, bedraagt maximaal 1,5 m;

    • b.

      de oppervlakte bedraagt maximaal 6 m²;

    • c.

      de bouwhoogte bedraagt maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met maximaal 0,35 m;

    • d.

      de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied bedraagt ten minste 1,5 m.

  • 7. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan voor de voorgevel van het hoofdgebouw zonder achtererf mits:

    • a.

      het bouwwerk op eigen grond wordt gebouwd;

    • b.

      de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken in het voorerf maximaal 10 m² bedraagt en zich beperkt tot maximaal 50% van de oppervlakte van het voorerfgebied;

    • c.

      de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk maximaal de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt, vermeerderd met 0,35 m;

    • d.

      de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten hoogste 3,0 m bedraagt.

Artikel 2.3.2 Bijbehorende bouwwerken buiten de bebouwde kom

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een bijbehorende bouwwerk of de uitbreiding daarvan:

    • a.

      met een hoogte niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, en

    • b.

      een oppervlakte niet groter 150 m2,

  • gelegen buiten de bebouwde kom.

  • 2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan bij recreatiewoningen mits:

    • a.

      de recreatiewoning gelegen is op het park Patersven aan de Kleine Heistraat te Wernhout;

    • b.

      het bijbehorende bouwwerken zijn, die minimaal 1 m achter de voorgevel van de recreatiewoning worden gebouwd;

    • c.

      de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen;

    • d.

      het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op het zij- en achtererf tot een maximum van 25 m²;

    • e.

      de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2,5 meter bedraagt, niet zijnde de perceelsgrens aan een toegangsweg.

Artikel 2.3.3 Gebouwen voor infrastructurele of openbare voorziening

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer:

    • a.

      met een hoogte niet hoger dan 5 m, en

    • b.

      een oppervlakte niet groter dan 50 m2.

  • 2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk.

Artikel 2.3.4 Bouwwerken niet zijnde een gebouw

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een bouwwerk, niet zijnde een gebouw:

    • a.

      met een hoogte niet hoger dan 10 m, en

    • b.

      een oppervlakte niet groter dan 50 m2.

  • 2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk mits:

    • a.

      De bouwhoogte van erfafscheidingen in en op het zij-erf ter plaatse van een hoekwoning ten hoogste 2 m bedraagt, voor zover gelegen achter het verlengde van de voorgevelrooilijn of voorzijde bouwvlak;

    • b.

      De bouwhoogte van erfscheidingen bij andere gebouwen dan woningen ten hoogste 3 m bedraagt.

Artikel 2.3.5 Dakkapellen, dakopbouwen, en gelijksoortige uitbreidingen van een gebouw

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw.

  • 2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk.

Artikel 2.3.6 Antenne-installaties

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een antenne-installatie met een hoogte niet hoger dan 40 m.

  • 2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een niet-vrijstaande antenne-installatie is mogelijk mits:

    • a.

      De antennes worden geplaatst op gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die hoger zijn dan 15 meter;

    • b.

      De antenne en antennedrager niet hoger zijn dan 5 meter vanaf de bovenkant van het gebouw of het bouwwerk, geen gebouw zijnde en in totaliteit niet hoger zijn dan 40 meter, gemeten vanaf het maaiveld.

  • 3. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een vrijstaande antenne-installatie is mogelijk.

Artikel 2.3.7 Installaties bij glastuinbouwbedrijf voor warmtekracht koppeling

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de bouw van een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998.

  • 2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk.

Artikel 2.3.8 Niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied.

  • 2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk.

Artikel 2.3.9 Tijdelijk gebruik

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de artikelen 2.3.1 tot en met artikel 2.3.8, voor een termijn van ten hoogste 15 jaar.

  • 2. Het verlenen van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit is mogelijk mits:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op het gebruik van een tijdelijke woning gedurende de periode dat op hetzelfde perceel, of in de directe nabijheid daarvan, bouw- of verbouwactiviteiten voor een permanente woning worden uitgevoerd en permanente bewoning redelijkerwijs nog niet mogelijk is;

    • b.

      uit de aanvraag voldoende blijkt dat aannemelijk is dat de activiteit kan en zal worden beëindigd aan het einde van de termijn zonder onomkeerbare gevolgen;

  • 3. Een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit die is verleend met toepassing van dit artikel kan worden verlengd of opnieuw worden verleend zolang de opgetelde duur van het toegestane, tijdelijke gebruik niet langer is dan 15 jaar.

3. Slotbepalingen

3.1 Overgangsrecht

Op een aanvraag van een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit die is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels, zijn de beleidsregels “Kruimengevallenbeleid Zundert” van toepassing, gelezen in samenhang met de bepalingen bij of krachtens de Omgevingswet.

3.2 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: “Beleidsregels kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteiten”.

3.3 Inwerkingtreding

Dit besluit in werking met ingang van de dag na de dag van bekendmaking.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van 12 mei 2026

Burgemeester en wethouders van Zundert,

secretaris,

G.A.A. van Rijswijk

de burgemeester,

J.G.P. Vermue