Beleids- en nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 02-06-2026 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleids- en nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026;

B E S L U I T E N

Vast te stellen de Beleids- en nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026.

Inleiding

In het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) stelt de gemeenteraad een verordening vast voor de uitvoering van alle taken die onder de Wmo vallen.

Naast het vaststellen van een verordening stelt het college van burgemeester en wethouders beleids- en nadere regels vast voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk. Deze beleids- en nadere regels bieden een afwegingskader ten aanzien van elke Wmo hulpvraag.

De wet, verordening en de beleids- en nadere regels vormen een onlosmakelijk samenhangend geheel. Hierbij borduurt de één voort op de ander en concretiseert deze nader. De wet staat boven de verordening die op haar beurt boven de beleids- en nadere regels staat. In de Wmo 2015 wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Daarna wordt gekeken of algemene voorzieningen hem in staat stellen om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Als deze oplossingen nog onvoldoende zijn, wordt gekeken of een maatwerkvoorziening verstrekt kan worden. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ligt de focus op de te bereiken resultaten van de ingezette voorzieningen.

In deze beleids- en nadere regels staat omschreven hoe het proces om tot een passende oplossing te komen zo zorgvuldig mogelijk wordt doorlopen. Een dergelijke procedure, zal tot een juist besluit moeten leiden, namelijk hulp of ondersteuning waar dit nodig is.

Hoofdstuk 1 Doel beleids- en nadere regels

1.1 Doel

De Wmo 2015 heeft tot doel het bevorderen van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van inwoners, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen en actief kunnen deelnemen aan de samenleving. De Wmo beoogt dat inwoners, met inzet van hun eigen kracht, het sociale netwerk en algemene voorzieningen, ondersteuning ontvangen waar dat noodzakelijk is om beperkingen in het dagelijks functioneren te compenseren. De uitgangspunten van de Wmo 2015 betreffen in het algemeen omschreven: het vergroten van zelfredzaamheid, participatie, brede benadering van hulpvragen, maatwerk en lichtere vormen van ondersteuning.

De gemeente draagt er zorg voor dat passende ondersteuning beschikbaar is voor inwoners die dit niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of vrijwilligers kunnen realiseren. Daarbij staat maatwerk centraal, afgestemd op de persoonlijke omstandigheden, behoeften en mogelijkheden van de inwoner. Elke hulpvraag wordt beoordeeld langs het algemene afwegingskader zoals beschreven in de beleids- en nadere regels.

Deze beleids- en nadere regels hebben als doel om de uitkomsten van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, te objectiveren. Tegelijkertijd bieden de beleids- en nadere regels ruimte tot maatwerk. Dat betekent automatisch dat gelijke gevallen leiden tot een gelijke uitkomst en dat ongelijke gevallen leiden tot een ongelijke uitkomst.

1.2 Definities

Ten aanzien van de leesbaarheid is ervoor gekozen om een aantal bepalingen uit de Wmo 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026 nogmaals op te nemen. Aanvullend in deze beleids- en nadere regels wordt verstaan onder:

Algemene voorziening aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

Begeleidingsplan naar aanleiding van het onderzoeksverslag stellen de gecontracteerde aanbieders samen met de cliënt het plan op. Uit dit plan blijkt de tijd, doelen en frequentie van de ondersteuning, en de onderbouwing daarvan;

Budgetplan in het budgetplan voor het pgb wordt vermeld welke zorg ingekocht gaat worden voor het beschikbare budget, het bedrag dat per zorgverlener besteed gaat worden en welke resultaten er bereikt gaan worden;

Collectief vervoer een vorm van personenvervoer speciaal gericht op mensen met beperkingen.

Dagdeel dagdeel dat bestaat uit minimaal 3 uur en maximaal 4 uur afhankelijk van het in te zetten product;

Gebruikelijke hulp hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

Onderzoeksverslag naar aanleiding van het gesprek tussen de gemeente en de cliënt met daarin concreet beschreven wat het te behalen resultaat is met de maatschappelijke ondersteuning (het ‘wat’);

Kostprijs de prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier met daarin begrepen onderhoudskosten.

Maatwerkvoorziening op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

Mantelzorg hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

Overbelasting een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en en/of psychische klachten kunnen ontstaan;

Persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo. Plan waarin de cliënt aangeeft wat zijn zorgvraag is en welke oplossing, zorg en ondersteuning daarbij passen. Het persoonlijk plan is uitgangspunt bij het gesprek tussen de gemeente en de cliënt;

Resultaatgebieden het te bereiken resultaat is altijd gericht op een gebied binnen maatschappelijke ondersteuning dat verbeterd of behouden moet worden. Het vermogen van inwoners om zichzelf aan te passen en een eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, sociale en emotionele uitdagingen van het leven;

Pgb persoonsgebonden budget;

Pgb aanbieder een persoon of organisatie (een zorgverlener) die zelfstandig zorg levert aan een pgb-budgethouder;

Pgb beheerder de persoon die het geld van het pgb beheert en de administratie daarover voert voor de cliënt; de Pgb budgetbeheerder kan ook de cliënt zelf zijn;

Pgb budgethouder de persoon aan wie het pgb budget is toegekend en voor wie de ondersteuning is geïndiceerd;

VOG Verklaring Omtrent het Gedrag;

Verordening geldende Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal;

Vertegenwoordiger persoon of rechtspersoon die een cliënt zijn belangen behartigd omdat de cliënt dit niet goed zelf kan doen;

Voorliggende voorziening een voorziening op grond van andere wetgeving die als eerste moet worden benut, voor specifieke ondersteuning of voorzieningen vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt ingezet.

Hoofdstuk 2 Algemeen afwegingskader

Ten aanzien van elke hulpvraag geldt hetzelfde algemene afwegingskader conform de stappen zoals uitgewerkt door de CrvB (art. 2.3.2 Wmo 2015). Onderstaande schema is een weergave van de wettelijke onderzoeksplicht en geeft geen zelfstandige rechten of plichten.

Het college stelt eerst vast wat de hulpvraag is, welke problemen er worden ervaren bij zelfredzaamheid en participatie. Vervolgens welke ondersteuning in de brede zin nodig is om de problemen op te lossen of te verminderen. Daarna wordt vastgesteld wat de inwoner zelf, met hulp van huisgenoten, mantelzorg, het netwerk, algemene of andere voorliggende (wettelijke) voorzieningen, kan bijdragen aan het oplossen of verminderen van het probleem. Als er dan nog ondersteuning nodig blijft concludeert het college welke maatwerkvoorziening vanuit de Wmo passend is. Maatwerk is het op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, vervoersmiddelen, beschermd wonen en opvang en andere maatregelen.

Elke hulpvraag zal deze op wijze worden benaderd en op identieke wijze worden onderzocht.

Als je dit in een schema zet, dan ziet het er als volgt uit:

afbeelding binnen de regeling

2.1. Zelfredzaamheid en participatie

Om het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving van de bewoner te bepalen, wordt het volgende gewogen:

  • Welk niveau past bij de huidige situatie en persoonskenmerken van de client.

  • Welk niveau staat in redelijke verhouding met de situatie van de bewoner voordat er sprake was van een beperking of problematiek.

2.1.1 Zelfredzaamheid

De gemeente heeft een brede verantwoordelijkheid voor de deelname van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen aan het maatschappelijk verkeer (participatie), het bieden van passende ondersteuning waarmee mensen in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en tot het voeren van een gestructureerd huishouden (zelfredzaamheid).

De gemeente heeft als beleid om bjj het bepalen van de mate van zelfredzaamheid van de client de Zelfredzaamheid-Matrix (ZRM) te gebruiken. De ZRM is een instrument om verschillende dimensies van zelfredzaamheid overzichtelijk in beeld te brengen. De ZRM heeft elf domeinen waarop de mate van zelfredzaamheid wordt beoordeeld. De domeinen van de ZRM zijn: financiën, dagbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, verslaving, activiteiten dagelijks leven, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie.

De omschrijving van ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen:

- het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen;

- het voeren van een gestructureerd huishouden.

De gemeente hanteert bij het beleid voor zelfredzaamheid de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen als uitgangspunt:

- in en uit bed komen;

- aan- en uitkleden;

- bewegen;

- lopen;

- gaan zitten en weer opstaan;

- lichamelijke hygiëne;

- toiletbezoek;

- eten en drinken;

- medicijnen innemen;

- sociaal contact.

Soms bestaat ook de behoefte aan aanvullende ondersteuning bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen, zoals een aansporing om onder de douche te gaan. De ondersteuning die niet ingegeven is door een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Het gaat meestal om de ondersteuning en begeleiding bij het laten uitvoeren van deze ‘algemene dagelijkse levensverrichtingen’ door de cliënt zelf.

Ondersteuning met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden omvat bijvoorbeeld:

- hulp bij contacten met officiële instanties;

- hulp bij het aanbrengen van structuur in het huishouden;

- hulp bij het leren om zelfstandig te wonen;

- hulp bij het omgaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur doorbreken;

- hulp bij het omgaan met geld.

2.1.2 Participatie

Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of psychische beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.

2.2. Eigen Kracht en gebruikelijke hulp

Eigen kracht

De gemeente gaat ervan uit dat de burger zelf regie voert en zijn of haar eigen mogelijkheden hiervoor benut. Daarvoor kijkt de Wmo-consulent naar de persoonlijke eigenschappen van de cliënt, het vermogen van de cliënt om op eigen kracht tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen in combinatie met zijn sociale netwerk. De gemeente gaat ervan uit dat de client zich in hoge mate inspant om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Hieronder valt ook dat cliënt aanspraak moet maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan, zoals de Zorgverzekeringswet.

Gebruikelijke hulp

Dit is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015) ter verbetering van de zelfredzaamheid en participatie. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.

Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Bij de beoordeling of er sprake is van gebruikelijke hulp, weegt het college verschillende punten af, zoals genoemd in artikel 7 van de verordening. Daarnaast geldt ook het bepaalde in de beleids- en nadere regels voor het bepalen van gebruikelijke hulp. Hierbij wordt verwezen naar het protocol gebruikelijke zorg door de CIZ. Voor gebruikelijke hulp wordt in de regel geen maatschappelijke ondersteuning verleend.

Gebruikelijke hulp wordt verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Verder kan een ongehuwde meerjarige medebewoner van de (ongehuwde meerderjarige) cliënt, als echtgenoot van de cliënt worden aangemerkt, indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding (zie artikel 1.1.2 lid 2 sub a Wmo 2015). Uit onderzoek wordt duidelijk of er sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding tussen cliënt en betreffende medebewoner. Als daar sprake van is, mag van die medebewoner worden verwacht dat deze

gebruikelijke hulp verleent. Cliënt en medebewoner worden in dat geval aangemerkt als eenheid. De definitie van gebruikelijke hulp strekt zich niet uit tot niet-inwonende kinderen. Deze maken immers niet langer deel uit van het gezamenlijke huishouden van hun ouder(s). Dit laat onverlet dat de gemeente wel met de cliënt kan bespreken of niet-inwonende kinderen (op vrijwillige basis) een helpende hand kunnen bieden.

De algemene wettelijke definitie “eenheid” bevat drie eisen waaraan moet zijn voldaan (artikel 1.1.2 lid 3 Wmo):

1. Het moet gaan om twee personen;

2. Men moet het hoofdverblijf hebben in dezelfde woning;

3. Men moet blijk geven zorg te dragen voor elkaar door het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins.

Bij gebruikelijke hulp wordt meegewogen of diegene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden of dat er sprake is van overbelasting.

Bij dat onderzoek objectiveert de gemeente, al dan niet ondersteund door een medische adviesinstantie, of er sprake is van overbelasting van de partner, inwonend kind of huisgenoot van cliënt. Bekeken wordt of de persoon van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht, naast zijn/haar werk en de door hem te verlenen zorg aan zijn echtgenoot of huisgenoot, fysiek en psychisch nog in staat is gebruikelijke hulp aan cliënt te verlenen. Alleen als er sprake is van overbelasting, zal het college (tijdelijk) een indicatie verstrekken. Deze indicatie zal van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.

Ingebrachte redenen als ‘niet gewend zijn’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten’ leiden niet tot een aanspraak op hulp. In deze situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen, maar via instructies gestuurd.

Wanneer er gebruikelijke hulp van een kind wordt verwacht, wordt er rekening gehouden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties.

Gekozen is om voor de hulp bij het huishouden voor kinderen/jongvolwassenen de volgende uitgangspunten vast te stellen:

  • < 5 jaar wordt geen bijdrage gevraagd;

  • 5 - 12 jaar wordt verwacht dat er lichte huishoudelijke taken kunnen worden verricht: opruimen, tafeldekken /afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien;

  • 13 - 17 jaar wordt naast de genoemde werkzaamheden voor kinderen tot en met 12 jaar ook verwacht dat de bedden worden verschoond, stofzuigen, rommel opruimen, alle boodschappen kunnen doen;

  • 18 -23 jaar wordt verwacht dat zij een eenpersoonshuishouden kunnen voeren en daarbinnen alle werkzaamheden kunnen uitvoeren;

  • > 23 jaar wordt verwacht dat zij een volledig meerpersoonshuishouden kunnen voeren met alle bijbehorende taken.

Sociaal netwerk

Zorg vanuit het sociaal netwerk is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving zonder directe familierelatie, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie (vriend of kennis). Zorg vanuit het sociaal netwerk vindt plaats op basis van vrijwilligheid. De sociale omgeving is mogelijk bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden.

Onderzocht wordt in hoeverre de sociale omgeving kan bijdragen aan het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie.

Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de cliënt regelmatig contacten onderhoudt, zoals mantelzorgers, buren, (mede)leden van een vereniging etc.

Personen uit het sociale netwerk kunnen dus ook mantelzorgers zijn, maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Het verschil kan zitten in de intensiteit en frequentie van de zorg. Vaak wordt mantelzorg gezien als structurele hulp (wekelijks of zelfs dagelijks). Mantelzorg kan aanvullend zijn op vormen van professionele zorg. Hulp uit het sociale netwerk kan ook incidenteel zijn. Denk aan het snoeien van de heg twee keer per jaar. Of een klein klusje zoals het, weliswaar wekelijks, aan de straat zetten van de afvalcontainer.

2.3 Andere wetgeving

Het college gaat beoordelen in hoeverre andere wetgeving voorziet in een oplossing voor de hulpvraag. Hierbij wordt de vraag gesteld kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen door een beroep te doen op andere wetgeving? Het college beoordeelt allereerst in hoeverre andere wetgeving voorziet in een oplossing voor de ondersteuningsvraag.

Voorliggend op de Wmo is een voorziening/dienst op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), Zorgverzekeringswet (Zvw) of een voorziening van het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV) zoals de WSW, waar eerst een beroep op kan worden gedaan voor de maatwerkvoorziening wordt overwogen:

Jeugdwet: voor alle ouders en ouders van kinderen met een beperking kan op grond van de Jeugdwet opvoedingsondersteuning worden geboden, zoals medisch kinderdagverblijf, specialistische hulp thuis, tijdelijke opname. Begeleiding kan thuis alleen in bijzondere gevallen, ondersteunend op opvoedingsondersteuning ter bevordering van de zelfredzaamheid van ouders, worden geboden;

Wetgeving in het kader van arbeidsvoorzieningen, zoals de Ziektewet (ZW), Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) en de Wajong zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan begeleiding groep (dagbesteding) kan worden overwogen;

Zorgverzekeringswet (Zvw): ziektekostenverzekeraars hebben afspraken gemaakt met hulpmiddelendepots van thuiszorgaanbieders voor tijdelijke gebruik een rolstoel en met hulpmiddelenleveranciers voor permanent gebruik van andere loophulpmiddelen. Het aanbod is afhankelijk van het verzekeringspakket. Dit geldt ook voor onder andere respijtzorg en eerstelijnsvoorzieningen;

Leerlingenvervoer (LLV): bij vervoer naar school is het leerlingenvervoer een voorliggende voorziening waarbij ook wordt gekeken of er geen andere vervoersmogelijkheden zijn dan het LLV.

Vanaf 1 januari 2020 zijn de mobiliteitshulpmiddelen voor inwoners die in een Wlz instelling wonen opgenomen in de Wlz. Inwoners die zelfstandig thuis wonen met een Wlz indicatie krijgen huishoudelijke hulp, begeleiding en dagbesteding vanuit de Wlz. De mobiliteitshulpmiddelen komen voor deze inwoners uit de Wmo.

Als er in uitzonderlijke gevallen onduidelijkheid bestaat over de vraag of een andere wettelijke regeling voorziet in het bieden van een oplossing voor de hulpvraag, kan de gemeente besluiten om op grond van de Wmo 2015 maatschappelijke ondersteuning voor tijdelijke duur in te zetten. 1

2.4 Algemeen gebruikelijke voorziening

Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. De gemeente hoeft voor algemeen gebruikelijk geen maatwerkondersteuning beschikbaar te stellen vanuit de Wmo. Het is dan aan de inwoner zelf om dit zelf op te lossen.

Dit is gebaseerd op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarin is bepaald dat een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt als deze:

  • 1.

    niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking;

  • 2.

    in de reguliere handel verkrijgbaar is;

  • 3.

    naar maatschappelijke opvattingen als gangbaar wordt beschouwd; en

  • 4.

    financieel draagbaar is voor iemand met een inkomen op minimumniveau.

Door deze criteria vast te leggen wordt duidelijker onder welke omstandigheden een voorziening niet voor verstrekking in aanmerking komt, omdat deze als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd.

De in bijlage 1 lijst algemeen gebruikelijk bevat voorbeelden van voorzieningen die in beginsel algemeen gebruikelijk worden geacht. Deze lijst is niet uitputtend en heeft een indicatief karakter. Het college beoordeelt altijd per individueel geval of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening.

2.5 algemene voorziening

Algemene voorzieningen zijn laagdrempelig toegankelijk. Dit houdt in dat er geen beschikking voor hoeft te worden afgegeven. Er is in Stadskanaal een gevarieerd aanbod aan voorzieningen aanwezig2 . Met de activiteiten of ondersteuning die via deze algemene voorzieningen wordt geboden kan de inwoner (een deel van) zijn participatieproblemen verminderen of zijn zelfredzaamheid verhogen. In deze gevallen is het dan niet noodzakelijk om een maatwerkvoorziening in te zetten of kan worden volstaan met een aanvulling op de algemene voorziening.

Beschikbare algemene voorzieningen zijn onder andere:

Algemeen maatschappelijk werk, welzijnswerk (voor ouderen), jongerenwerk, klussendienst, maaltijdvoorziening, onafhankelijke cliëntondersteuning (kosteloos), boodschappendiensten supermarkten, maar ook diensten zonder winstoogmerk en gemaksdiensten van de zorgverzekeraar.

2.6 Maatwerkvoorziening

Het is aan het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, ter bevordering van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt, voor zover er geen andere oplossingen voor de hulpvraag vóórliggen. Uitgangspunt voor een Wmo-verstrekking is niet louter de diagnose of beperking van de cliënt. De Wmo 2015 betrekt uitdrukkelijk ook de eigen mogelijkheden van de cliënt of zijn sociale netwerk bij de oplossing van zijn probleem. Het college ondersteunt de cliënt waar hij beperkingen ervaart in zijn zelfredzaamheid en participatie in het maatschappelijk verkeer.

De gemeente kent verschillende vormen van ondersteuning (zie bijlage 2).

Hoofdstuk 3 Toegang

3.1 Melding

Een melding kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gedaan. Als het nodig is, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de hulpvraag. Inwoners kunnen hiervoor ook bij onder andere de welzijnsinstelling terecht. Een melding wordt inclusief de datum van ontvangst geregistreerd. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk (per mail of per post).

Niet elke melding is altijd een hulpvraag in het kader van de Wmo

Een melding die in het kader van de Wmo 2015 wordt ontvangen kan gaan om het inwinnen van informatie, maar ook een cliënt die gebruik wil maken van een algemene voorziening. Een aantal hulpvragen kunnen dus direct adequaat worden afgedaan. Dat houdt in dat deze niet worden geregistreerd als melding.

In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. In spoedgevallen is er geen tijd voor onderzoek. De gemeente moet dan binnen 24 tot 48 uur hulp bieden. De gemeente regelt een tijdelijke maatwerkvoorziening zoals huishoudelijke hulp, begeleiding thuis of opvang elders. De gemeente start ook meteen het onderzoek naar de persoonlijke situatie.

(Onafhankelijke) cliëntondersteuning

Bij de ontvangstbevestiging wijst de gemeente de cliënt erop dat hij gebruik kan maken van cliëntondersteuning. Zo kan de cliëntondersteuner de cliënt in het keukentafelgesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Cliënten kunnen zelf een keuze maken wie zij ter ondersteuning willen meenemen bij het keukentafelgesprek. Dit kan zowel om informele (familie, vrienden, vrijwilligers en ouderenadviseurs) als onafhankelijke cliëntondersteuning gaan. De cliëntondersteuner mag ook aansluiten samen met de informele ondersteuning.

3.2 Het onderzoek en keukentafelgesprek

Om te kunnen bepalen of ondersteuning in de vorm van een individuele maatwerkvoorziening voor de client passend is, wordt allereerst onderzocht wat de verantwoordelijke gemeente is. Dat wil zeggen: de gemeente waar de client zijn hoofdverblijf heeft.

Vervolgens wordt vastgesteld of de aard van de beperking van de client leidt tot:

1. Verlies van zelfredzaamheid of participatiemogelijkheden

2. problemen bij het zich handhaven in de samenleving vanwege psychische of psychosociale problemen

We onderscheiden de volgende terreinen waarop beperkingen worden gemeten:

- zelfredzaamheid (in staat tot bewegen en verplaatsen, communicatie, het nemen van besluiten, oplossen van problemen, algemene dagelijkse levensverrichtingen, dagelijkse routine kunnen organiseren, geld beheren, administratie etc.);

- gedragsproblemen (destructief gedrag, dwangmatig gedrag, lichamelijk en/of verbaal agressief, seksueel overschrijdend gedrag etc.);

- psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken, perceptie van de omgeving);

- oriëntatie stoornissen (oriëntatie in tijd, plaats en persoon).

Wanneer een inwoner zich meldt bij de gemeente voor ondersteuning, vindt er een keukentafelgesprek plaats met cliënt.

Persoonlijk plan

Na de melding van de hulpvraag kan de cliënt een gemotiveerd persoonlijk plan indienen. Het persoonlijk plan gaat vooraf aan het keukentafelgesprek (zie 3.2) en is onderdeel van het onderzoek3 . De client krijgt zeven dagen na de melding om het plan in te dienen volgens artikel 2.3.2 lid 2 Wmo 2015. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de cliënt gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren en ook het doel en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. De cliënt kan in het persoonlijk plan opschrijven wat de voorkeur is van welke personen/organisaties de ondersteuning gaan leveren. De gemeente heeft een formulier beschikbaar gesteld waarop het persoonlijk plan kan worden ingevuld.

In een persoonlijk plan moet een aantal omstandigheden beschreven worden, welke vervolgens door het college onderzocht moet worden:

  • a.

    de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

  • b.

    de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

  • c.

    de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

  • d.

    de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

  • e.

    de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

  • f.

    de mogelijkheden om door samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

Keukentafelgesprek

Mocht de hulpvraag al voldoende bekend zijn, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 Wmo 2015 in overleg met de cliënt afzien van een keukentafelgesprek. Het college onderzoekt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangt van de melding. Dit gebeurt in samenspraak met de degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger(s) of zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie.

Het college verzamelt alle relevante en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie, voor zover de gegevens nodig zijn voor het onderzoek. Hierbij dient de cliënt alle overige gegevens en stukken, die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn, aan het college te overhandigen. Ter bevordering van de snelheid in het opvragen van deze gegevens, kan de bewoner zelf de gewenste gegevens opvragen, met de vermelding welk belang hij heeft bij deze gegevens.

Als vanwege zorgvuldigheid van het onderzoek de termijn niet gehaald wordt, dan gelden hiervoor de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht.

Als eerste wordt de hulpvraag vastgesteld. Deze wordt behandeld volgens het afwegingskader zoals omschreven in hoofdstuk 2.

Het college mag, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

a. vragen om in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem

vragen te stellen;

b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer deskundigen te doen

bevragen en/of onderzoeken.

Het keukentafelgesprek is het uitgangspunt tijdens het uitgebreide onderzoek naar de situatie van de cliënt4 . Een cliënt dient een identificatiebewijs te tonen aan de persoon die het gesprek voert namens de gemeente. Tijdens het keukentafelgesprek informeert het college de cliënt of diens vertegenwoordiger over:

  • het verloop van het gesprek,

  • de rechten en voorwaarden die van toepassing zijn,

  • de vervolgstappen in de procedure.

Als een cliënt wil kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb), dan legt de gemeente duidelijk uit wat de gevolgen van die keuze zijn. De cliënt of diens vertegenwoordiger krijgt informatie in begrijpelijke taal. Ook wordt uitgelegd hoe de aanvraag voor een pgb verloopt en welke stappen daarbij horen. In hoofdstuk 5 zijn aanvullende regels pgb opgenomen. Daarnaast vraagt het college toestemming aan de cliënt om diens persoonsgegevens te verwerken en, wanneer nodig voor de afhandeling van de melding, te delen met andere instanties.

Als een inwoner niet wil meewerken aan het onderzoek, dan kan de gemeente de hulpvraag niet goed beoordelen en niet vaststellen. Zolang het onderzoek niet is afgerond is geen formele aanvraag ingediend ingevolge artikel 2.3.5 Wmo 2015. Na afronding onderzoek volgt er een afwijzing.

Er wordt ook gesproken over of een bijdrage in de kosten verschuldigd is.

Advisering

Om tot een goede beoordeling te komen, kan de Wmo-consulent een extern advies vragen bij een onafhankelijk (medisch-) adviesinstantie.

Het verslag (onderzoeksverslag en begeleidingsplan)

Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Daarin is onder andere opgenomen wat uit het keukentafelgesprek naar voren is gekomen. Binnen zes weken na de melding verstrekt het college aan de cliënt of zijn vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (onderzoeksverslag).

Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. In het onderzoeksverslag staat opgenomen:

  • Wat de hulpvraag van de cliënt is;

  • Wat de beperkingen van de cliënt zijn;

  • Welke doelen en resultaten gerealiseerd moeten worden ter compensatie van de vastgestelde beperking(en);

  • Wat de bijdrage aan het te behalen resultaat is van: het sociale netwerk, andere voorliggende voorzieningen en/of algemene voorzieningen;

  • Welke afspraken er zijn gemaakt met de cliënt over de (tussentijdse) evaluatie van de doelen en resultaten;

  • De motivatie waarom deze voorziening (duurzaam, goedkoop en adequaat) voorziet in de hulpvraag;

  • Welk zwaarwegend advies wordt opgesteld als een individuele maatwerkvoorziening door of namens de client wordt aangevraagd.

Als het onderzoeksverslag naar de cliënt is gestuurd, is het aan de cliënt om te beslissen of hij een aanvraag wil indienen. De client krijgt de mogelijkheid om het onderzoeksverslag te lezen en een reactie hierop te geven. Naar aanleiding van de reactie van de client worden feitelijke onjuistheden in het onderzoeksverslag aangepast. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het dossier toegevoegd. Het onderzoeksverslag voorzien van handtekening en dagtekening van de client, wordt aangemerkt als aanvraag voor een maatwerkvoorziening.

Mocht het verslag niet retour worden ontvangen, dan wordt de cliënt hieraan één keer herinnerd. Hierbij krijgt de cliënt nog een laatste termijn om het verslag retour te sturen. Wanneer het verslag niet tijdig wordt ingeleverd, wordt de melding afgesloten. Komt er geen aanvraag binnen, dan stopt hier de procedure.

3.3 Aanvraag

Als na het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening(en) de meest passende ondersteuningsvorm is, dient deze officieel te worden aangevraagd.

Het ondertekende verslag voorzien van datum dient als aanvraag voor ondersteuning op basis van de Wmo. Als een aanvraag wordt ingediend, geeft het college de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.

3.4 Weigeren (Wmo) aanvraag bij Wlz

Wanneer een cliënt een aanspraak heeft op een verblijf en daarmee samenhangende zorg op grond van de Wet langdurige zorg, maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, dan is het college bevoegd om een Wmo aanvraag te weigeren.

Ook kan het college besluiten om een Wmo aanvraag te weigeren wanneer de aangevraagde voorziening onder de reikwijdte van de Wet langdurige zorg valt. Hierop zijn twee uitzonderingen:

  • 1.

    Wlz-cliënten die in een instelling verblijven een maatwerkvoorziening inhoudende publiek vervoer nodig hebben;

  • 2.

    Wlz-cliënten die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit aanvragen, inclusief rolstoel, publiek vervoer en vervoershulpmiddelen of een hulpmiddel of voorziening op het gebied van wonen of een woningaanpassing aanvragen.

Hoofdstuk 4 Maatwerk Wmo

4.1 Beschikking

De cliënt ontvangt, binnen 2 weken na de aanvraag, een beschikking op grond van de Wmo 2015.

Het college verstrekt de goedkoopst adequate voorziening(en).

De wet biedt de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening in natura te bieden of over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Hoewel de cliënt de vorm van zorg bepaalt, heeft de gemeente als voorkeur dat een maatwerkvoorziening als zorg in natura wordt verstrekt. Als het gaat om maatwerkvoorziening in natura heeft de gemeente eisen gesteld aan de kwaliteit van zorgaanbieders die zorg verlenen aan onze inwoners.Deze eisen staan in het Toetsingkader kwaliteit en rechtmatigheid Zorg Wmo/Jeugd - Gemeente Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerwolde (Oost-Groningen). Deze geldt ook voor PGB. Een PGB wordt alleen toegekend als de cliënt of vertegenwoordiger het verantwoord kan beheren, de zorgverlener geschikt en van goede kwaliteit is, en het budget doelmatig wordt besteed. Dit kan onder andere op basis van de pgb vaardigheidstoets.

De motivering van de beschikking is belangrijk. Het onderzoeksverslag wordt na akkoord van de cliënt gebruikt als motivering van de beschikking. Alleen de meest recente, definitieve versie wordt meegestuurd, tenzij de cliënt deze al eerder heeft ontvangen.

Als het besluit toch anders is dan wat in het onderzoeksverslag staat, of als er extra informatie is toegevoegd, moet dat duidelijk worden uitgelegd in de motivering van de beschikking. Tegen de beschikking is bezwaar en beroep mogelijk volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Als een beschikking is afgegeven en het blijkt naderhand dat de geboden ondersteuning onvoldoende bijdraagt aan het te behalen resultaat, de geboden ondersteuning kwalitatief onvoldoende is of de geboden ondersteuning niet rechtmatig is, of dat het resultaat, de kwaliteit en/of de rechtmatigheid niet goed is vast te stellen, kan dit aanleiding zijn voor een (herbeoordelings)onderzoek en/of een wijziging of het intrekken van de beschikking.

Maatwerk in de vorm van een voorziening in natura

De eerste mogelijkheid is de maatwerkvoorziening in natura. Daarmee wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt, die hij of zij krijgt of rechtstreeks aan de leveranciers van die voorziening betaalt. Met de voorziening die de cliënt in natura krijgt, wordt hij/zij in staat gesteld zijn zelfredzaamheid te vergroten of te kunnen participeren. Als er sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Maatwerk in de vorm van een persoonsgebonden budget

De tweede mogelijkheid is een persoonsgebonden budget (pgb). Bij het onderzoek wordt de cliënt gewezen op welke mogelijkheden er zijn om een pgb aan te vragen. Als er sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

4.2 begeleidingsplan

Het begeleidingsplan wordt opgesteld door de zorgaanbieder, in overleg met de cliënt (en wanneer van toepassing het netwerk van de cliënt). In het begeleidingsplan wordt ingegaan op hoe en in welke stappen de aanbieder het doel (of de doelen) zal realiseren. Het begeleidingsplan dient aan de gemeente ter beschikking gesteld te worden bij inzet van het product begeleiding (alle vormen).

4.3 Evaluatie

Na een vast te stellen periode vindt er een evaluatie plaats van het begeleidingsplan met de zorgaanbieder 5 . De evaluatie is bedoeld om na te gaan hoe het staat met de voortgang van de doelen en het te bereiken resultaat. De zorgaanbieder draagt zorg dat de benodigde informatie uiterlijk vijf dagen voor het gesprek is ontvangen. Mocht in de evaluatie blijken dat er geen voortgang is in de doelen, dan wordt in overleg gegaan of aanpassing van de indicatie noodzakelijk is of overstappen naar een andere zorgaanbieder om toch voortgang te krijgen in de gestelde doelen.

4.4 Herziening, intrekking en terugvordering

De cliënt dient het college ten allen tijde op de hoogte te stellen van gewijzigde feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op maatschappelijke ondersteuning. Het kan bijvoorbeeld gaan om een verbetering of verslechtering van de gezondheidssituatie, wijzigingen in de gezinssituatie of verhuizing. Artikel 2.3.10 lid 1 en artikel 2.4.1 van de wet bepalen wanneer een al toegekende voorziening kan worden herzien, ingetrokken of teruggevorderd.

4.5 Privacy

Bij het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens wordt de Europese privacy verordening Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht genomen, waaronder de beginselen van rechtmatigheid, doelbinding, minimale gegevensverwerking, juistheid, opslagbeperking, integriteit en vertrouwelijkheid als bedoeld in artikel 5 AVG. De privacywetgeving heeft betrekking op de gehele uitvoeringsprocedure, waaronder melding, onderzoek, besluitvorming, uitvoering, heronderzoek en archivering. Privacy voorschriften zijn verder te vinden in onder meer de Wet algemene bepalingen Burgerservicenummer (Wet BSN), Wet basisregistratie personen (Wet Brp), Wet politiegegevens (WPG) en in sectorale wetgeving zoals de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

De decentralisaties maken het mogelijk de dienstverlening in het Sociaal Domein integraal te organiseren met als uitgangspunt ‘1 gezin - 1 plan - 1 regisseur’. Dit heeft tot gevolg dat de gemeente, meer dan voorheen, persoonsgegevens van burgers zal verwerken. Daarnaast zullen ook zorgaanbieders meer informatie over burgers met de gemeente en onder elkaar moeten uitwisselen. Daaronder vallen ook gevoelige documenten zoals medische en strafrechtelijke gegevens. Voor de verwerking van deze gegevens geldt de AVG waarbij voor bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9 en 10 AVG een specifieke wettelijke uitzondering op het verwerkingsverbod van toepassing moet zijn. In de Wmo 2015 en Jeugdwet is geregeld dat de verwerking van persoonsgegevens moet plaatsvinden in overeenstemming met de AVG.

Dit betekent dat zowel de gemeente als de zorgaanbieders die persoonsgegevens verwerken in het kader van de uitvoering van hun wettelijke taken, gehouden zijn aan de verplichtingen van de AVG, waaronder de beginselen van rechtmatigheid, doelbinding, minimale verwerking, veiligheid en transparantie. Voor bijzondere categorieën persoonsgegevens, zoals medische gegevens, geldt ook artikel 9 AVG.

De gemeente Stadskanaal verwerkt uitsluitend persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar wettelijke taken op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. De verwerking vindt plaats in overeenstemming met de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de daarop van toepassing zijnde sectorale wet- en regelgeving. Hierbij worden alleen persoonsgegevens verwerkt die relevant en proportioneel zijn voor het doel waarvoor zij zijn verkregen, volgens het beginsel van minimale gegevensverwerking.

Wettelijke grondslag

Gegevens worden uitsluitend verwerkt en vastgelegd als hiervoor een wettelijke grondslag aanwezig is, zoals bedoeld in artikel 6 AVG, en – voor bijzondere categorieën persoonsgegevens – in overeenstemming met artikel 9 en 10 AVG. De verwerking vindt plaats uitsluitend voor de uitvoering van de wettelijke taken van de gemeente op grond van de Wmo 2015, in overeenstemming met de principes van doelbinding, minimale gegevensverwerking en proportionaliteit.

Voor zowel de Wmo 2015 als de Jeugdwet geldt dat persoonsgegevens verwerkt mogen worden voor het uitvoeren van de toegangstaak (bijvoorbeeld tijdens melding en het onderzoek naar de noodzaak van hulp en ondersteuning). Op grond van artikel 6 lid 1 sub e AVG is dit noodzakelijk voor de “goede vervulling van een publiekrechtelijke taak” die het college op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet heeft toebedeeld gekregen. Voor bijzondere categorieën persoonsgegevens, zoals medische of strafrechtelijke gegevens, geldt daarnaast artikel 9 en 10 AVG. De verwerking van deze gegevens vindt plaats op basis van de uitzondering dat verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van een wettelijke taak in het kader van de sociale bescherming, zorgverlening en jeugdhulpverlening.

Het gaat uitsluitend om persoonsgegevens die rechtstreeks van de cliënt, jeugdige of ouders zijn verkregen. Voor deze verwerking is geen toestemming nodig van de betrokkenen.

Voor de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet geldt dat voor andere verwerkingen van persoonsgegevens in beginsel toestemming vereist is van de betrokken cliënt, jeugdige of ouders, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 sub a AVG. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer gegevens over de betrokken persoon nodig zijn van derden, zoals een arts of een school. In dat geval wordt toestemming gevraagd via een toestemmingsverklaring. Toestemming wordt alleen gevraagd in situaties waarin professionals van tevoren weten dat zij het antwoord van de betrokkene (positief of negatief) zullen respecteren. Zo niet, dan wordt geen toestemming gevraagd, met inachtneming van de afhankelijkheidsrelatie van de burger ten opzichte van de overheid. Wordt toestemming niet verleend, dan vindt de verwerking (opvragen, opslaan, verstrekken) niet plaats, tenzij een andere grondslag uit artikel 6 AVG van toepassing is, of als bijzondere categorieën persoonsgegevens (artikel 9 en 10 AVG) noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een wettelijke taak of bescherming van vitale belangen. Voorbeeld: een situatie van jeugdhulp die van levensbelang is voor de betrokkene (artikel 6 lid 1 sub d AVG), zoals ernstig huiselijk geweld of acute bemoeizorg.

In alle situaties van gegevensverwerking geldt het transparantiebeginsel: de burger, jeugdige of ouder wordt op de hoogte gesteld van het voornemen om gegevens over hem te delen, met wie en waarom.

Daarnaast wordt de betrokkene geïnformeerd over: de wettelijke grondslag voor de verwerking, de rechten van de betrokkene op grond van de AVG (inzage, rectificatie, beperking van verwerking, bezwaar en – indien van toepassing – gegevenswissing), de bewaartermijn of criteria daarvoor, en contactgegevens van de verantwoordelijke of de functionaris gegevensbescherming.

Hoofdstuk 5 Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb)

5.1 Doel van een pgb

Een pgb kan een geschikt instrument zijn waarmee de cliënt, binnen de vastgestelde zorgbehoefte, zelf bepaalt bij wie en hoe hij de ondersteuning inkoopt. Het pgb is bij uitstek geschikt is voor cliënten (of hun vertegenwoordiger) die in staat zijn de daarmee verbonden taken en verantwoordelijkheden op verantwoorde wijze uit te voeren.

Een pgb kan ingezet worden als de budgetbeheerder:

- regie kan uitoefenen over de levering van de zorg;

- zelf kan bepalen wie de zorg levert en wanneer;

- passende ondersteuning kan kiezen en inkopen.

- aangeeft waarom voorkeur voor pgb in plaats van zorg in natura.

Uitgangspunten (vaardigheden) die nodig zijn om met het pgb om te gaan, zijn:

- het overzien van de eigen situatie of die van de cliënt, en het hebben van een duidelijk beeld van de zorgvraag;

- op de hoogte zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb;

- het kunnen communiceren en afspraken te kunnen maken en vastleggen met officiële instanties (SVB, gemeente, zorgverzekeraar e.d.);

- zelfstandig kunnen handelen;

- kunnen beoordelen of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

- kunnen aansluiten en coördineren van de inzet van zorgverleners;

- het hebben of weten te vinden van kennis over werk- en opdrachtgeverschap.

Voor het toetsen van de vaardigheden, maakt de gemeente Stadskanaal gebruik van de door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opgestelde ‘10 punten PGB vaardigheid'. Deze zijn:

  • 1.

    Een goed overzicht van uw eigen situatie houden;

  • 2.

    Weten welke regels er horen bij een pgb;

  • 3.

    Een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden;

  • 4.

    Communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners;

  • 5.

    Zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen;

  • 6.

    Zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. En u hieraan houden;

  • 7.

    Beoordelen of de zorg uit het pgb bij u past;

  • 8.

    Zelf de zorg regelen met één of meer zorgverleners;

  • 9.

    Zorgen dat de zorgverleners die voor u werken weten wat ze moeten doen;

  • 10.

    Weten wat u moet doen als werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener.

Van overwegende bezwaren of ernstig vermoeden van problemen met het omgaan met een pgb kan sprake zijn in de volgende situaties:

- de budgetbeheerder handelingsonbekwaam is;

- de budgetbeheerder niet over voldoende organisatie- en regelvermogen en verantwoordelijkheidsbesef beschikt;

- de budgetbeheerder als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht heeft in de situatie;

- er sprake is van verslavingsproblematiek bij de budgetbeheerder;

- er sprake is van schuldenproblematiek bij de budgetbeheerder;

- er eerder misbruik / fraude gemaakt is (van het pgb) door de budgetbeheerder;

- de kwaliteit van de pgb uitvoerder onvoldoende is, omdat degene die ondersteuning verleent niet over voldoende professionele afstand beschikt voor zover de inhoud van de ondersteuning dit vereist.

5.2 Budgetplan

Als een cliënt voor een pgb wil kiezen, wordt in het keukentafelgesprek uitgelegd hoe de procedure voor een pgb kan worden ingezet. Cliënten moeten vooraf goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij of hun budgetbeheerder daarbij heeft. Om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb dient tenminste de eerste keer de cliënt hiervoor een ingevuld en ondertekend budgetplan in te leveren. Dit is pas mogelijk na het onderzoek, omdat dan is bepaald wat de ondersteuningsbehoefte is. Het budgetplan voor het pgb is daarop gebaseerd. De cliënt is verplicht om bij zijn aanvraag een budgetplan in te leveren als hij de voorziening in pgb-vorm wenst.

Het budgetplan omvat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten voor een pgb. De gemeente heeft een format vastgesteld waaraan een budgetplan minimaal moet

voldoen (zie artikel 11 lid 2 Verordening). Het budgetplan moet volledig zijn ingevuld en omschrijven welke zorg er op welk moment nodig is en op welke manier de zelfredzaamheid (daar waar mogelijk) gerealiseerd wordt. Het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie is omschreven in concrete resultaten. Door een concrete omschrijving wordt achteraf getoetst of de gestelde doelen worden gerealiseerd. Tijdens het keukentafelgesprek krijgt de cliënt de informatie die nodig is voor het opstellen van het budgetplan.

Wanneer de aanvraag niet vergezeld is van een ingevuld en ondertekend budgetplan, wordt er een hersteltermijn gesteld (art. 4:5 Awb) met een laatste termijn om het budgetplan alsnog in te leveren. Daarbij wordt opgenomen dat wanneer het budgetplan niet tijdig retour wordt ontvangen, een voorziening in de vorm van een pgb niet mogelijk is, maar de mogelijkheid van een voorziening in de vorm van zorg in natura wordt beoordeeld;

5.3 Voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een pgb te kunnen krijgen

1. de cliënt dient bij de aanvraag, een budgetplan te overhandigen aan de gemeente. In het budgetplan voor het pgb wordt vermeld welke zorg ingekocht gaat worden voor het beschikbare budget en het bedrag dat per zorgverlener besteed gaat worden en welke resultaten er bereikt gaan worden (artikel 11 lid 2 Verordening);

2. als de cliënt de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb geleverd wil hebben, moet de cliënt of zijn budgetbeheerder in staat zijn om een budgetplan te maken en een zorgverleningsovereenkomst af te sluiten met de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB);

3. een pgb moet aan de voorwaarden voldoen die genoemd staan in de verordening en

artikel 2.3.6 lid 2 Wmo 2015;

4. we screenen nieuwe pgb zorgaanbieders. Hiermee wordt gekeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Dit doen we om oneigenlijk gebruik en/of fraude te voorkomen.

5.4 Weigeringsgronden voor het verstrekken van een pgb

Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren:

a. voorzover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (art. 2.3.6 lid 5 van de wet). Wel is het mogelijk dat de cliënt zelf de meerkosten betaald als de wensen van de cliënt de kosten hoger maken dan de kosten voor de maatwerkvoorziening;

b. als het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e van de wet. Er zijn dan onjuiste/onvolledige gegevens verstrekt, het pgb is niet of voor een ander doel gebruikt of er wordt niet voldaan aan de aan de pgb verbonden voorwaarden betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was;

c. als niet wordt voldaan aan de 10 punten pgb vaardigheid (zie 5.1) en de budgetbeheerder problemen zal hebben met het omgaan met een pgb.

Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is. Deze situaties vereisen altijd een individuele afweging. In

deze situaties kan een pgb worden geweigerd. Om een pgb af te wijzen op contra-indicaties, moet er een feitelijke onderbouwing zijn waarop het afwijzingsbesluit is gebaseerd. De onderbouwing wordt in de beschikking vermeld.

5.5 Trekkingsrecht

De gemeente stort het pgb niet op de bankrekening van de budgetbeheerder, maar op de rekening van de SVB. De budgetbeheerder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren ondersteuning zijn geleverd. De SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de zorgverlener. De niet bestede pgb bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. Dit heet het trekkingsrecht. De SVB draagt zorg voor de juridische en arbeidsrechtelijke aspecten (rechtmatigheid) van de inhuur van zorgverleners. Voor ondersteuning en eisen ten aanzien van de af te sluiten zorgverleningsovereenkomst (overeenkomsten met zorgverleners) verwijst de gemeente naar de SVB.

5.6 Verantwoordelijkheden van de budgetbeheerder

De budgetbeheerder is in elk geval verantwoordelijk voor:

a. het inkopen van de individuele voorziening, het hulpmiddel of de hulp. In de hoogte van het pgb zitten ook de kosten van het verplichte onderhoudscontract voor de voorziening. Het bedrag is een vastgesteld maximaal bedrag van de door de gemeente aanvaarde kosten;

b. verantwoording afleggen aan de gemeente en de SVB over het pgb en de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening;

c. het doorgeven van loongegevens (zoals bijvoorbeeld inkomensgegevens, verplichte belastingen en premies) aan de belastingdienst.

5.7 Kwaliteitseisen van dienstverlening

De gemeente stelt als voorwaarde aan de kwaliteit van dienstverlening dat:

a. degene die uit het sociaal netwerk begeleiding of zorg verleent, die zorg en begeleiding kan verlenen naar de eisen die in het budgetplan staan vermeld (informele zorgverlener);

Hierbij behoren de volgende kwaliteitseisen voor een informele zorgverlener:

- In het bezit zijn van een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) die specifiek voor de betreffende functie is afgegeven en is maximaal 5 jaar en 3 maand geldig. Deze verklaring mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop de informele zorgverlener gaat werken.

Dit geldt niet voor personen uit het gezin van de budgethouder en eerste en tweedegraads familieleden, tenzij hiertoe aanleiding bestaat;

- de zorgverlener mag niet overbelast zijn;

- de zorgverlener heeft een stabiele persoonlijke situatie (een aanwijzing kan bijvoorbeeld zijn dat deze zelf in ieder geval geen begeleiding heeft).

b. de professionele zorgverleners (formele zorgverlener) die met een pgb betaald worden in het bezit zijn van een gelijkwaardige kwalificatie als professionele zorgverleners die zorg in natura bieden.

Hierbij behoren de volgende kwaliteitseisen voor een formele zorgverlener:

- in het bezit zijn van erkende functiegerelateerde diploma’s (of ervaringscertificaat);

- gebruiken een hulpverleningsplan en dit periodiek bijstellen. De geboden ondersteuning met effectieve interventies is resultaatgericht geformuleerd in een ondersteuningsplan;

- een kwaliteitsmanagementsysteem met bijbehorend keurmerk hebben;

- dat personeel dat contacten heeft met cliënten in het bezit dient te zijn van een VOG. Deze VOG is specifiek voor de betreffende functie afgegeven en is maximaal 5 jaar en 3 maand geldig. Deze VOG mag niet eerder zijn afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop de werknemer voor de zorgaanbieder gaat werken;

- bij een kleine organisatie kan het zijn dat de bestuurders en/of de directie ook cliëntcontacten hebben. Als dat het geval is moeten ook de bestuurders en/of directie te beschikken over een VOG;

Deze VOG dient specifiek voor de betreffende functie te zijn afgegeven en is maximaal 5 jaar en 3 maand geldig.

- de VOG moet geschikt zijn voor de uitvoering van Wmo;

- zich houden aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;

- een meldplicht calamiteiten en geweld te hebben;

- een vertrouwenspersoon in de gelegenheid te stellen zijn taak uit te oefenen;

- over een klachtenregeling te beschikken;

- dat ze akkoord gaan met de toetsingskaders kwaliteit en rechtmatigheid en daarbij ook aangeven op welke wijze ze daar invulling aan gaan geven.

Nadat de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is toegekend, controleert de gemeente de kwaliteit en de dienstverlening die uitgevoerd wordt door van middel van het pgb. Gedurende het jaar kan de gemeente o.a. een steekproef houden bij de budgetbeheerder of de cliënt door bijvoorbeeld een huisbezoek en / of een administratieve controle uit te voeren (rechtmatigheid) en de inhoudelijke zorgverlening en ondersteuningsvraag met de cliënt / budgetbeheerder te bespreken (doelmatigheid).

Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. We vinden de kwaliteit van de pgb uitvoerder voldoende, wanneer degene die ondersteuning verleent voldoende professionele afstand heeft voor zover de inhoud van de ondersteuning dit vereist.

Als onrechtmatigheden of ondoelmatig gebruik van het pgb wordt geconstateerd, kan het college besluiten om voorwaarden te stellen aan voortzetting van het pgb of het verstrekken van het pgb te heroverwegen en eventueel in te trekken.

5.8 Hoogte pgb

In de geldende verordening staat omschreven hoe de hoogte van het pgb wordt berekend.

Aanvullend hierop geldt dat voor vervoer voor begeleiding groep het all-in tarief 100% is van het tarief dat aanbieders van zorg in natura ontvangen.

Voor beschermd wonen geldt nog het volgende:

De hoogte van een pgb voor ondersteuning beschermd wonen door een niet-opgeleide hulpverlener (informeel) is modulair samengesteld en opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  • a.

    toezicht, waarvan het tarief wordt vastgesteld op basis van één wettelijk minimumuurloon per dag;

  • b.

    Begeleiding/ondersteuning, waarvan het tarief € 20,00 per uur bedraagt, en

  • c.

    Vakantie/respijtzorg waarvan de hoogte gelijk is aan 8,33% van de voorgaande onderdelen en voor zover noodzakelijk.

Dagbesteding kan in het kader van beschermd wonen niet informeel worden geleverd.

Naast informele ondersteuning kan ook professionele ondersteuning worden ingekocht.

De gemeente keert een “bruto” pgb uit aan de SVB, hierop is nog geen eigen bijdrage in mindering gebracht. De eigen bijdrage wordt bij de cliënt geïnd door het CAK.

5.9 Ondersteuning van diensten

Ondersteuning van diensten aan de cliënt kan worden geboden op het vlak van sociaal persoonlijk functioneren, financiën, huisvesting, daginvulling, regie en ondersteuning bij huishouden of gezondheid.

Bestedingen die niet vergoed worden uit het pgb

Er is geen verantwoordingsvrij bedrag. De volgende uitgaven mogen niet worden betaald uit het pgb:

- feestdagenuitkering;

- kosten voor bemiddeling;

- kosten voor een bewindvoerder;

- kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

- reiskosten van een hulpverlener;

- kosten voor het aanvragen van een VOG;

- kosten voor het deelnemen aan overleggen in het kader van afstemmen en samenwerken met andere hulpverleners;

- kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb;

- kosten voor het lidmaatschap van Per Saldo;

- kosten voor het volgen van cursussen over het pgb;

- kosten voor het bestellen van informatiemateriaal;

- alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo vallen;

- alle zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en / of algemeen gebruikelijke voorzieningen vallen;

- eigen bijdragen;

- eenmalige uitkering.

- het is niet toegestaan om tussenpersonen of belanghebbenden uit het pgb te betalen;

Maandloon

Uitbetaling van het pgb aan de zorgverlener gebeurt in principe op basis van declaraties bij de SVB. Er mag geen gebruik gemaakt worden van vaste maandlonen of maandbedragen.

5.10 Beëindiging, herziening of intrekken pgb

Het pgb wordt beëindigd bij overlijden, verhuizen naar een andere gemeente of als de voorziening niet langer noodzakelijk is.

De geldende Verordening en Artikel 2.3.10 lid 1 van de Wmo 2015 bepalen wanneer een al toegekende (maatwerk)voorziening kan worden herzien of ingetrokken. Het college heeft als gevolg hiervan ook bevoegdheden tot terugvordering, zie de geldende Verordening en artikel 2.4.1 van de Wmo 2015.

Hoofdstuk 6 Maatwerkvoorzieningen

6.1 Wonen

Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties.

Dit zijn activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om: eten bereiden, slapen en lichaamsreiniging, en essentiële huishoudelijke werkzaamheden zoals kleding wassen en het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van geheel van zijn verzorger(s) afhankelijk kind. Bij woonvoorzieningen wordt verwacht dat de cliënt zelf verantwoordelijk is voor kleine aanpassingen die voorzien kunnen worden, zoals beugels, 2e trapleuning of een toiletverhoging.

Voor kortdurend gebruik (maximaal zes maanden) zijn hulpmiddelen te leen via de uitleendepots van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. In het algemeen geldt dat als en voorzover de cliënt (zonder kosten) gebruik kan maken van de uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen.

Een persoon met een beperking kan voor een woonvoorziening in aanmerking komen als deze voorziening noodzakelijk is voor het compenseren van de belemmeringen die worden ondervonden bij het normale gebruik van de woonruimte. Alleen de goedkoopst adequate voorziening wordt verstrekt.

Hoofdverblijf

Woningaanpassingen worden alleen aangebracht in het hoofdverblijf van de inwoner. Het hoofdverblijf is de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft en waar het centrum van zijn dagelijkse sociale en economische activiteiten ligt. In een enkel geval is er sprake van twee verblijfsplaatsen, namelijk het hoofdverblijf en vanwege co-ouderschap het tweede verblijfadres. Bij uitzondering kan er een dubbele toekenning plaatsvinden. Dat kan bijvoorbeeld wanneer het om een gehandicapt kind van gescheiden ouders gaat, dat in co-ouderschap wordt opgevoed. In dat geval kan er een aanpassing in beide woningen aangebracht worden. Co-ouderschap moet dan ook echt inhouden dat het kind de helft van de tijd bij de ene en de andere helft van de tijd bij de andere ouder woont. Alleen dan kunnen in allebei de huizen woonvoorzieningen worden toegepast.

Als de aanvrager bijvoorbeeld zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of meer dan de helft van de tijd bij één van de twee ouders verblijft, kan voor een woonruimte een voorziening worden getroffen om deze ruimte bezoekbaar te maken.

Permanente bewoning

Een woonvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van de woonruimte waar de persoon met beperking woonachtig is of woonachtig zal zijn en die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden.

Woonvormen waarvoor er via de Wmo geen compensatieplicht geldt, zijn:

- Hotels/pensions

- Tweede woningen

- Vakantie- en recreatiewoningen

- Gehuurde kamers

Primaat van verhuizen

De gemeente Stadskanaal hanteert het primaat van verhuizen. Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizen en inrichting (verhuiskostenvergoeding) voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. In elk individueel geval waarin het college het primaat wil toepassen moet onderzocht worden of het primaat van verhuizen ook echt kan worden gebruikt.

Verhuizen

Als uit de beoordeling van het college blijkt dat het wonen in een geschikt huis ook te bereiken is via een verhuizing, dan heeft dit de voorkeur als dit de goedkoopst adequate oplossing is. De aangeboden woning moet aansluiten bij de omstandigheden qua gezinssamenstelling, inkomen, leeftijd en dergelijke van de ingezetene.

Bij de beoordeling of een woningaanpassing wordt verstrekt of dat verhuizen naar een geschikte woning als de goedkoopst adequate oplossing wordt aangemerkt, maakt het college een individuele belangenafweging. Daarbij kunnen onder meer de volgende factoren worden betrokken:

  • de financiële gevolgen van een verhuizing voor de cliënt en diens huishouden;

  • sociale omstandigheden, zoals de aanwezigheid en beschikbaarheid van mantelzorg en het sociale netwerk;

  • sociale en psychische omstandigheden van de cliënt;

  • de termijn waarbinnen een adequate woning beschikbaar is. In de regel moet binnen een termijn van ongeveer zes maanden een adequate woning beschikbaar zijn;

  • de aanwezigheid van geschikte of relatief eenvoudig aan te passen woningen;

  • een vergelijking van de kosten van woningaanpassing met de kosten van verhuizen en herinrichten, waarbij wordt beoordeeld welke oplossing als goedkoopst adequaat kan worden aangemerkt;

  • volkshuisvestelijke factoren, waaronder een doelmatig gebruik van de beschikbare woningvoorraad;

  • de mate waarin al voorzieningen of woningaanpassingen aanwezig zijn en de mogelijkheid tot afstemming met andere voorzieningen;

  • de gevolgen van een verhuizing voor werk, opleiding of dagbesteding;

  • de verandering in woonlasten als gevolg van een verhuizing;

  • het wooncomfort en de mate waarin de nieuwe woning een redelijk vergelijkbaar woonniveau biedt;

  • de woonstatus van de cliënt (huurder of eigenaar van de woning);

  • de bereidheid van de cliënt om te verhuizen.

Als de cliënt eigenaar is van de woning geldt dat het enkele feit dat de woning moet worden verkocht op zichzelf geen reden is om een verhuizing niet te verlangen. Van de cliënt mag worden verwacht dat hij zich inspant om de verkoop van de woning in gang te zetten.

Procedure primaat van verhuizen

- Bij een aanpassingsbedrag dat hoger is dan het bedrag voor verhuiskosten, is het primaat van verhuizen van toepassing;

- Betrokkene gaat actief op zoek naar een geschikte woning en houdt de gemeente op de hoogte van zijn inspanningen;

- na de termijn van zes maanden vervalt het verhuisprimaat, mits

→ er geen geschikte woning is;

→ er ook geen zicht is op een geschikte woning;

→ de cliënt zich aantoonbaar heeft ingespannen om een geschikt huis te vinden.

De gemeente hanteert bovenstaande procedure als beleid bij zowel woningen in eigendom als huurwoningen.

Weigering om te verhuizen

Als de gemeente na het onderzoek beslist dat verhuizen de goedkoopst adequate oplossing voor het probleem van de cliënt is, dan is dit de voorziening die wordt verstrekt. Een weigering om te verhuizen leidt niet tot het alsnog verstrekken van de maatwerkvoorziening. Het weigeren van een geschikte woning wordt gelijkgesteld aan de weigering om te verhuizen en leidt niet alsnog tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening.

6.1.1 Verhuiskostenvergoeding

Soms blijkt na onderzoek dat een voorziening voor verhuizing en inrichting moet worden verstrekt.

Dit wordt een verhuiskostenvergoeding genoemd en wordt toegekend als financiële tegemoetkoming. De financiële tegemoetkoming die wordt verstrekt is gebaseerd op de daadwerkelijk te maken kosten, met:

- maximaal € 1.891,00 wanneer de cliënt op verzoek van het college verhuist naar een geschikte of geschikt te maken woning;

- maximaal € 4.307,00 wanneer het een persoon betreft die op verzoek van het college ten behoeve van een belanghebbende met beperkingen, zijn woonruimte, bestemd voor permanente bewoning, heeft vrijgemaakt.

6.1.2 Vergoeding huurderving

De vergoeding huurderving is een vergoeding voor de verhuurder die op verzoek van het college een aangepaste woning vrijhoudt voor iemand die deze aanpassing kan gebruiken, of wiens woning niet direct weer bewoond kan worden als gevolg van uitgevoerde woningaanpassingen. Het bedrag is gebaseerd op de kale huur van de woonruimte over een periode van maximaal zes maanden. Onder kale huur wordt verstaan de bruto huurprijs minus servicekosten en kosten nutsvoorzieningen.

6.1.3 Bezoekbaar maken

Als een aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte. Het gaat dan om een eenmalig budget voor personen met een beperking of chronische problemen die in een Wlz-instelling verblijven voor het bezoekbaar maken van een woning van een partner of familielid.

De gemeente waarin de Wlz-instelling staat, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar/logeerbaar maken van een woning. De gemeente moet alleen personen compenseren die in die gemeente woonplaats hebben. Iemand kan niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben. De vraag waar iemand woont, is afhankelijk van concrete feiten en omstandigheden. Meestal heeft een bewoner van een Wlz-instelling woonplaats in de gemeente waar de Wlz-instelling staat. Deze gemeente is dan verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening.

De woningaanpassing moet daarom aangevraagd worden bij de gemeente waar de Wlz-instelling staat. Dit geldt ook als de aan te passen woning in een andere gemeente staat.

Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken en gebruiken.

De financiële tegemoetkoming die wordt verstrekt voor het bezoekbaar maken van een woonruimte is gebaseerd op de werkelijke kosten en bedraagt maximaal € 2.000,00. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. Uitzondering hierop zijn de van toepassing zijnde bestuurlijke afspraken tussen brancheorganisaties, de VNG en het Rijk over het thuis behouden van Wmo hulpmiddelen als een cliënt verhuist naar een Wlz-instelling. De cliënt heeft immers zijn hoofdverblijf in een instelling.

Hierbij geldt ook dat de relatie tussen de aanvrager en de bezoeker is beperkt tot aanvrager en kind, of aanvrager en partner (eerste en tweedegraads familie), zoals bedoeld in artikel 1.1.2 Wmo 2015.

6.1.4 Woonvoorziening

Een woonvoorziening kan bestaan uit roerende en onroerende woonvoorzieningen.

Roerende woonvoorziening/hulpmiddelen

Een roerende woonvoorziening betekent een woningaanpassing die verplaatsbaar is en niet duurzaam met de woning is verbonden. Het gaat dus om voorzieningen die meegenomen, hergebruikt of verwijderd kunnen worden. Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1, eerste lid Wmo 2015). Het kan gaan om roerende woonvoorzieningen zoals een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt ook af van of de voorziening noodzakelijk is voor het compenseren van de belemmeringen die worden ondervonden bij het normale gebruik van de woonruimte.

De kostprijs voor een roerende woonvoorziening wordt vastgesteld op basis van:

  • -

    een programma van eisen;

  • -

    de kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening;

  • -

    de kosten van keuring, reparatie, onderhoud en verzekering voor een periode van zeven jaar;

  • -

    een economische levensduur van zeven jaar.

6.1.4.1 Tijdelijke huisvesting

De gemeente kan een voorziening voor tijdelijke huisvesting verstrekken aan een cliënt die tijdens het aanpassen van de woning niet in zijn eigen woonruimte kan blijven. Dit kan ook wanneer een cliënt de huidige woning langer moet aanhouden door aanpassingen aan de woning waarnaar cliënt gaat verhuizen.

Het bedrag voor tijdelijke huisvesting wanneer sprake is van dubbele woonlasten wordt bepaald door de werkelijk gemaakte kosten per maand met een maximum van € 500,00 per maand voor het betrekken van zelfstandige en € 300,00 per maand voor het betrekken van niet-zelfstandige woonruimte gedurende een periode van maximaal zes maanden.

Onroerende woonvoorzieningen

Een onroerende woonvoorziening betekent een bouwkundige of woontechnische aanpassing die duurzaam met de woning is verbonden en bedoeld is om beperkingen van een persoon bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn, zoals slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het kunnen verplaatsen in de primaire leefruimtes in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden in beginsel geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft.

Bouwkundige nagelvaste woonvoorzieningen in natura worden eigendom van de woningeigenaar ongeacht de hoogte van de aanschafprijs van de voorziening. De woningeigenaar is verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van de voorzieningen.

Het geldende inkoop en aanbestedingsbeleid van de gemeente is van toepassing. De opdrachtwaarde bepaalt de inkoopprocedure. Als voor een bouwkundige of woontechnische aanpassingen een omgevingsvergunning vereist is, is aanvrager zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de benodigde vergunning. Het bedrag voor een bouwkundige of woontechnische aanpassing is gelijk aan het bedrag van de door het college geaccepteerde offerte en overstijgt de werkelijk gemaakte kosten niet.

Het bedrag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een bouwkundige of woontechnische aanpassing, die in natura of als eenmalig persoonsgebonden budget wordt verstrekt, is vastgesteld ter hoogte van de goedkoopste en adequate oplossing.

Voor bouwkundige en woontechnische aanpassingen komen de volgende kosten in aanmerking:

a. de aanneemsom (inclusief btw);

b. risicoverzekering van loon- en materiaalkosten;

c. architectenhonorarium bij ingrijpender aanpassingen, tot maximaal € 1.500,00;

d. toezichtkosten tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

e. legeskosten;

f. verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting;

g. prijs bouwrijpe grond als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden;

h. goedgekeurde kostenverhogingen die ten tijde van de raming niet voorzien waren;

i. kosten noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen.

Kosten voor verwijderen van woningaanpassingen vallen niet onder de Wmo.

Bij verhuizen naar een woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de belanghebbende of zijn huisgenoten, komt men niet in aanmerking komt voor woningaanpassingen.

6.2 Vervoer

6.2.1 Publiek Vervoer

Publiek vervoer is een collectief vervoerssysteem met (rolstoel)busjes en taxi’s dat vervoer van deur tot deur of van deur naar HUB (centraal informatiepunt) biedt voor mensen met een beperking. In de geldende verordening is het aantal te reizen kilometers, instaptarief en bijdrage per kilometer opgenomen. Pashouders kunnen maximaal 2.000 kilometers op kalenderjaarbasis reizen rekening houdend met de voorwaarden in de geldende verordening. Wanneer er boven de geldende te reizen kilometers wordt gereisd geldt het tarief van de vervoerder. Wil de cliënt sociale contacten onderhouden buiten de directe woon- en leefomgeving, dan geldt daarvoor het landelijke vervoerssysteem Valys.

Wel kan gebruikt gemaakt worden van Publiek Vervoer om te reizen naar onderstaande bestemmingen buiten de directe woon- en leefomgeving. Deze bestemmingen worden puntbestemmingen genoemd. De gemeente kent de volgende puntbestemmingen:

- Ommelander Ziekenhuis Groningen in Scheemda

- Refaja ziekenhuis in Stadskanaal

- Martini ziekenhuis in Groningen

- Scheper ziekenhuis in Emmen

- UMCG in Groningen

- Bethesda ziekenhuis in Hoogeveen

- Beatrixoord in Haren

- Station Winschoten

Tijdens de reis mogen reisgenoten (medereiziger) mee. Daarnaast mogen ook twee kinderen tot vijf jaar gratis meereizen. Als de indicatie “inclusief medisch begeleider’ is afgegeven, mag er alleen gereisd worden met de medisch begeleider. Deze mag gratis meereizen.

Iedereen moet op dezelfde plaats in- en uitstappen als de pashouder.

6.2.2 Vervoersvoorzieningen

De gemeente hanteert het primaat van collectief vervoer als beleid. Dit betekent dat bij vervoersvragen eerst wordt beoordeeld of de inwoner gebruik kan maken van openbaar vervoer of collectief vervoer. Als dit niet mogelijk of niet passend is, kan een individuele vervoersvoorziening worden toegekend. De gemeente beoordeelt hierbij steeds of de voorziening passend en toereikend is gelet op de individuele situatie van de inwoner. In paragraaf 6.2.2.3 aandacht geschonken aan eisen met betrekking tot driewielfietsen en scootmobielen.

6.2.2.1 Gebruik eigen auto/(rolstoel)taxi

De financiële tegemoetkoming die per jaar wordt verstrekt voor de kosten, bedraagt:

  • -

    voor gebruik van een (eigen) auto maximaal € 460,00. Gebaseerd op het belastingvrije onkostentarief van € 0,23 cent per kilometer en een actieradius van 2000 km.

  • -

    De werkelijke kosten voor gebruik van een taxi voor maximaal 2.000 kilometer. Voor het starttarief geldt een maximum van € 0,76 per keer. Voor het tijdtarief geldt een maximum van € 0,36 per minuut. Voor het kilometertarief geldt een maximum van € 1,85 per kilometer.

  • -

    De werkelijke kosten van een rolstoeltaxi voor maximaal 2.000 kilometer. Voor het starttarief geldt een maximum van € 3,83 per keer. Voor het tijdtarief geldt een maximum van € 0,41 per minuut. Voor het kilometertarief geldt een maximum van € 2,42 per kilometer.

6.2.2.2 Overige vervoersvoorzieningen en rolstoelen

  • Het PGB voor een rolstoel- en/of vervoersvoorziening kan worden aangewend voor de aankoop of huur van een vervoersvoorziening. De kostprijs voor een rolstoel- en vervoersvoorziening wordt vastgesteld op basis van:

    • -

      een programma van eisen;

    • -

      de kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening;

    • -

      de kosten van keuring, reparatie, onderhoud en verzekering voor een periode van zeven jaar;

    • -

      en een economische levensduur van zeven jaar.

  • Als de aan te schaffen voorziening een tweedehands voorziening betreft, wordt het PGB op de werkelijke kosten gebaseerd met een maximum van de kostprijs van de geïndiceerde voorziening. Hulpmiddelen kunnen ook als zorg in natura verstrekt worden.

  • Een PGB voor aanpassing van de eigen auto, die niet ouder is dan vijf jaar, is gebaseerd op de werkelijke kosten. Voor een aanpassing van de eigen auto geldt een afschrijvingstermijn van zeven jaar. Bij verstrekking van deze voorziening is het redelijk om van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog minimaal vijf jaar mee kan), bij voorkeur door een verklaring van een garage.

  • Een PGB voor aanschaf, onderhoud, reparatie en verzekering van een sportvoorziening is gebaseerd op de werkelijke kosten en bedraagt maximaal € 2.627,00. Een PGB wordt eenmaal per drie jaar verstrekt.

6.2.2.3 Driewielfietsen en scootmobielen

Driewielfietsen en scootmobielen worden toegekend als er (op korte termijn) ook sprake is van voldoende verkeersinzicht en als cliënt zelfstandig gebruik kan maken van de driewielfiets/scootmobiel. Een korte training kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Voor het stallen van scootmobielen en driewielfietsen wordt eerst gebruik gemaakt van de al aanwezige stallingsmogelijkheden voordat de gemeente overgaat tot realiseren van de stalling.

Voor verstrekking van een scootmobiel dient de inwoner te beschikken over een adequate stallingsruimte. De stalling moet veilig, goed bereikbaar, overdekt en voorzien van een elektrische oplaadmogelijkheid zijn.

Als er sprake is van een gezamenlijke stalling, dient van tevoren duidelijk te zijn of hier gebruik van kan worden gemaakt.

De gemeente verstrekt één vervoersmiddel (dus niet een scootmobiel én een driewielfiets).

Voorzieningen, zoals een scootmobiel, die buiten de eigen woon- en leefomgeving worden gebruikt voor bijvoorbeeld vakantie in binnen of buitenland, moeten door cliënt zelf voldoende verzekerd worden voor diefstal, schade, noodzakelijk onderhoud en pech.

6.3 Begeleiding

Begeleiding binnen de Wmo 2015 is ondersteuning die gericht is op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en participatie van inwoners die door een beperking of problematiek ondersteuning nodig hebben bij het organiseren van het dagelijks leven. De begeleiding richt zich op het aanbrengen van structuur, het ontwikkelen of behouden van vaardigheden en het versterken van de eigen regie van de inwoner.

De gemeente Stadskanaal kent de volgende in te zetten producten:

- ambulante begeleiding regulier (variant a en b)

- ambulante begeleiding plus

- begeleiding groep belevingsgericht (variant a en b) inclusief vervoer

- begeleiding groep arbeidsmatig inclusief vervoer

- kortdurend verblijf inclusief vervoer.

Zie bijlage 2 voor de omschrijving van de producten.

- specialistische begeleiding zintuiglijke beperking

Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van cliënten met een zintuiglijke, visuele, doofblind en vroegdoof beperking. Een klein deel van deze groep heeft specialistische begeleiding nodig die slechts door enkele aanbieders in Nederland wordt geleverd. Deze behoefte is er omdat deze mensen vaak, naast de zintuiglijke beperking, te maken hebben met andere (vaak verstandelijke en/of psychiatrische) beperkingen. Om de continuïteit van zorg te kunnen garanderen voor mensen die van deze vorm van specialistische begeleiding afhankelijk zijn, is door de VNG met een aantal specialistische aanbieders een raamcontract afgesloten. Door dit raamcontract hoeven gemeenten niet afzonderlijk afspraken te maken met deze specialistische aanbieders. De gemeente Stadskanaal maakt gebruik van het raamcontract die de VNG heeft afgesloten met deze specialistische aanbieders.

6.4 Huishoudelijke hulp

Bij het indiceren van het aantal minuten Huishoudelijke Ondersteuning wordt gebruik gemaakt van het geldende Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning. In bijlage 2 wordt nader ingegaan op dit HHM normenkader.

Het normenkader gaat uit van de volgende resultaatgebieden en geeft aan hoe de omschreven resultaten bereikt kunnen worden:

Definitie van het resultaat:

Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft:

De cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop.

De afbakening van activiteiten die onder de voorziening vallen en welke niet:

Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de ondersteuning bij het huishouden.

De normering van de voorziening:

Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 (2025, bureau HHM).

Maatwerk, ondersteuning op maat:

Het normenkader ziet op maatwerk voor de individuele cliënt. In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als sprake is van volledige overname van het huishouden bij de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (ofwel ‘ijk-cliënt’) en op grond waarvan minder dan mogelijk of meer dan nodig ondersteuning wordt geboden.

Hoofdstuk 7 Mantelzorgcompliment

De jaarlijkse blijk van waardering van mantelzorgers bestaat uit de viering van de dag van de mantelzorger. Er wordt één waardering per huisadres (is huisadres van degene die de mantelzorg verleent) verstrekt. Stichting Welstad organiseert voor de mantelzorgers jaarlijks een aantal informatie- en ondersteuningsbijeenkomsten.

Mantelzorgers kunnen jaarlijks in de periode van 1 februari tot 1 oktober zich aanmelden voor een mantelzorgcompliment. Stichting Welstad doet de uitreiking van het mantelzorgcompliment. Het mantelzorgcompliment bestaat uit een bon(nen) met een totale waarde van € 100,00 en wordt zo mogelijk verstrekt in de week van de mantelzorg (1e week november) aan de mantelzorgers.

Hoofdstuk 8 Tarieven pgb

8.1 Bedrag pgb Stadskanaal

Tarieventabel Wmo

Soort begeleiding

eenheid

PGB Formeel tarief

PGB ZZP-tarief

PGB Informeel tarief (zonder werkgeverslasten)6

Ambulante begeleiding regulier

Uur

€ 67,63

€ 47,13

€ 26,02 (per 1-1-2026)

€ 26,94 (per 1-7-2026)

Ambulante begeleiding plus variant a

Uur

€ 67,63

€ 47,13

€ 26,02 (per 1-1-2026)

€ 26,94 (per 1-7-2026)

Ambulante begeleiding plus variant b

Uur

€ 93,99

€ 65,79

€ 26,02 (per 1-1-2026)

€ 26,94 (per 1-7-2026)

Begeleiding groep belevingsgericht variant a

Dagdeel (3 uur)

€ 29,60

n.v.t.

n.v.t.

Begeleiding groep belevingsgericht variant b

Dagdeel (3 uur)

€ 51,93

n.v.t.

n.v.t.

Begeleiding groep arbeidsmatig

Dagdeel (4 uur)

€ 31,09

n.v.t.

n.v.t.

Kortdurend verblijf

Etmaal

€ 172,63

n.v.t.

n.v.t.

Vervoer: All-in (basis)tarief al dan niet rolstoel

Etmaal

€ 22,06

n.v.t.

n.v.t.

Huishoudelijke ondersteuning

Uur

€ 42,33

€ 29,63

€ 21,82 (per 1-1-2026)

€ 22,58 (per 1-7-2026)

8.2 Tarieven Beschermd Wonen

Tabel Tarieven 2026 PGB Beschermd Wonen

Productcode

Productnaam

PGB-tarief 2026

PGB-tarief 2026 voor ZZP

Eenheid

15A60

Verblijf met 24 uurs toezicht (met wooncomponent)

€ 194,47

€ 165,30

Per etmaal

15P60

Verblijf met 24 uurs toezicht (zonder wooncomponent)

€ 156,26

€ 132,82

Per etmaal

15A66

Verblijf met toezicht nabij en op afroep (met wooncomponent)

€ 178,91

€ 152,07

Per etmaal

15P66

Verblijf met toezicht nabij en op afroep (zonder wooncomponent)

€ 140,69

€ 119,59

Per etmaal

15P62

Woonbegeleiding Complex

€ 87,70

€ 74,54

Per uur

15P63

Activering en participatie

€ 43,81

€ 37,23

Per dagdeel

15P64

Vervoer Activering en participatie (bij verblijf)

€ 10,43

€ 10,43

Per retour

15P65

Vervoer met rolstoel Activering en participatie (bij verblijf)

€ 27,12

€ 27,12

Per retour

15P76

Thuis Plus in eigen woning (ambulant): bandbreedte 1 tot en met 3 uur per week

€ 40,11

€ 34,10

Per etmaal

15P77

Thuis Plus in eigen woning (ambulant): bandbreedte 4 tot en met 6 uur per week

€ 75,58

€ 64,25

Per etmaal

15P78

Thuis Plus in eigen woning (ambulant): bandbreedte 7 tot en met 10 uur per week

€ 117,85

€100,18

Per etmaal

15P86

Thuis Plus in woning aanbieder (ambulant): bandbreedte 1 tot en met 3 uur per week

€ 40,11

€ 34,10

Per etmaal

15P87

Thuis Plus in woning aanbieder (ambulant): bandbreedte 4 tot en met 6 uur per week

€ 75,58

€ 64,25

Per etmaal

15P88

Thuis Plus in woning aanbieder (ambulant): bandbreedte 7 tot en met 10 uur per week

€ 117,85

€ 100,18

Per etmaal

15P72

Woonbegeleiding Complex (bij Thuis Plus)

€ 94,83

€ 80,61

Per uur

15P73

Activering en participatie (bij Thuis Plus) alleen Arbeidsmatige activiteiten

€ 43,81

€ 37,23

Per dagdeel

15P74

Vervoer Activering en Participatie (bij Thuis Plus)

€ 10,43

€ 10,43

Per retour

15P75

Vervoer rolstoel Activering en participatie (bij Thuis Plus)

€ 27,12

€ 27,12

Per retour

Tabel Tarieven 2026 ZIN Beschermd Wonen

Code

Omschrijving

Tarief

Eenheid

15A60

Verblijf met 24 uurs toezicht

€ 194,47

Per etmaal

15A66

Verblijf met toezicht nabij en op afroep

€ 178,91

Per etmaal

15A62

Woonbegeleiding complex

€ 87,80

Per uur

15A63

Activering en participatie

€ 43,81

Per dagdeel

15A64

Vervoer Activering en participatie (bij verblijf)

€ 10,43

Per retour

15A65

Vervoer met rolstoel Activering en participatie (bij verblijf)

€ 27,12

Per retour

15A76

Thuis Plus in eigen woning (ambulant): bandbreedte 1 tot en met 3 uur per week

€ 40,11

Per etmaal

15A77

Thuis Plus in eigen woning (ambulant): bandbreedte 4 tot en met 6 uur per week

€ 75,58

Per etmaal

15A78

Thuis Plus in eigen woning (ambulant): bandbreedte 7 tot en met 10 uur per week

€ 117,85

Per etmaal

15A86

Thuis Plus in woning aanbieder (ambulant): bandbreedte 1 tot 3 uur per week

€ 40,11

Per etmaal

15A87

Thuis Plus in woning aanbieder (ambulant): bandbreedte 4 tot en met 6 uur per week

€ 75,58

Per etmaal

15A88

Thuis Plus in woning aanbieder (ambulant): bandbreedte 7 tot en met 10 uur per week

€ 117,85

Per etmaal

15A72

Woonbegeleiding Complex (bij ThuisPlus)

€ 94,83

Per uur

15A73

Activering en participatie (bij ThuisPlus) alleen Arbeidsmatige activiteiten

€ 43,81

Per dagdeel

15A74

Vervoer Activering en Participatie (bij Thuis Plus)

€ 10,43

Per retour

15A75

Vervoer rolstoel Activering en participatie (bij Thuis Plus)

€ 27,12

Per retour

Hoofdstuk 9 Overige bepalingen

9.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze beleids- en nadere regels als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan.

9.2 Slotbepalingen

Deze Beleids- en nadere regels worden aangehaald als: Beleids- en nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026.

Aanvragen die zijn ingediend onder de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2017 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de Beleids- en nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026, worden afgehandeld conform de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2017.

Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten genomen op grond van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2017, gebeurt op grond van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2017 die daarvoor zijn geldigheid behoudt.

De Beleids- en nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2026 treden de dag na bekendmaking in werking en werken terug naar 1 januari 2026.

Met ingang van 1 januari 2026 worden de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Stadskanaal 2017 ingetrokken.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van 7 april 2026.

Het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal,

De secretaris, de burgemeester,

Bijlage 1 Lijst algemeen gebruikelijk

Woonvoorziening (algemeen):

Drempelhulp/schegplaten

Centrale verwarming

Losse airconditioning

Intercom

Elektriciteit in bestaande schuur/berging

Extra trapleuning

Slimme deurbel

Slim deurslot

Woonvoorziening (sanitair):

Douche (douchecabine/wand)

Douchekop op glijstang

Losse douchestoel

Vaste douchestoel

Postoel/toiletdouchestoel

Badplank

Eenhendelmengkraan, eenhendelthermostaatkraan

Wandbeugels

Verhoogd toilet/hangtoilet

Toiletverhoger met armleuning

Spiegels

Antislipcoating

Woonvoorziening (keuken/huishouden):

Afzuigkap

Mechanische ventilatie

Keramische kookplaat

Inductiekookplaat

Laden/korfladen

Woonvoorziening (overig):

Elektrische garagedeuropener

Telefoon en pc

Verlengde raamopeners

Stoel met uitsluitend sta-opfunctie

Vervoer (Fietsen en bijzondere fietsen):

Fiets

Fiets met lage instap

Elektrische fiets

Bromfiets/snorscooter

Niet aangepaste fietszitjes

Aankoppelfietsen voor kinderen

Fietskarretjes

Tandem voor volwassenen

Bakfiets

(Elektrische) step

Vervoer (auto):

Warmtewerend glas

Cruise control

Verstelbaar stuurwiel

Stuurbekrachtiging

Rembekrachtiging

Airconditioning

Elektrisch bediende ramen

Niet aangepaste autozitjes

Gebruikte eigen auto

Canta/brommobiel

Draaischijf auto

Lichte ondersteuning:

Technische hulpmiddelen (stofzuiger, afwasmachine) en reinigingsmiddelen

Hondenuitlaatservice

Klussendienst

Loophulpmiddelen:

Wandelstok, looprek, rollator

Accessoires:

Zoals schootskleed, boodschappenmand, rolstoelhandschoenen

Bijlage 2 Vormen van ondersteuning

Ambulante begeleiding regulier

De cliënt kan door deze begeleiding naar eigen vermogen zelfredzaam zijn en participeren en verblijven in de eigen leefomgeving en zich handhaven in de samenleving.

Eén op één begeleiding van de cliënt door aanbieder in de thuissituatie, digitaal op afstand, op school of op het werk niet zijnde begeleiding in groepsverband. Ambulante begeleiding kan bestaan uit praktische begeleiding, gedragsregulerende begeleiding of begeleiding waarbij sprake is van een ontwikkeldoelstelling.

De ambulante begeleiding richt zich op:

- herstel, stabilisatie en voorkómen van erger of crisis;

- begeleiden van cliënten met een regieprobleem zodat zij weer grip op de situatie krijgen;

- het ontwikkelen van persoonlijke vaardigheden om de zelfredzaamheid en de participatie van de individuele inwoner of zijn gezin/gezinssysteem te verhogen of te behouden;

- het (leren) gebruiken van en toeleiding naar (algemene) voorzieningen;

- het realiseren van ondersteuning in/door het persoonlijk netwerk van de cliënt;

- integraliteit/ afstemming met andere hulpverlening.

Ambulante begeleiding kan op maat verstrekt worden voor een bepaalde korte of middellange of lange periode. Dit is afhankelijk van de individuele situatie en het ontwikkelpotentieel van de cliënt.

Ambulante begeleiding kan bestaan uit:

- Praktische begeleiding in verband met tekortschietende (ADL) vaardigheden in het zelfregelend vermogen (dagelijkse bezigheden regelen, besluiten nemen, plannen en uitvoeren van taken, beheerszaken regelen, communicatie, sociale relaties):

- Het ondersteunen bij/oefenen met het aanbrengen van structuur hierin c.q. het voeren van regie. Bijvoorbeeld als gevolg van een lichte verstandelijke beperking (LVB) of verslavingsproblematiek;

- Begeleiding bij het weer opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk:

- Ondersteunen bij het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven door herhaling en methodische interventie. Zorgen dat, daar waar noodzakelijk, adequate begeleiding door de cliënt wordt aangenomen en opgevolgd:

- Het waar dit nodig is, begeleiden van de cliënt met een regieprobleem (door het aansporen van de cliënt) bij het verrichten ADL-handelingen (persoonlijke verzorging) door de cliënt zelf:

- Ondersteuning van (medische) behandeling voor zover de begeleiding niet onlosmakelijk verbonden is aan de medische behandeling. Want dan is het geen Wmo begeleiding. Het gaat hierbij om het oefenen van vaardigheden in de praktijk aangereikt vanuit de behandeling (die dan meestal valt onder de Zvw).

Overige aspecten die van belang zijn bij de uitvoering:

- Begeleiding vindt plaats op geplande en zo nodig op basis van de wens van cliënt op ongeplande momenten, u kunt denken aan een situatie dat een cliënt niet wekelijks op een vast moment maar af en toe op niet in te schatten momenten behoefte heeft aan ondersteuning, in de woon- en leefomgeving van de inwoner én waar nodig op afstand met behulp van digitale middelen (zoals screen to screen contact).

Ambulante begeleiding plus (a en b variant)

Stabilisatie na crisis, gericht op herstel van veiligheid en regie. Door inzet van dit product kan cliënt, samen met aanbieder, weer vanuit een stabielere situatie werken aan het realiseren van de gestelde doelen in de doelrealisatieopdracht en het begeleidingsplan ambulante begeleiding regulier. De overige doelstellingen van ‘begeleiding plus’ zijn identiek aan de doelstellingen van ‘begeleiding regulier’.

Bij crisis kan het, als er geen andere oplossingen mogelijk zijn, nodig zijn om de ambulante begeleiding regulier tijdelijk te intensiveren door:

a) inzet van tijdelijk meer uren ambulante begeleiding regulier op basis van het all-in tarief ambulant regulier (plus a variant).

b) tijdelijke inzet van specialistische expertise (bijvoorbeeld specifieke ervaringsdeskundigheid, gedragsdeskundige, psycholoog, of specialistische verslavingsdeskundigheid) aanvullend op de ambulante begeleiding regulier op basis van het all-in tarief ambulant plus (plus b variant).

De gemeente zorgt in voorkomende situaties voor een indicatie ambulante begeleiding plus a of b die tijdelijk wordt toegekend aanvullend op de al bestaande (of tevens af te geven) indicatie ambulante begeleiding regulier door een indicatie voor een maximaal aantal te declareren uren voor een bepaalde periode. Dit maximum kan de aanbieder op basis van de behoefte van de cliënt flexibel verdelen over de geïndiceerde periode. Na afloop van deze tijdelijk aanvullende indicatie valt de cliënt weer terug op de nog lopende basis indicatie ambulante begeleiding regulier.

De criteria voor de inzet van begeleiding plus zijn:

1. Er is sprake van een onveilige situatie (onveilig voor cliënt, omgeving, begeleider en/of andere betrokkenen, en/of een toename van probleemgedrag, en/of zorgmijding. Dit resulterend in ernstige achteruitgang. Met ernstige achteruitgang wordt bedoeld: aantoonbare achteruitgang ten opzichte van een eerder niveau van functioneren die grote invloed heeft op de emotieregulatie, cognitieve functies en/of het gedrag.

en:

2. Er is tijdelijk weinig tot geen regie over het eigen leven; er is geen evenwicht, de situatie is niet stabiel.

Er wordt geen ambulante begeleiding plus ingezet als de inwoner in aanmerking komt voor beschermd wonen, behandeling (inclusief begeleiding) op basis van de Zvw of ondersteuning vanuit de Wlz.

Overige aspecten die van belang zijn bij de uitvoering:

- Aanbieders bieden zowel de reguliere als plusvariant aan, al dan niet in samenwerking met een andere partij, zodat op- en afschaling eenvoudig te regelen is.

- Er wordt toegewerkt naar een stabiele situatie waardoor er (weer) afschaling naar begeleiding regulier kan plaatsvinden en/of doorverwijzing of samenwerking met algemene voorzieningen, het persoonlijk netwerk, Wlz of Zvw.

Begeleiding groep belevingsgericht (a en b variant)

Cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk handhaven en/of gedragsproblematiek reguleren. Stimuleren van zelfredzaamheid, ontmoeting en contact en het onderhouden hiervan. Het product kan ook ingezet worden ter ontlasting van mantelzorgers

Begeleiding groep belevingsgericht is bedoeld voor de doelgroep die beperkt is om een besteding van de dag zelfstandig in te vullen en (deels) niet in staat is om daarvoor gebruik te maken van activiteiten in het voorliggend veld. Het gaat om het groepsgewijs begeleiden van mensen die structuur en dagritme missen en te maken hebben met psychische, cognitieve en/of fysieke beperkingen. Hierbij is een duidelijke begeleidingsbehoefte aan de orde. Zoals bijvoorbeeld sommige ouderen met dementie, sommige cliënten met Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH) of ggz-problematiek. Bij begeleiding groep belevingsgericht kan overigens ook sprake zijn van arbeidsmatige groepsbegeleiding maar dan zonder dat er sprake is van een ontwikkelpotentieel bij de cliënt.

Groepsbegeleiding bestaat uit het doen van laagdrempelige activiteiten op locatie in groepsverband, die niet algemeen beschikbaar zijn en die aansluiten bij de belevingswereld en de wensen en interesses van de cliënt. De begeleiding is gericht op beleving, het hebben van een zinvolle daginvulling en het aangaan van contacten/ontmoeting of het stimuleren daartoe. Gedacht kan worden aan o.a. creatieve activiteiten, het verrichten van tuinwerkzaamheden, samen koken, eten of bewegen.

Hiermee wordt:

- dagritme geboden

- de situatie zoveel mogelijk gestabiliseerd

- de eventuele mantelzorger ontlast

- een periode tot opname in een instelling (Wlz) overbrugd

- sturing geboden op het gebied van de emotieregulatie

De standaard richtlijn voor de groepsgrootte op basis van een indicatie variant a is:

één begeleider op een groep van gemiddeld 8 en maximaal 10 personen.

Het kan in uitzonderlijke situaties, vanuit de behoefte of beperking van de cliënt, noodzakelijk zijn om in een kleinere groep groepsbegeleiding te krijgen. Bijvoorbeeld omdat een prikkelarme omgeving nodig is of omdat de begeleidingsvraag erg intensief is (bijvoorbeeld in de aanloop naar een Wlz-indicatie). Er kan dan niet worden volstaan met 1 begeleider op een groep van gemiddeld 8 en maximaal 10 cliënten. In samenspraak met de consulent wordt dan een indicatie afgegeven op basis van een aangepaste groepsgrootte van gemiddeld 4 cliënten in dit geval variant b. Het product blijft dan gelijk maar er geldt dan een ander tarief. De behoefte/vermogen van de cliënt om in een grote of kleine groep begeleiding te ontvangen en de afgegeven beschikking waarin dit is opgenomen bepaalt dus welke tariefklasse gehanteerd wordt.

De indicatie wordt gegeven per dagdeel, waarbij uitgegaan wordt van minimaal 3 uur daadwerkelijke begeleiding (exclusief reistijd) aaneengesloten en maximaal 2 dagdelen per 24 uur. Aanbieders organiseren het vervoer voor die cliënten die niet op eigen gelegenheid naar de locatie kunnen komen. Hiervoor wordt indien van toepassing een aparte indicatie verstrekt.

Overige aspecten die van belang zijn bij de uitvoering

- Begeleiding in groepsverband is voorliggend op ambulante begeleiding als hetzelfde doel wordt beoogd. Persoonlijke begeleiding en individuele aandacht maken onderdeel uit van begeleiding groep. Hiervoor kunnen geen extra kosten in rekening worden gebracht.

- Voor bepaalde doelgroepen verwachten we binnen dit product wel een lichte vorm van activering. Denk daarbij aan ADL-vaardigheden, onderdelen van het voedselbereidingsproces etc.

- Belevingsgerichte groepsbegeleiding kan in samenhang met het gebruik van algemene/voorliggende voorzieningen plaatsvinden. Voor sommige cliënten kan belevingsgerichte groepsbegeleiding een opmaat zijn voor het gebruiken van algemene en voorliggende voorzieningen. Er dient altijd onderzoek te worden gedaan naar de mogelijkheden voor inzet van algemene/voorliggende voorzieningen. Aanbieders nemen dit op in het begeleidingsplan en verantwoorden dit bij de toegang bij melding/aanvraag voor herindicatie.

- Eén van de activiteiten waar we specifiek aandacht voor vragen is digitalisering. We vragen van aanbieder (als dit van toegevoegde waarde is voor de cliënt) met enige regelmaat een activiteit op de groepsbegeleiding vorm te geven waarbij cliënten kennismaken met interactie via beeldscherm, laptop, tablet. Op die manier kunnen mensen kennismaken en oefenen in de digitale wereld met als doel sociale relaties buiten de groepsbegeleiding te kunnen onderhouden. De aanbieder is vrij hoe dit te organiseren, de consulent spreekt af voor welke cliënten dit in ieder geval van toepassing is.

- Voor in ieder geval mensen met dementie die geïndiceerd worden voor dit product is eerder sprake van achteruitgang dan van vooruitgang van de cliënt. Hierdoor moet goed gemonitord worden of Wmo-begeleiding nog passend is of dat bijvoorbeeld een Wlz-indicatie aan de orde is.

- Als de cliëntsituatie verandert en er ander vormen van ondersteuning of toeleiding naar Wlz worden ingezet dan is de aanbieder verplicht mee te werken aan een warme overdracht wanneer de cliënt hiervoor naar een andere aanbieder moet gaan.

- De begeleider is bereid om een cliënt met een regieprobleem, daar waar dit nodig is, op de groepsbegeleidingslocatie te begeleiden (door het aansporen van de cliënt) bij het verrichten van ADL-activiteiten (persoonlijke verzorging) door de cliënt zelf. Dit maakt onderdeel uit van dit product. Persoonlijke verzorging bij begeleiding groep valt onder de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan tijdens de groepsbegeleiding bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), waaronder:

a) Bewegen;

b) Lopen;

c) Gaan zitten en weer opstaan;

d) Lichamelijke hygiëne;

e) Toiletbezoek;

f) Eten/drinken;

g) Medicijnen innemen;

h) Ontspanning; en

i) Sociaal contact.

- In het geval een cliënt van begeleiding groep een indicatie heeft voor wijkverpleging, kan overwogen worden om de wijkverpleegkundige naar de begeleidingslocatie te laten komen in plaats van het huisadres van de cliënt.

- Als de situatie van een cliënt verandert dan is er een mogelijkheid dat een cliënt vanuit begeleiding groep belevingsgericht kan doorstromen naar begeleiding groep arbeidsmatig. De aanbieder is dan verplicht mee te werken aan een warme overdracht als dit betekent dat de cliënt hiervoor naar een andere aanbieder moet gaan.

- Als cliënt naast begeleiding groep ook ambulante begeleiding heeft dan ligt bij beide aanbieders, respectievelijk beide medewerkers van de aanbieder als het dezelfde aanbieder betreft, de gedeelde verantwoordelijkheid om de begeleiding op elkaar af te stemmen.

- Waar nodig wordt nauw samengewerkt met organisatie(s) die andere vormen van begeleiding of medische behandeling levert. De aanbieder monitort in dit kader of er zodanige veranderingen zijn bij de cliënt dat de cliënt in aanmerking komt voor beschermd wonen, behandeling op basis van de Zvw of ondersteuning vanuit de Wlz.

- Uitgangspunt is dat de groepsbegeleiding zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de cliënt wordt aangeboden en het vervoer van en naar groepsbegeleiding door de persoon zelf of het netwerk geregeld wordt. Als het vervoer niet op eigen kracht lukt dan kan hiervoor een indicatie worden verleend. Het vervoer is onlosmakelijk verbonden aan de uitvoering van begeleiding groep en wordt door de aanbieder georganiseerd.

Begeleiding groep arbeidsmatig

- Arbeidsmatige groepsbegeleiding is bedoeld voor die doelgroep die grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt heeft en beperkt in staat is om zelfstandig invulling aan de dag te geven. Deze doelgroep kan wel met aansturing nuttige werkzaamheden voor de maatschappij verrichten in een veilige omgeving.

- Met arbeidsmatige groepsbegeleiding wordt de cliënt in de groep (sociaal) geprikkeld en tijdens de werkzaamheden uitgedaagd in de eigen mogelijkheden. Hiermee wordt (sociale) achteruitgang en eenzaamheid voorkomen.

- De cliënt ontleent eigenwaarde aan de geleverde arbeid. Deelnemen aan arbeidsmatige groepsbegeleiding biedt structuur in de dag en week. Arbeidsvaardigheden, basisvaardigheden en sociale vaardigheden worden onderhouden.

- Bij arbeidsmatige/activerende groepsbegeleiding is er altijd sprake van ontwikkelpotentieel bij de cliënt. Deze doelgroep is leerbaar, echter de stapjes zijn op dit moment niet zo groot dat snelle doorgroei naar (entree)opleiding, beschut werk, vrijwilligerswerk of andere activeringsinstrumenten uit de Participatiewet te verwachten is.

- Begeleiding in groepsverband is voorliggend op ambulante begeleiding als hetzelfde doel wordt beoogd. Ambulante begeleiding en individuele aandacht kunnen onderdeel uitmaken van begeleiding groep, echter hiervoor kunnen geen extra kosten in rekening worden gebracht.

Doelstelling van het product

Doel van deze vorm van groepsbegeleiding is het ontwikkelen en vergroten van vaardigheden op het gebied van arbeidsmatige participatie en zelfredzaamheid door het stimuleren en activeren van de deelnemers tot het uitvoeren van doelgerichte taken, in een veilige groepssetting. Hierbij wordt rekening gehouden met het tempo en niveau van de cliënt, door begeleiding op maat. Zo kan iemand zijn of haar vaardigheden oefenen en grenzen verleggen.

Deze vorm van begeleiding heeft als uiterste doel deelname aan opleiding, vrijwilligerswerk, beschut werk of regulier werk. Dit hoeft echter niet altijd het doel te zijn in het begeleidingsplan van de cliënt. Door het begeleidingsplan van de cliënt te koppelen aan de participatieladder uit de Participatiewet en het bieden van mogelijkheden tot doorstroom naar vrijwilligerswerk, beschut werk of regulier werk, kan gericht aan verdere maatschappelijke participatie gewerkt worden.

Arbeidsmatige groepsbegeleiding is bedoeld voor die doelgroep die grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt heeft en beperkt in staat is om zelfstandig invulling aan de dag te geven. Deze doelgroep kan wel met aansturing nuttige werkzaamheden voor de maatschappij verrichten in een veilige omgeving. Met arbeidsmatige groepsbegeleiding wordt de cliënt in de groep (sociaal) geprikkeld en tijdens de werkzaamheden uitgedaagd in de eigen mogelijkheden. Hiermee wordt (sociale) achteruitgang en eenzaamheid voorkomen. De cliënt ontleent eigenwaarde aan de geleverde arbeid. Deelnemen aan arbeidsmatige groepsbegeleiding biedt structuur in de dag en week. Arbeidsvaardigheden, basisvaardigheden en sociale vaardigheden worden onderhouden. Bij arbeidsmatige/activerende groepsbegeleiding is er altijd sprake van ontwikkelpotentieel bij de cliënt. Deze doelgroep is leerbaar, echter de stapjes zijn op dit moment niet zo groot dat snelle doorgroei naar (entree)opleiding, beschut werk, vrijwilligerswerk of andere activeringsinstrumenten uit de Participatiewet te verwachten is.

Omschrijving van het product

- De activiteiten zijn in groepsverband en gericht op activering. De cliënt verricht activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de cliënt. De cliënt mag niet zonder begeleiding van aanbieder aan het werk worden gezet bij een andere partij niet zijnde een onderaanbieder.

- Eén van de activiteiten waar we specifiek aandacht voor vragen is digitalisering. We vragen van aanbieder met enige regelmaat een activiteit op de groepsbegeleiding vorm te geven waarbij cliënten kennismaken met interactie via beeldscherm, laptop, tablet. Op die manier kunnen mensen kennismaken en oefenen in de digitale wereld met als doel sociale relaties buiten de groepsbegeleiding te kunnen onderhouden. De aanbieder is vrij hoe dit te organiseren.

- De begeleider is bereid om een cliënt met een regieprobleem, daar waar dit nodig is, te begeleiden (door het aansporen van de cliënt) bij het verrichten van ADL-activiteiten (persoonlijke verzorging) door de cliënt zelf. Wanneer dat niet lukt is de begeleider bereid om een cliënt op de groepsbegeleidingslocatie, daar waar dit nodig is, te ondersteunen bij het verrichten van ADL-activiteiten (persoonlijke verzorging).

- De richtlijn voor de groepsgrootte is verhoudingsgewijs één begeleider op gemiddeld 10 cliënten.

- De indicatie wordt gegeven in dagdelen van 4 uur (exclusief reistijd) aaneengesloten, met een maximum van 2 dagdelen per 24 uur. Daarbij is een afwijking van maximaal 60 minuten meer per dagdeel acceptabel.

Overige aspecten die van belang zijn bij de uitvoering

- Als er verdere ontwikkelingsmogelijkheden voor de cliënt liggen dan zoekt de aanbieder van ‘arbeidsmatige gerichte groepsbegeleiding’ hiervoor contact en samenwerking met het bedrijfsleven, wijkvoorzieningen, verenigingsleven, omwonenden of bezoekers van voorzieningen. Voorbeelden zijn: voorzieningen in de buurt (bijv. buurtinitiatieven, wijkrestaurant, winkel, horeca etc.), welzijnswerk, werkvoorzieningsschappen, UWV, en/of werkgevers. De begeleiding kan dus ook gericht zijn op toeleiding naar vrijwilligerswerk of beschut werk.

- Als cliënt naast begeleiding groep ook ambulante begeleiding heeft dan stemt de aanbieder van begeleiding groep af met de ambulante begeleider.

- Groepsgrootte is passend en doelmatig en is afgestemd op de begeleidingsbehoefte van de cliënt en hetgeen in de dienstverleningsopdracht aan aanbieder is opgedragen.

- Uitgangspunt is dat de groepsbegeleiding zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de cliënt wordt aangeboden en het vervoer van en naar groepsbegeleiding door de persoon zelf of het netwerk geregeld wordt. Als het vervoer niet op eigen kracht lukt dan kan hiervoor een indicatie worden verleend. Het vervoer is onlosmakelijk verbonden aan de begeleiding groep en wordt door de

aanbieder georganiseerd. Als Wmo arbeidsmatige groepsbegeleiding in relatie staat tot uitstroom naar werk/ re-integratie, dan kan voor de vervoerskosten ook gekeken worden naar mogelijkheden binnen de participatiewet.

Kortdurend verblijf

Het doel is het ontlasten van de mantelzorger zodat cliënt nog wel thuis kan blijven wonen. Het kan echter ook gaan om ongeplande/spoedopvang als plotseling de mantelzorger uitvalt. Dit laatste kan alleen als de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van respijtzorg uit de Zvw (dat wil zeggen dat er geen medisch acuut gevaar is).

Omschrijving van het product:

- Kortdurend verblijf betreft het logeren in een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, als de begeleiding voor de inwoner noodzakelijkerwijs gepaard gaat met permanent toezicht (niet zijnde zorg) omdat de cliënt niet altijd (adequaat) zelf hulp kan inschakelen;

- Het zwaartepunt van de begeleiding ligt vooral op logeren met als doel het overnemen van toezicht op de inwoner ter ontlasting van de gebruikelijke hulp of mantelzorger. Iemand moet zelf kunnen alarmeren. Niet zijnde een Wlz- of Zvw-bed;

- Kortdurend verblijf als respijtzorg kan cyclisch zijn gedurende maximaal 3 etmalen of incidenteel voor een aansluitende periode zijn, bijvoorbeeld in de vakantie:

a) Cyclisch: de cliënt gaat met een zekere regelmaat uit logeren en wil daar wel of geen groepsbegeleiding bij;

b) Incidenteel: de cliënt gaat een langere periode (bijvoorbeeld een paar dagen of een week) uit logeren omdat de partner of inwonende mantelzorger op vakantie gaat. Dit komt dan 1 of 2 keer per jaar voor en tussendoor is er geen behoefte aan cyclische respijtzorg. Het gaat dan om verblijf en groepsbegeleiding op dezelfde locatie.

- Kortdurend verblijf kan soms ook incidenteel nodig zijn bij niet-planbare situaties. In dit soort situaties wordt wel nadrukkelijk gekeken naar eventuele voorliggende voorzieningen vanuit de Zvw of Wlz. Bijvoorbeeld:

a) De mantelzorger valt uit door bijvoorbeeld plotselinge ziekenhuisopname of onvoorzien (langer) herstel na ziekenhuisopname. De partner waarvoor gezorgd wordt, kan niet zelfstandig achterblijven maar er is geen medische noodzaak of behoefte aan geneeskundige zorg (anders is het te indiceren vanuit de Zvw);

b) Ter overbrugging naar verwachte indicatie voor Wlz voor maximaal 3 etmalen per week voor 3 maanden voor zover dit niet onder de Zvw kan vallen.

Overige aspecten die van belang zijn bij de uitvoering:

- Dit product is inclusief de dagelijkse maaltijden, koffie/thee-momenten en hotelmatige kosten, kapitaallasten en agogisch klimaat en het aansporen van de cliënten bij het verrichten van ADL-activiteiten (persoonlijke verzorging) door de cliënt zelf. Dit is exclusief inzet van thuiszorg of andere voorzieningen op basis van de Zvw. Indien nodig wordt van aanbieder verwacht dat hij cliënt actief toeleidt naar indicatie voor een Zvw-voorziening.

- Er zijn cliënten die 24-uurs toezicht nodig hebben wat indien nodig is inbegrepen in het geboden kortdurend verblijf.

- Het product is inclusief 120 minuten ambulante begeleiding waaronder hulp bij ADL.

- Partijen die op de logeerlocatie ook groepsbegeleiding aanbieden bieden cliënt de mogelijkheid om indien hiervoor ruimte is aan de groepsbegeleiding deel te nemen.

- De aanbieder monitort of cliënt mogelijk in aanmerking komt voor beschermd wonen, behandeling.

Uitgangspunt is dat het kortdurend verblijf zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de cliënt wordt aangeboden en het vervoer van en naar de kdv locatie door de persoon zelf of het netwerk geregeld wordt. Als het vervoer niet op eigen kracht lukt dan kan hiervoor een indicatie worden verleend. Het

vervoer is dan onlosmakelijk verbonden aan het kortdurend verblijf en wordt door de aanbieder georganiseerd.

Vervoer naar groepsbegeleiding en kortdurend verblijf

Het veilig en tijdig vervoeren van cliënten naar de begeleidingslocatie zo dichtbij als mogelijk bij de cliënt als de cliënt niet zelfstandig met gebruikelijke hulp of ondersteund door mantelzorg naar de locatie kan reizen. De cliënt heeft hierbij dan begeleiding nodig in de vorm van bijvoorbeeld vervoer met een (rolstoel) taxi. Indien dit het geval is en de gemeente acht dit noodzakelijk dan wordt hiervoor door de gemeente expliciet opdracht gegeven.

Omschrijving van het product

Voor wat betreft vervoer hanteren we drie verschillende vormen van vervoer:

1. Standaard vervoer: Het vervoeren van cliënt tezamen met 1 of meerdere andere personen zonder dat aan het vervoer een indicatie individueel vervoer ten grondslag ligt;

2. Rolstoel vervoer: Het vervoeren van cliënt in zijn rolstoel op basis van de vigerende Code VVR (Veilig Vervoeren van Rolstoelgebruikers);

3. Individueel vervoer: Het individueel vervoeren van cliënt omdat deze naar het oordeel van gemeente niet in groepsverband vervoerd kan worden.

Vervoer wordt vergoed op basis een all-in tarief per etmaal gerelateerd aan het aantal km dat cliënt van woonlocatie tot begeleidingslocatie moet reizen (om deze afstand te bepalen wordt de ANWB routeplanner gehanteerd). Daarvoor hanteren we de volgende regels:

- Het aantal kilometers wordt bepaald op basis van: adres cliënt naar adres groepsbegeleidingslocatie (aan de hand van de kortste route volgens ANWB routeplanner * 2 (is heen en weer, per etmaal.);

- Wij gaan bij de vergoeding ervan uit dat een cliënt met twee dagdelen groepsbegeleiding op dezelfde dag op de groepsbegeleidingslocatie overblijft en niet tussendoor heen-en-weer reist;

De vervoerstarieven zijn gemaximeerd. Een verdere reisafstand is mogelijk in uitzonderingssituaties en met toestemming van gemeente en toegestaan echter deze wordt niet aanvullend vergoed.

Overige aspecten die van belang zijn bij de uitvoering

- In sommige situaties is het mogelijk dat cliënten leren gebruik te maken van het openbaar vervoer of van andere vormen van vervoer. Dit bevordert het zelfstandig participeren. Dit kan bijvoorbeeld als de cliënt in een stabielere fase zit en toewerkt naar meer zelfstandigheid. De aanbieder stimuleert en begeleidt de cliënt dan om dit te gaan doen en organiseert samen met de cliënt dat hij/zij met het OV of zelfstandig kan reizen. Dit voorkomt dat er een situatie in stand gehouden wordt die de ontwikkeling van de cliënt belemmert en dus niet wenselijk is.

- Als alternatief voor het zelf vervoeren van cliënten kan de aanbieder gebruik maken van andere oplossingen voor het vervoer. Voorbeeld: diverse organisaties maken voor meerdere vervoersdoeleinden gebruik maken van de dienstverlening van stichting Opstapbus. Deze stichting kan, mits voldaan wordt aan de kwaliteitseisen, ook ingezet worden door aanbieders voor het vervoer van en naar Wmo-groepsbegeleiding.

Huishoudelijke Ondersteuning

Huishoudelijke Ondersteuning zoals deze beschreven wordt in het geldende Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning, inclusief de kwaliteitseisen, resultaatgebieden en werkwijzen die daaraan zijn gesteld. Dit Normenkader is gebaseerd op onderliggend objectief, deskundig en onafhankelijk onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM.

Het Normenkader vertrekt vanuit een ‘gemiddelde cliëntsituatie’ en geeft aan hoeveel ondersteuning dan nodig is voor volledige professionele overname van het huishouden. De gemeente onderzoekt in hoeverre de situatie van een inwoner overeenkomt met deze ‘gemiddelde cliëntsituatie’. Daarbij wordt rekening gehouden met de zelfredzaamheid van de inwoner en de ondersteuning die de inwoner kan ontvangen vanuit zijn of haar netwerk. Dit kan leiden tot minder inzet van ondersteuning. Er wordt ook rekening gehouden met eventuele beperkingen of belemmeringen van de inwoner of overige omstandigheden. Dit kan leiden tot meer omvang van in te zetten ondersteuning. Met als uiteindelijke doel te komen tot ondersteuning op maat, zodat de inwoner kan beschikken over een schoon en leefbaar huis.

In het Normenkader wordt onderscheid gemaakt in basisactiviteiten en incidentele activiteiten.

- Basisactiviteiten: deze activiteiten moeten zeer regelmatig uitgevoerd te worden.

Dit gaat onder andere vorm de volgende werkzaamheden: stof afnemen nat en droog, stofzuigen, dweilen, keukenblok schoonmaken, badkamer en toilet schoonmaken, bed verschonen, afval opruimen.

- Incidentele activiteiten: deze activiteiten worden slechts één of enkele keren per jaar uitgevoerd.

Dit gaat onder andere om de volgende werkzaamheden: ramen wassen binnenzijde, raambekleding wassen/schoonmaken, meubels schoonmaken, reinigen radiatoren, keukenapparatuur schoonmaken, binnen- en bovenzijde keukenkastjes afnemen, deuren afnemen, deurposten en tegelwanden afnemen.

Deze basis- en incidentele activiteiten moeten ertoe leiden dat inwoners wonen in een ‘schoon en leefbaar huis’. Dat is het geval indien de woning normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen.

- Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.

- Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap.

Welke activiteiten daarbij precies horen is afhankelijk van de unieke situatie van elke inwoner en wordt bepaald in afstemming tussen de inwoner en de Aanbieder van Huishoudelijke Ondersteuning.


Noot
1

Memorie van toelichting Wmo 2015, pagina 25.

Noot
3

Aan het persoonlijk plan kunnen geen rechten worden ontleend. Het is een onderdeel van het uit te voeren onderzoek. Dit houdt in dat de uiteindelijke beslissing kan afwijken van het geformuleerde in het persoonlijk plan.

Noot
4

volgens afwegingskader zoals omschreven in hoofdstuk 2.

Noot
5

Dit geldt voor alle vormen van begeleiding.

Noot
6

Als werkgeverslasten van toepassing zijn volgens artikel 13, lid 4 van de geldende verordening dan worden de van toepassing zijnde tarieven berekend.