Regeling vervalt per 01-01-2030

Subsidieregeling kleinschalige activiteiten samen sociaal en vitaal Den Haag 2026

Geldend van 03-06-2026 t/m 31-12-2029

Intitulé

Subsidieregeling kleinschalige activiteiten samen sociaal en vitaal Den Haag 2026

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

gelet op artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Den Haag 2020,

besluit vast te stellen de Subsidieregeling kleinschalige activiteiten samen sociaal en vitaal Den Haag 2026:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

- ASV:

Algemene subsidieverordening Den Haag 2020;

- Awb:

Algemene wet bestuursrecht;

- beperking:

blijvende of langdurige lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke, cognitieve of meervoudige beperking, neurobiologische ontwikkelingsstoornis of chronische aandoening die niet ouderdom gerelateerd is;

- cofinanciering:

bijdrage die een aanvrager met eigen financiële middelen of eigen middelen in natura dan wel financiële middelen, subsidies of middelen in natura van derden levert aan de kosten die verbonden zijn aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

- college:

college van burgemeester en wethouders van Den Haag;

- eenzaamheid:

sociale eenzaamheid waarbij het gaat om het missen van betekenisvolle relaties met een brede groep mensen, emotionele eenzaamheid, waarbij het gaat om het missen van een vertrouwelijke band met een ander persoon of existentiële eenzaamheid waarbij het gaat om een gevoel van zinloosheid van het bestaan en het missen van verbondenheid met het leven zelf;

- eenzame inwoner:

inwoner van Den Haag die matig tot zeer veel eenzaamheid ervaart;

- flexibele vrijwilliger:

vrijwilliger die beschikbaar is voor verschillende soorten vrijwilligerswerk, meestal kortlopend, die zich niet vastlegt op een vaste taak en flexibel beschikbaar is voor tijdelijke klussen;

- kwetsbare inwoner:

inwoner van Den Haag die vanwege een beperking, een chronische ziekte, regieverlies of psychosociale problematiek, extra ondersteuning nodig heeft bij het vitaal blijven, zelfstandig functioneren of het deelnemen aan de samenleving;

- langdurig positief effect:

blijvende of aanhoudende verbetering van de ervaren kwaliteit van leven of de gezondheid;

- maatje:

getrainde vrijwilliger die vanuit een vrijwilligersorganisatie wordt gekoppeld aan een kwetsbare inwoner met als doel deze inwoner uit een sociaal isolement te halen of het teweegbrengen van een gedrags- of mentaliteitsverandering;

- mantelzorger:

persoon die gedurende ten minste drie maanden aansluitend en gemiddeld minimaal acht uur per week onbetaalde hulp of ondersteuning biedt aan een naaste die een kwetsbare inwoner is;

- participatie:

deelname aan het maatschappelijk verkeer;

- projectmatig:

afgebakend in de tijd, met een begin en een eind;

- Servicepunt XL:

een fysieke plek, inclusief een balie, in een wijkcentrum waar bewoners terecht kunnen met een hulpvraag die betrekking heeft op een leefgebied zoals bedoeld in de subsidieregeling professioneel welzijnswerk Den Haag 2020;

- senior:

inwoner van Den Haag die vanwege ouderdom extra ondersteuning nodig heeft bij het vitaal blijven, zelfstandig functioneren of het deelnemen aan de samenleving;

- unieke deelnemer:

individu dat één of meer keren deelneemt aan de activiteit, waarbij één individu telt als één unieke deelnemer;

- vitaliteit:

goede mentale of fysieke gesteldheid en veerkracht;

- vrijwilliger:

persoon die in het maatschappelijk belang niet-medische ondersteuning aan kwetsbare inwoners van Den Haag biedt zonder dat er sprake is van de uitoefening van een beroep of bedrijf en zonder dat er voor de werkzaamheden salaris wordt betaald;

- vrijwilligersorganisatie:

stichting of vereniging waarvan de activiteiten voor minimaal 70% van het totaal aantal mensuren worden uitgevoerd door vrijwilligers;

- zelfredzaamheid:

in staat zijn tot het zelfstandig uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden en het onderhouden van een passend sociaal netwerk.

Artikel 1:2 Toepassingsbereik

Deze subsidieregeling is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:3 en 3:2.

Artikel 1:3 Doel van de subsidie

Het maatschappelijke doel van de subsidieregeling is dat senioren en kwetsbare inwoners duurzaam volwaardig en betekenisvol kunnen deelnemen aan de Haagse samenleving en dat mantelzorgers duurzaam hulp en ondersteuning kunnen bieden zonder dat dit ten koste gaat van de eigen vitaliteit, participatie of zelfredzaamheid.

Artikel 1:4 Doelgroep

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen.

Artikel 1:5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1. De subsidie heeft uitsluitend betrekking op de naar het oordeel van het college redelijkerwijs gemaakte kosten die resteren na aftrek van bijdragen van derden en die naar het oordeel van het college direct zijn verbonden met en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten bedoeld in de artikelen 2:3 en 3:2.

  • 2. Niet voor subsidie in aanmerking komen:

    • a.

      de verrekenbare BTW over de gesubsidieerde kosten;

    • b.

      de restwaarde van specifiek voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur;

    • c.

      de kosten voor catering en consumpties die hoger zijn dan 15% van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten of hoger zijn dan € 3.000,- per aanvraag;

    • d.

      de kosten voor het opdoen van kennis die onderdeel uitmaken van trainingen die kosteloos worden aangeboden;

    • e.

      de kosten voor de waardering van vrijwilligers die hoger zijn dan € 25,- per vrijwilliger per jaar of hoger zijn dan € 8.400,- per aanvraag;

    • f.

      de kosten voor vrijwilligersvergoedingen die hoger zijn dan 5% van de subsidie die wordt verleend, die hoger zijn dan het fiscaal vrijgestelde maximum of die hoger zijn dan door het college redelijk en proportioneel worden geacht;

    • g.

      de kosten voor de reis- en onkostenvergoedingen van vrijwilligers wanneer deze naar het oordeel van het college niet redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit;

    • h.

      de kosten voor andere vergoedingen aan vrijwilligers dan de vergoedingen als bedoeld onder f, g en h;

    • i.

      de kosten voor de verzekering van vrijwilligers en de Verklaringen Omtrent het Gedrag van vrijwilligers;

    • j.

      de kosten die de aanvrager van een subsidie structureel maakt voor gebouwen en buitenterreinen, personeel, administratie, ICT en andere vaste lasten en die niet rechtstreeks verbonden zijn met het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten;

    • k.

      alle kosten die samenhangen met het maken van een video- of fotorapportage, waaronder in ieder geval de aanschaf of huur van materiaal, loonkosten, kosten voor inhuur van derden, vrijwilligerskosten.

Hoofdstuk 2 Subsidie voor meerjarige kleinschalige activiteiten

Artikel 2:1 Subsidietijdvak

Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend voor de kalenderjaren 2027 en 2028.

Artikel 2:2 Doel van de subsidie

Het doel van de subsidie op grond van dit hoofdstuk is het versterken van de vitaliteit, de participatie of de zelfredzaamheid van senioren en kwetsbare inwoners van Den Haag en het ondersteunen van de mantelzorgers van deze inwoners.

Artikel 2:3 Activiteiten

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten met een langdurig positief effect voor:

  • a.

    eenzame inwoners die zelfstandig thuis wonen, waarbij de activiteiten gericht zijn op het vinden, verbinden, activeren en begeleiden van eenzame inwoners, waarbij ter vermindering van die eenzaamheid minimaal twee van de volgende werkzame elementen worden toegepast:

    • het aanbieden van een zinvolle bezigheid met mogelijkheden tot sociale ontmoeting en praktische ondersteuning;

    • het aanbieden van een betekenisvolle rol waarbij de inwoner een actieve bijdrage kan leveren aan de interventie die wordt ingezet en de inwoner niet alleen de ontvanger is van hulp;

    • het opbouwen van betekenisvol contact tijdens de interventie door regelmatig en duurzaam contact te hebben;

    • het versterken van sociale vaardigheden waardoor de inwoner zelf makkelijker sociale relaties kan aangaan en onderhouden; of

    • het ondersteunen van de inwoner bij het ontwikkelen van passende sociale verwachtingen, met aandacht voor inzicht in eigen denken en gedrag, en het creëren van veilige oefensituaties voor positieve sociale ervaringen;

  • b.

    kwetsbare inwoners met een beperking in groepsverband, waarvan maximaal 25% in een intramurale zorginstelling verblijft, die door hun beperking geen gebruik kunnen maken van het reguliere aanbod van activiteiten, waarbij de activiteiten gericht zijn op het versterken van de vitaliteit, participatie of zelfredzaamheid en plaatsvinden in de vrije tijd en geen vervanging zijn van werk, vrijwilligerswerk, of andere vormen van dagbesteding;

  • c.

    mantelzorgers door individuele en groepsgerichte ondersteuning van deze mantelzorgers, waarvan maximaal 25% in een intramurale zorginstelling verblijft, waarbij de activiteiten zich onderscheiden van de aangeboden mantelzorgondersteuning op de Servicepunten XL en gericht zijn op het verminderen van belasting door het versterken van de vitaliteit, participatie en zelfredzaamheid van mantelzorgers;

  • d.

    senioren waarvan maximaal 25% in een intramurale zorginstelling verblijft en waarbij de activiteiten gericht zijn op het versterken van de vitaliteit, participatie of zelfredzaamheid van senioren; of

  • e.

    kwetsbare inwoners door het bieden van niet-medische ondersteuning met behulp van de inzet van vrijwilligers en maatjes door vrijwilligersorganisaties.

Artikel 2:4 Hoogte van de subsidie

Een subsidie op grond van dit hoofdstuk bedraagt per aanvrager maximaal € 45.000,- per kalenderjaar en maximaal € 90.000,- voor het gehele subsidietijdvak.

Artikel 2:5 Subsidieplafond

  • 1. Voor subsidieverlening op grond van deze regeling geldt voor de kalenderjaren 2027 en 2028 een subsidieplafond van € 1.403.500,- per kalenderjaar, met een maximum van € 2.807.000,- voor de hele subsidieperiode, verdeeld over de volgende deelplafonds:

    • a.

      € 1.203.500,- per kalenderjaar met een maximum van € 2.407.000,- voor de gehele subsidieperiode voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, onder a, c, d en e;

    • b.

      € 200.000,- per kalenderjaar met een maximum van € 400.000,- voor de gehele subsidieperiode voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, onder b.

  • 2. Als het deelplafond, als bedoeld in het eerste lid, onder a, niet bereikt is, wordt het resterende subsidiebudget overgeheveld naar het deelplafond als bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 3. Als het deelplafond, als bedoeld in het eerste lid, onder b, niet bereikt is. wordt het resterende subsidiebudget overgeheveld naar het deelplafond als bedoeld in het eerste lid, onder a.

  • 4. Als de deelplafonds, als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, niet bereikt worden na toepassing van het tweede en derde lid, wordt het subsidiebudget overgeheveld naar het subsidieplafond als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, onder a.

  • 5. Het college kan het subsidieplafond en de deelplafonds conform artikel 7, tweede lid, ASV verlagen.

Artikel 2:6 Wijze van verdeling

  • 1. Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2. Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    • a.

      de activiteiten hebben impact op de doelgroep van de activiteiten; dit blijkt uit de aard van de problematiek bij de deelnemers, de aard en de duur van de aangeboden activiteiten, het aantal deelnemers dat aan de activiteiten deelneemt en het aantal unieke deelnemers dat aan de activiteiten deelneemt:

      • de activiteiten hebben veel impact: 12 punten;

      • de activiteiten hebben een bovengemiddelde impact: 8 punten;

      • de activiteiten hebben een gemiddelde impact: 4 punten;

      • de activiteiten hebben een beperkte of geen impact: 0 punten;

    • b.

      de activiteiten zijn gericht op het activeren van de doelgroep van de activiteiten; dit blijkt uit de mate waarin van de deelnemers tijdens de activiteiten een actieve rol wordt gevraagd:

      • de activiteiten zijn bovengemiddeld activerend: 6 punten;

      • de activiteiten zijn gemiddeld activerend: 3 punten;

      • de activiteiten zijn beperkt of niet activerend: 0 punten;

    • c.

      de aanvrager werkt vraaggericht en zorgt ervoor dat de activiteiten voldoen aan de behoeften van de deelnemers; dit blijkt uit de mate waarin de behoeften van de doelgroep proactief uitgevraagd worden bij deelnemers en zij worden betrokken bij het vormgeven, uitvoeren en bijstellen van de activiteiten:

      • de aanvrager werkt erg vraaggericht en de activiteiten voldoen bovengemiddeld aan de behoeften van de doelgroep: 6 punten;

      • de aanvrager werkt gemiddeld vraaggericht en de activiteiten voldoen gemiddeld aan de behoeften van de doelgroep: 3 punten;

      • de aanvrager werkt beperkt of niet vraaggericht en de activiteiten voldoen niet aan de behoeften van de doelgroep: 0 punten;

    • d.

      de aanvrager heeft een proactieve wervingsaanpak die aansluit op de doelgroep waarop de activiteiten zijn gericht alsmede op de vrijwilligers die bij de uitvoering betrokken worden; dit blijkt uit de aanpak die de aanvrager gebruikt om de doelgroep en de vrijwilligers op meerdere, langdurige, diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de doelgroep van de activiteiten zichtbaar en vindbaar zijn:

      • de wervingsaanpak sluit bovengemiddeld aan op de doelgroep: 6 punten;

      • de wervingsaanpak sluit gemiddeld aan op de doelgroep: 3 punten;

      • de wervingsaanpak sluit beperkt of niet aan op de doelgroep: 0 punten;

    • e.

      de aanvrager werkt samen met een relevant netwerk van samenwerkingspartners om het effect van de activiteit op de deelnemers van de activiteit te versterken; dit blijkt uit de contacten van de aanvrager met partners die ook hulp en ondersteuning bieden aan de doelgroep, de mate waarin de onderlinge kennisdeling en doorverwijzing bij die contacten voorop staat en de actieve wijze waarop de aanvrager invulling geeft aan de samenwerking met die contacten:

      • de aanvrager werkt samen met een relevant netwerk en de samenwerking is van meerwaarde voor het effect van de activiteit op deelnemers: 6 punten;

      • de aanvrager werkt samen met een relevant netwerk en de samenwerking is beperkt van meerwaarde voor het effect van de activiteit op deelnemers: 3 punten;

      • de aanvrager werkt samen met een beperkt relevant netwerk en de samenwerking is niet van meerwaarde voor het effect van de activiteit op deelnemers: 0 punten;

    • f.

      de kosten zijn laag; dit blijkt uit het feit dat er bij de aanvrager, in verhouding tot het aangevraagde subsidiebedrag, minder kosten per unieke deelnemer worden gemaakt dan gemiddeld bij alle aanvragers gezamenlijk het geval is:

      • de kosten zijn meer dan 10% onder het gemiddelde: 3 punten;

      • de kosten verschillen minder dan 10% van het gemiddelde: 1 punt;

      • de kosten zijn meer dan 10% boven het gemiddelde: 0 punten.

  • 3. Een aanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als daaraan minimaal 17 punten zijn toegekend.

  • 4. Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgesteld subsidieplafond, verleent het college de subsidie in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het voor de betrokken subsidie vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

  • 5. Als het subsidieplafond wordt overschreden als gevolg van aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van het aantal punten dat op basis van het criterium uit het tweede lid, onder a, is toegekend.

  • 6. Als aanvragen na toepassing van het vijfde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voor gaat.

  • 7. Als aanvragen na toepassing van het vijfde en zesde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van loting.

Artikel 2:7 Aanvraag subsidie

De aanvrager maakt voor de aanvraag gebruik van het voor dit hoofdstuk door het college vastgestelde digitale aanvraagformulier en het bijbehorende begrotingsformat.

Artikel 2:8 Aanvraagtermijn

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de ASV wordt een aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk voor het gehele subsidietijdvak ingediend in de periode van 15 september tot en met 5 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.

Hoofdstuk 3 Subsidies voor projectmatige activiteiten en vrijwilligersorganisaties

Artikel 3:1 Doel van de subsidie

Het doel van de subsidie op grond van dit hoofdstuk is het op projectmatige wijze versterken van de vitaliteit, de participatie of de zelfredzaamheid van kwetsbare inwoners van Den Haag, het ondersteunen van de mantelzorgers alsmede het aantrekkelijker maken van het verrichten van vrijwilligerswerk.

Artikel 3:2 Activiteiten

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uitsluitend verstrekt:

  • a.

    voor activiteiten met een projectmatig karakter voor:

    • eenzame inwoners die zelfstandig thuis wonen, waarbij de activiteiten gericht zijn op het vinden, verbinden, activeren en begeleiden van eenzame inwoners, waarbij minimaal twee werkzame elementen zoals genoemd in artikel 2:3, onder a, worden toegepast ter vermindering van die eenzaamheid;

    • kwetsbare inwoners met een beperking in groepsverband, waarvan maximaal 25% in een intramurale zorginstelling verblijft, die door hun beperking geen gebruik kunnen maken van het reguliere aanbod van activiteiten, waarbij de activiteiten gericht zijn op het versterken van de vitaliteit, participatie of zelfredzaamheid en plaatsvinden in de vrije tijd en geen vervanging zijn van werk, vrijwilligerswerk, of andere vormen van dagbesteding;

    • individuele en groepsgerichte ondersteuning van mantelzorgers, waarvan maximaal 25% in een intramurale zorginstelling verblijft, waarbij de activiteiten zich onderscheiden van de aangeboden mantelzorgondersteuning op de Servicepunten XL en gericht zijn op het verminderen van belasting door het versterken van de vitaliteit, participatie en zelfredzaamheid van mantelzorgers;

    • senioren waarvan maximaal 25% in een intramurale zorginstelling verblijft en waarbij de activiteiten gericht zijn op het versterken van de vitaliteit, participatie of zelfredzaamheid van senioren; of

    • kwetsbare inwoners door het bieden van niet-medische ondersteuning met behulp van de inzet van vrijwilligers en maatjes door vrijwilligersorganisaties.

  • b.

    aan vrijwilligersorganisaties voor het werven van vrijwilligers, het vergroten van de deskundigheid onder vrijwilligers, het professionaliseren van de organisatie of het flexibiliseren van het aangeboden vrijwilligerswerk.

Artikel 3:3 Hoogte van de subsidie

Een subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt maximaal twee keer per kalenderjaar toegekend en bedraagt maximaal € 15.000,- per aanvraag en maximaal € 30.000,- per aanvrager per jaar.

Artikel 3:4 Subsidieplafond

  • 1. Voor subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk geldt een subsidieplafond per kalenderjaar van:

    • a.

      € 400.000,- voor de aanvragen die worden ingediend in de periode van 5 januari tot en met 31 maart van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      € 250.000,- voor de aanvragen die worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 31 augustus van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Het college kan het subsidieplafond conform artikel 7, tweede lid, ASV verlagen.

Artikel 3:5 Wijze van verdeling

  • 1. Het college verleent de subsidie in volgorde van ontvangst van de aanvraag bij het college, totdat het vastgestelde subsidieplafond is bereikt.

  • 2. Als de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van indiening van de aanvraag het tijdstip waarop de aanvraag volledig is aangevuld.

  • 3. Indien het college op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt, meer dan één aanvraag ontvangt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voor gaat.

Artikel 3:6 Aanvraag subsidie

De aanvrager maakt voor de aanvraag gebruik van het voor dit hoofdstuk door het college vastgestelde digitale aanvraagformulier en begrotingsformat.

Artikel 3:7 Aanvraagtermijn

In afwijking van artikel 9, tweede lid, van de ASV wordt een aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk ingediend vanaf 5 januari tot en met 31 maart of van 1 juni tot en met 31 augustus van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Hoofdstuk 4 Weigeringsgronden

Artikel 4:1 Weigeringsgronden

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de Awb en artikel 11, eerste tot en met vierde lid, van de ASV weigert het college een subsidie als hij van oordeel is dat:

  • a.

    uit de aanvraag blijkt dat de organisatie van de aanvrager naar gangbare bedrijfseconomische principes financieel ongezond is of de financiële continuïteit dan wel de continuïteit van de bedrijfsvoering van de aanvrager onzeker is;

  • b.

    de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten die reeds in voldoende mate door anderen worden uitgevoerd;

  • c.

    de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten die zich richten op ex-gedetineerden, schuldhulpverlening, sekswerkers, maatschappelijke opvang of doelgroepen waarvoor andere subsidieregelingen van kracht zijn;

  • d.

    de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd in aanmerking komt voor subsidie op grond van een andere subsidieregeling.

Hoofdstuk 5 Verplichtingen en betalingen

Artikel 5:1 Verplichtingen

  • 1. Onverminderd artikel 4:37, van de Awb en de artikelen 12 en 13, van de ASV, gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      de subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan de steekproefcontrole door het college om te beoordelen of de subsidie terecht is verstrekt;

    • b.

      de subsidieontvanger meldt de activiteit aan op de sociale kaart van Den Haag;

    • c.

      de subsidieontvanger plaatst vrijwilligersvacatures op de website van Den Haag Doet of Volunteer The Hague;

    • d.

      de subsidieontvanger plaatst de openbaar toegankelijke trainingen en cursussen voor vrijwilligers en mantelzorgers op de website van Den Haag Doet Academie;

    • e.

      de subsidieontvanger communiceert of de locatie(s) waar de activiteiten plaatsvinden toegankelijk zijn voor mensen met een beperking op de communicatiekanalen die de ontvanger ook inzet voor de promotie van de activiteit;

    • f.

      de subsidieontvanger werkt mee aan, door of namens de gemeente uitgevoerde, inhoudelijke onderzoeken ten behoeve van monitoring, evaluatie en impact;

    • g.

      de subsidieontvanger schaft bij gelijke geschiktheid producten ten behoeve van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten aan bij sociaal ondernemers.

  • 2. Voor ontvangers van subsidie op grond van artikel 2:3, sub a, geldt aanvullend de verplichting om deel te nemen aan de door de gemeente georganiseerde informatie- en netwerkbijeenkomsten gericht op kennisontwikkeling over eenzaamheid en samenwerking bij het verminderen van eenzaamheid.

  • 3. Voor ontvangers van subsidie op grond van artikel 2:3, sub c, geldt aanvullend de verplichting om deel te nemen aan het Stedelijk netwerk versterking mantelzorg.

Artikel 5:2 Subsidievaststelling zonder verlening vooraf

Het college stelt subsidies op grond van hoofdstuk 3 direct vast.

Artikel 5:3 Bevoorschotting

  • 1. Bevoorschotting van subsidies op grond van hoofdstuk 2 vindt plaats op volgende wijze: 100% van de verleende subsidie in twee gelijke termijnen die in januari 2027 en in januari 2028 worden uitbetaald.

  • 2. Het college kan afwijken van de wijze van bevoorschotting in het eerste lid wanneer een andere wijze van bevoorschotting is vereist.

Hoofdstuk 6 Verantwoording en vaststelling na verlening vooraf

Artikel 6:1 Wijze van tussentijdse verantwoording

  • 1. Onverminderd artikel 16a van de ASV en in aanvulling op artikel 17, vierde lid, van de ASV bevat het inhoudelijk verslag per activiteit, foto’s, een overzicht van het totale aantal deelnemers, het totale aantal unieke deelnemers, het aantal deelnemers per doelgroep van de activiteiten en het aantal unieke deelnemers per doelgroep van de activiteiten en, indien van toepassing, het aantal vrijwilligers dat bij de activiteit betrokken was.

  • 2. De subsidieontvanger maakt voor de tussentijdse verantwoording als bedoeld in artikel 16a van de ASV gebruik van het door het college vastgestelde digitale verantwoordingsformulier.

Artikel 6:2 Eindverantwoording

  • 1. In aanvulling op artikel 17, vierde lid, van de ASV bevat het inhoudelijk verslag de volgende gegevens:

    • a.

      per activiteit foto’s, een overzicht van het totale aantal deelnemers, het totale aantal unieke deelnemers, het aantal deelnemers per doelgroep van de activiteiten en het aantal unieke deelnemers per doelgroep van de activiteiten en, indien van toepassing, het aantal vrijwilligers dat bij de activiteit betrokken was;

    • b.

      een toelichting in hoeverre de ontvanger producten bij gelijke geschiktheid heeft ingekocht bij sociaal ondernemers ten behoeve van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.

  • 2. In aanvulling op artikel 17, vijfde lid, van de ASV bevat het financieel verslag tevens de afgedragen, verrekende of teruggevorderde BTW.

Hoofdstuk 7 Overige bepalingen

Artikel 7:1 Evaluatie

Het college evalueert deze subsidieregeling binnen één jaar na afloop van de regeling.

Artikel 7:2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 31 december 2029.

Artikel 7:3 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling kleinschalige activiteiten samen sociaal en vitaal Den Haag 2026.

Ondertekening

Den Haag, 26 mei 2026

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,

Ilma Merx

de burgemeester,

Jan van Zanen

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1:5, tweede lid, onder g

Vrijwilligersvergoedingen moeten naar het oordeel van het college redelijk en proportioneel zijn. Dit betekent dat de kosten van de vergoedingen voor vrijwilligers in verhouding dienen te staan tot de totale kosten van de activiteiten en dat de vergoeding niet aan elke vrijwilliger wordt betaald, maar alleen aan die vrijwilligers die tot een specifieke doelgroep behoren of een meer dan bovengemiddelde inzet leveren. Te denken valt aan vrijwilligers met een laag inkomen of vrijwilligers die een lange werkweek maken als vrijwilliger.

Artikel 2:3

Bij een langdurig positief effect gaat het erom dat de activiteiten structureel worden aangeboden of op een andere manier continuïteit bieden, er voor de hele doelgroep ruimte moet zijn om mee te kunnen doen en ook te blijven doen, dat de activiteiten de doelgroep ondersteunen of onderling contact stimuleren en dat vertrouwen bij de deelnemers wordt opgebouwd en behouden.

Dit betekent dat aanvragen die bijvoorbeeld gericht zijn op het organiseren van uitjes, feestjes en het vergroten van leefplezier op incidentele basis niet zien op het bereiken van een langdurig positief effect.

Daarnaast moeten de activiteiten zich vooral richten op doelgroepen die nog thuiswonend zijn en niet opgenomen zijn in een intramurale zorginstelling. Belangrijke reden hiervoor is dat activiteiten binnen een intramurale zorgomgeving al vanuit andere bronnen worden gefinancierd.

Artikel 2:6, tweede lid, onder a

De impact wordt beoordeeld aan de hand van de drie factoren. Bij de aard van de problematiek onder de deelnemers geldt dat onder andere de complexiteit van de problematiek of de mate waarin er sprake is van een verminderde vitaliteit, participatie of zelfredzaamheid van belang is. Bij de aard en de duur van de aangeboden activiteiten speelt een rol hoe lang en hoe vaak deelnemers aan een activiteit kunnen deelnemen, maar ook of de aanvraag bijvoorbeeld ziet op activiteiten voor een doelgroep waar nog weinig aanbod voor is en daarmee samenhangend het aantal unieke deelnemers, op een deel van de stad waar nog weinig aanbod van (bepaalde) activiteiten is of op activiteiten die bijzonder vernieuwend zijn. Tot slot wordt de kwantiteit in ogenschouw genomen in die zin dat bij het beoordelen van de impact ook aandacht wordt besteed aan het aantal unieke deelnemers.

Artikel 2:6, tweede lid, onder b

Bij het activeren van de doelgroep gaat het erom dat de doelgroep een actieve eigen bijdrage aan de activiteiten levert. Te denken valt aan het gezamenlijk organiseren van de activiteiten in plaats van enkel deel te nemen. Zoals gezamenlijk maken van een theatervoorstelling in plaats van enkel bezoeken hiervan. Bij mantelzorgers gaat het om de mate waarin zij worden geactiveerd om zich open te stellen voor hulp.

Artikel 2:6, tweede lid, onder e

Bij de partners die ook hulp en ondersteuning bieden gaat het bijvoorbeeld om welzijnsinstellingen, wijkorganisaties of levensbeschouwelijke organisaties.

Artikel 3:2

De activiteiten moeten zich vooral richten op doelgroepen die nog thuiswonend zijn en niet opgenomen zijn in een intramurale zorginstelling. Belangrijke reden hiervoor is dat activiteiten binnen een intramurale zorgomgeving al vanuit andere bronnen worden gefinancierd.

Artikel 3:2, onder b

Het gaat om activiteiten die zien op het verhogen van de kwaliteit van het vrijwilligerswerk en de vrijwilligersorganisaties. Er wordt subsidie verstrekt voor het werven van vrijwilligers, het bevorderen van deskundigheid onder vrijwilligers, het professionaliseren van de organisatie en het vrijwilligerswerk te flexibiliseren.

Artikel 5:1, eerste lid, onder g

Het college vindt het van belang dat gesubsidieerde organisaties overwegen om producten noodzakelijk voor het uitvoeren van gesubsidieerde activiteiten sociaal in te kopen. Daarom wordt van subsidieontvanger verwacht dat zij bij gelijke geschiktheid een afweging maken om sociaal in te kopen en hier in hun verantwoording van de subsidie een toelichting op te geven.