Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen Enschede 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-07-2026

Intitulé

Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen Enschede 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede;

gelet op:

  • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; en

  • artikel 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen.

besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:

Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen Enschede 2026.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    Bedreigende situatie: gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie.

  • b.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede.

  • c.

    Gezin: gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c van de Participatiewet waarbij onder het kind ook het thuiswonende kind of pleegkind van achttien jaar of ouder valt van de persoon, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de wet of hun partner.

  • d.

    Formele professionele zorgverlener: een gediplomeerde en professionele zorgverlener die zorg levert binnen het officiële zorgsysteem. De zorgverlener beschikt over de juiste bevoegd- en bekwaamheden (vaak BIG-geregistreerd), werkt met een contract en heeft een KvK-inschrijving. De jaarlijkse indexatie van de tarieven is te vinden op: https://www.pgb.nl.

  • e.

    Hulpvraag: formulering van de behoefte aan brede ondersteuning dat passend is om de doelstellingen, genoemd in artikel 2 tweede lid van de beleidsregels te kunnen bereiken.

  • f.

    Inwoner: degene die als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente ingeschreven is.

  • g.

    Kindregeling: herstelregeling op grond van afdeling 2.2 van de wet waarmee een tegemoetkoming en brede ondersteuning wordt geboden aan kinderen van gedupeerde ouders.

  • h.

    Leefgebieden: de vijf leefgebieden, genoemd in artikel 2.21, eerste lid, van de wet, zijnde financiën, gezin, werk, wonen en zorg.

  • i.

    NIBUD-normen: richtbedragen voor uitgaven aan huishoudelijke en persoonlijke voorzieningen, zoals vastgesteld en gepubliceerd door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting, die als uitgangspunt dienen bij het bepalen van vergoedingen in het kader van deze beleidsregels.

  • j.

    Reguliere ondersteuning: andere gemeentelijke ondersteuning binnen het sociaal domein dan brede ondersteuning.

  • k.

    Toekennen: verlenen van de aanspraak op een voorziening.

  • l.

    UHT: uitvoeringsorganisatie herstel toeslagen.

  • m.

    Verstrekken: feitelijk verschaffen van een toegekende voorziening.

  • n.

    Voorziening: materiële voorziening als bedoeld in artikel 14 van de beleidsregels of immateriële voorziening als bedoeld in artikel 15 van de beleidsregels.

  • o.

    Wet: wet hersteloperatie toeslagen.

HOOFDSTUK 2. DOEL, UITZONDERINGEN EN DOELGROEP BREDE ONDERSTEUNING

Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning

  • 1. De brede ondersteuning is gericht op:

    • a.

      het ondersteunen van de aanvrager bij het maken van een nieuwe start in het kader van herstel als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, van de wet; en

    • b.

      het bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid.

  • 2. De doelstellingen van de brede ondersteuning op de leefgebieden, die de aanvrager in staat moet stellen een nieuwe start te maken, zijn:

    • a.

      Financiën: in staat zijn om een financieel gezonde huishouding te voeren.

    • b.

      Gezin: samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen.

    • c.

      Werk: minimaal de beschikking hebben over een startkwalificatie of duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces.

    • d.

      Wonen: een veilige en betaalbare plek om te wonen; en

    • e.

      Zorg: welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid.

Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning

Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:

  • 1.

    Vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning, waaronder ook het (tijdelijk) compenseren van woonlasten, vaste lasten of andere individuele kosten van levensonderhoud vallen.

  • 2.

    Ondersteuning op andere leefgebieden dan bedoeld in artikel 1 van de beleidsregels.

  • 3.

    Vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.

  • 4.

    Vergoeding van schulden, tenzij het gaat om vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van een bedreigende situatie te voorkomen.

  • 5.

    Kosten voor voorzieningen, die zijn gemaakt vóór het moment van aanvraag komen in de regel niet voor vergoeding in aanmerking. Uitzondering hierop is mogelijk wanneer er sprake was van een aantoonbaar urgente of bedreigende situatie, waarbij directe actie noodzakelijk was en een aanvraag vooraf redelijkerwijs niet mogelijk was.

  • 6.

    Kosten voor een advocaat bij het ontvangen van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.

  • 7.

    Daarnaast worden in de regel de volgende kosten niet vergoed:

    • a.

      Verkeersboetes, strafbeschikkingen, andere bestuurlijke sancties en schadevergoedingen aan derden;

    • b.

      Cosmetische operaties of behandelingen;

    • c.

      Medische – en psychologische ingrepen of behandelingen, die niet aantoonbaar noodzakelijk zijn voor het hersteltraject, tenzij ze functioneel bijdragen aan het herstel van de gedupeerde, niet via reguliere zorgvoorzieningen beschikbaar zijn én niet onder de zorgverzekering vallen;

    • d.

      Aanschaf van auto’s of andere motorvoertuigen, tenzij aantoonbaar noodzakelijk voor deelname aan werk of onderwijs; functionele alternatieven zoals (elektrische) fietsen kunnen in dat kader wel in aanmerking komen. Er wordt altijd eerst gezocht naar een passende oplossing, waarbij het minst kostbare middel, dat voldoet aan de behoefte de voorkeur krijgt;

    • e.

      Verbouwingen aan de woning, behalve wanneer deze aantoonbaar noodzakelijk zijn voor het herstel van basale leefomstandigheden en het gaat om eenvoudige, functionele ingrepen. Onderhoud of herstel dat normaal gesproken onder de verantwoordelijkheid van een verhuurder valt (zoals bij woningcorporaties) wordt doorgaans niet vergoed;

    • f.

      Tuinaanpassingen, behalve wanneer deze aantoonbaar verband houden met de situatie van de gedupeerde en gericht zijn op eenvoudige, functionele ingrepen. Onderhoud of herstel dat normaal gesproken onder de verantwoordelijkheid van een verhuurder valt (zoals bij woningcorporaties) wordt doorgaans niet vergoed;

    • g.

      Vakanties, tenzij deze aantoonbaar bijdragen aan het hersteltraject en verantwoord zijn binnen een zorgvuldige en doelgerichte inzet van middelen;

    • h.

      Schade door onvoorziene gebeurtenissen (zoals storm, lekkages, brand of inbraak), tenzij deze:

      • -

        aantoonbaar het directe gevolg zijn van de toeslagenproblematiek,

      • -

        noodzakelijk zijn voor het herstel van de situatie van de gedupeerde, én

      • -

        niet op andere wijze, zoals via reguliere verzekeringen of standaardroutes kunnen worden vergoed.

    • i.

      Aanschaf van luxe- of comfortgoederen, tenzij aantoonbaar functioneel voor herstel of deelname aan onderwijs, werk of sociaal functioneren. Dit zijn goederen die het levenscomfort verhogen, maar niet essentieel zijn voor dagelijks functioneren, herstel of sociale participatie, zoals luxe elektronica, designmeubels, wellnessproducten of huishoudelijke apparaten met uitgebreide extra functies;

    • j.

      Voorzieningen of hulpvormen, die via reguliere routes beschikbaar zijn, zoals Wmo-voorzieningen, jeugdhulp, en participatie- en re-integratietrajecten.

  • 8.

    De in dit artikel genoemde uitzonderingen dienen als algemene richtlijn. De opsomming in lid 7 is niet uitputtend. Bij het beoordelen van individuele verzoeken staat het gesprek met de gedupeerde centraal en wordt maatwerk toegepast.

Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning

  • 1. Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan inwoners die onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet vallen en die niet eerder met brede ondersteuning een nieuwe start hebben kunnen maken.

  • 2. Het college verleent ook brede ondersteuning aan het gezin van de aanvrager, die op grond van het eerste lid is toegelaten tot de brede ondersteuning. De samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag is leidend.

  • 3. Het college kan ook toegang tot brede ondersteuning verlenen aan een aanvrager, die valt onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet, maar geen inwoner is als sprake is van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.21, derde lid, van de wet. De aanvrager wordt in dat geval gelijkgesteld met een inwoner.

  • 4. Bij toepassing van het derde lid vindt over de verlening van toegang tot brede ondersteuning overleg plaats met de aanvrager en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar deze aanvrager inwoner is.

Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige

  • 1. Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan een minderjarige, die in aanmerking komt voor de kindregeling als deze:

    • a.

      jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat;

    • b.

      jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft bij een inwoner die één van de gezaghebbers is; of

    • c.

      zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is.

HOOFDSTUK 3. AANVRAAG, EERSTE GESPREK EN VASTSTELLING HULPVRAAG

Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning

  • 1. Een aanvraag voor toegang tot brede ondersteuning kan schriftelijk, digitaal of mondeling worden ingediend bij het college. Schriftelijke aanvragen dienen gericht te worden aan de gemeente Enschede ter attentie van team brede ondersteuning. Digitale aanvragen kunnen worden verzonden naar toeslagaffaire@enschede.nl. Mondelinge aanvragen kunnen worden ingediend via het telefoonnummer Klant Contact Centrum Werk en Inkomen 053-4817800.

  • 2. Het college stelt vast of de inwoner behoort tot de in artikel 4, eerste lid, van de beleidsregels genoemde doelgroep en daarmee in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij de UHT.

  • 3. Indien een inwoner bij de UHT heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor brede ondersteuning, ontvangt het college de contactgegevens van de inwoner via het gegevensportaal van de UHT. De datum van ontvangst van de gegevens via het gegevensportaal van de UHT wordt gelijkgesteld met het indienen van de aanvraag.

Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag

  • 1. Nadat een aanvraag bij het college is ingediend, nodigt het college de aanvrager uit voor een eerste gesprek.

  • 2. De aanvrager bepaalt of het eerste gesprek op locatie plaatsvindt of bij de aanvrager thuis.

  • 3. Tijdens het eerste gesprek en de daaropvolgende gesprekken wordt samen met de aanvrager, aan de hand van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de beleidsregels de situatie van de aanvrager op de leefgebieden op het moment van de aanvraag vastgesteld en wordt gezamenlijk bepaald wat de hulpvraag is.

  • 4. De datum van het eerste gesprek wordt aangemerkt als de datum van het indienen van de formele aanvraag.

HOOFDSTUK 4. BESLUIT OP DE AANVRAAG EN PLAN VAN AANPAK

Artikel 8. Besluit op de aanvraag

  • 1. Het college zorgt dat de aanvrager 8 weken na het eerste gesprek een plan van aanpak ontvangt. Het plan van aanpak bevat:

    • a.

      een verlening van toegang tot brede ondersteuning met een plan van aanpak, dat minstens op hoofdlijnen is vastgesteld; of

    • b.

      een gemotiveerde weigering van de toegang tot brede ondersteuning.

  • 2. Het college kan de termijn uit het eerste lid voor het opstellen van een plan van aanpak met 4 weken verlengen.

Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak

  • 1. Het college stelt samen met de aanvrager het plan van aanpak op. Daarbij vormt de situatie van de aanvrager op het moment van de aanvraag en de hulpvraag het startpunt.

  • 2. In het plan van aanpak wordt vastgelegd:

    • a.

      hoe stapsgewijs en integraal naar de doelstellingen voor het maken van een nieuwe start door de aanvrager op de leefgebieden wordt toegewerkt; en

    • b.

      welke voorzieningen worden toegekend om de aanvrager op passende, adequate en duurzame wijze in staat te stellen deze doelstellingen te bereiken.

Artikel 10. Aanvullend schuldhulpverleningsaanbod jongeren

  • 1. Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021 als de aanvrager:

    • a.

      achttien jaar of ouder is;

    • b.

      in aanmerking komt voor de kindregeling;

    • c.

      naar het oordeel van het college in de problematische schulden zit; en

    • d.

      een aanvraag heeft ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021.

  • 2. De Stadsbank Oost-Nederland begeleidt de aanvrager bij het inzichtelijk maken van de financiële situatie.

Artikel 11. Het wijzigen van het plan van aanpak

  • 1. Het college kan tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager aanvullen of nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek.

  • 2. Een aanvrager kan schriftelijk, digitaal of mondeling een verzoek indienen om het plan van aanpak te wijzigen; schriftelijke verzoeken dienen gericht te worden aan de gemeente Enschede, ter attentie van team brede ondersteuning, terwijl digitale verzoeken kunnen worden verzonden via toeslagaffaire@enschede.nl en mondelinge verzoeken kunnen worden gemeld via Klant Contact Centrum Werk en Inkomen 053-4817800. Artikel 8, eerste lid, van deze beleidsregels is op deze aanvraag van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Als de aanvrager het college verzoekt een aanvullende voorziening toe te kennen, toetst het college dit verzoek aan de artikelen 13, tweede lid, 14 en 15 van de beleidsregels.

  • 4. De in het plan van aanpak vastgestelde doelstellingen wijzigt het college niet, tenzij zich gedurende de uitvoering van het plan van aanpak nieuwe feiten en omstandigheden voordoen, die wijziging noodzakelijk maken.

Artikel 12. Lopende plannen van aanpak en nieuwe voorzieningen

  • 1. Voor cliënten met een plan van aanpak dat vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels is vastgesteld, blijven de daarin benoemde lopende voorzieningen onverkort van kracht.

  • 2. Worden nadien nieuwe voorzieningen aangevraagd, die niet in het oorspronkelijke plan zijn opgenomen, dan worden deze beoordeeld op basis van de bepalingen en doelstellingen uit deze actuele beleidsregels.

  • 3. Dergelijke verzoeken tot aanvullende voorzieningen worden aanvullend op de bestaande ondersteuning behandeld, waarbij aandacht wordt besteed aan urgentie, noodzaak en het voorkomen van stapeling van hulp.

  • 4. Dit artikel sluit aan op het overgangsrecht zoals vastgelegd in artikel 8.10 van de Wet hersteloperatie toeslagen en dient de uitvoeringspraktijk te verduidelijken.

HOOFDSTUK 5. TOEKENNEN EN VERSTREKKEN VAN VOORZIENINGEN

Artikel 13. Voorzieningen

  • 1. Het college verstrekt aan de aanvrager de immateriële en materiële voorzieningen die in het plan van aanpak zijn toegekend.

  • 2. Bij het toekennen van de voorzieningen houdt het college onder andere rekening met:

    • a.

      de vaardigheden van de aanvrager;

    • b.

      de draagkracht en financiële armslag van de aanvrager;

    • c.

      de omvang en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager;

    • d.

      het duurzame karakter van de voorziening; en

    • e.

      de wijze waarop de voorziening de aanvrager in staat stelt om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken.

Artikel 14. Materiële voorzieningen

  • 1. Een materiële voorziening is een zaak, die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken. Alleen goederen of voorzieningen, die aantoonbaar noodzakelijk zijn, worden verstrekt. Er wordt geen voorziening toegekend op basis van wenselijkheid, maar uitsluitend op basis van noodzaak in het licht van de doelstellingen uit het plan van aanpak.

  • 2. Bij de beoordeling en toekenning van materiële voorzieningen wordt uitgegaan van een doelmatige en verantwoorde inzet van middelen. Daarbij wordt gezocht naar een oplossing die aansluit bij de persoonlijke situatie van de aanvrager, waarbij de voorkeur uitgaat naar een uitvoering die passend en toereikend is, zonder dat gekozen wordt voor een luxe of uitgebreide variant, mits de voorziening in redelijkheid bijdraagt aan het behalen van de doelstellingen uit het plan van aanpak.

  • 3. Het college kan materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan ook na deze periode nog plaatsvinden.

  • 4. Voor materiële voorzieningen wordt aansluiting gezocht bij de NIBUD-prijzengids voor 100% van de richtbedragen voor gebruikelijke huishoudelijke uitgaven zoals deze gelden op het moment van toekenning.

  • 5. Voor gebruikelijke huishoudelijke of persoonlijke goederen met een aanschafwaarde van minder dan € 1.250,– die niet in de NIBUD-prijzengids voorkomen, maar aantoonbaar noodzakelijk zijn voor het behalen van de doelstellingen uit het plan van aanpak, kan het college een vergoeding verstrekken op basis van de gemiddelde marktprijs van een niet-luxe standaardmodel.

  • 6. Voor voorzieningen met een aanschafwaarde van € 1.250,– of hoger die niet in de NIBUD-prijzengids voorkomen, wordt de vergoeding gebaseerd op de laagste prijs van ten minste twee offertes. Indien het college van oordeel is dat deze offertes onvoldoende basis bieden voor een zorgvuldige beoordeling, kan het verzoeken om een derde offerte. Het college beoordeelt vervolgens of de ingediende offertes een gedegen onderbouwing vormen voor de toekenning.

  • 7. De in lid 5 en 6 genoemde grensbedragen voor het toepassen van het offertevereiste worden vanaf 1 januari 2027 verhoogd naar € 1.300,–, vanaf 1 januari 2029 naar € 1.350,– en vanaf 1 januari 2031 naar € 1.400,–, tenzij deze beleidsregels eerder worden aangepast of ingetrokken.

Artikel 15. Immateriële voorzieningen

  • 1. Een immateriële voorziening is een vorm van hulpverlening of een dienst die naar het oordeel van het college als noodzakelijk en passend wordt gezien voor het herstel van de aanvrager of diens deelname aan de samenleving. Bij de ondersteuning wordt altijd maatwerk geleverd, afgestemd op de specifieke situatie en behoeften van de aanvrager.

  • 2. Het college hanteert een tarief voor formele professionele zorg tot een uurtarief van maximaal € 85,00 per uur (2026).

  • 3. Dit tarief wordt jaarlijks geïndexeerd vergelijkbaar met de PGB – uurtarieven (WLZ).

  • 4. Het college kan een immateriële voorziening tot twee jaar na het eerste gesprek met de aanvrager toekennen. De feitelijke uitvoering van de voorziening kan ook na deze termijn plaatsvinden.

Artikel 16. Medewerking aanvrager

  • 1. Voordat een voorziening via het plan van aanpak wordt toegekend, kan het college de aanvrager verzoeken om medewerking te verlenen. Deze medewerking kan bestaan uit het verstrekken van aanvullende informatie, het toelichten van de situatie of het deelnemen aan een gesprek. De informatie kan zowel mondeling als schriftelijk worden verstrekt. Dit is nodig om te beoordelen of de beoogde voorziening voldoet aan de voorwaarden zoals beschreven in artikel 13, tweede lid, en de artikelen 14 en 15 van de beleidsregels.

Artikel 17. Weigeren voorzieningen

  • 1. Het college weigert het toekennen van een voorziening als:

    • a.

      de gevraagde voorziening al vóór het eerste gesprek is gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er na het indienen van de aanvraag, maar vóór het eerste gesprek sprake was van een bedreigende situatie waarvoor de voorziening noodzakelijk was;

    • b.

      de voorziening niet aan de artikelen 13, tweede lid, en de artikelen 14 en 15 van de beleidsregels voldoet; of

    • c.

      de aanvrager niet de medewerking, bedoeld in artikel 16 van de beleidsregels heeft, verleend en het college daardoor niet kan vaststellen of de beoogde voorziening aan de artikelen 13, tweede lid, en de artikelen 14 en 15 van de beleidsregels voldoet.

HOOFDSTUK 6. BEËINDIGING BREDE ONDERSTEUNING EN OVERDRACHT

Artikel 18. Beëindiging van de brede ondersteuning

  • 1. In aanvulling op artikel 2.21, zesde lid, van de wet eindigt de brede ondersteuning als de aanvrager:

    • a.

      om beëindiging van de brede ondersteuning verzoekt; of

    • b.

      niet binnen een redelijke termijn van de brede ondersteuning gebruik heeft gemaakt en niet reageert op een oproep van het college om hier alsnog gebruik van te maken.

  • 2. Het college laat de aanvrager weten dat de brede ondersteuning eindigt.

Artikel 19. Overdracht van hulpverlening

  • 1. Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstellingen uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 20. Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking per 1 juli 2026.

Artikel 21. Citeertitel

  • 1. Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen Enschede 2026.

Ondertekening

Vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders op 26 mei 2026,

de secretaris,

M.W. de Graaf

de burgemeester,

R.W. Bleker

NOTA VAN TOELICHTING

Algemene toelichting

Per 1 januari 2025 is de Wet hersteloperatie toeslagen volledig in werking getreden. Deze wet biedt gedupeerde ouders en kinderen van de kinderopvangtoeslagenaffaire niet alleen recht op financiële compensatie, maar ook op brede ondersteuning. Deze ondersteuning is gericht op het herstellen van perspectief en het versterken van bestaanszekerheid op de leefgebieden financiën, gezin, werk, wonen en zorg.

Om gemeenten te helpen bij de uitvoering van deze wettelijke taak, heeft de VNG in 2025 modelbeleidsregels opgesteld. De VNG adviseert gemeenten om eigen beleidsregels vast te stellen, zodat duidelijk is op welke manier zij invulling geven aan de brede ondersteuning. Beleidsregels zorgen zo voor transparantie, rechtsgelijkheid en voorspelbaarheid, zowel voor inwoners als voor uitvoerende professionals. Met de Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen Enschede 2026 legt het college van burgemeester en wethouders van Enschede vast hoe binnen de gemeente uitvoering wordt gegeven aan deze ondersteuning. De beleidsregels bieden duidelijkheid over onder andere de doelgroep, de aanvraagprocedure, het plan van aanpak en de toekenning van voorzieningen. Hierbij staat maatwerk centraal, maar ook rechtszekerheid en een uitvoerbare praktijk die recht doet aan het herstel van vertrouwen tussen inwoners en overheid.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Definities

In dit artikel worden de belangrijkste begrippen binnen deze beleidsregels gedefinieerd. Dit is essentieel om eenduidigheid in interpretatie te waarborgen. De definitie van 'bedreigende situatie' is ruimer dan puur financieel en erkent ook psychische of crisissituaties. De toevoeging van de NIBUD-normen onderstreept de inzet op objectieve maatstaven bij materiële ondersteuning.

Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning

Dit artikel bepaalt het hoofddoel van de ondersteuning: het faciliteren van een nieuwe start en herstel van vertrouwen. De opsomming van leefgebieden volgt de systematiek van de wet, waarbij het accent ligt op duurzame maatschappelijke participatie.

Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning

Hierin wordt omschreven wat niet onder brede ondersteuning valt. De uitsluitingen (zoals boetes, cosmetische ingrepen, of reguliere voorzieningen) dienen om de inzet van middelen doelmatig te houden. Verder is de vergoeding van kosten die zijn gemaakt voordat er een aanvraag is ingediend voor brede ondersteuning geen onderdeel van de brede ondersteuning (onderdeel e). Tot slot zijn er over de inzet van advocaten, voor bijstand in het financiële herstelproces, door het Rijk afspraken gemaakt met de Nederlandse Orde van Advocaten (onderdeel f). Er is gratis hulp van een advocaat beschikbaar via herstel.toeslagen.nl. Dit is om die reden ook van de brede ondersteuning uitgezonderd. De bepaling maakt ruimte voor maatwerk via de hardheidsclausule.

Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning

Hier wordt de doelgroep afgebakend. Belangrijk is de nadruk op mensen, die nog geen nieuwe start hebben kunnen maken, en de expliciete benoeming van het gezin als de ontvanger van ondersteuning. In bijzondere omstandigheden kan ook iemand buiten de gemeentegrenzen worden geholpen – mits in overleg met de betreffende gemeente.

Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige

Dit artikel biedt toegang tot brede ondersteuning voor minderjarigen onder de kindregeling. De drie situaties waarbinnen dit mogelijk is, maken het mogelijk maatwerk te leveren aan verschillende gezinssamenstellingen en woonsituaties.

Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning

Dit artikel regelt hoe de aanvraag wordt ingediend, op meerdere toegankelijke manieren. De koppeling met UHT zorgt voor een automatische gegevensoverdracht, waardoor drempels voor aanvragers worden verlaagd.

Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag

De procedure start met een intake. Belangrijk is dat de aanvrager bepaalt waar het gesprek plaatsvindt. Het gesprek is niet alleen verkennend, maar vormt de basis voor de formulering van de hulpvraag.

Artikel 8. Besluit op de aanvraag

Binnen acht weken na het eerste gesprek wordt een besluit genomen over het al dan niet toekennen van ondersteuning. Indien nodig kan de termijn worden verlengd. Dit bevordert voortgang en rechtszekerheid.

Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak

Het plan van aanpak is het centrale document waarin doelen en middelen worden vastgelegd. Dit gebeurt altijd in samenspraak met de aanvrager en is integraal en stapsgewijs van aard. Het biedt structuur aan de uitvoering van de brede ondersteuning.

Artikel 10. Aanvullend schuldhulpverleningsaanbod jongeren

Voor jongeren, die onder de kindregeling vallen en problematische schulden hebben, is een aanvullende regeling mogelijk. Deze regeling komt voort uit het Rijksbeleid en wordt in het plan van aanpak geïntegreerd.

Artikel 11. Het wijzigen van het plan van aanpak

Maatwerk kan vragen om bijstelling van het plan. Dit artikel maakt het mogelijk om gedurende de looptijd (2 jaar voor immateriële voorzieningen, 6 maanden voor materiële voorzieningen) aanpassingen te doen. Ook aanvragers kunnen wijzigingen verzoeken.

Artikel 12. Lopende plannen van aanpak en nieuwe voorzieningen

Dit overgangsartikel waarborgt continuïteit. Bestaande voorzieningen blijven geldig, maar nieuwe aanvragen worden getoetst aan de nieuwe beleidsregels. Zo wordt recht gedaan aan zowel oude als nieuwe afspraken.

Artikel 13. Voorzieningen

Hier worden de uitgangspunten benoemd voor het verstrekken van voorzieningen. Naast noodzaak is er aandacht voor huishoudsamenstelling, draagkracht en duurzaamheid van de voorziening. Hiermee wordt effectief maatwerk mogelijk gemaakt.

Artikel 14. Materiële voorzieningen

De gemeente werkt met objectieve normen (NIBUD prijzengids) om vergoedingen vast te stellen. Voor duurdere aankopen geldt een offerteverplichting. Dit borgt een verantwoorde en evenwichtige inzet van publieke middelen, terwijl ruimte blijft voor het bieden van passende ondersteuning. De grensbedragen voor het offertevereiste worden met een stapsgewijze verhoging vanaf 2027 aangepast om rekening te houden met inflatie en marktontwikkelingen.

Artikel 15. Immateriële voorzieningen

Bij het toekennen van een immateriële voorziening is niet de striktere eis van noodzakelijkheid aan de orde die wel voor materiële voorzieningen geldt. Bij de immateriële voorzieningen draait het om de vraag of een voorziening nodig en passend is. Dit betekent dat een voorziening adequaat en duurzaam moet zijn en dus niet alleen voldoende geschikt, maar ook op de langere termijn geschikt moet zijn om een doelstelling uit het plan van aanpak te bereiken.

Verder gaat het bij immateriële voorzieningen om het ontwikkelen van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties door de aanvrager. De persoonlijke ontwikkeling van de aanvrager staat dus centraal. Het gaat om diens zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Bij immateriële voorzieningen kan onder andere worden gedacht aan hulpverlening of begeleiding, maar ook aan een opleiding of cursus. Ook voor de immateriële voorzieningen geldt dat de toekenning maatwerk is en dat dit van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak afhangt. Verder moet de toekenning van een immateriële voorziening eveneens in het plan van aanpak worden onderbouwd. Waarom is deze voorziening nodig en passend en hoe levert deze een bijdrage aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd?

Benadrukt wordt dat immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Die periode vormt echter ook hier geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan langer doorlopen dan twee jaar.

Artikel 16. Medewerking aanvrager

De gemeente mag de aanvrager vragen om benodigde informatie aan te leveren voorafgaand aan toekenning. Dit zorgt ervoor dat voorzieningen weloverwogen en controleerbaar worden toegekend.

Artikel 17. Weigeren voorzieningen

In dit artikel worden gronden gegeven voor het weigeren van een voorziening. Dit voorkomt misbruik en waarborgt dat voorzieningen alleen worden verstrekt als zij noodzakelijk én passend zijn.

Artikel 18. Beëindiging van de brede ondersteuning

Naast het beëindigen van de brede ondersteuning op basis van de wet, kan de ondersteuning ook stoppen als de aanvrager daar om vraagt of langdurig inactief blijft.

Artikel 19. Overdracht van hulpverlening

Als brede ondersteuning eindigt zonder dat de doelen zijn bereikt, zorgt de gemeente voor een warme overdracht naar reguliere hulp. Zo wordt voorkomen, dat mensen tussen wal en schip vallen.

Artikel 20. Inwerkingtreding

Hier wordt vastgelegd wanneer de beleidsregels in werking treden: 1 juli 2026. Hiermee wordt duidelijkheid geboden aan inwoners en uitvoerders.

Artikel 21. Citeertitel

De citeertitel vereenvoudigt verwijzingen naar de beleidsregels in besluiten, correspondentie of verdere regelgeving.