Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762210
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762210/1
Beleidsregels verlagingen Participatiewet Gouda 2026
Geldend van 30-05-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels verlagingen Participatiewet Gouda 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda;
gelet op artikel 27 en 28 van de Participatiewet alsmede artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit vast te stellen: Beleidsregels verlagingen Participatiewet Gouda 2026
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
gehuwdennorm: de norm als genoemd in artikel 21 onderdeel b van de wet;
- b.
wet: Participatiewet;
- c.
woonkosten: structurele huur- of hypotheeklasten of een op basis van een schriftelijke overeenkomst verschuldigde commerciële kostgangersvergoeding.
Artikel 2 Toepasselijkheid
Deze beleidsregels zijn van toepassing op belanghebbenden van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden deze beleidsregels alleen als beide echtgenoten tussen de 21 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd zijn.
Artikel 3 Woonsituatie
Wanneer de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, als bedoeld in artikel 27 van de wet, wordt:
- 1.
de norm verlaagd met 20% van de gehuwdennorm als belanghebbende geen woonkosten verschuldigd is;
- 2.
de norm verlaagd met 20% van de gehuwdennorm als belanghebbende geen woning aanhoudt.
Artikel 4 Schoolverlaters
Als de belanghebbende onlangs is gestopt met een opleiding of beroepsopleiding, zoals bedoeld in artikel 28 van de wet, kan het college de bijstandsnorm tot zes maanden na uitschrijving verlagen. De verlaging bedraagt het verschil tussen de van toepassing zijnde algemene bijstandsnorm en het bedrag voor levensonderhoud, zoals genoemd in artikel 33, tweede lid van de wet, bij aanvang van de bijstandsverlening. Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de belanghebbende de deelname aan onderwijs of een beroepsopleiding moest beëindigen, kan er afgezien worden van de verlaging.
Artikel 5 Inwerkingtreding
-
1. Dit besluit treedt op de dag na bekendmaking in werking en werkt terug tot en met 1 januari 2026;
-
2. De Beleidsregels verlagingen Participatiewet worden ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van het besluit onder lid 1.
Artikel 6 Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels verlagingen Participatiewet Gouda 2026.
Ondertekening
Aldus besloten in de vergadering van 19 mei 2026
Burgemeester en wethouders van Gouda,
de secretaris,
drs. C.W.W. van den Berg CMC
de burgemeester,
mr. drs. P. Verhoeve
Toelichting
Op grond van artikel 27 en 28 van de Participatiewet heeft het college de bevoegdheid om de bijstandsnormen te verlagen in verband met de woonsituatie en schoolverlating. Deze beleidsregels geven aan op welke manier het college gebruik maakt van deze bevoegdheden.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 2
Deze beleidsregels met betrekking tot het verlagen van de bijstandsnorm zijn niet van toepassing op belanghebbenden tot 21 jaar. De normen voor 18,19,20 jarige zijn al dusdanig laag omdat de ouders nog onderhoudsplichtig zijn. Het toepassen van een verlaging zal er snel toe leiden dat de jongere niet meer in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. In individuele gevallen kan het college de aanvullende jongerennorm van de 18,19 en 20 jarigen hoger of lager vaststellen met toepassing van artikel 20 lid 3 en artikel 18 lid 1 van de wet. De hoogte van de bijstand voor 18, 19, 20 jarige mag in alle gevallen niet hoger zijn dan de bijstandsnorm die geldt voor een 21-jarige of ouder in een vergelijkbare situatie.
Artikel 3
Naast het kunnen delen van de algemene bestaanskosten met een ander, zoals wordt geregeld in artikel 22a van de wet, kunnen er aanzienlijk lagere algemene kosten van het bestaan zijn als gevolg van het ontbreken van bepaalde woonkosten. Dit is opgenomen in artikel 27 van de wet. Bij de algemene bijstandsverlening dient met deze lagere kosten van het bestaan rekening te worden gehouden.
Lid 1
In dit lid wordt bepaald dat de norm met 20% wordt verlaagd indien belanghebbende een woning bewoont waaraan geen woonkosten verbonden zijn als bedoeld in art. 1 van deze beleidsregels. Van lagere kosten van het bestaan als gevolg van lagere woonkosten kan sprake zijn:
- -
in het geval van krakers;
- -
indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonkosten van de woning betaalt.
Het college kan de algemene bijstand in sommige gevallen lager vaststellen, als bij toepassing van artikel 27 of artikel 33 lid 1 van de wet rekening wordt gehouden met de situatie waarin iemand anders dan de belanghebbende de woonkosten betaalt. Dit gebeurt op basis van het individualiseringsbeginsel uit artikel 18 lid 1 van de wet.
Lid 2
In dit lid is bepaald dat de norm met 20% wordt verlaagd indien belanghebbende geen woning aanhoudt. Deze bepaling maakt het mogelijk om de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen omdat zij lagere kosten van het bestaan hebben.
Artikel 4
Om de verlaging voor schoolverlaters te kunnen toepassen, moet de belanghebbende recht hebben gehad op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 (WSF 2000) of op een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Van belang is dat belanghebbende daadwerkelijk recht heeft gehad op studiefinanciering en niet dat het volgen van de soort opleiding daar in theorie recht op geeft. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de toelichting op artikel 28 van de wet. Daarnaast is het van belang dat belanghebbende zijn recht op de studiefinanciering ontleent aan de WSF 2000 of de WTOS, hiervoor is inschrijving als student vereist.
De bijstandsnorm voor schoolverlaters wordt elke maand verlaagd met het verschil tussen de van toepassing zijnde algemene bijstandsnorm en het van toepassing zijnde bedrag voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 33, tweede lid van de wet bij aanvang van de bijstandsverlening. De reden voor de verlaging is dat de schoolverlater tijdens zijn studieperiode zijn bestedingen heeft afgestemd op het beperkte inkomen en zijn noodzakelijke bestaanskosten niet onmiddellijk toe zullen nemen op het moment dat de studie wordt beëindigd en de schoolverlater bijstand ontvangt. De verlaging wordt toegepast gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop belanghebbende zich uitgeschreven heeft van het onderwijs of de beroepsopleiding.
Artikel 5
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 6
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl