Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 02-06-2026 met terugwerkende kracht vanaf 01-05-2026

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026

De raad van de gemeente Beuningen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van datum;

gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

gelet op het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gelet op de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende dat:

  • inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

  • van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

  • inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

  • het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

  • het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van maatschappelijke ondersteuning;

  • het wenselijk is de regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning zoveel mogelijk af te stemmen met de verordening jeugdhulp;

Gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Beuningen

B E S L U I T om de volgende verordening vast te stellen:

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 mei 2026

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze verordening inclusief bijlagen worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna Wmo), het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht

  • 2. In deze verordening komen de volgende begrippen voor:

  • a. Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die in opdracht van het college een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening levert;

  • b. Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning;

  • c. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken en die financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau;

  • d. Bovengebruikelijke hulp: de extra zorg en hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt;

  • e. Budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de wet maatschappelijke ondersteuning;

  • f. Budgetplan: plan waarin de budgethouder of zijn wettelijk vertegenwoordiger beschrijft hoe hij de ondersteuning gaat inkopen en op welke wijze de kwaliteit gewaarborgd wordt;

  • g. Cliënt: persoon als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 van de Wmo 2015 of de inwoner die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan;

  • h. College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen;

  • i. Eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en de personen die tot zijn sociale netwerk behoren, om de benodigde hulp en ondersteuning te bieden bij fysieke, psychische problemen en stoornissen;

  • j. Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van inwonende ouders, kinderen, echtgenoten en andere huisgenoten rekening houdend met hun mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen;

  • k. Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;

  • l. Ingezetene: inwoner of belanghebbende die op basis van de basisregistratie (BRP) woonachtig is in de gemeente Beuningen;

  • m. Informele ondersteuning: ondersteuning door het eigen netwerk van een cliënt op basis van een persoonsgebonden budget;

  • n. Maatschappelijke ondersteuning: geven van informatie, advies en/of ondersteuning door maatschappelijke partners en verstrekken van voorzieningen;

  • o. Maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt afgestemde maatschappelijke ondersteuning;

  • p. Mantelzorg: bovengebruikelijke hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • q. Melding: het kenbaar maken van de hulpvraag door of namens een persoon;

  • r. Onderzoeksverslag: schriftelijke weergave van het onderzoek en een advies aan het college over de hulpvraag;

  • s. Overtreding: een gedraging in met de wet, onderliggende regelgeving of overeenkomsten ter uitvoering van de wet. Bij overeenkomsten kan ook worden gesproken van een tekortkoming;

  • t. Persoonlijk plan: een document waarin cliënt of diens gemachtigde beschrijft welke problemen cliënt ervaart en welke oplossingen, zorg en ondersteuning daarbij passen;

  • u. Persoonsgebonden budget (pgb): bedrag waaruit betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een cliënt van derden geleverd krijgt;

  • v. Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB): het samenwerkingsverband van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen voor de contractering en het contractbeheer namens deze gemeenten op het gebied van Wmo en jeugdhulp;

  • w. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie heeft;

  • x. Toezichthouder: de toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 Wmo 2015 en artikel 30 van deze verordening, belast met het houden van toezicht op de naleving van de eisen genoemd in de Wmo 2015 op het gebied van rechtmatigheid;

  • y. Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening, al dan niet op grond van een andere wet, waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven;

  • z. Wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • aa. Zorg in Natura: de hulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die een contract hebben met de gemeente.

HOOFDSTUK 2. ALGEMENE VOORZIENINGEN

Artikel 2. Beschikbare algemene voorzieningen

  • 1. Een algemene voorziening is een (collectief) aanbod van diensten of activiteiten dat voor iedereen in de gemeente toegankelijk is zonder voorafgaand persoonlijk onderzoek.

  • 2. De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Maaltijdservice

    • b.

      Boodschappendienst

    • c.

      Activiteiten/ontmoeting in dorpshuizen (georganiseerd door Perspectief)

    • d.

      Kortdurende ondersteuning

    • e.

      Buurtsportcoach

    • f.

      Welzijnswerk (o.a. steunpunt mantelzorg, bewust wonen, ouderenadviseur)

    • g.

      Buurtvervoer

  • 3. Het college kan in nadere regels vaststellen welke algemene voorzieningen concreet op basis van lid 1 beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden.  

HOOFSTUK 3. MAATWERKVOORZIENINGEN

Paragraaf 1. Maatwerkvoorzieningen

Artikel 3. Beschikbare maatwerkvoorzieningen

  • 1. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar:

  • a. Praktische begeleiding

  • b. Begeleiding

  • c. Begeleiding in een groep

  • d. Begeleiding Plus

  • e. Begeleiding Plus in een groep

  • f. Casemanagement

  • g. Dagbesteding volwassenen

  • h. Dagbesteding Op Weg Naar Werk

  • i. Kortdurend Verblijf volwassenen

  • j. Vervoer naar Dagbesteding en Kortdurend Verblijf volwassenen

  • k. Huishoudelijke Hulp

  • 2. De in lid 1 genoemde maatwerkvoorzieningen zijn nader beschreven in de bouwstenen en tarieven op: https://robregionijmegen.nl/producten-tarieven/

  • 3. Het college kan in nadere regels vaststellen welke maatwerkvoorzieningen concreet op basis van het eerste lid beschikbaar zijn en toelichten wat deze inhouden.

Paragraaf 2. Toegang tot een maatwerkvoorziening

Artikel 4. Melding hulpvraag

  • 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2. Na de melding voert het college zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding, een onderzoek uit zoals omschreven in de artikelen 5, 6 en 7 van deze verordening. De cliënt, zijn vertegenwoordiger of mantelzorger worden hierbij betrokken.

  • 3. In spoedeisende gevallen verstrekt het college na de melding in afwachting van de uitkomst van het onderzoek een tijdelijke maatwerkvoorziening.

  • 4. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. Voor de inhoud van een beschikking wordt verwezen naar artikel 13.

Artikel 5. Cliëntondersteuning

  • 1. Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2. Het college wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 6. Vooronderzoek

  • 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek relevante en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2. De cliënt deelt vóór het gesprek alle informatie met het college die volgens het college nodig is voor het onderzoek. Dit is de informatie waar de cliënt volgens het college in redelijkheid over beschikt of kan beschikken.

  • 3. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding schriftelijk de hulpvraag te beschrijven in een persoonlijk plan en aan te geven welke mogelijke oplossingen volgens hem nodig zijn. De cliënt beschrijft hierbij wat hij daar zelf of eventueel met behulp van zijn sociale netwerk in kan betekenen.

Artikel 7. Onderzoek

  • 1. Naar aanleiding van de melding voert het college een onderzoek uit. Op verzoek toont de cliënt een document waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld, zoals een paspoort of rijbewijs. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij sprake is van de situatie bedoeld als in lid 7. Het college legt de cliënt de gang van zaken uit bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 2. Het gesprek vindt zo spoedig mogelijk plaats met de cliënt, diens vertegenwoordiger en/of mantelzorger. In het gesprek wordt voor zover nodig onderzocht:

  • a. de behoefte, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

  • b. het gewenste resultaat;

  • c. hoe de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag kan vinden;

  • d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

  • e. de mogelijkheden om met mantelzorg, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

  • f. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of andere partijen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, een oplossing voor de hulpvraag te vinden en een mogelijke maatwerkvoorziening hierop af te stemmen;

  • g. de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden.

  • 4. Het college informeert de cliënt welke |(eigen) bijdrage in de kosten de cliënt, volgens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a Wmo 2015, voor de maatschappelijke ondersteuning verschuldigd zal zijn.

  • 5. Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een persoonsgebonden budget aan te vragen en geeft uitleg over wat de regels, gevolgen en verantwoordelijkheden zijn van een persoonsgebonden budget, als bedoeld in hoofdstuk 4.

  • 6. Als de cliënt een persoonlijk plan bij het college heeft ingediend, dan wordt dit plan bij het onderzoek betrokken.

  • 7. Om tot een besluit te komen kan het college indien nodig een sociaal medisch, ergonomisch of bouwkundig advies opvragen bij een onafhankelijke gecertificeerde deskundige, instantie of organisatie.

  • 8. Als de cliënt en zijn situatie voldoende bekend zijn, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 8. Onderzoeksverslag

  • 1. Het college zorgt voor een schriftelijk verslag van het onderzoek en de uitkomsten daarvan.

  • 2. Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt worden aan het schriftelijk verslag toegevoegd.

  • 3. Het verslag maakt onderdeel uit van de beschikking.

Paragraaf 3. Beoordeling aanvraag en nemen van een besluit

Artikel 9. Aanvraag

  • 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of zijn wettelijk vertegenwoordiger kunnen een aanvraag om een maatwerkvoorziening mondeling, maar bij voorkeur schriftelijk of digitaal indienen bij het college.

  • 2. Het college kan een ondertekend verslag als bedoeld in artikel 8 lid 1 als aanvraag aanmerken als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

  • 3. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan alleen worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond, tenzij het onderzoek niet is afgerond binnen de gestelde termijn zoals vermeld in artikel 4 lid 2.

  • 4. Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag om een maatwerkvoorziening geeft het college een beschikking af.

Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:

  • a. eigen kracht;

  • b. gebruikelijke hulp en/of;

  • c. mantelzorg en/of;

  • d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;

  • e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

  • f. algemene voorzieningen en/of;

  • g. andere voorzieningen.

  • 3. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen, maar ook een cliënt die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de cliënt de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:

  • a. eigen kracht en/of;

  • b. gebruikelijke hulp en/of;

  • c. mantelzorg en/of;

  • d. hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of;

  • e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

  • f. algemene voorzieningen en/of;

  • g. andere voorzieningen.

  • 4. Het college bepaalt in het onderzoek samen met de cliënt wat het beoogde resultaat is van de maatwerkvoorziening, hoe dit resultaat dient te worden bereikt en hoe de voortgang wordt geëvalueerd. De cliënt deelt deze informatie met de (pgb) aanbieder. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 7 bedoelde onderzoek:

  • a. een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven wonen, of

  • b. een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen, of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 5. Voor de maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie, op grond van de Wmo 2015, geldt bovendien dat:

  • a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs onvermijdbaar moet zijn geweest;

  • b. deze voorziening langdurig noodzakelijk dient te zijn;

  • c. het college de goedkoopst compenserende voorziening verstrekt;

  • d. in het geval de voorziening voorzienbaar was, vast komt te staan dat van de cliënt redelijkerwijs niet kon worden verwacht, dat de cliënt maatregelen had getroffen die de hulpvraag overbodig maakten; en

  • e. bij een vervoersvoorziening houdt het college alleen rekening met de verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving van de cliënt en neemt het daarbij een gemiddelde vervoersbehoefte van 1.500 kilometer per jaar als uitgangspunt.

  • 6. Als een maatwerkvoorziening nodig is om een eerder door het college gegeven maatwerkvoorziening te vervangen, gebeurt dat alleen als de eerdere voorziening technisch is afgeschreven,

  • a. tenzij de eerdere voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

  • b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de kosten voor vervanging, of

  • c. als de eerdere voorziening niet langer voldoet aan de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 7. Het college verstrekt de voorzieningen maatschappelijke opvang en beschermd wonen volgens het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Nijmegen, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Nijmegen.

Artikel 11. Afwijzingsgronden

  • 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

  • a. als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

  • b. als de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen of in zijn/haar ondersteuningsbehoefte kan voorzien;

  • c. als de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan verminderen of wegnemen, of in zijn/haar ondersteuningsbehoefte kan voorzien;

  • d. als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

  • e. als de cliënt voor het verkrijgen van passende ondersteuning aanspraak kan maken op een door of ten behoeve van de client afgesloten aanvullende verzekering;

  • f. als cliënt voor de Wmo 2015 geen ingezetene is van de gemeente Beuningen;

  • g. als niet aannemelijk is dat inzet van de voorziening in voldoende mate zal bijdragen aan een oplossing voor de hulpvraag;

  • h. als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij achteraf kan worden vastgesteld dat er sprake was van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen en voorzover de kosten zijn gemaakt tot drie maanden vóór de melding;

  • i. als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend (inclusief plan van aanpak en budget) of de acute noodzaak, passendheid en gemaakte kosten achteraf nog kan worden vastgesteld;

  • j. als de cliënt die maatschappelijke ondersteuning vraagt geen of onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft getoond in het voorkomen of oplossen van de hulpvraag;

  • k. voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie;

  • l. voor zover de voorziening naar objectieve maatstaven niet als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

  • m. als de voorziening niet genoeg op de client als persoon is gericht;

  • n. ten behoeve van het gebruik van de woning die niet het hoofdverblijf van de cliënt betreft;

  • o. als cliënt de beperking heeft weggenomen door voorafgaand aan de melding zelf een oplossing gerealiseerd te hebben;

  • p. als de technische afschrijftermijn van een eerdere voorziening nog niet is verstreken;

  • q. bij het ontbreken en niet kunnen realiseren van een adequate stallingsmogelijkheid voor een hulpmiddel;

  • r. als deze niet langdurig noodzakelijk is.

    • 1.

      Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

  • a. wanneer de ervaren beperkingen bij normaal gebruik van de woning komen door de in de woning gebruikte materialen;

  • b. als de client zijn hoofdverblijf niet heeft of zal hebben in de woning waarin de voorziening wordt getroffen;

  • c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;

  • d. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, behalve automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van de gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

  • e. wanneer het een voorziening betreft die aangebracht moet worden in een gebouw expliciet gericht op mensen met een beperking of ouderen;

  • f. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;

  • g. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is gegeven door het college;

  • h. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;

    • 1.

      De toegang tot maatschappelijke opvang en beschermd wonen kan geweigerd worden wanneer:

  • a. een cliënt zich niet houdt aan de huisregels of zich ernstig misdraagt;

  • b. een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt;

  • c. een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject;

  • d. sprake is van een indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is;

  • e. de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt;

  • f. in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie.

Artikel 11a. Wonen en zorg

  • Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door de organisatie dan wel de derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie. Verblijf is onderdeel van de indicatie bij de maatwerkvoorzieningen Beschermd Wonen intramuraal en trainingshuis.

Artikel 12. Het besluit

  • 1. Het college legt de beslissing over het toekennen of afwijzen van een maatwerkvoorziening vast in een beschikking.

  • 2. In spoedeisende gevallen verstrekt het college na de melding zo snel mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

  • 3. Het college neemt een beslissing op basis van de feiten en omstandigheden die volgen uit het onderzoek naar de ondersteuningsvraag.

Artikel 13. Inhoud en geldigheidsduur beschikking

  • 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat in ieder geval:

  • a. of de voorziening in natura, als financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt;

  • b. hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

  • a. welke voorziening is toegekend;

  • b. wie de zorgaanbieder is;

  • c. de aard, de omvang en de duur van de in te zetten ondersteuning is en vanaf wanneer de beschikking geldig is;

  • d. de eventuele te betalen eigen bijdrage.

  • 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval naast de in lid 1 en 2 genoemde zaken vastgelegd:

    • a.

      de hoogte van het persoonsgebonden budget en hoe deze is berekend.

    • b.

      dat de kwaliteitseisen voor een persoonsgebonden budget te vinden zijn in bijlage 1 van de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026.

  • 4. Het onderzoeksverslag maakt deel uit van de beschikking en bevat in ieder geval de gestelde doelen en wat het beoogde resultaat van die doelen moeten zijn. 5. Het college kan periodiek onderzoeken of er een reden is een besluit te heroverwegen.

Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1. De cliënt aan wie het college een individuele voorziening heeft verstrekt, is verplicht zo snel mogelijk het college te informeren over veranderingen in zijn of haar situatie die tot een heroverweging van het besluit kunnen leiden.

  • 2. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als :

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en en het college met de juiste of volledige gegevens een andere beslissing had genomen;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet meer passend is;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget;

    • e.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt; of

    • f.

      de cliënt zich niet heeft gehouden aan de voorschriften uit de bruikleenovereenkomst die hoort bij de voorziening;

    • g.

      bij overlijden van de client wordt de voorziening direct beëindigd. Bij overlijden van de pgb-houder wordt het persoonsgebonden budget beëindigd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand van overlijden.

  • 3. Als een cliënt een persoonsgebonden budget of maatwerkvoorziening had, waar hij geen recht op bleek te hebben, kan het college de (waarde van de) voorziening terugvorderen van de cliënt. Dit kan alleen als de client begreep of had moeten begrijpen dat hij de voorziening ten onrechte kreeg. Bij een persoonsgebonden budget kan in plaats van terugvordering verrekend worden met nog te verstrekken persoonsgebonden budget.

Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget (Pgb)

  • Een maatwerkvoorziening kan in de vorm van een persoonsgebonden budget worden verstrekt. In dit hoofdstuk wordt beschreven welke regels gelden voor een persoonsgebonden budget en hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt bepaald. De client die een persoonsgebonden ontvangt, noemen we dan budgethouder.

Artikel 15. Toekenningscriteria voor persoonsgebonden budget

  • 1. Pas als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een persoonsgebonden budget, toetst het college aan de hand van het in lid 2 genoemde budgetplan en een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 3.5 Wmo 2015 of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 lid 2 Wmo 2015 opgenomen voorwaarden.

  • 2. In het budgetplan staat in elk geval:

    • a.

      de motivatie waarom de cliënt de maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst te krijgen;

    • b.

      bij welke aanbieder de cliënt de ondersteuning wil inkopen, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      hoe de kwaliteit van de maatwerkvoorziening is gewaarborgd;

    • d.

      wat de kosten voor de maatwerkvoorziening zijn uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • e.

      wie het persoonsgebonden budget beheert en hoe deze taken worden uitgevoerd

    • f.

      voor zover het beschermd wonen betreft: een uiteenzetting van de kosten voor begeleiding, inclusief aanvullende specialistische begeleiding en dagbesteding;

  • 3. Het college toetst of de budgethouder of zijn vertegenwoordiger voldoende vaardig zijn om het persoonsgebonden budget te beheren als bedoeld in lid 2 sub e aan de hand van het overzicht van 10 pgb-vaardigheden dat de Rijksoverheid heeft opgesteld.

  • 4. Het college stelt verschillende formats voor budgetplannen beschikbaar.

  • 5. Voor eenmalige pgb’s zoals hulpmiddelen, woningaanpassingen of eenmalige vervoersvoorzieningen geldt geen budgetplan, maar dient de cliënt een offerte te overleggen.

  • 6. Een toekenning van een persoonsgebonden budget voor een zaak kan door het college worden ingetrokken als de cliënt het budget niet binnen zes maanden na toekenning heeft aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

  • 7. Het persoonsgebonden budget bevat geen vrij besteedbaar bedrag.

  • 8. Het persoonsgebonden budget mag niet gebruikt worden voor:

    • a.

      kosten voor bemiddeling;

    • b.

      kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • c.

      kosten voor het voeren van een persoonsgebonden budget-administratie;

    • d.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een persoonsgebonden budget;

    • e.

      kosten voor een feestdagenuitkering en/of een eenmalige uitkering;

    • f.

      reiskosten.

  • 9. Het college kan de sociale verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de client het persoonsgebonden budget in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

  • 10. Het persoonsgebonden budget kan worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering van een hulpmiddel voor zover onderhoud en verzekering door het college wordt verlangd en het geen onderdeel is van het persoonsgebonden budget.

Artikel 16. Weigeringsgronden persoonsgebonden budget

  • 1. Verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als:

    • a.

      op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek (artikel 12 lid 3) duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget;

    • b.

      er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden;

    • c.

      er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende bezwaren bestaan tegen de verstrekking;

    • d.

      wanneer de beoogde persoonsgebonden budget-vertegenwoordiger dezelfde persoon is als de beoogde hulpverlener, tenzij het college daar schriftelijke toestemming voor heeft gegeven.

    • e.

      er sprake is van opvang. Bij opvang kan er geen sprake zijn van een stabiele situatie, waardoor het persoonsgebonden budget niet wenselijk is.

  • 2. Het college weigert een persoonsgebonden budget als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.3.6 lid 5 van de wet van toepassing is.

  • 3. Indien de met het eenmalig persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening na het verstrijken van de economische levensduur nog adequaat, kwalitatief verantwoord en compenserend is, dan wordt geen nieuw persoonsgebonden budget verstrekt. Een persoonsgebonden budget voor instandhoudingskosten kan dan wel worden verstrekt. Onder instandhoudingskosten wordt verstaan: de noodzakelijke kosten om de voorziening in stand te houden, in het bijzonder de kosten van onderhoud en reparatie en, voor zover van toepassing, de verzekeringskosten.

Artikel 17. Hoogte persoonsgebonden budget

  • 1. De hoogte van een persoonsgebonden budget is nooit hoger dan de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura.

  • 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget:

    • a.

      is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden of een offerte;

    • b.

      is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg/ondersteuning in te kopen;

    • c.

      wordt afgestemd op de verschillende vormen van ondersteuning en de verschillende typen hulpverleners;

    • d.

      voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt;

    • e.

      voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, ziekte, verzekeringen en reiskosten;

    • f.

      voor beschermd wonen omvat mede het schoonmaken van appartement of kamer en gemeenschappelijke ruimten;

    • g.

      is een all-in tarief.

  • 3. Indien het persoonsgebonden budget is gebaseerd op een bedrag per uur, dagdeel of etmaal, wordt er een onderscheid gemaakt tussen twee soorten tarieven afhankelijk van het type dienstverlener:

    • a.

      Voor een pgb-aanbieder geldt het professionele tarief;

    • b.

      Voor hulp geboden door een persoon uit de familie in de eerste of tweede graad of het sociale netwerk van de cliënt (informele ondersteuning) geldt het informele tarief, ook als deze persoon een professional is.

  • 4. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor formele ondersteuning is gebaseerd op het door de cliënt opgestelde budgetplan of offerte. Hierbij geldt dat:

    • a.

      Het professionele tarief voor hulp bij het huishouden gelijk is aan 90% van het tarief zoals door het college is afgesproken met de gecontracteerde aanbieders;

    • b.

      Het professionele tarief voor begeleiding en verzorging, beschermd thuis en trainingshuis gelijk is aan 85% van het tarief zoals door het college is afgesproken met de gecontracteerde aanbieders;

    • c.

      Het professionele tarief voor locatie gebonden ondersteuning, zoals dagbesteding en logeeropvang gelijk ik aan 90% van het tarief zoals door het college is afgesproken met de gecontracteerde aanbieders;

    • d.

      Het professionele tarief voor beschermd wonen intramuraal licht, middel en zwaar gelijk is aan respectievelijk 55%, 62% en 66% van het tarief zoals door het college is afgesproken met gecontracteerde aanbieders;

    • e.

      Het professionele tarief voor vervoer gelijk is aan het tarief zoals door het college afgesproken is met gecontracteerde aanbieders;

    • f.

      Het informele tarief voor Wmo voorzieningen is gebaseerd op het wettelijk minimumloon vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen dan wordt het budget verhoogd met hoogste percentage werkgeverslasten.

  • 5. De zorg in natura tarieven worden gepubliceerd op de website van het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB).

  • 6. Bijlage 2 van deze verordening bevat een lijst waar zichtbaar wordt voor welke producten persoonsgebonden formeel dan wel informeel in te zetten.

  • 7. Het college past de tarieven jaarlijks per 1 januari aan:

    • a.

      de tarieven bedoeld in lid 3 volgen de indexaties op de tarieven gepubliceerd op de in lid 4 genoemde website;

    • b.

      de tarieven bedoeld in lid 3 onder f volgt het wettelijk minimumloon zoals dat jaarlijks per 1 januari wordt vastgesteld.

    • c.

      de hoogte van de formele en informele persoonsgebondenbudget-tarieven staan in het ‘Financieel besluit gemeente Beuningen'.

Artikel 18. Onderscheid formele en informele hulp

  • 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen:

  • a. personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de cliënt het persoonsgebonden budget krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren;

  • b. personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de cliënt het persoonsgebonden budget krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden; of

  • c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie)

  • 2. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c gaat het altijd om informele hulp.

  • 3. Als de maatschappelijke ondersteuning geboden wordt door een persoon uit het sociaal netwerk van de budgethouder is altijd sprake van informele hulp.

Artikel 19. Regels voor persoonsgebonden budget formele hulp (professionals)

  • 1. Dit artikel heeft betrekking op de zorgaanbieder die met een persoonsgebonden budget wordt gefinancierd en een eventuele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht. Onder de in dit lid genoemde zorgaanbieder en onderaannemer worden ook verstaan:

    • a.

      Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of

    • b.

      Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het persoonsgebonden budget uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 2. In het budgetplan spreken budgethouder en college af binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het budgetplan is aangegeven.

  • 3. Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het hulpverleningsplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het persoonsgebonden budget en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals beschreven in bijlage 1. Ook bij maandbedragen moet de persoonsgebonden budgethouder en de betrokken zorgverlener de geleverde zorg (kunnen) verantwoorden in uren en/of dagdelen.

  • De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt.

  • De zorgaanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals vastgelegd in bijlage1 en het programma van eisen ten aanzien van het betreffende product. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college, bijvoorbeeld in een aanbestedingstraject, en het college van oordeel is dat de zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitscriteria, worden gedurende 1 jaar (vanaf moment van constatering van niet voldoen) geen persoonsgebonden budgetten toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.

  • Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een persoonsgebonden budget.

Artikel 20. Regels voor persoonsgebonden budget informele hulp (sociaal netwerk)

  • 1. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc.

  • 2. De cliënt die in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt.

  • 3. Als vanuit een persoonsgebonden budget ondersteuning wordt gefinancierd van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het vastgestelde tarief voor professionals.

  • 4. Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een persoonsgebonden budget betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol:

  • a. het type hulp dat wordt geleverd;

  • b. de frequentie van deze hulp;

  • c. een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode;

  • d. de mate van verplichting;

  • e. kwaliteit van de ondersteuning zit in de nabijheid van ondersteuner;

  • f. als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben;

  • g. de persoon uit het netwerk moet aangeven/ aangegeven hebben dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt;

  • h. de cliënt dient een persoonsgebonden budgetplan op te stellen met daarin de doelen, activiteiten en evaluatiemomenten. In het persoonsgebonden budgetplan worden de activiteiten aan de doelen verbonden en inzichtelijk gemaakt wie binnen het huishouden wat in die activiteiten kan doen, of het sociaal netwerk, school, algemene voorziening en voor welke activiteiten een maatwerkvoorziening nodig is. Deze activiteiten kunnen vervolgens in uren per week worden uitgedrukt. Deze activiteiten en doelen zijn dan ook de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder.

  • 5. Aanvullend op lid 4 wordt een persoonsgebonden budget voor hulp uit het sociale netwerk alleen verstrekt wanneer:

  • a.

    de persoon uit het sociaal netwerk aantoonbare deskundigheid/bekwaamheid heeft voor de te bieden hulp;

  • b.

    de persoon uit het sociaal netwerk inkomstenderving lijdt omdat diegene minder is gaan werken om (meer) mantelzorg te kunnen blijven bieden.

  • 6. Indien de hulp geboden wordt door een persoon die voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 19 lid 1 en die persoon eveneens tot het sociale netwerk behoort, zoals bedoeld in lid 1, krijgt die persoon een lager tarief betaald, zoals bedoeld in lid 3.

  • 7. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 21. Regels voor persoonsgebonden budget-beheer

  • 1. Pgb-beheer is het regie voeren over de ingekochte ondersteuning. De cliënt doet het pgb-beheer in beginsel zelf. Als de cliënt het persoonsgebonden budget-beheer niet zelf kan voeren, kan dat gedaan worden met de hulp van iemand uit het sociaal netwerk of een professional. Voor beschermd wonen geldt dat er altijd sprake moet zijn van persoonsgebonden-beheer door een ander dan de budgethouder.

  • 2. Het persoonsgebonden-beheer kan plaatsvinden door iemand die tot het sociaal netwerk behoort of door een professional. Een professional budgetbeheerder levert zijn diensten tegen marktconform tarief. Het college kan vragen om een bewijs van betaling. De persoonsgebonden budgetbeheerder kan de cliënt ondersteunen in het persoonsgebonden budget-beheer, maar kan niet volledig in de plaats treden van de cliënt tenzij de persoonsgebonden budgetbeheerder familie in de eerste graad of tweede graad is. Indien een cliënt een mentor, bewindvoerder of curator heeft, dan kan deze het persoonsgebonden budget beheren. Als de cliënt onvoldoende in staat is tot regievoering, zal het college niet overgaan tot het toekennen van een persoonsgebonden budget, tenzij de persoonsgebonden budgetbeheerder familie in de eerste graad of tweede graad is.

  • 3. De persoonsgebonden budgetbeheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van zijn cliënt.

  • 4. De persoonsgebonden budgetbeheerder stelt het belang van de cliënt centraal. Van belangenverstrengeling mag geen sprake zijn. De persoonsgebonden budgetbeheerder is in ieder geval niet tevens de zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatie- adviseur of op andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon, met uitzondering van situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen.

  • 5. De persoonsgebonden budgetbeheerder van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is integraal aanspreekpunt voor zowel de gemeente als de zorgaanbieder.

  • 6. De persoonsgebonden budgetbeheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de cliënt en zorgverlener.

  • 7.De persoonsgebonden budgetbeheerder dient aan te geven dat het beheren van het persoonsgebonden budget voor hem of haar niet tot overbelasting leidt.

  • 8. De budgethouder dient de pgb administratie 7 jaar te bewaren.

Hoofdstuk 5 Bijdrage in de kosten

Dit hoofdstuk gaat over de verplichte eigen bijdrage voor een algemene of maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Ook worden eventuele tegemoetkomingen in kosten van de inwoner behandeld.

Artikel 22. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen

  • 1. Een cliënt betaalt in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, als de aanbieder die bijdrage vraagt.

  • 2. Een cliënt betaalt in het kader van de Wmo 2015 een eigen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget wordt verstrekt, tenzij er sprake is van:

  • a. dagbesteding

  • b. dagbesteding Op Weg Naar Werk

  • c. rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning)

  • d. woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n);

  • e. maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt anders dan een woningaanpassing;

  • f. zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is;

  • g. éénmalige tegemoetkoming meerkosten;

  • h. bij overlijden van de cliënt;

  • i. kindvoorzieningen

  • 2. Bij een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt wordt de bijdrage in de kosten betaald door:

  • a. de onderhoudsplichtige ouders, en

  • b. degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige.

  • De bijdrage hoeft niet betaald te worden als de ouders geen gezag meer hebben over de minderjarige.

  • 3. Voor bepaalde groepen personen kan op de bijdrage voor een algemene voorziening een korting gelden.

Artikel 23. Berekening en hoogte bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen

  • 1.De cliënt is, met inachtneming van artikel 2.1.4 en artikel 2.1.5 van de Wmo 2015 en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening Wmo, zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor en persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.De hoogte van de eigen bijdrage is gelijk aan het abonnementstarief per maand voor eenpersoonshuishoudens of meerpersoonshuishoudens, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 3.De bijdrage in de kosten is nooit hoger dan de maximale bijdrage die op grond van de wet mag worden gevraagd en nooit hoger dan de kostprijs van de voorziening. De kostprijs van een voorziening is gelijk aan de goedkoopst passende voorziening. Dit geldt ook voor een persoonsgebonden budget.

  • 4.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald:

  • a. door een aanbesteding;

  • b. na een consultatie in de markt, of

  • c. in overleg met de aanbieder.

  • De kostprijs is gelijk aan de waarde van de investering die de gemeente betaalt om de voorziening te kunnen realiseren. Voor een voorziening die het college huurt van een leverancier geldt de huurprijs als kostprijs. Onderhouds-en servicekosten die aan de leverancier van een voorziening worden betaald, maken onderdeel uit van de kostprijs van de voorziening.

  • 5.De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het aan een cliënt uitgekeerde bedrag.

  • 6.In de financiële bijlage bij deze verordening wordt de omvang van de bijdrage in de kosten bepaald met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 7.Het college kan de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang mandateren aan de aanbieder die de opvang verzorgt.

  • 8.In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet geldt voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in de vorm van vraagafhankelijk vervoer via Avan een bijdrage per rit, waarbij deze bijdrage is opgebouwd uit een bedrag per kilometer en een opstaptarief. De hoogte van het bedrag per kilometer en het opstaptarief is gelijk aan de tarieven zoals het bestuur van de Bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer Regio Arnhem-Nijmegen (BVO DRAN) deze vaststelt voor het vraagafhankelijk vervoer.

  • 9.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vaststelling van de bijdrage in de kosten.

Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.Het college stelt jaarlijks een blijk van waardering beschikbaar voor mantelzorgers die aangemeld zijn bij het Steunpunt Mantelzorg van Stichting Perspectief.

  • 2.Het college kan de in lid 1 bedoelde blijk van waardering jaarlijks laten variëren. Niet limitatief kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een waardebon of verwenpakket.

  • 3.Per mantelzorger is één jaarlijkse blijk van waardering zoals bedoeld in lid 1 beschikbaar.

  • 4.Het Steunpunt Mantelzorg biedt gedurende het gehele jaar individuele en collectieve mogelijkheden ter ondersteuning van mantelzorgers.

Artikel 25. Financiële tegemoetkoming voor personen met een beperking of chronische problemen

  • 1.Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie.

  • 2.De financiële tegemoetkoming is van toepassing op:

  • a. de kosten voor verhuizen en herinrichting.

  • b. de kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en de cliënt geen gebruik kan maken van het collectief vervoer.

  • c. een tegemoetkoming voor een sportrolstoel of een sportvoorziening.

  • 3.De financiële tegemoetkoming is een forfaitair bedrag en hoeft niet volledig kostendekkend te zijn.

  • 4.Het abonnementstarief is niet van toepassing op de financiële tegemoetkoming.

  • 5.Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.

Hoofdstuk 6. Kwaliteitseisen

Artikel 26. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1. De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt.

  • 2. De zorgaanbieder dient zelfregie en samenredzaamheid te stimuleren door eenduidig handelen, zelfregie, sociale netwerkstrategieën en inzet van deskundig personeel.

  • 3. De zorgaanbieder dient bij te dragen aan een inclusieve samenleving.

  • 4. Zorgaanbieders dienen invulling te geven aan diversiteitsbeleid en cultuursensitief werken.

  • 5. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundige beroepskrachten door voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt en andere vormen van zorg af te stemmen en toe te zien dat het personeel tijdens het leveren van voorzieningen handelen volgens de professionele standaard.

  • 6. Het college kan verdere kwaliteitseisen aan voorzieningen bepalen.

  • 7. Het college controleert naleving van de kwaliteitseisen door middel van handhavingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast houdt het college een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Indien nodig controleert het college met de client ter plaatse de geleverde voorzieningen.

  • 8. Voor het inschakelen van een onderaannemer dient een aanbieder het college om toestemming te vragen. De oorspronkelijke aanbieder is verantwoordelijk voor de (gedeeltelijke) uitvoering door de onderaannemer. Het college kan hierover nadere regels opstellen.

Artikel 27. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1. Wanneer calamiteiten of geweld bij het verstrekken van een voorziening door de aanbieder plaatsvinden, dan moet de client hierover melding doen. Het college treft hiervoor een regeling.

  • 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1. Het college zorgt voor een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van voorzieningen. Dit doet het college door een redelijk tarief te bepalen bij de inkoop.

  • 2. Het redelijk tarief wordt bepaald door markt- en/of tarievenonderzoek of in overleg met de mogelijke aanbieder(s).

  • 3. Bij de inkoop van een voorziening stelt het college, voor zover relevant, vast:

    • a.

      het tarief van de dienst per minuut, uur, dagdeel, etmaal, groep of locatie;

    • b.

      het tarief voor de beschikbaarheid van de dienstplanning;

    • c.

      een methode voor het bepalen van het tarief dienstverlening of groep;

    • d.

      de methode om het tarief periodiek te indexeren;

    • e.

      de mogelijkheden om een reëel tarief te herzien voor een actuele opdracht vanwege een ontwikkeling in kostprijselementen;

    • f.

      de mogelijkheden om het tarief voor een aanbieder te verlagen wanneer hij niet voldoet aan de contractuele eisen.

  • 4. Bij het vaststellen van het tarief voor het leveren van een voorziening houdt het college ieder geval rekening met de kosten verbonden aan:

    • a.

      kosten voor materialen;

    • b.

      kosten voor productieve uren van het benodigde personeel;

    • c.

      kosten voor niet-productieve uren van het personeel vanwege verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

    • d.

      redelijke overheadkosten;

    • e.

      kosten voor indexering.

  • 5. Het college spreekt met aanbieders af dat het verlenen van voorzieningen alleen uitbesteed mag worden aan een onderaannemer als zij die onderaannemer een reële prijs betalen.

  • 6. In afwijking van lid 4, wordt het tarief voor woningaanpassingen vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in een aan het college overlegde offerte, voor zover deze voldoet aan de eisen bepaald in het onderzoek.

  • 7. Het college kan nadere regels opstellen voor de invulling van dit artikel en de wijze waarop deze worden gewogen.

  • 8. Het college kan de reële prijs buiten beschouwing laten. Dit kan alleen wanneer bij de inschrijving op de aanbesteding een prijs voor de dienst te vragen die gebaseerd is op het bepaalde in lid 2 en 3 van dit artikel. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 29. Klachtregeling en medezeggenschap

  • 1. Het college zorgt voor een klachtregeling. In deze regeling wordt opgenomen hoe klachten van cliënten over behandeltijd, informatie, communicatie en bejegening bij het aanvragen van voorzieningen afgehandeld worden.

  • 2. Aanbieders van voorzieningen zorgen voor een klachtregeling. In deze regeling wordt opgenomen hoe klachten van cliënten afgehandeld worden.

  • 3. Aanbieders van voorzieningen zorgen voor de mogelijkheden tot medezeggenschap door cliënten Deze medezeggenschap richt zich op voorgenomen besluiten van de aanbieder die van belang kunnen zijn voor cliënten.

  • 4. Het college controleert de naleving van de klachtregelingen en de mogelijkheid tot medezeggenschap door middel van handhavingsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden uitgewerkt in hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarnaast houdt het college periodieke gesprekken met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Hoofdstuk 7 Controle, toezicht en handhaving

Paragraaf 7.1 Reikwijdte

Artikel 30. Controle en onderzoek

  • 1.Dit hoofdstuk gaat over controle, toezicht en handhaving op de ondersteuning die op grond van de wet, nadere regelgeving, afgesloten overeenkomsten of subsidiebesluiten plaatsvindt of zou moeten plaatsvinden. Deze ondersteuning kan een maatwerkvoorziening zijn of een pgb.

  • 2.Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt voor of besteed aan het doel waarvoor ze zijn verstrekt. Het college kan hierover nadere regels opstellen.

  • 3.Het college ziet toe op de naleving van de Wmo 2015 (op het gebied van kwaliteit en rechtmatigheid) en Jeugdwet (op het gebied van rechtmatigheid). Ook let het college op de naleving van de op basis van de wet opgestelde overeenkomsten of subsidiebesluiten. Hiervoor wijst het college toezichthouders aan.

Paragraaf 7.2 Onderzoeksfase

Artikel 31. Toezicht

  • 1. De toezichthouder onderzoekt of de dienstverlening van de aanbieder redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden volgens de regels in de wet. In het onderzoek komt de werkwijze, kwaliteit en rechtmatigheid van de ondersteuning aan bod.

  • 2. Een onderzoek kan steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd) plaatsvinden.

  • 3. Als uitgangspunt geldt dat een onderzoek aangekondigd plaatsvindt, tenzij de belangen van het onderzoek zich daartegen verzetten.

  • 4. De volgende typen onderzoek kunnen worden ingezet:

  • a. kwaliteitscontrole: een onderzoek of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is;

  • b. materiële controle: een onderzoek of de door de aanbieder gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze prestatie past bij de indicatie;

  • c. formele controle: een onderzoek of het door de aanbieder gedeclareerde bedrag voortvloeit uit een prestatie die voldoet aan de wet, overeenkomst of het subsidiebesluit;

  • d. detailcontrole: onderzoek naar bij een aanbieder berustende persoonsgegevens van cliënten. Met de uitkomsten van die onderzoek kan een materiële controle of fraudeonderzoek uitgevoerd worden;

  • e. fraudeonderzoek: onderzoek waarbij nagegaan wordt of fraude in de vorm van valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering gepleegd is of wordt. Met de fraude wordt een betaling of een ander voordeel verkregen waarop iemand geen recht heeft of kan hebben. Fraude kan gepleegd worden door de (pgb-)aanbieder en de pgb-budgethouder.

  • 5. De typen onderzoek uit lid 4 van dit artikel worden proportioneel ingezet. Om dit te borgen stelt het college een controleplan op. Daarin wordt een escalatieladder opgenomen.

Artikel 32. Bevel

  • 1.Als de toezichthouder oordeelt dat een situatie zo ernstig is dat het nemen van maatregelen niet kan wachten, kan de toezichthouder namens het college een schriftelijk bevel met maatregelen sturen aan een aanbieder. Wanneer dit om een pgb-aanbieder gaat, stelt de toezichthouder de budgethouder zo snel mogelijk op de hoogte van het bevel.

  • 2.Als volgens de toezichthouder een schriftelijk bevel niet kan worden afgewacht, kan zij het bevel mondeling geven. Daarna stelt de toezichthouder zo snel mogelijk het schriftelijk bevel op.

  • 3.De toezichthouder stuurt een kopie van het bevel naar het college.

  • 4.Het bevel van de toezichthouder geldt voor maximaal 7 dagen. Daarna kan het college het bevel verlengen.

  • 5.De aanbieder neemt de maatregelen uit het bevel binnen de gestelde termijn. Wanneer de maatregelen volledig zijn uitgevoerd, meldt de aanbieder zich bij de toezichthouder. Bij een pgb-aanbieder doet de budgethouder dit.

Artikel 33. Inspectierapport

  • 1.De toezichthouder stelt naar aanleiding van zijn onderzoek een inspectierapport op. In het inspectierapport neemt hij zijn bevindingen en oordeel op.

  • 2.Als de toezichthouder oordeelt dat de regels uit de wet niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het inspectierapport.

  • 3.De toezichthouder stuurt de aanbieder het conceptrapport. De aanbieder kan binnen 14 dagen op feitelijke onjuistheden in dat conceptrapport reageren. De toezichthouder vermeldt de reactie van de aanbieder in een bijlage of past het rapport hierop aan.

  • 4.De toezichthouder stuurt het definitieve inspectierapport aan de aanbieder en het college. Het college zorgt voor verzending naar eventuele budgethouders.

  • 5.De toezichthouder maakt het inspectierapport openbaar, tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten.

Paragraaf 7.3 Herstelfase

Artikel 34. Aanwijzing

  • 1.Als blijkt dat niet wordt voldaan aan een of meer eisen uit de wet, onderliggende regels of de overeenkomst, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op het eindigen van de tekortkoming(en) en het voorkomen van herhaling.

  • 2.Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de ernst en omvang van de tekortkoming zich daartegen verzet. Bij fraude kan het college vanwege het doelbewust onrechtmatig handelen direct sancties opleggen, de overeenkomst ontbinden en het subsidiebesluit intrekken.

  • 3.In de aanwijzing uit lid 2 van dit artikel geeft het college onderbouwd aan:

  • a. welke eisen niet of onvoldoende worden nageleefd;

  • b. de in verband daarmee te nemen maatregelen;

  • c. de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen.

  • 4.Het college kan tijdens het hersteltraject andere maatregelen zoals een cliëntenstop en of verscherpt toezicht instellen. Dit neemt het college op in de schriftelijke aanwijzing. Andere maatregelen worden alleen ingesteld als de situatie daar aanleiding toe geeft.

  • 5.Het college kan besluiten onderdelen van het hersteltraject over te slaan of te herhalen. Dit kan alleen wanneer de tekortkoming hiertoe aanleiding geeft.

Artikel 35. Hersteltermijn

  • 1.De hersteltermijn duurt als uitgangspunt 12 weken.

  • 2.Het college kan een andere hersteltermijn bepalen in verband met veiligheidsrisico’s of als het herstellen van de tekortkoming binnen een termijn van 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 36. Cliëntenstop en verscherpt toezicht

  • 1.Tijdens het hersteltraject of bij een gegrond vermoeden van fraude, kan het college besluiten dat:

  • a. geen nieuwe cliënten aan de aanbieder worden toegewezen;

  • b. geen nieuwe pgb worden toegekend waar de pgb-aanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden;

  • c. geen nieuwe indicaties of verlengingen van indicaties aan de aanbieder worden toegewezen, geen pgb worden toegekend waar de pgb-aanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb-aanbieder partij is niet geaccordeerd zal worden;

  • d. De aanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst. Bij een persoonsgebonden budget ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder.

  • 2.De aanbieder of de budgethouder wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

  • 3.Tijdens het verscherpt toezicht houdt de aanbieder of de budgethouder de toezichthouder met een rapportage periodiek op de hoogte over de verbeteringen.

Artikel 37. Vervolgonderzoeksrapport

  • 1.Na de hersteltermijn uit artikel 35 van deze verordening toetst de toezichthouder de aanbieder opnieuw.

  • 2.De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Dit gaat op dezelfde wijze zoals beschreven in artikel 28 van deze verordening.

Paragraaf 7.4 Handhavingsfase

Artikel 38. Handhavingsmaatregelen

  • 1.Naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder kan het college herstelsancties opleggen. Deze sancties zijn:

  • a. (opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven;

  • b. een last onder bestuursdwang opleggen;

  • c. een last onder dwangsom opleggen.

  • 2. Het college kan daarnaast:

  • a. de aanbieder verbieden de levering van de voorziening voort te zetten wanneer hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt;

  • b. de toekenning van het pgb aan de budgethouder intrekken, waarbij recht op ondersteuning in natura of van een andere pgb-aanbieder niet aangetast wordt.

Artikel 39. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling

  • 1.Naast sancties op grond van deze verordening kunnen privaatrechtelijke maatregelen genomen worden. Dit kan alleen op grond van contractuele afspraken tussen het college en de aanbieder.

  • 2.Een privaatrechtelijke maatregel is ingebrekestelling. Wanneer een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten over te gaan op schriftelijke ingebrekestelling.

  • 3.Na de hersteltermijn uit de ingebrekestelling, kan het college de overeenkomst ontbinden. Dit kan alleen wanneer de contractuele afspraken na die termijn nog niet (volledig) zijn nagekomen.

  • 4.Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken de betaling van het pgb geheel of gedeeltelijk te beëindigen, weigeren of uit te stellen.

  • 5.De maatregelen die het college neemt staan in redelijke verhouding tot de vorm of ernst van de overtreding of melding.

Paragraaf 7.6 Overige bepalingen

Artikel 40. Register

  • 1.Het college publiceert een actueel register met gecontracteerde aanbieders.

  • 2.Een cliëntenstop bij de aanbieder wordt in het register vermeld.

Artikel 41. Meldingsplicht

  • 1.Een aanbieder of budgethouder is verplicht zo snel mogelijk bij het college te melden dat niet langer aan de eisen uit de wet of de overeenkomst voldaan kan worden.

  • 2.Na deze melding treedt het college in overleg met de aanbieder of budgethouder. In het overleg wordt besproken op welke manier en binnen welke termijn aan de eisen uit de wet of de overeenkomst kan worden voldaan.

Artikel 42. Betrekken van inwoners bij het beleid

  • 1. Het college betrekt inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid over maatschappelijke ondersteuning. Ook raadpleegt het college cliënten of hun vertegenwoordigers. Het college stelt hen vroegtijdig in de gelegenheid om voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen en/of advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN

Artikel 43. Evaluatie

  • Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd.

Artikel 44. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 wordt ingetrokken.

  • 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening (2026).

  • 4. Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit genomen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, wordt beslist volgens deze Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026.

Artikel 45. Nadere regels en hardheidsclausule

  • 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2. Het college kan nadere regels en beleidsregels stellen over de uitvoering van deze verordening.

  • 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 46. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 wordt ingetrokken.

  • 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van eerdere Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026.

  • 4. Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit genomen op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025, wordt beslist volgens deze Verordening jeugdhulp gemeente Beuningen 2026.

Artikel 47. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 mei 2026.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026.

  • 3.Bij deze verordening horen de volgende bijlagen:

  • 1. Toelichting

  • 2. Kwaliteitseisen persoonsgebonden budget

  • Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad gehouden op 12 mei 2026

Algemeen

  • Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt deel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met de Wmo al was ingezet. Bekeken wordt wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop de cliënt in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

  • Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld.

  • Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

  • Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

  • De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter alleen mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.

  • De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4b, tweede lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:

  • a.

    Op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;

  • b.

    Op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld;

  • c.

    Welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is;

  • d.

    Ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is;

  • e.

    Op welke wijze ingezetenen, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

  • f.

    Op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en

  • g.

    Op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers in de gemeente.

  • Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:

  • Voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;

  • Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

  • Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste, tweede en zesde lid, 2.1.4a eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015:

  • Bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, bijdrage verschuldigd zullen zijn;

  • De hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot; bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;

  • Bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;

  • Bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht;

  • Bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

  • Artikelsgewijze toelichting

  • Niet iedere bepaling behoeft toelichting. Daarom volgt alleen een toelichting bij de artikelen waar dat nodig is. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • Artikel 1. Begripsbepalingen

  • c: algemeen gebruikelijke voorziening:

  • Het college onderzoekt of een voorziening algemeen gebruikelijk is voor een cliënt. Hierbij staat de vraag of de cliënt ook over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken zonder beperkingen. Bij dat onderzoek spelen de volgende criteria een rol spelen:

  • Is de voorziening gewoon te koop?

  • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten?

  • Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?

  • Is de voorziening financieel draagbaar voor iemand met een inkomen op minimumniveau? Deze voorwaarde dient zo te worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten.

  • j. gebruikelijke hulp:

  • Gebruikelijke hulp is gedefinieerd in de Wmo 2015. Het idee achter het begrip is dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als de bewuste ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost.

  • k. hulpvraag:

  • De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk.

  • l. ingezetene:

  • De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet per se van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, ter verkrijging van een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit jurisprudentie bij de (oude) Wmo (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 Wmo) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving de Basisregistratie personen (BRP) een belangrijke aanwijzing is, maar niet doorslaggevend.

  • De definitie maakt duidelijk dat het begrip ingezetene hier wordt gebruikt in relatie tot maatschappelijke ondersteuning.

  • n. maatschappelijke ondersteuning:

  • Een hulpvraag van een inwoner kan betrekking hebben op verschillende levensdomeinen, maar ook op de vorm van ondersteuning. Informatie en advies geven vallen daar ook onder. Maar ook de inzet van sociale basis, informele ondersteuning of maatschappelijk werk vallen onder maatschappelijke ondersteuning. Het inzetten van een maatwerkvoorziening wordt ingezet als laatste optie.

  • q. melding:

  • Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.

    Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb): een besluit dat niet

  • t. persoonlijk plan

  • Een cliënt kan in een persoonlijk plan - al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk - de ondersteuningsvraag nader beschrijven en aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van inwoners versterken.

  • Artikel 2. Beschikbare algemene voorzieningen

  • In lid 2 worden beschikbare algemene voorzieningen in Beuningen opgesomd. Echter het is goed om te vermelden dat algemene voorzieningen zich blijven ontwikkelen en dat het dus geen limitatieve lijst is.

  • Artikel 3. Beschikbare maatwerkvoorzieningen

  • De maatwerkvoorzieningen worden regionaal ingekocht. Het Regionaal Ondersteuningsbureau (ROB) voert het contractmanagement uit namens de gemeenten.

  • Artikel 4. Melding hulpvraag

  • In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 staat dat het college de melding naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning onderzoekt.

  • De melding is vormvrij en kan schriftelijk, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In de gemeente Beuningen kan de melding worden gedaan bij het Sociaal Team Beuningen. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkenen de melding doen.

  • In het tweede lid is de verplichte schriftelijke ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – elektronisch. Als de melding mondeling of telefonisch is gedaan, kan een soortgelijke bevestiging ook worden afgesproken.

  • Registratie en ontvangstbevestiging van de melding is ook in het kader van de gestelde termijn van het onderzoek na een melding van belang (maximaal zes weken, art. 2.3.2 eerste lid Wmo 2015).

  • In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 een uitzondering opgenomen voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

  • Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de belanghebbende (Wmo).

  • Artikel 5. Cliëntondersteuning

  • Het betreft onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Voor meer informatie: www.beuningen.nl/ondersteuning-voor-clienten.

  • Artikel 6. Vooronderzoek

  • Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient als voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Indien van toepassing is een goede afstemming mogelijk met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen.

  • In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015 de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen.

  • Artikel 7. Onderzoek

  • Dit artikel is een uitwerking van verplichtingen in de wet waarmee we een zorgvuldige procedure waarborgen. In de verordening wordt gesproken over het gesprek en het onderzoek. Het onderzoek is een term uit de wet.

  • Het gesprek wordt waar mogelijk ook gehouden meet de mantelzorger(s) of de vertegenwoordiger van de cliënt. Het gesprek vindt indien mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Ter plekke toont de cliënt een document waarmee zijn identiteit wordt vastgesteld. Vooral bij gevraagde woningaanpassingen kan de thuissituatie zo goed beoordeeld worden en kan worden bepaald welke oplossingen of aanpassingen nodig zijn.

  • Het gewenste resultaat wordt specifiek besproken tijdens het gesprek. Daaraan kan namelijk later worden beoordeeld of een voorziening passend geweest is.

  • Het gesprek hoeft niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de cliënt al bekend is bij het college en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.

  • In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de Wmo 2015 verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek.

  • Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In het zesde lid is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt.

  • Artikel 8. Onderzoeksverslag

  • Voor het doen van zorgvuldig onderzoek en goede dossiervorming is het nodig dat een verslag wordt opgesteld. De verplichting tot het opstellen van een verslag volgt ook uit de wet. In de wet is bepaald dat het college de cliënt de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. Het verslag vormt de basis voor de aanvraag. Bij eenvoudige onderzoeken kan het verslag kort zijn.

  • Artikel 9. Aanvraag

  • In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen 2 weken na ontvangst van de aanvraag een besluit neemt.

  • Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening

  • In dit artikel is het algemene afwegingskader dat centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

  • Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.

  • In het zesde lid wordt ingegaan op de situatie waar een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening. Deze bepaling ziet op materiële Wmo-voorzieningen.

  • In het vijfde lid onder e: De te verstrekken maatwerkvoorziening voor vervoer is voldoende passend als deze de cliënt in staat stelt tot lokale verplaatsingen. Het college hoeft dus geen rekening te houden met een bovenregionale vervoersbehoefte. Op basis van jurisprudentie kan het college in principe volstaan met een voorziening of een combinatie van voorzieningen, waarmee de client 1500 kilometer per jaar kan reizen. De afbakening gaat over verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving van de cliënt bij gebruik van een vervoersvoorziening (collectief vraagafhankelijk vervoer). Het betreft een straal van 25 kilometer rond de woning van de cliënt. Vanaf 25 kilometer spreekt men van bovenregionaal vervoer en kan men Valys aanvragen (www.valys.nl). In het zevende lid wordt verwezen naar de verordening en beleid van centrumgemeente Nijmegen als het gaat om maatwerkvoorzieningen Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang.

  • Artikel 11. Afwijzingsgronden

  • In jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er met succes een beroep op worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben.

  • Ook in het kader van rechtszekerheid is dit van belang. Bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a, van de Wmo 2015.

  • Het eerste lid onder a: Het is van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.

  • Het eerste lid onder b: dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in artikel 2.3.5 lid 3 en 4 van de Wmo 2015 en in deze verordening centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

  • Het eerste lid onder c: een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek aanspraak bestaat op een andere voorziening, hoeft, geen maatwerkvoorziening te worden verstrekt.

  • Het eerste lid onder d: het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze cliënt daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.

  • Het eerste lid onder h: hier wordt de situatie bedoeld dat de cliënt na de melding en voor de beschikking een maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd of aangekocht. Het college kan de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.

  • Het eerste lid onder j: binnen de gekantelde aanpak wordt een sterker beroep gedaan op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van een belanghebbende. Cliënt wordt wat betreft de bevordering van zelfredzaamheid en participatie geacht eerst eigen oplossingen en oplossingen vanuit zijn netwerk in te zetten. Eventuele ondersteuning vanuit de gemeente vormt slechts het sluitstuk. Bij het compenseren van beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt in zijn maatschappelijke participatie wordt dus rekening gehouden met de keuzes die de cliënt maakt in het leven, waarbij verwacht mag worden dat een ondersteuningsvrager geschikte keuzes maakt rekening houdend met de beperkingen die horen bij de individuele omstandigheden van de cliënt. Onder ‘geschikte keuzes’ wordt verstaan dat cliënt keuzes maakt die de zelfredzaamheid en participatie bevorderen en niet doen afnemen.

  • Het eerste lid onder l: een van de gronden is dat het college de goedkoopst passende voorziening verstrekt. Dit geeft het college de mogelijkheid te sturen in beleid. Een duurdere voorziening die niet persé passender is, wordt in principe niet vergoed. Bruikbaarheid, technische en functionele aspecten en kwaliteitsaspecten wegen mee in het bepalen of iets het goedkoopst passende is. Als de cliënt bereid is het prijsverschil te betalen, is het uiteraard mogelijk een duurdere dan de goedkoopst passende voorziening te verstrekken.

  • Het eerste lid onder h: het college kan een maatwerkvoorziening weigeren als de cliënt voorafgaand aan de melding een oplossing heeft gerealiseerd waarmee de beperking is opgeheven en daarmee de noodzaak tot compensatie is vervallen. Het gaat hier om situaties waarin de cliënt zelf een oplossing voor een probleem heeft gevonden en pas daarna een melding doet bij het college. Dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Daarnaast bewijst de cliënt dat hij zelf in staat is het een oplossing te realiseren voor zijn beperking in kader van zelfredzaamheid.

  • Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake is van een acute noodsituatie, waardoor de client niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente.

  • Eerste lid onder r: Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan om twee maanden gaan, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook om veertig jaar gaan, bijvoorbeeld bij iemand met een aangeboren beperking. Kenmerkend in beide situaties is dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurend noodzaak uitgaan. Bij wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffend voorziening. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten.

  • Het tweede lid onder a; Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de wettelijke eisen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder weg te laten nemen. Een uitzondering is ook als er gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt geen zicht is op opheffing van de gebreken binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek.

  • Het tweede lid onder b: Het college treft alleen een voorziening in of aan een woning waar de persoon zijn vaste woon-en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als een cliënt over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast.

  • Het tweede lid onder c: op basis van deze bepaling hoeft het college geen woningen aan te passen aan de beperkingen van een tijdelijk verblijvende bewoner. Hierbij kan gedacht worden aan het verblijf in hotels of pensions. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar compensatieplicht. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing, zoals een verhuiskostenvergoeding.

  • Tweede lid onder d: Het college verstrekt geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de in deze bepaling genoemde voorzieningen. Dit is een verbijzondering van de bepaling in lid één onderdeel dat de voorziening niet overwegend op het individu gericht is. Omdat de gemeente wel verplicht is om de beperkingen van de cliënt te compenseren, kan er in de situaties waarin een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte wordt geweigerd, wel een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt.

  • Tweede lid onder f: Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen. Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen.

  • Tweede lid onder g: Als een cliënt verhuist, moet hij zoeken naar een zo geschikt mogelijk huis. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met ‘verhuizen’ wordt hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare handelingen die hier normaal gesproken aan voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor de toepassing van deze weigeringsgrond is het belangrijk dat de gemeente zicht heeft op de aangepaste en eenvoudig aan te passen woningvoorraad. Daarnaast moet de gemeente inwoners goed informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Er is sprake van een omkering van de bewijslast indien cliënt verhuist vanuit een andere gemeente en zich niet vooraf tot het college heeft gewend om alternatieven te bespreken of om toestemming te vragen. Onder deze omstandigheden is het aan de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen geschikte woning beschikbaar was.

  • Tweede lid onder h: Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.

  • Het derde lid onder a: hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld vertonen van geweld en agressief gedrag.

  • Het derde lid onder d: hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ernstige verslaving of acute psychische problematiek, waarvoor behandeling met opname in een instelling of kliniek noodzakelijk is.

  • Artikel 11a. Wonen en zorg

  • Gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten worden niet geaccepteerd. De gemeente of de cliënt moet de aanbieder kunnen aanspreken op de geleverde ondersteuning. Dit kan niet wanneer vrees bestaat voor het verlies van huisvesting van de cliënt. Daarnaast moet de client vrij kunnen wisselen van aanbieder. Dit geldt ook voor het mogelijk wijzigen van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Wanneer de ondersteuning en huisvesting samenvallen, vertroebelt het toezicht op kwaliteit van ondersteuning. Dit bemoeilijkt eventuele handhaving. De aanbieder heeft dan dubbele financiële belangen, wat volgens de wet als oneigenlijk gebruik van de voorziening moet worden aangemerkt. Het belang van de cliënt staat altijd voorop. In dit artikel zijn twee uitzonderingsgronden opgenomen. Voor wat betreft de tweede uitzondering gaat het om projecten waarin het college samenwerkt met woningcorporaties, zoals Housing First en de Werkgroep Bijzondere Bemiddeling.

  • Artikel 12 Het besluit

  • Lid 1 en 2: Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Een maatwerkvoorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek dat na de melding heeft plaatsgevonden, de door de cliënt ingediende aanvraag en de van toepassing zijnde criteria voor de maatwerkvoorziening.

  • Artikel 13. Inhoud en geldigheidsduur beschikking

  • De cliënt moet op basis van de beschikking die bij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat wat er in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. In de beschikking wordt het beoogde resultaat opgenomen. Het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’en niet ‘een scootmobiel’. In de beschikking kan voor wat betreft het resultaat en de relevante voorliggende voorzieningen verwezen worden naar het onderzoeksverslag. In de beschikking wordt opgenomen of een eigen bijdrage verschuldigd is (geen bedrag).

  • Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • Volgens de wet moeten in de verordening regels opgenomen worden die gaan over het onterecht ontvangen van een voorziening of persoonsgebonden budget. Hieronder valt ook misbruik of oneigenlijk gebruik van een voorziening of een persoonsgebonden budget.

  • Artikel 15. Toekenningscriteria voor persoonsgebonden budget

  • Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een persoonsgebonden budget verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, is het college hier zelf toe verplicht. Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een persoonsgebonden budget, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan opstellen. In lid 2 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

  • In lid 3 wordt pgb vaardigheidstoets als voorwaarde benoemd om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budgetInfographic met toelichting - Checken 10 punten pgb-vaardigheid | Publicatie | Rijksoverheid.nl

  • In lid 8 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het persoonsgebonden budget gefinancierd mogen worden. Het persoonsgebonden budget is enkel bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het persoonsgebonden budget bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar bedrag (lid 7)

  • Lid 9: op basis van dit lid is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het persoonsgebonden budget tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kant tijdelijk worden stopgezet.

  • Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.

  • Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura, omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.

  • Artikel 16. Weigeringsgronden persoonsgebonden budget

  • Lid 1e is bepaald dat een persoonsgebonden budget niet verleend wordt bij maatschappelijke opvang. Dit is vanwege de lage zelfredzaamheid van de doelgroep voor maatschappelijke opvang.

  • Artikel 17. Hoogte persoonsgebonden budget

  • In de verordening moet in ieder geval worden bepaald hoe de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (artikel 2.1.3 lid 2b van de wet) In de Memorie van toelichting is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura (kamerstukken II2013/14,33841,nr.3,blz.39). Gemeenten hebben de daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het persoonsgebonden budget. Dat het persoonsgebonden budget geweigerd kan worden, betekent niet dat het persoonsgebonden budget altijd of volledig geweigerd wordt of moet worden. De cliënt kan bijvoorbeeld zelf bijbetalen wanneer de kosten van zijn gewenste aanbieder hoger zijn dan het tarief. De maximale hoogte van een persoonsgebonden budget is in de verordening begrensd op de kostprijs van de goedkoopst passende ingekochte maatwerkvoorziening door het college.

  • De professionele tarieven zijn afgeleid van de tarieven van gecontracteerde aanbieders. Persoonsgebonden budget aanbieders moeten aan minder eisen voldoen dan gecontracteerde aanbieders. Hierbij valt te denken aan werken met berichtenverkeer, deelname aan aanbestedingsprocedures, contractmanagement- en netwerkgesprekken en het door een accountant laten controleren van de financiële productieverantwoording.

  • Het tarief voor informele zorg is in deze verordening gelijkgesteld aan het minimumloon plus werkgeverslasten. De landelijke indexatie voor het minimumloon wordt gevolgd. In sommige gevallen hebben inwoners arbeidscontracten met een hoger informeel tarief. Deze is volgens de tarieven van de vorige verordening vastgesteld. Het college verlaagt deze tarieven niet; deze tarieven worden echter ook niet geïndexeerd tótdat zij door de tijd heen weer gelijklopen met het wettelijk minimumloon plus werkgeverslasten.

  • Ook heeft de persoonsgebonden budget-beheerder verantwoordelijkheden die, bij sommige gecontracteerde inzet, gedeeltelijk door de aanbieder moeten worden uitgevoerd (bijv. afspraken maken met andere organisaties over de aansluiting van hulp). Voor beschermd wonen intramuraal geldt bovendien dat de huisvestingskosten, die bij gecontracteerd aanbod worden vergoed vanuit het tarief, in persoonsgebonden budget géén onderdeel zijn van het tarief. Huur mag namelijk niet betaald worden vanuit een persoonsgebonden budget. Bovengenoemde verschillen hebben effect op de overhead en productiviteit en daarmee ook het persoonsgebonden budget-tarief. Dit effect kent enige variatie, omdat het aandeel van de overhead en productiviteit in de tarieven van maatwerkvoorzieningen ook verschilt.

  • Artikel 18. Onderscheid formele en informele hulp

  • Formele ondersteuning is hulp die wordt geleverd door professionele, getrainde en betaalde zorgverleners of instellingen, zoals verpleegkundigen, verzorgenden of een verpleeghuis. Het staat tegenover informele ondersteuning, die door familie, vrienden of buren wordt gegeven. Formele zorg is onderdeel van het officiële zorgsysteem en voldoet aan professionele standaarden.

  • Artikel 19. Regels voor persoonsgebonden budgetbeheer

  • In de praktijk komt het regelmatig voor dat cliënten ondersteuning hebben bij het beheren van het persoonsgebonden budget. Deze ondersteuning mag niet betaald wordt uit het persoonsgebonden budget. In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar persoonsgebonden budget-beheer aan moet voldoen. Bovendien is verduidelijkt dat pgb-beheer de cliënt kan ondersteunen, maar niet in de plaats van de cliënt treedt. Dit blijkt uit de woorden "met hulp uit…" in artikel 2.3.6 lid 2 sub a van de Wet. Als de cliënt in het geheel geen regie kan voeren, is het persoonsgebonden budget niet de aangewezen verstrekkingsvorm.

    De combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is daarnaast, gezien de belangenverstrengeling, onwenselijk en niet toegestaan.

  • Voor familieleden in de eerste en tweede graad geldt een uitzondering. Dit neemt niet weg dat het college wel beoordeelt hoe de verhouding is tussen de cliënt en de pgb-beheerder en de mate van afhankelijkheid van cliënt ten opzichte van de pgb-beheerder. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare cliënten, bijvoorbeeld ouderen.

  • Artikel 20. Regels voor persoonsgebonden budget formele hulp (professional)

  • Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via de persoonsgebonden budget-constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Het college moet op de hoogte zijn van deze kwaliteit. Om die reden worden in de verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een persoonsgebonden budget wordt ingeschakeld.

  • Term professional is niet gelijk aan beroeps-en of bedrijfsmatige dienstverlening. Het hebben van een bepaalde expertise (of professionaliteit) maakt op zichzelf niet dat er sprake is van een beroeps-of bedrijfsmatige dienstverlening. Uit de rechtspraak volgt dat iemand uit het sociaal netwerk geen professioneel of bedrijfsmatig tarief hoeft te ontvangen, ook niet als deze beschikt over relevante diploma's of werkervaring. De term professional gaat over de deskundigheid (professionaliteit). De deskundigheid speelt een rol bij de beoordeling of voor de benodigde ondersteuning een specifieke deskundigheid vereist is. Beschikt een zorgverlener niet over de benodigde deskundigheid dan kan vanuit het persoonsgebonden budget de betreffende zorgverlener niet worden ingehuurd. Dus ook niet vanuit het informele tarief. Ook kan een zorgverlener vanuit de 1e of 2e graad bijvoorbeeld geweigerd worden als deze te veel een afhankelijkheidsrelatie in stand houdt of onvoldoende objectieve afstand bewaart tot de budgethouder. Ook dan spreek je van onvoldoende deskundigheid of professionaliteit.

  • Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de cliënt komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria zoals bijvoorbeeld genoemd in lid 5 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende persoonsgebonden budget-tarief.

  • De eis in het vierde lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan “één huishouden, één plan” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake.

  • Artikel 21. Regels voor persoonsgebonden budget informele hulp (sociaal netwerk)

  • Dit artikel ziet specifiek op de situatie waar hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Dit kunnen ook mantelzorgers zijn. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De cliënt legt een schriftelijk document over waarin het voorgaande gemotiveerd wordt.

  • Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. In geval ook hiervoor een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd, is voor gemeenten van belang dat slechts een persoonsgebonden budget wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

  • Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een persoonsgebonden budget gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een persoonsgebonden budget.

  • In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het persoonsgebonden budget gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt.

  • Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een persoonsgebonden budget. Het blijft altijd maatwerk.

  • De wet schrijft in artikel 2.3.6 lid 2 sub c voor dat diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. In de beoordeling of een persoonsgebonden budget voor sociaal netwerk ‘veilig, doeltreffend en cliëntgericht’ verstrekt en besteed kan worden, betrekt het college onder meer de verhouding van de cliënt tot de zorgverlener en de mate van afhankelijkheid van cliënt ten opzichte van de zorgverlener. Dit is bedoeld om zowel voorafgaand aan de verstrekking als op een later moment te (kunnen) onderzoeken of het persoonsgebonden budget veilig, doeltreffend en cliëntgericht gebruikt wordt, ook als cliënt en zorgverlener een sociale relatie onderhouden. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare cliënten, bijvoorbeeld ouderen.

  • Artikel 22. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen

  • Lid 1. De aanbieder van een algemene voorziening kan voor het gebruik van de voorziening (behalve cliëntondersteuning) een bijdrage in de kosten van de gebruiker vragen.

  • Lid 2. Het college vraagt een bijdrage in de kosten aan de cliënt, zolang hij gebruik maakt van de maatwerkvoorziening (zin of pgb). De uitzonderingen worden hier benoemd.

  • Lid 3. Aan jeugdigen tot 18 jaar kan uitsluitend een bijdrage in de kosten worden opgelegd voor een woningaanpassing.

  • Artikel 23. Berekening en hoogte bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen

  • De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning in natura en in de vorm van een persoonsgebonden budget alsmede voor algemene voorzieningen. In de financiële bijlage wordt een aantal maatwerkvoorzieningen genoemd die uitgesloten zijn van een bijdrage in de kosten.

  • In het tweede lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen.

  • In het zevende lid is gevolg gegeven aan artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015 waar is bepaald dat in de verordening wordt bepaald welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb voor opvang vaststelt en int.

  • Het achtste lid bepaalt dat de bijdrage die voor het collectief vervoer gevraagd wordt, niet onder het abonnementstarief valt. Daar geldt een ander tarief, namelijk een opstarttarief en een bijdrage per kilometer. Deze tarieven worden vastgesteld door het bestuur van de BVO DRAN en de BVO DRAN sluit hierbij aan bij de tarieven zoals die gelden voor het reguliere busvervoer zonder korting.

  • Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders

  • Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

  • Artikel 25. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

  • Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

  • Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee meer eigen regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming.

  • Op grond van het tweede lid kan het college bij besluit bepalen in welke gevallen een tegemoetkoming wordt verstrekt en wat de hoogte daarvan is. Door het vastleggen bij besluit is voor de cliënt op voorhand duidelijk op welke tegemoetkoming hij recht heeft.

  • Artikel 26. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van Wmo voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

  • In het vijfde lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.

  • Het in het zevende lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015.

  • Artikel 27. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

  • In aanvulling op het bovenstaande regelt het derde lid dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vijfde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

  • Artikel 28. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • De wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten over de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en kwaliteit van een voorziening. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs, bevat dit artikel een aantal andere aspecten waar het college rekening mee dient te houden. Daarbij moet voor diensten zoals begeleiding rekening gehouden worden met de deskundigheid van het personeel. Het uitgangspunt is dat aanbieders kundig personeel inzetten met arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste

  • De tekst komt overeen met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Om bij de inkoop enige flexibiliteit te houden, is niet te gedetailleerd uiteengezet welke kostencomponenten een rol moeten spelen. Reizen, opleidingen en administratieve verplichtingen (waaronder rapporteren) vallen onder de noemer overhead.

  • Artikel 29. Klachtregeling en medezeggenschap

  • Dit artikel borgt dat de aanbieders een regeling hebben voor de afwikkeling van klachten en een regeling voor medezeggenschap. Het college ziet hierop toe.

  • Artikel 30. Controle en onderzoek

  • Op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015 dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet. De grondslag om toezichthouders aan te wijzen op grond van de Wmo 2015, vloeit voort uit artikel 6.1 van die wet.

  • Artikel 31. Toezicht

  • In dit artikel worden allerlei verschillende typen onderzoek uiteengezet. Ook dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen.

  • Artikel 32. Bevel

  • Het bevel is een zwaar middel dat niet lichtzinnig moet worden ingezet. De door de toezichthouder aangetroffen situatie is dermate ernstig dat het treffen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Bij zorg in natura zal het bevel zich richten tot de zorgaanbieder. Bij pgb-gefinancierde zorg zal het bevel zich richten tot de budgethouder, omdat we als gemeente daar de juridische relatie mee hebben. De budgethouder zal de aanbieder moeten aansporen om de noodzakelijke veranderingen onverwijld door te voeren.

  • Artikel 33. Inspectierapport

  • De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie.

    In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit.

  • In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen.

  • Artikel 34. Aanwijzing

  • De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen.

  • Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft.

  • Artikel 35. Hersteltermijn

  • De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de aanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze aanbieder en de veiligheid van cliënten.

  • Artikel 36. Cliëntenstop en verscherpt toezicht

  • Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen.

  • In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd.

  • Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren.

  • Artikel 37. Vervolgonderzoeksrapport

  • Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de aanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken.

  • Artikel 38. Handhavingsmaatregelen

  • Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. Het artikel vormt de wettelijke bestuursrechtelijke basis om bijvoorbeeld een last onder dwangsom op te leggen.

  • Artikel 39. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling

  • De maatregelen van artikel 33 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de aanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Het is mogelijk zowel bestuursrechtelijke als contractuele maatregelen te nemen.

  • De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid.

  • Artikel 40. Register

  • Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde aanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van het ROB zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.

  • Artikel 41. Meldingsplicht

  • Bij toezicht hebben we te maken met schaarse capaciteit. Dit betekent dat in 2015 de keuze is gemaakt om signaalgestuurd te gaan werken. Signalen kunnen afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-)werknemers en ook de aanbieder zelf. Als een aanbieder ziet aankomen dat hij niet langer aan de afspraken met de gemeente kan voldoen, is het primair zijn verplichting om dit proactief bij het college te melden. Op die manier kunnen partijen vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om passende afspraken te maken.

  • Artikel 42. Betrekken van inwoners bij het beleid

  • Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015.

  • In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

  • Artikel 43. Evaluatie

  • Artikel 44. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen en aanmeldingen die nog bij het college en de andere organisatie in behandeling zijn op grond van de nieuwe verordening beoordeeld zullen worden.

  • Artikel 45. Nadere regels en hardheidsclausule

  • Juist omdat het in de Wmo 2015 om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling.

  • Als desondanks die zeer persoonlijke afweging er toch nog sprake is van een niet billijke situatie, is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt, dan kan men zich afvragen of het beleid terzake niet aangepast moet worden.

  • Artikel 46. Inwerkingtreding en citeertitel

  • Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.

  • Bijlage 2 Kwaliteitseisen pgb-aanbieders WMO

  • Het college is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning geboden aan cliënten, ook als deze wordt geboden via een pgb. Daarom stelt het college ook kwaliteitseisen aan pgb-aanbieders. Deze eisen sluiten aan op wet- en regelgeving en kwaliteitseisen gesteld aan gecontracteerde aanbieders.

  • Er wordt, voor zover relevant, onderscheid gemaakt tussen kwaliteitseisen die voor alle vormen van maatschappelijke ondersteuningen gelden en kwaliteitseisen die voor specifieke vormen van maatschappelijke ondersteuning gelden.

  • De eisen 20 t/m 25, gelden niet voor hulp bij het huishouden, woningaanpassingen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen.

    Eisen

  • De pgb-aanbieder staat ingeschreven bij het Handelsregister (conform artikel 5 Handelregisterwet 2007).

  • De pgb-aanbieder informeert de pgb-beheerder actief als deze (tijdelijk) niet voldoet aan een of meerdere gestelde eisen uit deze bijlage of afspraken gemaakt met de pgb-beheerder.

  • De pgb-aanbieder beschikt over een transparante, ordelijke en controleerbare administratie waarin facturen zijn te herleiden naar de feitelijk geleverde hulp en die voldoet aan de minimumeisen die de belastingdienst stelt aan de pgb-aanbieder. De administratie is volledig, juist en actueel.

  • De pgb-aanbieder voldoet aan de op hem van toepassing zijnde wet- en regelgeving, waaronder ook de wettelijke deponeringsplichten voor de jaarrekening en de AVG.

  • De pgb-aanbieder voldoet ook aan de arbeidstijdenwet en Arbowet. Dit betekent bijvoorbeeld dat een beroepskracht niet langer dan 12 uur aaneengesloten mag werken en niet meer dan 60 uur per week mag worden ingezet. Naleving hiervan is belangrijk om de overbelasting van beroepskrachten te voorkomen.

  • De pgb-aanbieder kan een Verklaring Omtrent Gedrag van de rechtspersoon overleggen.

  • De pgb-aanbieder is integer. Er is in de afgelopen drie jaar geen sprake geweest van een ernstige fout in de uitoefening van het beroep ofwel gedragingen en omstandigheden met een kwade opzet of nalatigheid van een zekere ernst. Er is geen gevaar dat het pgb zal worden gebruikt om (i) uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of (ii) strafbare feiten te plegen.

  • De pgb-aanbieder past de geldende arbeidsvoorwaarden toe die passen bij de branche (cao of gelijkwaardig).

  • De pgb-aanbieder draagt zorg voor de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit door aantoonbaar met een kwaliteitsmanagementsysteem te werken. De pgb-aanbieder kan dit aantonen door te overleggen

  • een voor de maatwerkvoorziening relevant keurmerk/certificaat. Onder een relevant/keurmerk wordt in ieder geval verstaan een voor de maatwerkvoorziening relevant HKZ (voor zzp’ers), ISO 9001, Prezo, ISO 9001 voor de zorg (NEN-EN 15224) certificaat of een ter zake relevant keurmerk zoals het Keurmerk Kwaliteitskompas Gehandicaptenzorg 2023-2028; of

  • bewijsmiddelen waaruit blijkt dat er een traject is gestart dat binnen zes maanden in toekenning van dit relevant keurmerk/certificaat resulteert; of

  • een gelijkwaardig bewijsmiddel dat past bij de aard en omvang van de aanbieder. Indien de pgb-aanbieder van oordeel is te beschikken over een gelijkwaardig bewijsmiddel, is het aan de pgb-aanbieder de gelijkwaardigheid aan te tonen.

  • De pgb-aanbieder zet continu in op de ontwikkeling van het vakmanschap van zijn beroepskrachten. De pgb-aanbieder maakt ten behoeve van de doorontwikkeling van beroepskrachten gebruik van de kennis/richtlijnen/instrumenten die door diverse beroepsverenigingen, brancheverenigingen en kennisinstituten worden ontwikkeld en maakt gebruik van methoden (denk aan casusbesprekingen, actieleergroepen, coaching, intervisie en supervisie, beroepscertificering, training en scholing). De pgb-aanbieder draagt in ieder geval zorg voor een professionele en werkbare kennisbank voor beroepskrachten.

  • De pgb-aanbieder beschikt over een klachtenregeling die ook voorziet in de toegang tot een onafhankelijke klachtencommissie om de onafhankelijke afhandeling van klachten in tweede aanleg mogelijk te maken. Hiertoe kan de pgb-aanbieder zich aansluiten bij een geschillencommissie. De leden van de geschillencommissie zijn in de afgelopen drie jaar op geen enkele manier betrokken geweest bij de pgb-aanbieder of personen die invloed of financieel belang hebben in/bij de pgb-aanbieder. De waarborgen die de onafhankelijke afhandeling borgen liggen vast (bijv. in klachtenregeling of reglement).

  • De pgb-aanbieder doet periodiek, minstens 1 keer per drie jaar, onderzoek naar de tevredenheid en ervaringen van cliënten en beroepskrachten. De pgb-aanbieder richt dit onderzoek zodanig in dat de afhankelijkheidsrelatie tussen de cliënt en de pgb-aanbieder de uitkomsten van het onderzoek niet beïnvloed. De pgb-aanbieder gebruikt de resultaten van dit onderzoek aantoonbaar om de hulp/dienstverlening aan cliënten te verbeteren.

  • De pgb-aanbieder beschikt over voor de hulp/dienstverlening relevante ervaring. Bijvoorbeeld als (voormalig) werknemer of opdrachtnemer van een andere aanbieder. De pgb-aanbieder heeft in het afgelopen jaar naar tevredenheid van de werkgever c.q. opdrachtgever vergelijkbare hulp/diensten geboden aan ten minste drie cliënten.

  • De pgb-aanbieder werkt conform het ‘’Protocol Meldingen calamiteiten/geweld Wmo 2015 Gelderland-Zuid en Mook en Middelaar’’ (zie actuele versie website). Naast de verplichte melding aan de gemeente informeert de pgb-aanbieder ook de betrokken verwijzer over de calamiteit en de eventuele effecten hiervan op de zorgvraag van de betreffende cliënt.

  • De pgb-aanbieder biedt locatie gebonden hulp alleen in locaties die geschikt zijn voor de uit te voeren hulp (denk aan aanwezigheid faciliteiten en materialen) en voldoen aan het bouwbesluit en de brandveiligheidsvereisten.

  • De pgb-aanbieder zet alleen beroepskrachten in die 18 jaar of ouder zijn;

  • De pgb-aanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ OF ‘screeningsprofiel 75’ OF ‘screening nummers 12, 41, 43, 84 en 85’ van alle personen die beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met cliënten. Deze VOG is bij de start van de hulp (zzp'er) dan wel het dienstverband (medewerker organisatie) nooit ouder dan 3 maanden. Als de pgb-aanbieder een zzp’er is (al dan niet onderdeel van een samenwerkingsverband van meerdere zzp’ers), mag de VOG tijdens de hulp nooit ouder zijn dan drie (3) jaar. Indien een persoon over een registratie bij een beroepsregister (o.a. BIG/SKJ) beschikt waarvoor een VOG een registratie-vereiste is, geldt deze eis niet.

  • De pgb-aanbieder doet geen intake met de cliënt of inzet van hulp voordat een maatwerkvoorziening is toegekend. Ook is de pgb-aanbieder niet betrokken bij het onderzoek, tenzij het college of de andere organisatie daarom verzoekt. Het onderzoek moet onafhankelijk, zonder invloed van de pgb-aanbieder, kunnen worden uitgevoerd.

  • Eisen die niet gelden voor hulp bij het huishouden, woningaanpassingen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen

  • Het college kent een specifieke maatwerkvoorziening toe, omdat deze specifieke maatwerkvoorziening het beste past bij het te bereiken resultaat. De hulp geboden middels het pgb dient te voldoen aan de eisen zoals geformuleerd in de productbeschrijving van deze maatwerkvoorziening. Alle productbeschrijvingen zijn te vinden via de website. In de productbeschrijvingen kan ook zijn opgenomen dat de hulp gelijktijdig aan een bepaald aantal cliënten moet worden geboden en/of dat er gelijktijdig meerdere hulpverleners de hulp moeten bieden. In geval van beschermd wonen, dient de pgb-aanbieder ook nadrukkelijk te voldoen aan de beschikbaarheids- en bereikbaarheidseisen zoals opgenomen in de productbeschrijvingen.

  • Het college of de andere organisatie bepaalt in het onderzoek wat het te bereiken resultaat is van de inzet van de maatwerkvoorziening. De pgb-aanbieder en pgb-beheerder stellen binnen drie maanden na de start van de hulp het hulpverleningsplan in lijn met deze afspraken op. De pgb-aanbieder vraagt het onderzoeksverslag op bij de cliënt. Er worden alleen doelen geformuleerd die zijn opgenomen in het verslag van het onderzoek of anderszins zijn afgesproken met het college of de andere organisatie.

  • Het hulpverleningsplan zoals genoemd in eis 20 is perspectiefgericht en afgestemd op de specifieke situatie van de cliënt. In het hulpverleningsplan staat vermeld wat de (verhelderde) hulpvraag is van de cliënt, aan welke SMART-doelen wordt gewerkt, en hoe, met welke activiteiten en door wie wordt gewerkt aan het realiseren van deze doelen. Hierbij staat beschreven op welke wijze wordt aangesloten bij, gebruik gemaakt van of toegewerkt naar eigen kracht, het sociale netwerk en algemene (voorliggende) voorzieningen, hoe er met andere betrokkenen wordt samengewerkt en wie regie voert op het plan. Ook wordt beschreven wanneer het plan wordt geëvalueerd. Indien er aanleiding bestaat een veiligheidsplan of signaleringsplan op te stellen, maakt dit integraal onderdeel uit van het hulpverleningsplan.

  • Het hulpverleningsplan wordt periodiek (minimaal jaarlijks), bij beëindiging van de hulp en voorafgaand aan een melding tot vervolg van de maatwerkvoorziening geëvalueerd. Bij de evaluatie wordt in ieder geval gekeken naar het effect van de ontvangen hulp voor de cliënt, de mening van de cliënt daarover en de mate waarin de doelen zijn gerealiseerd. Er wordt gezamenlijk met de pgb-beheerder en cliënt beoordeeld of de gekozen aanpak nog steeds de best passende is. Hierbij wordt expliciet gekeken of de hulp goed verankerd is in de directe leefomgeving. De uitkomsten van de evaluatie resulteren in een bijgesteld hulpverleningsplan, waarin de doelen en activiteiten zijn aangepast aan de uitkomsten van de evaluatie, of afsluiting van de hulp. De pgb-aanbieder en pgb-beheerder plannen de evaluatie van het hulpverleningsplan tijdig, zodat uiterlijk 8 weken voor einddatum van de indicatie de laatste evaluatie en het bijgestelde hulpverleningsplan beschikbaar zijn voor het college of de andere organisatie.

  • De pgb-aanbieder biedt verantwoorde hulp van goede kwaliteit. Dit betekent in ieder geval dat (in) de hulp:

  • veilig, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend;

  • indien nodig het vierogen principe wordt toegepast om de veiligheid en doeltreffendheid van de hulp te borgen. Dit wordt in ieder geval nodig geacht bij risicovolle hulp (bijv. risico zorgmijding) en langdurige hulp (>2 jaar);

  • is afgestemd op de reële behoefte en persoonlijke situatie van de cliënt en andere vormen van hulp die de cliënt ontvangt;

  • qua inzet in verhouding staat tot het te behalen resultaat, resultaatgericht is en varieert in de tijd naar behoefte en noodzaak;

  • normaliserend is en gericht op het versterken van de veerkracht, mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de cliënt en zijn sociale netwerk, zodat de zelfregie, zelf- en samenredzaamheid groter wordt. De cliënt is eigenaar van de hulpvraag en wordt geholpen zichzelf te helpen en de eigen krachtbronnen in te zetten om de eigen doelen in stapjes te bereiken;

  • systeemgericht ofwel gezinsgericht is;

  • de cliënt stimuleert om belangrijke anderen te betrekken en dat het netwerk van de cliënt waar mogelijk een actieve rol heeft binnen de hulp;

  • wordt verleend in overeenstemming met de eisen die volgens de algemeen aanvaarde professionele standaard redelijkerwijs aan de te leveren hulp en beroepskrachten zijn te stellen;

  • bestaat uit evidence-based en practice-based methodieken. Als de pgb-aanbieder kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan maakt de pgb-aanbieder gebruik van historisch en in de branche gangbare methodieken. Als de pgb-aanbieder eveneens kan aantonen dat deze niet aanwezig zijn of dat deze, gezien de gestelde doelen, niet afdoende zijn, dan dient de pgb-aanbieder aan te tonen dat de gebruikte methodieken gelijkwaardig zijn aan evidence-based, practice-based of historisch en in de branche gangbare methodieken.

  • De hulp wordt geboden door beroepskrachten die voldoen aan de deskundigheidsvereisten. Deze vereisten zijn afhankelijk van de te leveren hulp als volgt:

  • Alle beroepskrachten beschikken over een relevant zorg gerelateerde MBO(+), HBO(+) of WO(+)-diploma of vakbekwaamheidsbewijs geregistreerd in het Ervaringscertificaat Register van het Nationaal Kenniscentrum EVC passend bij de functie waarop zij worden ingezet.

  • Specifiek Wmo-Beschermd Wonen, Trainingshuis of Beschermd Thuis:

  • De individuele begeleiding en groepsbegeleiding wordt geboden door een professional met minimaal een mbo-niveau 4 afgeronde opleiding.

  • De regie op het hulpverleningsplan is belegd bij een professional met minimaal een op hbo-niveau afgeronde opleiding.

  • Slaapdienst dient te worden uitgevoerd door een professional met minimaal een mbo 4 zorg-gerelateerde opleiding. Indien Opdrachtnemer aanvullend gebruik maakt van een Wakende wacht mag dit ook worden uitgevoerd door een beveiliger met mbo 3-4, of een MBO2 opleiding, aangevuld met MBO-3 niveau gewaarde opleidingen vanuit het Kenniscentrum Gedrag en Veiligheid, ontwikkeld en ondersteund vanuit de GGZ.

Ondertekening

De Griffier,

Esther Jonkman

De voorzitter

Daphne Bergman

Bijlage 1 Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026