Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762133
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762133/1
Jaarverslag Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) 2025
Geldend van 29-05-2026 t/m heden
Intitulé
Jaarverslag Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) 20251. Inleiding
Gemeenten en provincie zijn vanuit de Omgevingswet (Ow) en het Omgevingsbesluit (Ob) verplicht om jaarlijks een jaarverslag Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) vast te stellen. Dit is het jaarverslag 2025 van de gemeente Borsele. Het fungeert als evaluatierapportage van het Integrale Uitvoeringsprogramma 2025 (IHUP) conform artikel 13.11 van het Omgevingsbesluit.
Alle bevoegde gezagen in Zeeland hanteren dezelfde opbouw van zowel het jaarplan als het jaarverslag. Dit vloeit voort uit het gezamenlijke VTH-beleid dat gericht is op een eenduidige en voor burgers en bedrijven herkenbare uitvoering van VTH-taken. Deze eenduidigheid maakt onderlinge afstemming en samenwerking makkelijker en draagt bij aan een integrale aanpak. Het VTH-jaarverslag volgt de opbouw van het VTH-jaarplan.
Het VTH-jaarverslag vult in de big 8 (zie figuur 1) de stap in van 'rapportage en evaluatie' op het gebied van VTH. Op basis van de gepresenteerde informatie kan tot bijstelling van prioriteiten en doelen besloten worden.
Figuur 1: Big 8, ofwel de beleids- en uitvoeringscyclus
1.1. Zeeuwse prioriteiten
Op basis van een gezamenlijke probleem- en risicoanalyse heeft het Bestuurlijk Overleg Omgevingsrecht (BOOR) de Zeeuwse VTH-prioriteiten bepaald. De probleem- en risicoanalyse is gebaseerd op de volgende criteria:
- •
De maatschappelijke betekenis van wat er kan gebeuren als bepaalde regels niet kunnen worden nageleefd
- •
Het naleefgedrag ofwel de kans dat er overtredingen plaatsvinden
Uit de eerste probleem- en risicoanalyse zijn de onderstaande prioriteiten naar voren gekomen, opgenomen in het document ‘Zeeuwse prioriteiten VTH 2023-2024’, welke dateert van november 2022.
Deze Zeeuwse prioriteiten zijn onderverdeeld in de thema's Bouwen, Milieu, Water, Groen en Leefbaarheid. Het komt voor dat bepaalde Zeeuwse prioriteiten voor de gemeente Borsele minder of zelfs niet relevant zijn. Voorbeelden hiervan zijn natuurbrandrisico en illegale recreatie. Andere Zeeuwse prioriteiten, zoals strijdig gebruik, zijn juist ook op lokaal niveau een belangrijke prioriteit.
1.2. Lokale/provinciale prioriteiten
In aanvulling op de Zeeuwse prioriteiten heeft de gemeente Borsele op basis van lokale doelen en omstandigheden specifieke prioriteiten vastgesteld. Deze lokale prioriteiten vereisen extra aandacht omdat ze aansluiten op de unieke uitdagingen en behoeften van de gemeente. De lokale prioriteiten zijn voortgekomen uit een gemeentelijke risicoanalyse, die is opgesteld tijdens meerdere werksessies met gemeentemedewerkers.
- 1.
Bouwen
- o
Illegale wijziging monumenten: Handhaven op monumenten en beschermd dorpsgezicht.
- o
Implementatie Omgevingswet: Werkprocessen en kennis verbeteren.
- o
- 2.
Milieu
- o
VANG-plan (afvalbeheer): Voortzetten controles en voorlichting over afvalscheiding.
- o
- 3.
Water
- o
Illegale rioolaansluitingen: Uitvoeren van inspecties.
- o
- 4.
Groen
- o
Dijkenstructuur en beplanting: Handhaven op kapvergunningen en herplantplicht.
- o
Bedrijfsbebouwing: Toezicht op naleving landschappelijke inpassing na bouw.
- o
- 5.
Leefbaarheid
- o
Jeugd: Aanpak van jeugdoverlast in samenwerking met scholen en jeugdorganisaties.
- o
Alcoholwet: Verhogen van controles en voorlichting over naleving leeftijdsgrens.
- o
2. Bouwen
Het hoofddoel op het gebied van bouwen is het hoog houden van de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Borsele. De gemeente streeft ernaar het landelijke karakter en de groene omgeving te behouden. Vergunningen worden alleen verleend als ze de ruimtelijke kwaliteit niet schaden en voldoen aan de wettelijke bepalingen. De gemeente is tevreden als de ruimtelijke kwaliteit niet verslechtert, en nog meer tevreden bij zichtbare of merkbare verbeteringen door middel van toezicht en handhaving.
Het team Vergunningen en Veiligheid (V&V) richt zich op de wettelijke taken om vergunningaanvragen en meldingen te toetsen aan wet- en regelgeving en de naleving daarvan te bevorderen.
2.1. Bouwtoezicht (Incl. monumenten en asbest)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Bouw- en verbouwactiviteiten vinden op veilige, gezonde en duurzame wijze plaats |
Percentage inspecties met geconstateerde overtredingen van bouwvoorschriften per LHSO-categorie (Zwaar: 0%, Midden: 10% Licht: 25%) |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 heeft het team actief aangestuurd op het indienen van conceptverzoeken, waarbij initiatiefnemers worden gestimuleerd om hun bouwplannen in een vroeg stadium ter toetsing voor te leggen, voordat een formele vergunningaanvraag wordt ingediend. Het team stelt zich hierbij dienstverlenend op en beantwoordt vragen via e-mail en telefoon. Deze werkwijze helpt om bouwplannen vroegtijdig te sturen op haalbaarheid en draagt bij aan een soepelere afhandeling van formele vergunningaanvragen.
Deze aanpak is terug te zien in de aantallen: in 2025 zijn 185 conceptverzoeken behandeld. Daarnaast zijn onder meer 111 sloopmeldingen, 33 bouwmeldingen en 12 gereedmeldingen geregistreerd. Op het gebied van toezicht zijn onder andere 127 bouwcontroles en 87 oplevercontroles uitgevoerd. Verder zijn 119 vergunningen verleend voor omgevingsplanactiviteiten voor het bouwen en 35 vergunningen voor bouwactiviteiten (technisch). Deze cijfers geven inzicht in de omvang en diversiteit van de werkzaamheden, maar lenen zich nog beperkt voor het trekken van conclusies over effectiviteit of prioritering.
Binnen het toezicht wordt nadrukkelijk ingezet op een preventieve aanpak. De lijn van de gemeente is om bij constateringen eerst het gesprek aan te gaan met initiatiefnemers of eigenaren. In veel gevallen wordt volstaan met een informele afstemming of een eerste schriftelijke waarschuwing, waarmee overtredingen alsnog worden hersteld. Het opleggen van zwaardere handhavingsinstrumenten, zoals een officiële bouwstop of sancties, wordt pas ingezet wanneer dit noodzakelijk is. Deze werkwijze draagt bij aan naleving en voorkomt escalatie, terwijl tegelijkertijd het vertrouwen met initiatiefnemers behouden blijft.
Tegelijkertijd is het team zich bewust van de behoefte om meer projectmatig en proactief toezicht te houden. In de huidige praktijk ligt de nadruk vooral op het reageren op binnenkomende aanvragen en signalen. Een meer planmatige aanpak biedt kansen om knelpunten eerder te signaleren en preventief op te treden. Door beperkte capaciteit is het in 2025 echter nog niet gelukt om deze werkwijze structureel vorm te geven.
Hoewel aanvragen, meldingen en controles worden geregistreerd, biedt de huidige wijze van vastlegging nog onvoldoende sturingsinformatie. Overtredingen worden bijvoorbeeld niet thematisch geregistreerd, waardoor het lastig is om inzicht te krijgen in waar de meeste tijd en inzet naartoe gaan. De wens is om deze registratie verder te ontwikkelen, zodat de gemeente haar inzet op termijn gerichter kan sturen op basis van prioriteiten en risico’s.
2.2. Brandveilig gebruik
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Gebouwen worden (brand)veilig ontworpen, gebouwd en gebruikt |
Percentage inspecties met geconstateerde overtredingen van brandveiligheidsvoorschriften per LHSO-categorie (Zwaar: 0%, Midden: 10%, Licht: 25%) |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In samenwerking met de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) wordt binnen de gemeente Borsele ingezet op het brandveilig ontwerpen, bouwen en gebruiken van gebouwen en recreatieobjecten. De samenwerking richt zich zowel op preventie in de ontwerpfase als op toezicht tijdens en na realisatie van bouwwerken.
Bij bouwactiviteiten heeft de VRZ een adviserende rol op het gebied van brandveiligheid. Zij adviseert over bouwkundige maatregelen en de indeling van gebouwen om brandrisico’s in de gebruiksfase te beperken. De gemeente voert toezicht uit op de naleving van de bouwvoorschriften, waarbij brandveiligheidseisen worden betrokken bij de beoordeling van vergunningaanvragen en tijdens bouwcontroles.
Onder de Omgevingswet is de gebruiksvergunning vervallen. In specifieke gevallen geldt nog wel een meldingsplicht voor brandveilig gebruik. Een melding brandveilig gebruik wordt behandeld door een vergunningverlener van de gemeente, waarna advies wordt ingewonnen bij de VRZ. Afhankelijk van de situatie wordt de feitelijke controle uitgevoerd door een bouwinspecteur van de gemeente, door de VRZ of gezamenlijk.
De VRZ voert namens het college periodiek terugkerende controles uit op meldingen brandveilig gebruik. Deze controles vinden plaats volgens het Risico Afwegingsmodel Toezicht (RAT). Dit model is in 2025 volledig in werking getreden en zorgt voor een gestructureerde en risicogerichte benadering van het toezicht.
Bij constateringen tijdens controles stelt de VRZ een rapportage op en verzorgt zij in eerste instantie zelf de eerste aanschrijving en eventuele hercontrole. Indien na deze fase blijkt dat de overtreding niet is opgeheven, wordt het dossier overgedragen aan de gemeente. De gemeente beoordeelt vervolgens of verdere handhaving noodzakelijk is en verzorgt – indien nodig – het voornemen tot handhaving en het daaropvolgende handhavingsbesluit. Waar nodig vindt integrale handhaving plaats, waarbij een toezichthouder van de gemeente gezamenlijk met de VRZ een controle uitvoert.
In onderstaande tabel zijn de jaarcijfers van de VRZ opgenomen met betrekking tot de werkzaamheden die zij voor de gemeente Borsele uitvoert.
|
Overzicht werkzaamheden namens de gemeente Borsele in 2025 |
|
|
Aantal controles meerjarenplanning |
31 |
|
Aantal hercontroles meerjarenplanning |
10 |
|
Aantal controles overig |
5 |
|
Aantal hercontroles overig |
1 |
|
Aantal adviezen brandveiligheid en brandveilig gebruik |
27 |
|
Aantal adviezen Programma van Eisen/UPD |
10 |
|
Aantal adviezen overig |
10 |
Door langdurig ziekteverzuim bij de VRZ is de meerjarige controleplanning in 2025 niet volledig gerealiseerd. Met name een deel van de geplande eerste controles is doorgeschoven naar 2026. Desondanks blijft de systematiek van risicogestuurd toezicht overeind en vormt deze een solide basis voor de verdere uitvoering in de komende jaren.
2.3. Strijdig gebruik Ruimtelijke Ordening
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Gronden en gebouwen worden in overeenstemming met planologische regels gebruikt, specifiek illegale bewoning van recreatiewoningen |
Mate van illegale bewoning van recreatiewoningen (0%) |
|
Percentage inspecties met geconstateerde overtredingen van planologische regels per LHSO-categorie (Zwaar: 0%, Midden: 10%, Licht: 25%) |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
Strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in relatie tot het Omgevingsplan vormt een structureel aandachtspunt binnen het toezicht en is één van de thema’s waar binnen handhaving een groot deel van de inzet naartoe gaat. Controles vonden in 2025 plaats naar aanleiding van meldingen, op basis van eigen waarnemingen tijdens toezichtrondes en als nevenbevinding bij andere (integrale) controles, zoals BRP-controles en controles in samenwerking met partners als de VRZ, team Realisatie & Beheer, en of tijdens thematische controles zoals bijvoorbeeld de fruitplukcontroles. Dit onderstreept dat toezicht op strijdig gebruik niet uitsluitend melding gestuurd is, maar ook voortkomt uit signalen die tijdens andere toezichtactiviteiten worden verkregen.
Toezicht op de rechtstreeks werkende regels van het Omgevingsplan vraagt om bewuste keuzes. Het is niet mogelijk om alle percelen structureel en jaarlijks te controleren. Het toezicht is daarom grotendeels signaal- en melding gestuurd van aard. Prioriteit wordt gegeven aan situaties met een grotere impact op de leefomgeving, veiligheid of ruimtelijke ordening. In 2025 zijn meldingen en signalen geprioriteerd op basis van urgentie, risico’s en de professionele inschatting en ervaring van de toezichthouders. Gezien de beschikbare capaciteit is deze afweging noodzakelijk gebleken.
Het werken met een gestandaardiseerde prioriteitenmatrix is in 2025 nog beperkt van de grond gekomen. Hoewel het wenselijk is om prioritering eenduidiger te organiseren, werkt deze systematiek nog onvoldoende door in de dagelijkse werkvoorraad. Daarnaast is het onderwerp strijdig gebruik breed en omvat het uiteenlopende situaties, wat het scherp afbakenen en prioriteren bemoeilijkt. Deze diversiteit aan situaties maakt dat strijdig gebruik zich moeilijk laat vangen in één eenduidige toezichtaanpak.
Onder deze prioriteit vielen onder meer:
- •
strijdig gebruik van agrarische percelen;
- •
illegale (recreatieve) verhuur van woningen;
- •
onrechtmatig gebruik van bedrijfsgebouwen;
- •
bedrijven aan huis zonder passende bestemming;
- •
handelingen zonder vereiste aanlegvergunning;
- •
illegale permanente bewoning van recreatiewoningen.
Bij constatering van strijdig gebruik is steeds eerst beoordeeld of legalisatie mogelijk was. Indien legalisatie niet aan de orde was, is handhavend opgetreden.
De permanente bewoning van recreatiewoningen heeft in 2025 relatief veel capaciteit gevraagd. Door uitval van een medewerker is de handhaving op dit onderdeel tijdelijk gepauzeerd. Dit onderwerp blijft actueel en vraagt structurele aandacht. De komende jaren bestaat de behoefte om, waar mogelijk, toe te werken naar een meer planmatige en proactieve aanpak van toezicht op strijdig gebruik.
Bijsturing 2026
In 2026 wordt ingezet op het verder ontwikkelen en toepassen van een gestandaardiseerde prioriteitenmatrix, zodat meldingen en signalen consistenter en transparanter kunnen worden gewogen. Daarnaast wordt gewerkt aan een meer uniforme aanpak voor de handhaving op illegale permanente bewoning van recreatiewoningen.
2.4. Huisvesting arbeidsmigranten en seizoenswerkers
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Arbeidsmigranten en seizoenswerkers worden veilig en leefbaar gehuisvest |
Percentage inspecties met geconstateerde overtredingen van wet- en regelgeving t.a.v. huisvesting van arbeidsmigranten en seizoenswerkers per LHSO-categorie (Zwaar: 0%, Midden: 10% Licht: 25%) |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
De huisvesting van arbeidsmigranten is binnen de Zeeuwse prioriteiten ook onderdeel van het thema leefbaarheid en heeft binnen de gemeente een hoge prioriteit. In de praktijk raakt dit onderwerp zowel de leefbaarheid in wijken en recreatieparken als het toezicht op strijdig gebruik binnen het omgevingsrecht.
Meldingen over overlast, overbewoning of illegale bewoning kunnen via verschillende kanalen bij de gemeente binnenkomen en worden afhankelijk van aard en inhoud doorgezet naar het juiste team. Meldingen met een directe relatie tot leefbaarheid en openbare orde worden doorgaans opgepakt door de Boa’s binnen het thema Leefbaarheid. Meldingen die betrekking hebben op planologisch strijdig gebruik, bijvoorbeeld bij huisvesting van arbeidsmigranten in strijd met het Omgevingsplan of bij agrarische bedrijven, worden behandeld door de toezichthouders Omgevingsrecht.
Deze verdeling van taken vraagt om een integrale werkwijze, waarbij signalen tussen teams worden gedeeld en gezamenlijk wordt beoordeeld welke inzet nodig is.
Toezicht vindt plaats op basis van meldingen, eigen waarnemingen en projectmatige controles. Meldingen worden altijd opgepakt. Daarnaast vinden jaarlijks controles plaats bij agrarische bedrijven op de huisvesting van seizoenswerkers en worden leegstaande woningen gecontroleerd op basis van de leegstandslijst. In 2025 zijn wederom periodieke controles uitgevoerd bij fruittelers.
Een belangrijk aandachtspunt in 2025 was de situatie op recreatieparken. Illegale (permanente) bewoning en huisvesting van arbeidsmigranten vragen structurele aandacht. Door uitval van een medewerker is de handhaving op recreatieparken echter minder uitgevoerd dan beoogd. Dit heeft ertoe geleid dat een deel van de geplande controles is doorgeschoven.
In 2025 zijn daarnaast meerdere meldingen ontvangen over overbewoning van reguliere eengezinswoningen door arbeidsmigranten. Dit betrof met name situaties waarbij een groter aantal personen in een woning verbleef dan planologisch of qua gebruik was toegestaan. Deze ontwikkeling vroeg om extra controles en inzet van toezicht, terwijl dit vooraf niet als afzonderlijk aandachtspunt was voorzien.
Bij geconstateerde situaties is steeds eerst onderzocht of legalisatie of aanpassing mogelijk was. Waar dit niet aan de orde was, is handhavend opgetreden.
Voor 2026 wordt gewerkt aan het herzien van beleid ten aanzien van de huisvesting van arbeidsmigranten. Doel van de herziening is meer duidelijkheid te bieden over verantwoordelijkheden, mogelijkheden en kaders voor uitvoering en handhaving ten aanzien van huisvesting van arbeidsmigranten. Het beleid richt zich daarmee op het creëren van een helder normatief en beleidsmatig kader en niet op interne werkafspraken of prioritering.
2.5. Lokale prioriteit: Illegale wijziging monumenten
|
Lokale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Voorzijde en aanzicht (dorpsgezicht) blijven in stand, goed onderhouden en niet gewijzigd zonder goedkeuring. |
Goed in beeld wat de huidige stand is van monumenten en beschermd dorpsgezicht. Exclusief inventarisatie minimale (<5) constateringen van illegale wijzigingen. |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
Gemeente Borsele heeft ongeveer 30 gemeentelijke monumenten en rond de 100 rijksmonumenten binnen haar grenzen. Veel rijksmonumenten zijn kerken en boerderijen. Daarnaast heeft Borsele twee beschermde dorpskernen: Nisse en Borsele.
In 2025 is gewerkt aan het in kaart brengen van de huidige stand van monumenten en het beschermd dorpsgezicht. Er is een project gestart voor verduurzaming in de beschermde dorpskernen via een rijkssubsidieregeling. De eisen voor beschermde kernen zijn strenger, en de gemeente probeerde initiatiefnemers hierin tegemoet te komen.
De gemeente heeft aandacht besteed aan voorlichting over de regels rondom monumenten. Toezichthouders kwamen regelmatig overleggen over veranderingen die opvielen bij monumenten. Bij verhuizingen binnen monumentale panden ging de gemeente structureel langs voor een proactieve benadering. De gemeente bood informatie en fungeerde als aanspreekpunt voor eigenaren rondom de status van het monument.
Als een monumentaal pand te koop stond, ontving de gemeente vaak al vooraf vragen rondom vergunningen en aanpassingen. Erfgoed verleende vaker niet dan wel een vergunning bij twijfelachtige aanvragen. Twee toezichthouders gaan zich komend jaar verder specialiseren in het erfgoedvakgebied.
Er kwamen in 2025 weinig aanvragen binnen op wijzigingen aan het beschermde dorpsgezicht. Positief is dat er geen wijzigingen zijn geweest aan monumenten die niet terug te draaien waren.
Een belangrijk project waar naartoe gewerkt werd was de actualisatie van de lijst van beeldbepalende panden. Deze lijst telt rond de 300 panden, maar is waarschijnlijk niet meer actueel. Samen met bureau DSL gaat de gemeente in 2026 naar de uitvoerende fase van dit project. Er wordt dan een inventarisatie gemaakt van de huidige status van de lijst. De verwachting is dat veel panden al zijn verbouwd en van de lijst kunnen, maar ook dat sommige panden monument kunnen worden. De verwachting is dat enkele tientallen monumenten kunnen worden toegevoegd. Dit zal een effect hebben op de VTH-taken in 2026.
Ook werd in 2025 gewerkt aan een kerkenvisie. Een inventarisatie van alle kerken werd afgerond en alle kerken werden in beeld gebracht. Niet alle kerken gingen in gesprek met de gemeente. De verwachting is dat in de komende 10 jaar rond de 10 à 15 kerken leeg komen te staan. Er wordt gewacht op een rapportage van Erfgoed Zeeland, waarna gesprekken met kerkbesturen starten over vervolgstappen zoals herbestemming en transformatie. Ook dit leidt tot een toename in VTH werkzaamheden.
2.6. Lokale prioriteit: Implementatie Omgevingswet en Wkb
|
Lokale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Goed functionerende afdeling met goed lopende werkprocessen. |
Werkprocessen zijn vastgesteld en functioneren naar behoren. Overleg is duidelijk ingepland en volgt voorbepaalde structuur en agenda. Initiatiefnemer weet op basis van informatie (op bijvoorbeeld de website) bij welk loket/medewerker hij/zij moet zijn. Medewerkers kunnen werken met de Ow-Wkb en de afdeling voldoet aan de kwaliteitscriteria 2.3. |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 heeft de gemeente verder gewerkt aan de doorontwikkeling en optimalisatie van de uitvoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). De basis is inmiddels ingericht; de aandacht lag in 2025 op het verder verbeteren van werkprocessen, kennis en samenwerking.
De inzet richtte zich onder meer op het optimaliseren van werkprocessen binnen het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), het aanpassen van interne procedures en het vergroten van kennis over de gewijzigde rollen en verantwoordelijkheden onder de Wkb. Daarnaast zijn initiatiefnemers actief geïnformeerd over de nieuwe werkwijze en de gevolgen voor vergunningaanvragen en meldingen.
In 2025 is Zeeland-breed de zogenoemde kritieke massa in beeld gebracht. In gezamenlijkheid met de andere Zeeuwse gemeenten voldoet Borsele aan de VTH-kwaliteitscriteria 3.0, waarmee is geborgd dat de uitvoering van VTH-taken voldoende robuust is georganiseerd.
In de praktijk zijn aandachtspunten gesignaleerd rondom de rolverdeling en werkwijze bij gereedmeldingen en geconstateerde knelpunten binnen de Wkb. Deze zijn inmiddels uitgewerkt en geborgd in de werkwijze, waardoor de uitvoering nu eenduidiger verloopt.
Het opstellen van een specifiek handhavingskader voor situaties onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) kan bijdragen aan een eenduidige en transparante beoordeling wanneer tijdens de bouwfase of bij een gereedmelding gebreken worden geconstateerd. In deze gevallen is de gemeente bevoegd gezag voor handhaving. Een vastgesteld kader kan richting geven bij de inzet van handhavingsinstrumenten, de escalatielijn van waarschuwing naar handhavingsbesluit en de afweging van vervolgstappen, zodat besluiten consistent, toetsbaar en doelgericht zijn.
Tot slot blijkt dat de vragenbomen binnen het DSO nog niet altijd optimaal functioneren. Hierdoor komen vragen van initiatiefnemers regelmatig alsnog bij de gemeente terecht. Verdere optimalisatie van de vragenbomen kan helpen om initiatiefnemers beter te ondersteunen en de uitvoeringsdruk te verlagen.
2.7. Uitvoering BRIKS-taken Sloegebied
Het Sloegebied is een grootschalig industrie- en havengebied binnen de gemeente Borsele, waar sprake is van complexe en kapitaalintensieve ontwikkelingen. De aard en omvang van de activiteiten wijken af van reguliere bouw- en vergunningstrajecten en kenmerken zich door een hoge mate van technische complexiteit, specialistische regelgeving en een verhoogde risicoafweging op het gebied van veiligheid en ruimtelijke inpassing.
Vanwege deze specifieke kenmerken worden de BRIKS-taken in het Sloegebied apart verantwoord in dit jaarverslag. De uitvoering van deze taken is organisatorisch belegd bij het team Grootschalige Energietransitie en Leefomgeving Borsele en valt buiten de reguliere werkvoorraad van het thema Bouwen. Deze aparte positionering draagt bij aan een transparante verantwoording van inzet, capaciteit en resultaten.
De inzet en capaciteit voor de BRIKS-taken in het Sloegebied zijn volledig in deze paragraaf verantwoord. Deze werkzaamheden maken geen onderdeel uit van de reguliere werkvoorraad van het team V&V en zijn daarom bewust niet meegenomen in de capaciteitsberekening zoals opgenomen in het hoofdstuk Borging van middelen en kwaliteit.
Welke V-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 zijn binnen het taakveld Vergunningverlening BRIKS-taken de volgende werkzaamheden uitgevoerd:
|
Aanvraag beschikking behandelen |
26 |
Waarvan 2 buiten behandeling gesteld |
|
Advies verstrekken |
28 |
Waarvan 3 samenwerkingsdossiers |
|
Conceptverzoek |
6 |
|
|
Informatieplicht behandelen |
4 |
|
|
Melding activiteit behandelen |
3 |
Waarvan 1 overgedragen naar ander bevoegd gezag |
De uitvoering van deze V-taken is belegd bij één senior vergunningverlener. Deze medewerker is werkzaam binnen het team Grootschalige Energietransitie en Leefomgeving Borsele en is voor 1,11 fte inzetbaar binnen dit team. De tijdsbesteding per dossier is sterk afhankelijk van de aard, omvang en complexiteit van de aanvragen.
Voor specialistische ondersteuning, met name op het gebied van bouwkundige en constructieve berekeningen, is SWECO ingehuurd als externe adviseur.
Welke T-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 zijn binnen het taakveld Toezicht BRIKS-taken de volgende werkzaamheden uitgevoerd:
|
Advies informatieplicht |
1 |
Waarvan 1 buiten behandeling gesteld |
|
Beoordelen document informatieplicht |
2 |
Waarvan 2 niet aanvaard i.v.m. niet voldoen aan indieningsvereisten |
|
Bouwcontrole |
15 |
Waarvan 1 afgebroken |
|
Nagekomen stukken |
1 |
Waarvan 1 afgebroken |
|
Opleveringscontrole |
12 |
Het toezicht is georganiseerd door het inhuren van een vaste toezichthouder voor 0,22 fte. Deze toezichthouder voert zijn werkzaamheden uit binnen de beschikbare uren. Bij incidentele grote en/of complexe projecten is aanvullende ondersteuning van SWECO ingekocht, zowel in de vergunningverleningsfase als tijdens de realisatiefase. Deze extra inzet is bekostigd uit de legesinkomsten van het betreffende project.
In 2025 zijn de BRIKS-taken in het Sloegebied in de gemeente Borsele op een stabiele en beheersbare wijze uitgevoerd. Ondanks de inzet van beperkte personele capaciteit is het merendeel van de aanvragen en toezichtstaken tijdig en zorgvuldig afgehandeld. De inzet van één ervaren senior vergunningverlener heeft bijgedragen aan de continuïteit en inhoudelijke kwaliteit van de besluitvorming.
De afhankelijkheid van externe expertise, met name bij complexe bouwkundige en constructieve vraagstukken, blijft noodzakelijk. De flexibele inzet van SWECO heeft hierbij gezorgd voor voldoende specialistische ondersteuning zonder structurele uitbreiding van de formatie.
Voor toezicht geldt dat de vaste toezichthouder voldoende capaciteit had voor de reguliere werkzaamheden. Bij piekbelasting en complexe projecten is aanvullende interne en externe ondersteuning doelmatig ingezet. Deze werkwijze biedt flexibiliteit, maar maakt de uitvoering ook kwetsbaar bij langdurige uitval of een toename van het aantal grootschalige projecten, wat aandacht vraagt voor borging van capaciteit en kennis.
Al met al kan worden geconcludeerd dat de uitvoering van de BRIKS-taken in 2025 doelmatig is verlopen, met een goede balans tussen interne capaciteit en externe ondersteuning. Voor de toekomst blijft aandacht nodig voor borging van kennis, continuïteit en voldoende flexibiliteit bij een mogelijk toenemende werklast.
2.8. Overige ontwikkelingen thema bouwen
In 2025 hebben zich binnen het thema Bouwen enkele ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Duurzaamheid en energielabels
In 2025 zijn de energielabels van kantoren geïnventariseerd. Hieruit bleek dat een deel van de kantoren nog niet voldoet aan de geldende eisen en dat aanvullende stappen nodig zijn om het vereiste label te behalen. Waar nodig kan het toezicht op deze verplichting worden belegd bij de Omgevingsdienst. De inventarisatie heeft vooral bijgedragen aan beter inzicht in de omvang van de opgave en de mogelijke vraag naar toezicht voor de komende jaren.
Daarnaast is in 2025 een nieuwe subsidieregeling voor de verduurzaming van woningen in werking getreden. Hoewel een deel van deze werkzaamheden vergunningvrij kan worden uitgevoerd, leidt dit in de praktijk wel tot extra vragen van initiatiefnemers en tot meer samenloop met andere vergunningaanvragen, bijvoorbeeld bij verbouwingen of functiewijzigingen. Dit vraagt extra afstemming binnen het team.
Uitbreiding toepassing Bibob-beleid
Het Bibob-beleid is in 2025 verbreed en wordt ook toegepast binnen het omgevingsrecht. Hierdoor worden bij bepaalde aanvragen aanvullende integriteitstoetsen uitgevoerd. Dit kan leiden tot een toename van de behandeltijd per dossier, maar draagt bij aan het voorkomen dat de gemeente onbedoeld medewerking verleent aan ongewenste of ondermijnende activiteiten.
Toename woningtransformatie en afwijkingen van het Omgevingsplan
In 2025 is een toename zichtbaar van aanvragen voor woningtransformatie en initiatieven die afwijken van het Omgevingsplan. Deze aanvragen vragen doorgaans meer afstemming en maatwerk, omdat ruimtelijke, bouwtechnische en beleidsmatige aspecten samenkomen.
Wet goed verhuurderschap
Het meldpunt in het kader van de Wet goed verhuurderschap is ingericht. Hoewel het aantal meldingen nog beperkt is, vraagt de afhandeling om afstemming tussen verschillende domeinen, zoals wonen, leefbaarheid en handhaving.
Toename vragen rondom pre-mantelzorg en tijdelijke woonoplossingen
Er is in 2025 een toename zichtbaar van verzoeken rondom pre-mantelzorg en andere tijdelijke woonoplossingen. Deze trajecten blijken in de praktijk vaak complex en leiden regelmatig tot aanvullende vragen en vervolgacties, zowel binnen vergunningverlening als richting toezicht. Dit vraagt relatief veel tijd per dossier.
Gezamenlijk laten deze ontwikkelingen zien dat het werkveld binnen het thema Bouwen verbreedt en dat naast reguliere vergunningaanvragen steeds vaker integrale afwegingen nodig zijn tussen ruimtelijke, sociale en duurzaamheidsaspecten.
3. Milieu
Het hoofddoel op het gebied van milieu is het behouden van een schone, veilige en gezonde leefomgeving voor inwoners en bedrijven. De gemeente Borsele heeft de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van milieutaken volledig belegd bij de RUD Zeeland, die vanaf 2026 verdergaat als Omgevingsdienst Zeeland.
Jaarlijks stelt de gemeente samen met de RUD een jaarprogramma vast, gebaseerd op het aantal milieubelastende activiteiten en inrichtingen binnen de gemeente. De RUD voert de milieutaken vervolgens zelfstandig en risicogestuurd uit. Vergunningaanvragen worden conform de wettelijke kaders in behandeling genomen; periodieke controles worden door de RUD gepland op basis van eigen risicoafwegingen. De gemeente stuurt hierbij niet op individuele dossiers of toezichtmomenten, maar vertrouwt op de professionele uitvoering door de RUD.
De gemeente wordt door de RUD periodiek geïnformeerd via week-, maand- en kwartaalrapportages over de voortgang en inzet. Deze deelnemersrapportage van 2025 (tot en met november 2025) is bijgevoegd als Bijlage B. Bij het opleggen van handhavingsmaatregelen, zoals een last onder dwangsom of bestuursdwang, wordt de gemeente hiervan in kennis gesteld. Indien nodig kan de gemeente aanvullende dossierinformatie opvragen.
Een specifieke inzet van de RUD binnen de gemeente betreft het uitvoeren van geluidsmetingen bij evenementen en horecagelegenheden. Met deze taakverdeling wordt beoogd om de milieuwetgeving effectief en deskundig uit te voeren en hinder en overlast in de leefomgeving te beperken.
3.1. Bedrijven (zwaardere)
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale (en lokale) prioriteit |
Subdoel |
|
T&H taken m.b.t. milieubelastende activiteiten door RUD Zeeland |
|
T&H taken m.b.t. milieubelastende activiteiten bij BRZO-bedrijven door DCMR |
|
|
Uitvoering conform Zeeuwse norm (Plan van aanpak) |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
De VTH-taken voor zwaardere bedrijven en milieubelastende activiteiten (Mba's) genoemd in hoofdstuk 3 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) liggen primair bij de RUD Zeeland. De RUD Zeeland voert namens de gemeente vergunningverlening, toezicht en handhaving uit bij alle bedrijven waar milieubelastende activiteiten plaatsvinden.
De RUD Zeeland werkt op basis van een Zeeuws breed jaarplan waarin een risicoanalyse is uitgewerkt voor veiligheid. Deze risicoanalyse leidt tot een prioriteitenstelling op brancheniveau en een risicogerichte benadering van toezicht. Naast periodieke controles voert de RUD ook risicogerichte controles uit.
De gemeente wordt geïnformeerd over alle voornemens en handhavingsbesluiten en over mogelijke overige, niet-milieu gerelateerde misstanden die bij controles worden geconstateerd.
De samenwerking met de RUD Zeeland verloopt naar tevredenheid. De gemeente ontvangt rapportages over uitgevoerde controles, vergunningen en geconstateerde overtredingen. Deze rapportages worden via één contactpersoon binnen de organisatie verwerkt en afgestemd.
Bijsturing 2026
De samenwerking met de RUD Zeeland wordt voortgezet. Voor 2026 wordt gekeken naar mogelijkheden om de informatievoorziening en terugkoppeling naar de gemeente verder te stroomlijnen.
3.2. Asbest
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale (maar geen lokale) prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Asbestverwijdering vindt op juiste wijze plaats |
Weinig tot geen constateringen van asbestverwijdering zonder een benodigd akkoord bevonden melding |
|
Stimuleren verwijderen asbestdaken |
Inwoners doen een beroep op subsidieregeling ‘Asbest van het dak 2016’ |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
De VTH-taken voor bedrijfsmatige asbestsaneringen worden uitgevoerd door de RUD Zeeland. De RUD werkt volgens een Zeeuws brede risicoanalyse die is vastgesteld voor de uitvoering van toezicht op bedrijfsmatige asbestsaneringen. In 2025 heeft de RUD 13 toezichtzaken afgehandeld rondom bedrijfsmatige asbestverwijdering. Op het thema asbest als geheel heeft de RUD 76 verschillende zaken afgehandeld. Hieronder valt ook de professionele beoordeling van asbestrapportages.
In 2025 is er 10 keer gebruik gemaakt van de subsidieregeling ‘Asbest van het dak 2016’ door particulieren. Er wordt overwogen deze subsidieregeling uit de breiden zodat inwoners buiten de beschermde dorpskernen hiervan ook gebruik kunnen maken. Zo hoopt de gemeente asbestverwijdering verder te stimuleren.
Bijsturing 2026
De huidige werkwijze wordt gecontinueerd in 2026.
3.3. Afval/bedrijfsmatig
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Afval wordt op een juiste wijze verwerkt |
Geen dumpingen van afval |
|
Meer sprake van een circulaire economie. Afval is een grondstof. |
||
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
De VTH-taken met betrekking tot bedrijfsmatig afval zijn belegd bij de RUD Zeeland. Inspecteurs van de RUD controleren bij bedrijven en afvalverwerkende locaties of wordt gehandeld conform de geldende milieuwetgeving. Het beoordelen van afvalstromen maakt hierbij een vast onderdeel uit van de milieucontroles. Daarnaast voert de RUD themacontroles en ketentoezicht uit op basis van het eigen jaarplan.
Bij gevallen van illegale afvaldumping is sprake van samenwerking tussen verschillende partijen. De verantwoordelijkheid van de gemeente beperkt zich tot dumpingen binnen de bebouwde kom. Dumpingen buiten de bebouwde kom vinden veelal plaats op gronden van het waterschap en vallen buiten de directe verantwoordelijkheid van de gemeente. De handhaving in deze situaties wordt niet door de gemeente zelf uitgevoerd, maar vindt plaats in samenwerking met onder andere de RUD en de politie.
Een relevante ontwikkeling in 2025 is de gewijzigde toegang tot de milieustraat per 1 september. Door de invoering van slagbomen en een pas op naam en adres is de toegang beperkt tot particulieren. Bedrijven en toeristen kunnen hierdoor niet langer zonder meer gebruikmaken van de milieustraat. Het is op dit moment nog niet duidelijk of deze maatregel leidt tot een toename van illegale afvaldumpingen; dit wordt de komende periode gemonitord.
Bijsturing 2026
In 2026 wordt de samenwerking tussen gemeente, RUD Zeeland en politie bij illegale afvaldumpingen voortgezet. Daarnaast wordt onderzocht of het ketentoezicht verder kan worden uitgebreid en wordt aandacht gehouden voor mogelijke effecten van de gewijzigde toegangsregeling tot de milieustraat op het aantal dumpingen.
3.4. Energie/duurzaamheid
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Bedrijven zetten actief in op energiebesparingen |
Meer meldingen (ver)bouw bedrijfsaanpassingen ten behoeve van energiebesparing |
|
Bedrijven doen een beroep op de subsidieregeling bouwen bedrijventerreinen 2014 |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
De VTH-taken met betrekking tot energie en duurzaamheid bij inrichtingen liggen bij de RUD Zeeland. De RUD heeft 20 controles uitgevoerd bij bedrijven met duurzaamheidsinstallaties.
In 2025 is een inventarisatie uitgevoerd met betrekking tot de energielabels van kantoren. Er bestaat nog enige onduidelijkheid over de taakverdeling tussen gemeente en RUD bij het toezicht op energielabel eisen. Een aantal kantoren vereiste verdere controle. Opdrachten kunnen aan de Omgevingsdienst worden gegeven waar nodig.
Ook is er in 2025 een nieuwe subsidieregeling gekomen voor verduurzaming van woningen. In sommige gevallen zijn deze verduurzamingen niet vergunningplichtig, maar kunnen ze wel extra werk geven bij andere vergunningaanvragen.
Toezicht en handhaving op duurzaamheid zijn nog volop in ontwikkeling. Er zijn nog te veel scheidingen tussen de organisatieonderdelen die hiermee te maken hebben. Er is behoefte aan integraal toezicht.
Bijsturing 2026
Voor 2026 wordt gekeken naar heldere afspraken over de taakverdeling tussen gemeente en Omgevingsdienst Zeeland bij energielabels van kantoren. Ook wordt onderzocht welk beleid nodig is voor verduurzaming binnen beschermde dorpsgezichten.
3.5. Vuurwerkinrichtingen
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
De vuurwerkinrichting is een veilige locatie |
Geen ongevallen |
|
De vuurwerkinrichting wordt 2 a 3x per jaar gecontroleerd |
Geen constateringen van overtredingen |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In de gemeente Borsele is één verkooppunt met opslagbunker voor consumentenvuurwerk. Toezicht en handhaving op deze activiteit wordt uitgevoerd door de RUD Zeeland.
Conform het jaarplan Toezicht vindt voorafgaand aan, tijdens en na de verkoopperiode toezicht plaats. Het thema wordt jaarlijks opgenomen in het jaarplan van de RUD.
In 2025 hebben zich geen ongevallen voorgedaan bij de vuurwerkinrichting. De controles verlopen volgens planning. De werkwijze wordt gecontinueerd in 2026.
3.6. Lokale prioriteit: VANG-plan
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Lokale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Correct scheiden van huishoudelijk afval en terugdringen van verbrandingsrestafval |
Zo min mogelijk constateringen van foutief scheiden afval |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 is het systeem van de afvalcoach geïmplementeerd en operationeel geworden. De afvalcoach voert controles uit op grijze restafvalcontainers en beoordeelt of het afval correct is gescheiden. De aanpak is primair voorlichtend van karakter.
Bij constatering van incorrect gescheiden afval hangt de afvalcoach een gekleurde voorlichtingskaart aan de container. De kleur van de kaart geeft aan welk type afval ten onrechte in de restafvalcontainer is aangetroffen en hoe dit correct gescheiden dient te worden.
Bij ernstige overtredingen wordt een rode kaart aan de container gehangen en wordt de container niet geleegd. In die gevallen nemen bewoners vaak zelf contact op met de gemeente, waarna toelichting wordt gegeven op het foutief gescheiden afval.
Hoewel het beleid de mogelijkheid biedt tot formele handhaving via Boa’s, is in de praktijk gebleken dat deze aanpak niet werkbaar is voor de aard van de overtredingen. De focus ligt daarom volledig op voorlichting en bewustwording.
In het eerste jaar van implementatie zijn de volgende resultaten behaald:
- •
Totaal aantal uitgevoerde controles: 7.760*
- •
Totaal aantal voorlichtingskaarten: 755*
- o
Gele kaarten (algemene scheiding): 80*
- o
GFT-kaarten: 588*
- o
Glas-kaarten: 38*
- o
Textiel-kaarten: 47*
- o
Rode kaarten (ernstige overtredingen): 2*
- o
- •
Aantal opgestelde processen-verbaal: 0
*Geëxtrapoleerd op basis van cijfers tot 28 oktober 2025
Bij circa 10% van de controles werd een voorlichtingskaart gegeven. Het merendeel van de burgers (90%) bood het afval correct aan. Het aantal ernstige overtredingen bleef zeer beperkt met slechts 2 rode kaarten in heel 2025. De geregistreerde aantallen uit 2025 dienen als nulmeting voor de komende jaren, waardoor de ontwikkeling van afvalscheidingsgedrag gemonitord kan worden.
Bijsturing 2026
De aanpak met een afvalcoach die primair voorlichtend te werk gaat, is in het eerste jaar effectief gebleken. Het systeem waarbij voorlichtingskaarten worden ingezet, blijkt een voldoende middel zonder dat formele handhaving noodzakelijk is. Het ingezette beleid wordt in 2026 ongewijzigd voortgezet.
3.7. Overige ontwikkelingen thema milieu
Nota Bodembeheer en bodemregels
In 2024 is de Nota Bodembeheer opnieuw vastgesteld en aangepast aan de vereisten van de Omgevingswet. Een belangrijke aanvulling betreft de opname van specifiek beleid voor PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen). In regionaal verband is samen met de buurgemeenten Reimerswaal en Kapelle beleid ontwikkeld voor een strook achter de Westerscheldedijk, waar specifieke PFAS-problematiek speelt.
Momenteel werkt de gemeente samen met gemeenten in de Oosterschelde-regio aan de actualisering van de bodemregels voor het Omgevingsplan. De ambitie is om deze geactualiseerde regels in 2026 vast te stellen en te integreren in het Omgevingsplan. Daarbij zijn enkele regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor bodem aangepast en aangescherpt om beter aan te sluiten bij lokale omstandigheden en beleidsdoelstellingen.
Deze ontwikkeling waarbij individuele gemeenten hun eigen specifieke bodemregels opstellen, vormt een uitdaging voor de uitvoering door RUD Zeeland. Om te komen tot een werkbare en coherente regionale aanpak wordt in regionaal verband intensief samengewerkt en afgestemd.
Staalslakken
Een onderwerp dat naar verwachting in 2026 aandacht zal vragen, betreft de discussie over het toepassen van staalslakken. Landelijk is het gebruik van staalslakken verboden. Voor Zeeland geldt specifiek dat er geen toepassingen met staalslakken mogen plaatsvinden in de omgeving van de Oosterschelde en Westerschelde. Deze moratoriumstatus geldt tot juli 2026.
Binnen de gemeente Borsele is het gebruik van staalslakken momenteel minimaal. In het verleden werden staalslakken wel toegepast bij dijkverzwaringen. De vraag die zich aandient is wat de gevolgen zijn wanneer het moratorium in juli 2026 afloopt en onder welke voorwaarden staalslakken eventueel weer toegepast mogen worden bij toekomstige dijkverzwaringen en andere infrastructurele projecten. Een zorgvuldige beoordeling van aanvragen hieromtrent vergt specifieke kennis en voldoende ambtelijke capaciteit, zowel op gemeentelijk als regionaal niveau.
Regionale samenwerking bodem
De gemeente Borsele neemt actief deel aan het Groot Zeeuws Bodemoverleg en aan een separaat overleg specifiek gericht op PFAS-problematiek, dat gemiddeld eens per zes weken plaatsvindt. De regionale samenwerking op bodemgebied functioneert goed en draagt bij aan kennisdeling, het delen van best practices en een uniforme aanpak van bodem gerelateerde vraagstukken binnen de Zeeuwse regio. Deze structurele afstemming is van essentieel belang voor een effectieve uitvoering van het bodembeleid en een consistente handhavingspraktijk.
4. Water
Klimaatverandering stelt onze leefomgeving voor toenemende uitdagingen, zoals extreme neerslag, langere perioden van droogte en hogere temperaturen. Deze ontwikkelingen hebben directe gevolgen voor de leefbaarheid, de gezondheid van inwoners en de kwaliteit van de openbare ruimte. De gemeente zet zich actief in om de bebouwde en openbare ruimte klimaatbestendiger in te richten. Dit gebeurt onder meer via maatregelen op het gebied van klimaatadaptatie, het versterken van groen en natuur in de bebouwde omgeving, de energietransitie en het stimuleren van circulaire toepassingen.
Een goed functionerend rioleringsstelsel vormt daarbij een essentiële basis voor volksgezondheid en het voorkomen van wateroverlast in stedelijk gebied. De gemeente is verantwoordelijk voor de zorg voor riolering en stedelijk water, waaronder hemelwater. In dat kader voert de gemeente beheer- en onderhoudswerkzaamheden uit en ziet zij toe op juiste rioolaansluitingen.
Het waterschap Scheldestromen is verantwoordelijk voor het beheer van het regionale watersysteem, waaronder waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Binnen die waterbeheertaak voert het waterschap toezicht en handhaving uit. De gemeente stemt bij water gerelateerde vraagstukken af met het waterschap en vervult daarbij een signalerende en coördinerende rol, zodat maatregelen in het stedelijk gebied en het regionale watersysteem goed op elkaar aansluiten.
4.1. Waterkwaliteit
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale (en lokale) prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Verbeteren waterkwaliteit stedelijk gebied |
Bijdrage duurzame verwerking van afvalwater |
|
Beperken overlast voor de omgeving |
||
|
Beperken water op straat |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In het vorige Integraal Handhavingsuitvoeringsprogramma (IHUP) zijn bij de prioriteit Waterkwaliteit indicatoren opgenomen die in hoofdzaak betrekking hebben op waterkwantiteit en het beperken van wateroverlast, zoals het voorkomen van water op straat. Deze indicatoren sluiten inhoudelijk aan bij de gemeentelijke zorg voor het functioneren van het stedelijk watersysteem en klimaatadaptatie. De genoemde indicatoren zijn ondergebracht bij de prioriteit Waterkwantiteit, waar zij inhoudelijk thuishoren. Voor de prioriteit Waterkwaliteit wordt gerapporteerd op indicatoren die betrekking hebben op het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water, binnen de rol en verantwoordelijkheid van de gemeente.
De primaire verantwoordelijkheid voor waterkwaliteit ligt bij waterschap Scheldestromen. Het waterschap is verantwoordelijk voor de waterkwaliteit in sloten en andere oppervlaktewateren en stelt daarvoor doelen en normen vast. De gemeente heeft daarom geen directe ambities geformuleerd op dit gebied, maar vervult wel een signalerende en coördinerende rol.
De gemeente heeft een beperkte, maar relevante rol bij waterkwaliteit binnen het stedelijk gebied. Binnen de bebouwde kom is de gemeente wettelijk beheerder van het stedelijk oppervlaktewater en verantwoordelijk voor de zorg voor riolering en hemelwater. Daarnaast is de gemeente betrokken bij grondwaterlozingen als gevolg van infiltratie in de bodem in het stedelijk gebied. Binnen de bebouwde kom is de gemeente wettelijk beheerder van het oppervlaktewater. In de praktijk kwamen dergelijke infiltratieverzoeken in 2025 weinig voor. Het infiltreren van schoon regenwater is vergunningsvrij; bij lozingen van verontreinigde stoffen is een vergunning vereist. Deze situaties deden zich in 2025 nauwelijks voor.
In 2025 werd de waterkwaliteit beïnvloed door verschillende externe factoren, waaronder industriële lozingen, PFAS, meststoffen, illegale lozingen en straatvuil. Toezicht en handhaving op lozingen bij milieubelastende activiteiten werden uitgevoerd door RUD Zeeland, als bevoegd gezag binnen het regionale VTH-stelsel.
Een belangrijk aandachtspunt in 2025 was de PFAS-problematiek vanuit de Westerschelde. Door verspreiding via aerosolen kwam PFAS steeds verder landinwaarts terecht en belandde het in het oppervlaktewater in de dorpen. Ook via waterzuiveringsprocessen kwam PFAS in het watersysteem terecht. De gemeente heeft in het bodembeheer specifiek beleid opgenomen voor PFAS, met name voor het gebied langs en achter de Westerscheldedijk.
De gemeente constateerde dat de normen in het regionale VTH-beleid voor waterkwaliteit in de praktijk voornamelijk betrekking hebben op waterkwantiteit en waterberging, en minder op de chemische of ecologische kwaliteit van het water. Vanuit haar signalerende rol heeft de gemeente deze knelpunten onder de aandacht gebracht van de bevoegde instanties.
Voor 2026 blijft de PFAS-problematiek een belangrijk aandachtspunt. De gemeente zet in op verdere afstemming met waterschap en provincie, met name op het gebied van monitoring en informatiedeling.
4.2. Waterkwantiteit
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
De waterpeilen zijn optimaal afgestemd op het grondgebruik en de bodemopbouw, in relatie met wateroverlast en droogte. |
Bijdrage duurzame verwerking van afvalwater |
|
Beperken overlast voor de omgeving |
||
|
Beperken water op straat |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
Waterkwantiteit raakt direct aan de inrichting en het functioneren van het stedelijk watersysteem. De gemeente is verantwoordelijk voor de zorg voor riolering, hemelwater en stedelijk water en richt de openbare ruimte zodanig in dat neerslag kan worden opgevangen, geborgen of afgevoerd. In afstemming met het waterschap draagt de gemeente bij aan een robuust watersysteem dat bestand is tegen piekbuien en perioden van droogte.
Waterkwantiteit vormde in 2025 de kern van de gemeentelijke wateractiviteiten. De gemeente is verantwoordelijk voor het rioolbeheer en ziet toe op correcte aansluiting op het gemeentelijk stelsel. De doelstelling uit het Water- en Rioleringsplan (WRP) is het kunnen verwerken van 20 mm neerslag per uur, met maximaal 30 minuten water op straat. Het rioolstelsel is kwantitatief op orde en zodanig ingericht dat bij piekbelasting overtollig water, indien nodig, ook bovengronds kan worden afgevoerd. In enkele situaties was sprake van een hoge belasting van het systeem, met name tijdens extreme neerslag, maar grootschalige wateroverlast bleef uit.
In 2025 zette de gemeente verschillende maatregelen in om deze doelstelling te realiseren. Zo zijn filtratiesystemen aangelegd voor ondergrondse waterberging, zijn afkoppeltrajecten bij bestaande panden uitgevoerd, is op parkeerterreinen halfverharding toegepast en zijn brede wegen versmald om ruimte te creëren voor extra waterberging.
De hemelwaterverordening bepaalt dat particuliere perceeleigenaren in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor de verwerking van hemelwater op het eigen perceel. De gemeente heeft bewoners hierover actief geïnformeerd via een informatiefolder. Indien zelfstandige verwerking niet mogelijk was, kon hemelwater worden afgevoerd via het gemeentelijk riool. De gemeente beschikte in 2025 over voldoende opvangcapaciteit. De hemelwaterverordening is tevens in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet.
De buitendienst voerde in 2025 controles uit op het rioolstelsel en de aansluitingen. Daarbij werd regelmatig geconstateerd dat afvalwater onjuist was aangesloten op het regenwatersysteem. In overleg met bewoners zijn deze foutieve aansluitingen hersteld. Daarnaast werd de riolering periodiek gereinigd en geïnspecteerd om de werking en capaciteit van het stelsel te borgen. Hoewel hierover geen specifieke kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, geven de uitgevoerde werkzaamheden en het beperkte aantal meldingen aanleiding om te concluderen dat het stedelijk watersysteem naar behoren functioneerde.
De investeringen in waterberging en afkoppeling droegen bij aan het beperken van wateroverlast voor de omgeving en het verminderen van water op straat. Gezien de verwachte toename van extreme neerslag als gevolg van klimaatverandering blijft het noodzakelijk om structureel te investeren in waterberging en afkoppelmaatregelen.
In 2026 wordt het ingezette beleid voortgezet, met verdere investeringen in waterberging en verbetering van de informatievoorziening richting inwoners over zelfstandige opvang en verwerking van hemelwater.
4.3. Grondwateronttrekking
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Onder controle krijgen onttrekkingen in het buitengebied |
Verwerking onderzoeken buitengebied |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
Het toezicht op grondwateronttrekkingen in het buitengebied valt primair onder het Waterschap Scheldestromen. Voor het onttrekken van grondwater is een vergunning vereist, maar deze wordt niet altijd aangevraagd. Illegale onttrekkingen kunnen leiden tot verzakkingen en andere gevolgen in het buitengebied, waarmee de gemeente in de praktijk geconfronteerd kan worden. Officieel ligt de handhaving volledig bij het waterschap; provinciaal is dit ook een bekend klachtenpunt, maar daar komen weinig concrete acties uit.
De gemeente heeft zelf geen handhavingsbevoegdheid op dit gebied. Bij nieuwbouwprojecten of andere ontwikkelingen informeerde de gemeente in 2025 het waterschap wanneer zich mogelijke grondwaterproblematiek voordeed. Proactieve maatregelen, zoals het verbreden van sloten, vallen eveneens binnen de verantwoordelijkheid van het waterschap.
Een knelpunt in 2025 was het ontbreken van een gezamenlijk uitvoeringsprogramma en structurele rapportages over grondwateronttrekkingen. Het bestaande overleg met het waterschap was incidenteel en onvoldoende voor een constructieve samenwerking.
Voor 2026 zet de gemeente in op het versterken van de samenwerking met het waterschap door het overleg te intensiveren en de informatiedeling over grondwateronttrekkingen te verbeteren. Het doel is om tijdig inzicht te krijgen in mogelijke problemen en gezamenlijk passende maatregelen te kunnen afstemmen, binnen de verantwoordelijkheden van het waterschap.
4.4. Lokale prioriteit: Controle op verkeerde en illegale rioolaansluitingen
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Lokale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Controle op verkeerde en illegale rioolaansluitingen |
Rioolaansluitingen zijn op een juiste (en legale) wijze aangelegd |
Vermindering van het aantal constateringen van onjuiste rioolaansluitingen bij rioolinspecties |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
De gemeente heeft circa 10.000 rioolaansluitingen binnen haar beheergebied. Correcte scheiding van regen- en vuilwatersystemen is cruciaal: regenwater moet op het eigen perceel worden vastgehouden, terwijl vuilwater correct op het vuilwatersysteem moet worden aangesloten. Foutieve aansluitingen kunnen leiden tot storingen in het rioolstelsel, problemen bij pompsystemen en overbelasting bij hevige neerslag. Om deze reden is de controle op rioolaansluitingen als lokale prioriteit apart opgenomen.
De buitendienst van de gemeente voert inspecties en controles uit op de werking van het rioolstelsel en de aansluitingen. In 2025 werden circa 8 foutieve of illegale aansluitingen vastgesteld, voornamelijk veroorzaakt door onkunde of zelfstandige, niet-vergunde aansluiting van vuilwater op het regenwatersysteem. In het buitengebied werden bijvoorbeeld drains onjuist aangesloten, wat bij hevige regenval tot storingen kan leiden.
De gemeente hanteert een corrigerende aanpak: de bewoners worden geïnformeerd en begeleid bij het herstellen van de aansluiting. De aanpak is niet bestraffend, maar gericht op het veilig functioneren van het stelsel. Deze methode werkt goed; het aantal foutieve aansluitingen bleef beperkt tot circa 8 per 10.000 aansluitingen, en de buitendienst vervult een waardevolle signalerende rol.
De huidige corrigerende aanpak wordt voortgezet. Daarnaast wordt onderzocht of VTH een formele rol kan krijgen bij hardnekkige of herhaalde overtredingen, zodat juridische handhaving mogelijk wordt als correctief optreden niet voldoende is. Hiermee kan de gemeente de bescherming van het rioolsysteem verder versterken, terwijl de impact van foutieve aansluitingen zo beperkt mogelijk blijft.
4.5. Overige ontwikkelingen thema water
Kaderrichtlijn Water
De gemeente moet in 2027 voldoen aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Deze kan effecten hebben op bouwwerken die niet meer aan de eisen voldoen. Vergelijkbaar met stikstof moet worden beoordeeld of een bouwwerk de waterkwaliteit verslechtert. Dit kan gevolgen hebben voor VTH-taken. De weg naar naleving ligt grotendeels bij het waterschap.
PFAS-problematiek
De PFAS-problematiek vanuit de Westerschelde vroeg in 2025 blijvende aandacht. Door aerosolen komt PFAS landinwaarts en belandt op oppervlaktewater. De gemeente heeft in het bodembeheer beleid voor PFAS opgenomen, met name voor de strook achter de Westerscheldedijk. Dit vraagt goede afstemming tussen gemeente, waterschap en provincie.
Samenwerking met waterschap
Een aandachtspunt bleef de samenwerking met Waterschap Scheldestromen. Er was geen gezamenlijk uitvoeringsprogramma en het overleg was onvoldoende regelmatig en constructief. Voor verschillende onderwerpen had de gemeente informatie nodig die niet altijd tijdig beschikbaar was. Versterking van deze samenwerking is essentieel en staat voor 2026 op de agenda.
5. Groen
Het hoofddoel op het gebied van groen is het behouden en bevorderen van een hoge kwaliteit van de buitenruimte, het vergroten van de biodiversiteit van het openbaar groen en het inspelen op het veranderend klimaat. Voor de gemeente is het behoud en de versterking van de dijkbeplanting van bijzonder belang. De dijkenstructuur en dijkbeplanting worden gezien als kenmerkende en waardevolle groenstructuren in het buitengebied en vormen bovendien verbindende linten tussen dorpen en landschappen.
De gemeente vervult een regisserende rol bij het beheer en de bescherming van deze groenstructuren. Het team Groen geeft kapvergunningen af en ziet, samen met VTH en het domein Realisatie en Beheer, toe op de naleving van de herplantplicht. Daarnaast adviseert het team bij landschappelijke inpassingen en stimuleert het particuliere eigenaren om bij te dragen aan de versterking van de dijkbeplanting en biodiversiteit. In de volgende paragrafen wordt per prioriteit verantwoording afgelegd over de activiteiten en resultaten in 2025.
5.1. Natuurbrandrisico
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Geen grote groengebieden binnen de gemeente |
Geen meldingen |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
Het natuurbrandrisico is zo goed als nihil voor gemeente Borsele. De Natura2000-gebieden in de gemeente bestaan voornamelijk uit water. De meest voorkomende natuurgebieden bestaan uit de dorpsbossen en de dijkenstructuur met dijkbeplanting.
Natuurbrandrisico is geen relevant thema voor Borsele. Dit vraagt geen specifieke aandacht of inzet van VTH-capaciteit
5.2. Gebiedsbescherming
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Natuurdoelen bereiken en in stand houden |
Toepassing mitigerende maatregelen bij dorpsbossen |
|
Meer inzicht op naleving vergunningen en maatregelen |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
De gemeente heeft op het gebied van gebiedsbescherming een beperkte, coördinerende rol. Er zijn geen Natura 2000-gebieden op gemeentelijk grondgebied; het behoud van planten- en diersoorten is daarom primair een verantwoordelijkheid van de Provincie Zeeland en de RUD Zeeland, in samenwerking met Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Het Zeeuwse Landschap.
De gemeente ziet erop toe dat ruimtelijke plannen en lokale vergunningen geen negatieve effecten hebben op natuurwaarden en overlegt met betrokken partijen wanneer projecten mogelijk impact hebben. De uitvoering van toezicht, handhaving en vergunningverlening ligt bij de provincie en de RUD Zeeland.
Bijsturing 2026
In 2026 wordt deze coördinerende rol voortgezet. De gemeente blijft signaleren en afstemmen bij lokale projecten om te waarborgen dat natuurwaarden behouden blijven.
5.3. Soortenbescherming
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Bescherming van planten- en diersoorten |
Minder meldingen niet naleving van vergunningen en/of voorwaarden bij een melding |
|
Toepassing mitigerende maatregelen bij dorpsbossen |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
Bij ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt de gemeente de ecologische belangen en stelt op basis daarvan randvoorwaarden om een ontwikkeling mogelijk te maken. Waar nodig wordt een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het bevoegd gezag voor deze vergunningen en randvoorwaarden ligt bij de gemeente. De RUD Zeeland voert het toezicht en advisering uit namens de gemeente, bijvoorbeeld door de QuickScans te beoordelen en te controleren of mitigerende maatregelen worden uitgevoerd.
Bij grotere ontwikkelingen worden mitigerende maatregelen opgelegd, zoals het plaatsen van broedkastjes voor vleermuizen en vogels. In 2025 zijn naar schatting circa 50 kastjes bij specifieke projecten geplaatst. Deze maatregelen zijn meestal eenmalig en gericht op het beperken van de directe ecologische impact van de ontwikkeling.
Het overleg met het team Vergunningverlening verloopt goed, maar het toezicht op naleving van voorwaarden en mitigerende maatregelen is beperkt. De gemeente beschikt niet over voldoende capaciteit voor structurele controle bij individuele projecten, waardoor de verantwoordelijkheid voor naleving en handhaving soms onduidelijk blijft.
Bijsturing 2026
In 2026 wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen nauwer samengewerkt met alle betrokken partijen. De gemeente voert meer controles uit op ingediende stukken en adviezen en ziet toe op een striktere naleving van de gestelde voorwaarden en maatregelen bij ecologische belangen.
Daarnaast wordt de rol van de RUD Zeeland bij de uitvoering van QuickScans Flora en Fauna verder verduidelijkt en wordt gewerkt aan betere terugkoppeling over de resultaten en naleving van de geadviseerde maatregelen. Op deze manier kan de gemeente haar verantwoordelijkheid als bevoegd gezag beter waarmaken en worden de ecologische belangen beter beschermd.
5.4. Lokale prioriteit: Dijkenstructuur met dijkbeplanting
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Lokale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Alleen vergunde kap wordt toegestaan |
Op 100% van de meldingen of constateringen van kap zonder vergunning wordt gehandhaafd |
|
Toezien op herplantplicht |
100% van de herplantplicht wordt uitgevoerd |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
De dijkenstructuur met beplanting in de gemeente wordt aangemerkt als een kenmerkende en waardevolle verbinding tussen de dorpen en het landschap. Het behoud van deze dijkbeplanting is een primaire doelstelling van het Omgevingsplan en draagt bij aan biodiversiteit en de versterking van inheemse beplanting. Bomen op dijken zijn beschermd. Voor een aantal bomen geldt een vrijstelling, zolang binnen 3 jaar op maximaal 5 meter van de oorspronkelijke locatie wordt herplant.
In 2025 zijn de indicatoren voor toezicht en naleving van de herplantplicht niet behaald. Er wordt feitelijk onvoldoende gecontroleerd op het kappen van bomen zonder vergunning en op het naleven van de herplantplicht. Bij terreinbeheerders zoals het waterschap en Natuurmonumenten verloopt herplant goed, maar bedrijven, boeren en particuliere eigenaren laten regelmatig steken vallen. Adequaat toezicht op dijkbeplanting en herplantplicht vereist naar schatting 200 uur per jaar en specifieke groenkennis, waarvan scholing moeilijk te organiseren is. Bovendien bemoeilijkt de wettelijke termijn voor herplanting (het eerste plantseizoen na voltooiing) tijdige controle door toezichthouders.
Bijsturing 2026
Voor 2026 krijgt het toezicht en de handhaving van kapregels en de herplantplicht een hogere prioriteit. Inwoners en eigenaren worden beter geïnformeerd over de herplantplicht en over het belang van dijkbeplanting voor biodiversiteit en de versterking van inheemse soorten.
Daarnaast wordt samen met het domein Vergunningverlening en Veiligheid onderzocht hoe handhaving bij overtredingen effectiever en structureler kan worden uitgevoerd. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden om de capaciteit voor toezicht te vergroten en toezichthouders beter te scholen op groenkennis, zodat controle en handhaving daadwerkelijk kan plaatsvinden.
5.5. Lokale prioriteit: Inpassing van (agrarische) bedrijvenbebouwing en waterbassins
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Lokale (en ambtelijke) prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Extra controle na gereedmelding om te controleren of landschappelijke inpassing ook gebeurt |
100% van vereiste inpassing vindt daadwerkelijk plaats |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
Bedrijvenbebouwing en waterbassins komen in het buitengebied vaak voor en moeten ruimtelijk inpasbaar zijn om het polderlandschap en de karakteristieke groenstructuren te behouden. Bij de behandeling van omgevingsvergunningen is een goede groene inpassing daarom een verplichte voorwaarde. Na ontvangst van de gereedmelding wordt gecontroleerd of de landschappelijke inpassing conform de voorwaarden is uitgevoerd.
In de praktijk wordt echter niet altijd voldaan aan de gestelde voorwaarden. Naar schatting wordt tweederde van de vereiste landschappelijke inpassingen niet uitgevoerd. Een belangrijk knelpunt is dat waterbassins die als teeltondersteunende voorziening worden geplaatst, intern op een andere manier worden getoetst en niet altijd onder de regels van het Omgevingsplan vallen. Daarnaast bemoeilijkt de wettelijke termijn voor herplanting (het eerste plantseizoen na voltooiing van de bouw) tijdige controle door toezichthouders.
Bijsturing 2026
In 2026 wordt de aanpak voortgezet en versterkt. Bij nieuwe aanvragen voor omgevingsvergunningen blijft een goede groene inpassing een harde voorwaarde. Na afgifte van de vergunning wordt actief toezicht gehouden op de uitvoering van de landschappelijke inpassing, waarbij gecontroleerd wordt of de voorwaarden volledig zijn nageleefd. Bij constateringen van niet-naleving wordt handhavend opgetreden. Daarnaast wordt het beleid geactualiseerd, zodat het bestaande hiaat bij waterbassins als teeltondersteunende voorziening wordt gedicht, en toezicht en vergunningverlening op een consistente manier kunnen plaatsvinden.
6. Leefbaarheid
Leefbaarheid vormt een belangrijk onderdeel van het VTH-beleid van de gemeente. In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop toezicht en handhaving zijn ingezet op de regionaal vastgestelde prioriteiten binnen het thema leefbaarheid. De focus ligt daarbij op activiteiten waarvoor de gemeente zelf verantwoordelijk is en op de uitvoering van taken die bijdragen aan een veilige, ordelijke en toegankelijke openbare ruimte.
De gemeente ziet erop toe dat plaatselijke verordeningen en bijzondere wetten worden nageleefd, zodat bewoners en bezoekers de openbare ruimte op een prettige en veilige manier kunnen gebruiken. Dit betreft onder meer het voorkomen en aanpakken van overlast, het toezien op het ordelijk verloop van evenementen en het handhaven van afspraken die de leefbaarheid in wijken en dorpen ondersteunen.
De uitvoering van deze taken ligt grotendeels bij de gemeentelijke Boa’s, die zowel bestuurlijk toezicht houden als strafrechtelijk kunnen optreden als Buitengewoon Opsporingsambtenaar Domein I Openbare Ruimte. Waar nodig wordt samengewerkt met ketenpartners, zoals de politie en de RUD Zeeland, bijvoorbeeld bij geluidmetingen tijdens evenementen. Deze samenwerking is essentieel voor een effectieve uitvoering van het VTH-beleid binnen het thema leefbaarheid.
6.1. Evenementen
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale (en lokale) prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Zeeuwse evenementen zijn veilig en duurzaam georganiseerd |
Aantal ernstige incidenten tijdens evenementen (0) |
|
Het aantal klachten/meldingen t.o.v. eerdere edities neemt structureel af |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
De gemeente hecht groot belang aan de veiligheid en het ordelijk verloop van evenementen. In het IHUP van vorig jaar is opgenomen dat het structurele toezicht wordt doorgezet op B- en B+ evenementen, met extra aandacht voor de naleving van veiligheidsvoorschriften. Door actiever toezicht wordt beoogd de veiligheid van bezoekers, organisatoren en omwonenden te waarborgen.
In 2025 zijn binnen de gemeente in totaal 62 A-evenementen, 22 B-evenementen en 3 B+ evenementen georganiseerd. Omwille van de risico’s is het toezicht primair gericht op de B- en B+-evenementen. Voor B-evenementen is structureel toezicht van de grond gekomen; er zijn 21 controles uitgevoerd bij ongeveer 22 B-evenementen, waarmee vrijwel alle evenementen in deze categorie zijn gecontroleerd. De drie B+ evenementen kregen, gezien hun omvang en risicoprofiel, extra aandacht in de voorbereiding, uitvoering en evaluatie.
Voor A-evenementen is risicogestuurd toezicht toegepast. De risicoanalyse vindt plaats in het APV-overleg, waar het evenement integraal wordt besproken. Op basis van ervaring met eerdere edities en bekende aandachtspunten wordt beoordeeld of toezicht tijdens het evenement noodzakelijk is. Grotere evenementen en evenementen waarvan bekend is dat zij in het verleden overlast hebben veroorzaakt, worden geëvalueerd. De uitkomsten van deze evaluaties worden besproken met organisatoren en waar nodig vertaald naar aanvullende voorwaarden of aanpassingen voor volgende edities.
De gemeente onderhoudt korte lijnen met organisatoren, onder meer via een maandelijks evenementenoverleg waarbij ook de politie is aangesloten. Deze werkwijze functioneert goed en draagt bij aan wederzijds begrip en het proactief signaleren en aanpakken van mogelijke knelpunten. Voor organisatoren is het aanvragen van een evenementvergunning laagdrempelig ingericht via een digitaal aanvraagformulier op de gemeentelijke website. Dit draagt bij aan een tijdige en volledige aanvraag en maakt het mogelijk om veiligheidsaspecten vroegtijdig te beoordelen en passende toezichtmaatregelen te treffen.
In 2025 zijn daarnaast regels opgesteld voor geluid en eindtijden bij evenementen. Voor het Stengeplein, waar eerder veel overlast werd ervaren, is een maximumeis vastgesteld.
Bijsturing 2026
Voor 2026 wordt ingezet op het verder professionaliseren en uniformeren van het evenementenbeleid. Daarbij wordt onderzocht of de RISKOM-risicoanalyse kan worden toegepast om te komen tot een meer onderbouwde en consistente risicoanalyse bij B+ evenementen.
Het uitgangspunt blijft dat bij alle B-evenementen toezicht wordt ingezet, tenzij op basis van een uitgevoerde risicoanalyse kan worden gemotiveerd dat dit niet noodzakelijk is. Voor A-evenementen wordt risicogestuurd toezicht voortgezet.
Daarnaast blijft de gemeente inzetten op vroegtijdig overleg met organisatoren en het structureel evalueren van B+ evenementen, zodat leerpunten kunnen worden meegenomen in volgende edities en toezicht en handhaving zo effectief mogelijk kunnen worden ingezet.
6.2. Illegale recreatie
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale (maar geen lokale) prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Geen illegale overnachtingen (in natuurgebieden, op parkeerplaatsen etc.) |
Zo minimaal mogelijk aantal geconstateerde illegale overnachtingen. Afgelopen jaar (2025) zijn hier geen constateringen geweest. |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
Illegale recreatie is in 2025 een lage prioriteit gebleven voor de gemeente Borsele. Er zijn geen specifieke VTH-activiteiten uitgevoerd op dit onderwerp.
Binnen de gemeente zijn nauwelijks signalen of meldingen van illegale recreatie ontvangen, wat aansluit bij het beeld van voorgaande jaren. In de beperkte gevallen waarin een melding werd gedaan, bleek bij aankomst van de boa’s dat betrokkenen vaak al waren vertrokken, waardoor geen constateringen zijn gedaan.
Gezien het zeer lage aantal meldingen en het ontbreken van overtredingen is actieve inzet van toezicht en handhaving niet noodzakelijk gebleken. De gemeente blijft wel aangesloten bij de regionale samenwerking met onder andere de provincie, natuurorganisaties en de politie, zodat bij een eventuele toename van illegale recreatie tijdig kan worden opgeschaald.
Bijsturing 2026
Voor 2026 blijft illegale recreatie een lage prioriteit binnen de gemeente Borsele. Er wordt geen actief toezicht ingezet, tenzij signalen of meldingen aanleiding geven om de inzet te heroverwegen. In dat geval wordt, waar nodig, aangesloten bij de regionale samenwerking met betrokken partners.
6.3. Gescheiden afvalinzameling particulieren
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Particulieren bieden hun afval op de juiste (gescheiden) wijze aan |
Percentage verkeerd aangeboden afval, op basis van steekproeven (<10%) |
|
Ontwikkeling van door afvalverwerkers afgekeurde dan wel ‘vervuilde’ partijen ingezameld huisvuil (dalende trend of evt. uit data afvalverwerkers een concreet percentage benoemen) |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 zijn binnen het thema leefbaarheid geen specifieke VTH-activiteiten uitgevoerd op het gebied van gescheiden afvalinzameling bij particulieren. Er zijn door de Boa’s geen steekproeven gehouden en er heeft geen handhaving plaatsgevonden vanuit toezicht en handhaving openbare ruimte.
De uitvoering van voorlichting, monitoring en controle op afvalscheiding bij particulieren vindt plaats binnen het kader van het VANG-plan, dat is opgenomen als lokale prioriteit binnen het thema Milieu. Binnen dit programma treedt de afvalcoach voorlichtend en signalerend op.
Bijsturing 2026
Dit onderwerp blijft onderdeel van het VANG-plan en wordt ook in 2026 vanuit het thema Milieu opgepakt.
6.4. Geluidhinder openbare ruimte
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Beperken van geluidhinder door activiteiten in de openbare ruimte (of evenementen) |
Het aantal overlastmeldingen neemt af |
|
Percentage inspecties met geconstateerde overtredingen per LHSO-categorie (Zwaar: 0%, Midden: 10% Licht: 25%) |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 is geluidhinder in de openbare ruimte niet als afzonderlijke prioriteit opgepakt. Geluidsoverlast doet zich in de gemeente voornamelijk voor in relatie tot evenementen en in mindere mate horeca. Deze situaties worden behandeld binnen de bestaande werkprocessen voor evenementen en horeca.
Bij evenementen is specifiek aandacht voor het beperken van geluidsoverlast. De gemeente stelt geluidsnormen en eindtijden vast en beoordeelt deze bij vergunningverlening. De RUD Zeeland adviseert hierbij over geluidsnormen en voert waar nodig geluidsmetingen uit. In de Verordening fysieke leefomgeving is de samenwerking met de RUD bij geluidmetingen vastgelegd. Daarnaast worden bij evenementen waar eerder klachten zijn ontvangen maatregelen besproken met organisatoren, bijvoorbeeld het aanpassen van podia of het toepassen van geluidsbeperkende maatregelen.
Geluidhinder door andere activiteiten in de openbare ruimte komt in de praktijk weinig voor. Het aantal meldingen hierover is zeer beperkt. Wanneer meldingen worden gedaan, gaat het doorgaans om incidentele situaties in de woonomgeving, zoals geluid van dieren (bijvoorbeeld hanengekraai) of installaties zoals warmtepompen. Op basis van het lage aantal meldingen is geconcludeerd dat structureel toezicht op dit onderwerp niet noodzakelijk is.
Bijsturing 2026
Ook in 2026 wordt geluidhinder niet als afzonderlijke prioriteit opgepakt. Geluidsoverlast wordt behandeld binnen de bestaande werkprocessen voor evenementen en horeca. Indien meldingen over geluidhinder buiten deze context toenemen, kan de inzet worden heroverwogen.
6.5. Huisvesting arbeidsmigranten (welzijn/overlast)
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Beperken van overlast door arbeidsmigranten |
Aantal klachtmeldingen (afname) |
|
Verminderen van arbeidsuitbuiting van arbeidsmigranten |
Percentage inspecties met geconstateerde overtredingen per LHS-categorie (Zwaar: 0%, Midden: 10%, Licht: 25%) |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 zijn er binnen de gemeente Borsele slechts incidenteel klachten ontvangen over overlast door arbeidsmigranten. Als meldingen worden gedaan over overlast, dan komen deze vaak bij de politie terecht. Om de leefbaarheid en het welzijn van arbeidsmigranten te waarborgen, is ingezet op een integrale aanpak tijdens fruitplukcontroles. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar arbeidsomstandigheden, maar ook naar huisvesting, veiligheid en eventuele verloedering.
Daarnaast zijn er controles uitgevoerd op basis van de leegstandslijst, om strijdig gebruik en mogelijke risico’s voor overlast vroegtijdig te signaleren. De Boa’s ondersteunen deze integrale controles waar nodig, wat bijdraagt aan een breed toezicht op zowel leefbaarheid als omgevingsrechtelijke aspecten.
In 2025 bleven recreatieparken een bestuurlijk aandachtspunt gekregen. Boa’s controleren op deze parken op illegale (permanente) bewoning en de huisvesting van arbeidsmigranten. Dit is een groeiend aandachtspunt dat structurele inzet vraagt. Door personeelsuitval is dit onderwerp echter tijdelijk minder opgepakt dan gewenst.
De overlast door arbeidsmigranten blijft beperkt, en er zijn weinig klachten ontvangen.. De combinatie van toezicht, integrale controles en samenwerking met andere ketenpartners zorgt ervoor dat mogelijke problemen vroegtijdig worden gesignaleerd en aangepakt.
Bijsturing 2026
In 2026 wordt de integrale aanpak bij fruitplukcontroles voortgezet, waarbij wordt gekeken naar arbeidsomstandigheden, huisvesting, veiligheid en verloedering. Daarnaast wordt intern verder verduidelijkt welke afdeling de regie voert over dit onderwerp, zodat verantwoordelijkheden en processen beter worden geborgd. Ook wordt rekening gehouden met nieuwe ontwikkelingen, zoals de invoering van de verplichte digitale nachtregistratie per 1 januari 2026. Parallel hieraan wordt gewerkt aan de herziening van het beleid, waarbij onder meer beheer en registratie nadrukkelijker worden meegenomen. Tot slot blijft de inzet gericht op preventie en informatieverstrekking aan betrokken partijen.
De aandacht voor recreatieparken wordt versterkt door actief toezicht te houden op illegale (permanente) bewoning en de huisvesting van arbeidsmigranten. Structurele inzet en samenwerking met andere ketenpartners blijven van belang om mogelijke overlast vroegtijdig te signaleren en aan te pakken.
6.6. Lokale prioriteit: Jeugd
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Lokale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Beperken van jeugdoverlast |
Aantal klachten jeugd gerelateerde meldingen (afname) |
|
Creëren van veilige en gezonde omgeving voor jeugd |
Percentage inspecties met geconstateerde overtredingen per LHSO-categorie (Zwaar: 0%, Midden: 10%, Licht: 25%) |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 is geconstateerd dat de signalen en meldingen van jeugdoverlast toenemen en dat overlast op sommige locaties intensiever is geworden. De gemeente zet hier actief op in door een tweesporenbeleid: enerzijds handhaving, anderzijds preventieve interventies gericht op het wegnemen van onderliggende oorzaken van overlast.
Handhaving vindt plaats op basis van het verbod op toegang voor onbevoegden. Actief toezicht is vooral gericht op hotspots, zoals schoolpleinen en andere locaties waar jongeren samenkomen. Door jongeren weg te sturen van deze plekken wordt escalatie voorkomen en overlast beperkt. De registratie van meldingen en constateringen gebeurt systematisch via BRS.
Het preventieve spoor wordt vormgegeven binnen de Lokaal Persoons Gerichte Aanpak (voorheen Jeugd Preventie Overleg). De gemeente blijft samenwerking zoeken met scholen, buurthuizen en jeugdorganisaties om jongeren te stimuleren deel te nemen aan positieve activiteiten en op deze manier overlast te voorkomen.
Door de combinatie van gerichte handhaving op hotspots en preventieve interventies blijft jeugdoverlast beheersbaar, ondanks de toegenomen signalen van overlast. De integrale aanpak voorkomt escalatie, beperkt overlast en draagt bij aan een veilige omgeving voor jongeren. Tegelijkertijd wordt erkend dat het beperkte instrumentarium van de Boa’s en het gedeeltelijk wegvallen van preventie het lastig maakt om alle situaties volledig aan te pakken. De gemeente blijft daarom actief surveilleren en prioriteit geven aan locaties en situaties waar de risico’s het grootst zijn.
Bijsturing 2026
Voor 2026 wordt de integrale aanpak van jeugdoverlast voortgezet. Deze bestaat uit handhaving en samenwerking met scholen, buurthuizen en jeugdorganisaties om programma’s voor jongeren te ontwikkelen.
Hotspots blijven structureel gecontroleerd, en bij recente meldingen wordt snel opgetreden. Daarnaast wordt gekeken naar mogelijkheden om preventie weer meer vorm te geven, in samenwerking met andere gemeentelijke domeinen en externe partners.
6.7. Lokale prioriteit: Horeca (alcoholwet)
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Lokale (en ambtelijke) prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Verminderen van horeca gerelateerde meldingen en incidenten |
Aantal klachtmeldingen horeca gerelateerd (-25%) |
|
Minder overmatig alcoholgebruik onder jeugd in de horeca |
Aantal signaleringen/meldingen (afname) |
|
|
Verbetering van de naleving van regelgeving door horecaondernemingen |
Aantal overtredingen op BW (horeca gerelateerd) (-50%), Horecabestand volledig en actueel |
Welke VTH-activiteiten zijn uitgevoerd?
In 2025 zijn er weinig meldingen van overlast in de horeca gedaan. Structurele overlast is niet geconstateerd. Wel blijven regelmatig overtredingen van de Alcoholwet voorkomen, vooral bij sportverenigingen en kantines, waarbij alcohol wordt verstrekt aan jongeren onder de 18 jaar.
Handhaving op de Alcoholwet is 2025 niet uitgevoerd zoals beoogd. De gemeente had het toezicht uitbesteed aan een externe partner, die niet over voldoende capaciteit beschikte voor leeftijdscontroles en controles na nieuwe alcoholvergunningen. Daarnaast beschikt de gemeente zelf niet over alcoholbevoegde Boa’s; vanwege hun lokale bekendheid wordt opleiden tot alcoholbevoegdheid niet als geschikt gezien. Ook geldt een gedoogconstructie voor horecavergunningen: zolang een aanvraag loopt en de eerste toets positief is, mogen ondernemers starten. Dit ondersteunt het ondernemersklimaat, maar vraagt goede monitoring om naleving van de regels te waarborgen. Hierdoor konden de in het IHUP voorziene alcoholcontroles slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd. Voor 2026 heeft het volledig uitvoeren van deze controles de hoogste prioriteit.
Tegelijkertijd zijn preventie en voorlichting actief ingezet. Er zijn campagnes uitgevoerd, zoals Nix<18 en informatievoorziening via 101, gericht op zowel verstrekkers als (jeugdige) gebruikers. Bij sportverenigingen en kantines wordt informatie verstrekt over verantwoord alcoholgebruik. De gemeente steekt in op het ondersteunen van deze preventieve aanpak, waardoor een breed netwerk van voorlichting en ondersteuning is opgebouwd. Het effect van de campagnes is op basis van beschikbare gegevens moeilijk meetbaar, maar de inzet sluit aan bij de prioriteit voor Horeca en Jeugd.
Beleidsmatig zijn stappen gezet om de uitvoering en handhaving te ondersteunen. De APV is herzien, met een bijlage voor exploitatievergunningen, en het Bibob-beleid is uitgebreid. Tegelijkertijd bevat het horecabestand nog enkele oude vergunningen die inhoudelijk niet volledig actueel zijn; actualisering hiervan wordt als project opgepakt. Deze beleidskaders maken het mogelijk om handhaving en vergunningverlening structureel te borgen.
Door de combinatie van voorlichting, preventie en beperkte handhaving blijft horecaoverlast beheersbaar, maar het aantal controles blijft achter bij de behoeften. Het ontbreken van alcoholbevoegde boa’s en de beperkte capaciteit van de externe partij hebben geleid tot minder toezicht dan noodzakelijk is, waardoor risico’s voor naleving en volksgezondheid blijven bestaan. Tegelijkertijd laat de inzet op preventieve maatregelen en samenwerking met sportverenigingen, kantines en andere partijen in het voorliggende veld zien dat de gemeente actief werkt aan het bevorderen van naleving en verantwoord alcoholgebruik onder jongeren.
Bijsturing 2026
Voor 2026 wordt de handhaving van de Alcoholwet verder versterkt. De afspraken met de externe partner worden goed geborgd, zodat controles volgens planning kunnen plaatsvinden, met bijzondere aandacht voor type 2 controles (vastgelegd in het Preventie- en Handhavingsplan Alcohol Borsele 2022-2025). Controles bij paracommerciële vergunninghouders, zoals sportverenigingen, worden geïntensiveerd.
Wat betreft vergunningen worden de eerder verleende horecavergunningen tegen het licht gehouden. Bij nieuw verleende vergunningen wordt gestreefd naar controle binnen drie maanden na verlening.
Voorlichting en preventie worden voortgezet, met extra nadruk op sportverenigingen, zodat verstrekkers bewust worden gemaakt van de regels en het verantwoord alcoholgebruik onder jongeren wordt bevorderd.
6.8. Overige ontwikkelingen thema leefbaarheid
In 2025 doen zich enkele ontwikkelingen voor die relevant zijn voor het thema leefbaarheid, zonder dat ze direct onder de eerder besproken prioriteiten vallen. De precieze impact van deze ontwikkelingen op de dagelijkse inzet van VTH en Boa’s is nog niet inzichtelijk, maar het is duidelijk dat flexibel inspelen op nieuwe taken en risico’s belangrijk blijft.
Het nieuwe Bibob-beleid, dat in februari 2025 in werking is getreden, is verbreed en leidt tot een toename van het aantal zaken. Het beleid heeft er in enkele gevallen toe geleid dat aanvragers zich tijdens het Bibob-onderzoek terugtrekken. Voor de bredere context van ondermijning wordt verwezen naar de paragraaf ‘Ondermijning’ onder het thema ‘Samenwerking’.
Vanaf volgend jaar treedt een landelijk vuurwerkverbod in werking. Tijdens de jaarwisseling zal dit naar verwachting extra inzet van VTH en Boa’s vergen, zowel voorafgaand aan de feestperiode (bijvoorbeeld toezicht op illegale verkoop) als tijdens de dagen zelf (bijvoorbeeld optreden bij overlast of overtredingen).
Deze ontwikkelingen tonen aan dat het werkveld van leefbaarheid continu verandert en dat VTH en Boa’s flexibel moeten kunnen inspelen op nieuwe taken en risico’s, terwijl de concrete impact op capaciteit en inzet nog gemonitord moet worden.
7. Samenwerking
Het hoofddoel op het gebied van samenwerking is het effectief en efficiënt uitvoeren van VTH-taken door goede samenwerking met ketenpartners. De gemeente werkt samen met verschillende partners zoals de RUD Zeeland, Veiligheidsregio Zeeland (VRZ), Waterschap Scheldestromen, politie, andere gemeenten en terreinbeheerders.
In de regionale probleem- en risicoanalyse zijn enkele thema's van samenwerking opgenomen. In de volgende paragrafen geven we aan hoe de gemeente Borsele in 2025 heeft bijgedragen aan deze samenwerkingsthema's.
7.1. Ondermijning
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Tegengaan van ondermijnende activiteiten |
100% van vereiste toetsingen volgens Bibob-beleid uitgevoerd |
Wat hebben we gedaan?
In 2025 is het Bibob-beleid van de gemeente Borsele geactualiseerd en verder uitgebreid. Sinds 1 januari 2024 toetst de gemeente niet alleen op horeca, maar ook op Omgevingsrecht en Vastgoed. Deze uitbreiding is in februari 2025 verder verfijnd, zodat alle vereiste toetsingen volgens het beleid daadwerkelijk worden uitgevoerd. In alle gevallen waarin volgens het Bibob-beleid een Bibob-toets uitgevoerd had moeten worden, is dit ook daadwerkelijk uitgevoerd. In totaal zijn 30 Bibob-toetsingen uitgevoerd. Door deze werkwijze wordt vroegtijdig gesignaleerd of aanvragers mogelijk betrokken zijn bij ondermijnende activiteiten.
Het beleid heeft er in enkele gevallen toe geleid dat aanvragers zich tijdens het Bibob-onderzoek terugtrekken. Hoewel dit tijd kost en niet resulteert in een vergunning, voorkomt het dat de gemeente onbewust ondermijnende activiteiten faciliteert. Dit laat zien dat het Bibob-beleid een preventieve werking heeft en bijdraagt aan de integriteit van vergunningverlening.
De gemeente is aangesloten bij de regionale Bibob-kamer, waardoor informatie wordt uitgewisseld met andere gemeenten. Op dit moment vindt deze samenwerking nog beperkt plaats en de informatie-uitwisseling is nog niet volledig geïntegreerd in de dagelijkse VTH-praktijk. Desondanks biedt de regionale samenwerking kansen om van ervaringen in andere gemeenten te leren en de uitvoering van het Bibob-beleid verder te verbeteren.
Bijsturing 2026
Voor 2026 blijft de gemeente alle vereiste Bibob-toetsingen uitvoeren conform het beleid. Daarnaast wordt onderzocht hoe de samenwerking in de regionale Bibob-kamer kan worden versterkt, zodat de uitwisseling van kennis en ervaringen optimaal benut wordt en de preventieve werking van het beleid verder kan worden vergroot.
7.2. Ketentoezicht
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Vastleggen van afspraken in welke gevallen en in welke mate ketentoezicht plaatsvindt, en hiertoe ook bindende afspraken maken |
Mate waarin de kwantitatieve afspraken ketentoezicht worden behaald (tenminste voor 90%) |
Wat hebben we gedaan?
In 2025 heeft de gemeente Borsele het ketentoezicht conform de uitgangspunten uit het UVP uitgevoerd. Het toezicht is integraal opgezet en vindt plaats in samenwerking met diverse ketenpartners, voornamelijk met de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) en in mindere mate met de RUD Zeeland. Ook met de buurgemeenten Kapelle en Reimerswaal is samengewerkt; op basis van een samenwerkingsovereenkomst zijn Boa’s bevoegd om in elkaars gemeenten toezicht uit te oefenen.
Een belangrijk onderdeel van het ketentoezicht in 2025 was de uitvoering van integrale fruitplukcontroles. Tijdens deze controles worden meerdere aspecten tegelijk beoordeeld, zoals arbeidsomstandigheden en huisvesting van arbeidsmigranten, veiligheid en eventuele verloedering. Deze integrale aanpak blijkt effectief: meerdere onderwerpen kunnen in één bezoek worden gecontroleerd en opgevolgd, waardoor potentiële problemen vroegtijdig worden gesignaleerd.
Op strategisch niveau heeft de gemeente deelgenomen aan de regionale afstemming van het VTH-beleid. et jaarplan en jaarverslag VTH van Borsele volgen het Zeeuwse format en de prioriteiten van de regio. Dit vergemakkelijkt vergelijking tussen gemeenten en kennisuitwisseling. Vergunningverlening, toezicht en handhaving op milieutaken zijn belegd bij de RUD Zeeland, met afstemming via het deelnemersoverleg en rechtstreekse lijnen voor dossierniveau. Advies en toezicht op brandveiligheid zijn belegd bij de VRZ, die op basis van jaarplannen en signalen controles uitvoert, en aansluit bij gezamenlijke thematische controles.
Het ketentoezicht functioneert goed, zowel operationeel als strategisch. De integrale aanpak bij fruitplukcontroles maakt het mogelijk om meerdere aspecten tegelijk te beoordelen, waardoor efficiënt toezicht kan plaatsvinden. De regionale afstemming en samenwerking met andere gemeenten, RUD en VRZ vergroten de capaciteit, expertise en uniforme aanpak van toezicht en handhaving.
Een aandachtspunt is dat afspraken over ketentoezicht nog niet overal formeel zijn vastgelegd. Dit kan leiden tot onduidelijkheid over verantwoordelijkheden of prioriteiten, met name bij bijzondere casuïstiek of spoedsituaties.
Bijsturing 2026
Voor 2026 wordt ingezet op:
- •
Het formaliseren van afspraken over ketentoezicht met VRZ, RUD en buurgemeenten, zodat duidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is en welke communicatiekanalen bij bijzondere situaties worden gebruikt.
- •
Voortzetting van de integrale aanpak bij fruitplukcontroles en andere gecombineerde controles.
- •
Intensivering van de regionale samenwerking om kennisuitwisseling en uniformiteit in VTH-beleid verder te verbeteren.
- •
Door deze acties te borgen, wordt het ketentoezicht structureel versterkt en kan de gemeente Borsele efficiënt en doelgericht blijven toezien op veiligheid, leefbaarheid en naleving van regelgeving.
7.3. Uitwisseling expertise
Beoogd maatschappelijk effect (subdoel)
|
Regionale prioriteit |
Subdoel |
Indicatoren (streefwaarde) |
|
Expertise wordt uitgewisseld zodat niet iedereen het wiel hoeft uit te vinden |
Percentage gemeenten dat deelneemt in tenminste een VTH-samenwerkingsactiviteit (100%) |
Wat hebben we gedaan?
In 2025 heeft de gemeente Borsele actief deelgenomen aan regionale overleggen en netwerken voor uitwisseling van expertise op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Zo is bijgedragen aan het gezamenlijk VTH-beleid van de dertien Zeeuwse gemeenten, wat een uniforme uitvoering bevordert en voorkomt dat gemeenten het wiel opnieuw moeten uitvinden.
Strategische samenwerking vond plaats binnen de SORBET-gemeenten (Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal en Tholen) en in het Ambtelijk en Bestuurlijk Overleg Omgevingsrecht (AOOR en BOOR). Op operationeel niveau kan Borsele via de samenwerkingsovereenkomst voor Boa’s domein I en II ook gebruikmaken van capaciteit en specifieke expertise van andere gemeenten, bijvoorbeeld bij het afnemen van verhoren of opmaken van processen-verbaal.
De uitwisseling van expertise heeft bijgedragen aan een betere uitvoering van VTH-taken en een flexibele inzet van capaciteit. Wel blijkt dat de regionale kennisuitwisseling in 2025 niet altijd zo actief was als gewenst en dat de bijdrage van Borsele op sommige onderdelen groter kan zijn.
Bijsturing 2026
Voor 2026 wordt ingezet op een actievere deelname aan de SORBET-samenwerking en het regieteam VTH. Hierbij wordt kennis uitgewisseld over het VTH-uitvoeringsprogramma van andere gemeenten en operationele samenwerking waar nodig ingezet, zodat expertise en capaciteit optimaal worden benut.
8. Borging van middelen en kwaliteit
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de bemensing en borging van middelen voor de uitvoering van de VTH-taken. Voor team Vergunningen & Veiligheid (V&V) is een capaciteitsberekening gemaakt. Deze capaciteitsberekening heeft uitsluitend betrekking op de reguliere werkzaamheden van dit team. Specialistische werkzaamheden die buiten deze reguliere werkvoorraad vallen, zoals de BRIKS-taken in het Sloegebied, zijn bewust niet meegenomen in deze berekening en worden afzonderlijk verantwoord in paragraaf 2.7 van het hoofdstuk Bouwen. De overige werkzaamheden vallen binnen andere teams en zijn eveneens buiten beschouwing gelaten.
Bij het opstellen van de capaciteitsberekening zijn alle prioriteiten uit het uitvoeringsprogramma betrokken, voor zover deze leiden tot werkzaamheden binnen het team V&V. Niet alle activiteiten die voortvloeien uit deze prioriteiten landen echter (volledig) bij dit team; een deel van de uitvoering ligt bij andere teams of externe partners. De capaciteitsberekening beperkt zich daarom tot die werkzaamheden die daadwerkelijk door team V&V worden uitgevoerd en waarvan de inzet voldoende inzichtelijk kon worden gemaakt.
Voor het opstellen van de capaciteitsberekening is gebruikgemaakt van een dashboard dat inzicht geeft in de verhouding tussen benodigde en beschikbare capaciteit. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen directe werkzaamheden en indirecte werkzaamheden (zoals overleg, afstemming, beleidsontwikkeling en procesverbetering). Door beide typen werkzaamheden expliciet mee te nemen, ontstaat een realistische inschatting van de totale inzet van het team.
De capaciteitsberekening is gebaseerd op praktijkgegevens die zijn opgehaald in werksessies met de medewerkers. Voor de directe werkzaamheden is gewerkt met kengetallen die zijn afgestemd met het team en getoetst aan landelijke benchmarkgegevens. Waar nodig zijn deze kengetallen aangepast aan de lokale werkwijze en context. Voor de indirecte werkzaamheden is uitgegaan van een jaarlijkse uurbesteding per medewerker, vastgesteld in overleg met het team.
De verzamelde gegevens zijn samengebracht in het dashboard, dat inzichtelijk maakt waar sprake is van voldoende capaciteit en waar eventuele knelpunten ontstaan. De uitkomsten vormen de basis voor de duiding van de beschikbare capaciteit binnen team V&V en ondersteunen het gesprek over werkdruk, prioritering en de borging van een evenwichtige inzet van mensen en middelen.
8.1. Middelen en kwaliteit Omgevingsrecht
|
Functie |
Directe werkzaamheden |
Overige werkzaamheden |
Beschikbaar |
Tekort/overschot |
||||
|
|
Uren |
Fte |
Uren |
Fte |
Uren |
Fte |
Uren |
Fte |
|
Administratief medewerker |
145 |
0,10 |
1.100 |
0,76 |
957 |
0,66 |
-288 |
-0,20 |
|
Vergunningverlener |
3.500 |
2,41 |
2.875 |
1,98 |
6.119 |
4,22 |
-256 |
-0,18 |
|
Jurist |
572 |
0,39 |
2.896 |
2,00 |
2.393 |
1,65 |
-1.076 |
-0,74 |
|
Toezichthouder |
3.028 |
2,09 |
1.280 |
0,88 |
4.350 |
3,00 |
42 |
0,03 |
|
Handhavingsjurist |
1.078 |
0,74 |
1.191 |
0,82 |
2.538 |
1,75 |
268 |
0,19 |
|
Totaal |
8.323 |
5,74 |
9.342 |
6,44 |
16.356 |
11,28 |
-1.309 |
-0,90 |
De capaciteitsberekening voor de VTH-taken in het kader van het Omgevingsrecht laat zien dat de benodigde en beschikbare capaciteit niet volledig in balans zijn. In totaal is sprake van een tekort van circa 1.309 uur (0,90 fte). Dit tekort is vooral zichtbaar bij de inzet van vergunningjuristen en, in mindere mate, bij vergunningverlening. Daarbij is van belang dat de organisatie formatief wel over de benodigde capaciteit beschikt, maar dat een deel van deze capaciteit momenteel niet ingevuld is vanwege openstaande vacatures. Hierdoor ontstaat in de praktijk een tijdelijk verschil tussen de theoretisch beschikbare en feitelijk inzetbare capaciteit.
Het grootste knelpunt betreft de capaciteit van vergunningjuristen. Zij besteden veel tijd aan bezwaar- en beroepsprocedures en spelen daarnaast een belangrijke rol bij het beoordelen en verlenen van afwijkingsvergunningen. Ook wordt een aanzienlijk deel van de tijd ingezet voor indirecte werkzaamheden, zoals overleg, afstemming en advisering. Deze inzet is belangrijk voor het functioneren van het team, maar vraagt om nader inzicht. De huidige capaciteitsberekening fungeert hierbij als een eerste nulmeting, op basis waarvan verder wordt onderzocht hoe werkzaamheden efficiënter kunnen worden ingericht.
Bij vergunningverlening is sprake van een licht tekort, mede veroorzaakt door het ontbreken van een senior vergunningverlener. De gemeente is actief op zoek naar versterking op dit niveau. De inzet van een senior vergunningverlener draagt bij aan een stabielere en efficiëntere afhandeling van vergunningaanvragen en aan een betere borging van kennis binnen het team.
Voor het toezicht geldt dat met de huidige werkwijze kan worden voldaan aan de reguliere toezichttaken. Tegelijkertijd is er beperkte ruimte voor meer proactief of projectmatig toezicht, onder meer doordat een deel van de capaciteit wordt ingezet voor aanvullende taken zoals het key-userschap voor het VTH-zaaksysteem. Ook hier is aandacht nodig voor de balans tussen uitvoerende en ondersteunende werkzaamheden.
De inzet op handhaving is over het geheel genomen redelijk in balans. Wel is in 2025 tijdelijk minder capaciteit beschikbaar geweest voor handhaving op illegale permanente bewoning van recreatiewoningen door uitval van een medewerker.
Zoals in hoofdstuk Bouwen is beschreven, voldoet de gemeente aan de VTH-kwaliteitscriteria 3.0 in relatie tot de Kritieke Massa. Hiermee is geborgd dat de uitvoering van VTH-taken voldoende robuust is georganiseerd.
8.2. Middelen en kwaliteit APV en Bijzondere Wetten
|
Functie |
Directe werkzaamheden |
Overige werkzaamheden |
Beschikbaar |
Tekort/overschot |
||||
|
|
Uren |
Fte |
Uren |
Fte |
Uren |
Fte |
Uren |
Fte |
|
Administratief medewerker |
191 |
0,13 |
715 |
0,49 |
957 |
0,66 |
51 |
0,04 |
|
Vergunningverlener |
764 |
0,53 |
1.130 |
0,78 |
1.740 |
1,20 |
-154 |
-0,11 |
|
Jurist |
280 |
0,19 |
1.570 |
1,08 |
1.813 |
1,25 |
-37 |
-0,03 |
|
AOV |
397 |
0,27 |
626 |
0,43 |
580 |
0,40 |
-443 |
-0,31 |
|
BOA |
1.555 |
1,07 |
3.854 |
2,66 |
5.641 |
3,89 |
231 |
0,16 |
|
Totaal |
3.187 |
2,20 |
7.895 |
5,44 |
10.730 |
7,40 |
-352 |
-0,24 |
De capaciteitsberekening voor de taken in het kader van de APV en de bijzondere wetten laat zien dat de benodigde en beschikbare capaciteit grotendeels in balans zijn. In totaal is sprake van een beperkt tekort van circa 352 uur (0,24 fte). Dit beeld vraagt om enige duiding, omdat de verdeling van werkzaamheden en de wijze van inzet sterk bepalend zijn voor de ervaren werkdruk.
Bij de Boa-capaciteit is op basis van de berekening sprake van een licht overschot. Daarbij is van belang dat in de berekening is uitgegaan van de beschikbare capaciteit aan het einde van 2025. In de praktijk was de inzet eerder in het jaar beperkter, waardoor het feitelijke tekort aan Boa-capaciteit groter is geweest dan uit de cijfers blijkt. Daarnaast wordt de Boa-inzet momenteel nog relatief reactief ingevuld. Er bestaat behoefte om de inzet meer projectmatig en gericht op de vastgestelde prioriteiten te organiseren, zodat capaciteit effectiever kan worden ingezet.
Voor de overige functiegroepen (administratief, vergunningverlening en juridische ondersteuning) is het beeld overwegend stabiel, zonder grote afwijkingen. Het team functioneert als geheel evenwichtig en is in staat de reguliere werkzaamheden uit te voeren.
Tijdens de evaluatiegesprekken met het team is aandacht besteed aan de werkwijze rond evenementen. Daarbij is de ambitie uitgesproken om toezichtbevindingen, meldingen en evaluaties structureler te registreren. Dit moet meer inzicht geven in terugkerende aandachtspunten en helpen om gerichter te sturen op de doelen uit het regionale VTH-beleid.
Daarnaast wil het team bij de voorbereiding van evenementen meer gebruikmaken van een systematische risicobeoordeling, onder meer via de RISKOM-werkwijze. Deze werkwijze helpt om risico’s vooraf beter in beeld te brengen en toezicht gerichter in te zetten.
Een ander belangrijk aandachtspunt binnen dit domein is het ontbreken van alcoholbevoegde boa’s. De gemeentelijke boa’s beschikken niet over deze bevoegdheid en zijn bovendien lokaal bekend, wat het uitvoeren van effectieve leeftijdscontroles in de horeca bemoeilijkt. Hierdoor is de gemeente aangewezen op de inzet van externe partijen. In 2025 bleek deze externe capaciteit echter onvoldoende beschikbaar, wat heeft geleid tot beperkingen in het toezicht op de naleving van de Alcoholwet.
Samenvattend laat de capaciteitsanalyse zien dat het team APV & bijzondere wetten in de basis goed functioneert. Tegelijkertijd kan de effectiviteit van de inzet worden vergroot door een meer projectmatige inzet van boa’s en door structurele oplossingen te vinden voor specialistische taken, zoals alcoholcontroles. Daarnaast kan de voorgenomen intensivering van registratie, evaluatie en risicobeoordeling bij evenementen op termijn leiden tot een grotere inzet van capaciteit. De impact hiervan wordt in 2026 gemonitord.
Ondertekening
Bijlage A: Interventiematrix Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht
Bijlage B: Deelnemersrapportage RUD Zeeland (tot en met november 2025)
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl