Beleidsregels Inkomen en Vermogen gemeente Ridderkerk 2026

Geldend van 29-05-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Inkomen en Vermogen gemeente Ridderkerk 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk;

gelet op artikel 18, 19a, 22a, 23, 27, 28, 31, 32, 33, 34 en 50 van de Participatiewet (Pw),

gelet op artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

gelet op artikel 4:81 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

overwegende dat;

het college gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om regels te stellen over inkomen en vermogen; in het bijzonder:

  • de kostendelersnorm;

  • het verlagen van de bijstandsnorm wegens het ontbreken van woonlasten;

  • het vrijlaten van giften;

  • de normomzetting algemene bijstand bij verblijf in inrichting;

  • bijstand voor het gemis aan ALO-kop;

  • het vaststellen en vrijlaten van vermogen.

besluit vast te stellen;

Beleidsregels Inkomen en Vermogen gemeente Ridderkerk 2026

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Pw, IOAW, IOAZ en de Awb.

  • 2. Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      commerciële prijs: de commerciële prijs als bedoeld in artikel 19a lid 1 onderdeel b en c Pw, artikel 5 lid 8 onderdeel b en c IOAW en artikel 5 lid 7 onderdeel b en c IOAZ;

    • b.

      co-ouderschap: de feitelijke verzorging van het kind wordt deels door de ene en deels door de andere ouder gedaan, maar in ieder geval door elke van de ouders voor gemiddeld ten minste twee etmalen per week;

    • c.

      gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Pw;

    • d.

      kale huur: de prijs die een belanghebbende betaalt voor de woonruimte;

    • e.

      woonkosten:

      • i.

        als een huurwoning wordt bewoond of een kamer wordt gehuurd, de per maand geldende huurprijs, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;

      • ii.

        als een eigen woning wordt bewoond, de ten behoeve van de financiering van de woning per maand verschuldigde hypotheekrente, en de in verband met het in eigendom hebben van de woning per maand te betalen zakelijke lasten;

    • f.

      woonlasten: alle kosten die verbonden zijn aan het bewonen van een woning met uitzondering van de woonkosten;

    • g.

      Wsf 2000: Wet Studiefinanciering 2000;

    • h.

      Awir: Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;

    • i.

      ALO-kop: De ALO-kop is een extra bedrag bovenop het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders.

Toelichting

Lid 2 onderdeel b: Bij co-ouderschap gaat het dus om niet-samenwonende ouders die de verzorgingstaken voor hun kind min of meer gelijkmatig hebben verdeeld. Van co-ouderschap is dan ook sprake als de kinderen beurtelings bij één van de ouders verblijven en de zorg voor hen wordt gedeeld. Het college acht co-ouderschap aanwezig als de feitelijke verzorging van het kind deels door de ene en deels door de andere ouder wordt gedaan. Het moet wel gaan om een substantiële verzorgingstaak. Beide ouders moeten gemiddeld ten minste twee etmalen per week het kind feitelijk verzorgen.

Lid 2 onderdeel d: Onder kale huur wordt verstaan: de prijs die een belanghebbende betaalt voor de woonruimte. Het gaat dus om de huurprijs exclusief servicekosten of het gebruik van bijvoorbeeld internet, gas, water en elektriciteit.

Lid 2 onderdeel f: Denk bij woonlasten aan energiekosten, gas, water, licht enzovoort.

Hoofdstuk 2. Kostendelersnorm

Artikel 2.1. Commerciële relatie bij (kamer)huur of onderhuur

  • 1. Er is sprake van een commerciële prijs in geval van (kamer)huur of onderhuur als de prijs in verhouding staat tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is.

  • 2. Er is in ieder geval sprake van een commerciële prijs als het bedrag voor de kale huur ten minste 60% bedraagt van de prijs bepaald door de huurprijscheck van de Huurcommissie.

  • 3. Als een belanghebbende een all-in prijs voor huur betaalt, wordt de kale huur berekend door de all-in prijs te verminderen met een fictief bedrag voor het gebruik van zaken of diensten waarvoor de all-in prijs wordt betaald. Voor het gebruik van gas, water en elektriciteit gaat het college uit van de bedragen die daarvoor zijn opgenomen in de meest recente Nibud- prijzengids.

Toelichting

Samenwonenden met een commerciële relatie kunnen voor de kostendelersnorm niet worden aangemerkt als kostendelende medebewoner (artikel 19a lid 1 onderdeel b en c Pw). Dit geldt ook voor de IOAW en de IOAZ.

Het gaat bij de commerciële huurovereenkomst om 2 groepen:

  • a.

    personen die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een belanghebbende als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als belanghebbende hun hoofdverblijf hebben. Deze uitzondering geldt niet ten aanzien van een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van een belanghebbende.

  • b.

    personen die op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als een belanghebbende hun hoofdverblijf hebben, mits zij de overeenkomst hebben met dezelfde persoon als met wie belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft.

Wil er sprake zijn van een commerciële relatie waardoor een medebewoner voor de toepassing van de kostendelersnorm niet wordt gezien als kostendeler, dan is vereist dat er sprake is van:

  • een schriftelijke overeenkomst (artikel 19a lid 1 onderdeel b en c Pw, artikel 5 lid 8 onderdeel b en c IOAW en artikel 5 lid 7 onderdeel b en c IOAZ);

  • een commerciële prijs (geregeld in de beleidsregels) die daadwerkelijk wordt betaald (artikel 19a lid 2 Pw, artikel 5 lid 9 IOAW en artikel 5 lid 8 IOAZ).

Er is sprake van een commerciële prijs als de prijs in verhouding staat tot de geleverde prestaties en in overeenstemming is met hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt ook periodieke aanpassing van de prijs. Het afzien van periodieke aanpassing van de huurprijs betekent overigens niet automatisch dat er geen sprake is van een commerciële prijs. Een periodieke aanpassing van de huurprijs is slechts één van de beoordelingscriteria die het college kan hanteren bij het beoordelen of sprake is van een commerciële huurovereenkomst.

In dit artikel is neergelegd hoe het college beoordeelt of er sprake is van een commerciële prijs. In het tweede lid is neergelegd wanneer er in ieder geval sprake is van een commerciële prijs. Dit is het geval als de prijs ten minste 60% bedraagt van de prijs bepaald door de huurprijscheck van de Huurcommissie. Hierbij wordt uitgegaan van de kale huur (lid 3; zie over dit begrip artikel 1.1 van deze beleidsregels).

Artikel 2.2. Commerciële relatie bij kostgangers

  • 1. Het college beoordeelt bij een kostganger of sprake is van een commerciële prijs op de wijze zoals omschreven in artikel 2.1 met dien verstande dat:

    • a.

      de commerciële prijs wordt afgezet tegen de kale huur zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 2 verhoogd met het bedrag dat belanghebbende betaalt voor maaltijden;

    • b.

      de maximale huurprijs die volgt uit toepassing van de huurprijscheck van de Huurcommissie volgens artikel 2.1 lid 2, wordt verhoogd met een normbedrag voor de kosten van maaltijden.

  • 2. Het normbedrag voor maaltijden zoals bedoeld in het eerste lid wordt berekend in overeenstemming met de prijzen die daarvoor zijn opgenomen in de meest recente Nibud- prijzengids.

  • 3. De kale huur inclusief het bedrag dat belanghebbende betaalt voor maaltijden, zoals bedoeld in het eerste lid onderdeel a, wordt in de situatie dat belanghebbende een all-in prijs betaalt als volgt berekend:

    • a.

      de all-in prijs wordt verminderd met een fictief bedrag voor het gebruik van zaken of diensten waarvoor de all-in prijs wordt betaald, met uitzondering van het gebruik van maaltijden;

    • b.

      voor het gebruik van gas, water en elektriciteit gaat het college uit van de bedragen die daarvoor zijn opgenomen in de meest recente Nibud-prijzengids.

Toelichting

Bij een kostganger worden doorgaans ook de maaltijden door de verhuurder verzorgd. Om die reden wordt de manier waarop de commerciële prijs wordt bepaald gecorrigeerd ten opzichte van de manier waarop dit wordt gedaan bij huur (zoals omschreven in artikel 2.1). Bij een kostganger wordt niet uitgegaan van een kale huurprijs maar van een kale huurprijs inclusief het bedrag dat wordt betaald voor de maaltijden. De basishuur en de maximale huurprijs die volgt uit de huurprijscheck worden vervolgens gecorrigeerd met een normbedrag voor maaltijden. Dat normbedrag wordt gebaseerd op de meest recente Nibud-prijzengids.

Artikel 2.3 Korten inkomsten bij ontvangst huur of kostgeld

Inkomsten uit huur of kostgeld worden, als de kostendelersnorm van toepassing is, gekort voor zover deze inkomsten meer bedragen dan het verschil tussen de toepasselijke kostendelersnorm en de norm die toegepast zou worden als belanghebbende geen kostendelende medebewoners heeft.

Toelichting

Het college kan inkomsten uit huur of kostgeld slechts in aanmerking nemen voor zover het college deze nog niet heeft verdisconteerd in het kader van de kostendelersnorm. Dit volgt uit artikel 33 lid 4 Pw. In dit artikel is neergelegd dat de inkomsten uit huur en kostgeld worden verminderd met het verschil tussen:

  • de kostendelersnorm die wordt toegepast;

  • de norm die zou worden toegepast als er geen kostendelers zouden zijn.

Voorbeeld

Stel een alleenstaande heeft een kostendelende medebewoner die per maand € 450,00 kostgeld

betaalt. De berekening is dan als volgt:

We gaan (fictief) uit van de bedragen per 1 januari 2026:

  • kostgeld: € 450,00

  • kostendelersnorm € 1.001,07

  • norm alleenstaande: € 1.401,50

Niet gekort wordt het verschil tussen de norm alleenstaande en de kostendelersnorm:

€ 1.401,50 − € 1.001,07 = € 400,43

Van het kostgeld van € 450,00 kan worden gekort:

€ 450,00 − € 400,43 = € 49,57

(Praktisch: als deze uitkomst negatief is, wordt de korting op € 0,00 gesteld.)

Medebewoners storten bijdrage op de rekening van belanghebbende

De situatie kan zich voordoen dat belanghebbende en medebewoners samen een woning delen en gezamenlijk de woonkosten voldoen aan de verhuurder. Stel dat de medebewoners hun bijdrage aan de woonkosten betalen aan belanghebbende. Dan zou strikte toepassing van de Pw ertoe leiden dat de bijdragen van de medebewoners als inkomen van belanghebbende moet worden gezien. Maar die uitleg kan een onrechtvaardig resultaat opleveren.

De bijdragen van de medebewoners betreffen slechts het deel van de vaste lasten van de medebewoners. Het strekt niet tot voordeel van belanghebbende. In de situatie waarin eenieder voor zichzelf de vaste lasten betaalt, zou er niet gekort worden. Dit geldt ook als de woonkosten via de rekening van een van de medebewoners worden voldaan. De situatie dat belanghebbende de woonkosten voldoet mede namens de andere medebewoners is niet anders. Via wiens bankrekening de betaling van de vaste lasten ook lopen, dat mag niet uitmaken. Daarom is het redelijk de bijdrage van de medebewoners in dit geval niet als middelen in aanmerking te nemen. Het gaat immers om niets anders dan het delen van reële kosten en niet om in aanmerking te nemen inkomen.

Hoofdstuk 3. Verlagen bijstandsnorm wegens ontbreken woonlasten

Artikel 3.1. Toepassingsbereik

  • 1. De bepalingen van hoofdstuk 3 van deze beleidsregels gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze beleidsregels alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn.

  • 2. De bepalingen van hoofdstuk 3 van deze beleidsregels gelden alleen als de uitkering zonder toepassing van de kostendelersnorm wordt verstrekt.

Toelichting

Vanwege de lage jongerennormen van artikel 20, eerste en tweede lid, Pw en de onderhoudsplicht van ouders tot 21 jaar is ervoor gekozen de verlagingen uit dit hoofdstuk niet toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21 jaar.

Lid 1: De jongerennormen zijn afgeleid van de kinderbijslagbedragen. De wetgever gaat er daarbij vanuit dat ouders hun onderhoudsplicht vervullen tot het kind 21 jaar is. Tot 1 januari 2026 kon een jongere van 18, 19 of 20 jaar voor hogere noodzakelijke bestaanskosten dan waarin de jongerennorm voorziet een aanvulling krijgen in de vorm van bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Pw. Per 1 januari 2026 is artikel 12 komen te vervallen en is in artikel 20, derde en vierde lid, Pw een wettelijke ophoging van de jongerennorm geregeld voor jongeren die voor hun levensonderhoud geen beroep kunnen doen op hun ouders.

De gemeente kan die ophoging waar nodig nog afstemmen op grond van artikel 18, eerste lid, Pw (bijvoorbeeld bij zeer hoge of juist zeer lage bestaanskosten). In aanvulling daarop wordt er in deze beleidsregels voor gekozen de standaardverlagingen uit hoofdstuk 3 alleen toe te passen bij personen van 21 jaar en ouder, om dubbele verlagingen bij jongmeerderjarigen te voorkomen.

Artikel 3.2. Ontbreken van woonkosten/woonlasten

  • 1. Van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan dan waarin de norm voorziet als gevolg van de woonsituatie is in ieder geval sprake:

    • a.

      bij het niet aanhouden van een woning;

    • b.

      bij bewoning van een woning waaraan geen woonkosten en/of woonlasten zijn verbonden;

    • c.

      als een derde de woonkosten en/of woonlasten betaalt.

  • 2. De verlaging bedraagt 20% van de gehuwdennorm als een woning wordt bewoond waarvoor geen woonkosten én woonlasten verschuldigd zijn.

  • 3. De verlaging bedraagt 10% van de gehuwdennorm als een woning wordt bewoond waarvoor alleen woonkosten óf woonlasten verschuldigd zijn.

Toelichting

De beleidsregels voorzien in een verlaging bij bewoning van een woning waaraan geen woonkosten en/of woonlasten zijn verbonden, artikel 1.1 lid 2 onderdeel f van dit beleid. Denk hierbij aan het bewonen van een gekraakte woning, of het bewonen van een woning waarvoor door een derde de woonkosten en/of woonlasten worden betaald.

Met het toepassen van één van deze verlagingen kunnen ook de situaties waarin bijvoorbeeld een ex- partner nog woonkosten, woonlasten of een gedeelte van de woonkosten en/of –lasten betaalt, worden afgestemd op de concrete ten laste komende kosten van belanghebbende.

Betalingen van een derde voor woonkosten of andere vaste lasten kunnen kwalificeren als kostenbesparende bijdragen in de zin van artikel 18, dertiende lid, Pw. Op grond van die bepaling worden bijdragen die leiden tot een kostenbesparing, samen met giften, tot een bepaald bedrag per kalenderjaar (artikel 31, eerste lid, onderdeel m, Pw) niet als middel in aanmerking genomen.

Het feit dat dergelijke bijdragen niet als inkomen worden aangemerkt, neemt niet weg dat de werkelijke noodzakelijke bestaanskosten van belanghebbende lager kunnen zijn dan de norm. In structurele situaties waarin belanghebbende door het ontbreken of (grotendeels) wegvallen van woonkosten duidelijk lagere bestaanskosten heeft, kan daarom naast de toepassing van artikel 18, achtste lid, ook een verlaging op grond van artikel 27 Pw aan de orde zijn. Daarbij geldt dat het college steeds beoordeelt of de verlaging in het individuele geval evenredig is en in verhouding staat tot het doel van de Pw.

Overigens kan de bijstand, in plaats van een verlaging, op een lager bedrag worden afgestemd middels artikel 18 lid 1 Pw als een derde de woonkosten en of woonlasten betaalt.

Artikel 3.3. Ondergrens bij verlaging wegens ontbreken woonlasten

Toepassing van artikel 3.2 van deze beleidsregels leidt voor:

  • a.

    de alleenstaande en alleenstaande ouder niet tot een bijstandsnorm lager dan 50% van de gehuwdennorm;

  • b.

    gehuwden niet tot een bijstandsnorm lager dan 80% van de gehuwdennorm.

Toelichting

Het resultaat van de norm en verlaging kan leiden tot een bijstandsnorm die te laag is om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Daarom bevat dit artikel een ondergrens. Met bijstandsnorm wordt bedoeld: de op grond van paragraaf 3.2, op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, verminderd met de op grond van paragraaf 3.3, door het college vastgestelde verlaging (artikel 5 onderdeel c Pw).

Hoofdstuk 4. Vrijlaten giften

Artikel 4.1. Vrijlaten giften

  • 1. Giften worden bij de vaststelling van de bijstand buiten beschouwing gelaten voor zover zij op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Pw niet tot de middelen worden gerekend.

  • 2. Voor zover giften niet reeds op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Pw van het middelenbegrip zijn uitgezonderd, kan het college giften op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel s, in het individuele geval buiten beschouwing laten, indien dit uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

  • 3. Het college is van oordeel dat in ieder geval de volgende categorieën giften als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Pw in een individueel geval en uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn om buiten beschouwing te laten:

    • a.

      giften die worden verstrekt en aantoonbaar zijn ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand op grond van de Pw verstrekt had kunnen worden;

    • b.

      giften die worden verstrekt en aantoonbaar zijn ingezet voor medisch noodzakelijke kosten waarvoor geen of slechts gedeeltelijke vergoeding bestaat uit een voorliggende voorziening;

    • c.

      giften die worden aangewend voor het aflossen van probleemschulden die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de algemene bijstand;

    • d.

      giften in natura, niet zijnde een bijdrage als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Pw, waarvan de emotionele waarde voor belanghebbende naar het oordeel van het college duidelijk groter is dan de financiële waarde bij verkoop (zoals erfstukken en persoonlijke herinneringsstukken);

    • e.

      giften in natura, niet zijnde een bijdrage als bedoeld in artikel 18, dertiende lid, van de Pw, waarbij de emotionele waarde voor de belanghebbende naar het oordeel van het college groter is dan de financiële waarde bij verkoop;

    • f.

      giften in geld zonder specifieke bestemming: voor zover het totaal van giften en kostenbesparende bijdragen in het kalenderjaar het bedrag als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel m, Pw overschrijdt, kan het college het meerdere tot maximaal € 500 per kalenderjaar buiten beschouwing laten, indien sprake is van één van de omstandigheden onder i t/m iv:

      • i.

        op (een deel van) de bijstandsuitkering van belanghebbende executoriaal beslag rust; of

      • ii.

        op belanghebbende een schuldregeling in het kader van minnelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen van toepassing is; of

      • iii.

        de waarde van de bezittingen, verminderd met de aanwezige schulden als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, van de Pw negatief is; of

      • iv.

        belanghebbende in aanmerking komt voor de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Pw.

    • g.

      overige giften waarvan het college, gelet op het doel van de gift, de hoogte ervan en de individuele omstandigheden van belanghebbende, van oordeel is dat vrijlating uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

Artikel 4.2. Geen inlichtingenplicht

  • 1. Een belanghebbende is niet gehouden mededeling te doen van eenmalige giften tot het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de Pw.

  • 2. Een belanghebbende is niet gehouden mededeling te doen van verstrekkingen van Voedselbank, Kledingbank, Speelgoedbank, Noodfonds, Social Store, Fonds Kinderhulp, Jeugdeducatiefonds en andere charitatieve instellingen.

Toelichting

Giften hoeven pas te worden gemeld als het maximale bedrag, genoemd in artikel 31, tweede lid, onder m. van de Pw, is bereikt (€ 1200 in 2026). Door het niet melden en registreren van deze giften wordt beoogd de uitvoering te ontlasten. Dit geldt ook voor verstrekkingen van Voedselbank, Kledingbank, Speelgoedbank, Noodfonds, Social Store, Fonds Kinderhulp, Jeugdeducatiefonds en andere charitatieve instellingen.

Hoofdstuk 5. Normomzetting algemene bijstand bij verblijf in inrichting

Artikel 5.1. Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting

  • 1. Bij opname van een belanghebbende van 21 jaar of ouder in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Pw, wordt de algemene bijstand gedurende twee maanden na de dag van opname verstrekt naar de bijstandsnorm die voor belanghebbende zou gelden indien geen sprake zou zijn van verblijf in een inrichting.

  • 2. Na afloop van de in het eerste lid genoemde termijn wordt de uitkering omgezet naar de norm voor verblijf in een inrichting als bedoeld in artikel 23 van de Pw.

Toelichting

Artikel 23 Pw bepaalt dat bij verblijf in een inrichting afwijkende bedragen gelden voor de te verlenen bijstand. Van verblijf in een inrichting is sprake vanaf het moment van opname in een inrichting.

Opnames in inrichting kunnen van korte duur zijn. Ook kan sprake zijn van herhaalde (korte) opnames kort achter elkaar. In dergelijke gevallen is het niet wenselijk om de norm (telkens) meteen om te zetten. Bovendien zullen vaste lasten van belanghebbenden in dergelijke situaties vaak doorlopen waarvoor steeds bijzondere bijstand verleend zou moeten worden. In deze beleidsregels is bepaald dat de voorheen geldende bijstandsnorm tot twee maanden na de dag van opname behouden blijft. Zowel bij tijdelijk als langdurig verblijf in een inrichting. Pas daarna wordt de normale uitkeringsnorm omgezet naar de norm voor verblijf in een inrichting.

Voorbeeld

Een alleenstaande wordt op 15 juni opgenomen in een inrichting. De alleenstaande norm van artikel 21 onderdeel a Pw wordt nog tot twee maanden na de dag van de opname verstrekt. Dat betekent dus dat belanghebbende deze norm behoudt tot en met 15 augustus. Vanaf 16 augustus geldt de inrichtingsnorm.

Dit beleid is bedoeld voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder. Voor jongeren van 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijven, geldt op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, Pw geen recht op algemene bijstand. Voor deze groep kan – indien aan de voorwaarden wordt voldaan – bijzondere bijstand worden verstrekt voor noodzakelijke kosten die niet door de inrichting worden gedragen.

Artikel 5.2. Norm bij gedeeltelijk verblijf in inrichting

Indien een belanghebbende van 21 jaar of ouder, na toepassing van artikel 5.1, een deel van de week in een inrichting verblijft en een deel van de week buiten de inrichting, stemt het college de bijstandsnorm af met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw.

Toelichting

Het komt wel eens voor dat een belanghebbende, als onderdeel van de therapie, een aantal dagen per week thuis of elders verblijft. De Pw voorziet niet in een specifieke norm voor deze gevallen. Het college zal met toepassing van artikel 18 lid 1 Pw de norm naar rato vaststellen.

Bij een verblijf van 2 dagen buiten de inrichting, dit kan zowel binnen als buiten de gemeente zijn, wordt de norm als volgt aangepast:

5 dagen in inrichting, 2 dagen geheel zelfstandig wonend

5/7 norm inrichting (artikel 23 Pw)

2/7 gewone norm (artikel 21 Pw)

5 dagen in inrichting, 2 dagen inwonend bij kostendelers

5/7 norm inrichting (artikel 23 Pw)

2/7 norm kostendeler (artikel 22a Pw)

Heeft belanghebbende zijn woonplaats verplaatst? Dan bestaat geen recht meer op bijstand bij de gemeente. Dit kan het geval zijn bij een verblijf van 4 dagen of meer buiten de inrichting en buiten de gemeente. In dat geval moet de uitkering beëindigd worden en overgedragen aan de andere gemeente. Het is verstandig contact op te nemen met deze gemeente om het dossier toe te lichten.

Hoofdstuk 6. Bijstand voor gemis aan ALO-kop

Artikel 6.1. Ambtshalve beoordeling

Het college beoordeelt bij alleenstaande ouders die niet in aanmerking komen voor de ALO-kop ambtshalve of er sprake is van bijzondere omstandigheden om de bijstand hoger vast te stellen met toepassing van artikel 18 lid 1 Pw.

Toelichting

Het kan voorkomen dat belanghebbende onvoldoende bestaansmiddelen heeft door het mislopen van de ALO-kop. De ALO-kop ziet op de periodieke kosten van verzorging en opvoeding van kinderen. Deze kosten dienen als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te worden aangemerkt. Om die reden kan het gemis aan ALO-kop alleen worden gecompenseerd door afstemming van de bijstandsnorm met toepassing van artikel 18 lid 1 Pw (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:1380).

Overigens moet per individueel geval beoordeeld worden of er sprake is van bijzondere omstandigheden. Ook moet per individueel geval beoordeeld worden in welke mate de bijstand geïndividualiseerd moet worden.

De ambtshalve beoordeling of er sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot het hoger vaststellen van de bijstand, is alleen aan de orde bij alleenstaande ouders die niet in aanmerking komen voor de ALO-kop. De Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de Pw definiëren het begrip 'echtgenoot' ieder op een eigen wijze. De Awir kent daarnaast ook Awir- partners die we in de bijstand niet kennen. Dit zijn degene die als ingezetenen op hetzelfde woonadres als de alleenstaande ouder zijn ingeschreven in de BRP en voldoen aan een vereiste uit artikel 3 lid 2 Awir. Denk hierbij aan de situatie dat de alleenstaande ouder inwoont bij zijn eigen ouder(s) of bij een kennis. Denk ook aan een fiscale partner:

  • die in een verpleeginstelling woonachtig is;

  • die in detentie zit;

  • waarvan het verzoekschrift tot echtscheiding nog niet bij de Rechtbank is ingediend;

  • die niet-rechthebbend is doordat hij niet legaal in Nederland verblijft of (nog) in het buitenland woont (zonder dat er sprake is van duurzaam gescheiden leven).

Daardoor kan het voorkomen dat een belanghebbende bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder ontvangt, maar dat hij belastingtechnisch wel een echtgenoot of andere Awir-partner heeft.

Bij alleenstaande ouders die hebben verzuimd kindgebonden budget aan te vragen, is het college niet gehouden ambtshalve te onderzoeken of er sprake is van bijzondere omstandigheden die leiden tot het hoger vaststellen van de bijstand.

Hoofdstuk 7. Vermogen

Artikel 7.1. Vermogensvastelling bij aanvang bijstandsverlening

Bij de aanvang van de bijstandsuitkering wordt het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Pw vastgesteld.

Artikel 7.2. Vermogensmutaties tijdens de bijstandsverlening

Het college stelt het vermogen opnieuw vast als:

  • a.

    de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Pw wordt overschreden;

  • b.

    de leefvorm wijzigt.

Toelichting

Het uitgangspunt is dat de belanghebbende de vermogensoverschrijding en de wijziging van de leefvorm meldt (inlichtingenplicht artikel 17, eerste lid, Pw).

Artikel 7.3. Vaststellen vermogen bij co-ouderschap

  • 1. Wanneer sprake is van co-ouderschap als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, onderdeel b, wordt de vermogensgrens van de co-ouder als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Pw vastgesteld op de vermogensgrens voor een alleenstaande, vermeerderd met X/7 maal het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder en een alleenstaande.

  • 2. X is het gemiddelde aantal dagen per week dat de co-ouder het kind verzorgt.

  • 3. Bij de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de op het moment van beoordeling geldende vermogensgrenzen als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Pw.

Toelichting

In artikel 34 Pw is bepaald tot welk bedrag vermogen is vrijgelaten, de zogenoemde vermogensgrens. Die grens is hoger voor een alleenstaande ouder dan voor een alleenstaande. Bij co-ouderschap verblijft het kind afwisselend bij beide ouders en wordt de zorg in dagen verdeeld. De feitelijke situatie wijkt daarmee af van zowel “alleenstaande” als “alleenstaande ouder”.

In dit artikel is vastgelegd dat de vermogensgrens voor de co-ouder naar rato wordt vastgesteld, afhankelijk van het aantal dagen per week dat het kind bij die ouder verblijft en wordt verzorgd. De vermogensgrens voor de co-ouder is gelijk aan de vermogensgrens voor een alleenstaande, vermeerderd met X/7 deel van het verschil tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder en een alleenstaande. X staat voor het gemiddelde aantal dagen per week dat de co-ouder het kind verzorgt.

Aan de hand van een voorbeeld wordt verduidelijkt hoe het vermogen bij co-ouderschap wordt vastgesteld.

Voorbeeld

Stel dat de vermogensgrens op grond van artikel 34, derde lid, Pw op enig moment bedraagt:

  • -

    alleenstaande: € 7.770

  • -

    alleenstaande ouder: € 15.540

Een co-ouder verzorgt het kind gemiddeld vier dagen per week. De vermogensgrens van deze co- ouder wordt dan als volgt berekend:

  • -

    verschil tussen alleenstaande ouder en alleenstaande: € 15.540 - € 7.770 = € 7.770

  • -

    4/7 van dit verschil: 4/7 × € 7.770 ≈ € 4.440

  • -

    vermogensgrens co-ouder: € 7.770 + € 4.440 ≈ € 12.210

Artikel 7.4. Vrijlaten schadevergoedingen

  • 1. Een immateriële schadevergoeding wordt in beginsel voor 2/3e deel in aanmerking genomen als middel en voor 1/3e deel vrijgelaten. Het college kan, gelet op de aard en hoogte van de schadevergoeding en de individuele omstandigheden van belanghebbende, besluiten een groter deel of de gehele immateriële schadevergoeding vrij te laten, voor zover dit uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

  • 2. Een schadevergoeding voor geleden materiële schade wordt in principe niet in aanmerking genomen.

  • 3. Een schadevergoeding voor verlies aan verdienvermogen wordt volledig in aanmerking genomen.

Toelichting

Bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade worden voor de bijstand niet als middel aangemerkt (artikel 31 lid 2 onderdeel l Pw). Voor schadevergoedingen die niet in deze regeling zijn opgenomen, is het aan het college om te bepalen of het vanuit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is om deze schadevergoedingen (deels) niet tot de middelen te rekenen. Daarbij moet het college rekening houden met de omstandigheid dat bij zeer aanzienlijke uitkeringen de belanghebbende in een zodanige financiële positie kan komen te verkeren dat het onverkort buiten beschouwing laten daarvan niet in overeenstemming is met het minimumbehoefte- en complementaire karakter van de bijstand.

Een schadevergoeding kan bestaan uit drie componenten:

  • 1.

    vergoeding van immateriële schade;

  • 2.

    vergoeding van materiële schade;

  • 3.

    compensatie voor verlies aan verdienvermogen.

Immateriële schade

Met betrekking tot immateriële schadevergoedingen blijkt uit rechtspraak dat beleid waarbij een verdeling 1/3e deel van een immateriële schadevergoeding werd vrijgelaten en 2/3e deel niet, redelijk is. Het college sluit zich aan bij deze richtlijn. Het college beoordeelt steeds, met inachtneming van artikel 3:4 Awb en artikel 4:84 Awb, of het (gedeeltelijk) aanmerken van de immateriële schadevergoeding als middel in het individuele geval evenredig is. In bijzondere gevallen kan het college besluiten een groter deel of de hele vergoeding vrij te laten.

Materiële schade

Een schadevergoeding voor geleden materiële schade kan in principe vrijgelaten worden nu hier concrete materiële schade tegenover zal staan (bijvoorbeeld reiskosten, advocaatkosten, autoschade etc.).

Compensatie verlies aan verdienvermogen

Compensatie voor verlies aan verdienvermogen moet worden aangemerkt als inkomen. Deze compensatie is bedoeld voor de kosten van het levensonderhoud. Het vervangt het inkomen dat door de toegebrachte schade geheel of gedeeltelijk niet meer kan worden verdiend. De bijstand hoeft daarop slechts aan te vullen. Dit deel van de schadevergoeding moet worden toegerekend aan de periode waarop deze compensatie ziet. Voor zover de periode waarop deze compensatie ziet samenvalt met een periode waarover belanghebbende al bijstand heeft gehad, kan de verstrekte bijstand worden teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 2 sub f onderdeel b Pw. Ziet de compensatie op een periode waarin (nog) geen beroep werd gedaan op bijstand, dan wordt dat deel toegerekend aan het vermogen.

Periode toerekenen

Het college mag pas rekening houden met de schadevergoeding vanaf de dag waarop belanghebbende hier daadwerkelijk over kan beschikken. In het algemeen moet een aanspraak op een schadevergoeding wegens een ongeval worden toegerekend aan de periode die aanvangt vanaf de datum van het ongeval. Dan kan het college in voorkomende gevallen de kosten van bijstand terugvorderen (van artikel 58 lid 2 onderdeel f Pw).

Als uit de schadevergoedingsovereenkomst niet blijkt over welke periode er schadevergoeding voor het derven van inkomsten is toegekend, lijkt het redelijk om te veronderstellen dat deze periode loopt vanaf de datum ongeval tot het moment dat belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Aantonen

Belanghebbende moet zelf aantonen of aannemelijk maken wat de herkomst van zijn middelen is. Hij zal dus bijvoorbeeld aan de hand van een schadevergoedingsovereenkomst moeten aantonen uit welke componenten de schadevergoeding is opgebouwd.

Artikel 7.5. Vrijlaten waarde auto’s, motoren, boten, caravans

  • 1. Een auto en motor met een waarde tot maximaal € 5.000,00 is naar het oordeel van het college algemeen gebruikelijk en wordt niet tot het vermogen van belanghebbende gerekend.

  • 2. Een auto en motor met een waarde hoger dan bedoeld in het eerste lid, wordt alleen tot het vermogen van belanghebbende gerekend voor het deel van de waarde waarmee het bedrag zoals bedoeld in lid 1 wordt overschreden.

  • 3. Als een belanghebbende beschikt of redelijkerwijs beschikt over meer dan één auto of motor, geldt de vrijlating zoals bedoeld in het eerste of tweede lid, slechts voor één voertuig.

  • 4. Voor de vaststelling van de waarde van auto’s en motoren wordt in principe uitgegaan van de dagwaarde van de koerslijsten van de ANWB.

  • 5. Een boot en caravan worden naar het oordeel van het college niet als algemeen gebruikelijk gezien.

Toelichting

Lid 1: Op grond van constante jurisprudentie geldt dat een auto, motor, boot of caravan tot het vermogen van de belanghebbende behoort als hij daar daadwerkelijk de beschikking over heeft of redelijkerwijs over kan beschikken.

Lid 6: Hierin is bepaald dat het college een boot en caravan hoe dan ook niet algemeen gebruikelijk vindt. De waarde ervan wordt dan ook volledig in aanmerking genomen bij het bepalen van het vermogen.

Artikel 7.6. Reservering voor uitvaart/ crematie

Reserveringen voor kosten van uitvaart of crematie waarover een belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken worden in aanmerking genomen als vermogen.

Toelichting

Er is geen juridische grondslag waarop het college de vermogensgrens voor belanghebbende kan verhogen met een bedrag aan reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten. Artikel 34 Pw voorziet hier niet in (zie ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7907).

Als de verzekering of reservering echter zodanig van vorm is dat gesteld moet worden dat belanghebbende hier niet over kan beschikken, dan kan het college deze op grond van artikel 31 lid 1 Pw niet als middel in aanmerking nemen. Dit geldt bijvoorbeeld in de volgende gevallen:

  • Belanghebbende heeft een uitvaartverzekering in natura;

  • Belanghebbende heeft een uitvaartverzekering in geld, die niet afgekocht kan worden;

  • Belanghebbende heeft geld op een rekening vastgezet, welk bedrag uitsluitend beschikbaar komt bij overlijden.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 8.1. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, als strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden. In gevallen waarin de beleidsregels niet voorziet, beslist het college.

Artikel 8.2. Inwerkingtreding en citeertitel

De “Beleidsregels Inkomen en Vermogen gemeente Ridderkerk 2026” treden in werking met ingang van de dag na publicatie onder gelijktijdige intrekking van de “Beleidsregels inkomen en vermogen 2023 gemeente Ridderkerk”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de collegevergadering d.d. 12 mei 2026

De secretaris

Mevr. M. Kitselar

De burgemeester

Dhr. C.A. Oosterwijk