Beleidsregels Bestuurlijke Boete Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Ridderkerk 2026

Geldend van 29-05-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Bestuurlijke Boete Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Ridderkerk 2026

Het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk;

gelet op artikel 18a Participatiewet (Pw);

gelet op artikel 20a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

gelet op artikel 20a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

gelet op artikel 2, 2a en 2aa van het Boetebesluit socialezekerheidswetten;

gelet artikel 4:81 en artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

gelet de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (W.v.B.Rv);

overwegende dat;

het wenselijk is om regels vast te stellen over het gebruik van de in bovenvermelde bepalingen neergelegde bevoegdheden tot het opleggen van een bestuurlijke boete;

besluit vast te stellen:

Beleidsregels Bestuurlijke Boete Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Ridderkerk 2026

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Pw, IOAW, IOAZ en Awb.

  • 2. Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      beslagvrije voet: beslagvrije voet zoals bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het W.v.B.Rv;

    • b.

      boete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a Pw, artikel 20a IOAW en artikel 20a IOAZ;

    • c.

      boetebesluit: Boetebesluit socialezekerheidswetten;

    • d.

      fictieve draagkracht: de redelijke termijn waarbinnen de belanghebbende de boete moet kunnen afbetalen (maximaal 2 jaar);

    • e.

      inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17 lid 1 Pw, artikel 13 lid 1 IOAW en artikel 13 lid 1 IOAZ;

    • f.

      uitkering: de door het dagelijks bestuur verleende bijstand in het kader van de Pw, IOAW en IOAZ;

    • g.

      waarschuwing: de waarschuwing, genoemd in artikel 18a, vierde lid Pw, artikel 20a, vierde lid IOAW en artikel 20a, vierde lid IOAZ;

    • h.

      zelfmelder: de belanghebbende die onjuiste, onvolledige of geen inlichtingen verstrekt, maar binnen 60 dagen alsnog uit eigen beweging de inlichtingen verstrekt.

Artikel 2. Inlichtingenplicht

  • 1. Er wordt tijdig aan de inlichtingenplicht voldaan als de vereiste inlichtingen verstrekt worden binnen een termijn van 2 weken gerekend vanaf het moment dat de inlichtingen voor belanghebbende beschikbaar zijn.

  • 2. Het college merkt het niet tijdig melden van giften en kostenbesparende bijdragen niet aan als schending van de inlichtingenplicht, voor zover de som hiervan binnen een kalenderjaar €1.200 niet te boven gaat.

Artikel 3. Hoogte van de boete

De hoogte van de boete wordt bepaald in evenredigheid met de mate waarin de inlichtingenplicht is geschonden. Hierbij wordt in ieder geval betrokken: de ernst van de overtreding, de omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid.

Toelichting

Voor het bepalen van de hoogte van de boete moeten verschillende (juridische) factoren worden meegenomen.

Zie voor de mate van verwijtbaarheid artikelen 2 en 2a Boetebesluit socialezekerheidswetten.

Artikel 4. Waarschuwing

  • 1. Het college ziet af van een boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing in de gevallen zoals bedoeld in artikel 2aa Boetebesluit en artikel 18a lid 4 Pw.

  • 2. Het college kan afzien van een boete en volstaan met het geven van een waarschuwing als het een zelfmelder betreft.

  • 3. Een waarschuwing telt niet mee voor recidive.

Toelichting

Lid 1: Het gaat om gevallen waarbij:

  • -

    Het benadelingsbedrag lager is dan € 150,- (cf. art. 2aa van het Boetebesluit Pw).

  • -

    De betrokkene uit eigen beweging alsnog binnen 60 dagen de juiste (aanvullende) inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd.

  • -

    Aan de betrokkene in de voorgaande twee jaren niet eerder een waarschuwing is gegeven.

Lid 2: De termijn van 60 dagen bij de zelfmelder (artikel 1 lid 2 onderdeel h) begint te lopen vanaf de datum waarop de inlichtingen moesten worden verstrekt. Dat betekent dat de 60 dagen beginnen te lopen na 2 weken (artikel 2) nadat de belanghebbende over de inlichtingen beschikt.

Er is geen sprake van een zelfmelder als het college de overtreding al had geconstateerd of een belanghebbende de inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenplicht.

Artikel 5. Recidive

  • 1. Bij recidive worden de artikelen 18a lid 5 Pw en artikel 2 Boetebesluit in acht genomen.

  • 2. Bij recidive wordt de fictieve draagkracht verlengd met 150%.

Toelichting

Lid 2: Een verlengde aflossingsduur betekent dat de belanghebbende meer termijnen moet betalen. Waar een belanghebbende bij een eerste boete 2 jaar lang naar draagkracht moet betalen, wordt dit bij recidive verlengd naar 3 jaar. Hierdoor betaalt hij ook een jaar langer.

Als zijn draagkracht b.v. is berekend op € 100,- per maand, dan zou hij in 2 jaar (24 maanden) maximaal € 2.400,- moeten betalen. Bij een verlengde duur moet hij 3 jaar (36 maanden) betalen, in totaal dus € 3.600,-.

In ECLI:NL:CRvB:2020:433 formuleert de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dwingend dat bij recidive rekening moet worden gehouden met een aflossingsduur van 150%. Rekening houdend met de draagkracht van belanghebbende, een normale verwijtbaarheid en recidive moet, gelet op de uitspraak van ECLI:NL:CRvB:2016:12, de boete worden vastgesteld op een aflossingstermijn van 150%. De achterliggende gedachte van deze verhoging is dat een recidivist zwaarder gestraft dient te worden dan een eerste overtreder. Citaat TK: "Hogere straffen en het hard aanpakken van recidivisten moet mensen ervan weerhouden in de verleiding te komen de regels te overtreden" (TK 2011–2012, 33 207, nr. 3, p. 3). De maximale termijn van 2 jaar (artikel 1 lid 2 onderdeel d) wordt bij recidive verlengd naar 3 jaar.

Artikel 6. Kwijtschelding

Het college maakt van de bevoegdheid om een bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden gebruik als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    belanghebbende heeft een verzoek tot kwijtschelding van de bestuurlijke boete ingediend;

  • b.

    er is geen sprake van opzet of grove schuld bij de opgelegde boete;

  • c.

    belanghebbende heeft binnen 1 jaar na het opleggen van de boete niet opnieuw de inlichtingenplicht geschonden;

  • d.

    er is sprake van medewerking aan een schuldregeling.

Toelichting

Uit de voorwaarde onder c volgt dat de bestuurlijke boete niet eerder dan 1 jaar na het besluit waarin de boete is opgelegd kan worden kwijtgescholden.

Artikel 7. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, als strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden. In gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien, beslist het college.

Artikel 8. Inwerkingtreding en citeertitel

De “Beleidsregels Bestuurlijke Boete Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Ridderkerk 2026” treden in werking de dag na publicatie onder gelijktijdige intrekking van de “Beleidsregels Bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2023 gemeente Ridderkerk”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de collegevergadering d.d. 12 mei 2026

De secretaris

Mevr. M. Kitselar

De burgemeester

Dhr. C.A. Oosterwijk