Beleidsregels Parttime Ondernemen gemeente Ridderkerk 2026

Geldend van 29-05-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Parttime Ondernemen gemeente Ridderkerk 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk;

gelet op artikel 9, 17, 19, 31, 32 en 55 Participatiewet (Pw);

gelet op artikel 2, 8, 9 en 13 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

gelet op het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten;

gelet op artikel 1:3 (met name lid 4) en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

overwegende dat;

het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen voor de verlening van bijstand aan personen die een uitkering ontvangen en werkzaamheden hebben anders dan in loondienst of als zelfstandig ondernemer als bedoeld in het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz);

Besluit vast te stellen:

Beleidsregels Parttime Ondernemen gemeente Ridderkerk 2026

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Pw, het Bbz, de IOAW en de Awb.

  • 2. Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      uitkeringsgerechtigde: degene die op grond van de Pw of IOAW een uitkering ontvangt en die als parttime ondernemer aangemerkt wil worden;

    • b.

      parttime ondernemen (PTO): de uitkeringsgerechtigde die als zodanig door het college is beoordeeld en inkomsten genereert door zelfstandige, productieve activiteiten uit te voeren, voldoet aan de voorwaarden en verplichtingen als bedoeld in artikel 4 en niet kan worden aangemerkt als een zelfstandige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Bbz 2004;

    • c.

      PTO-er: de uitkeringsgerechtigde die niet meer dan 1225 uur per jaar werkzaamheden als zelfstandige verricht en uit deze werkzaamheden in aanmerking te nemen inkomsten verwerft;

    • d.

      loondienst: alle activiteiten en werkzaamheden die leiden tot een inkomen uit loondienst als bedoeld in artikel 3.1 onderdeel 2b Wet op de inkomstenbelasting;

    • e.

      marktconforme prijs; eerlijke, kostendekkende en in de markt gebruikelijke prijs.

Toelichting

PTO omvat ook alle andere termen waarmee PTO in regelingen en verder gebruik wordt aangeduid, zoals:

  • -

    ZZP’er;

  • -

    Hybride ondernemer;

  • -

    Freelancer;

  • -

    Marginale zelfstandigen: deze activiteiten zijn bescheiden van aard en niet gericht op het volledig zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het bestaan.

Volledige uitstroom uit de bijstand naar regulier werk is het ultieme doel, maar in de praktijk niet altijd haalbaar. Soms kan tijdelijk of deeltijd werk een goede stap zijn naar volledige uitstroom. Dat kan zijn in de vorm van loondienst, maar soms is PTO een goed alternatief. Klanten die inkomen generen doen werkervaring op en verlagen de uitkeringslasten.

PTO is een vorm van deeltijdwerken. Niet elk bedrijfstype is geschikt voor PTO. PTO is vooral geschikt voor bedrijfstypen met lage vaste lasten, geen of weinig investeringen en een laag financieel afbreukrisico.

PTO vult het grijze gebied tussen de Pw en het Bbz. Het is het belangrijk dat er duidelijke afspraken worden gemaakt. Deze zijn opgenomen in deze beleidsregels.

Artikel 2. Doelgroep PTO

PTO is bedoeld voor uitkeringsgerechtigden die in bescheiden omvang werkzaamheden als zelfstandige verrichten of willen starten.

Artikel 3. Aanvraag en besluit

  • 1. De belanghebbende die vanuit de uitkering in beperkte omvang zelfstandige werkzaamheden gaat uitvoeren, moet hiervoor toestemming vragen.

  • 2. Het college neemt in het besluit in ieder geval op de:

    • a.

      rechten en plichten van belanghebbende;

    • b.

      voorwaarden voor een bescheiden omvang van de werkzaamheden;

    • c.

      voorwaarden die gesteld worden aan de zelfstandige activiteiten;

    • d.

      afspraken over de verantwoording en verrekening van de verdiensten.

Artikel 4. Voorwaarden

  • 1. Een PTO-er voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de bedrijfs- of beroepsmatige activiteiten betreffen een bescheiden omvang die geen recht geven op de zelfstandigenaftrek (maximaal 1.225 uur per jaar);

    • b.

      de activiteiten worden voor eigen rekening en risico uitgevoerd;

    • c.

      de PTO-er gaat geen langlopende verplichtingen aan (of is deze aangegaan) die een snelle beëindiging van de zelfstandige activiteiten belemmeren;

    • d.

      voor investeringen en grote aankopen moet vooraf toestemming worden gevraagd;

    • e.

      de PTO-er moet jaarlijks de belastingaangifte overleggen aan de gemeente;

    • f.

      de PTO-er moet zijn activiteiten aanbieden tegen marktconforme prijzen.

  • 2. Jaarlijks wordt geëvalueerd of belanghebbende zich aan de voorwaarden, verplichtingen en afspraken houdt.

Toelichting

Lid 1:

sub a: de PTO-er mag zich bij de Belastingdienst niet als zelfstandige presenteren en mag ook geen zelfstandigenaftrek aanvragen. Een PTO-er zal deze uren ook niet kunnen halen, gezien de gestelde ureneis in artikel 5.

Als de belanghebbende activiteiten ontwikkelt die meer zijn dan van bescheiden omvang, moet belanghebbende een keuze maken:

  • -

    De activiteiten terugbrengen; of

  • -

    De levensvatbaarheid van de activiteiten laten toetsen door een aanvraag als starter volgens het Bbz.

Sub c en d: In principe geldt dit voor iedere bijstandsgerechtigde. De voorwaarden worden hier expliciet benoemd om duidelijk te maken, dat het parttime ondernemerschap geen belemmering mag vormen om tot een volledige uitstroom te komen. Deze regeling is niet bedoeld om het parttime ondernemerschap tot een hoofdactiviteit te maken, waarbij de bijstandsverlening als een soort basis of vangnet wordt gebruikt. Volledige uitstroom blijft voorop staan.

Sub f: een marktconforme prijs moet worden gehanteerd ter voorkoming van oneerlijke concurrentie en belemmering van realisatie van eigen inkomen.

Lid 2: Een evaluatie vindt in ieder geval jaarlijks plaats. Mocht het nodig zijn om vaker te evalueren dan is dat mogelijk.

Artikel 5. Uren

  • 1. De PTO-er mag niet meer dan 1.225 uur op jaarbasis als parttime ondernemer werken.

  • 2. De PTO-er houdt van de gewerkte uren een administratie bij.

  • 3. De in lid 1 genoemde urengrens geldt voor alle werkzaamheden, inclusief de uren die besteed worden aan administratie en boekhouding.

Toelichting

Lid 1: Het maximum van 1.225 uur komt overeen met het urencriterium van de zelfstandigenaftrek van 1.225 uur per kalenderjaar. Als een belanghebbende meer dan 1.225 uur per jaar werkt, dan is hij te beschouwen als een volledig zelfstandige en dus niet meer als een parttime ondernemer.

Lid 3: er wordt hierin dus onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte uren. Directe uren zijn de voor de onderneming gewerkte uren, waarin daadwerkelijk geld wordt verdiend. De indirecte uren zijn de uren die besteed worden aan administratie, werven opdrachten, studie etc. Voor parttime ondernemers met een uitkering gelden zowel de directe als de indirecte uren als zelfstandige werkuren. Er kan dus niet meer dan 1.225 uur per jaar aan de onderneming besteed worden.

Artikel 6. Wettelijke vereisten

De PTO-er moet voldoen aan de wettelijke eisen die verband houden met zijn activiteiten, waaronder het beschikken over:

  • a.

    de benodigde vergunningen;

  • b.

    een geldige inschrijving bij de Kamer van Koophandel;

  • c.

    een Btw-nummer;

  • d.

    een verklaring omtrent het gedrag (VOG) als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is.

Artikel 7. Arbeidsverplichting

Op de PTO-er blijft, in beginsel voor de volle omvang van de werkzame uren, de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 en 18 lid 4 Pw van toepassing.

Toelichting

Het doel van deze regeling is dat personen met een uitkering op termijn onafhankelijk worden van een uitkering. Of dat ze een deel van de uitkering terugverdienen. De zelfstandige activiteiten mogen geen belemmering vormen voor het aanvaarden of verrichten van arbeid in loondienst.

Artikel 8. Administratieve verplichting

  • 1. De PTO-er overlegt maandelijks een:

    • a.

      inkomstenopgave; en

    • b.

      urenadministratie (indien van toepassing).

  • 2. De PTO-er moet een aparte bankrekening hebben voor de zakelijke transacties.

  • 3. Als de PTO-er in een maand geen zelfstandige activiteiten heeft verricht, moeten de in lid 1 genoemde overzichten wel worden ingeleverd.

Artikel 9. Boekhouding

  • 1. De PTO-er houdt een deugdelijke boekhouding bij die voldoet aan de criteria van de Belastingdienst.

  • 2. De in lid 1 genoemde boekhouding moet jaarlijks na afloop van het boekjaar maar vóór 1 mei aan het college worden verstrekt.

Toelichting

Een deugdelijke boekhouding bestaat in ieder geval uit een:

  • kopie van de aangifte en aanslag inkomstenbelasting. Als de aanslag inkomstenbelasting nog niet ontvangen is, wordt deze zo snel mogelijk na ontvangst ingeleverd; en

  • jaarrekening inclusief balans, winst- en verliesrekening en toelichting; of

  • kasboek inclusief Btw-aangifte (indien van toepassing).

Het ontbreken van zo’n administratie kan leiden tot intrekking van de toestemming.

Tijdens het definitief vaststellen van de inkomsten wordt ook beoordeeld of belanghebbende (nog) voldoet aan de verplichtingen, gericht op recht- en doelmatigheid.

Lid 2: De genoemde deadline kan worden verlengd als dat noodzakelijk is.

Tijdens het definitief vaststellen van de inkomsten wordt ook beoordeeld of belanghebbende (nog) voldoet aan de verplichtingen, gericht op recht- en doelmatigheid.

Artikel 10. Kosten

  • 1. Noodzakelijke kosten voor de uitvoering van de werkzaamheden mogen als kosten in mindering worden gebracht op de omzet als het college deze heeft goedgekeurd. Belanghebbende moet bewijsstukken van deze kosten overleggen.

  • 2. De PTO-er moet ervoor zorgen dat de bedrijfskosten in een reële verhouding staan tot de omzet. Dit maakt hij inzichtelijk via zijn boekhouding.

  • 3. De volgende kosten kunnen in ieder geval niet in mindering worden gebracht op de omzet:

    • a.

      huur;

    • b.

      investeringen;

    • c.

      rentelasten;

    • d.

      kosten die worden opgevoerd in strijd met de belastingwetgeving;

    • e.

      kosten van activiteiten die in strijd zijn met de bepalingen van deze beleidsregel.

  • 4. Kosten die niet als aftrekbaar in aanmerking worden genomen, worden niet verrekend met het inkomen.

  • 5. Wanneer de activiteiten als zelfstandige zich uitbreiden of wanneer de PTO-er investeringen wil doen om uit te breiden, wordt de PTO-er doorgeleid naar het Bbz.

Toelichting

Lid 1: noodzakelijke kosten zijn kosten die echt nodig zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Lid 2: wanneer sprake is van een reële verhouding betreft een individuele beoordeling.

Lid 3: kosten die de PTO-er ook zou hebben als hij geen parttime ondernemer was, zijn geen noodzakelijke kosten.

De in dit artikel genoemde kosten vormen geen limitatieve opsomming. Het college bepaalt of kosten wel of niet kunnen worden opgevoerd. Daarbij wordt tevens aangesloten bij de regels van de Belastingdienst.

Lid 3 sub b: Bij parttime ondernemen is het uitgangspunt dat deze activiteiten ook op korte termijn beëindigd kunnen worden. Er kunnen dus geen langlopende verplichtingen aangegaan worden zoals het huren van een bedrijfspand of het aannemen van personeel. Dergelijke kosten kunnen dan ook niet in mindering worden gebracht op de omzet. Er kan (indirect) dus geen bijstand worden verleend voor schulden of investeringen in het bedrijf. Het is niet mogelijk om investeringen te verrekenen met het inkomen. Eventuele afschrijvingskosten zijn voor eigen rekening en worden gecorrigeerd op de jaarrekening bij de jaarlijkse afrekening.

Artikel 11. Inkomstenverrekening

  • 1. Maandelijks worden de volledige inkomsten op de uitkering in mindering gebracht.

  • 2. De inkomsten moeten worden gemeld op de gebruikelijke wijze.

  • 3. De inkomsten betreffen de omzet minus de in aanmerking te nemen kosten als bedoeld in artikel 10 lid 1 (exclusief Btw).

  • 4. De inkomsten worden definitief afgerekend op jaarbasis gelijklopend aan een boekjaar.

  • 5. Als de uiteindelijke inkomsten lager zijn geweest dan waarmee rekening is gehouden, vindt een nabetaling plaats van wat er te veel is verrekend. Dit wordt vastgelegd in een beschikking.

  • 6. Als de uiteindelijke inkomsten hoger zijn geweest dan waarmee rekening is gehouden, dan wordt de bijstand teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 2 onderdeel e Pw.

Toelichting

De PTO-er mag eventuele verliezen niet afwentelen op de bijstand. Als een parttime ondernemer verlies of géén winst heeft gemaakt, kan dit gevolgen hebben voor de toestemming om met behoud van uitkering als zelfstandige te blijven werken.

Lid 3: de PTO-er reserveert het bedrag voor de betaling van de eventuele inkomstenbelasting zelf.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, als strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden. In gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien, beslist het college.

Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel

De “Beleidsregels Parttime Ondernemen gemeente Ridderkerk 2026” treden in werking de dag na publicatie onder gelijktijdige intrekking van de “Beleidsregels Parttime Ondernemen 2023 gemeente Ridderkerk”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de collegevergadering d.d. 12 mei 2026

De secretaris

Mevr. M. Kitselar

De burgemeester

Dhr. C.A. Oosterwijk