Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026

Geldend van 29-05-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026  

De raad van de gemeente Albrandswaard;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 24 maart 2026 ;

gelet op

artikel 108, tweede lid, Gemeentewet, wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

BESLUIT:

Vast te stellen de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026.

Hoofdstuk 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:

      • i.

        niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

      • ii.

        daadwerkelijk beschikbaar is;

      • iii.

        een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie;

      • iv.

        financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau op grond van algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen.

    • b.

      algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

    • c.

      andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • d.

      beleidsregels: de op lokaleregelgeving.overheid.nl gepubliceerde beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard;

    • e.

      beschermd wonen: hieronder wordt verstaan wonen in een accommodatie met toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, voor personen die door psychische of psychosociale problemen niet zelfstandig kunnen wonen;

    • f.

      bijdrage: financiële eigen bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

    • g.

      financiële tegemoetkoming: een geldbedrag wat toegekend wordt ter ondersteuning van zelfredzaamheid of participatie.

    • h.

      gebruiksduur: zolang de voorziening in gebruik is en/of als er sprake is van service- en onderhoudskosten;

    • i.

      hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en

      • i.

        in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel

      • ii.

        het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven.

    • j.

      hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

    • k.

      ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Albrandswaard;

    • l.

      intramuraal: wonen in een verblijfssetting met 24-uurs zorg en hulp;

    • m.

      kostprijs: de totale waarde van een voorziening in euro’s inclusief btw en extra kosten zoals onderhoud en bijzondere aanpassingen;

    • n.

      leefeenheid: een groep van personen die tezamen een huishouden vormen;

    • o.

      maatschappelijke opvang: hieronder wordt verstaan het bieden van tijdelijk onderdak, begeleiding en ondersteuning aan personen die de thuissituatie hebben verlaten of dreigen te verlaten vanwege problemen zoals dakloosheid, huiselijk geweld of andere crisissituaties;

    • p.

      melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid Wmo 2015;

    • q.

      nadere regels: de op lokaleregelgeving.overheid.nl gepubliceerde nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard;

    • r.

      onderzoeksrapport: een schriftelijke weergave van het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar de ondersteuningsbehoefte, persoonlijke omstandigheden, mogelijkheden en beperkingen van een client, als basis voor het nemen van een besluit over een maatwerkvoorziening;

    • s.

      pgb: persoonsgebonden budget als financieringsvorm voor een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

    • t.

      participatie: het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

    • u.

      persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

    • v.

      semimuraal: zorg die gedeeltelijk binnen een instelling plaatsvindt, maar waarbij de cliënt niet volledig opgenomen is. Het is een vorm van zorg tussen ambulant (thuis) en intramuraal (volledige opname) in;

    • w.

      Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • x.

      zelfredzaamheid: het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

  • 2. Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet.

Hoofdstuk 2. MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1. Een hulpvraag kan vormvrij door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld bij artikel 6.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

  • 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van gratis cliëntondersteuning.

  • 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger en/of vertegenwoordiger voorafgaand aan het onderzoek als bedoeld bij artikel 6 op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Persoonlijk plan

  • 1. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

  • 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in eerste lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.

Artikel 5. Informatie en identificatie

  • 1. Voor het gesprek of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.

Artikel 6. Onderzoek

  • 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie.

  • 2. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie.

  • 3. De volgende factoren, ook genoemd in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in tweede lid:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn;

    • j.

      en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 4. Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan in samenspraak met de cliënt worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in derde lid van dit artikel.

  • 5. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

  • 6. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek in een onderzoeksrapport.

  • 7. Als de cliënt vindt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, moet het onderzoeksrapport ondertekend en teruggestuurd worden. Het onderzoeksrapport is de start van de aanvraagprocedure waarop een besluit volgt.

Artikel 7. Advisering

  • 1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

    • a.

      op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.

    • b.

      op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.

  • 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:

    • a.

      het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd.

    • b.

      het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden.

Artikel 8. Aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming of een tegemoetkoming in de meerkosten kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is uitgevoerd.

  • 2. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 3. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier of een ondertekend onderzoeksrapport.

  • 4. Het college neemt het onderzoeksrapport mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 5. Bij een aanvraag voor een persoonsgebonden budget voor ondersteuning in de vorm van dienstverlening, moet de cliënt een budgetplan overleggen.

  • 6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9A en 9B.

Hoofdstuk 3. MAATWERKVOORZIENING

Artikel 9. Algemene criteria voor maatwerkvoorziening

  • 1. Het college neemt het onderzoeksrapport, als bedoeld in artikel 6, als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van:

    • a.

      eigen kracht en/of;

    • b.

      gebruikelijke hulp en/of;

    • c.

      mantelzorg en/of;

    • d.

      hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;

    • e.

      algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

    • f.

      algemene voorzieningen en/of;

    • g.

      andere voorzieningen, bijvoorbeeld op grond van de Wlz of de Zvw.

  • 3. Bij de bepaling van de eigen kracht wordt van de cliënt verwacht dat hij alles doet wat redelijkerwijs in zijn vermogen ligt om tot een oplossing van zijn ondersteuningsvraag te komen. Verder wordt in ieder geval onderzocht in hoeverre:

    • a.

      het sociaal netwerk in staat is de noodzakelijke ondersteuning te bieden;

    • b.

      het sociaal netwerk redelijkerwijs beschikbaar is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden;

    • c.

      het bieden van de ondersteuning door het sociaal netwerk leidt tot overbelasting.

  • 4. Voor gebruikelijke hulp wordt in de regel geen maatwerkvoorziening verstrekt. Wat onder gebruikelijke hulp aan de cliënt met een hulpvraag valt is afhankelijk van:

    • a.

      de relatie tussen degene die de ondersteuning biedt en de cliënt met een hulpvraag;

    • b.

      de aard van de ondersteuning;

    • c.

      de frequentie en het patroon van de ondersteuning;

    • d.

      de duur van de ondersteuning.

  • 5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst-adequate voorziening.

  • 6. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.

  • 7. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als en voor zover de cliënt in staat is om de zorgverlener een voldoende veilig werkklimaat te bieden.

  • 8. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat de cliënt met een hulpvraag in beginsel en na zorgvuldige afweging van de belangen van de cliënt met een hulpvraag en zijn omgeving alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:

    • a.

      de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt met een hulpvraag redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en

    • b.

      niet voorzienbaar was.

  • 9. Een noodzakelijke vervangende maatwerkvoorziening wordt verstrekt, als:

    • a.

      de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven;

    • b.

      de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt met een hulpvraag zijn toe te rekenen;

    • c.

      de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt met een hulpvraag aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 10. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst-adequate oplossing is.

  • 11. Het college kan nadere regels vaststellen ter aanvulling op de algemene criteria voor maatwerk.

  • 12. Tot de maatwerkvoorzieningen kunnen, indien noodzakelijk voor het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie, behoren:

    • a.

      een tegemoetkoming voor verhuizing en (woning)inrichting;

    • b.

      een voorziening gericht op maatschappelijke participatie, waaronder indien noodzakelijk een sportvoorziening. De aard en hoogte van deze voorzieningen worden door het college vastgesteld in de nadere regels.

Artikel 9A. Financiële tegemoetkoming verhuizing en (woning)inrichting

  • 1. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuizing en (woning)inrichting indien dit, gelet op de beperkingen van de cliënt, noodzakelijk is voor het bevorderen of behouden van de zelfredzaamheid of participatie en verhuizen een passend en goedkoopst-adequate alternatief vormt.

  • 2. Geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor zover de cliënt aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten op grond van een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling.

  • 3. Geen tegemoetkoming wordt verstrekt indien:

    • a.

      de verhuizing geen verband houdt met de beperkingen van de cliënt of niet noodzakelijk is voor het bereiken van het doel als bedoeld in lid 1;

    • b.

      de cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen; of

    • c.

      de cliënt verhuist naar een semimurale of intramurale instelling.

  • 4. Het college regelt in nadere regels het volgende:

    • a.

      de hoogte (of bandbreedte) van de tegemoetkoming;

    • b.

      de wijze van uitbetaling en verantwoording;

    • c.

      de frequentie/termijn waarbinnen opnieuw aanspraak kan bestaan;

    • d.

      nadere voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik.

  • 5. Voor een financiële tegemoetkoming als bedoeld in dit artikel is geen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 17.

Artikel 9B. Tegemoetkoming meerkosten

  • 1. Het college kan, ter uitvoering van artikel 2.1.7 van de wet, aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.

  • 2. De tegemoetkoming kan mede betrekking hebben op meerkosten voor een sporthulpmiddel of een aanpassing daarvan, indien dit noodzakelijk is voor participatie.

  • 3. De tegemoetkoming wordt slechts verstrekt voor zover geen aanspraak bestaat op vergoeding van de (meer)kosten op grond van een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling.

  • 4. Het college regelt bij nadere regels het volgende:

    • a.

      de hoogte (of bandbreedte) van de tegemoetkoming;

    • b.

      de doelgroep-/toegangscriteria (aannemelijkheidskader meerkosten);

    • c.

      de wijze van uitbetaling;

    • d.

      de frequentie/termijn (bijv. eens per x jaar) en eventuele plafonds.

  • 5. Voor een tegemoetkoming als bedoeld in dit artikel is geen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 17.

Artikel 10. Criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang

  • 1. De uitvoering van de taken op het gebied van beschermd wonen en maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt voor de gemeente Albrandswaard verricht door de centrumgemeente Rotterdam.

  • 2. De toegang, beoordeling, indicatiestelling, toewijzing, herziening en beëindiging van beschermd wonen en maatschappelijke opvang vinden plaats overeenkomstig de door de centrumgemeente Rotterdam vastgestelde procedures.

  • 3. De door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam vastgestelde beleidsregels en nadere regels voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang worden door het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard overeenkomstig toegepast, tenzij toepassing daarvan in een individueel geval leidt tot onevenredige gevolgen als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard kan, voor zover noodzakelijk voor de lokale uitvoering, aanvullende beleidsregels vaststellen, mits deze niet in strijd zijn met de beleidsregels en nadere regels van de centrumgemeente Rotterdam.

  • 5. De centrumgemeente Rotterdam is belast met de feitelijke uitvoering van de ondersteuning, waaronder de plaatsing, begeleiding, monitoring en eventuele uitstroom van cliënten die in aanmerking komen voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang.

Artikel 10A. Toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang

  • 1. Een cliënt komt in aanmerking voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang indien:

    • a.

      sprake is van psychische, psychosociale of veiligheidsproblemen die leiden tot een noodzaak tot opvang of beschermd wonen;

    • b.

      de benodigde ondersteuning niet op andere wijze kan worden gerealiseerd;

    • c.

      de voorziening noodzakelijk is om de zelfredzaamheid of participatie te bevorderen of te behouden.

  • 2. Het college beoordeelt of de cliënt voldoet aan de criteria voor toegang tot beschermd wonen of maatschappelijke opvang.

  • 3. Het college kan voorwaarden verbinden aan de toegang, waaronder medewerking aan begeleiding, behandeling of uitstroomtrajecten.

Artikel 11A. 1Beschermd wonen

  • 1. Beschermd wonen wordt verstrekt als maatwerkvoorziening indien dit noodzakelijk is om de cliënt een veilige woonomgeving met begeleiding en toezicht te bieden.

  • 2. De maatwerkvoorziening omvat in ieder geval:

    • a.

      begeleiding en ondersteuning bij dagelijkse activiteiten;

    • b.

      toezicht, structuur en veiligheid;

    • c.

      ondersteuning gericht op herstel, participatie en uitstroom naar zelfstandig wonen.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen over de inhoud en omvang van beschermd wonen.

Artikel 11B. Maatschappelijke opvang

  • 1. Maatschappelijke opvang wordt verstrekt indien de cliënt tijdelijk niet in staat is om zelfstandig te wonen vanwege dakloosheid, huiselijk geweld of een crisissituatie.

  • 2. De voorziening omvat in ieder geval:

    • a.

      tijdelijk onderdak;

    • b.

      begeleiding gericht op herstel en stabilisatie;

    • c.

      ondersteuning bij het realiseren van uitstroom naar een passende woon- of leefsituatie.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen over de inhoud en omvang van maatschappelijke opvang.

Artikel 11. Weigeringsgronden

  • 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      wanneer voor de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • b.

      als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

    • c.

      als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór de datum van het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;

    • d.

      voor zover deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht;

    • e.

      als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt na afloop van de duur waarvoor de voorziening is verstrekt, tenzij:

      • I.

        de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

      • II.

        de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

      • III.

        de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

    • f.

      als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase;

    • g.

      als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is;

    • h.

      als de cliënt door zijn of haar gedrag het verstrekken, onderhouden of het afleggen van verantwoording over de voorziening onmogelijk maakt.

  • 2. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt:

    • a.

      als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens hulp bij het huishouden en een vervoerspas;

    • b.

      indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente.

  • 3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;

    • b.

      ten behoeve van hotels en pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en woninginrichting;

    • c.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

    • d.

      indien de cliënt is verhuisd naar een woning waarvan op grond van de aanwezige beperkingen voorzienbaar was dat cliënt hierin beperkingen zou ondervinden;

    • e.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • f.

      indien de cliënt is verhuisd vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden;

    • g.

      indien de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van co-ouderschap;

    • h.

      voor zover het voorzieningen in een gemeenschappelijke ruimte betreft in een “doelgroepengebouw” te weten een gebouw dat bestemd is voor ouderen of inwoners met een beperking;

    • i.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft in een doelgroepengebouw, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

    • j.

      als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.

  • 4. Geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting wordt verstrekt indien:

    • a.

      een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

    • b.

      een persoon met beperking verhuist naar een semimurale of intramurale instelling.

  • 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving.

Artikel 12. Inhoud beschikking

  • 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming of een tegemoetkoming in de meerkosten wordt in ieder geval aangegeven:

    • a.

      voor welke voorziening of tegemoetkoming deze wordt verstrekt en wat de beoogde doelstelling daarvan is;

    • b.

      of de verstrekking plaatsvindt in natura, als persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming;

    • c.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • d.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is;

    • e.

      hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke voorziening wordt verstrekt;

    • b.

      hoe de voorziening wordt verstrekt;

    • c.

      welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk doel het pgb moet worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb, waaronder de verplichting dat de zorgverlener een relevante VOG aanvraagt en desgevraagd toont;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald;

    • d.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 4. Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming of een tegemoetkoming in de meerkosten wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welke kosten of situatie de tegemoetkoming wordt verstrekt;

    • b.

      wat de hoogte van de tegemoetkoming is en hoe deze is bepaald;

    • c.

      welke voorwaarden gelden voor de besteding of inzet van de tegemoetkoming.

Artikel 13. Regels voor pgb

  • 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, kan het college toetsen of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6, tweede lid van de wet opgenomen voorwaarden.

  • 2. De cliënt dient daarvoor een budgetplan en een ondersteuningsplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen:

    • a.

      hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;

    • b.

      wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;

    • c.

      welke maatwerkvoorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder;

    • d.

      de kosten van de maatwerkvoorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • e.

      hoe de cliënt de voorziening volgens een puntsgewijze begroting dan wel een gespecificeerde offerte wenst te financieren;

    • f.

      de duur en wijze waarop de maatwerkvoorziening wordt ingezet;

    • g.

      het te behalen resultaat van de maatwerkvoorziening, zoals opgenomen in het ondersteuningsplan;

    • h.

      de evaluatiemomenten gedurende de duur van de inzet van de maatwerkvoorziening , zoals opgenomen in het ondersteuningsplan;

    • i.

      de wijze waarop de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en waaruit blijkt dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt, is opgenomen in het ondersteuningsplan.

  • 3. Het pgb mag niet worden besteed aan:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • c.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • d.

      kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;

    • e.

      kosten voor bijkomende zorg, waaronder cursuskosten en entreegelden van de zorgverlener;

    • f.

      kosten voor overlijdensuitkering;

    • g.

      kosten voor reizen.

  • 4. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.

  • 5. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

  • 6. De cliënt is verplicht, als de ondersteuning wordt geboden door een niet-professioneel persoon uit de sociale omgeving, niet zijnde de directe leefeenheid, bij het ondersteuningsplan een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te voegen van deze persoon. Een VOG van niet ouder dan drie maanden.

  • 7. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte maatwerkvoorziening, met uitzondering van informele hulp, voldoet minimaal aan de eisen die zijn gesteld aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare voorzieningen leveren in zorg in natura;

  • 8. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

  • 9. Een pgb voor gebruik van eigen auto, van een taxi of het gebruik van een rolstoeltaxi is slechts mogelijk indien de cliënt medisch en/of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer met de regiotaxi.

  • 10. Een pgb is niet mogelijk als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet.

  • 11. Een pgb is niet mogelijk voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college, op basis van nader door het college te stellen regels.

  • 12. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder een pgb wordt verstrekt.

Artikel 13A. Persoonsgebonden budget voor beschermd wonen

  • 1. Een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de cliënt of diens vertegenwoordiger pgb vaardig is;

    • b.

      de kwaliteit van de in te kopen ondersteuning is gewaarborgd;

    • c.

      de ondersteuning veilig, verantwoord en doelmatig kan worden geleverd.

  • 2. Het college weigert een pgb indien:

    • a.

      de veiligheid of kwaliteit van de ondersteuning onvoldoende kan worden gegarandeerd;

    • b.

      de ondersteuning niet voldoet aan de eisen die gelden voor beschermd wonen.

  • 3. Het college stelt nadere regels vast over de wijze waarop de kwaliteit en doelmatigheid van met een pgb ingekochte ondersteuning beschermd wonen wordt beoordeeld.

Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp

  • 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

  • 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 3. Informele hulp is:

    • a.

      Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in tweede lid;

    • b.

      Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in tweede lid, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van de cliënt.

Artikel 15. Hoogte pgb

  • 1. De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt maximaal vastgesteld op:

    • a.

      Het bedrag van de goedkoopst-adequate voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of;

    • b.

      Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten.

  • 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget vervoer is gebaseerd op de voorziening collectief vervoer in natura, waarbij het uitgangspunt geldt dat maximaal 2000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Als aan de cliënt ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving een vervoersvoorziening is verstrekt, wordt een maximum van 1000 km als uitgangspunt gehanteerd. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het standaard aantal kilometers niet volstaat dan kan een groter aantal kilometers worden verstrekt.

  • 3. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor formele en informele hulp:

    • a.

      Het pgb voor formele hulpverleners (begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf), zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 90% van het uurtarief van de goedkoopst-adequate voorziening in natura.

    • b.

      Het pgb voor formele hulpverleners (hulp bij het huishouden), zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 85% van het uurtarief van de goedkoopst-adequate voorziening in natura.

    • c.

      Het pgb voor informele hulp, zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, wordt vastgesteld op het per uur geldende wettelijk minimumloon voor een werknemer van 21 jaar of ouder als bedoeld in de wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), zoals dit van tijd tot tijd geldt. Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en verlofuren en, als er sprake is van een arbeidsovereenkomst, ook met de werkgeverslasten.

    • d.

      Het pgb tarief voor informele hulp kortdurend verblijf zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt gebaseerd op het tarief van de door cliënt gecontracteerde zorgaanbieder, maar maximaal op 75% van het uurtarief van de goedkoopst-adequate voorziening in natura.

  • 4. Voor vervoer naar de dagbesteding wordt voor formeel vervoer door een taxibedrijf maximaal 90% toegekend van het tarief voor de gecontracteerde aanbieders.

  • 5. Voor vervoer door informele hulp zoals familieleden, wordt een maximaal tarief van 90% van het gecontracteerde tarief gehanteerd.

  • 6. Het toegekende pgb-tarief wordt gedurende de looptijd van de toekenning van het pgb geïndexeerd.

  • 7. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb. De tarieven zijn opgenomen in de nadere regels.

Artikel 16. Nadere verplichtingen budgethouder

  • 1. De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren.

  • 2. De budgethouder dient over een nota of factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening te beschikken.

  • 3. De budgethouder deelt het college op verzoek van het college of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb.

Hoofdstuk 4. BIJDRAGE IN DE KOSTEN

Artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

  • 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zoals bijvoorbeeld een wasservice en/of scootmobiel zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. De bijdrage voor een algemene voorziening is zodanig vastgesteld dat deze geen belemmering vormt voor het gebruik van de voorziening en in een redelijke verhouding staat tot de kosten van de voorziening.

  • 3. De hoogte van de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen/of persoonsgebonden budget wordt vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Deze eigen bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening.

  • 4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      Rolstoelvoorzieningen;

    • b.

      Kindvoorzieningen;

    • c.

      Met terugwerkende kracht wordt geen eigen bijdrage geheven over reeds gerealiseerde woningaanpassingen als iemand de leeftijdsgrens van 18 jaar haalt.

  • 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.

  • 6. De bijdrage als bedoeld in dit artikel is niet van toepassing op een financiële tegemoetkomingen als bedoeld in artikel 9A en 9B.

Artikel 17A Bijdrage beschermd wonen

  • 1. Voor beschermd wonen kan een bijdrage in de kosten worden opgelegd overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 2. Het college informeert de cliënt over de hoogte en wijze van innen van de bijdrage.

Artikel 18. Eigen bijdrage voor Collectief vervoer

In afwijking van artikel 17, derde lid, betaalt de cliënt een aparte bijdrage voor het gebruik van collectief vervoer. Deze bijdrage bestaat uit een opstaptarief (vaste prijs per rit) en een bedrag per gereisde kilometer aan de vervoerder.

Hoofdstuk 5. KWALITEIT EN VEILIGHEID

Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      inzet van de juiste deskundigheid;

    • d.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • e.

      het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) door beroepskrachten die direct contact hebben met cliënten;

    • f.

      erop toe te zien dat de voorziening doeltreffend, veilig en cliëntgericht is.

  • 2. Het college legt verdere uitwerking van de geldende eisen op de kwaliteit van voorzieningen vast in de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning;

  • 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en, indien nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • I.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • II.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 tweede lid van de wet, tussen de cliënten en de betrokken hulpverleners.

  • 3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:

    • a.

      kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van loon binnen een overeenkomst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de marktprijs van de voorziening, en

    • b.

      de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

      • I.

        aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

      • II.

        instructie over het gebruik van de voorziening;

      • III.

        onderhoud van de voorziening, en

      • IV.

        verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Hoofdstuk 6. TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 22. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget

  • 1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2. Het college informeert cliënten, hun vertegenwoordiger en zorgaanbieders op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die horen bij het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb. Ook wordt uitleg gegeven over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet dan wel hetgeen krachtens de wet is verstrekt of toegekend.

  • 3. Het college kan steekproefsgewijs het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s onderzoeken om de kwaliteit te beoordelen en om vast te stellen of de wet rechtmatig en doelmatig wordt gebruikt.

  • 4. Het college stelt onderzoek in naar de rechtmatigheid van een maatwerkvoorziening of pgb als er een gegrond vermoeden bestaat van misbruik of van oneigenlijk gebruik van de wet door cliënt dan wel door zorgaanbieders.

  • 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing over een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat sprake is van misbruik en/of oneigenlijk gebruik.

  • 6. Als een cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, worden de kosten in overeenstemming met artikel 2.4.1 van de wet verhaald.

  • 7. Het college kan aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten rapporteren op het gebied van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en –prioriteiten.

Artikel 23. Verrekening

Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betalingen op grond van de wet.

Hoofdstuk 7. WAARDERING MANTELZORGERS

Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente wordt door het college nader bepaald.

Hoofdstuk 8. KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 25. Klachtregeling

  • 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden kan het college toezien op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder de Maatschappelijke adviesraad Albrandswaard, cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.

  • 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 9. OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 28. Indexering

Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en de op deze verordening gebaseerde nadere beleidsregels maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen.

Artikel 29. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 30. Overgangsrecht

  • 1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening die voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening is verstrekt, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening zijn verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 2. Op bezwaarschriften tegen een besluit wordt beslist met inachtneming van de verordening op basis waarvan het betreffende besluit is genomen.

Artikel 31. Intrekking oude verordening, inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie en werkt terug tot en met 1 januari 2026, onder gelijktijdige intrekking van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2022.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 11 mei 2026.

De griffier,

drs. Leendert Groenenboom

De voorzitter,

drs. Cees Pille

Artikelsgewijze toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard 2026

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en het Uitvoeringsbesluit dat daarbij hoort, staan al veel definities. Daarom staan in deze verordening alleen de belangrijkste begrippen. Niet elk begrip heeft nader uitleg nodig.

  • -

    Lid 1 a. algemeen gebruikelijke voorziening

    Bij deze voorziening gaat het om de vraag: zou de cliënt deze voorziening ook hebben gehad als hij geen beperkingen had? De regels hiervoor komen uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Het gaat er niet om hoeveel geld de cliënt zelf precies heeft, maar of een vergelijkbare voorziening voor mensen met een normaal inkomen betaalbaar en gebruikelijk is

  • -

    Lid 1 b. algemene voorziening

    Dit betreft algemeen vrij toegankelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld een boodschappenservice, welzijnsactiviteiten of vrijwilligersvervoer. Dit is bedoeld om hen te ondersteunen in het zelfstandig functioneren en participeren in de samenleving. Algemene voorzieningen zijn niet op maat gemaakt voor een individuele situatie, maar voor een bredere groep inwoners toegankelijk, vaak zonder indicatie of beschikking. Denk aan een maaltijdvoorziening, boodschappendienst en vrijwilligershulp.

  • -

    Lid 1 c. andere voorziening

    Een andere voorziening is een voorziening die niet onder de Wmo valt, maar via een andere wet of regeling beschikbaar is of door de cliënt zelf kan worden geregeld.

  • -

    Lid 1 d. beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Albrandswaard

    Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning zijn door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde regels waarin wordt uitgewerkt hoe de gemeente de Wmo 2015 en de Wmo verordening toepast in de praktijk. Ze geven invulling aan open normen, verduidelijken hoe besluiten worden genomen en zorgen voor voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid voor inwoners.

  • -

    Lid 1.e beschermd wonen

    Beschermd wonen is een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor mensen die door psychische of psychosociale problemen niet zelfstandig kunnen wonen en toezicht, begeleiding en een veilige woonomgeving nodig hebben. Het gaat om wonen in een beschermde leefomgeving met “24 uurs” toezicht of nabijheid daarvan, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid, participatie en de doorstroom naar zelfstandiger wonen.

  • -

    Lid 1. f. (eigen) bijdrage

    In artikel 2.1.4 van de Wmo staat dat de gemeente een eigen bijdrage mag vragen voor ondersteuning. Als de gemeente daarvoor kiest, moet de cliënt dus een deel van de kosten zelf betalen.

  • -

    Lid 1 g. Financiële tegemoetkoming

    Onder een financiële tegemoetkoming wordt verstaan een bijdrage in de kosten die de cliënt maakt om zijn zelfredzaamheid of participatie te behouden of te verbeteren. Het gaat om situaties waarin ondersteuning noodzakelijk is, maar waarin een maatwerkvoorziening niet passend of niet doelmatig is. De hoogte van de tegemoetkoming kan afhankelijk zijn van de individuele omstandigheden en de werkelijke kosten.

  • -

    Lid 1 h. gebruiksduur

    De gebruiksduur is de periode waarin de cliënt de voorziening in bezit heeft. Ook wanneer de cliënt de voorziening tijdelijk niet gebruikt, telt dit mee als gebruiksduur. Als de cliënt aangeeft dat hij het niet meer nodig heeft en het inlevert, stopt de gebruiksduur.

  • -

    Lid 1 I. gesprek

    Artikel 2.3.2, 1e van de Wmo schrijft voor dat het college naar aanleiding van een melding een onderzoek verricht. Een vorm van persoonlijk contact (een gesprek) zal hiervoor meestal noodzakelijk zijn, maar is niet voorgeschreven op grond van de Wet.

  • -

    Lid 1 J. hoofdverblijf

    Het hoofdverblijf is de plek waar de cliënt het grootste deel van het jaar echt woont. Dat is niet altijd hetzelfde als het adres in de Basisregistratie Personen (BRP).

  • -

    Lid 1 kj. hulpvraag

    De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de hulpvraag van betrokkene is. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet is noodzakelijk.

  • -

    Lid 1.l. ingezetene

    Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend.

  • -

    Lid 1 m. intramuraal

    Een intramurale verblijfsetting kan zowel van toepassing zijn op jeugdigen in een instelling (Jeugdwet) als ook volwassenen op grond van de Wmo of de Wet langdurige zorg (Wlz).

  • -

    Lid 1 n. kostprijs

    Kostprijs binnen de Wmo is het totaal van alle kosten die noodzakelijk zijn om een Wmo-voorziening te leveren, inclusief directe kosten, indirecte kosten (overhead), afschrijvingen en eventuele kapitaallasten.

  • -

    Lid 1 o. leefeenheid

    Een groep mensen, dit kunnen zowel jeugdigen, jongeren als volwassenen of een combinatie daarvan zijn, die gezamenlijk een huishouden vormen. Er hoeft geen familierelatie te zijn. Ze verblijven in dezelfde woning met een gedeelde voordeur, keuken en badkamer.

  • -

    Lid 1 p. maatschappelijke opvang

    Maatschappelijke opvang is een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 die gericht is op het bieden van tijdelijke opvang, begeleiding en ondersteuning aan mensen die dakloos zijn of dreigen te worden, of die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven vanwege psychosociale of andere problemen.

  • -

    Lid 1 q. melding

    Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Wanneer een ingezetene uitsluitend informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.

  • -

    Lid 1 r. nadere regels

    Nadere regels zijn door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde, uitvoeringsgerichte regels die de Wmo-verordening verder concretiseren en specificeren. Waar de verordening de kaders bevat (vastgesteld door de gemeenteraad), vullen nadere regels deze kaders praktisch en gedetailleerd in voor de uitvoering.

  • -

    Lid 1 s onderzoeksrapport

    Het onderzoeksrapport is het schriftelijke verslag dat de gemeente opstelt na het uitvoeren van het Wmo onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. Het rapport vormt de weergave van het onderzoek, de feiten, de beoordelingen en de conclusies die nodig zijn om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Deze toelichting verduidelijkt waarom dit rapport essentieel is en welke functie het heeft in de besluitvorming.

  • -

    Lid 1 t. Pgb

    Het persoonsgebonden budget (pgb) is een manier waarop een cliënt zelf ondersteuning kan inkopen die normaal gesproken als maatwerkvoorziening in natura wordt geleverd. De toelichting verduidelijkt dat het Pgb bedoeld is om regie, keuzevrijheid en maatwerk te vergroten.

  • -

    Lid 1 u. participatie

    Participatie verwijst binnen de Wmo naar het meedoen in de samenleving op een manier die past bij iemands mogelijkheden. De toelichting maakt duidelijk dat participatie breder is dan werk: het gaat om sociale, maatschappelijke en praktische deelname.

  • -

    Lid 1 v. Persoonlijk plan

    In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk – de hulpvraag nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Deze informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten versterken.

  • -

    Lid 1 w. semimuraal

    Semimurale ondersteuning betekent dat iemand niet intramuraal woont, maar wel regelmatig en structureel ondersteuning op locatie ontvangt, vaak in een woonvorm waar begeleiding nabij is of op vaste momenten aanwezig is. Het gaat dus om wonen in de eigen woning of een zelfstandige woonunit, gecombineerd met intensieve begeleiding, maar zonder permanent toezicht of “24 uurs” aanwezigheid zoals bij intramuraal verblijf.

  • -

    Lid 1 x. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

    De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) is de landelijke wet die regelt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het ondersteunen van inwoners die niet op eigen kracht zelfredzaam kunnen zijn of niet volledig kunnen deelnemen aan de samenleving. De toelichting bij de definitie verduidelijkt het doel, de reikwijdte en de kernprincipes van de wet.

  • -

    Lid 1 y. Zelfredzaamheid

    Binnen de Wmo 2015 betekent zelfredzaamheid het vermogen van een inwoner om zichzelf te kunnen redden in het dagelijks leven, met of zonder hulp van het eigen netwerk. De toelichting verduidelijkt dat zelfredzaamheid niet alleen gaat over praktische vaardigheden, maar ook over regie, veiligheid, structuur en maatschappelijk functioneren. Zelfredzaamheid is een kernbegrip in de Wmo: het bepaalt of iemand ondersteuning nodig heeft en welke vorm passend is.

Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek en aanvraag

In dit hoofdstuk staan de regels voor het traject dat begint als een inwoner de gemeente om hulp vraagt. Dit traject begint met een melding. De melding is voor de gemeente het moment om te starten met een onderzoek. Het onderzoek is het belangrijkste onderdeel van de procedure in de Wmo 2015. Tijdens het onderzoek kijkt de gemeente of er andere oplossingen zijn dan een maatwerkvoorziening. Denk daarbij bijvoorbeeld aan voorliggende of algemene voorzieningen. Als die voldoende zijn, is een maatwerkvoorziening niet nodig.

Artikel 2. Melding

De inwoner doet een melding als hij ondersteuning nodig heeft. Dit heet ook wel een hulpvraag. De melding kan op verschillende manieren worden gedaan: schriftelijk, digitaal, mondeling of telefonisch. Het maakt dus niet uit op welke wijze of op welke plaats de melding wordt gedaan. De inwoner kan zelf de melding doen, maar ook iemand namens hem, zoals een familielid of mantelzorger. Nadat er een melding is gedaan, ontvangt de inwoner hiervan een schriftelijke bevestiging. Het onderzoek wordt zo spoedig mogelijk uitgevoerd en in beginsel binnen zes weken afgerond, zoals bepaald in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

De verplichtingen uit dit artikel staan ook in de artikelen 2.2.4, eerste lid onderdeel a en 2.3.2, derde lid van de wet. Het is belangrijk dat de cliënt wordt gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Daarom staat in de ontvangstbevestiging van de melding hoe de cliënt contact kan opnemen met een cliëntondersteuner. Cliëntondersteuning is uitgelegd in artikel 1.1.1 van de wet. De cliëntondersteuning is gratis en onafhankelijk.

Artikel 4. Persoonlijk plan

De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden staan ook in artikel 2.3.2 van de wet. De cliënt mag, voordat het onderzoek start, een persoonlijk plan maken. Hierin schrijft de cliënt op welke hulp nodig is en hoe dit georganiseerd kan worden. Het voordeel hiervan is dat de gemeente direct weet wat de wensen van de cliënt zijn. Hiermee behoudt de cliënt zelf regie over zijn ondersteuning.

Artikel 5. Informatie en identificatie

De verplichtingen in dit artikel komen ook uit de wet, namelijk uit artikelen 2.3.2, zevende lid en 2.3.4, eerste lid. Net als bij artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de cliënt ook in de onderzoeksfase de juiste informatie geven. De gemeente moet zeker weten wie de cliënt is. Daarom vraagt zij om een geldig identiteitsbewijs, zoals bedoeld in de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 6. Onderzoek

Om een goed besluit te nemen, moet de gemeente eerst goed onderzoek doen naar de situatie van de cliënt. Bij het onderzoek kijkt de gemeente samen met de cliënt wat de behoeften, mogelijkheden en voorkeuren zijn. Daarvoor zijn alle belangrijke feiten en omstandigheden nodig. Het onderzoek gebeurt altijd in overleg met de cliënt. Als het kan, worden ook de mantelzorger(s) of een vertegenwoordiger betrokken. Soms blijkt uit dit gesprek dat een algemene voorziening al voldoende is, en een maatwerkvoorziening dus niet nodig is. Soms is een combinatie mogelijk.

De gemeente volgt bij het onderzoek de stappen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ECLI:NL:CRVB:2018:819, Centrale Raad van Beroep, 16/6592 WMO15-T). Voor een goed beeld van de situatie is vaak persoonlijk contact nodig. Daarom worden meestal één of meer (telefonische) gesprekken gevoerd met de cliënt en eventueel ook met de mantelzorger(s) of vertegenwoordiger.

Soms is een uitgebreid gesprek niet nodig. Bijvoorbeeld als het gaat om een extra vraag over een eerdere beslissing of een duidelijke, eenvoudige vraag. In zulke gevallen kan het onderzoek ook telefonisch of via dossieronderzoek gedaan worden. Dit gaat altijd in overleg met de cliënt .

Deze bepaling volgt uit artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet. Het onderzoeksrapport is belangrijk voor een zorgvuldige administratie en een goed verloop van de procedure.

De gemeente geeft de cliënt een schriftelijke samenvatting van het onderzoek. Zo weet de cliënt wat de uitkomst is, en kan hij daarna een aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening. Het rapport bevat géén letterlijk verslag van de gesprekken. Alleen de gegevens die nodig zijn voor het besluit worden opgenomen. Een duidelijke samenvatting helpt de gemeente om de juiste beslissing te nemen én zorgt voor duidelijke communicatie met de cliënt. De inhoud van het rapport hangt af van hoe ingewikkeld het onderzoek is. Bij een eenvoudig onderzoek is de samenvatting kort, bij een complex onderzoek is een uitgebreidere toelichting nodig.

Het onderzoeksrapport kan ook gebruikt worden als plan of afspraken richting zorgaanbieder. In dit plan staat dan hoe de cliënt wordt geholpen om zelfredzaam te zijn en mee te doen in de samenleving. Als de cliënt al een persoonlijk plan heeft gemaakt, wordt dat ook in het verslag opgenomen.

Artikel 7. Advisering

Het onderzoek moet zorgvuldig gebeuren. Dit is al eerder toegelicht in artikel 6, bijvoorbeeld aan de hand van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Soms is er voor het onderzoek specialistische kennis nodig. In dat geval kan het college besluiten advies te vragen aan een deskundige. De gemeente zorgt ervoor dat deze deskundige voldoende kennis heeft. Ook moet voor de cliënt duidelijk zijn op welk gebied deze deskundige advies geeft, bijvoorbeeld medisch, bouwkundig of sociaal.

Artikel 8. Aanvraag

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas gedaan worden nadat het onderzoek is afgerond of nadat de zeswekentermijn van het onderzoek is verstreken en er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Wanneer het onderzoek meer tijd vergt, informeert het college de cliënt tijdig over de oorzaak van de vertraging en over de te verwachten vervolgstappen. Redenen kunnen bijvoorbeeld zijn: een ziekenhuisopname of afwezigheid van de cliënt, een langere doorlooptijd bij het opvragen van offertes voor een woningaanpassing of hulpmiddel, of het nog niet beschikbaar zijn van een (medisch) advies.

Wanneer een cliënt na die 6 weken niet langer wil of kan wachten, bestaat altijd de mogelijkheid om toch een aanvraag in te dienen. In dat geval start direct de wettelijke beslistermijn van twee weken waarbinnen de gemeente een besluit moet nemen. Op deze manier blijft het recht van de cliënt gewaarborgd.

Hoewel in artikel 2.3.5, eerste lid, van de Wmo staat dat een aanvraag alleen betrekking heeft op een maatwerkvoorziening, kunnen soms ook andere oplossingen bijdragen aan zelfredzaamheid en participatie. Dit kan zonder aanvraag worden ingezet. Hierbij kan gedacht worden aan algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen.

Bij een aanvraag voor een hulpmiddel of aanpassing van de woning die via een persoonsgebonden budget (Pgb) wordt betaald, kan de cliënt verplicht worden om minimaal 2 offertes aan te leveren. De gemeente mag ook zelf offertes opvragen. Zo kan de gemeente goed vergelijken en kiezen voor de goedkoopst-adequate oplossing.

Lid 6 maakt duidelijk dat dezelfde aanvraagprocedure geldt voor financiële tegemoetkomingen als voor maatwerkvoorzieningen. Dit zorgt voor één uniforme werkwijze en voorkomt dat er verschillende procedures naast elkaar ontstaan.

Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorziening

In dit hoofdstuk staat omschreven voor welke maatvoorzieningen een cliënt in aanmerking kan komen. Ook zijn er regels en aanvullende criteria opgenomen op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een cliënt kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb, als hij dat wenst. Tevens staat in dit hoofdstuk beschreven wanneer er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Artikel 9. Algemene criteria voor maatwerkvoorzieningen

Dit artikel beschrijft de uitgangspunten die het college hanteert bij het beoordelen van aanvragen voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. De algemene criteria vormen samen het kader waarbinnen het college zorgvuldig, transparant en consistent besluiten neemt.

Lid 1

Het onderzoeksrapport vormt de basis voor de besluitvorming. In dit rapport staat welke beperkingen de cliënt ervaart, welke ondersteuning nodig is en welke mogelijkheden er zijn binnen de eigen kracht, het netwerk en algemene voorzieningen. Het rapport zorgt ervoor dat het besluit goed onderbouwd en navolgbaar is.

Lid 2

Bij elke aanvraag staat de ondersteuningsvraag van de cliënt centraal. Het college weegt daarbij alle betrokken belangen mee: het belang van de cliënt zelf, de draagkracht van de naaste omgeving, het maatschappelijk belang en de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid. Deze brede belangenafweging zorgt voor een evenwichtig en zorgvuldig besluit.

Lid 3

De gemeente verstrekt pas een maatwerkvoorziening wanneer de cliënt zijn probleem niet zelf kan oplossen. Dit betekent dat eerst wordt gekeken naar:

  • eigen kracht en eigen mogelijkheden,

  • gebruikelijke hulp,

  • mantelzorg,

  • hulp vanuit het sociale netwerk,

  • vrijwilligers,

  • algemene voorzieningen,

  • en voorliggende wetgeving (zoals Zvw of Wlz).

Pas wanneer deze mogelijkheden onvoldoende zijn, kan een maatwerkvoorziening worden toegekend.

Lid 4

Dit artikel maakt duidelijk dat ondersteuning die als gebruikelijke hulp wordt gezien, niet via een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Gebruikelijke hulp is de hulp die huisgenoten of naasten in redelijkheid kunnen bieden. Wat hieronder valt, hangt af van de relatie tussen betrokkenen, de aard en zwaarte van de ondersteuning, hoe vaak deze nodig is en hoe lang deze duurt. Deze factoren helpen het college om te bepalen of hulp normaal gesproken binnen het huishouden kan worden opgevangen of dat een maatwerkvoorziening nodig is.

Lid 5

Wanneer meerdere passende oplossingen mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopst adequate-voorziening. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van doelmatigheid binnen de Wmo.

Lid 6 en 7

Het college beoordeelt of de maatwerkvoorziening veilig is, geen gezondheidsrisico’s oplevert en revalidatie niet belemmert. Ook moet de cliënt een veilige werkomgeving kunnen bieden aan professionals die ondersteuning leveren.

Lid 8

Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt wanneer de noodzaak niet voorzienbaar was en niet te voorkomen was. Dit betekent dat van een cliënt wordt verwacht te anticiperen op bekende beperkingen en geen keuzes maakt waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat deze tot problemen kan leiden. Alleen wanneer een cliënt een probleem niet kon voorzien of kon voorkomen kan er een maatwerk voorziening verstrekt worden.

Bij voorzieningen gericht op zelfredzaamheid en participatie beoordeelt het college of de ondersteuningsvraag redelijkerwijs niet te voorkomen was en niet voorzienbaar was. Hiermee wordt voorkomen dat ondersteuning wordt ingezet voor situaties die door de cliënt zelf hadden kunnen worden voorkomen.

Lid 9

Wanneer een voorziening technisch is afgeschreven betekent dat het hulpmiddel door ouderdom of slijtage niet meer goed werkt en of veilig gebruikt kan worden. De leverancier bepaalt of een voorziening technisch is afgeschreven. Wanneer dit het geval is ontvangt de cliënt een nieuwe voorziening.

Het kan ook gebeuren dat een voorziening kwijt of kapot raakt zonder dat de cliënt daar iets aan kan doen. Denk daarbij aan diefstal of door schade vanwege een ongeluk waar de cliënt geen schuld aan heeft. In dat geval kan de gemeente een nieuwe voorziening verstrekken. Wanneer de schade ontstaat door onzorgvuldig gebruik hoeft de gemeente geen nieuwe voorziening te verstrekken.

Wanneer de medische situatie van de cliënt wijzigt waardoor de voorziening niet meer bij de cliënt past kan de gemeente overgaan tot het verstrekken van een nieuwe voorziening die aansluit bij de huidige medische situatie.

Lid 10

Bij woningaanpassingen onderzoekt het college of verhuizen een goedkoper en adequaat alternatief is. Dit voorkomt dat hoge kosten worden gemaakt voor aanpassingen die niet noodzakelijk zijn wanneer een geschikte woning beschikbaar is.

Lid 11

Het college kan aanvullende regels vaststellen om de uitvoering van deze criteria verder te verduidelijken. Hiermee kan de gemeente inspelen op lokale omstandigheden en beleidsontwikkelingen.

lid 12

Dit lid verduidelijkt welke specifieke voorzieningen, zoals een tegemoetkoming voor verhuizing en (woning)inrichting en sporthulpmiddelen, onder het begrip maatwerkvoorziening kunnen vallen. Hoewel deze voorzieningen op basis van het algemene compensatiebeginsel al mogelijk zijn, biedt expliciete benoeming meer rechtszekerheid en eenduidigheid in de uitvoering. De voorzieningen worden alleen verstrekt indien dit noodzakelijk is om beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op te heffen of te verminderen en met inachtneming van de criteria van artikel 9, zoals eigen kracht, goedkoopst-adequate en noodzaak.

Artikel 9A

Dit artikel biedt het college de mogelijkheid een financiële tegemoetkoming te verstrekken voor verhuizing en (woning)inrichting, indien dit vanwege de beperkingen van de cliënt noodzakelijk is voor het bevorderen of behouden van de zelfredzaamheid of participatie. Verhuizen moet daarbij een passend en goedkoopst-adequaat alternatief zijn.

Geen tegemoetkoming wordt verstrekt indien een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling in de kosten voorziet. Ook wordt geen tegemoetkoming verstrekt wanneer sprake is van een eerste zelfstandige woning of bij verhuizing naar een semimurale of intramurale instelling.

Het college stelt nadere regels over onder meer de hoogte van de tegemoetkoming, de wijze van uitbetaling, de termijn waarbinnen opnieuw aanspraak kan bestaan en voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik.

Voor deze tegemoetkoming is geen eigen bijdrage verschuldigd.

Artikel 9B

Dit artikel biedt het college de mogelijkheid een tegemoetkoming te verstrekken aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die als gevolg daarvan aannemelijke meerkosten hebben. De tegemoetkoming is bedoeld ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.

De tegemoetkoming kan tevens betrekking hebben op meerkosten voor sporthulpmiddelen of aanpassingen daarvan, indien deze noodzakelijk zijn voor participatie. Een tegemoetkoming wordt uitsluitend verstrekt voor zover geen aanspraak bestaat op vergoeding via een voorliggende voorziening, verzekering of wettelijke regeling.

Het college stelt nadere regels over onder meer de hoogte van de tegemoetkoming, de doelgroep- en toegangscriteria, de wijze van uitbetaling en de frequentie of termijn waarbinnen aanspraak kan worden gemaakt.

Voor deze tegemoetkoming is geen eigen bijdrage verschuldigd.

Artikel 10. Criteria beschermd wonen en maatschappelijke opvang

Dit artikel legt vast dat Albrandswaard voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang aansluit bij de regionale uitvoering door centrumgemeente Rotterdam. Rotterdam verzorgt de toegang, beoordeling en uitvoering volgens de eigen procedures en beleidsregels. Albrandswaard past deze regels toe, maar kan daarvan afwijken als dit in een individueel geval tot onevenredige gevolgen zou leiden. Waar nodig kan Albrandswaard aanvullende lokale regels vaststellen, zolang deze niet in strijd zijn met de regionale afspraken.

Artikel 10A Toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang

Beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn voorzieningen voor inwoners die door psychische, psychosociale of veiligheidsproblemen niet in staat zijn zelfstandig te wonen of zich veilig te handhaven. Artikel 10A geeft de voorwaarden waaronder deze ondersteuning kan worden ingezet. De Wmo 2015 gaat uit van het principe dat ondersteuning zo licht mogelijk en zo zwaar als nodig wordt ingezet. Daarom wordt eerst beoordeeld of andere vormen van hulp, zoals inzet van het netwerk, ambulante begeleiding of voorliggende voorzieningen, voldoende zijn. Alleen wanneer deze opties tekortschieten, komt beschermd wonen of opvang in beeld.

Het college voert een zorgvuldig onderzoek uit naar de aard van de problemen, de noodzaak van een beschermde of opvangomgeving en de mogelijkheden van de cliënt. De voorziening moet bijdragen aan herstel van stabiliteit, zelfredzaamheid en participatie. Het artikel biedt daarnaast ruimte om voorwaarden te stellen, zoals medewerking aan begeleiding, behandeling of uitstroomtrajecten, om de effectiviteit van de ondersteuning te vergroten en de doorstroom naar zelfstandiger wonen te bevorderen.

Artikel 11a – Beschermd wonen

Artikel 11a beschrijft wat onder beschermd wonen wordt verstaan en welke ondersteuning minimaal onderdeel uitmaakt van deze maatwerkvoorziening. Beschermd wonen biedt inwoners een woonomgeving met begeleiding en toezicht, maar is nadrukkelijk meer dan alleen huisvesting: het gaat om een samenhangend pakket van ondersteuning dat aansluit bij de behoeften van mensen die tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen.

De in het artikel genoemde onderdelen – begeleiding bij dagelijkse activiteiten, het bieden van structuur en veiligheid, en ondersteuning gericht op herstel en participatie – vormen de basisfuncties van beschermd wonen. Deze functies zorgen ervoor dat cliënten kunnen stabiliseren, vaardigheden kunnen ontwikkelen en kunnen toewerken naar een passende vervolgstap, zoals begeleid of zelfstandig wonen.

Het artikel geeft daarnaast ruimte om via nadere regels te bepalen hoe intensief en op welke wijze beschermd wonen lokaal wordt vormgegeven. Dit maakt het mogelijk om het aanbod flexibel aan te passen aan de lokale situatie, de beschikbare woonvormen en de behoeften van verschillende doelgroepen.

Artikel 11b – Maatschappelijke opvang

Artikel 11b beschrijft de voorwaarden en inhoud van maatschappelijke opvang. Deze voorziening is bedoeld voor inwoners die door dakloosheid, huiselijk geweld of een acute crisissituatie tijdelijk niet in staat zijn zelfstandig te wonen. De opvang biedt een veilige plek waar stabiliteit kan worden hersteld en waar begeleiding beschikbaar is om verdere ontregeling te voorkomen.

De maatschappelijke opvang omvat minimaal drie elementen: tijdelijk onderdak, begeleiding gericht op herstel en stabilisatie, en ondersteuning bij uitstroom naar een passende woon- of leefsituatie. Daarmee is de opvang niet alleen gericht op het bieden van een veilige verblijfplaats, maar ook op het creëren van perspectief en het doorbreken van een onveilige of instabiele situatie.

Het artikel geeft het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen over de inhoud en omvang van de opvang. Hiermee kan de gemeente inspelen op lokale omstandigheden, verschillende doelgroepen en de gewenste intensiteit van begeleiding. Dit zorgt voor duidelijkheid richting cliënten en aanbieders en maakt het mogelijk om de maatschappelijke opvang flexibel en doelgericht vorm te geven.

Artikel 11. Weigeringsgronden

In de rechtbankjurisprudentie is bepaald dat de redenen voor een afwijzing altijd in de verordening moeten staan.

Lid 1 a

In artikel 2.3.5, vijfde lid van de Wmo 2015 staat dat een maatwerkvoorziening alleen wordt verstrekt als de hulp niet op een andere manier beschikbaar is.

Als een cliënt recht heeft op hulp via een andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg (Wlz), moet de gemeente deze mogelijkheid als eerste laten benutten. Dit wordt in de Wmo beschouwd als een vorm van eigen kracht: de cliënt maakt gebruik van wat wettelijk al beschikbaar is. Daarom geldt dat de gemeente in zo’n geval geen maatwerkvoorziening hoeft toe te kennen.

Lid 1 b en c

Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. De cliënt heeft op deze wijze laten zien dat de hulpvraag in eigen kracht opgelost kan worden. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening.

Lid 1 d

Deze weigeringsgrond betekent dat een maatwerkvoorziening alleen wordt verstrekt wanneer de ondersteuning echt gericht is op de persoonlijke situatie van de cliënt. Als de gevraagde voorziening een algemeen of groepsgericht karakter heeft en niet noodzakelijk is voor de individuele zelfredzaamheid of participatie, kan het college de aanvraag afwijzen.

Lid e

In dit deel staat dat een aanvraag kan worden afgewezen als het gaat om een vergoeding of voorziening die al eerder is gegeven. Dit geldt vooral als het verlies van het middel door toedoen van de cliënt is ontstaan, bijvoorbeeld door onvoorzichtig gedrag of nalatigheid. Als de cliënt er niets aan kan doen, wordt de aanvraag niet geweigerd.

Hier speelt ook de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Bijvoorbeeld: als in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is geplaatst, moet dit worden meegenomen in de waardebepaling van het huis. Dit risico moet de cliënt laten meeverzekeren in de opstalverzekering. Als er daarna brand uitbreekt en blijkt dat de woning niet goed genoeg verzekerd is, kan de cliënt op dat moment geen gebruik maken van deze regeling.

Lid 1 f

Als de cliënt bij het maken van keuzes redelijkerwijs had kunnen weten dat dit tot problemen zou leiden, mag de gemeente een aanvraag weigeren.

Lid 1 g

Wanneer er reden is om aan te nemen dat cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, zal de cliënt deze aanvraag eerst in moeten dienen bij het CIZ voordat de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wmo maatwerkvoorziening. Wanneer de Wlz-indicatie is afgewezen en de cliënt dit aan kan tonen of toestemming geeft deze informatie bij het CIZ op te vragen, kan er alsnog een beoordeling voor een Wmo-maatwerkvoorziening plaatsvinden.

Lid 1 h

Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd, beëindigd of niet worden voortgezet wanneer het gedrag van de cliënt maakt dat de voorziening niet op een verantwoorde manier kan worden verstrekt of gebruikt. Het gaat om situaties waarin de cliënt bijvoorbeeld afspraken structureel niet nakomt, niet meewerkt aan noodzakelijk onderhoud of controle, of door zijn gedrag de veiligheid van medewerkers of anderen in gevaar brengt.

Lid 2 a

De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.

Een voorziening moet langdurig noodzakelijk zijn. Het begrip langdurig noodzakelijk bestaat uit 2 onderdelen die los van elkaar bekeken kunnen worden. De voorziening moet:

  • -

    noodzakelijk zijn om de beperkingen te compenseren;

  • -

    langdurig noodzakelijk zijn.

Met langdurig wordt bedoeld dat de cliënt voor minimaal 6 maanden aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent dan ook in ieder geval dat degene die tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Degene die voor 'beperkte of onzekere duur' beperkingen ondervindt kan een beroep doen op de Zorgverzekeringswet.

Kenmerkend is dat de beperking die iemand heeft, volgens de medische wetenschap op het moment van de aanvraag niet meer kan verbeteren. Er is dus geen reden om te verwachten dat de situatie van de cliënt beter wordt. De voorspelling over de toekomst (prognose) is daarom heel belangrijk. Als de prognose zegt dat de cliënt na een tijdje zonder de hulpmiddelen of aanpassingen kan, dan mag het college ervan uitgaan dat het maar tijdelijk nodig is. Maar als de situatie steeds wisselt, met periodes van verbetering en terugval, kan er juist sprake zijn van een langdurige behoefte aan de voorziening. De medisch adviseur helpt bepalen of er wel of geen langdurige noodzaak is voor de voorziening.

Lid 3

In lid 3 zijn de specifieke weigeringsgronden opgenomen die gelden bij de toekenning van woonvoorzieningen. Het college kan in plaats van een woningaanpassing ook een verhuiskostenvergoeding verstrekken.

Ad. a

Het college hoeft geen voorziening te verstrekken als de beperkingen het gevolg zijn van de aard van de gebruikte materialen. Ook als de beperkingen voortkomen uit achterstallig onderhoud van de woning hoeft het college geen woonvoorziening te verstrekken.

Dit beginsel geldt niet als is voldaan aan de volgende twee eisen:

  • -

    de cliënt heeft goede pogingen ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen; en

  • -

    met het oog op de gezondheidstoestand van de belanghebbende is er binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van de gebreken.

Ad. b

Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden.

Ad. c, d, e, f en g

Als er in de te verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Uitzondering op deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is echter steeds afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Als een cliënt gaat verhuizen, moet hij of zij op zoek gaan naar een woning die zo goed mogelijk past bij zijn of haar situatie. Het is niet de bedoeling dat iemand zomaar een woning kiest die niet geschikt is, en daarna bij de gemeente aanklopt voor aanpassingen.

Met "verhuizen" bedoelt men hier niet alleen de daadwerkelijke verhuizing, maar ook alles wat er normaal gesproken aan voorafgaat. Denk aan het tekenen van een koopcontract, huurcontract of erfpachtovereenkomst. Dat zijn onomkeerbare stappen die betekenen dat de verhuizing bijna zeker doorgaat.

Voor de gemeente is het belangrijk om een goed beeld te hebben van het aantal woningen dat al aangepast is of makkelijk aangepast kan worden. Alleen dan kan de gemeente beoordelen of iemand naar een geschikte woning verhuist. Als een cliënt vanuit een andere gemeente verhuist en van tevoren geen contact heeft opgenomen met de gemeente om samen te kijken naar andere mogelijkheden of toestemming te vragen, dan verandert er iets. Dan moet de cliënt zelf bewijzen (met controleerbare informatie) dat er geen geschikte woning beschikbaar was.

Bijvoorbeeld: een cliënt in een rolstoel verhuist naar een woning zonder lift. De daaruit voortvloeiende beperkingen waren voorzienbaar, dus kan het college de aanvraag afwijzen.

Bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag in de praktijk vaak bij beide ouders.

Het juridische hoofdverblijf van een kind wordt meestal door de rechter bepaald en vastgelegd in het ouderschapsplan. Als het hoofdverblijf niet is vastgesteld, dan kan gekeken worden naar het feitelijk verblijf. In de praktijk kan het voorkomen dat het feitelijk verblijf evenredig is verdeeld. Nu de CRvB heeft geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben, dient de inschrijving van het kind in het BRP de doorslag te geven.

Voor wat betreft woningaanpassingen heeft dit tot gevolg dat slechts één woning hoeft te worden aangepast. In artikel 1:247, vierde lid BW is gewaarborgd dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. En uit artikel 3 IVRK volgt dat het belang van het kind voorop moet staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. Om die reden is de uitzondering voor co-ouderschap opgenomen.

Ad. h

Er worden geen voorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de genoemde in deze bepaling. Naar het oordeel van de CRvB is een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd met de Wmo.

Ad. i

De genoemde voorzieningen kunnen wel verstrekt worden in een gemeenschappelijke ruimte als het voor een individu noodzakelijk is.

Ad j

Voorzieningen die bij nieuwbouw of verbouwing zonder grote kosten meegenomen hadden kunnen worden, hoeven niet meer apart vergoed te worden.

Lid 4

Er wordt geen tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting verstrekt ook:

  • Wanneer iemand met een beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen, wordt dit gezien als een normale stap in het leven, waarvoor geen Wmo-tegemoetkoming geldt.

  • Bij verhuizing naar een semimurale of intramurale instelling (zoals een zorginstelling of beschermd wonen met verblijf) wordt geen tegemoetkoming verstrekt, omdat deze instellingen doorgaans zelf voorzien in inrichting en ondersteuning.

Lid 5

Deze bepaling geeft aan dat bij het beoordelen van de vervoersbehoefte voor maatschappelijke participatie alleen wordt gekeken naar verplaatsingen binnen de directe woon- en leefomgeving van de cliënt. Het gaat om dagelijkse en noodzakelijke verplaatsingen, zoals naar winkels, huisarts, dagbesteding of sociaal contact in de nabije omgeving.

Voor vervoer over langere afstanden, bijvoorbeeld voor sociaal contact buiten de regio of familiebezoek verder weg, kunnen cliënten gebruikmaken van Valys, de landelijke vervoersvoorziening voor mensen met een mobiliteitsbeperking.

Artikel 12. Inhoud beschikking

De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat beschreven welke onderdelen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.

Artikel 13. Regels voor pgb

Lid 1

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. In dit lid staan de voorwaarden en het kwaliteitskader waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor een pgb.

Lid 2

Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan en ondersteuningsplan opstellen. In deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. De gemeente gebruikt dit plan om te controleren of aan de voorwaarden uit de wet is voldaan als bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet.

Lid 3

In lid 3 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel (lid 4).

Lid 5

Het is mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stopgezet.

Lid 6

De Wmo richt zich op mensen die ondersteuning nodig hebben om zelfstandig te blijven wonen. Dat zijn vaak kwetsbare persoongroepen. Als voorwaarde voor verstrekking van een pgb is daarom opgenomen dat de zorgverlener een VOG overhandigt. Voor wat betreft de zorgaanbieders in natura volgt deze verplichting uit de gestelde kwaliteitseisen. Een VOG helpt te voorkomen dat personen met een risicovol verleden in een positie komen waarin misbruik of grensoverschrijdend gedrag mogelijk is.

Lid 7

Op grond van het kwaliteitskader is het mogelijk om de geleverde kwaliteit van de aanbieders te controleren en beoordelen. Het maakt mogelijk om pgb-aanbieders aan te spreken op de geleverde kwaliteit en hier mogelijk consequenties aan te verbinden.

Cliënt is zelf verantwoordelijk voor inkoop van kwalitatief verantwoorde ondersteuning. Het college heeft echter wel een rol bij de beoordeling of sprake is van goede kwaliteit. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt volgens artikel 2.3.6, derde lid Wmo 2015.

Lid 8

Het pgb moet binnen een bepaalde tijd worden besteed. Zo weet iedereen waar hij aan toe is, en blijft het proces duidelijk en rechtmatig.

Lid 9

Een pgb voor vervoer met eigen auto, taxi of rolstoeltaxi wordt alleen verstrekt als de cliënt medisch of gedragsmatig niet in staat is gebruik te maken van het collectieve vervoer, zoals de regiotaxi. Het collectief vervoer is het uitgangspunt binnen de Wmo; een pgb is pas mogelijk als dat aantoonbaar niet passend is.

Lid 10

In spoedeisende situaties, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015, moet het college snel passende ondersteuning bieden. Omdat een persoonsgebonden budget (pgb) tijd vraagt voor beoordeling, toekenning en verantwoording, is het niet geschikt voor acute situaties. Daarom wordt in zulke gevallen geen pgb verstrekt, maar wordt ondersteuning in natura ingezet om direct hulp te kunnen bieden.

Lid 11

Een persoonsgebonden budget (pgb) is bedoeld voor ondersteuning binnen Nederland. Besteding in het buitenland is in principe niet toegestaan, tenzij het college hiervoor uitdrukkelijk toestemming voor geeft op basis van nadere regels. In het buitenland kan het college namelijk onvoldoende toezicht houden op de besteding en kwaliteit van de ondersteuning, wat controle en verantwoording bemoeilijkt. Alleen in uitzonderlijke gevallen, en onder strikte voorwaarden, kan het college een uitzondering maken.

Lid 12

Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen over de voorwaarden voor het verstrekken van een persoonsgebonden budget (pgb).

Artikel 13A Persoonsgebonden budget voor beschermd wonen

Dit artikel regelt wanneer een persoonsgebonden budget (pgb) voor beschermd wonen mogelijk is. Een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt of diens vertegenwoordiger pgb-vaardig is, de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd en de ondersteuning veilig en doelmatig kan worden geleverd. Het college kan een pgb weigeren als deze voorwaarden niet worden vervuld. Daarnaast stelt het college nadere regels vast om te beoordelen of de ingekochte ondersteuning aan de gestelde eisen voldoet.

Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp

Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.

Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (zzp-er) die geregistreerd staat in het Handelsregister. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. ouders, broers, zussen en kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in het tweede lid van deze bepaling; dan nog geldt dit in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroepsmatig of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. In de praktijk gaat het dan meestal om personen uit het sociale netwerk.

Artikel 15. Hoogte pgb

De Wmo schrijft voor dat het pgb toereikend moet zijn (artikel 2.1.3, lid 2b). De gemeente mag verschillende tarieven gebruiken voor verschillende soorten hulp en hulpverleners. De Regeling Dienstverlening Aan Huis (RDAH) is afgeschaft per 1-1-2026: dit heeft gevolgen voor budgethouders die nu 3 dagen per week of minder ondersteuning krijgen. Voor die zorgverleners moet de budgethouder ook werkgeverslasten gaan afdragen. Dit heeft invloed op tarieven die cliënt vanuit een pgb aan de zorgverleners moet betalen.

Lid 1

In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor een hulpmiddel, bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor het betreffende hulpmiddel geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald.

Lid 2

Cliënt die gebruik kunnen maken van collectief vervoer, hebben aanspraak op de natura voorziening en niet op een pgb. Is een cliënt echter aangewezen op een andere vorm van vervoer, dan wordt de hoogte van een pgb afgestemd op de afstand die cliënt zou kunnen reizen met behulp van collectief vervoer. Deze afstand bedraagt maximaal 2000 kilometer binnen de eigen woon- en leefomgeving en mits er geen andere vervoersvoorziening verstrekt is.

Lid 3

Hierin wordt de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten voor professionals en het informele netwerk bepaald. Voor formele hulp geldt dat het pgb-tarief gebaseerd is op de kostprijs van een vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura.

Voor informele hulp, zoals hulp van een familielid of iemand uit het sociale netwerk, mag het persoonsgebonden budget (pgb) worden vastgesteld op basis van het wettelijk minimumloon voor een werknemer van 21 jaar of ouder, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Dit bedrag wordt aangevuld met vakantiebijslag en de tegenwaarde van verlofuren. Als er sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt het tarief ook verhoogd met werkgeverslasten.

De Centrale Raad van Beroep heeft bevestigd dat dit tarief ook voor informele hulp bij huishoudelijke ondersteuning en individuele begeleiding is toegestaan, mits de cliënt met dit tarief passende ondersteuning kan inkopen. Het college beoordeelt per situatie of het tarief toereikend is.

Het pgb‑tarief voor informele hulp bij kortdurend verblijf wordt gemaximeerd op 75% van het uurtarief van de goedkoopst‑adequate voorziening in natura. Dit percentage waarborgt dat het pgb in verhouding blijft tot de kosten van zorg in natura en voorkomt dat informele hulp duurder wordt dan professionele ondersteuning. Het tarief wordt niet gebaseerd op het minimumloon, omdat dit geen reële afspiegeling vormt van de kosten van kortdurend verblijf en geen recht doet aan de aard van deze voorziening. Door aan te sluiten bij een percentage van het natura‑tarief blijft het pgb doelmatig, uitvoerbaar en in lijn met de landelijke kaders voor informele hulp.

Lid 4 en 5

Hierin wordt de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten voor professionals en het informele netwerk bepaald.

Lid 6

Het pgb-tarief (informeel en formeel) wordt gedurende de looptijd van de toekenning van de maatwerkvoorziening voor dienstverlening, tussentijds geïndexeerd. Het wettelijk minimumloon wordt twee keer per jaar vastgesteld (1 januari en 1 juli). Omdat het informele pgb‑tarief rechtstreeks is gebaseerd op dit minimumloon plus de daarbij behorende toeslagen, wordt het informele pgb‑tarief automatisch ook twee keer per jaar aangepast.

Artikel 16. Nadere verplichtingen budgethouder

Dit artikel stelt een aantal specifieke voorwaarden aan de budgethouder. De budgethouder is verplicht om de aangeschafte voorziening te behandelen alsof het zijn eigendom is. Dit wil zeggen, goed te onderhouden, te verzekeren en op een zorgvuldige wijze mee om te gaan.

Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten

De gemeente mag van cliënt en een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk staan de regels over deze bijdrage.

Artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb en sommige algemene voorzieningen

De gemeente mag van cliënt en een bijdrage in de kosten vragen voor:

  • -

    voor maatwerkvoorzieningen in natura,

  • -

    voor een persoonsgebonden budget (pgb),

  • -

    en voor bepaalde algemene voorzieningen.

Lid 1 en 2 

Formuleert deze verplichting voor wat betreft de bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen.

Lid 3

De hoogte van de eigen bijdrage is landelijk bepaald en wordt vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het uitgangspunt is wel dat de totale eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening, de kostprijs van de betreffende voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen.

Lid 4

Wettelijk gezien is het niet toegestaan om een eigen bijdrage te innen bij rolstoelen en kindvoorzieningen.

Lid 5 

Dit lid legt uit hoe de kostprijs wordt vastgesteld bij zorg in natura en bij een pgb. De kostprijs bepaalt de maximale hoogte van de eigen bijdrage die een cliënt moet betalen.

Lid 6

Voor financiële tegemoetkomingen die door het college worden verstrekt, is geen eigen bijdrage verschuldigd. Dit volgt uit het karakter van deze tegemoetkomingen, die bedoeld zijn als ondersteuning bij specifieke meerkosten en niet als maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het heffen van een eigen bijdrage zou het compenserende doel van deze tegemoetkomingen ondermijnen.

Artikel 17a – Bijdrage beschermd wonen

Ook voor het gebruik van beschermd wonen is cliënt een eigen bijdrage verschuldigd. Wanneer cliënt gebruik maakt van beschermd wonen wordt door de gemeente dit doorgegeven aan het CAK zodat zij de inning van de eigen bijdrage kunnen doen.

Artikel 18. Bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening Collectief vervoer

De hoogte van de eigen bijdrage voor collectief vervoer wordt bepaald door het tijdstip waarop de rit uitgevoerd wordt. Omdat de bijdrage jaarlijks aangepast wordt door indexering, staat het bedrag in de nadere regels. De eigen bijdrage die verschuldigd is, is gebaseerd op basis van een opstaptarief en zone indeling wat van toepassing is in het regulier openbaar vervoer.

Hoofdstuk 5. Kwaliteit en veiligheid

De gemeente en zorgaanbieders zijn samen verantwoordelijk voor goede kwaliteit van de voorzieningen. In de verordening staat welke kwaliteitseisen er zijn waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c van de wet). Ook worden er regels gesteld die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening (artikel 2.6.6 van de wet).

Artikel 19. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de voorzieningen en de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

Algemeen

Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, eerste lid van de wet). In artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college.

In het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (artikel 20 lid 3 en 4).

Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs.

Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren.

Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken. De vastgestelde reële prijs moet daarvoor zijn plaats krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde.

Het college moet de overheidsopdracht gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet). Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet.

Lid 1

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

Lid 2

Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

Lid 3

Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.

Lid 4

Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is hierop niet van toepassing.

Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar melding doen van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden. Ook als er sprake is van geweld tijdens de verstrekking van een voorziening.

Onder 'calamiteit' wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid.

Onder 'geweld bij de verstrekking van een voorziening' wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt en lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere inwoner.

Het college heeft de toezichthouders van GGD Rotterdam-Rijnmond aangewezen (artikel 6.1 van de wet). Zij onderzoeken deze meldingen en adviseren het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Hoofdstuk 6. Toezicht en handhaving

Artikel 22. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget

De gemeente moet in de verordening regels opnemen tegen misbruik. Dit artikel zorgt ervoor dat de gemeente maatregelen kan nemen als iemand onterecht een maatwerkvoorziening of pgb ontvangt, of de Wmo oneigenlijk gebruikt.

Artikel 23. Verrekening

De gemeente kan in bepaalde gevallen bedragen verrekenen. Verrekening houdt in dat een vordering van het college wordt verrekend met een bedrag waarop de cliënt aanspraak heeft. Op grond van artikel 4:93, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verrekening alleen toegestaan indien daarvoor een wettelijke grondslag bestaat.

Deze grondslag is opgenomen in artikel 3.3, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op basis daarvan kan het college een vordering op grond van de Wmo 2015, waaronder een terugvordering van een persoonsgebonden budget, verrekenen met vorderingen op grond van de Wmo 2015 of de Participatiewet. Verrekening vindt uitsluitend plaats binnen de grenzen van deze wettelijke bevoegdheid.

Hoofdstuk 7. Waardering mantelzorgers

Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

In deze bepaling staat wat de jaarlijkse waardering is die de gemeente geeft aan mantelzorgers. Het moet gaan om mantelzorgers van cliënt in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de wet). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘cliënt ’ breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar waar geen Wmo-voorziening is uitgekomen. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering.

Hoofdstuk 8. Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 25. Klachtenregeling

In het eerste lid staat een regel over klachten over aanbieders van ondersteuning.

Volgens de Wmo (artikel 2.1.3, tweede lid, onder e) moet in de verordening staan voor welke voorzieningen een klachtenregeling verplicht is.

Een cliënt kan bijvoorbeeld ontevreden zijn over het gedrag van een medewerker van de gemeente, zoals bij een gesprek of als iemand niet deskundig genoeg is. In dat geval kan de cliënt gebruikmaken van de klachtenregeling van de gemeente. Als de klacht gericht is op het gedrag van een zorgaanbieder dan moet de cliënt bij die aanbieder zelf een klacht indienen.

Het college voert cliënttevredenheidsonderzoeken uit en deelt de uitkomsten met de gemeenteraad.

Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

In de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënt en over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3, tweede lid onder f van de wet). Daar wordt met dit artikel aan voldaan.

Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college moet inwoners, waaronder cliënten en hun vertegenwoordigers, vroegtijdig betrekken bij de voorbereiding van het Wmo‑beleid en hen ondersteunen om deze rol goed te kunnen vervullen. De gemeente Albrandswaard geeft hieraan invulling via de Maatschappelijke Adviesraad Albrandswaard, die gevraagd en ongevraagd advies uitbrengt over beleid en verordeningen. De leden van de adviesraad worden door het college benoemd. Voor de werkwijze van de adviesraad zijn nadere regels en een huishoudelijk reglement vastgesteld. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om deze betrokkenheid van inwoners verder uit te werken in nadere regels.

Hoofdstuk 9 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 28. Indexering

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bedragen jaarlijks te indexeren.

Artikel 29. Hardheidsclausule

In bijzondere situaties mag het college afwijken van de regels in deze verordening, als dat in het voordeel van de cliënt is. Afwijken mag nooit in het nadeel van de cliënt, en ook niet van regels die rechtstreeks in de wet staan.

Het is belangrijk dat dit alleen gebeurt in uitzonderlijke gevallen, dus niet als standaardregel.

Omdat het college dan afwijkt van de normale regels, moet het duidelijk uitleggen waarom. Dit is belangrijk om gelijke gevallen in de toekomst op dezelfde manier te behandelen (dat heet precedentwerking).

Artikel 30. Overgangsrecht

In het eerste lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.

In het tweede lid staat dat lopende bezwaarschriften worden behandeld volgens de geldende verordening op het moment dat het besluit werd genomen.