Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762092
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762092/1
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Schouwen-Duiveland 2026
Geldend van 22-05-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-04-2026
Intitulé
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Schouwen-Duiveland 2026De raad van de gemeente Schouwen-Duiveland;
gezien het gelijknamige griffievoorstel d.d. 31 maart 2026;
overwegende dat de verordening rechtspositie raads- en commissieleden Schouwen-Duiveland 2024 als gevolg van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregelingen decentrale politieke ambtsdragers geactualiseerd dient te worden;
gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, artikel 3.1.4a, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
besluit vast te stellen:
Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Schouwen-Duiveland 2026.
Artikel 1 Definitiebepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
-
a. commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.
-
b. griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet.
-
c. raadslid: lid van de gemeenteraad.
Artikel 2 Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie
-
1. Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente per maand een toelage toegekend van 25% van de vergoeding voor de werkzaamheden die is vastgelegd in artikel 3.1.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
-
2. Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers ontvangt een maandelijkse toelage van een percentage van het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, zolang de commissie actief is. Dit omdat de belasting en het tijdsbeslag zodanig is dat het niet tot het reguliere werk van raadsleden hoort. Hiervan is sprake bij de Auditcommissie en bij de Werkgeverscommissie. De raadsleden in de Auditcommissie ontvangen 100% van deze toelage, waarbij de duur van de activiteiten door de burgemeester is bepaald op 8 maanden per jaar. De raadsleden in de Werkgeverscommissie ontvangen 50% van deze toelage, waarbij de duur van de activiteiten door de burgemeester is bepaald op 12 maanden. De toelagen worden op maandbasis uitgekeerd.
-
3. Een raadslid dat vaste voorzitter is van een commissie als bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet ontvangt een maandelijkse toelage van maximaal50 procent van het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, zolang de commissie actief is. Daarbij is de duur van de activiteiten door de burgemeester bepaald op 9 maanden per jaar. De toelage wordt op maandbasis uitgekeerd.
Artikel 3 Vergoeding werkzaamheden leden referendumcommissie
De leden van de referendumcommissie ontvangen, indien zij als gevolg van een referenduminitiatief, buiten het bijwonen van vergaderingen ten behoeve van dat initiatief werkzaamheden verrichten, daarvoor een vergoeding per uur. Deze vergoeding bedraagt 80% van de vergoeding voor commissieleden die is vastgelegd in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
Artikel 4 Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak
Een commissielid wordt een procentueel hogere vergoeding toegekend dan de vergoeding waarop hij overeenkomstig artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers aanspraak op maakt als:
- a.
het commissielid op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie is aangetrokken en/of
- b.
het commissielid een vergoeding ontvangt die niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en/of de omvang van de door hem te verrichten arbeid.
Hiervan is sprake in de volgende situaties:
- •
leden van de commissie voor de bezwaarschriften en de klachtencommissie: 200%
- •
de voorzitter van de commissie voor de bezwaarschriften en de klachtencommissie: 260%
- •
leden van de Auditcommissie: 150%
- •
de genoemde percentages gelden per vergadering
Artikel 5 Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden voor reizen binnen en buiten de gemeente
-
Voor reis- en verblijfskosten voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies en voor reizen binnen en buiten de gemeente worden het Rechtspositiebesluit decentrale politiek ambtsdragers en de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers gevolgd.
Artikel 6 Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden
-
1. Een raads- of commissielid dat een vergoeding wil ontvangen in verband met het deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daarvoor vooraf een gemotiveerd verzoek in bij de griffier.
-
2. Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.
-
3. De maximale vergoeding van de scholing bedraagt € 200 per jaar per raads- of commissielid.
-
4. De griffier beslist op de aanvraag op basis van de overlegde stukken.
Artikel 7 Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden
-
1. Een raads- of commissielid tekent, zolang hij actief is in zijn functie, een bruikleenovereenkomst voor de informatie- en communicatievoorzieningen die ter beschikking zijn gesteld bedoeld in artikel 3.3.2. en artikel 3.4.4. Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.
-
2. Een raads- of commissielid levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.
-
3. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen is mogelijk na schoning en tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.
Artikel 8 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
-
1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
-
2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.
Artikel 9 Betaling en declaratie van onkosten
-
1. Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:
- a.
betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur,
- b.
betaling vooruit uit eigen middelen of
- c.
betaling ten laste van de gemeentelijke creditcard.
- a.
-
2. Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
-
3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen 3 maanden na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend bij de griffier.
-
4. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden binnen 1 maand na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.
Artikel 10 Intrekking oude verordening
De Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Schouwen-Duiveland 2024 wordt ingetrokken.
Artikel 11 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 april 2026.
Artikel 12 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Schouwen-Duiveland 2026.
Ondertekening
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 16 april 2026.
P.M.W. Goossens, griffier
J.Chr. van der Hoek MBA, voorzitter
Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Schouwen-Duiveland 2026
ALGEMEEN DEEL
Wettelijke regelingen
In de wet en nadere regelgeving zijn alle belangrijke onderwerpen over de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers opgeschreven. In de Gemeentewet staat dat de precieze afspraken over de rechten en plichten en de financiële afspraken van raads- en commissieleden moet worden opgeschreven bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Die precieze uitwerking staat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de regels over (onkosten)vergoedingen verder opgeschreven.
Hoofdlijnen gemeentelijke verordening
In deze verordening staan alleen regels over de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies in het geval zij niet al hiertoe worden verplicht door hogere wet- en regelgeving. Dit volgt uit de Gemeentewet het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018) over, de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er opnieuw een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De reden hiervan is het voorkomen van politieke discussies over voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om door middel van een verordening af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.
Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze verordening vormt een (verdere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.
De arbeidsverhoudingen en fiscale positie
Raads- en commissieleden zijn niet in dienst van de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden kiezen voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.
Als de raads- en commissieleden en de gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan moeten de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst door te geven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden persoonlijk worden gekozen, worden zij niet gezien als (fiscaal) ondernemer. Daarom hoeft er geen VAR-verklaring of/Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.
De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) geldt niet voor raads- en commissieleden.
ARTIKELSGEWIJS
Artikel 2. Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie
Deze artikelen betreffen de toelagen (extra vergoedingen) voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Dit geldt voor de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet wordt genoemd. Zo'n bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening worden vastgesteld. Daarbij moet worden aangegeven dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk extra werk (meerwerk) is naast het gewone lidmaatschap van de gemeenteraad. Dit geldt voor de Auditcommissie en voor de Werkgeverscommissie. De hoogte van de toelage voor het werk in deze zware commissies is anders voor de Auditcommissie dan voor de Werkgeverscommissie.
Ook de Vertrouwenscommissie geldt als een ‘zware commissie’, maar de vergoeding voor het lidmaatschap ervan is geregeld in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Wat betreft de hoogte van de toelage voor het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie geldt een vast (belast) bedrag per maand (artikel 3.1.2.). Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.
Het derde lid gaat over de toelage van de vaste voorzitter. Dit volgt uit het nieuwe artikel 3.1.4a. van het Rechtspositiebesluit. Sommige gemeenten hadden behoefte aan zo’n bepaling. Hoe groot de gemeente is, maakt daarbij niet uit. De raad beoordeelt hoeveel werk en tijd het voorzitterschap kost. Op basis daarvan bepaalt de raad vervolgens of er een vergoeding nodig is en hoe hoog deze moet zijn. In de nieuwe Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Schouwen-Duiveland 2026 is de vergoeding gesteld op 50% van de maximale vergoeding op grond van artikel 3.1.4a van het Rechtspositiebesluit met een door de burgemeester bepaalde duur van de werkzaamheden van 9 maanden per jaar.
Artikel 3 Vergoeding werkzaamheden leden referendumcommissie
Voor de hoogte van de vergoeding is aangesloten bij de hoogte van de vergoeding die de leden van de Rekenkamer ontvangen indien zij zelf onderzoekwerkzaamheden verrichten.
Artikel 4. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak
De hoogte van de vergoeding voor leden van gemeentelijke commissies, die zijn ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet is verplicht vastgesteld op een vast bedrag per inwonersklasse. Dit bedrag geldt voor elke bijgewoonde vergadering van de commissie.
In bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere deskundigheid en/of zwaarte van de taak in de commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag aan vergoeding per vergadering toe te kennen dan bepaald in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het kan bijvoorbeeld gaan om een raadscommissie met een bijzondere opdracht, waardoor het werk voor één of meerdere commissieleden meer tijd of inzet kost. Omdat hiervoor een verordening nodig is, kan de gemeente zelf een algemene en politieke afweging maken. Voor Schouwen-Duiveland is dit al eerder gedaan voor de functies binnen de commissie voor de bezwaarschriften en de klachtencommissie. Daar wordt nu de Auditcommissie aan toegevoegd, met een vergoeding van 150% per vergadering.
Artikel 5. Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden voor reizen binnen en buiten de gemeente
Voor de toepassing van dit lid worden de bepalingen over verblijfskosten uit de Cao Rijk gevolgd die zijn vastgelegd in artikel 10.2 Dienstreizen binnenland. https://www.caorijk.nl/cao-rijk/hoofdstuk-10/dienstreizen-binnenland. Het presidium kan voor de toepassing van dit artikel nadere interne regels opstellen.
Artikel 6. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden
Voor raads- en commissieleden is duidelijk bepaald dat de kosten voor scholing die niet-partijpolitiek is, zoals deelname aan congressen en opleidingen, door de gemeente kunnen worden betaald. Scholing die wel partijpolitiek is, wordt niet door de gemeente vergoed. Of scholing partijpolitiek is, hangt af van de inhoud van die scholing. Dat betekent dat wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij dit dus niet automatisch partijpolitieke scholing is.
Om scholingskosten vergoed te krijgen, moet duidelijk worden uitgelegd dat het gaat om scholing die nodig is voor het werk. Scholing is nodig voor het werk als het bedoeld is om vakkennis en vaardigheden te leren of bij te houden die je voor je functie nodig hebt. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als het helemaal of voor een deel het doel heeft om diegene op te leiden in de ideeën en standpunten van die partij.
De gemeente kan ook dit soort scholing zelf geven of regelen. De kosten daarvan worden ook door de gemeente betaald.
Op grond van artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, tweede lid kan de gemeenteraad regels maken over de scholing van raadsleden. Deze regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan staan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele aanvragen om scholing worden opgenomen en ook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat of hulpmiddel worden gebruikt bij de beoordeling van deze individuele scholingsaanvragen.
Het Rechtspositiebesluit is op twee onderdelen aangevuld. Ten eerste moeten de prijs en kwaliteit van de scholing in verhouding tot elkaar staan. Zo blijven de kosten redelijk. Daarnaast mogen de kosten niet al op een andere manier worden vergoed. Verder is in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, derde lid een koppeling gemaakt met artikel 3.1.7 en 3.2.9. De gemeente betaalt, als daar een goede reden voor is, de reis- en verblijfskosten die nodig zijn voor de scholing.
Artikelen 7. Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden
Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid, wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Ook commissieleden kunnen aanspraak maken op ICT-middelen op grond van art. 3.4.4 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts één computer verstrekt worden. Geadviseerd wordt te verstrekken op basis van een bruikleenovereenkomst. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer.
De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Hiervoor wordt een redelijk termijn (bijvoorbeeld een termijn tussen de 6 en 8 weken) afgesproken in de verordening. De gemeente draagt zorg voor het schonen van dit ICT-middel en het al dan niet beschikbaar stellen voor hergebruik Als hergebruik niet aan de orde is, kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager, maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten. Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO)). Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer.
Artikelen 8. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.
Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot een bij wetgeving bepaald percentage van de fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van dat percentage wordt overschreden, zal de gemeente een bij wetgeving bepaald percentage eindheffing moeten betalen.
Artikel 9. Betaling en declaratie van onkosten
Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald moeten worden aan raads- en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl