Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762073
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR762073/1
Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente Renkum
Geldend van 29-05-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente RenkumBeleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Renkum over het op basis van de Participatiewet vrijlaten van giften in individuele gevallen, het verhogen van de jongerennorm, het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure en het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum,
gelezen het voorstel van 19 mei 2026
gelet op artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 20 lid 3 en 4, 31 lid 2 onderdeel s, 43a lid 1, en 44 lid 5 van de Participatiewet en de artikelen 15a lid 1 en 16a lid 4 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
Besluit vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente Renkum
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
-
a. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks is betrokken bij een besluit op grond van de Participatiewet, als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht;
-
b. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum;
-
c. gift: een herleidbaar geldbedrag, een verstrekking in natura of een andere ontvangst die onverplicht door de belanghebbende wordt ontvangen
-
d. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
-
e. kostenbesparing: structurele, substantiële betalingen van een derde voor algemeen noodzakelijke kosten van levensonderhoud.
-
f. probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;
-
g. schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;
-
h. Wet: Participatiewet;
Hoofdstuk 2 Beleidskeuzes
Artikel 2. Vrijlaten van giften
-
1. Giften tot een totaalbedrag van het bedrag zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onderdeel m van de Wet hoeven niet bij het college te worden gemeld. Zodra de gift of het totaal van meerdere giften hoger is dan dit bedrag, dan meldt de belanghebbende de ontvangst hiervan bij het college.
-
2. Giften die het bedrag zoals genoemd in lid 1 te boven gaan, kan het college op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel s van de Wet eveneens vrijlaten. Het college ziet bij het beoordelen daarvan de volgende soorten giften in ieder geval als verantwoord:
- a.
Giften die worden gebruikt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand mogelijk was.
- b.
Giften voor medisch noodzakelijke kosten.
- c.
Giften waarmee probleemschulden zijn afgelost die zijn ontstaan vóór de start van de algemene bijstand.
- d.
Giften voor aflossing van probleemschulden als aannemelijk is dat door de aflossing van de schuld een belemmering voor re-integratie of schuldhulpverlening wordt weggenomen.
- e.
Giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18 lid 8 van de Wet, met een waarde tot maximaal € 1.200,-.
- a.
-
3. Individueel wordt beoordeeld of het meerdere boven het bedrag als genoemd in lid 1 als vermogen of als inkomen in aanmerking wordt genomen, waarbij in beginsel:
- a.
ontvangen geldbedragen met een periodiek karakter als inkomen worden aangemerkt;
- b.
incidentele ontvangsten aan het vermogen worden toegerekend.
- a.
-
4. Giften in de vorm van verstrekkingen door een charitatieve instelling worden niet tot de middelen gerekend en hoeven niet te worden gemeld bij het college.
Artikel 3. Het verhogen van de norm voor 18-, 19- en 20-jarigen
- 1.
Als de belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar noodzakelijke kosten van het bestaan heeft die boven de toepasselijke bijstandsnorm van artikel 20 van de Wet uitgaan, kan bijstand worden verstrekt voor de kosten van levensonderhoud als de belanghebbende:
- a.
geen beroep op zijn ouders kan doen omdat:
- i.
de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
- ii.
hij redelijkerwijs zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken en
- i.
- b.
de belanghebbende zelfstandig woont en daarvoor kosten maakt die hoger zijn dan waarin de jongerennorm inclusief verhoging in voorziet.
- a.
- 2.
De hoogte van de bijstand als bedoeld in lid 1 vult de toepasselijke bijstandsnorm aan tot maximaal de bijstandsnorm van een 21-jarige in dezelfde woon-leefsituatie.
Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
- 1.
Het college gebruikt de gegevens die het al heeft van eerdere bijstandsverlening in de volgende situaties:
- a.
het hergebruik van gegevens leidt tot een minder belastende aanvraag voor de belanghebbende;
- b.
de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,
- c.
de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:
- 1.
werkaanvaarding;
- 2.
een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet; of
- 3.
een verblijf buiten de gemeente.
- 1.
- a.
- 2.
Voorafgaand aan het hergebruik van gegevens gaat het college bij de belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
- 1.
de woonsituatie; en/of
- 2.
de gezinssituatie; en
- 3.
het inkomen en het vermogen.
- 1.
- 3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a lid 1 van de Ioaw.
Artikel 5. Terugwerkende kracht bij toekenning van bijstand
- 1.
Het college kan besluiten om bijstand toe te kennen vanaf een datum vóór de melding, als persoonlijke omstandigheden van de melder daartoe aanleiding geven. Dit is in ieder geval mogelijk als:
- a.
De belanghebbende zich redelijkerwijs niet eerder kon melden. Bijvoorbeeld wanneer:
- i.
de belanghebbende niet in staat was om bijstand aan te vragen;
- ii.
de belanghebbende niet wist dat hij bijstand kon aanvragen;
- iii.
een aanvraag voor een passende en toereikende andere voorziening is afgewezen;
- iv.
een eerdere bijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld of afgewezen doordat niet alle gevraagde gegevens op tijd zijn aangeleverd;
- v.
de belanghebbende geen duidelijk inzicht had in zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld door een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;
- vi.
de belanghebbende met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft gekregen.
- i.
- b.
Het niet toekennen van bijstand met terugwerkende kracht ernstige gevolgen heeft. Bijvoorbeeld wanneer:
- i.
de belanghebbende problematische schulden of betalingsachterstanden heeft;
- ii.
na de melding executoriaal beslag is gelegd op het inkomen of vermogen, of wanneer de belanghebbende failliet is verklaard;
- iii.
na de melding sprake is geweest van opzegging van de huur, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, elektriciteit of water afgesloten.
- i.
- a.
- 2.
Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.
- 3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a lid 4 van de Ioaw.
Hoofdstuk 3 Slotbepalingen
Artikel 6. Overgangsrecht
Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregels in werking zijn getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.
Artikel 7. Inwerkingtreding en citeertitel
- 1.
Deze regeling treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking op overheid.nl.
- 2.
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Participatiewet in balans gemeente Renkum.
Artikel 8. Intrekking huidige beleidsregel
De Beleidsregel Vrijlating giften Participatiewet van de gemeente Renkum wordt gelijktijdig aan de inwerkingtreding van deze beleidsregels ingetrokken.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van: 19 mei 2026.
de gemeentesecretaris
drs. M.J.J. (Marcel) Wagener
de burgemeester
A.M. (Marcel) Fränzel MSc
Toelichting
Algemeen
Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een aantal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om:
i. vrijgelaten giften te verruimen;
ii. de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten;
iii. bij het college berustende gegevens te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en,
iv. met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding.
Voor de laatste twee bevoegdheden (hergebruik van gegevens en terugwerkende kracht) geldt daarnaast dat het college deze ook kan inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw).
ii. Afzien zoektermijn jongeren
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Bij het opstellen van deze beleidsregels is gekozen om het artikel met bepalingen/indicaties wanneer kan worden afgezien van de zoektermijn bij jongeren uit de modelbeleidsregels achterwege te laten. De reden hiervoor is dat dit in onze gemeente al staande praktijk is, en er in de praktijk geen behoefte is aan uitwerking van situaties waarin afzien van de zoektermijn gewenst is. De Wet en de huidige uitvoeringspraktijk bieden hiervoor voldoende houvast.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1. Definities
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in deze beleidsregels. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit deze beleidsregels worden hieronder nader toegelicht.
Gift
Bij het beoordelen of een bijdrage een gift is, is een belangrijk kenmerk dat er geen verplichting of tegenprestatie tegenover staat.
Kostenbesparende bijdrage
Een kostenbesparende bijdrage is een bijdrage of aankoop gedaan door derden waarmee wordt bespaard op de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit kan bijvoorbeeld de kosten voor gas, elektriciteit, water, de zorgpremie of de sportcontributie van een kind omvatten die vaak (maar niet altijd) rechtstreeks voldaan worden en dan dus niet over de kas van de blh. lopen. Rechtstreekse betaling aan derden is echter geen absoluut kenmerk. Bijstandsgerechtigden kunnen kostenbesparende bijdragen ontvangen zonder dat ze deze melden bij de gemeente, mits de totale waarde van alle giften en kostenbesparende bijdragen binnen de € 1.200,- per kalenderjaar blijft (bedrag januari 2026).
Probleemschulden
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:
‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’
Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.
Schuldregeling
Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente is verantwoordelijk voor schuldhulpverlening en kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken, op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt.
Artikel 2. Vrijlaten van giften
In artikel 2 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31 lid 1 onderdelen m en s van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’. Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).
Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18 lid 8 van de Wet). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18 lid 1 van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden.
Zulke besparingsbijdragen van derden vallen strikt genomen dus niet onder de giftenvrijlating van maximaal € 1.200,- per kalenderjaar (bedrag 2026), maar uit artikel 18 lid 8 en artikel 31 lid 2 onderdeel m van de Wet blijkt dat deze besparingsbijdragen samen met eventueel andere ontvangen giften niet hoger mogen zijn dan het bedrag van € 1.200,-.
Daarnaast vallen deze kostenbesparende giften niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval, gelet op artikel 31 lid 1 onderdeel s van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200,- per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.
In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31 lid 2 onderdeel s). Dit artikel blijft grotendeels ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31 lid 2 onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast en volgt de jaarlijkse procentuele stijging van de consumentenprijsindex. Het bedrag wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 50,-. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen. Het bedrag aan giften dat niet tot de middelen wordt gerekend geldt per uitkering (dus niet per persoon) en per kalenderjaar (januari tot en met december). Het bedrag geldt ongeacht of de belanghebbende het hele jaar of maar een deel van het jaar een uitkering ontvangt.
Ook giften in natura kunnen als middel bij de bijstandverlening betrokken worden. Gaat het om giften in natura voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, dan kunnen die als besparingsbijdragen worden aangemerkt en moet beoordeeld te worden of deze leiden tot afstemming van de algemene bijstand. Andersoortige giften in natura (bijv. een antieke klok) kunnen als middel in aanmerking worden genomen als het om zaken gaat die in redelijkheid te gelde gemaakt kunnen worden. In onderdeel d zijn daaraan grenzen gesteld.
Tweede lid
Naast de categoriale vrijlatingsregeling van giften kan het college verder invullen onder welke omstandigheden het al dan niet verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. In dit artikel zijn aanknopingspunten gegeven op basis waarvan giften in het individuele geval door het college in elk geval buiten beschouwing worden gelaten.
Derde lid
Het beoordelen of een gift als inkomen of vermogen moet worden beschouwd, is niet zwart wit. Als vuistregel geldt daarbij dat giften die als middel worden aangemerkt als inkomen worden beschouwd als deze een periodiek karakter hebben. Als het incidenteel is, wordt het als vermogen beschouwd.
Vierde lid
Giften van charitatieve instellingen worden niet als middel beschouwd en tellen daarom niet mee bij het max. bedrag wat aan giften buiten beschouwing blijft. Bijdragen van deze organisaties leiden evenmin tot het verlagen van de algemene bijstand. Tot charitatieve instellingen worden in ieder geval de volgende organisaties gerekend: Stichting Leergeld, Jeugd Sport en Cultuurfonds, Dullertsstichting, kerken, voedselbank, kledingbank, speelgoedbank, dierenvoedselbank en de Energiebank.
Artikel 3. Het verhogen van de norm voor 18-, 19- en 20-jarigen
Voor bijstandsbehoevende jongeren van 18 tot 21 jaar is er de jongerennorm uit artikel 20 lid 1 en 2 van de Participatiewet. De normen zijn afgeleid van de kinderbijslagbedragen die voor deze
leeftijdscategorie gelden. De meeste jongmeerderjarigen van 18, 19 of 20 jaar zullen nog bij (één van)
hun ouders wonen. Zij hebben daarmee geen of weinig kosten voor levensonderhoud. Jongeren
kunnen te maken hebben met hogere kosten dan waarin de uitkering voorziet, bijvoorbeeld als zij
zelfstandig wonen. Maar ook dan moeten zij voor hun levensonderhoud in eerste instantie een beroep
doen op hun ouders. Die hebben een onderhoudsplicht tot hun kind 21 jaar is (artikel 1:395a BW en
artikel 12 Pw).
De gemeente mag afwijken van de jongerennorm als de situatie hierom vraagt. Kan de
bijstandsgerechtigde jongere voor hogere kosten geen beroep doen op zijn ouders, omdat deze de
middelen daarvoor niet hebben, de ouders niet in beeld zijn, of vanwege een ernstig verstoorde
relatie? Dan heeft de jongere recht op een verhoging van de norm met een vast bedrag (artikel 20 lid 3 en 4 van de Wet).
Is de jongerennorm samen met de verhoging lager dan de bijstandsnorm voor een 21-jarige (artikel 21 van de Wet) en is de jongere uitwonend waardoor hij hogere bestaanskosten heeft dan waarin de jongerennorm inclusief verhoging voorziet, dan wordt de norm verhoogd tot de norm van een 21-jarige.
Het doel van deze wijzigingen is enerzijds de uitvoering voor de gemeente te vereenvoudigen en voor de jongere minder belastend te maken. In beginsel is geen onderzoek meer nodig naar de noodzakelijke kosten en hoeft de aanvulling daar niet op te worden afgestemd.
Deze beleidsregels gaan nog een stapje verder en vullen de jongerennorm inclusief vaste verhoging daarnaast nog standaard aan tot maximaal de bijstandsnorm voor een 21-jarige als de jongere uitwonend is. Hiervoor is gekozen om de jongere meer financiële zekerheid te bieden en ongelijkheid weg te nemen in vergelijkbare situaties. Immers, een zelfstandig wonende jongere van 20 jaar heeft dezelfde vaste lasten als de jongere van 21 jaar. Juist jongeren die afhankelijk zijn van bijstand en geen beroep op hun ouders kunnen doen, verkeren vaak in een kwetsbare positie waarbij de kans op financiële problemen groot is. Uit doorrekeningen blijkt dat voor verschillende huishoudtypes de jongerennorm+vaste verhoging soms aanzienlijk lager was dan de norm voor een 21-jarige. De PW in balans zou daarmee een verslechtering betekenen voor jongeren, terwijl financiële zekerheid juist de bedoeling is.
Voor jongeren in een instelling geldt de zak- en kleedgeldnorm en bestaat geen recht op algemene bijstand (artikel 13 lid 2a van de Wet).
Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de aanvraagprocedure steeds opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:
‘1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.
2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
Eerste lid
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de Wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.
Tweede lid
Sommige gegevens kunnen eerder veranderen dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.
De bij de gemeente beschikbare informatie (suwi, suite) verwerken we in een statusformulier. Dit leggen we aan de belanghebbende voor. Op het statusformulier vragen we of er sinds de vorige periode van bijstandsverlening iets is veranderd omtrent woonsituatie, inkomen, vermogen en gezinssituatie. Door ondertekening van het statusformulier verklaart de belanghebbende dat de vermelde informatie juist en volledig is, en dat er geen wijzigingen zijn in bovengenoemde punten. Uiteraard wordt op het formulier ook aangegeven als er wel wijzigingen zijn.
Derde lid
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 5. Terugwerkende kracht bij toekenning van bijstand
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44 lid 1 van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44 lid 5:
‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
Eerste lid
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:
1. De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden.
2. De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
Onderdeel a
Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.
Onderdeel b
Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
Tweede lid
Artikel 44 lid 5 van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn.
Derde lid
De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44 lid 5 van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a lid 4 van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan lid 3 toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 6. Overgangsrecht
Voor besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2026, geldt in ieder geval, dat deze in stand blijven totdat daarover opnieuw is beslist. Dat zal bij de giftenregeling het geval kunnen zijn. Denkbaar is, dat besloten is om in een individueel geval periodieke giften vrij te laten. Die vrijlating blijft doorlopen, totdat daarop met toepassing van de nieuwe regels is beslist.
Artikel 7. Inwerkingtreding
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 8. Intrekking huidige beleidsregel
De Beleidsregel Vrijlating giften Participatiewet van de gemeente Renkum wordt gelijktijdig aan de inwerkingtreding van deze beleidsregels ingetrokken.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl