Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 gemeente Gennep 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 27-05-2026

Intitulé

Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 gemeente Gennep 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep,

- Gelezen het voorstel van 7 mei 2026;

- Overwegende dat het wenselijk is om vast te leggen in welke gevallen en onder welke voorwaarden terug- en invordering plaatsvindt;

- Overwegende dat het noodzakelijk is om beleidsregels vast te stellen die aansluiten bij actuele wet- en regelgeving, waaronder de uitgangspunten van de Participatiewet;

- Gelet op de artikelen 18a, 54 en 58 tot en met 60c van de Participatiewet, de artikelen 17, 25 en 26 van de IOAW en IOAZ, de artikelen 12, 39 en 41 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, afdeling 4.4.4 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 160, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet.

besluit:

De beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 gemeente Gennep 2026 vast te stellen.

BELEIDSREGELS TERUG- EN INVORDERING PW, IOAW, IOAZ EN BBZ 2004 GEMEENTE GENNEP 2026

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2004 en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

  • c.

    Bedrijfskapitaal: de bijstand die een inwoner met een eigen bedrijf of een zelfstandig beroep heeft ontvangen voor de bedrijfsvoering, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004;

  • d.

    Belanghebbende: de persoon van wie een uitkering of bedrijfskapitaal wordt teruggevorderd;

  • e.

    Beslagvrije voet: het deel van het inkomen waarop geen beslag mag worden gelegd, zoals bepaald in de artikelen 475c tot en met 475g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

  • f.

    Bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

  • g.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep;

  • h.

    Financiële ruimte: geld en bezittingen die de inwoner kan inzetten voor betaling van schulden;

  • i.

    Herziening: het achteraf wijzigen van een besluit om een uitkering toe te kennen;

  • j.

    Incasso: de invordering;

  • k.

    Intrekking: het achteraf intrekken van een besluit om een uitkering toe te kennen;

  • l.

    Invordering: de wijze van inning van het teruggevorderde bedrag aan uitkering of bedrijfskapitaal;

  • m

    IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • n.

    IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • o.

    Pw: de Participatiewet;

  • p.

    Terugvordering: de vaststelling van het bedrag aan uitkering of bedrijfskapitaal waar de inwoner geen recht (meer) op heeft;

  • q.

    Uitkering: de verleende bijstand op grond van de Participatiewet of het Bbz 2004, of de verstrekte uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;

  • r.

    Verkeerde informatie: het niet geven van de informatie genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.  

Hoofdstuk 2. TERUGVORDERING

Artikel 2: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten van het recht op uitkering op grond van artikel 54, eerste en tweede lid, Pw, dan wel artikel 17, eerste en tweede lid, van de IOAW/IOAZ.

  • 2.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning of voortzetting van een uitkering op grond van artikel 54, derde en vierde lid, Pw, dan wel artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAW/IOAZ.

  • 3.

    Het college vordert de ten onrechte verleende uitkering terug, zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60a, Pw en de artikelen 25 tot en met 28, 30 en 31 van de IOAW/IOAZ.

  • 4.

    Bij de totstandkoming van ieder besluit op grond van het eerste tot en met derde lid vindt een evenredige belangenafweging plaats, als bedoeld in 3:4 van de Awb. Dit betekent dat de nadelige gevolgen voor belanghebbende niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel van het besluit.

    Paragraaf 2.1. Terugvordering

Artikel 3: Zes-maandenjurisprudentie

  • 1.

    Het college vordert geen ten onrechte betaalde uitkering terug voor zover deze is betaald meer dan zes maanden na ontvangst van een signaal van belanghebbende, waaruit het college had moeten afleiden dat teveel of ten onrechte uitkering werd betaald.

  • 2.

    Onder een signaal als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie van de belanghebbende waaruit dusdanig concreet kan worden afgeleid dat sprake is van een fout, dat het bestuursorgaan op grond daarvan actie had moeten ondernemen.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid geldt de beperking tot zes maanden niet als belanghebbende zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.

Artikel 4: Terugvordering loonbelasting en premies (brutering)

Over de uitkering reeds afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen worden teruggevorderd, tenzij:

  • a.

    dit een bedrag lager is dan € 25,00;

  • b.

    deze nog verrekend kunnen worden met de door het college nog af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

  • c.

    de vordering buiten toedoen van de belanghebbende is ontstaan en het hem of haar niet is aan te rekenen dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald; of

  • d.

    om moverende redenen van brutering afgezien kan worden.

Artikel 5: Afzien van het nemen van een besluit tot terugvordering

  • 1.

    Er kan worden afgezien van een terugvorderingsbesluit indien het een niet verwijtbare vordering betreft waarbij het volledige (netto) terug te vorderen bedrag minder dan € 250,00 bedraagt.

  • 2.

    Er kunnen in individuele situaties dringende redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Het is aan een belanghebbende om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat - volgens diegene - sprake is van een dringende reden. Hetgeen door belanghebbende wordt aangevoerd zal daarbij ruim moeten worden uitgelegd. Het is vervolgens aan het college om daarnaar nader onderzoek te doen als dat nodig is. Het college onderzoekt in ieder geval:

  • a.

    Het belang van beide partijen: tegenover het belang van het college bij een juiste vaststelling van het recht op uitkering en terugbetaling van hetgeen teveel ontvangen is, staat het belang van een belanghebbende dat diegene door een dergelijk belastend overheidsbesluit niet onevenredig wordt geraakt (belangenafweging).

    • b.

      Het aandeel van het college in het ontstaan van de terugvordering:

      • I.

        eigen fouten van het bestuursorgaan;

      • II.

        (te) trage besluitvorming waardoor de terugvordering onnodig hoog is opgelopen;

      • III.

        het terugvorderingsbesluit is zo laat genomen dat de aan de Belastingdienst afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen niet meer verrekend kunnen worden.

    • c.

      Het aandeel van belanghebbende in het ontstaan van de terugvordering;

      • I.

        een bewuste schending van de inlichtingenplicht;

      • II.

        een onoplettendheid, of;

        III. een situatie waarin een belanghebbende geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving.

    • d.

      De (financiële) gevolgen die de terugvordering voor belanghebbende heeft.

  • 3.

    Indien op een later tijdstip blijkt, dat belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat de juiste informatie tot een ander besluit zou hebben geleid, dan volgt de wettelijke verplichting tot terugvordering.

Artikel 6: Afzien van terugvordering

  • 1.

    Het college kan afzien van terugvordering indien, na toetsing van het ontstaan van de vordering, blijkt dat:

  • a.

    de belanghebbende verkeert in een structureel problematische schuldsituatie;

    • b.

      terugvordering naar verwachting leidt tot ernstige financiële en/of maatschappelijke gevolgen;

    • c.

      en er geen sprake is van opzet, fraude of andere uitsluitingsgronden zoals genoemd in lid 2.

  • 2.

    Afzien van terugvordering is niet mogelijk indien:

  • a.

    de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen;

    • b.

      voor inning van de vordering dwangincasso heeft plaatsgevonden;

    • c.

      de vordering het gevolg is van een boete die is opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht;

    • d.

      sprake is van opzet of grove schuld bij het ontstaan van de vordering;

    • e.

      de belanghebbende herhaaldelijk tekortschiet in het nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit de wet of beleidsregels;

    • f.

      de terugvordering betrekking heeft op middelen die zijn ontvangen terwijl de belanghebbende wist of had kunnen weten dat hier geen recht op bestond;

    • g.

      er sprake is van strafrechtelijke feiten die verband houden met het ontstaan van de vordering.

Paragraaf 2.2. Invordering

Artikel 7: Verplichtingen met betrekking tot de invordering

  • 1.

    Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de genoemde betalingstermijn van zes weken.

  • 2.

    Gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit neemt het college een invorderingsbesluit waarin wordt vermeld:

  • a.

    de hoogte van (het saldo van) de vordering;

    • b.

      de verplichting om de vordering in zijn geheel binnen zes weken te voldoen;

    • c.

      de datum waarop de betalingsverplichting in gaat;

    • d.

      de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking een betalingsvoorstel kan doen;

    • e.

      dat de vordering meteen wordt verrekend met een uitkering of vordering van de inwoner op de gemeente, als dat mogelijk is;

    • f.

      de rechtsgevolgen als de belanghebbende de betalingsverplichting niet nakomt;

    • g.

      dat de betalingsverplichting van de belanghebbende niet aangepast wordt als de belanghebbende nieuwe schulden maakt.

  • 3.

    Voordat een betalingsregeling wordt getroffen kan het college onderzoek verrichten naar de aflossingscapaciteit en naar aanleiding van het onderzoek de betalingsverplichting op basis van draagkracht vaststellen.

  • 4.

    Indien de belanghebbende geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, is de vordering dan wel het restant van de vordering volledig opeisbaar.

Artikel 8: Volgorde van invordering

  • 1.

    Bij meerdere vorderingen geschiedt de betaling of verrekening op de oudste vordering, tenzij:

  • a.

    er een nieuwe vordering is die betrekking heeft op een belaste uitkering in het lopende kalenderjaar; of

    • b.

      de belanghebbende op grond van artikel 4:92, tweede lid, Awb een andere vordering aanwijst waaraan de betaling moet worden toegerekend.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, vindt de invordering van een bestuurlijke boete bij voorrang plaats, tenzij:

  • a.

    er sprake is van beslaglegging door een derde schuldeiser. In dat geval vordert het college eerst de openstaande vordering in; of

    • b.

      het mogelijk is om brutering van de vordering te voorkomen door eerst de openstaande vordering in te vorderen.

Bij meerdere vorderingen van gelijke rang wordt betaling aan de oudste vordering toegewezen, tenzij er sprake is van een beslaglegging door een andere schuldeiser. In dat geval vordert het college eerst de openstaande (preferente) vordering in.

Artikel 9: Mogelijkheden van invordering

  • 1.

    Het uitgangspunt is dat de vordering voor zover mogelijk wordt verrekend met de uitkering volgens de bepalingen van artikel 60, derde en vierde lid, Pw, dan wel artikel 28, derde en vierde lid, IOAW/IOAZ.

  • 2.

    Wanneer er geen lopende uitkering is of verrekening met een lopende uitkering is niet mogelijk, dan wordt belanghebbende aangeschreven om, voor zover mogelijk de vordering binnen zes weken in één keer terug te betalen.

  • 3.

    Wanneer terugbetaling van de vordering binnen zes weken niet mogelijk is, kan met belanghebbende een betalingsregeling worden afgesproken.

  • 4.

    Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over middelen die, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde kunnen worden gemaakt. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34, derde lid, Pw is niet van toepassing.

  • 5.

    Wanneer belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen dan wel uitvoeren van een betalingsregeling, dan legt het college executoriaal beslag, waaronder loonbeslag. Hierbij wordt de beslagvrije voet gehanteerd.

  • 6.

    Bij het bepalen van het inkomen is artikel 31, tweede lid, Pw van toepassing. In aanvulling op artikel 31, tweede lid, Pw wordt ook een verstrekte individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 Pw niet tot de middelen van belanghebbende gerekend.

  • 7.

    Het college kan van (verdere) invordering afzien als het in te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt, terwijl verrekening met de uitkering of het gereserveerde vakantiegeld niet (meer) mogelijk is.

Artikel 10: Dwanginvordering, kosten van dwanginvordering en rente

  • 1.

    Indien belanghebbende de betalingsverplichting niet correct nakomt of onvoldoende medewerking verleent aan het treffen of uitvoeren van een betalingsregeling, start het college het traject van dwanginvordering.

  • 2.

    Het college ziet af van het in rekening brengen van rente, tenzij:

  • a.

    de periodieke bijstand is verstrekt onder verband van een krediethypotheek en na afloop van de tienjarige aflossingsperiode de vordering niet volledig is voldaan. In dat geval wordt over het restant wettelijke rente minus 3% in rekening gebracht, conform artikel 4 van het Besluit Krediethypotheek- en Pandrecht;

    • b.

      de periodieke bijstand is verstrekt onder verband van een krediethypotheek en belanghebbende gedurende de tienjarige aflossingsperiode verwijtbaar nalatig is geweest in het voldoen van de aflossingsverplichting. De vordering wordt dan geheel opeisbaar en wettelijke rente is verschuldigd, conform artikel 3 van het Besluit Krediethypotheek- en Pandrecht;

    • c.

      de bijstand is verstrekt in de vorm van een Bbz‑lening of TOZO‑lening bedrijfskapitaal, waarbij de rente bij beschikking is vastgesteld.

  • 3.

    Bij verzending van een aanmaning en bij uitvaardiging van een dwangbevel worden de kosten verhoogd met:

  • a.

    buitengerechtelijke kosten, vastgesteld conform artikel 4:113 Awb en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, met een minimum van € 40,00 en een maximum van € 750,00;

    • b.

      gerechtelijke kosten, berekend volgens de tarieven van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag), op grond van artikel 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 4.

    Bij overdracht van de executie van het dwangbevel aan een gerechtsdeurwaarder worden de kosten verhoogd met de executiekosten zoals vastgesteld in het Btag.

  • 5.

    Indien het college zelf vereenvoudigd derdenbeslag legt, worden de invorderingskosten vastgesteld op 15% van het openstaande saldo, met een minimum van € 37,50 en een maximum van € 750,00.

  • 6.

    Indien op een later moment opnieuw een vordering ontstaat waarvoor het college wederom vereenvoudigd derdenbeslag moet leggen, is het vijfde lid opnieuw van toepassing.

  • 7.

    Indien de vordering wordt overgedragen aan een derde partij, worden de door deze derde gemaakte kosten en rente doorberekend aan de debiteur.

  • 8.

    Indien bij aanvang van de vordering duidelijk is dat overdracht aan een gerechtsdeurwaarder noodzakelijk is, bijvoorbeeld bij een zelfstandig ondernemer, worden de kosten als bedoeld in het vijfde lid niet in rekening gebracht.

  • 9.

    Indien verrekening met een lopende bijstandsuitkering mogelijk is, worden geen invorderingskosten in rekening gebracht.

Artikel 11: Betalingsuitstel

  • 1.

    Het college kan uitstel van betaling verlenen wanneer blijkt dat belanghebbende, hetzij ambtshalve hetzij op basis van een gemotiveerd verzoek, niet in staat is om binnen de gestelde betalingstermijn tot aflossing van de vordering over te gaan. Ook wanneer belanghebbende een betalingsregeling heeft getroffen maar deze door aantoonbare dringende redenen tijdelijk niet kan nakomen, of wanneer belanghebbende welwillend is maar door dergelijke redenen tijdelijk geen betaalafspraak kan maken, kan uitstel worden verleend.

  • 2.

    Indien belanghebbende beschikt over (door belanghebbende aangetoonde en door college getoetste) aflossingscapaciteit, wordt aan het uitstel de voorwaarde verbonden dat deze capaciteit wordt aangewend voor aflossing van de openstaande schuld.

  • 3.

    Van het besluit tot uitstel van betaling wordt belanghebbende schriftelijk in kennis gesteld met daarin een duidelijke vermelding van einddatum van het verleende uitstel van betaling;

  • 4.

    Na afloop van de periode van uitstel wordt de invordering zonder nadere kennisgeving hervat.

  • 5.

    Het uitstel wordt ingetrokken indien belanghebbende niet voldoet aan de gestelde voorwaarden.

Artikel 12: kwijtschelding en medewerking schuldregeling/sanering

  • 1.

    Het uitgangspunt is dat ten onrechte verstrekte bijstand, opgelegde bestuurlijke boetes en verstrekte leenbijstand volledig dienen te worden terugbetaald.

  • 2.

    Indien sprake is van bijzondere sociale omstandigheden en/of schuldenproblematiek kan het college besluiten af te zien van (verdere) invordering. Belanghebbende dient uitgebreid te motiveren als diegene van mening is dat er sprake is van een bijzondere sociale omstandigheid en/of als er sprake is van schuldenproblematiek.

  • 3.

    Elk verzoek tot kwijtschelding wordt individueel beoordeeld, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verwijtbare en niet-verwijtbare vorderingen. In de beoordeling wordt rekening gehouden met de mate van verwijtbaarheid, eventuele recidive en (financiële) gevolgen. Het besluit tot kwijtschelding geldt uitsluitend ten aanzien van belanghebbende. Indien op grond van artikel 59, Pw is teruggevorderd van een mede hoofdelijk aansprakelijk persoon, dient voor deze persoon een afzonderlijk verzoek te worden ingediend, waarna een individuele beoordeling volgt.

  • 4.

    Voor verwijtbare vorderingen waarbij sprake is van verminderde of gemiddelde verwijtbaarheid wordt aansluiting gezocht bij de criteria van artikel 58, zevende lid, Pw en artikel 25, zesde lid, IOAW/IOAZ.

  • 5.

    Voor niet-verwijtbare vorderingen worden de in artikel 58, zevende lid, Pw en artikel 25, zesde lid, IOAW/IOAZ, genoemde termijnen gehalveerd. Het minimaal ineens af te lossen bedrag wordt vastgesteld op 25% van de restsom.

  • 6.

    Geen kwijtschelding wordt verleend indien:

  • a.

    de vordering het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht en de mate van verwijtbaarheid is vastgesteld op grove schuld of opzet;

    • b.

      de vordering geheel of gedeeltelijk wordt gedekt door pand- of hypotheekrecht op een roerende of onroerende zaak;

      • c.

        de vordering zijn grondslag heeft in artikel 58, tweede lid, onderdeel f, subonderdelen 1 en 2, Pw, of artikel 25, derde lid, van de IOAW/IOAZ;

        • d.

          de vordering leenbijstand betreft waarvoor minder dan 36 maanden naar aflossingscapaciteit is afgelost en waarvan niet is vastgesteld of een gedeelte om niet wordt verstrekt;

          • e.

            de vordering betrekking heeft op een verleende borgstelling door de Kredietbank en het terugvorderingsbesluit minder dan 36 maanden geleden is genomen.

  • 7.

    Indien medewerking aan een kwijtschelding of schuldregeling wordt verleend, geldt dat:

  • a.

    de vordering ten minste moet worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang en tegen een percentage dat tweemaal zo hoog is als het percentage van de vorderingen van schuldeisers met een lagere rang;

    • b.

      er sprake moet zijn van toepassing van de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet.

  • 8.

    Het besluit tot medewerking aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien:

  • a.

    de schuldregeling niet tot stand komt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit;

    • b.

      belanghebbende de vordering van het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet;

    • c.

      belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de juiste gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid;

    • d.

      belanghebbende gedurende de looptijd van de schuldregeling nieuwe schulden maakt.

Artikel 13: Kwijtschelding wegens dringende redenen/afzien van verdere invordering

In afwijking van de voorgaande artikelen biedt deze bepaling de mogelijkheid om, al dan niet ambtshalve, te besluiten tot (gedeeltelijke) kwijtschelding van een vordering of definitief af te zien van verdere invordering, indien sprake is van dringende redenen.

Onder dringende redenen worden verstaan: uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden waarin invordering leidt tot een onredelijke of disproportionele uitkomst. Bij de beoordeling staat de toepassing van de menselijke maat centraal.

Van dringende redenen kan onder meer sprake zijn bij:

  • -

    ernstige medische of psychische problematiek;

  • -

    een structureel uitzichtloze financiële situatie zonder afloscapaciteit;

  • -

    een langdurige aflossingsperiode zonder reëel perspectief op volledige terugbetaling;

  • -

    zwaarte van sociale omstandigheden, zoals intensieve mantelzorg, gezinsproblematiek of andere zwaarwegende persoonlijke omstandigheden.

Elke situatie wordt individueel beoordeeld. Het besluit tot kwijtschelding kan ambtshalve of op verzoek van de belanghebbende worden genomen. Het besluit wordt schriftelijk gemotiveerd en vastgelegd in het dossier.

Artikel 14: Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 15. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 gemeente Gennep 2026’.

Artikel 16. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking de dag na bekendmaking onder gelijke intrekking van de ‘Beleidsregels terug- en invordering WWB, IOAW en IOAZ 2020’, vastgesteld op 31 maart 2020.

  • 2.

    Op besluiten, de daaruit voortvloeiende (betalings)afspraken en eventuele invorderingsmaatregelen die dateren van voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijven de Beleidsregels terug- en invordering WWB, IOAW en IOAZ 2020 onverkort van kracht.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 19 mei 2025

Het college van burgemeester en wethouders,

De secretaris, De burgemeester,

Bart Teunissen Hans Teunissen