Verordening leerlingenvervoer Etten-Leur 2026

Geldend van 28-05-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening leerlingenvervoer Etten-Leur 2026

De raad van de gemeente Etten-Leur;

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 april 2026, nummer 4928.

Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

Besluit vast te stellen de volgende verordening:

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer, bijvoorbeeld vervoer per besloten busvervoer of taxivervoer in groepsverband;

afstand: afstand, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, gemeten met de routeplanner, die wordt vastgelegd in een door het college nader te bepalen regeling, langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;

begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;

buitenschoolse opvang: buitenschoolse opvang van de leerling in de gemeente Etten-Leur, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, waar de leerling voor of na afloop van de lestijd op school verblijft;

deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige die beschikt over specifieke expertise op basis van zijn opleiding of functie;

college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur;

eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt;

gehandicapte leerling: leerling, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap, die langer duurt dan drie maanden, niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;

inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;

leerling: leerling die woonachtig is in de gemeente Etten-Leur en is ingeschreven bij een school;

openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken;

ouders: met gezag over de leerling belaste ouders, pleegouders, voogden of verzorgers;

samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 28a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

school: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;

schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;

structurele handicap: handicap die leidt tot een beperking in het functioneren en die langer duurt dan drie maanden;

toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt;

vervoersvoorziening: vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider, vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider, aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider of gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig van diens begeleider;

woning: woning waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.

Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening

Artikel 2. Aanvraag

Een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor een leerling wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe vastgestelde aanvraagformulier.

Artikel 3. Onderzoek

  • 1. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

  • 2. Het college kan in een gesprek met de ouders en desgewenst de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, een deskundige aansluiten.

  • 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.

Artikel 4. Inzet deskundige

  • 1. Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de situatie van de leerling, op het moment dat hij specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.

  • 2. De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige.

Artikel 5. Beslistermijn

  • 1. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.

  • 2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde termijn met ten hoogste vier weken verlengen.

Artikel 6. Ingangsdatum voorziening

Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:

  • a.

    wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de door de aanvrager verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;

  • b.

    wanneer het een aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de aanvrager verzochte datum.

Artikel 7. Besluit

  • 1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

  • 2. Het college kent, als zij dat noodzakelijk acht, een vervoerstraining toe.

  • 3. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.

Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria

Artikel 8. Algemene bepalingen

  • 1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.

  • 2. Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

  • 3. De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

  • 4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders.

  • 5. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens onderzocht of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:

    • a.

      per fiets;

    • b.

      per openbaar vervoer;

    • c.

      met eigen vervoer;

    • d.

      met aangepast vervoer.

Artikel 9. Toekennings- en afwijzingsgronden

  • 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke:

    • a.

      school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer;

    • b.

      speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of

    • c.

      school voor speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer door de aanvrager wordt aangetoond, dat het een structureel gehandicapte leerling betreft die vanwege deze handicap in het geheel niet of niet zelfstandig, al dan niet met begeleiding met de fiets of met het openbaar vervoer kan reizen.

  • 3. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij:

    • a.

      er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een structurele handicap aantoonbaar niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of

    • b.

      de leerling door een structurele handicap aantoonbaar niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

Artikel 10. Andere oplossing

  • 1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening, toelage of vergoeding voor de reiskosten op basis van andere wet- of regelgeving komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op grond van deze verordening.

  • 2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van andere wet- of regelgeving betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.

Artikel 11. Aanwijzing opstapplaats

  • 1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.

  • 2. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar, van en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.

Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling, dan wel de opstapplaats, en de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling.

  • 2. De dichtstbijzijnde toegankelijke school:

    • a.

      is een school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

    • b.

      eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling berustende keuze voor een school;

    • c.

      betreft de soort school waarop de leerling is aangewezen vanwege zijn structurele handicap;

    • d.

      is de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is vanaf de woning, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; en

    • e.

      heeft plaats voor de leerling.

  • 3. Er wordt eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en:

    • a.

      de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of

    • b.

      een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen.

  • 4. Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en

    • b.

      aan het college is door de ouders of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.

Artikel 13. Schooltijden en wachttijden

  • 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op vaste schooldagen en schooltijden, zoals deze bij de start van het schooljaar zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

  • 2. Als er binnen een school sprake is van verschillende of wisselende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan er sprake zijn van een wachttijd voor de leerling van één of meerdere uren.

  • 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd of bekostigd, tenzij de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling als aanvrager, bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

Artikel 14. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

  • 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;

    • b.

      in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en

    • c.

      de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.

  • 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend, voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening, wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.

  • 3. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert.

Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat

  • 1. Met inachtneming van de artikelen 8 en 10 kent het college op aanvraag een vervoersvergoeding voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.

  • 2. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het eerste lid genoemde schoolvakanties.

  • 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de ouders eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie.

  • 4. Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.

  • 5. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.

  • 6. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken.

  • 7. Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer:

    • a.

      openbaar vervoer geheel ontbreekt; of

    • b.

      het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijft in een internaat of pleeggezin en wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig, ook niet met een begeleider, gebruik kan maken van het openbaar vervoer.

Artikel 16. Vervoersvoorziening naar stageadres

  • 1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres.

  • 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school en in het stagecontract;

    • b.

      de stagetijden sluiten aan op de reguliere schooltijden;

    • c.

      de stage vindt plaats op één stageadres; en

    • d.

      het stageadres is gelegen op de route van de woning naar de school van de leerling. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door het college te bepalen maximale straal van de school van de leerling.

  • 3. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling, dan wel de opstapplaats, en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.

Artikel 17. Vervoer tussen de buitenschoolse opvang en de school

  • 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening van de woning van de leerling of de opstapplaats naar een school en terug kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer van de buitenschoolse opvang naar de school of terug.

  • 2. De vervoersvoorziening van de buitenschoolse opvang naar de school of terug wordt alleen verstrekt als de kosten voor de gemeente vergelijkbaar zijn met de kosten voor het vervoer van de woning van de leerling naar de school en terug.

Artikel 18. Vergoeding van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

  • 1. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het openbaar vervoer kunnen gelden.

  • 2. Als aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders de vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets.

  • 3. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets wordt vastgelegd in een door het college nader te bepalen regeling.

Artikel 19. Vergoeding van de kosten van vervoer per fiets of openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider

  • 1. Het college verstrekt aan de ouders van een leerling, die een school voor voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs bezoekt en daarvoor recht heeft op een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer of het vervoer per fiets van een begeleider van de leerling als de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of fiets gebruik te maken.

  • 2. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor vergoeding in aanmerking.

  • 3. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.

  • 4. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets wordt vastgelegd in een door het college nader te bepalen regeling.

Artikel 20. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer

  • 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.

  • 2. Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren.

  • 3. De vergoeding voor het door ouders zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer, gebaseerd op twee retourreizen per dag.

  • 4. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit en niet per leerling.

  • 5. Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college, in afwijking van het tweede lid, een bijzonder, kostendekkend tarief hanteren voor de vergoeding van de gemaakte vervoerskosten.

Artikel 21. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

  • 1. Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als:

    • a.

      aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 18 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer van de woning naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

    • b.

      aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 18 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van de het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;

    • c.

      aanspraak bestaat op een vergoeding op grond van artikel 19 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of

    • d.

      de leerling met een beperking, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken.

  • 2. Onderdeel a betreft een beoordelingscriterium en hieraan kunnen geen rechten worden ontleend dat de daadwerkelijke reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder wordt teruggebracht.

Artikel 22. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening

Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening kan het college een vergoeding verstrekken voor een andere passende voorziening, die beter aansluit bij de ontwikkeling van het kind of de zelfredzaamheid bevordert.

Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten

Artikel 23. Drempelbedrag

  • 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan het in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs genoemde bedrag van € 17.700,-, de op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel 9 bepaalde afstand van 6 kilometer zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de ouders in rekening gebracht.

  • 2. Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag wordt met ingang van 1 januari 1999 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-.

  • 3. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

Artikel 24. Draagkrachtafhankelijke bijdrage

  • 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de ouders verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 2. De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie wordt vastgelegd in een door het college nader te bepalen regeling.

  • 3. De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

  • 4. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.

  • 5. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

  • 6. Het drempelbedrag genoemd in artikel 23 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan het gezin.

  • 7. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

Hoofdstuk 5 Rechtmatigheid

Artikel 25. Doorgeven van wijzigingen

De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.

Artikel 26. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening

  • 1. Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien of intrekken, als het vaststelt dat:

    • a.

      niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening;

    • b.

      beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;

    • c.

      de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;

    • d.

      ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 23 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;

    • e.

      ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 24 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;

    • f.

      sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of

    • g.

      het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer.

  • 2. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 27. Beslissing in gevallen waarin de verordening niet voorziet

In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 28. Nadere regels

Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.

Artikel 29. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening.

Artikel 30. Intrekking

De Verordening tegemoetkoming kosten leerlingenvervoer gemeente Etten-Leur 2022 wordt ingetrokken.

Artikel 31. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer Etten-Leur 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 mei 2026.

Dhr. Drs. W.C.M. Voeten MBA

griffier

Mw. drs. M.C. Starmans-Gelijns

Toelichting behorende bij de Verordening leerlingenvervoer Etten-Leur 2026

I.Algemeen

Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening leerlingenvervoer Etten-Leur 2026 (hierna: verordening) voor een vervoersvoorziening. Ook meerderjarige en handelingsbekwame leerlingen kunnen een beroep doen op de verordening.

Vervoersvoorziening

In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze vervoersvoorziening kan verschillende vormen hebben. Het kan gaan om een vergoeding in geld voor de kosten van een fiets of openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn handicap geen gebruik kan maken van de fiets en het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen.

Het college bepaalt in welke vorm de vervoersvoorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.

Zelfstandigheid en zelfredzaamheid

De verordening leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling.

II.Artikelsgewijs

Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld.

Artikel 1. Definities

Inkomen

Als peiljaar voor het inkomen wordt het tweede kalenderjaar, voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor vergoeding van de vervoerskosten wordt gevraagd begint, aangemerkt. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen (het bepaalde belastbare loon). Bij het opvragen van de Inkomstenbelastingverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan.

Leerling

Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten. Zie artikel 39, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs hierna: Wpo). In artikel 39, derde lid, van de Wpo is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.

Een belangrijke uitzondering zijn leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking Wpo). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.

Openbaar vervoer

Het gaat niet alleen om voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor een ieder openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd.

Artikel 2. Aanvraag

Bij de aanvraag kunnen gegevens worden gevraagd. Onder gegevens moet ook worden verstaan de eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken). Bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring of een verklaring van de rijksinspecteur van de belasting. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Een advies is wel op te vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Bij twijfel zal het college zelf een onafhankelijke deskundige moeten inschakelen.

Artikel 3. Onderzoek

In de onderzoeksfase wordt onderzocht of men in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Bij dit onderzoek staan de mogelijkheden en behoeften en de zelfredzaamheid van de leerling en van het gezin om zo zelfstandig mogelijk te reizen centraal, alsmede de mogelijkheden van de leerling om zich te ontwikkelen naar meer zelfstandigheid in het vervoer. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen.

Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar wat een leerling kan en wil. De vergoedingsstructuur is zodanig opgebouwd, dat, binnen de gestelde criteria (beoordelingsfase), de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling wordt vergoed. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.

Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen de

beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen bieden is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.

Artikel 12. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

Eerste lid

Richting

Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn gereformeerd en hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De keuze van de leerling of zijn ouders voor één van de hiervoor genoemde erkende richtingen bepaalt dus (mede) of een school kan worden aangemerkt als toegankelijke school voor de betreffende leerling.

Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc. De voorkeur van de leerling of zijn ouders voor een bepaalde onderwijskundige methode is niet van invloed bij het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

De school is vol

Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is heeft geen zorgplicht voor de leerling.

Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school.

Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school – het college dient naar de duur van de wachtlijst te informeren – kan de vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.

Dislocaties en nevenvestigingen

Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, wordt de feitelijke locatie . die door de leerling wordt bezocht aangemerkt als ‘school’.

Tweede lid

Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, onder c en d, van de Wpo moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband ook worden bekostigd. Dat hoeft niet persé de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs te zijn. Het is mogelijk dat er een school buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen.

Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de Wpo). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de Wpo). Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn.

In het tweede lid wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Daarnaast geldt, bij toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.

Derde lid

Binnen het leerlingenvervoer wordt een vergoeding verstrekt naar de (qua afstand) dichtstbijzijnde toegankelijke school, rekening houdend met de onderwijsbehoefte en de richting. In de praktijk komt het voor dat dit niet de school is waarnaar de leerling door het samenwerkingsverband wordt verwezen.

Het derde lid beschrijft de voorwaarden waaronder het college tóch kan besluiten om een vergoeding te verstrekken naar de niet dichtstbijzijnde toegankelijke (en door het samenwerkingsverband geadviseerde) school.

  • De noodzaak van het bezoeken van de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school moet overtuigend worden aangetoond aan het college;

  • Wanneer al dan niet door het samenwerkingsverband is vastgesteld, welke onderwijssoort een leerling nodig heeft op grond van de Wpo, de Wet op de expertisecentra (hierna: Wec) of de Wet voortgezet onderwijs 2020, zal aan het college overtuigend moeten worden aangetoond, waarom dat onderwijs niet geboden kan worden op de dichterbij gelegen school. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een leerling, die onder een samenwerkingsverband valt waar arrangementen op reguliere basisscholen worden aangeboden, die het speciaal (basis) onderwijs vervangen. De leerling gaat dan naar een reguliere basisschool verder weg, omdat het arrangement, waarop hij onderwijskundig is aangewezen dichterbij niet aanwezig is.

Symbiose

Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24 van de Wec en Titel IV van het Onderwijskundig besluit Wec). Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag.

Artikel 15. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat

Het college kent geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. Het college dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst.

Artikel 23. Drempelbedrag

De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel.

Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt er per auto een drempelbedrag geheven (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1959). Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week.