Verordening Individuele inkomenstoeslag Albrandswaard 2026

Geldend van 28-05-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening Individuele inkomenstoeslag Albrandswaard 2026

De raad van de gemeente Albrandswaard;

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders gemeente Albrandswaard d.d. 24 maart 2026.

Overwegende:

  • -

    Dat het noodzakelijk is het verstrekken van een individuele inkomenstoeslag bij verordening te regelen;

  • -

    Dat per 1 januari 2026 de Participatiewet in Balans (gefaseerd) in werking treedt en ambtshalve toekenning daarmee mogelijk wordt gemaakt;

  • -

    Dat deze wijziging een aanpassing van de bestaande verordening vergt en de Raad deze actualisatieronde vaststelt;

Gelet op:

  • -

    Artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid van de Participatiewet;

  • -

    Artikel 36 van de Participatiewet;

  • -

    Artikel 147 van de Gemeentewet;

BESLUIT:

vast te stellen de Verordening Individuele inkomenstoeslag Albrandswaard 2026.

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begrippen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    belanghebbende: de persoon als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet die een verzoek om individuele inkomenstoeslag indient of ten aanzien van wie het college ambtshalve beslist;

  • b.

    bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet;

  • c.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente;

  • d.

    gehuwden: echtgenoten en daarmee gelijkgestelden als bedoeld in artikel 3 Participatiewet, te weten personen die een gezamenlijke huishouding voeren;

  • e.

    inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet;

  • f.

    inrichting:

    • a.

      een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden;

    • b.

      een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is;

  • g.

    peildatum: datum waarop een persoon Individuele inkomenstoeslag aanvraagt of de datum waartegen de ambtshalve verstrekking plaatsvindt;

  • h.

    referteperiode: periode van drie jaar (36 maanden) voorafgaand aan de peildatum;

  • i.

    WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

  • j.

    WSF 2000: Wet op studiefinanciering.

Artikel 2. Indienen aanvraag en ambtshalve toekenning

  • 1. Een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag, als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college beschikbaar gesteld formulier.

  • 2. Het college beslist binnen 8 weken op de aanvraag als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, hoeven rechthebbenden die 36 maanden of langer aaneengesloten een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen, geen aanvraag in te dienen. Zij krijgen de individuele inkomenstoeslag eenmaal per 12 maanden ambtshalve uitgekeerd.

HOOFDSTUK 2 INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG

Artikel 3. Rechthebbenden

  • 1. Belanghebbende heeft recht op een individuele inkomenstoeslag wanneer;

    • a.

      hij 21 jaar of ouder is, maar nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;

    • b.

      hij een langdurig laag inkomen heeft;

    • c.

      hij weinig tot geen eigen vermogen bezit;

    • d.

      er geen zicht is op inkomensverbetering; en,

    • e.

      er geen maatregel aan belanghebbende is opgelegd wegens het schenden van een arbeids- of re-integratieverplichting dan wel het verzwijgen van inkomsten.

  • 2. Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum leidend.

Artikel 4. Langdurig laag inkomen

Er is sprake van een langdurig laag inkomen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, wanneer het in aanmerking te nemen inkomen van de belanghebbende gedurende de referteperiode niet hoger is dan 120 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Artikel 5. Vermogen

Onder de voorwaarde, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, wordt verstaan een eigen vermogen als bedoeld onder artikel 34 van de Participatiewet.

Artikel 6. Geen zicht op inkomensverbetering

  • 1. Van de belanghebbende die gedurende de referteperiode een laag inkomen heeft gehad, kan worden gesteld dat er geen zicht is op inkomensverbetering.

  • 2. De individuele omstandigheden van het geval worden betrokken bij de beoordeling van het zicht op inkomensverbetering.

  • 3. Tot de individuele omstandigheden worden in ieder geval gerekend:

    • a.

      de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende; en

    • b.

      de inspanningen die de belanghebbende heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

  • 4. De belanghebbende die een opleiding volgt of tijdens de referteperiode heeft gevolgd als bedoeld in de WTOS, of een studie als genoemd in de WSF 2000, komt niet voor een individuele inkomenstoeslag in aanmerking.

Artikel 7. Hoogte Individuele inkomenstoeslag

  • 1. De hoogte van de Individuele inkomenstoeslag bedraagt;

    • a.

      voor een alleenstaande; € 503,00 (2026)

    • b.

      voor een alleenstaande ouder; € 641,00 (2026)

    • c.

      voor gehuwden: € 760,00 (2026)

    • d.

      voor een alleenstaande en alleenstaande ouder in een inrichting: € 183,00 (2026)

    • e.

      voor gehuwden in een inrichting € 348,00 (2026)

  • 2. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd op 1 januari van een kalenderjaar, overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en op hele euro’s afgerond naar boven.

  • 3. Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend.

HOOFDSTUK 3 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 8. Hardheidsclausule

Het college kan een artikel buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van het doel of de strekking van deze regeling zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard

Artikel 9. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze ‘Verordening Individuele Inkomenstoeslag Albrandswaard 2026’ treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

  • 2. De ‘Verordening Individuele Inkomenstoeslag Albrandswaard 2023’ wordt ingetrokken.

Ondertekening

Aldus besloten door de raad van de gemeente Albrandswaard in zijn openbare vergadering van 13 april 2026,

De griffier,

drs. L. Groenenboom

De voorzitter,

drs. C. Pille

Toelichting individuele inkomenstoeslag

Algemeen

Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van belanghebbenden die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is in artikel 36 van de Participatiewet de mogelijkheid tot het verstrekken van een individuele inkomenstoeslag opgenomen. Het college kan een individuele inkomenstoeslag verlenen als wordt voldaan aan de voorwaarden daarvoor in artikel 36 van de Participatie wet en in deze verordening.

De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan specifieke kosten van levensonderhoud. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor belanghebbenden die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de individuele omstandigheden van het geval, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Artikel 8 van de Participatiewet schrijft voor dat gemeenten bij verordening regels vaststellen over elementen van de individuele inkomenstoeslag.

Met de wetswijziging per 1 januari 2026 in het kader van de Participatiewet in Balans wordt het voor gemeenten mogelijk om de individuele inkomenstoeslag ook ambtshalve toe te kennen. Dit betekent dat de toeslag niet meer uitsluitend op aanvraag wordt verstrekt, maar dat het college de toeslag automatisch en zonder aanvraagprocedure kan toekennen aan inwoners die daarvoor in aanmerking komen. Dit vermindert de administratieve lasten en helpt om het niet-gebruik van de toeslag terug te dringen.

Ingangsdatum

De individuele inkomenstoeslag wordt toegekend vanaf de peildatum. Dat is de datum waarop wordt aangevraagd en waarop door de belanghebbende aan de voorwaarden wordt voldaan. Als op de datum van aanvraag aan de voorwaarden is voldaan, is dit de peildatum voor de belanghebbende. Voor personen die 36 maanden of langer een bijstandsuitkering ontvangen, geldt dat zij geen aanvraag hoeven in te dienen. Zij worden verondersteld aan de voorwaarden te voldoen en krijgen de toeslag ambtshalve toegekend.

Wijziging leefvorm

De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden) van een belanghebbende kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Belanghebbenden moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.

Artikel 1. Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Peildatum

De peildatum is de datum waartegen een individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een belanghebbende langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de individuele omstandigheden van het geval van die belanghebbende, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de aanvraagdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de datum waarop een aanvraag om individuele inkomenstoeslag is ingediend, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de bijbehorende jurisprudentie.

Artikel 2. Indienen aanvraag en ambtshalve verstrekking

Op grond van artikel 36 Participatiewet kan een aanvraag worden ingediend om een individuele inkomenstoeslag. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon om een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door de gemeente beschikbaar gesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb en dient aan de daarin opgenomen voorwaarden te voldoen. Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag..

Belanghebbenden die 36 maanden of langer een bijstandsuitkering ontvangen en voldoen aan de voorwaarden in artikel 3 lid 1 hoeven geen aanvraag te doen. Zij krijgen de toeslag ambtshalve toegekend tegen de voor hen van toepassing zijnde peildatum. De inkomens- en vermogenssituatie is immers al bekend bij het College.

Artikel 3. Rechthebbenden

Studenten zijn uitgesloten, omdat er voor deze groep wel uitzicht is op een hoger inkomen.

Artikel 4. Langdurig laag inkomen

Bij het bepalen wat een ‘langdurig laag inkomen’ is in de zin van individuele inkomenstoeslag, is het volgende van belang. Langdurig; de periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld op 36 maanden, zoals opgenomen in artikel 1 van deze verordening. Laag inkomen; een inkomen wordt als ‘laag’ gekwalificeerd als het niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Uit onderzoek van het Nibud is gebleken dat na drie jaar leven van een minimum inkomen gesproken kan worden van een “langdurig laag inkomen".

Artikel 5. Vermogen

Om in aanmerking te komen voor een individuele inkomenstoeslag mag het vermogen van de belanghebbende niet hoger zijn dan het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. Voor het jaar 2026 bedraagt dit vrij te laten vermogen €8.000 voor een alleenstaande en €16.000 voor een alleenstaande ouder, gehuwden of samenwonenden. De overwaarde van een eigen woning wordt tot een bedrag van €65.500 niet als vermogen in aanmerking genomen.

Artikel 6. Geen zicht op inkomensverbetering

De gemeenteraad is gehouden om aan te geven wanneer er sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering' en is gehouden dit in de verordening vast te leggen. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' houdt het college rekening met de individuele omstandigheden van het geval. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:

  • -

    de krachten en bekwaamheden van de persoon, en

  • -

    de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

In de praktijk blijkt dat als er gedurende de referteperiode een laag inkomen is ontvangen de kans op inkomensverbetering binnen in ieder geval een jaar klein is. Wel dienen hierbij de inspanningen van de belanghebbende in ogenschouw genomen te worden. Er dient altijd een individuele afweging gemaakt te worden.

De belanghebbende die een opleiding volgt of tijdens de referteperiode heeft gevolgd als bedoeld in de WTOS, of een studie als genoemd in de WSF 2000 hebben geen recht op de toeslag, omdat hier wel sprake is van zicht op inkomensverbetering.

Artikel 7. Hoogte individuele inkomenstoeslag

Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt jaarlijks geïndexeerd.

Bepalingen voor Gehuwden

Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden belanghebbenden op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.

Personen in een inrichting

Voor personen in een inrichting in het algemeen geldt dat deze objectief gezien een minder grote behoefte hebben aan extra inkomensondersteuning, omdat de inrichting al in bepaalde zaken voorziet. Omdat de bewoners minder uitgaven hebben, wordt de individuele inkomenstoeslag lager vastgesteld.

Indexering

In het tweede lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de verordening jaarlijks opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) bekend te maken middels publicatie. Er is bewust niet gekozen voor een percentage van de bijstandsnorm omdat er in de Participatiewet veel normen zijn door de invoering van de kostendelersnorm. De uitvoeringskosten moeten zo laag mogelijk worden gehouden.

Artikel 8. Hardheidsclausule

Hoewel het college de mogelijkheid heeft om af te wijken van de bepalingen in deze verordening, past het deze bevoegdheid toe met grote terughoudendheid.

Als een belanghebbende een beroep doet op de hardheidsclausule toetst het college de door hem aangedragen informatie om te bepalen of al dan niet sprake is van een situatie die onredelijk of onbillijk uitpakt voor de belanghebbende wanneer de verordening strikt zou worden toegepast. Het gegeven dat een belanghebbende niet in aanmerking komt voor een individuele inkomenstoeslag is op zichzelf onvoldoende om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

Ingeval het college overgaat tot toepassing van de hardheidsclausule ligt daaraan een uitgebreide motivatie ten grondslag waarin wordt geduid om welke reden het college in dat specifieke geval van oordeel is dat toepassing gerechtvaardigd is.