Reglement van Orde gemeenteraad Heumen 2026

Geldend van 22-05-2026 t/m heden

Intitulé

Reglement van Orde gemeenteraad Heumen 2026

De raad van de gemeente Heumen;

gelezen het voorstel van het presidium van 7 april 2026;

gelet op de artikelen 16, 147a, 147b en 155 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen het:

Reglement van Orde gemeenteraad Heumen 2026

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

    • a.

      amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerp-verordening of ontwerp-beslissing;

    • b.

      burgerinitiatiefvoorstel: voorstel van een initiatiefgerechtigde ter plaatsing op de agenda van de raadsvergadering;

    • c.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen;

    • d.

      gemeentesecretaris: secretaris als bedoeld in artikel 102 van de wet;

    • e.

      griffier: griffier als bedoeld in artikel 107 van de wet of diens vervanger als bedoeld in artikel 107d van de wet;

    • f.

      initiatiefgerechtigden: degenen die:

      1. kiesgerechtigd zijn voor de verkiezing van de leden van de raad, of

      2. ingezetenen zijn van de gemeente vanaf zestien jaar die, met uitzondering van hun leeftijd, voldoen aan de vereisten voor het kiesrecht voor de leden van de raad;

    • g.

      initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een verordening of een ander voorstel ter behandeling in de raad;

    • h.

      interpellatie: vragen om inlichtingen aan het college of de burgemeester over een onderwerp dat niet vermeld staat op de agenda van de raadsvergadering, teneinde hier een debat over te kunnen voeren;

    • i.

      interruptie: een korte verduidelijkende vraag of korte inhoudelijke reactie;

    • j.

      motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;

    • k.

      raad: gemeenteraad van Heumen;

    • l.

      raadscommissie: commissie als bedoeld in artikel 82 van de wet;

    • m.

      subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement;

    • n.

      voorzitter: de voorzitter van de raad of diens waarnemer als bedoeld in artikel 77, eerste lid van de wet;

    • o.

      wet: Gemeentewet.

Artikel 2. Het presidium

  • 1. Er is een presidium dat bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters. Elk lid heeft één stem, bij staken van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

  • 2. Fractievoorzitters wijzen elk een raadslid aan dat hen bij afwezigheid in het presidium vervangt.

  • 3. Het presidium kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn vergaderingen.

  • 4. Het presidium doet aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad en de raadscommissies als bedoeld in artikel 82 van de wet.

  • 5. De vergaderingen van het presidium zijn besloten. Raadsleden zijn welkom als toehoorder.

Artikel 3. De agendacommissie

  • 1. Het presidium fungeert als de agendacommissie.

  • 2. De agendacommissie heeft in ieder geval de volgende taken:

      • a.

        het voorbereiden en vaststellen van voorlopige agenda’s van raadsavonden, raadscommissievergaderingen en raadsvergaderingen;

      • b.

        het vaststellen van de vergadercyclus van de raad en de raadscommissies;

      • c.

        het vaststellen van vergaderingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet en in het derde lid.

  • 3. In aanvulling op de raadscommissievergaderingen, zoals bedoeld in het tweede lid onder b, vergadert een raadscommissie voorts als haar voorzitter het nodig acht of als ten minste twee fracties schriftelijk, met opgaaf van redenen, daarom verzoeken.

Artikel 4. De voorzitter

  • 1. De voorzitter is belast met:

      • a.

        het leiden van de raadsvergadering;

      • b.

        het leiden van de raadsvergadering;

      • c.

        het doen naleven van dit reglement;

      • d.

        hetgeen de wet hem verder opdraagt.

  • 2. De raad wijst uit zijn midden een eerste en tweede waarnemend voorzitter aan.

  • 3. Als de voorzitter in de hoedanigheid van burgemeester, portefeuillehouder dan wel collegevoorzitter deelneemt aan de raadsvergadering, wordt het voorzitterschap vervuld door de waarnemend voorzitter, tenzij de raad anders beslist.

Artikel 5. De griffier

  • 1. De griffier is behalve aanwezig in raadsvergaderingen, ook aanwezig in vergaderingen van het presidium en kan aanwezig zijn in raadscommissievergaderingen.

  • 2. De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen in raadsvergaderingen deelnemen.

Artikel 6. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden

  • 1. Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden. De commissie wordt bijgestaan door de griffier. Bij tussentijdse benoeming wordt voor deze commissie geen lid aangewezen die tot de fractie van het nieuw benoemde raadslid hoort.

  • 2. De commissie als bedoeld in het eerste lid onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden.

  • 3. Een uit het midden van de commissie aangewezen lid brengt het advies van de commissie uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in het advies.

  • 4. Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen.

  • 5. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling, zoals bedoeld in artikel 18 van de wet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 6. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

Artikel 7. Benoeming (kandidaat-)wethouders

  • 1. Bij de benoeming van een wethouder stelt de voorzitter een commissie in overeenkomstig artikel 6, eerste lid.

  • 2. De commissie onderzoekt of benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de wet.

  • Met het oog op een goede vervulling van de taak van de commissie overlegt de kandidaat-wethouder aan de raad:

      • a.

        Een ondertekende verklaring omtrent alle (neven)functies die hij bekleedt;

      • b.

        Een ondertekende verklaring omtrent financiële belangen;

      • c.

        Een uittreksel uit de Basisregistratie Personen omtrent woonplaats, geboorteplaats en -datum;

      • d.

        Indien hij geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie is, gegevens uit de Basisregistratie Personen, waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten, zoals opgenomen in artikel 36a juncto artikel 10 van de wet.

  • 3. De commissie brengt advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in het advies.

  • 4. De burgemeester geeft voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad. De risicoanalyse en het eindresultaat zijn niet openbaar.

Artikel 8. Fracties

  • 1. Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd.

  • 2. Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren.

  • 3. De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.

  • 4. In het geval dat:

      • a.

        Eén of meer leden van een fractie zich afsplitsen en als zelfstandige fractie gaan optreden;

      • b.

        Twee of meer fracties als één fractie gaan optreden;

      • c.

        Een fractie op een andere manier aangeduid wil worden, of

      • d.

        Eén of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie,

  • wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter en het presidium.

  • 5. De in het vierde lid onder a tot en met c bedoelde fractienaam bestaat in het geval van:

      • a.

        Een afsplitsing, uit de aanduiding “Groep” gevolgd door de achternaam van de fractievoorzitter;

      • b.

        Een samenvoeging van twee of meer fracties, uit de aanduiding die boven de kandidatenlijst van één van de samenvoegende fracties was geplaatst of uit de aanduiding “Groep” gevolgd door de achternaam van de fractievoorzitter;

      • c.

        Een fractie die op een andere manier aangeduid wil worden, uit een verkorte versie of afkorting van de aanduiding die boven de kandidatenlijst stond, een nieuwe (landelijk) aanduiding of uit de aanduiding “Groep” gevolgd door de achternaam van de fractievoorzitter,

  • waarbij het presidium kan besluiten een aanduiding te weigeren, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet.

  • 6. Met de in het vierde lid beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na mededeling daarvan.

Hoofdstuk 2. Raadsvergaderingen

Paragraaf 1. Voorbereiding

Artikel 9. Tijd en plaats van vergaderen

  • 1. De raadsvergaderingen vinden plaats in de regel op donderdag, beginnen om 20.00 uur en worden gehouden in de Raadzaal van het gemeentehuis. In overleg met het presidium kan de voorzitter een andere dag of aanvangstijdstip bepalen dan wel een andere vergaderplaats aanwijzen.

  • 2. Als de raadsvergadering niet vóór 23.00 uur kan worden gesloten, bepaalt de voorzitter in overleg met de raad dag, aanvangstijdstip en plaats van de vergadering waarop de resterende agendapunten worden behandeld. Aangewezen uitloopdag is de eerstvolgende maandag. De raad kan ook beslissen om de resterende agendapunten aan te houden en te agenderen voor de eerstvolgende reguliere raadsvergadering.

Artikel 10. Oproep en voorlopige agenda

  • 1. De voorzitter zendt ten minste zeven dagen vóór een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken.

  • 2. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende agenda opstellen na voorlegging aan het presidium. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de raadsvergadering, wordt deze met de daarbij behorende stukken aan de raadsleden gezonden.

  • 3. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden op de website van de gemeente geplaatst.

  • 4. Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 11, tweede lid, van toepassing.

Artikel 11. Ter inzage leggen van stukken

  • 1. Stukken die ter toelichting dienen van de onderwerpen of voorstellen op een openbare voorlopige agenda worden elektronisch beschikbaar gesteld, waaronder op de website van de gemeente.

  • 2. Informatie waaromtrent op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft in afwijking van het eerste lid onder berusting van de griffier. De griffier verleent raadsleden op verzoek inzage.

Artikel 12. Openbare kennisgeving

  • 1. Raadsvergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door elektronische aankondiging op de website van de gemeente en in het gemeentelijke informatieblad.

  • 2. De openbare kennisgeving vermeldt de datum, aanvangstijd en plaats van de raadsvergadering, net als de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht als bedoeld in artikel 16.

Paragraaf 2 Ter vergadering

Artikel 13. Presentielijst

  • 1. De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen.

  • 2. Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de voorzitter en de griffier door ondertekening wordt vastgesteld.

Artikel 14. Zitplaatsen

  • 1. De voorzitter, raadsleden en griffier hebben een vaste zitplaats.

  • 2. Bij aanvang van de zittingsperiode van de raad wijst de voorzitter na overleg met het presidium aan raadsleden een plaats toe.

  • 3. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg in het presidium.

  • 4. De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders en overige personen die ter vergadering zijn uitgenodigd.

Artikel 15. Orde van de vergadering

  • 1. Nadat de voorzitter de mededelingen heeft gedaan, wordt overgegaan tot vaststelling van de agenda.

  • 2. De voorzitter en ieder raadslid kunnen tijdens de raadsvergaderingen mondeling een ordevoorstel betreffende de vergadering doen. De raad beslist hier terstond over. Bij het staken van de stemmen is het ordevoorstel verworpen.

  • 3. Een ordevoorstel kan slechts betrekking hebben op:

      • a.

        Het aan de agenda toevoegen van een motie of een interpellatie:

      • b.

        Het wijzigen van de volgorde van de te behandelen agendapunten;

      • c.

        Het afvoeren van een bepaald agendapunt;

      • d.

        Het uitstellen van de behandeling van een agendapunt tot een nader te bepalen tijdstip;

      • e.

        Het schorsen van de vergadering voor een bepaalde tijd.

  • 4. Indien ten aanzien van een agendapunt wordt ingesproken als bedoeld in artikel 16, wordt dit agendapunt als eerste inhoudelijk behandeld.

  • 5. Na vaststelling van de agenda wordt door middel van loting bepaald welk raadslid telkens het debat opent.

  • 6. Wanneer een amendement of motie is ingediend, wordt in afwijking van het vierde lid het debat geopend door de indiener daarvan.

Artikel 16. Spreekrecht

  • 1. Na de opening van de raadsvergadering kan eenieder bij het agendapunt spreekrecht het woord voeren over onderwerpen die relevant zijn voor de gemeente Heumen.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt niet gesproken over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen dan wel over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep openstaat of heeft opengestaan.

  • 3. De persoon die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit met opgave van onderwerp uiterlijk vier uur voor aanvang van de raadsvergadering via het daarvoor bedoelde formulier op de gemeentelijke website.

  • 4. De persoon die zich voor het spreekrecht heeft aangemeld, krijgt van de voorzitter maximaal 5 minuten het woord. Voor het spreekrecht is er maximaal 30 minuten in de raadsvergadering beschikbaar. Bij gebrek aan tijd wordt de mogelijkheid geboden om schriftelijk van het spreekrecht gebruik te maken.

  • 5. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding, tenzij afwijking van die volgorde in het belang is van de orde van de raadsvergadering.

  • 6. De voorzitter kan aan raadsleden het woord verlenen om een verhelderende vraag te stellen aan de persoon die van het spreekrecht gebruik maakt.

Artikel 17. Voeren van het woord

  • 1. Een raadslid voert alleen het woord na het van de voorzitter gekregen te hebben.

  • 2. Nadat alle fracties het woord hebben gekregen, wordt het college of de burgemeester in gelegenheid gesteld om te reageren.

  • 3. Raadsleden en overige aanwezigen spreken vanaf hun plaats of vanaf het spreekgestoelte.

Artikel 18. Aantal spreektermijnen

  • 1. Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. De raad kan op voorstel van de voorzitter regels stellen omtrent spreektijd.

  • 2. Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten.

  • 3. Raadsleden voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een (sub)amendement, motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, ten aanzien van de beraadslaging daarover.

  • 5. Bij de bepaling hoeveel keer een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een ordevoorstel.

Artikel 19. Handhaving orde en schorsing

  • 1. Een spreker mag niet in zijn betoog worden gestoord, tenzij:

      • a.

        De voorzitter het nodig oordeelt een raadslid aan het opvolgen van dit reglement te herinneren.

      • b.

        Een raadslid de spreker interrumpeert. Tijdens de eerste termijn mag elk raadslid de spreker ten hoogste tweemaal interrumperen. Tijdens de tweede termijn zijn interrupties onbeperkt toegestaan. De voorzitter kan echter bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog mag afronden.

  • 2. Op voorstel van een raadslid kan de raadsvergadering voor een door de voorzitter te bepalen tijd geschorst worden.

  • 3. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de raadsvergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en – indien na heropening de orde opnieuw wordt verstoord – de vergadering sluiten.

Artikel 20. Deelname aan de beraadslaging door anderen

Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.

Paragraaf 3. Stemmingen

Artikel 21. Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag toelichten.

Artikel 22. Beslissing

  • 1. De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist.

  • 2. Nadat de beraadslaging is gesloten, vindt, na een stemming over eventuele (sub)amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals het dan in zijn geheel luidt, tenzij geen stemming wordt gevraagd.

  • 3. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing.

Artikel 23. Stemming; procedure hoofdelijke stemming

  • 1. De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval, dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.

  • 2. Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht worden te hebben tegengestemd of zich overeenkomstig artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming te hebben onthouden.

  • 3. Als een raadslid om stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad en wordt er gestemd door middel van handopsteking.

  • 4. Als een raadslid uitdrukkelijk om hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad en roept hij de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij loting door stemcijfer aangewezen raadslid en verloopt verder op alfabetische volgorde.

  • 5. Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezige raadsleden, die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, hun stem uit door ‘voor’ of ‘tegen’ te verklaren, zonder enige toevoeging.

  • 6. Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen totdat het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.

  • 7. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen en doet daarbij mededeling van het genomen besluit.

Artikel 24. Volgorde stemming over amendementen en moties

  • 1. Als op een aanhangig voorstel een amendement is ingediend, wordt eerst over dit amendement gestemd en vervolgens over het voorstel, zoals het dan luidt in zijn geheel.

  • 2. Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft.

  • 3. Als meerdere (sub)amendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende (sub)amendement gestemd.

  • 4. Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken.

Artikel 25. Stemming over personen

  • 1. Bij stemming over personen voor benoemingen of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen benoemt, de voorzitter drie raadsleden tot stembureau.

  • 2. Aanwezige raadsleden, die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren.

  • 3. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.

  • 4. Het stembureau onderzoekt of het aantal stembriefjes gelijk is aan het aantal raadsleden, dat verplicht en bevoegd is zijn stem uit te brengen. Als de aantallen niet gelijk zijn, worden de stembriefjes ongeopend door de griffier vernietigd en vervolgens wordt een nieuwe stemming gehouden.

  • 5. Een stem wordt uitgebracht door middel van doorhaling op het stembriefje van het woord ‘voor’ of ‘tegen’. Als bij keuze door middel van doorhaling uit meerdere kandidaten bij alle personen ‘voor’ wordt doorgehaald, wordt dit aangemerkt als een geldig uitgebrachte stem tegen alle kandidaten.

  • 6. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje, beslist de raad op voorstel van het stembureau.

  • 7. De stembriefjes worden onmiddellijk na vaststelling van de uitslag door de griffier vernietigd.

Artikel 26. Herstemming over personen

  • 1. Als bij de eerste stemming als bedoeld in artikel 25 niemand de volstrekte meerderheid heeft gekregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.

  • 2. Als ook bij de tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen hebben gekregen. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke personen de derde stemming zal plaatshebben.

  • 3. Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de wet, worden geacht geen stem te hebben uitgebracht, de raadsleden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk stembriefje wordt verstaan, een stembriefje:

      • a.

        Dat blanco is;

      • b.

        Is ondertekend;

      • c.

        Waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft;

      • d.

        Waarbij, als het een benoeming op voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen, of

      • e.

        Waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt.

  • 4. Als bij een tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

Artikel 27. Beslissing door het lot

  • 1. Als het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke briefjes geschreven.

  • 2. Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau als bedoeld in artikel 25, eerste lid, zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembus gestopt en geschud.

  • 3. Vervolgens neemt de voorzitter één van de briefjes uit de stembus en degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.

Paragraaf 4. Verslaglegging en ingekomen stukken

Artikel 28. Besluitenlijst en opname

  • 1. De griffier draagt zorg voor een besluitenlijst van de raadsvergadering.

  • 2. De concept besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering, maar in ieder geval gelijktijdig met de schriftelijke oproep voor de eerstvolgende raadsvergadering openbaar gemaakt op de gemeentelijke website.

  • 3. De besluitenlijst wordt bij het begin van de eerstvolgende raadsvergadering vastgesteld. Voorstellen tot verandering dienen voor aanvang bij de griffier te worden ingediend.

  • 4. De besluitenlijst bevat tenminste:

      • a.

        de namen van de voorzitter, griffier, wethouders en raadsleden, allen voor zover aanwezig, alsmede van de overige personen die het woord gevoerd hebben;

      • b.

        een aantekening van welke raadsleden afwezig waren;

      • c.

        een vermelding van de voorstellen en onderwerpen die aan de orde zijn geweest met de tekst van de genomen besluiten hierover;

      • d.

        een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig artikel 28 van de wet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;

      • e.

        de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties en (sub)amendementen;

      • f.

        bij het desbetreffende agendapunt, de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van artikel 20 door de raad is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen.

  • 5. De vastgestelde besluitenlijst wordt ondertekend door de voorzitter en griffier.

  • 6. Van raadsvergaderingen worden geluids- of beeldopnamen gemaakt, die op de website van de gemeente worden geplaatst.

Artikel 29. Ingekomen stukken

  • 1. Bij de raad ingekomen stukken en raadsmededelingen van het college worden op een lijst geplaatst. De lijst is vast agendapunt van de raadsvergadering en wordt gepubliceerd op de website van de gemeente.

  • 2. De raad stelt op voorstel van het presidium de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

  • 3. De raadsleden kunnen bij de behandeling van de lijst ingekomen stukken toelichtende vragen stellen en stukken voor behandeling doorverwijzen naar een commissievergadering of de eerstvolgende raadsvergadering. De doorverwezen stukken zijn dan niet vastgesteld. Over de inhoud van stukken vindt geen beraadslaging plaats.

Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen

Artikel 30. Toepassing reglement

Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dit niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 31. Verslag besloten raadsvergadering

  • 1. De concept besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen worden niet gepubliceerd, maar liggen uitsluitend voor de raadsleden ter inzage bij de griffier.

  • 2. De besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in een besloten raadsvergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding op de vastgestelde besluitenlijst.

  • 3. De vastgestelde besluitenlijsten worden door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 32. Opheffing geheimhouding

Als de raad op grond van artikel 89, vierde lid, van de wet voornemens is de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen, wordt, als het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

Hoofdstuk 3. Bevoegdheden en instrumenten raadsleden

Artikel 33. Amendementen en subamendementen

  • 1. Ieder raadslid kan (sub)amendementen indienen bij de voorzitter tot het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben. Dit gebeurt schriftelijk, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.

  • 2. Er wordt alleen beraadslaagd over (sub)amendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst hebben getekend.

  • 3. Intrekking door de indiener van een (sub)amendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.

Artikel 34. Moties

  • 1. Ieder raadslid kan in de raadsvergadering schriftelijk een motie indienen bij de voorzitter, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.

  • 2. De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft. Uitgezonderd de behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp (motie vreemd aan de orde van de dag).

  • 3. De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp (motie vreemd aan de orde van de dag) vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld.

  • 4. Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.

Artikel 35. Initiatiefvoorstel

  • 1. Ieder raadslid kan initiatiefvoorstellen indienen. Een initiatiefvoorstel wordt in behandeling genomen, als het schriftelijk, met een ontwerpbesluit en duidelijk geformuleerd bij de griffier wordt ingediend. De griffier brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van het college.

  • 2. Het college kan voor de behandeling in de raadscommissie, binnen twee weken nadat het schriftelijk ter kennis is gesteld, wensen en bedenkingen met betrekking tot het initiatiefvoorstel ter kennis van de raad brengen. Dit kan schriftelijk van te voren of mondeling in de raadscommissievergadering.

  • 3. Het presidium plaatst het initiatiefvoorstel, als het voldoet aan de criteria van het eerste lid, op de agenda voor de eerstvolgende reguliere raadsvergadering, of als de agenda voor die vergadering al verzonden is, op de agenda van de daaropvolgende reguliere raadsvergadering.

  • 4. Het initiatiefvoorstel wordt voor behandeling in de raad eerst voor advies behandeld in de functionele raadscommissie.

  • 5. De raad neemt een initiatiefvoorstel niet in behandeling als het in strijd is met een wet, een algemene maatregel van bestuur of een verordening.

  • 6. Intrekking door de indiener(s) van het initiatiefvoorstel is mogelijk totdat de besluitvorming door de raad is afgerond.

Artikel 36. Collegevoorstel

  • 1. Aanleveren van stukken voor de raad moet vijf werkdagen voor de vergadering van het presidium aan de griffier gebeuren. Als dit niet lukt, doet de indiener van het stuk een gemotiveerd schriftelijk verzoek voor latere aanlevering.

  • 2. Een collegevoorstel aan de raad dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, wordt niet ingetrokken zonder toestemming van de raad.

  • 3. Als het presidium van oordeel is dat het nodig is een collegevoorstel voor advies terug te zenden aan het college, bepaalt het presidium binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 37. Interpellatie

  • 1. Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval een duidelijke omschrijving van het onderwerp en de te stellen vragen.

  • 2. De voorzitter brengt de inhoud van het interpellatieverzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders.

  • 3. Over interpellatieverzoeken die ten minste 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend of in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, wordt over het verzoek tijdens de eerstvolgende raadsvergadering bij vaststelling van de agenda gestemd. In andere gevallen tijdens de daaropvolgende raadsvergadering.

  • 4. De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord. De overige raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.

Artikel 38. Inlichtingen

  • 1. Raadsleden dienen verzoeken tot inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de wet schriftelijk in bij de griffier.

  • 2. De griffier brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester.

  • 3. De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk aan de raad verschaft, in ieder geval binnen drie weken nadat het verzoek is ingediend.

Artikel 39. Schriftelijke vragen

  • 1. Raadsleden dienen schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester in bij de griffier.

  • 2. De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester.

  • 3. Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen 30 dagen nadat de vragen zijn ingediend.

  • 4. Indien beantwoording niet binnen de termijn als bedoeld in het derde lid kan plaatsvinden, stuurt het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester de vragensteller een gemotiveerd tussenbericht via de griffier, met de termijn waarbinnen beantwoording plaatsvindt. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

  • 5. Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de griffier aan de raadsleden toegezonden.

  • 6. Als een raadslid nader inlichtingen wenst over de beantwoording, verloopt dit via de procedure ingekomen stukken, zoals geregeld in artikel 29 van dit reglement.

Artikel 40. Vragenhalfuur

  • 1. Direct na opening van de raadsvergadering vindt het vragenhalfuur plaats, tenzij bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. In bijzondere gevallen kan het presidium bepalen dat het vragenhalfuur op een ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenhalfuur eindigt.

  • 2. Raadsleden die tijdens het vragenhalfuur vragen willen stellen, melden dit onder aanduiding van het onderwerp en de vragen ten minste 24 uur voor het begin van de raadsvergadering bij de griffier. Deze stelt de voorzitter en het college daarvan in kennis.

  • 3. De voorzitter kan weigeren een onderwerp tijdens het vragenhalfuur aan de orde te stellen, als het onderwerp niet voldoende nauwkeurig is aangegeven, het onderwerp in diezelfde raadsvergadering aan de orde komt of niet actueel is.

  • 4. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld alsmede de spreektijd voor de vragensteller, het college, de burgemeester en de overige raadsleden.

  • 5. Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven.

  • 6. Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.

  • 7. De voorzitter kan aan andere raadsleden het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

  • 8. Tijdens het vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten.

Hoofdstuk 4. Burgerinitiatiefvoorstel

Artikel 41. Eisen aan het verzoek

  • 1. De raad plaatst een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van zijn vergadering, indien daartoe door een initiatiefgerechtigde een geldig verzoek is ingediend.

  • 2. Geldig is het verzoek dat door ten minste tien initiatiefgerechtigden wordt ondersteund, mits het geen onderwerp betreft als bedoeld in artikel 43 en voldoet aan de indieningsvereisten als bedoeld in artikel 44.

Artikel 42. Initiatiefgerechtigden

Voor de beoordeling of aan de vereisten voor initiatiefgerechtigdheid is voldaan, is voor initiatiefgerechtigden de toestand op de dag van indiening van het verzoek bepalend.

Artikel 43. Uitsluitingen

Een burgerinitiatiefvoorstel houdt niet in:

    • a.

      een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van de raad;

    • b.

      een vraag over het gemeentelijk beleid;

    • c.

      een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;

    • d.

      een bezwaar of (hoger) beroep in de zin van hoofdstuk 7 respectievelijk hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht tegen een besluit van het gemeentebestuur, of

    • e.

      een onderwerp waarover korter dan een jaar voor indiening van het burgerinitiatiefvoorstel door de raad een besluit is genomen.

Artikel 44. Indiening van het verzoek

  • 1. Het verzoek ter plaatsing van een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de raadsvergadering wordt schriftelijk ingediend bij de griffier.

  • 2. Het verzoek bevat ten minste:

      • a.

        een nauwkeurige omschrijving van het burgerinitiatiefvoorstel;

      • b.

        een toelichting op het burgerinitiatiefvoorstel;

      • c.

        de voornamen, de achternaam, het adres, de geboortedatum en de handtekening van de verzoeker en zijn plaatsvervanger, en

      • d.

        een lijst met de voornamen, achternamen, adressen, geboortedata en handtekeningen van de initiatiefgerechtigden die het verzoek ondersteunen

  • 3. Voor de indiening van het verzoek wordt gebruik gemaakt van het door de griffier te verstrekken model.

Artikel 45. Behandeling van en besluitvorming over het verzoek

  • 1. Het presidium beslist in de eerstvolgende vergadering na de datum van indiening van het verzoek of het burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van de raadcommissie- en de raadvergadering wordt geplaatst.

  • 2. Indien het presidium het verzoek afwijst wegens strijd met artikel 43, onder a, kan de raad het voorstel doorzenden aan het college.

  • 3. Indien het presidium het verzoek toewijst, dan agendeert hij het burgerinitiatiefvoorstel voor de eerstvolgende raadscommissie- en raadvergadering.

  • 4. De griffier nodigt de verzoeker schriftelijk uit voor de vergaderingen waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is geagendeerd. De verzoeker of zijn plaatsvervanger krijgt tijdens deze vergaderingen de gelegenheid om het burgerinitiatiefvoorstel mondeling toe te lichten.

  • 5. Zo spoedig mogelijk nadat de raad over het burgerinitiatiefvoorstel een besluit heeft genomen, wordt dit besluit bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit via het huis-aan-huisblad en de website van de gemeente.

  • 6. Tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit als bedoeld in het vijfde lid wordt van het besluit schriftelijk mededeling gedaan aan verzoeker.

Hoofdstuk 5. Lidmaatschap van andere organisaties

Artikel 46. Verantwoording

  • 1. Een raadslid, een wethouder, de burgemeester of de gemeentesecretaris, die door de raad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, doet schriftelijk verslag aan de raad over zaken die in het algemeen bestuur aan de orde zijn.

  • 2. Ieder raadslid kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, zoals bedoeld in artikel 39, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Wanneer een raadslid een persoon als bedoeld in het eerste lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De regels voor het houden van een interpellatie, zoals bedoeld in artikel 37, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad een of meer van zijn leden, een wethouder, de burgemeester of de gemeentesecretaris heeft benoemd.

Hoofdstuk 6. Toehoorders en pers

Artikel 47. Toehoorders en pers

  • 1. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen.

  • 2. Het geven van tekenen van goed- of afkeuring dan wel het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.

Artikel 48. Geluid- en beeldregistraties

Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan vooraf mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 49. Uitleg reglement en hardheidsclausule

  • 1. In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing daarvan beslist de raad op voorstel van de voorzitter.

  • 2. De raad kan in uitzonderlijke gevallen besluiten om af te wijken van dit reglement.

Artikel 50. Inwerkingtreding, citeertitel en intrekking oud reglement

  • 1. Dit reglement treedt een dag na bekendmaking in werking.

  • 2. Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van Orde gemeenteraad Heumen 2026.

  • 3. Het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Heumen 2023 wordt ingetrokken.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 23 april 2026,

drs. M.J.H.N. Collombon

Griffier

mr. J.W.M.S. Minses

Voorzitter