Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761959
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761959/1
Besluit van de eilandsraad van het openbaar lichaam Sint Eustatius 02.04.2026 no.02 tot vaststelling van de Eilandsverordening met betrekking tot activiteiten door inrichtingen (Eilandsverordening milieu activiteiten inrichtingen 2026)
Geldend van 02-04-2026 t/m heden
Intitulé
Besluit van de eilandsraad van het openbaar lichaam Sint Eustatius 02.04.2026 no.02 tot vaststelling van de Eilandsverordening met betrekking tot activiteiten door inrichtingen (Eilandsverordening milieu activiteiten inrichtingen 2026)De eilandsraad van Sint Eustatius,
Gelezen het voorstel van het bestuurscollege;
Gelet op artikel 5.1, vierde lid, van de Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES, en artikel 2.1, derde lid, van het Inrichtingen en activiteitenbesluit BES;
Besluit:
Tot het vaststellen van het onderhavige Eilandsverordening milieu activiteiten inrichtingen 2026
Inhoudende:
Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
ADR: Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR);
afleverinstallatie: al dan niet onder de grond liggende tank of totale verzameling van tanks met daaraan gekoppelde leidingen, appendages, met bijbehorende afleverzuil of -zuilen;
afleverzuil: bovengronds gelegen opbouw van de afleverinstallatie bestaande uit pompen, leidingen, meet- en regelwerken, schakelaars en afleverpistolen omgeven door een omkasting of daarmee direct in verbinding staand;
Besluit: inrichtingen- en activiteitenbesluit BES;
Bodemweerstand: De mate van geleiding van stroom door de bodem uitgedrukt in Ohm meter;
BRL-SIKB: Beoordelingsrichtlijn beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer
deskundig persoon: iemand die aantoonbaar is opgeleid voor gevraagde taak, keuring;
geluidsapparaat een apparaat bestemd of mede bestemd voor het voortbrengen van geluid, zoals geluid‐versterkende apparatuur en luidsprekers, muziekinstrumenten en speelautomaten;
gevaarlijke stoffen: stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen vermeld in IMDG-Code International Maritime Dangerous Goods Code (MSC.406(96));
HRMI 99: Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999, digitale versie 2004;
inzamelaar: ieder die afvalstoffen inzamelt;
lege gasfles: gasfles waarvan de druk dusdanig laag is dat de inhoud niet bruikbaar is;
materiaalhergebruik: materialen voortkomende uit bewerking of verwerking van een afvalstof opnieuw gebruiken;
NEN-EN: door het Comité Européen de Normalisation opgestelde en door het Nederlands Normalisatie-instituut als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm;
opslagtank: opslagvoorziening voor gas met een inhoud van ten minste 150 liter of een opslagvoorziening voor vloeistof met een inhoud van ten minste 300 liter niet zijnde een intermediate bulk container (IBC);
opslagruimte: vaste ruimte bestemd voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen uitgevoerd als een brandcompartiment met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten (60 WBDBO);
Regeling: Regeling inrichtingen-en activiteiten BES;
toestel: een geluidsapparaat, dan wel een toestel dat bij gebruik anders dan door menselijke energie geluidhinder kan veroorzaken, een luchtvaartuig daaronder niet begrepen;
veiligheidsklep: ontlastorgaan met een al dan niet vaste instelling waarvan deel uitmaakt een met een veer belaste klep die zich bij een te hoog oplopende druk opent, en waarbij de afgeblazen stof wordt afgeblazen buiten het systeem waarop het ontlastorgaan is bevestigd;
vloeibare brandstof: Vloeistoffen die gebruikt worden als brandstof voor stookinstallaties, zoals gelode en ongelode lichte olie, halfzware olie en gasolie;
vrij chloor: som van opgelost onderchlorigzuur, hypochloriet-ion en chloorgas;
WBDBO: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
Artikel 1.2 Reikwijdte
-
1. Deze verordening bevat de nadere regels ten aanzien van de kwaliteitscriteria genoemd in artikel 2.1 van het Besluit;
-
2. Deze verordening geldt voor degene die een inrichting type I of type II opricht, in werking heeft, verandert of de werking daarvan verandert of een inrichting beëindigt.
Beheer van grondstoffen
Artikel 2.1 Zuinig gebruik van grondstoffen
-
1. Het gebruik van grondstoffen wordt zoveel mogelijk beperkt.
-
2. Zoetwater wordt zoveel mogelijk hergebruikt.
Beheer van afvalstoffen
Artikel 3.1 Schoonhouden van het terrein
Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig de tijdens de activiteit ontstaan afval of andere materialen die uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van 25 meter van de inrichting.
Artikel 3.2 Afvoeren afval bij bedrijfsbeëindiging
Ten behoeve van het doelmatig beheer van afvalstoffen zorgt degene die de inrichting heeft gedreven of zijn rechtsopvolger ervoor dat uiterlijk acht weken na de beëindiging van de inrichting de daarin aanwezige afvalstoffen uit de inrichting worden afgevoerd naar een erkende inzamelaar.
Beheer van Afvalwater
Artikel 4.1 Lozen afvalwater
-
1. Bij het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de grenswaarden genoemd in tabel 1 niet overschreden:
Tabel 1 Grenswaarden afvalwater
Parameter
Representatief etmaalmonster
Steekmonster
Biochemisch zuurstof verbruik
30 milligram per liter
60 milligram per liter
Totaal organisch koolstof
45 milligram per liter
90 milligram per liter
Onopgeloste stoffen
35 milligram per liter
5 milligram per liter
-
2. Wanneer gezuiverd afvalwater wordt ingezet als irrigatiewater dan worden naast de grenswaarden genoemd in lid 1 de volgende grenswaarden in enig steekmonster niet overschreden:
- b.
het stikstofgehalte (TNb) 28 miligram per liter;
- c.
het gehalte aan fecale coliformen (E-coli) 1.000 CFU per 100 milliliter;
- d.
het chloridengehalte (Cl) 250 miligram per liter;
- e.
de geleidbaarheid (EC) 2000 µS/cm (micro Siemens per centimeter).
[Artikel 4.1 lid 2 bevat een kennelijke verschrijving, waar b, c, d en e staat opgenomen, wordt a, b, c en d bedoeld.]
- b.
Artikel 4.2 Septic tank
-
1. Als het afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het artikel 1, eerste lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septic tank die is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
-
2. Een septic tank heeft:
- a.
een minimale inhoud van 17 kubieke meter;
- b.
drie compartimenten met de minimale afmetingen genoemd in tabel 2.
Tabel 2 Afmetingen septic tank
Compartiment
Compartiment 1
Compartiment 2
Compartiment 3
Volume (kubieke meter)
8,7
5
4
Lengte (meter)
2,44
1,52
1,22
Breedte (meter)
1,83
1,83
1,83
Diepte (meter)
1,83
1,83
1,83
- c.
scheidingswanden tussen de compartimenten die ten minste 20 centimeter boven het waterniveau uitsteken;
- d.
een instroomopening in het eerste compartiment van de septic tank die zich tenminste 10 centimeter boven het waterniveau bevindt, teneinde vrij te kunnen afwateren;
- e.
een toevoerpijp ten minste 5 en ten hoogste 10 centimeter uit de binnenwand steekt.
- a.
-
3. Doorstroomopeningen in scheidingswanden tussen de compartimenten van een septic tank zijn zodanig uitgevoerd dat:
- a.
doorvoer van bodemslib en drijflagen wordt voorkomen;
- b.
de gezamenlijke oppervlakte van de doorstroomopeningen per meter scheidingswand tenminste 100 vierkante centimeter en ten hoogste 400 vierkante centimeter bedraagt;
- c.
de bovenkant van de doorstroomopeningen ten minste 30 centimeter onder het waterniveau ligt, en de onderkant van de doorstroomopeningen hoger ligt dan tenminste de helft van de waterhoogte, gemeten vanaf de bodem van de tank.
- a.
-
4. De septic tank is vloeistofdicht en bevat slechts aan de bovenzijde openingen voor de afvoer van slib.
-
5. De afvoeropening van een septic tank is voorzien van een duikschot of een T-stuk zodat afvoer van bodemslib of drijflagen wordt voorkomen.
-
6. Indien afzonderlijke septic tanks parallel zijn geschakeld, voldoet iedere tank afzonderlijk aan de voorschriften van dit artikel.
Artikel 4.3 Septic tank volgens NEN
Aan artikel 2 wordt in ieder geval voldaan als de septic tank is ontworpen volgens NEN-EN-12566-1.
Artikel 4.4 Gebruik septic tank
-
1. Een septic tank is goed toegankelijk
-
2. Voor een goede werking van de septic tank moet deze worden onderhouden en schoonmaakmiddelen worden gebruikt die de werking niet verstoren.
Artikel 4.5 Meet- en rekenbepalingen afvalwater
-
1. Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
-
2. Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
-
3. Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
- a.
;voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1:2019 en of NEN-EN 1899-1
- b.
voor intestinale enterokokken NEN-EN-ISO 7899-1 of NEN-EN-ISO 7899-2 en,
- c.
voor Escherichia coli NEN-EN-ISO 9308-3 of NEN-EN-ISO 9308-1 en,
- d.
voor Totaal organisch koolstof of Totaal gebonden stikstof NEN-EN-ISO 20236:2024 en.
- e.
Voor onopgeloste stoffen, Totaal gesupendeerde stoffen geanalyseerd volgens NEN 6499:2025 nl
- a.
Artikel 4.6. Olieafscheider en slibvangput
Een olieafscheider en slibvangput voldoet aan en wordt gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
Artikel 4.7 Onderhoud olieafscheider
-
1. Alle regelmatig te onderhouden onderdelen van de olieafscheider zijn altijd bereikbaar.
-
2. Het onderhoud vindt plaats in overeenstemming met de instructies van de fabrikant en bevat tenminste de volgende onderdelen:
- a.
slibvanggedeelte: bepaling slibvolume;
- b.
afscheider: meting dikte olielaag, controle functionering automatische vlotter, controle van het waarschuwingsinstrument;
- c.
bemonsteringsschacht: schoonmaken van het afvoerkanaal.
- a.
Artikel 4.8 Amalgaamafscheider
Een amalgaamafscheider voldoet aan en wordt gebruikt conform de eisen gesteld in NEN-EN-ISO 11143.
Beheer bodembeschermende voorzieningen
Artikel 5.1. Controle, onderhoud en beheer bodembeschermende voorzieningen
-
1. De controle, het onderhoud en het beheer van bodembeschermende voorzieningen wordt in eenduidige bedrijfsinterne procedures vastgelegd.
-
2. De procedures, bedoeld in het eerste lid, zijn binnen de inrichting aanwezig op een zodanige manier dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen.
-
3. In de instructies is aangegeven op welke wijze:
- a.
de staat en goede werking van bodembeschermende voorzieningen, verpakkingen en apparatuur waarin vloeibare bodembedreigende stoffen worden opgeslagen of getransporteerd, wordt gecontroleerd;
- b.
er voor zorg wordt gedragen dat zo vaak als de omstandigheden daarom vragen, inspecties op morsingen en lekkages plaatsvinden; en
- c.
is gewaarborgd dat gemorste of gelekte stoffen direct worden opgeruimd.
- a.
-
4. Alle medewerkers die bodembedreigende activiteiten verrichten zijn op de hoogte van de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies om bodemverontreining te voorkomen.
-
5. De controle, het onderhoud en het beheer van bodembeschermende voorzieningen vinden zodanig plaats dat vrijgekomen stoffen zijn verwijderd voordat deze in de bodem kunnen geraken.
-
6. Morsingen en lekkages worden terstond verholpen en opgeruimd.
-
7. De noodzakelijke absorptiemiddelen en andere materialen en middelen ter bescherming van de bodem zijn binnen de inrichting in voldoende mate aanwezig. Aanwezig personeel is geïnstrueerd over het gebruik van middelen en materialen.
-
8. Bevindingen van controles van of onderhoud aan bodembeschermende voorzieningen, alsmede acties genomen na incidenten met bodembedreigende stoffen, die mogelijk hebben geleid tot een bodemverontreiniging, worden opgenomen in een logboek dat te allen tijde ter inzage voor bevoegd gezag.
Licht
Artikel 6.1 Voorkomen en beperken van lichthinder
-
1. Lichtbronnen die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering, beveiliging, recreatie, sport of andere doeleinden worden:
- a.
onmiddellijk uitgeschakeld nadat de betreffende activiteit is beëindigd;
- b.
zodanig opgesteld dat deze verlichting een neerwaartse uitstraling heeft.
- a.
-
2. De verlichting van sportvelden is uitgeschakeld tussen 2:00 en 6:00 s’nachts.
Geluid
Artikel 7.1 Grenswaarden geluid
-
1. Het is verboden om met geluidsapparaten dan wel op andere wijze handelingen te verrichten of installaties en toestellen in werking te hebben, waardoor voor een omwonende of voor de omgeving geluidsoverlast ontstaat of toe te laten dat deze handelingen worden verricht.
-
2. Geluidoverlast is in ieder geval aanwezig indien sprake is van een overschrijding van de volgende waarden voor het langetijdgemiddelde beoordelingsniveau (Lar, LT) en het maximale geluidsniveau LAmax, uitgedrukt in dB(A) en gemeten op de in de tabel 3 aangegeven plaatsen. Deze geluidswaarden zijn inclusief onversterkte muziek en exclucsief 10 dB(A) toeslag vanwege een duidelijk herkenbaar muziekkarakter:
Tabel 3 Geluid beoordelingsniveau
07:00 - 19:00
19:00 – 23:00
23:00 - 07:00
Langtijdgemiddelde op gevel van gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
Langtijdgemiddelde in in- en aanpandige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
Max geluidsniveau op gevel van gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
Max geluidsniveau in in- en aanpandige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
-
3. Metingen en berekeningen ter controle van voornoemde geluidniveaus vinden plaats overeenkomstig de HRMI-99. In tegenstelling tot de HRMI-99 mogen metingen ook uitgevoerd worden met een volgens de specificaties van IEC publicatie 60651, type 2 geluidsniveaumeter.
-
4. De in de tabel opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laad- en losactiviteiten en autoverkeer.
-
5. De in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidgvoeldige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uit voeren van geluidsmetingen.
Opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking
Artikel 8.1 Toepassingsbereik
-
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking.
-
2. Artikel 2.9.2 van de Regeling is niet van toepassing het opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking zijnde:
- a.
alcoholhoudende dranken in consumentenverpakkingen;
- b.
vuurwerk;
- c.
gasflessen die verbonden zijn aan een apparaat dat in gebruik is voor voedselbereiding;
- d.
minder dan 400 kilogram in totaal van gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
- e.
viskeuze vloeistoffen die volgens paragraaf 2.2.3.1.5.1 van de ADR niet zijn onderworpen aan de voorschriften van de ADR;
- f.
minder dan 1 kilogram gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2, 6.1, verpakkingsgroep I, 6.2, categorie I1 of I2, of 8, verpakkingsgroep I;
- g.
minder dan 25 kilogram vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, verpakkingsgroep I of II; en
- h.
de gevaarlijke stoffen in verkoopruimten opgeslagen volgens artikel 8.6.
- a.
Artikel 8.2 Brandveiligheid opslagruimte
-
1. Deuren, ventilatieopeningen, leidingdoorvoeren of rookluiken in deze constructie doen geen afbreuk aan de vereiste WBDBO.
-
2. Voor het waarborgen van de veiligheid is een eventueel dak van onbrandbaar materiaal vervaardigd en is zodanig uitgevoerd.
-
3. Er is ten minste één brandblustoestel van zes kilogram poeder of schuim aanwezig.
-
4. Op de opslagruimte is een opschrift aangebracht in het Nederlands en het Engels met de tekst: “ROKEN EN VUUR VERBODEN” – “SMOKING AND FIRE PORHIBITED” en de opslagvoorziening is voorzien van de vermelding van de ADR-klasse van opgeslagen stoffen en bijbehorende waarschuwingsborden.
Artikel 8.3 Afstanden van opslagruimte gevaarlijke stoffen
Ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid bedraagt de afstand tussen een uitpandige opslagvoorziening en de erfgrens tenminste vijf meter.
Artikel 8.4 Opslag gasflessen in een opslagruimte
-
1. Gasflessen mogen niet met ander verpakte gevaarlijke stoffen in dezelfde opslagvoorziening zijn opgeslagen.
-
2. Gasflessen mogen in gasflesbatterij in de opslagvoorziening aangesloten op leidingen, voorzien van afsluiters.
Artikel 8.5 Brandveiligheid opslagruimte
Er is ten minste één brandblustoestel van 6 kilogram poeder of schuim aanwezig.
Artikel 8.6 Hoeveelheid gevaarlijke stoffen in verkoopruimten
-
1. Artikel 2.9.2 van de Regeling is niet van toepassing op een ruimte voor verkoop aan particulieren:
- a.
als het gaat om het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9, zonder bijkomend gevaar als bedoeld in de ADR of producten voor persoonlijke verzorging; of
- b.
als niet meer wordt opgeslagen dan de hoeveelheden, bedoeld in tabel 4.
- a.
-
2. Een opvangbak waarin of waarboven gevaarlijke stoffen in verpakking worden opgeslagen is onbrandbaar en productbestendig, en kan ten minste 100% van de daarin of daarboven opgeslagen stoffen opvangen.
Tabel 4 Verkoopruimte
Hoeveelheid gevaarlijke stoffen in verpakking in liters, die in een ruimte voor verkoop aan particulieren ten hoogste aanwezig is
Woonfunctie boven de verkoopruimte
Geen woonfunctie boven de verkoopruimte
Ruimte voor verkoop aan particulieren is geen compartiment weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten of meer
Ruimte voor verkoop aan particulieren is een compartiment weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten of meer.
Soort gevaarlijke stoffen
Opslag niet in of boven een lekbak
Opslag boven lekbak
Opslag niet in of boven een lekbak
Opslag boven een lekbak
Opslag niet boven een lekbak
Opslag boven een lekbak
Gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in verpakking, met uitzondering van III, maar met II.
500
750
500
750
1000
1500
II. Gevaarlijke stoffen van ADR-klassen 2 en 3 in verpakking, met uitzondering van gebruiksklare ruitensproeiervloeistof met een vlampunt hoger dan 40 °C
75
150
150
300
300
800
III. Verfproducten van ADR klasse 3 in metalen verpakkingen
8000
Opslaan van bodembedreigende vloeistoffen in een opslagtank of tankcontainer.
Artikel 9.1 Toepassingsbereik
-
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op het opslaan van bodembedreigende vloeistoffen in een of meer bovengrondse opslagtanks of tankcontainer, voor zover:
- a.
de gezamenlijke inhoud van bovengrondse opslagtanks voor brandstoffen, gasolie of afgewerkte olie in de buitenlucht ten hoogste 150 kubieke meter is;
- b.
de gezamenlijke inhoud van bovengrondse opslagtanks voor gasolie of afgewerkte olie inpandig ten hoogste 15 kubieke meter per opslagruimte is.
- a.
Artikel 9.2 Bodembescherming
-
1. Een tankcontainer of een opslagtank waarin bodembedreigende vloeistoffen worden opgeslagen wordt gezien als installatie zoals bedoeld in artikel 2.3.1 van de Regeling en geplaatst in of boven bodembeschermende voorziening.
- a.
Het moet voorkomen worden dat regenwater in de bodembeschermende voorziening komt, dit kan door aanbrengen van een dak. Regenwater moet worden verwijderd.
- a.
-
2. Een tank voor het opslaan van licht ontvlambare vloeibare brandstoffen wordt in een opslagvoorziening onder het maaiveld geplaatst.
- a.
De opslagvoorziening is afgedekt door een gronddekking van 50 centimeter;
- b.
Leidingdoorvoeren worden aangebracht boven het grondwater niveau, direct onder het deksel;
- c.
De opvangvoorziening is bereikbaar via een afsluitbare opening, een mangat;
- d.
De ondergrondse opslagvoorziening is voorzien van ontluchting die uitkomt op 5 meter boven het maaiveld.
- a.
Artikel 9.3 Ontwerp van tankcontainer
Ten behoeve van het voorkomen van verontreiniging van de bodem voldoet een tankcontainer die als opslagtank wordt gebruikt aan hoofdstuk 6.8 van het ADR en een verpakking (IBC) die als opslagtank wordt gebruikt, aan hoofdstuk 6.5 van de ADR.
Artikel 9.4 Ontwerp en gebruik van tankinstallatie
-
1. Ten behoeve van het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt de installatie van een opslagtank of tankcontainer inclusief leidingen en appendages zodanig ontworpen, vervaardigd en geïnstalleerd dat deze bij gebruik geen gevaar oplevert voor mens en milieu, hetgeen tenminste betekent dat de gehele installatie:
- a.
chemisch resistent is voor de stoffen die worden opgeslagen;
- b.
voldoende sterk is, rekening houdend met de condities die zich bij gebruik kunnen voordoen;
- c.
voldoende beschermd is tegen weersinvloeden en corrosie;
- d.
toegerust is om het vrijkomen van gevaarlijke stoffen en de schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.
- a.
Artikel 9.5 Bodembescherming bij aftap of vulpunten
-
1. Ten behoeve van het voorkomen van verontreiniging van de bodem bevindt het aansluitpunt van een vulleiding of leegzuigleiding van een bovengrondse opslagtank of tankcontainer zich:
- a.
boven een bodembeschermende voorziening; of
- b.
boven of in een vulpuntmorsbak die een inhoud heeft van ten minste vijf liter.
- a.
Artikel 9.6 Opschrift vulpunten
-
1. Ten behoeve van het voorkomen van verontreiniging van de bodem is bij elk vulpunt duidelijk aangegeven wat de netto-inhoud van de opslagtank of tankcontainer is en welk product in opslag is.
-
2. Bij het vulpunt wordt aangegeven welk type overvulbeveiliging is gemonteerd.
Artikel 9.7 Antihevel bij opslagtank
Ten behoeve van het voorkomen van verontreiniging van de bodem moet een bovengrondse opslagtank voorzien zijn van een antihevelvoorziening als vloeistof wordt afgetapt of afgeleverd onder het hoogste vloeistofniveau in de tank.
Artikel 9.8 Ondergrondse leidingen
-
1. Ondergrondse corrosiegevoelige installatieonderdelen en leidingen moeten zijn voorzien van kathodische bescherming als de bodemweerstand kleiner is dan 100 ohm-m.
-
2. Ondergrondse leidingsystemen worden gekeurd en herkeurd door een deskundig persoon, bij voorkeur een BRL SIKB 7800-gecertificeerde installateur.
-
3. Ondergrondse leidingsystemen voor vloeistoffen met overdruk (persleidingen) zijn niet toegestaan.
-
4. Als een keuring of herkeuring bedoeld in het tweede lid leidt tot afkeuring van de ondergrondse installatieonderdelen en leidingen wordt dit terstond gemeld aan het bevoegd gezag.
Artikel 9.9 Opschriften opslagvoorzieningen, bovengrondse tanks
-
1. Ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid is:
- a.
een duidelijk leesbaar opschrift op de opslagvoorziening aangebracht in het Nederlands en in het Engels en is het opschrift tevens voorzien van de tekst: “ROKEN EN VUUR VERBODEN – SMOKING AND FIRE PROHIBITED”; en
- b.
de opslagvoorziening of tank voorzien van de vermelding van de ADR-klasse van opgeslagen stoffen en van de bijbehorende waarschuwingsborden.
- a.
Artikel 9.10 Opslagtank voor afgewerkte olie
-
1. Ten behoeve van het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt een:
- a.
opslagtank voor afgewerkte olie niet voorzien van een overvulbeveiliging als die handmatig of onder vrij verval gevuld wordt;
- b.
stalen opslagtank voor de opslag van afgewerkte olie minimaal eenmaal per jaar geleegd, waarbij de inhoud wordt afgegeven aan een erkende inzamelaar.
- a.
Artikel 9.11 Keuring en herkeuring opslagtanks
Na de afkeuring van een tank wordt binnen acht weken het opslaan van vloeistoffen in de opslagtank beëindigd en wordt de vloeistof die zich in de opslagtank bevindt verwijderd.
Opslaan van gassen in een opslagtank
Artikel 10.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op het opslaan gassen in een opslagtank.
Artikel 10.2 Afstanden
-
1. De afstand tussen een opslagtank met propaan of propeen en woningen of andere kwetsbare objecten bedraagt minimaal 30 meter.
-
2. Halvering van de in het eerste lid genoemde afstand is toegestaan in het geval de inhoud van het reservoir minder is dan vijf kubieke meter.
-
3. De afstand tussen een opslagtank met zuurstof, lucht, stikstof, argon, kooldioxide, helium of lachgas en woningen of andere kwetsbare objecten bedraagt minimaal drie meter, als de inhoud van de opslagtank minder is dan 10 kubieke meter mag deze afstand teruggebracht worden naar een meter.
Artikel 10.3 Maximale vulgraad
Ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid wordt een opslagtank gevuld tot ten hoogste 90% van de inhoud of tot de vullingsgraad die op of bij de opslagtank is aangegeven.
Artikel 10.4 Buiten gebruik stellen van een tank
Een buiten gebruik gestelde opslagtank wordt drukvrij en gasvrij gemaakt door een deskundig persoon.
Artikel 10.5 Ontwerp, vervaardiging en installatie tankinstallatie
-
1. Ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid is een tankinstallatie inclusief leidingen en appendages zodanig ontworpen, vervaardigd en geïnstalleerd dat deze bij gebruik geen gevaar oplevert voor mens en milieu. Dat betekent tenminste dat de gehele installatie:
- a.
niet mag lekken;
- b.
chemisch resistent is voor de gassen die worden opgeslagen;
- c.
voldoende sterk is, rekening houdend met de condities die zich bij gebruik kunnen voordoen;
- d.
toegerust is om het vrijkomen van gassen en de schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken; en
- e.
niet onder maaiveld is geplaatst.
- a.
Artikel 10.6 Brandveiligheid
Ten behoeve van het waarborgen van de brandveiligheid, wordt de omgeving rond de opslagtank, een opslagvoorziening tot op ten minste drie meter afstand zorgvuldig vrijgehouden van begroeiing en brandbare stoffen, zoals textiel, papier en hout.
Opslag en verkoop van consumentenvuurwerk
Artikel 11.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verkopen van en activiteiten met consumentenvuurwerk.
Artikel 11.2 Verkoopmelding
-
1. In aanvulling van de melding in artikel 2 van het Besluit wordt jaarlijks uiterlijk 5 december het voornemen om vuurwerk te verkopen of activiteiten of handelingen te verrichten met vuurwerk schriftelijk verkoopmelding gedaan aan het bestuurscollege.
-
2. Degene die een verkooppunt opricht en in gebruik neemt doet hiervan uiterlijk 5 december van het betreffende jaar verkoopmelding aan het bestuurscollege.
-
3. Degene die de verkoopmelding doet, die niet voldoet aan de artikelen van dit hoofdstuk, wordt in de gelegenheid gesteld binnen vijf werkdagen de melding aan te vullen. Indien de melding binnen deze termijn niet wordt aangevuld, wordt de melding geacht niet te zijn gedaan.
-
4. In aanvulling op de melding van artikel 2 bevat de verkoopmelding;.
- a.
De hoeveelheid en het type vuurwerk wat wordt vervoerd, verkocht of opgeslagen;
- b.
een plattegrond waarop de voorraadruimte bij de verkoopruimte en verkoopruimte voor vuurwerk zijn aangegeven;
- c.
Een beschrijving van de wijze waarop het transport van vuurwerk naar het vuurwerkverkooppunt plaatsvindt.
- a.
Artikel 11.3 Vuurwerkverkooppunt
-
1. Het is niet toegestaan om vanuit andere locaties dan een vuurwerkverkooppunt te verkopen.
-
2. Het is niet toegestaan een vuurwerkverkooppunt te hebben in een straal van 100 meter rondom een zorginstelling, een gebedsruimte, een school, of een benzinestation.
-
3. De afstand tussen een voorraadruimte en een woning of winkel van derden bedraagt minimaal 30 meter.
-
4. Een vuurwerverkooppunt is op de begane grondvloer gelegen.
-
5. Binnen 5 meter van de verkoopruimte en de voorraadruimte zijn geen licht-ontvlambare of licht brandbare stoffen aanwezig.
-
6. Een vuurwerkverkooppunt mag niet eerder in gebruik worden genomen, dan nadat deze door toezichthouders van de Unit Toezicht en Handhaving en medewerkers van Brandweerkorps Caribisch Nederland zijn gecontroleerd en schriftelijk is geadviseerd aan de gezaghebber dat deze geschikt is voor gebruik.
-
7. In een straal van 30 meter van het verkooppunt wordt de omgeving schoongehouden van vuurwerk.
Artikel 11.4 Ingebruikname vuurwerkverkooppunt
-
1. Een vuurwerkverkooppunt mag niet eerder in gebruik worden genomen, dan nadat deze door toezichthouders van de Unit Toezicht en Handhaving en medewerkers van Brandweerkorps Caribisch Nederland zijn gecontroleerd en schriftelijk is geadviseerd aan de gezaghebber dat deze geschikt is voor gebruik.
Artikel 11.5 Verkoopruimte
-
1. In de verkoopruimte is maximaal 100 kilogram brutogewicht aan consumentenvuurwerk aanwezig.
-
2. Van elk soort consumentenvuurwerk wordt slechts één exemplaar ter bezichtiging door kopers in de verkoopruimte uitgestald. Dummy's van consumentenvuurwerk mogen onbeperkt aanwezig zijn.
-
3. Op de toegang van een verkoopruimte is een veiligheidssymbool aangebracht van ontploffingsgevaar. Roken of open vuur zijn in het gehele verkooppunt ten strengste verboden.
-
4. De aanduiding van het rookverbod is overal in de verkoopruimte voor een ieder zichtbaar en is tevens voorzien van het opschrift “ROKEN EN VUUR VERBODEN”, en “SMOKING AND FIRE PROHIBITED”.
-
5. In de verkoopruimte is een brandblusser aanwezig met een capaciteit van tenminste zes kilogram poeder en een tuinslang die is gekoppeld aan het waterleidingnet.
Artikel 11.6 Voorraadruimte
-
1. In een voorraadruimte mag niet meer dan 300 kilogram brutogewicht aan consumentenvuurwerk aanwezig zijn.
-
2. Het ompakken van vuurwerk en het klaarmaken van vuurwerkpakketten ten behoeve van de verkoop vindt alleen plaats in de voorraadruimte.
-
3. De gezaghebber kan op aanvraag besluiten dat in voorraadruimte maximaal 1000 kilogram brutogewicht aan consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn. De gezaghebber kan in dat geval aan zijn besluit op advies van de brandweer aan vullende maatregelen voorschrijven.
-
4. In de voorraadruimte en verkoopruimte moet zich een door een erkende inspectie instelling goedgekeurd blus apparaat van minimaal vijf kilogram type bevinden.
-
5. In zowel de verkoopruimte als de voorraadruimte moet een tuinslang aanwezig zijn die is gekoppeld aan het waterleidingnet, alsmede een poederblusser van ten minste 20 kilo.
-
6. Een voorraadruimte waarin 1000 kilogram brutogewicht vuurwerk aanwezig mag zijn, moet voorzien zijn van een automatische rookmelder en zelfsluitende toegangsdeuren.
-
7. Op de toegangsdeuren naar de verkoopruimte en de voorraadruimte moet een veiligheidssymbool zijn aangebracht waarmee ontploffingsgevaar wordt aangeduid.
-
8. Het is verboden in de voorraad- en verkoopruimte voor vuurwerk te roken.
-
9. De aanduiding in het Nederlands en Engels van het rookverbod moet in zowel de voorraadruimte als de verkoopruimte voor eenieder zichtbaar zijn.
-
10. Het is toegestaan een container te gebruiken als voorraadruimte van vuurwerk nabij een verkoopruimte. Deze container moet voorzien zijn van een sprinklerinstallatie. De sprinklerinstallatie moet zijn aangesloten op het waterleidingnet. De werking van de sprinklerinstallatie moet zijn goedgekeurd door de Brandweer. De opslag van het vuurwerk mag de werking van de sprinklerinstallatie niet hinderen. Het is in ieder geval niet toegestaan om dozen met vuurwerk tegen de wanden van de container te plaatsen.
-
11. De voorraadruimte mag niet toegankelijk zijn voor publiek.
Artikel 11.7 Niet verkocht vuurwerk.
-
1. Aan de gezaghebber wordt binnen een door de gezaghebber vast te stellen periode een overzicht verstrekt van niet verkocht vuurwerk.
-
2. Na afloop van de verkoopperiode van vuurwerk dient niet verkocht vuurwerk binnen vijf werkdagen te worden teruggebracht naar de door de gezaghebber aangewezen opslagruimte.
-
3. Vuurwerk dat na de in het voorgaande lid vastgestelde periode wordt aangetroffen op een andere locatie dan de door de gezaghebber aangewezen opslagruimte, wordt in beslag genomen en vernietigd.
Afleveren van vloeibare brandstoffen
Artikel 12.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten rond het afleveren van vloeibare brandstoffen aan voertuigen.
Artikel 12.2 Bodembescherming
-
1. Ten behoeve van het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt de aflevering van vloeibare brandstof plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening die zich vanaf de afleverzuil naar alle richtingen uitstrekt over een afstand die gelijk is aan de lengte van de afleverslang plus één meter.
-
2. Bij het afleveren van vloeibare brandstof worden gebruikte of verzadigde absorptiemiddelen opgeslagen in een vloeistofdichte en afsluitbare houder.
-
3. De afleverzuil is voorzien van een automatisch afslaand vulpistool om overvulling te voorkomen waarbij het vulpistool zodanig is weggehangen dat er na gebruik geen brandstof uit het vulpistool lekt.
-
4. De afleverslang moet voorzien zijn van een breekvoorziening.
Artikel 12.3 Aanrijdbeveiliging
Ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid zijn op plaatsen waar gevaar van aanrijding bestaat, de pompinstallatie, de vulpunten en de beluchtings-en ontluchtingsleidingen in de aanrijdingsrichting op een doelmatige wijze beschermd.
Artikel 12.4 Brandblusmiddelen bij een afleverzuil vloeibare brandstoffen
Ten behoeve van het waarborgen van de brandveiligheid, is bij een afleverzuil en bij de plaats waar vloeibare brandstoffen worden gelost is een brandblustoestel aanwezig met een capaciteit van tenminste zes kilogram poeder, geschikt voor zowel het blussen van een brand met vaste stoffen als een vloeistofbrand.
Artikel 12.5 Opschriften op een afleverinstallatie voor brandstoffen
Ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid is een duidelijk leesbaar bedieningsvoorschrift in het Nederlands en het Engels op de installatie of het station aangebracht en is tevens voorzien van het opschrift “MOTOR AFZETTEN, ROKEN EN VUUR VERBODEN – TURN OFF ENGINE, SMOKING AND FIRE PROHIBITED”;
Artikel 12.6 Noodstop
Ten behoeve van het waarborgen van de veiligheid is een installatie of station voorzien van een zichtbare en toegankelijke noodstopvoorziening, welke tevens mag dienen als werkschakelaar, waarmee de elektriciteitstoevoer naar de afleverinstallatie kan worden uitgeschakeld en waarop de schakelstanden duidelijk zijn aangegeven.
Onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen
Artikel 13.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die worden verricht in inrichtingen voor het, onderhouden, repareren.
Artikel 13.2 Brandveiligheid
-
2. Ten behoeve van de veiligheid is het verboden in de inrichting:
- a.
werkzaamheden te verrichten, waarbij vuur wordt gebruikt aan of in de onmiddellijke nabijheid van een brandstoftank en andere delen van een motorvoertuig of werktuig, die brandstof bevatten of kunnen bevatten;
- b.
motorvoertuigen, werktuigen of onderdelen schoon te branden;
- c.
motorvoertuigen of werktuigen te pletten of te stapelen.
[Artikel 13.2 lid 2 bevat een kennelijke verschrijving, waar lid 2 is opgenomen, wordt lid 1 bedoeld.]
- a.
Artikel 13.3 Overige voorschriften
-
1. Schoonmaken van onderdelen of spuitapparatuur met behulp van organische oplosmiddelen vindt plaats in een afsluitbare bak of afsluitbaar vat, of in een speciaal reinigingssysteem, waarbij de vloeistof wordt gerecirculeerd en in een gesloten vat wordt bewaard. Het deksel mag alleen geopend worden voor het in- en uithalen van materialen.
-
2. Tijdens het schoonmaken of vervangen van remvoeringen worden maatregelen getroffen om verspreiding van stof en eventuele asbestvezels buiten de inrichting te voorkomen.
Artikel 13.4 Airconditioninginstallaties motorvoertuigen
-
1. Vullen en legen van airconditioninginstallaties van motorvoertuigen wordt altijd gedaan met een speciaal hiervoor bestemd al dan niet mobiel airconditioningserviceapparaat.
-
2. Vullen van airconditioninginstallaties van motorvoertuigen direct vanuit een gashouder met koelmiddel of koelmiddel laten ontsnappen vanuit de airconditioninginstallaties naar de (buiten)lucht is niet toegestaan.
-
3. Afgetapt koelmiddel wordt opgevangen en zoveel mogelijk hergebruikt.
-
4. Bij reparaties wordt indien nodig een airconditioninginstallatie hiervoor eerst geleegd en vervolgens opnieuw gevuld.
Artikel 13.5 Verf- en tectyleer- spuitwerkzaamheden
-
1. In de buitenlucht zijn spuitwerkzaamheden verboden.
-
2. Ten behoeve van de veiligheid vinden oppervlaktebehandelingen met een nevelspuit plaats in een geheel gesloten spuitruimte.
-
3. Een spuitpistool is geaard.
-
4. De tijdens het spuiten met verf vrijkomende overtollige spuitnevel wordt afgezogen, waarbij de afgezogen lucht via een doelmatig (matten)filter door een uitsluitend voor dit doel bestemde leiding wordt afgevoerd.
-
5. De werking van de filterinstallatie wordt afgelezen met een drukverschilmeter die het drukverschil over de filters meet.
-
6. Door middel van een effectieve ventilatie is gewaarborgd dat in de spuitruimte en in het ventilatiesysteem zelf de concentratie aan (licht)ontvlambare stoffen beneden de 10% van de onderste explosiegrens blijft.
-
7. In de spuitruimte is roken en open vuur verboden en is de elektrische installatie zodanig afgeschermd dat deze geen ontstekingsbron kan vormen (conform NEN 1010).
-
8. De uitmonding van de afvoerleiding van spuitdampen van verf bevindt zich op minimaal twee meter boven dakhoogte, zijnde het hoogste dak binnen een straal van 25 meter.
-
9. Verbinding- en afvoerleidingen van een afzuiginstallatie zijn van binnen glad uitgevoerd, zijn van onbrandbaar materiaal vervaardigd en monden rechtstreeks uit in de buitenlucht, waarbij de verbindingsleiding naar een afvoerleiding zo kort mogelijk is gehouden, zo weinig mogelijk bochten bevat en van binnen glad is uitgevoerd.
-
10. Een filter van de spuitinstallatie dat lek of dichtgeslibd is, wordt onmiddellijk vervangen.
-
11. Indien in de werkplaats werkzaamheden worden verricht met verven en oplos- of verdunningsmiddelen worden tegelijkertijd geen las, slijp- en schuurwerkzaamheden en dergelijke verricht. Het verbod hiertoe is met tekstborden in Nederlands en Engels duidelijk in de werkplaats aangegeven.
-
12. Voor het verspuiten van verven of lakken worden geen brandbare gassen of zuurstof als verstuivingmiddel gebruikt.
-
13. Alle met verf en oplos- of verdunningsmiddelen vervuilde afvalstoffen, zoals lappen, poetsdoeken, afplakpapier, alsmede verfresten, waaronder begrepen die, afkomstig uit de filters, zijn opgeslagen in gesloten metalen afvalbakken of vaten en worden behandeld als gevaarlijke afvalstoffen.
-
14. Het machinaal schuren bij het onderhouden of repareren geschiedt met mechanische stofafzuiging waarbij het vrijkomende schuurstof in een stofzak wordt opgevangen.
Schoonmaken van motorvoertuigen, werktuigen en schoonmaken, onderhoud, repareren en spuiten van vaartuigen
Artikel 14.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op het schoonmaken van motorvoertuigen of werktuigen en op het schoonmaken, onderhouden, repareren en spuiten van vaartuigen.
Artikel 14.2 Bodembescherming
Ten behoeve van het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het uitwendig wassen van motorvoertuigen, werktuigen en vaartuigen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Artikel 14.3 Onderhouden, repareren of afspuiten
Ter bescherming van de ecologische kwaliteit van het watersysteem wordt op het onderwaterschip van een vaartuig geen aangroeiwerende verfsystemen aangebracht die organische tinverbindingen bevatten.
Beheer van zwembaden
Artikel 15.1 Toepassingsbereik
Dit Hoofdstuk is van toepassing op het exploiteren van een badinrichting voor zwemmen en baden.
Artikel 15.2 De kwaliteit van het bad- en zwemwater
-
1. Het bad- en zwemwater wordt aangevuld met:
- a.
water dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor drinkwater, bedoeld in bijlage A bij het Besluit kwaliteit drinkwater BES; of
- b.
water dat voldoet aan de kwaliteitseisen opgenomen in het tweede tot en met het achtste lid van dit artikel.
- a.
-
2. De kwaliteit van het bad- en zwemwater wordt onderzocht en getoetst op zuurgraad, vrij chloor, gebonden chloor, Redox en troebelheid.
-
3. Het onderzoek bedoeld in het vorige lid wordt uitgevoerd binnen een half uur voor openstelling van een badinrichting en ten minste een keer tijdens de tweede helft van de openstelling van een badinrichting.
-
4. Het gebruik van cyaanuurzuur wordt zoveel mogelijk vermeden.
-
5. Ozon wordt uitsluitend toegepast als deze stof na gebruik vernietigd wordt om te voorkomen dat de ozon in het zwembassin terechtkomt.
-
6. Het zwembadwater moet doelmatig worden gecirculeerd en gefiltreerd.
-
7. Het zwem- en badwater voldoet aan de kwaliteitseisen genoemd in tabel 5.
Tabel 5 kwaliteitseisen zwem- en badwater
Parameter of parameter groep
Kwaliteitseis
Vrij chloor berekend als elementair chloor: bovengrens
≤ 5 mg/l
Vrij chloor berekend als elementair chloor: ondergrens
≥ 0,5 mg/l
Gebonden chloor, berekend als elementair chloor: bovengrens
≤ 0,6 mg/l
Zuurgraad
6,8 ≤ pH ≤ 7,8
Redox (ORP), (bij pH bij pH ≤ 7,3)
≥750 mV
Redox (ORP) , (bij pH > 7,3)
770 mV
Cyanuurzuur (indien dit in enigerlei vorm wordt gebruikt)
≤ 50 mg/l
Ureum
≤ 2,0 mg/l
Troebelheid
<1.0 FTE
Legionella
≤ 100 kolonievormende eenheden/l
Pseudomonas aeruginosa
≤ 1 kolonievormende eenheid/100 ml
-
8. In afwijking van het zevende lid is de kwaliteitseis voor ureum in een badwaterbassin met een zoutgehalte van meer dan 14 g/l een toename van ten hoogste 2,0 mg/l ten opzichte van de concentratie die is gemeten direct na het vullen van het badwaterbassin.
Artikel 15.3 Overschrijding kwaliteitseis legionellabacteriën
Degene die de inrichting drijft stelt het bevoegd gezag onmiddellijk in kennis bij vaststelling van een concentratie van legionellabacteriën van 100 of meer kolonievormende eenheden per liter.
Artikel 15.4 De veiligheid van de badinrichting
-
1. Voor het waarborgen van de veiligheid zijn openingen beneden de waterspiegel zodanig uitgevoerd dat zwemmers en baders niet kunnen worden vastgezogen of bekneld kunnen raken.
-
2. De diepte van het zwem- en badwater is voor de zwemmers en baders duidelijk zichtbaar aangegeven op alle punten waar dit met het oog op hun veiligheid van belang is.
Artikel 15.5 Meting
-
1. Ter bescherming van de gezondheid van de bezoekers laat de drijver van een zwem- en badinrichting het zwembadwater maandelijks door een laboratorium onderzoeken op vrij chloor, gebonden chloor, zuurgraad, troebelheid, chloride, pseudomonas aeruginosa en ureum.
-
2. Het laboratorium genoemd in het eerste lid hanteert een kwaliteitsborgingssysteem dat gebaseerd is op ISO 17025.
Artikel 15.6 Lozen van zwem- en badwater
Afvalwater afkomstig uit een zwembad waaraan desinfectiemiddelen of andere chemicaliën zijn toegevoegd wordt in een openbaar afvalwaterstelsel of op een zuiveringsvoorziening geloosd.
Bereiden van etenswaren
Artikel 16.1 Toepassingsbereik
-
1. Dit hoofdstuk is van toepassing op het bereiden van etenswaren met
- a.
keukenapparatuur;
- b.
één of meer bakkerijovens die chargegewijs beladen worden; of
- c.
één of meer bakkerijovens die continu beladen worden met een nominaal vermogen van ten hoogste 400 kilowatt.
- a.
Artikel 16.2 Voorkomen geurhinder bij bereiden etenswaren.
-
1. Ten behoeve van het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van geurhinder wordt de lucht die vrijkomt bij het bereiden van etenswaren afgezogen en twee meter bovendaks afgevoerd of wordt door een doelmatige ontgeuringsinstallatie gevoerd.
-
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor inrichtingen die zijn gelegen in een industriegebied.
Artikel 16.3 Brandveiligheid
-
1. In de keuken is een brandblusser aanwezig met een minimale inhoud van vier kilogram die duidelijk zichtbaar is opgehangen en wordt aangeduid met een toepasselijk pictogram.
-
2. In de keuken is een blusdeken aanwezig.
-
3. De gasleidingen zijn uitgevoerd in koper of flexibele buis.
-
4. Aan de binnenzijde van het bouwwerk is een gasafsluiter aanwezig op een makkelijk te bereiken plaats.
Artikel 16.4 Opslag en gebruik gasflessen voor bereiden van voedingsmiddelen.
-
1. Gasflessen die gebruikt worden voor bereiding van voedingsmiddelen worden in afwijking van artikel 2.9.6 van de Regeling tot 250 liter buiten opgesteld in een gasflessenhok.
-
2. Het gasflessenhok bestaat aan drie zijden uit muren en een dak tegen directe zoninstraling. De vierde zijde is voorzien van een deur/hek met openingen die een luchtdoorlatend oppervlak hebben van minimaal 1/200 van het vloeroppervlak.
-
3. De vloer van omliggende ruimtes en/of het omringende maaiveld is niet hoger dan de vloer van de opslag.
-
4. Het gasflessenhok staat niet in verbinding of kan niet in verbinding worden gebracht met kelders.
-
5. Het gasflessenhok is niet vrij toegankelijk voor onbevoegden.
-
6. Nabij het gasflessenhok is een poederblusser aanwezig met een blusequivalent van tenminste zes kilogram ABC poeder.
-
7. In een straal van twee meter rond het gasflessenhok is roken en open vuur verboden, hetgeen is aangegeven met een toepasselijk pictogram.
-
8. Aan de buitenzijde van de opslag is een bord geplaatst in Nederlands en Engels met “openen van afsluiters verboden” en “opening stop valve is prohibited”.
Mechanisch bewerken van steen en puin
Artikel 17.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op het bewerken van steen en puin met mechanische installaties.
Artikel 17.2 Beperking stof bij opslag en transport van steenen puin
Ten behoeve van het beperken van diffuse emissies naar de lucht worden de transportvoertuigen zodanig geladen en afgedekt dat tijdens het transport op en van de locatie geen lading kan worden verloren dan wel op andere wijze verspreiding kan optreden afkomstig van het transportvoertuig.
Artikel 17.3 Beperking stof bij bewerken van steen en gips
-
1. Ten behoeve van het voorkomen of beperken van diffuse emissies naar de lucht bij het mechanisch bewerken van materialen:
- a.
vindt het trommelen van steen en puin plaats in een gesloten installatie;
- b.
wordt bij het mechanisch bewerken van puin, steen en gips natte werkmethoden gebruikt.
- a.
-
2. Natte werkmethoden als bedoeld in lid 1 ter beperking van diffuse emissies naar de lucht worden verstaan:
- a.
de mechanische bewerking van steen met waterkoeling waarbij de waterstraal of het watergordijn zodanig is gedimensioneerd dat geen zichtbare stofvorming optreedt;
- b.
een mechanische afzuiging waarbij een geschikte waterwand wordt gebruikt;
- c.
een doelmatige sproei-installatie.
- a.
Lassen van metalen
Artikel 18.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op het lassen van metalen.
Artikel 18.2 Gesloten ruimte
-
1. Ten behoeve van het voorkomen en beperken van emissies in de lucht en het voorkomen of beperken van geluidhinder worden metalen in een gesloten ruimte gelast.
-
2. De lucht wordt van de werkplek afgezogen en bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.
Artikel 18.3 Emissies
-
1. Voor de emissie in de lucht zijn de emissiegrenswaarden, de waarden, bedoeld in tabel 6, gemeten in een eenmalige meting.
-
2. De emissiegrenswaarden in tabel 6 gelden niet als de emissie de ondergrens niet overschrijdt.
Tabel 6 emissiegrenswaarden lucht
Stof of stofklasse
Emissiegrenswaarde in mg/Nm3
Ondergrens in kg/jaar
Totaal stof
5
100
Chroom VI-verbindingen, berekend als chroom
0,1
0,075
Beryllium en berylliumverbindingen, berekend als beryllium
0,05
0,075
Lood en loodverbindingen, berekend als lood
0,5
1,25
Solderen van metalen
Artikel 19.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op het solderen van metalen.
Artikel 19.2 Gesloten ruimte
-
1. Ten behoeve van het beperken van emissies in de lucht worden metalen in een gesloten ruimte gesoldeerd.
-
2. De lucht wordt van de werkplek afgezogen en bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.
Bewerken of het mechanisch afwerken van metalen
Artikel 20.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op het spaanloos bewerken, verspanend bewerken, thermisch bewerken en mechanisch afwerken van metalen.
Artikel 20.2 Bodembescherming
-
1. Ten behoeve van het voorkomen van verontreiniging van de bodem met olie, smeermiddel en koelvloeistof wordt metaal spaanloos of verspanend bewerkt, thermisch bewerkt, of afgewerkt boven een aaneengesloten bodemvoorziening, als daarbij olie, smeermiddel of koelvloeistof wordt gebruikt.
Artikel 20.3. Droog reinigen en opnieuw gebruiken
-
1. Ten behoeve van het beperken van de hoeveelheid afvalwater wordt bij het mechanisch bewerken van metalen wordt:
- a.
droog gereinigd, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is; en
- b.
water dat als koelmiddel, spoelmiddel of smeermiddel wordt toegepast zo veel mogelijk opnieuw gebruikt.
- a.
Artikel 20.4 Diffuse emissies
Ten behoeve van het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen en in de lucht bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.
Artikel 20.5 Scheiden afvalstoffen
Afvalstoffen van verspanende metaalbewerking waarbij olie, smeermiddel of koelvloeistof is gebruikt worden gescheiden in een metaalfractie en een vloeistoffractie door ze te centrifugeren of gedurende 48 uur te laten uitlekken.
Laboratorium
Artikel 21.1 Toepassingsbereik
Dit hoofdstuk is van toepassing op het inwerking hebben van een laboratorium met uitzondering van praktijkruimten voor het middelbaar onderwijs en laboratoria ten behoeve van artsen, dierenartsen, apothekers, tandartsen of tandtechnici.
Artikel 21.2 Werkinstructie omgaan met afvalwater
-
1. Voor het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het doelmatig beheer van afvalwater:
- a.
is een werkinstructie opgesteld over het voorkomen van verontreiniging van afvalwater; en
- b.
zijn voorzieningen aanwezig die zijn afgestemd op de werkzaamheden die worden verricht.
- a.
-
2. In de werkinstructie is in ieder geval beschreven:
- a.
welke afvalwaterstromen aanwezig zijn en of deze al dan niet geloosd kunnen worden; en
- b.
welke werkwijze wordt gevolgd en welke maatregelen worden getroffen om het lozen van stoffen te voorkomen of beperken.
- a.
Artikel 21.3 Diffuse emissies
-
1. Ten behoeve van het voorkomen of beperken van diffuse emissies in de lucht wordt de lucht afgezogen.
-
2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies:
- a.
neemt degene die de inrichting drijft maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering ter voorkoming van onnodige emissie van stoffen naar de lucht;
- b.
worden stof, rook en dampen die vrijkomen bij activiteiten in een laboratorium of praktijkruimte, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.
- a.
-
3. De afgezogen lucht wordt bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.
Artikel 21.4 Voorkomen verspreiden ziektekiemen
-
1. Met het oog op het voorkomen van het verspreiden van ziektekiemen worden bij het gericht werken met biologische agentia:
- a.
voorzieningen getroffen die zijn gericht op het voorkomen van het vrijkomen van het biologisch agens; en
- b.
gedragsvoorschriften opgesteld en nageleefd.
- a.
Slotbepalingen
Artikel 22.1
Deze eilandsverordening treedt in werk op 2 april 2026.
Artikel 22.2
Deze eilandsverordening wordt aangehaald als Eilandsverordening milieu activiteiten inrichtingen 2026.
Ondertekening
Aldus besloten in de openbare vergadering van de eilandsraad te Oranjestad Sint Eustatius op 02 april 2026
De gezaghebber,
mevrouw M.A.U. Francis,
De eilandgriffier,
mevrouw Melissa Robins-Spanner
Toelichting
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1
Dit artikel bevat de begrippen die in deze eilandsverordening worden gebruikt in aanvulling van de begrippen uit de Wet Vrom BES, het IAB BES en de RIA BES.
Artikel 1.2
In dit artikel wordt beschreven voor wie de verordening geldt. De inrichtingen die aangewezen zijn als type I en II in bijlage 1 bij het IAB.
HOOFDSTUK 2: Beheer van grondstoffen
Artikel 2.1
Grondstoffen als zoetwater, zand en hout zijn schaars op de eilanden. Door grondstoffen efficiënter te gebruiken, ontstaan er minder druk op het ecosysteem en op landgebruik. Gedacht kan worden aan het stimuleren van het hergebruik van bouw- en sloopafval en de opvang en retentie van regenwater. In dit artikel staan basiseisen voor grondstoffen beheer.
Hoofdstuk 3 Beheer van afval
Artikel 3.1
Dit artikel bevat een aanwijzing om schoon te werken, verwijderen van afvalstoffen die vrijkomen in het bedrijf en ervoor zorgen dat ze niet buiten de inrichting komen. Dit geldt ook voor afvalstoffen afkomstig van verkochte producten. Dit artikel is erop gericht dat horeca en detailhandel ook letten op het afval van klanten die verpakkingen weggooien van producten die direct worden gegeten. De verplichting geldt tot 25 meter van de inrichting. Er mag door ondernemer zelf bedacht worden om uitvoering te geven aan het voorschrift, bv door plaatsen afvalbakken, opvegen van afvalstoffen. Er is een verplichting om de inrichting maar ook het terrein om de inrichting schoon te houden van afvalstoffen afkomstig van het bedrijf.
Artikel 3.2.
Bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten moeten ook alle afvalstoffen worden verwijderd.
Hoofdstuk 4 Beheer van afvalwater
Artikel 4.1 tot en met artikel 4.4
Deze artikelen bevatten regels voor huishoudelijk afvalwater dat moet worden gezuiverd voordat dit op de bodem wordt geloosd. Ook zijn grenswaarden opgenomen als het gezuiverde afvalwater wordt ingezet als irrigatiewater.
Voor kleine hoeveelheden afvalwater is er een voorkeur voor zuivering van dit water via een septic tank. De uitvoering van de septic tank wordt beschreven en is voorzien van maatvoering voor Sint Eustatius. In plaats van de beschreven septic tank mag er een gebruikt worden volgens de NEN-EN-12566-1. Voor grotere hoeveelheden afvalwater, meer dan 6 i.e., zijn doelen opgesteld waaraan gezuiverd afvalwater aan moet voldoen. Er kan in dat geval zelf bepaald worden met welke zuiveringsmethode deze doelen gehaald kunnen worden.
Voor een goede werking moeten septic tanks worden onderhouden en moeten de juiste schoonmaakmiddelen worden gebruikt.
Artikel 4.5
In dit artikel worden standaarden voor monstername en analyse voorgeschreven.
Artikel 4.6
Bij sommige activiteiten is voor bescherming van de bodem een beschermende voorziening geëist. Afvalwater van zo’n voorziening kan organische verontreinig bevatten mag niet zomaar op de bodem en kan ook niet zomaar in een zuiveringsvoorziening worden geloosd. Daarom wordt hier een olieafscheider voorgeschreven.
Artikel 4.7
In dit artikel staan regels voor onderhoud van de olieafscheider. In een olieafscheider vormt zich na verlopen tijd een olielaag en een sliblaag. Bij onderhoud aan de afscheider komt dit vrij. Deze inhoud kan niet zomaar worden geloosd maar moet aan een erkende inzamelaar van afvalstoffen worden meegegeven. Deze inzamelaar kan dan zorgen voor een goede verwerking.
Artikel 4.8
In dit artikel worden regels gesteld om waterverontreiniging te voorkomen door afvalwater bij tandartsen. In het verleden werd in de tandheelkunde veel amalgaam toegepast. Amalgaam bevat ook kwik en dat moet worden afgevangen. Afvalwater van tandheelkundige behandelingen moeten door een amalgaam afscheider worden geloosd en de afscheider moet worden onderhouden.
Hoofdstuk 5 Beheer bodembeschermende voorzieningen
Artikel 5.1.
De bodem wordt het beste beschermd door schoon te werken. Dat is het basisbeginsel, en daarnaast zijn er soms extra voorzieningen nodig. Bij diverse activiteiten zijn bodembeschermende voorzieningen voorgeschreven. Om te zorgen dat de bodembeschermende voorzieningen goed blijven werken is onderhoud nodig. Daarnaast kunnen soms vloeistoffen worden gemorst. Voor het onderhoud en het opruimen van morsingen moet een plan zijn. De mensen die in het bedrijf werken moeten op de hoogte zijn van het plan en het kunnen uitvoeren. Verder moeten eventuele materialen aanwezig zijn om morsingen op te ruimen.
Hoofdstuk 6 Licht
Artikel 6.1
Voor het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten is een goede verlichting belangrijk. Voor het zoveel mogelijk beperken van lichthinder ten behoeve van het beschermen van de duisternis en donkere landschappen en het besparen van energie is voorgeschreven om verlichting uit te doen waar het niet nodig is. Er is voorgeschreven dat armaturen van verlichting ervoor zorgen dat licht naar beneden schijnt op het terrein van de inrichting en niet de omgeving verlicht. Voor verlichting van sportterreinen zijn vaak grote lichtmasten geplaatst, deze moeten gedoofd zijn na 2:00 ’s nachts.
Dit hoofdstuk bevat de kwaliteitscriteria ter voorkoming of beperking van de lichthinder met het oog op het behoud en de bescherming van het fysieke milieu en in het bijzonder de bescherming van de duisternis en het donkere landschap.
Voor de vaststelling of er sprake is van lichthinder is geen universele definitie van het begrip lichthinder. Wel kan het bevoegd gezag gebruik maken van de Richtlijn lichthinder van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV). Omwonenden kunnen last hebben van lichthinder, maar ook flora en fauna. Zo is lichthinder van invloed op jonge schildpadden. Zij raken gedesoriënteerd door stadsverlichting (bron: Staat van de natuur van Caribisch Nederland 2017).
Hoofstuk 7 Geluid
Artikel 7.1
Voor de beoordeling van geluid vanuit inrichtingen, zoals de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van, en in onmiddellijke nabijheid van, de inrichtingen, zijn grenswaarden op geluidsgevoelige bestemmingen opgenomen. Bij het beoordelen van geluid van inrichtingen zijn deze grenswaarden gesteld voor de dag-, avond- en nachtperiode. De grenswaarden zijn gebaseerd op de normen zoals opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening (APV) Sint Eustatius 2018. In het derde lid is opgenomen dat de waarden voor de maximale geluidsniveaus in de dagperiode niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten. In de praktijk blijken overschrijdingen van de maximale geluidsniveaus door laad- en losactiviteiten gedurende de dagperiode in het algemeen niet tot hinder te leiden. Onder de laad- en losactiviteiten worden tevens aanverwante activiteiten verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden, manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen.
In dit artikel is vastgelegd dat het Handleiding rekenen meten industrielawaai 1999 de basis is voor de manier van het geluidmeten en berekenen. De Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (Handleiding) geeft richtlijnen en aanwijzingen voor het meten en berekenen van het geluid afkomstig van inrichtingen. Dit biedt een eenduidige beoordeling van geluidoverlast.
Hoofdstuk 8 Opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking
Artikel 8.1
Dit artikel geeft het toepassingsbereik weer. In dit artikel is aangegeven voor welke gevaarlijke stoffen speciale opslagregels gelden.
Artikel 8.2
Dit artikel is een aanvulling op de Regeling. In de begrippenlijst is bij de definitie van een opslagvoorziening al opgenomen welke bouwkundige eisen gesteld worden. Aanvullend daarop staan in dit artikel eisen opgenomen dat doorvoeren etc geen afbreuk mag doen. Verder wordt minimaal een 6 kilogram brandblusser verplicht gesteld en moet vermeld worden wat voor gevaarlijke stoffen worden opgeslagen.
Voor gevaarlijke stoffen die nodig zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden worden werkvoorraad genoemd. De werkvoorraad hoeft tijdens werkuren niet in speciale opslagplaats te zijn. De werkvoorraad is gedefinieerd in de begrippenlijst.
Artikel 8.3
In de Regeling staan eisen omtrent het brandvrij houden van de ruimte om een opslagvoorziening, in deze eilandsverordening staan eisen om de veiligheid van de omgeving te waarborgen. De afstand van een externe voorraadruimte en de erfgrens moet minimaal 5 meter zijn.
Artikel 8.4
Gasflessen zijn ook verpakte gevaarlijke stoffen hiervoor gelden aanvullende eisen. Voor gasflessen die bij het bereiden van voedsel worden gebruikt gelden ander opslageisen die te vinden zijn in hoofdstuk 16.
Gasflessen moeten opgeslagen worden in een speciale opslagvoorziening. In tegenstelling tot opslag van gevaarlijke stoffen mogen gasflessen wel op leidingen zijn aangesloten. De kleppen mogen in de opslagvoorziening worden geopend in dit geval. Er moet wel duidelijk zijn of kleppen open of dicht staan. Gasflessenbatterijen moeten ook in de opslagvoorziening. Buiten de opslagvoorziening mag een werkvoorraad zijn.
Artikel 8.5
Ter bescherming van de omgeving gelden brandwerendheidseisen voor de opslagvoorziening en is er een brandblusser voorgeschreven.
Artikel 8.6
In verkoopruimten van bijvoorbeeld detailhandel of bouwmarkten mogen gevaarlijke stoffen aanwezig zijn voor de verkoop. Die kunnen niet allemaal in opslagvoorzieningen worden weggestopt. Er zijn regels aan hoeveelheden en manier van opslaan in een verkoopruimte. Er is in een tabel waarin de maximale hoeveelheden gevaarlijke stoffen zijn afgezet tegen de locatie van de verkoopruimte.
Hoofdstuk 9 Opslaan van bodembedreigende vloeistoffen in een opslagtank of tankcontainer.
Artikel 9.1
Dit artikel geeft het toepassingsbereik van de voorschriften in dit hoofdstuk. In dit hoofdstuk zijn voorschriften opgenomen voor opslag van vloeistoffen in tank. Deze zijn opgenomen ter bescherming van de bodem en voor de omgeving.
Artikel 9.2
Installaties en apparaten moeten boven een bodembeschermende voorziening komen. Tankcontainer en opslagtanks worden tot de installatie gerekend. Er moet voorkomen worden dat er regenwater in de bak komt. Dit is om twee redenen. Regenwater in de bak verkleint de inhoud van lekbak. Regenwater kan verontreinigd worden met vloeistof uit de tank. Er is nog een derde reden die niet meteen een milieubelang dient: stilstaand regenwater is een broedplaats voor muggen.
Bovengrondse opslag van ontvlambare vloeistoffen is niet toegestaan ter bescherming van de omgeving. Een dergelijke tank moet ondergronds worden geplaatst. Ter bescherming van de bodem is hier opgenomen om een tank in een lekbak een kelder te plaatsen in plaats van aanbrengen van kathodische bescherming. Dergelijke opslag geeft mogelijkheid op inspectie van de tank zonder meting en opgraven. Kathodische bescherming brengt mee dat tank regelmatig moet worden doorgemeten en ook regelmatig moet worden vervangen.
Artikel 9.3
Dit artikel bevat de basiseisen voor een tankcontainer. Een tankcontainer wordt gebruikt voor het vervoer van vloeistoffen. Tankcontainers worden vaak ook gebruikt voor opslag binnen een inrichting, dan moet nog wel voldaan worden aan de ontwerpeisen zoals die gelden in vervoerswetgeving.
Artikel 9.4
Dit artikel regelt eigenlijk de basiseisen voor een tankinstallatie. Een tankinstallatie en leidingen moeten dicht zijn, moeten bestand zijn tegen de vloeistoffen die in de installatie worden opgeslagen, en een tankinstallatie moet goed beschermd zijn tegen de weerinvloeden. De zon en regen in de tropische omstandigheden zorgen voor veroudering van materialen.
Artikel 9.5
Bij vulpunten is er een groter risico op morsen en daarmee verontreiniging van de bodem, daarom worden daar ook lekbakken voorgeschreven.
Artikel 9.6
Bij de vulpunten moet aangegeven zijn voor welke vloeistof het vulpunt dient, dit ter voorkoming van verkeerde vulling. Bij verkeerde vulling van een tank kunnen chemische reacties optreden, een bekend voorbeeld is zoutzuur en natriumhypochloriet bij zwembaden.
Artikel 9.7
Bij bovengrondse opslag wordt vaak gebruik gemaakt van pompen. Ter bescherming van de bodem moet tegengegaan worden dat vloeistof door hevelwerking uit de tank kan stromen.
Artikel 9.8
Het verdient aanbeveling om leidingen bovengronds te plaatsen. Ondergrondse leidingen zijn soms nodig, ter bescherming van de bodem moeten ze beschermd zijn tegen roesten. Daarvoor kan kathodische bescherming een goed middel zijn. Installatie van ondergrondse leidingen moet gebeuren door een gecertificeerde aannemer. Ondergrondse leiding mogen geen vloeistoffen onder druk bevatten ter bescherming van de bodem.
Artikel 9.9
Bij opslagvoorzieningen voor gevaarlijke stoffen en opslagtanks voor vloeistoffen is ter bescherming van de omgeving geen vuur toestaan. Er moet aangegeven zijn welke stoffen zijn opgeslagen.
Artikel 9.10
Voor de opslag van afgewerkte olie in opslagtank gelden aanvullende eisen omdat afgewerkte olie water bevatten wat extra kans op lekkage van een tank geven.
Artikel 9.11
Een tankinstallatie moet bij het stoppen van opslag worden verwijderd zodat er geen mogelijkheid is dat resten van de vloeistoffen na verloop van tijd alsnog vrijkomen in het milieu.
Hoofdstuk 10 Opslaan van gassen in een opslagtank
Artikel 10.1
Dit artikel geeft het toepassingsbereik weer. Er zijn regels gesteld aan opslagtanks voor propaan en propeen.
Artikel 10.2
Een opslagtank moet op voldoende afstand staan van de erfgrens, zodat bij calamiteiten de opslag kan worden gekoeld en bereikbaar is. Afhankelijk van het opgeslagen gas gelden er andere afstandseisen.
Artikel 10.3
De vullingsgraad van een opslagtank is beperkt tot 90% met het oog voor veiligheid van de omgeving. De kans op overvullen en afblazen is verkleind.
Artikel 10.4
Het vullen en ontgassen van een tank moet gebeuren door een persoon die hiervoor opgeleid is. Bij het vullen en ontgassen zijn kansen op ontvlammen groter.
Artikel 10.5
Dit artikel bevat de basis ontwerpeisen voor een opslagtank. De regels stellen een maximumhoeveelheid aan een opslagtank.
Artikel 10.6
De omgeving van een tank moet vrijgehouden worden van makkelijk brandbare opslag. Daarmee wordt risico op brand verkleind. De afstand van de erfgrens, is er zodat bij calamiteiten de opslag kan worden gekoeld en bereikbaar is.
Hoofdstuk 11 Opslag en verkoop van consumentenvuurwerk
Artikel 11.1
Deze artikelen gaan alleen over handelingen en verkoop van consumenten vuurwerk. De eisen zijn overgenomen uit het Vuurwerkbesluit Sint Eustatius.
Artikel 11.2
Een inrichting hoeft zich in principe maar een keer te melden, een vuurwerkverkooppunt is in dit geval bijzonder omdat het veelal leeg staat of weg is en het volgende jaar weer op dezelfde plaats staat. Dan is er in principe geen oprichtingsmelding nodig. Wanneer een verkooppunt weer ingericht word om te verkopen moet men melding doen, deze wordt verkoopmelding genoemd, waarna er een controle kan plaatsvinden.
Artikel 11.3
In dit artikel zijn eisen aan een vuurwerkverkooppunt opgenomen. Ten eerste dat alleen vuurwerk vanuit een verkooppunt mag worden verkocht en niet op andere locaties. In het tweede lid zijn ruimtelijke eisen en afstanden opgenomen zoals deze stonden in lokale verordening ten behoeve openbare orde en veiligheid. In het derde lid is een afstandseis tot aan woning van derde of andere winkel opgenomen, een afstandseis gebaseerd op de hoeveelheid vuurwerk die zich op een verkooppunt kan bevinden. In het artikel is een interne afstand opgenomen dat er geen brandbare stoffen binnen 5 meter van het vuurwerk zich mogen bevinden. Verder bevat het artikel een verplichting om binnen 30 meter zwerfafval van welke aard dan ook dat afkomstig is vanuit het vuurwerkverkooppunt op te ruimen.
Artikel 11.4
Een vuurwerkverkooppunt wordt vaak weer voor de verkoopperiode opgebouwd. Daarom is er voordat vuurwerk wordt opgeslagen eerst toestemming toezichthouders van het openbaar lichaam en de brandweer nodig.
Artikel 11.5
In dit artikel zijn eisen aan de verkoopruimte van het vuurwerkverkooppunt gesteld. In de verkoopruimte mag 100 kilogram vuurwerk aanwezig zijn. Er mogen wel voorbeelden van vuurwerk zijn waarin geen kruit aanwezig is, zogenaamde dummy’s. Verder mag er niet gerookt worden en zijn er eisen aan bordjes en waarschuwingstekens gesteld. Verder wordt brandblusser aanwezig zijn voor het blussen van beginnende branden.
Artikel 11.6
In dit artikel zijn eisen gesteld aan de voorraadruimte bij het vuurwerkverkooppunt. Er mag in 1000 kilogram bruto aan vuurwerk in voorraad zijn. Brutogewicht is het gewicht aan vuurwerk zonder het gewicht van transportverpakking. De voorraadruimte moet voorzien zijn van een sprinklerinstallatie die goedgekeurd is door brandweer Caribisch Nederland. Hier is aangesloten bij lokale eisen, niet bij certificeringsregeling die in het Europese deel van Nederland is. Als er geen sprinklerinstallatie is dan mag er 300 kilogram bruto aan vuurwerk in voorraad zijn. Verder is een voorraadruimte voorzien van borden en een brandblusser. Verder kan de voorraadruimte eerder dan 26 december gevuld worden met vuurwerk als er toestemming is van de toezichthouders van het openbaar lichaam en de brandweer.
Artikel 11.7
Niet verkocht vuurwerk moet na de verkoopperiode worden teruggebracht naar de centrale opslag.
Hoofdstuk 12 Afleveren van vloeibare brandstoffen
Artikel 12.1
In dit hoofdstuk staan regels over het afleveren van vloeibare brandstoffen.
Artikel 12.2
In dit artikel zijn regels gesteld voor bescherming van de bodem. Het afleveren van brandstoffen moet plaatsvinden boven een vloeistofdichte vloer. Bij het afleveren is kans op morsingen aanwezig, daarom moeten er materialen aanwezig zijn om morsingen op te ruimen.
Artikel 12.3
Om de kans op bodemverontreiniging te voorkomen is een regel gesteld dat aflevertoestellen beschermd moeten zijn tegen omverrijden door verkeer.
Artikel 12.4
Om beginnende branden te kunnen blussen is een brandblusser voorgeschreven.
Artikel 12.5
Bij het afleveren van brandstoffen mag er niet gerookt worden en zijn er eisen aan bordjes en waarschuwingstekens gesteld.
Artikel 12.6
Het tankstation moet bij calamiteiten met een druk op de knop stroomloos gemaakt kunnen worden. Deze noodknoppen moeten duidelijk gemarkeerd zijn. Dit is om uitstromen van bandstoffen te voorkomen en om een eventuele ontsteking van brand door elektriciteit te voorkomen.
Hoofdstuk 13 Onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen of werktuigen
Artikel 13.1
Dit artikel geeft het toepassingsbereik van dit hoofdstuk weer.
In de Regeling worden al regels gesteld ter bescherming van de bodem voor werkzaamheden waarbij de bodem verontreinigd kan raken. Dit kan een elementenbodemvoorziening zijn, dit is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert. Aanvullend moeten er materialen zijn om morsen van vloeistoffen te voorkomen.
Artikel 13.2
Voor bescherming van de omgeving mogen er geen werkzaamheden plaatsvinden met open vuur, zoals lassen aan brandstoftanks gevuld met brandstof. Verder mogen er geen voertuigen worden geplet. In dit artikel zijn activiteiten opgenomen voor brandpreventie.
Artikel 13.3
In dit artikel zijn voorschriften opgenomen voer het vrijkomen van allerlei stoffen zoals oplosmiddelen. Verder moeten er maatregelen genomen worden tegen stofverspreiding of verspreiding van asbestvezels die mogelijk in voertuigen aanwezig kunnen zijn.
Artikel 13.4
In dit artikel worden ter bescherming van het milieu regels gesteld aan het werken aan een airco installatie van motorvoertuigen. De koelmiddelen mogen niet vrijkomen en moeten worden opgevangen.
Artikel 13.5
In dit artikel worden regels gesteld aan spuitwerkzaamheden ter voorkoming van verontreiniging van de omgeving. Spuitwerkzaamheden moeten niet buiten plaatsvinden zodat dampen zo kunnen ontsnappen, wat mogelijk brandgevaar en/of geuroverlast veroorzaakt.
Hoofdstuk 14 Schoonmaken van motorvoertuigen, werktuigen en schoonmaken, onderhoud, repareren en spuiten van vaartuigen
Artikel 14.1
Dit artikel beschrijft het toepassingsbereik van dit hoofdstuk.
Artikel 14.2
In dit artikel worden ter voorkoming van bodemverontreiniging regels gesteld. Wassen moet plaatsvinden boven een vloeistofdichte vloer. Doordat er een constante vloeistofbelasting van de vloer is, is hier de zwaarste bescherming nodig.
Artikel 14.3
In dit artikel worden ter bescherming van het milieu regels gesteld aan het aanbrengen van antifouling bij reparatie en onderhoud aan schepen. Er zijn alternatieven die minder schadelijk voor het milieu zijn.
Hoofdstuk 15 Beheer van zwembaden
Artikel 15.1- 15.5
De artikelen 1 tot en met 5 van dit hoofdstuk bevatten regels voor het exploiteren van een badinrichting voor zwemmen en baden. Een badinrichting wordt in de wet gedefinieerd als "bouwwerken die bestemd zijn om te zwemmen of te baden". Dit omvat zowel baden in een gebouw als baden in de open lucht. De oppervlakte of diepte is irrelevant om een bad als badinrichting aan te merken. De term badinrichting omvat dus verschillende baden, zoals zwembaden, whirlpools, kruidenbaden en pierenbadjes.
De bovengrens voor vrij chloor, berekend als elementair chloor, is vastgesteld op 5 mg/l vanwege de intense zonnestraling op het eiland. Voor troebelheid is een iets ruimere norm opgenomen dan in Europees Nederland wordt gehanteerd. Het gebruik van cyanuurzuur is toegestaan als hulpmiddel om de concentratie van de chloorverbinding op een voldoende hoog niveau te houden. Maar de desinfecterende werking van chloor wordt door het gebruik van cyanuurzuur sterk verminderd. Als gevolg hiervan kan vrij beschikbaar chloor niet langer zorgen voor desinfectie onder een realistische concentratie. Het verdient daarom de voorkeur om het gebruik van cyanuurzuur zoveel mogelijk te vermijden. In artikel 15.4 zijn regels opgenomen voor het maandelijks laten uitvoeren van testen door een geaccrediteerd laboratorium op de parameters vrij chloor, gebonden chloor, zuurgraad, troebelheid, chloride en ureum. Dit waarborgt de controle op de gestelde regels.
Artikel 15.6
In dit artikel zijn regels gesteld over het lozen van zwembadwater. Wanneer er chemicaliën zijn toegevoegd aan het zwembadwater moet dit geloosd worden op een zuiveringsvoorziening of afvalwater voorziening. Voor onbehandeld zwembadwater geldt dit niet.
Hoofdstuk 16 Bereiden van etenswaren
Artikel 16.1
Dit artikel geeft het toepassingsbereik van de hoofdstuk weer.
Artikel 16.2
Dit artikel bevat maatregelen ter beperking van geurhinder met het oog op het behoud en de bescherming van het fysieke milieu. Geurhinder kan ontstaan bij activiteiten zoals het bereiden van voedingsmiddelen. Hier zijn regels gesteld voor de aanpak van geur, er is een afvoerpunt, en -hoogte beschreven en de mogelijkheid van een ontgeuringsinstallatie. Een schoorsteen maken is niet overal mogelijk door bijvoorbeeld een beschermd stadsgezicht of monumentaal gebouw. Daar is maatwerk nodig op deze algemene regels. Op industrieterreinen zijn deze maatregelen uitgezonderd.
Artikel 16.3
Dit artikel bevat maatregelen voor optreden bij calamiteiten, blussen van brand en afsluiten van gas. Voor het blussen van beginnende brand zijn maatregelen voorgeschreven: er moet een brandblusser en een branddeken in de keuken zijn.
Artikel 16.4
Dit artikel bevat regels voor opslag van propaanflessen ter bescherming van de omgeving. De gasflessen die gebruikt worden bij de bereiding van voedingsmiddelen. Er is een maximum opslaghoeveelheid gesteld. De aanvoer van gasflessen was in het verleden niet stabiel waardoor grote hoeveelheden stonden bij individuele bedrijven. Dit geeft allerlei risico’s voor de omgeving, die nu beperkt zijn. De opslag mag niet toegankelijk zijn voor derden en er moet een brandblusser aanwezig zijn.
Hoofdstuk 17 Mechanisch bewerken van steen en puin
Artikel 17.1
In dit artikel wordt het toepassingsbereik van dit hoofdstuk beschreven. In de Regeling zijn al kwaliteitseisen voor voorkoming stofoverlast opgenomen. In dit hoofdstuk worden deze verder ingevuld.
Artikel 17.2.
In dit artikel worden regels gesteld om stofverspreiding bij vervoer van stenen, puin en steenachtig materiaal te voorkomen.
Artikel 17.3
In dit artikel worden regels gesteld om stofverspreiding bij bewerking van stenen en steenachtig materiaal te beperken. In dit artikel worden regels omtrent stofverspreiding uitgewerkt.
Hoofdstuk 18 Lassen van metalen
Artikel 18.1
In dit artikel wordt aangeven dat om geluidoverlast en emissies naar de lucht lassen in het gebouw van de inrichting moet gebeuren.
Artikel 18.2
In dit artikel zijn regels gesteld om lucht wat bij het lassen vrijkomt af te zuigen en bovendaks uit te blazen. Lassen vindt plaats binnen een gebouw.
Artikel 18.3
In dit artikel is opgenomen dat er een meting kan plaatsvinden aan de uitgeblazen lucht. Er zijn emissieconcentraties opgenomen waaraan afgezogen lucht moet voldoen.
Hoofdstuk 19 Solderen van metalen
Artikel 19.1
In dit artikel is opgenomen dat ter beperking van emissies naar de lucht solderen binnen gebouwen van de inrichting moet plaatsvinden.
Artikel 19.2
In dit artikel zijn regels gesteld over het afzuigen van lucht op de werkplek en bovendaks afvoeren.
Hoofdstuk 20 Bewerken of het mechanisch afwerken van metalen
Artikel 20.1
Dit artikel geeft het toepassingsbereik van dit hoofdstuk weer.
Artikel 20.2
In dit artikel zijn voor bescherming van de bodem regels opgenomen. Verspaningswerkzaamheden moeten plaatsvinden boven een vloeistofdichte vloer.
Artikel 20.3
In dit artikel zijn regels gesteld met het oog om waterverontreiniging te voorkomen. Door onder andere droogmethoden in te zetten en om water zoveel mogelijk opnieuw te gebruiken.
Artikel 20.4
In dit artikel zijn regels opgesteld met het oog om luchtverontreiniging te voorkomen. Lucht moet afgezogen worden en bovendaks afgevoerd worden.
Artikel 20.5
In dit artikel zijn regels opgenomen om afval te beperken. Afval van verspaning moet 48 uur uitlekken zodat boor-en snijolie opgevangen kan worden, deze olie kan hergebruikt worden. Het metaal kan naar een inzamelaar voor verwerking.
Hoofdstuk 21 Laboratorium
Artikel 21.1
Dit artikel beschrijft het toepassingsbereik van dit hoofdstuk.
Artikel 21.2
In dit artikel staan regels om verontreiniging van water te voorkomen. Bij een laboratorium worden vele chemicaliën gebruikt. Lozing van chemicaliën moet voorkomen worden. Er moet een instructie worden opgesteld waarin staat welke stoffen wel of niet kunnen worden geloosd.
Artikel 21.3
In dit artikel worden regels gesteld om luchtverontreiniging te voorkomen. Bij een laboratorium worden vele chemicaliën gebruikt. Er moet een instructie worden opgesteld hoe emissies kunnen worden voorkomen.
Artikel 21.4
In dit artikel zijn regels opgesteld met het oog om luchtverontreiniging te voorkomen. Lucht moet afgezogen worden van de werkplek en bovendaks afgevoerd worden.
Artikel 21.5
Om de omgeving te beschermen worden in dit artikel regels gesteld om verspreiding van ziekteverwekker tegen te gaan. Met het oog op de volksgezondheid kunnen er ook al regels gelden tegen verspreiding.
Hoofdstuk 22 Slotbepalingen
Artikel 22.1
Deze eilandsverordening treedt in werking op 2 april 2026.
Artikel 22.2
De aanhaaltitel van de verordening.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl