Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761915
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761915/1
Regeling vervalt per 01-01-2030
Subsidieregeling grootschalige activiteiten samen sociaal en vitaal Den Haag 2026
Geldend van 23-05-2026 t/m 31-12-2029
Intitulé
Subsidieregeling grootschalige activiteiten samen sociaal en vitaal Den Haag 2026Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
gelet op artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Den Haag 2020,
besluit vast te stellen de Subsidieregeling grootschalige activiteiten samen sociaal en vitaal Den Haag 2026:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
|
- ASV: |
Algemene subsidieverordening Den Haag 2020; |
|
- Awb: |
Algemene wet bestuursrecht; |
|
- beperking: |
blijvende of langdurige lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke, cognitieve of meervoudige beperking, neurobiologische ontwikkelingsstoornis of chronische aandoening die niet ouderdom gerelateerd is; |
|
- cofinanciering: |
bijdrage die een aanvrager met eigen financiële middelen of eigen middelen in natura, dan wel financiële middelen, subsidies of middelen in natura van derden levert aan de kosten die verbonden zijn aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; |
|
- college: |
college van burgemeester en wethouders van Den Haag; |
|
- eenzaamheid: |
sociale eenzaamheid waarbij het gaat om het missen van betekenisvolle relaties met een brede groep mensen, emotionele eenzaamheid, waarbij het gaat om het missen van een vertrouwelijke band met een ander persoon of existentiële eenzaamheid waarbij het gaat om een gevoel van zinloosheid van het bestaan en het missen van verbondenheid met het leven zelf; |
|
- eenzame inwoner: |
inwoner van Den Haag die matig tot zeer veel eenzaamheid ervaart; |
|
- flexibele vrijwilliger: |
vrijwilliger die beschikbaar is voor verschillende soorten vrijwilligerswerk, meestal kortlopend, die zich niet vastlegt op een vaste taak en flexibel beschikbaar is voor tijdelijke klussen; |
|
- kwetsbare inwoner: |
inwoner van Den Haag die vanwege een beperking, een chronische ziekte, regieverlies of psychosociale problematiek, extra ondersteuning nodig heeft bij het vitaal blijven, zelfstandig functioneren of het deelnemen aan de samenleving; |
|
- langdurig positief effect: |
blijvende of aanhoudende verbetering van de ervaren kwaliteit van leven of de gezondheid; |
|
- maatje: |
getrainde vrijwilliger die vanuit een vrijwilligersorganisatie wordt gekoppeld aan een kwetsbare inwoner met als doel deze inwoner uit een sociaal isolement te halen of het teweegbrengen van een gedrags- of mentaliteitsverandering; |
|
- mantelzorger: |
persoon die gedurende ten minste drie maanden aansluitend en gemiddeld minimaal acht uur per week onbetaalde hulp of ondersteuning biedt aan een naaste die een kwetsbare inwoner is; |
|
- participatie: |
deelname aan het maatschappelijk verkeer; |
|
- Servicepunt XL: |
een fysieke plek, inclusief een balie, in een wijkcentrum waar bewoners terecht kunnen met een hulpvraag die betrekking heeft op een leefgebied zoals bedoeld in de subsidieregeling professioneel welzijnswerk Den Haag 2020; |
|
- unieke deelnemer: |
individu dat één of meer keren deelneemt aan de activiteit, waarbij één individu telt als één unieke deelnemer; |
|
- vitaliteit: |
goede mentale of fysieke gesteldheid en veerkracht; |
|
- vrijwilliger: |
persoon die in het maatschappelijk belang niet-medische ondersteuning aan kwetsbare inwoners van Den Haag biedt zonder dat er sprake is van de uitoefening van een beroep of bedrijf en zonder dat er voor de werkzaamheden salaris wordt betaald; |
|
- vrijwilligersorganisatie: |
stichting of vereniging waarvan de activiteiten voor minimaal 70% van het totaal aantal mensuren worden uitgevoerd door vrijwilligers; |
|
- zelfredzaamheid: |
in staat zijn tot het zelfstandig uitvoeren van de noodzakelijke handelingen in het dagelijks leven, het voeren van een gestructureerd huishouden en het onderhouden van een passend sociaal netwerk. |
Artikel 1:2 Toepassingsbereik
Deze subsidieregeling is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in artikel 1:4 bedoelde activiteiten.
Artikel 1:3 Doel van de subsidie
-
1. Het doel van deze subsidieregeling is het versterken van de vitaliteit, de participatie of de zelfredzaamheid van kwetsbare inwoners van Den Haag en het ondersteunen van de mantelzorgers van deze inwoners.
-
2. Het achterliggende maatschappelijke doel van de subsidieregeling is dat kwetsbare inwoners duurzaam volwaardig en betekenisvol kunnen deelnemen aan de Haagse samenleving en dat hun mantelzorgers duurzaam hulp en ondersteuning kunnen bieden zonder dat dit ten koste gaat van de eigen vitaliteit, participatie of zelfredzaamheid.
Artikel 1:4 Activiteiten
Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten met een langdurig positief effect voor:
- a.
eenzame inwoners die zelfstandig thuis wonen, waarbij de activiteiten gericht zijn op het vinden, verbinden, activeren en begeleiden van eenzame inwoners, waarbij ter vermindering van die eenzaamheid minimaal twee van de volgende werkzame elementen worden toegepast:
- 1°
het aanbieden van een zinvolle bezigheid met mogelijkheden tot sociale ontmoeting en praktische ondersteuning;
- 2°
het aanbieden van een betekenisvolle rol waarbij de inwoner een actieve bijdrage kan leveren aan de interventie die wordt ingezet en de inwoner niet alleen de ontvanger is van hulp;
- 3°
het opbouwen van betekenisvol contact tijdens de interventie door regelmatig en duurzaam contact te hebben;
- 4°
het versterken van sociale vaardigheden waardoor de inwoner zelf makkelijker sociale relaties kan aangaan en onderhouden; of
- 5°
het ondersteunen van de inwoner bij het ontwikkelen van passende sociale verwachtingen, met aandacht voor inzicht in eigen denken en gedrag, en creëren van veilige oefensituaties voor positieve sociale ervaringen.
- 1°
- b.
kwetsbare inwoners met een beperking in groepsverband, waarvan maximaal 25% in een intramurale zorginstelling verblijft, die door hun beperking geen gebruik kunnen maken van het reguliere aanbod van activiteiten, waarbij de activiteiten gericht zijn op het versterken van de vitaliteit, participatie of zelfredzaamheid en plaatsvinden in de vrije tijd en geen vervanging zijn van werk, vrijwilligerswerk, of andere vormen van dagbesteding;
- c.
mantelzorgers door individuele en groepsgerichte ondersteuning van deze mantelzorgers, waarvan maximaal 25% in een intramurale zorginstelling verblijft, waarbij de activiteiten zich onderscheiden van de aangeboden mantelzorgondersteuning op de Servicepunten XL en gericht zijn op het verminderen van belasting door het versterken van de vitaliteit, participatie en zelfredzaamheid van mantelzorgers; of
- d.
kwetsbare inwoners door het bieden van niet-medische ondersteuning met behulp van de inzet van vrijwilligers en maatjes door vrijwilligersorganisaties.
Artikel 1:5 Doelgroep
Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen.
Artikel 1:6 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen
-
1. De subsidie heeft uitsluitend betrekking op de naar het oordeel van het college redelijkerwijs gemaakte kosten die resteren na aftrek van bijdragen van derden en die naar het oordeel van het college direct zijn verbonden met en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten bedoeld in artikel 1:4.
-
2. Niet voor subsidie in aanmerking komen:
- a.
de verrekenbare BTW over de gesubsidieerde kosten;
- b.
de restwaarde van specifiek voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur;
- c.
de kosten voor catering en consumpties die hoger zijn dan 15% van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten of hoger zijn dan € 3.000,- per aanvraag;
- d.
de kosten voor het opdoen van kennis die onderdeel uitmaakt van trainingen die kosteloos worden aangeboden;
- e.
de kosten voor het organiseren van trainingen ten behoeve van de signalering van eenzaamheid als bedoeld in artikel 1:9, derde lid, onder a, die hoger zijn dan € 2.000,- per aanvrager;
- f.
de kosten voor de waardering van vrijwilligers die hoger zijn dan € 25,- per vrijwilliger per jaar of hoger zijn dan € 8.400,- per aanvraag;
- g.
de kosten voor vrijwilligersvergoedingen die hoger zijn dan 5% van de subsidie die wordt verleend, die hoger zijn dan het fiscaal vrijgestelde maximum of die hoger zijn dan door het college redelijk en proportioneel wordt geacht;
- h.
de kosten voor de reis- en onkostenvergoedingen van vrijwilligers wanneer deze naar het oordeel van het college niet redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit;
- i.
de kosten voor andere vergoedingen aan vrijwilligers dan de vergoedingen als bedoeld onder g, h en i;
- j.
de kosten voor de verzekering van vrijwilligers en de Verklaringen Omtrent het Gedrag van vrijwilligers;
- k.
alle kosten die samenhangen met het maken van een video- of fotorapportage, waaronder in ieder geval de aanschaf of huur van materiaal, loonkosten, kosten voor inhuur van derden, vrijwilligerskosten.
- a.
Artikel 1:7 Hoogte van de subsidie
Een subsidie bedraagt per kalenderjaar minimaal € 45.000,- en minimaal € 90.000,- per aanvraag voor het gehele subsidietijdvak met een maximum van:
- a.
€ 350.000,- per kalenderjaar met een maximum van € 700.000,- per aanvrager voor het gehele subsidietijdvak voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder a;
- b.
€ 412.000 per kalenderjaar met een maximum van € 824.000,- per aanvrager voor het gehele subsidietijdvak voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder b;
- c.
€ 350.000,- per kalenderjaar met een maximum van € 700.000,- per aanvrager voor het gehele subsidietijdvak voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder c; en
- d.
€ 350.000,- per kalenderjaar met een maximum van € 700.000,- per aanvrager voor het gehele subsidietijdvak voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder d.
Artikel 1:8 Subsidieplafond
-
1. Voor subsidieverlening op grond van deze regeling geldt voor de kalenderjaren 2027 en 2028 een subsidieplafond van € 3.965.000,- per kalenderjaar, met een maximum van € 7.930.000,- voor het gehele subsidietijdvak.
-
2. In aanvulling op het eerste lid stelt het college deelplafonds vast van:
- a.
€ 1.100.000,- per kalenderjaar met een maximum van € 2.200.000,- voor de hele subsidieperiode voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder a;
- b.
€ 515.000,- per kalenderjaar met een maximum van € 1.030.000,- voor de hele subsidieperiode voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder b;
- c.
€ 900.000,- per kalenderjaar met een maximum van € 1.800.000,- voor de hele subsidieperiode voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder c; en
- d.
€ 1.450.000,- per kalenderjaar met een maximum van € 2.900.000,- voor de hele subsidieperiode voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder d.
- a.
-
3. Als één of meer van de deelplafonds niet wordt bereikt, wordt het resterende subsidiebudget, na beoordeling van alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, ondergebracht in een nieuw deelplafond ten behoeve van een nieuwe rangschikking als bedoeld in artikel 1:9, negende lid.
-
4. Het college kan het subsidieplafond en de deelplafonds conform artikel 7, tweede lid, ASV verlagen.
Artikel 1:9 Wijze van verdeling van subsidie
-
1. Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie.
-
2. Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximum aantal:
- a.
de activiteiten hebben impact op de doelgroep van de activiteiten; dit blijkt uit de aard van de problematiek bij de deelnemers, de aard en de duur van de aangeboden activiteiten en het aantal unieke deelnemers dat aan de activiteiten deelneemt:
- 1°
de activiteiten hebben veel impact: 10 punten;
- 2°
de activiteiten hebben een bovengemiddelde impact: 6 punten;
- 3°
de activiteiten hebben een gemiddelde impact: 3 punten;
- 4°
de activiteiten hebben een beperkte of geen impact: 0 punten;
- 1°
- b.
de activiteiten zijn gericht op het activeren van de doelgroep van de activiteiten; dit blijkt uit de mate waarin van de deelnemers tijdens de activiteiten een actieve rol wordt gevraagd:
- 1°
de activiteiten zijn bovengemiddeld activerend: 6 punten;
- 2°
de activiteiten zijn gemiddeld activerend: 3 punten;
- 3°
de activiteiten zijn beperkt of niet activerend: 0 punten;
- 1°
- c.
de aanvrager werkt vraaggericht en zorgt ervoor dat de activiteiten voldoen aan de behoeften van de deelnemers; dit blijkt uit de mate waarin de behoeften van de doelgroep proactief uitgevraagd worden bij deelnemers en zij worden betrokken bij het vormgeven, uitvoeren en bijstellen van de activiteiten:
- 1°
de aanvrager werkt erg vraaggericht en de activiteiten voldoen bovengemiddeld mate aan de behoeften van de doelgroep: 6 punten;
- 2°
de aanvrager werkt vraaggericht en de activiteiten voldoen gemiddeld aan de behoeften van de doelgroep: 3 punten;
- 3°
de aanvrager werkt beperkt of niet vraaggericht en de activiteiten voldoen beperkt of niet aan de behoeften van de doelgroep: 0 punten;
- 1°
- d.
de aanvrager heeft een proactieve wervingsaanpak die aansluit op de doelgroep waarop de activiteiten zijn gericht alsmede op de vrijwilligers die bij de uitvoering betrokken worden; dit blijkt uit de aanpak die de aanvrager gebruikt om de doelgroep en de vrijwilligers op meerdere, langdurige, diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de doelgroep van de activiteiten zichtbaar en vindbaar zijn:
- 1°
de wervingsaanpak van de aanvrager is bovengemiddeld proactief: 3 punten;
- 2°
de wervingsaanpak van de aanvrager is gemiddeld proactief: 1 punt;
- 3°
de wervingsaanpak van de aanvrager is beperkt of niet proactief: 0 punten;
- 1°
- e.
de aanvrager richt zich op deelnemers uit doelgroepen die lastig te bereiken zijn; dit blijkt uit de wervingsaanpak die de aanvrager gebruikt om die doelgroepen op meerdere, langdurige, diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten van de aanvrager op de behoeften van die doelgroepen aansluiten:
- 1°
de aanvrager richt zich bovengemiddeld op deelnemers uit lastig te bereiken doelgroepen: 6 punten;
- 2°
de aanvrager richt zich gemiddeld op deelnemers uit lastig te bereiken doelgroepen: 3 punten;
- 3°
de aanvrager richt zich beperkt of niet op deelnemers uit lastig te bereiken doelgroepen: 0 punten;
- 1°
- f.
de aanvrager werkt samen met een relevant netwerk van samenwerkingspartners om het effect van de activiteit op de deelnemers van de activiteit te versterken; dit blijkt uit de contacten van de aanvrager met partners die ook hulp en ondersteuning bieden aan de doelgroep, de mate waarin de onderlinge kennisdeling en doorverwijzing bij die contacten voorop staat en de actieve wijze waarop de aanvrager invulling geeft aan de samenwerking met die contacten:
- 1°
de aanvrager werkt samen met een relevant netwerk en de samenwerking is van meerwaarde voor het effect van de activiteit op de deelnemers: 6 punten;
- 2°
de aanvrager werkt samen met een relevant netwerk en de samenwerking is beperkt van meerwaarde voor het effect van de activiteit op de deelnemers: 3 punten;
- 3°
de aanvrager werkt samen met een beperkt relevant netwerk en de samenwerking is niet van meerwaarde voor het effect van de activiteit op de deelnemers: 0 punten;
- 1°
- g.
de aanvrager heeft aantoonbare ervaring met het opzetten en uitvoeren van activiteiten in Den Haag waarvoor subsidie wordt aangevraagd; dit blijkt uit een beschrijving van één of meer soortgelijke activiteiten die de aanvrager in de afgelopen vijf jaar heeft uitgevoerd voor de doelgroep:;
- 1°
de aanvrager heeft aantoonbaar ervaring met het opzetten en uitvoeren van soortgelijke activiteiten: 4 punten;
- 2°
de aanvrager heeft aantoonbaar ervaring met het opzetten en uitvoeren van soortgelijke activiteiten: 0 punten;
- 1°
- h.
de aanvrager werkt structureel aan een goed vrijwilligersbeleid; dit blijkt uit het feit dat de aanvrager over het Haags Keurmerk voor Vrijwilligersorganisaties of het Keurmerk van Vrijwillige Inzet Goed Geregeld van de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk beschikt of de mate waarin de aanvrager een vergelijkbare structuur voor de ondersteuning, ontwikkeling en waardering van vrijwilligers biedt:
- 1°
de aanvrager beschikt over een keurmerk of biedt een vergelijkbare structuur: 6 punten;
- 2°
de aanvrager is concreet bezig het keurmerk te krijgen of een vergelijkbare structuur te bieden: 3 punten;
- 3°
de aanvrager is niet bezig het keurmerk te krijgen of een vergelijkbare structuur te bieden: 0 punten;
- 1°
- i.
de aanvrager is beperkt afhankelijk van gemeentelijke subsidie; dit blijkt uit de mate waarin de activiteiten worden gefinancierd vanuit cofinanciering:
- 1°
de cofinanciering bedraagt 50% of meer: 6 punten;
- 2°
de cofinanciering bedraagt tussen de 25 en 50%: 3 punten;
- 3°
de cofinanciering bedraagt 25% of minder: 0 punten;
- 1°
- j.
- 1°
de kosten zijn meer dan 10% onder het gemiddelde: 3 punten;
- 2°
de kosten verschillen minder dan 10% van het gemiddelde: 1 punt;
- 3°
de kosten zijn meer dan 10% boven het gemiddelde: 0 punten;
de kosten zijn laag; dit blijkt uit het feit dat er bij de aanvrager, in verhouding tot het aangevraagde subsidiebedrag, minder kosten per unieke deelnemer worden gemaakt dan gemiddeld bij alle aanvragers gezamenlijk het geval is:
- 1°
- k.
de effectiviteit en impact van activiteiten worden gedurende het gehele subsidietijdvak gemonitord en geëvalueerd; dit blijkt uit het feit dat periodiek onderzoek wordt gedaan naar de klanttevredenheid, de impact van de activiteiten periodiek wordt geëvalueerd en de activiteiten aan de hand daarvan gedurende het jaar worden aangepast:
- 1°
er vindt periodiek een onderzoek naar de tevredenheid van de deelnemers en een evaluatie van de impact van de activiteiten plaats en de activiteiten worden aan de hand daarvan gedurende het gehele subsidietijdvak aangepast: 6 punten;
- 2°
er vindt periodiek een onderzoek naar de tevredenheid van de deelnemers plaats en de activiteiten worden aan de hand daarvan gedurende het gehele subsidietijdvak aangepast: 3 punten;
- 3°
er vindt geen onderzoek of evaluatie plaats of de activiteiten worden aan de hand daarvan niet gedurende het gehele subsidietijdvak aangepast: 0 punten;
- 1°
- l.
de activiteiten zijn aantrekkelijk voor flexibele vrijwilligers; dit blijkt uit de mogelijkheden die vrijwilligers hebben om verschillend vrijwilligerswerk te kiezen, zelf de duur van hun inzet te kunnen bepalen en te bepalen wanneer ze vrijwilligerswerk willen doen:
- 1°
de activiteiten zijn bovengemiddeld aantrekkelijk voor flexibele vrijwilligers, de activiteiten voldoen aan twee of drie criteria: 2 punten;
- 2°
de activiteiten zijn gemiddeld, beperkt of niet aantrekkelijk voor flexibele vrijwilligers, de activiteiten voldoen aan één of minder van de drie criteria: 0 punten.
- 1°
- a.
-
3. In aanvulling op het eerste lid kent het college voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder a, ook punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximum aantal:
- a.
de aanvrager vergaart inhoudelijke kennis om eenzaamheid te verminderen; dit blijkt uit het feit dat professionals en vrijwilligers een training ten behoeve van de signalering van eenzaamheid hebben gevolgd, waarin de onderwerpen terugkomen uit het handboek ‘Verbinden met eenzaamheid’ of het handboek ‘In gesprek over eenzaamheid’:
- 1°
professionals en vrijwilligers hebben een training ten behoeve van signalering van eenzaamheid gevolgd: 6 punten;
- 2°
de aanvrager is concreet bezig om professionals en vrijwilligers een training ten behoeve van signalering van eenzaamheid te laten volgen: 3 punten;
- 3°
de aanvrager heeft professionals en vrijwilligers geen training ten behoeve van signalering van eenzaamheid laten volgen en is ook niet concreet bezig om hen deze te laten volgen: 0 punten;
- 1°
- b.
wanneer de activiteit zich richt op één of meer van de onderstaande doelgroepen in totaal 2 punten:
- 1°
ouderen met een migratieachtergrond, anderstalig of laaggeletterd;
- 2°
éénoudergezinnen met laag inkomen of een levensgebeurtenis;
- 3°
jongeren met tegenslag of problemen met werk of opleiding, verslaving, of een combinatie van diverse andere factoren;
- 4°
inwoners met meervoudige problematiek;
- 1°
- c.
de aanvrager richt de activiteiten voor eenzame inwoners zo in dat de activiteit zoveel mogelijk werkzame elementen zoals genoemd in artikel 1:4, onder a, bevat, waarbij voor meer dan twee werkzame elementen voor elk aanvullend element één punt wordt toegekend tot een maximum van 3 punten.
- a.
-
4. In aanvulling op het eerste lid kent het college voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder c, aanvullend 2 punten toe wanneer de activiteit zich specifiek richt op mantelzorgers met een migratieachtergrond, werkende mantelzorgers, mantelzorgers die zorgen voor iemand met een beperking of mantelzorgers jonger dan 28 jaar.
-
5. Een aanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als daaraan minimaal 20 punten zijn toegekend of 25 punten indien de aanvraag ziet op de activiteiten als bedoeld in artikel 1:4, onder a.
-
6. Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen hoger is dan het vastgesteld subsidieplafond, verleent het college de subsidie in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het voor de betrokken subsidie vastgestelde subsidieplafond is bereikt.
-
7. Als aanvragen na toepassing van het zesde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voor gaat.
-
8. Als het subsidieplafond wordt overschreden als gevolg van aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt na toepassing van het zevende lid, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.
-
9. Indien middelen op grond van artikel 1:8, derde lid, worden ondergebracht in een nieuw deelplafond dan:
- a.
worden alle aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie op grond van deze subsidieregeling, maar door overschrijding van de deelplafonds opgenomen in artikel 1:8, tweede lid, niet worden gehonoreerd, opnieuw gerangschikt;
- b.
stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van het aantal punten dat op basis van de criteria in het tweede lid, onder a tot en met l, zijn toegekend;
- c.
verleent het college de subsidie in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het nieuwe deelplafond is bereikt;
- d.
stelt het college bij overschrijding van het nieuwe deelplafond en bij gelijke rangschikking na toepassing van sub b, de onderlinge rangschikking van de aanvragen vast aan de hand van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voorgaat op het hogere bedrag;
- e.
stelt het college bij gelijke rangschikking na toepassing van sub d, de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting, waarbij enkel geloot wordt in de situatie dat één of meer van de gelijk gerangschikte aanvragen op grond van het nieuwe deelplafond in aanmerking zou komen voor subsidie.
- a.
Hoofdstuk 2 Subsidieperiode, aanvraag subsidie en termijnen
Artikel 2:1 Subsidietijdvak
Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend voor het gehele subsidietijdvak, dat aanvangt op 1 januari 2027 en eindigt op 31 december 2028.
Artikel 2:2 Aanvraag subsidie
-
1. Onverminderd artikel 8, tweede en derde lid, van de ASV legt de aanvrager een projectplan over dat voldoet aan de eisen uit de door het college ter beschikking gestelde handreiking en die daarmee een toelichting bevat op de criteria genoemd in artikel 1:9, tweede lid.
-
2. Indien subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten bedoeld in artikel 1:4, sub a, bevat het projectplan bedoeld in het eerste lid, tevens een toelichting op de criteria genoemd in artikel 1:9, derde lid.
-
3. Indien subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten bedoeld in artikel 1:4, sub c, bevat het projectplan bedoeld in het eerste lid, tevens een toelichting op de criteria genoemd in artikel 1:9, vierde lid.
-
4. De aanvrager maakt voor de aanvraag gebruik van het voor deze regeling door het college vastgestelde digitale aanvraagformulier en het bijbehorende begrotingsformat.
Artikel 2:3 Aanvraagtermijn
-
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de ASV wordt een aanvraag om subsidie voor het subsidietijdvak ingediend in de periode van 15 juni tot en met 5 juli 2026.
-
2. Het college stelt aanvragers die uiterlijk op 22 juni 2026 hun aanvraag hebben ingediend in de gelegenheid hun aanvraag uiterlijk op 5 juli 2026 aan te vullen en geeft daarbij aan welke stukken ontbreken.
Artikel 2:4 Beslistermijn
In afwijking van artikel 10, eerste lid, van de ASV beslist het college uiterlijk op 30 september 2026 op de aanvragen.
Hoofdstuk 3 Weigeringsgronden
Artikel 3:1 Weigeringsgronden
Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 11, eerste tot en met vierde lid, van de ASV kan het college de subsidie weigeren als:
- a.
uit de aanvraag blijkt dat de organisatie van de aanvrager naar gangbare bedrijfseconomische principes financieel ongezond is of de financiële continuïteit, dan wel de continuïteit van de bedrijfsvoering van de aanvrager onzeker is;
- b.
de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten die reeds in voldoende mate door anderen worden uitgevoerd;
- c.
de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten die zich richten op ex-gedetineerden, schuldhulpverlening, sekswerkers, maatschappelijke opvang of doelgroepen waarvoor andere subsidieregelingen van kracht zijn;
- d.
de activiteit waarvoor de subsidie wordt aangevraagd in aanmerking komt voor subsidie op grond van een andere subsidieregeling.
Hoofdstuk 4 Verplichtingen en betalingen
Artikel 4:1 Verplichtingen
-
1. Onverminderd artikel 4:37, van de Awb en de artikelen 12 en 13, van de ASV, gelden voor de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:
- a.
de subsidieontvanger meldt de activiteit aan op de sociale kaart van Den Haag;
- b.
de subsidieontvanger plaatst vrijwilligersvacatures op de website van Den Haag Doet of op de website van Volunteer The Hague;
- c.
de subsidieontvanger plaatst de openbaar toegankelijke trainingen en cursussen voor vrijwilligers en mantelzorgers op de website van de Den Haag Doet Academie;
- d.
de subsidieontvanger werkt mee aan, door of namens de gemeente uitgevoerde, inhoudelijke onderzoeken ten behoeve van monitoring, evaluatie en impact;
- e.
de subsidieontvanger communiceert of de locatie(s) waar de activiteiten plaatsvinden toegankelijk zijn voor mensen met een beperking op de communicatiekanalen die de ontvanger ook inzet voor de promotie van de activiteit;
- f.
de subsidieontvanger schaft bij gelijke geschiktheid producten ten behoeve van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten aan bij sociaal ondernemers.
- a.
-
2. Voor ontvangers van subsidie op grond van artikel 1:4, sub a, geldt aanvullend de verplichting om deel te nemen aan de door de gemeente georganiseerde informatie- en netwerkbijeenkomsten gericht op kennisontwikkeling over eenzaamheid en samenwerking bij het verminderen van eenzaamheid.
-
3. Voor ontvangers van subsidie op grond van artikel 1:4, sub c, geldt aanvullend de verplichting om deel te nemen aan het Stedelijk netwerk versterking mantelzorg.
Artikel 4:2 Bevoorschotting
-
1. Bevoorschotting vindt plaats op de volgende wijze: 100% van de verleende subsidie in twee gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn wordt uitbetaald uiterlijk 17 januari 2027 en de tweede termijn wordt uitbetaald uiterlijk 17 januari 2028.
-
2. Het college kan afwijken van de wijze van bevoorschotting in het eerste lid wanneer een andere wijze van bevoorschotting is vereist.
Hoofdstuk 5 Verantwoording en vaststelling na verlening
Artikel 5:1 Wijze van tussentijdse verantwoording
-
1. Onverminderd artikel 16a van de ASV en in aanvulling op artikel 17, vierde lid, van de ASV bevat het inhoudelijk verslag per activiteit een overzicht van het totale aantal deelnemers, het totale aantal unieke deelnemers, het aantal deelnemers per doelgroep van de activiteiten en het aantal unieke deelnemers per doelgroep van de activiteiten en, indien van toepassing, het aantal vrijwilligers dat bij de activiteit betrokken was.
-
2. De subsidieontvanger maakt voor de tussentijdse verantwoording als bedoeld in artikel 16a van de ASV gebruik van het door het college vastgestelde digitale verantwoordingsformulier.
Artikel 5:2 Eindverantwoording
-
1. In aanvulling op artikel 17, vierde lid, van de ASV bevat het inhoudelijk verslag de volgende gegevens:
- a.
per activiteit een overzicht van het totale aantal deelnemers, het totale aantal unieke deelnemers, het aantal deelnemers per doelgroep van de activiteiten en het aantal unieke deelnemers per doelgroep van de activiteiten en, indien van toepassing, het aantal vrijwilligers dat bij de activiteit betrokken was;
- b.
een toelichting in hoeverre de ontvanger producten bij gelijke geschiktheid heeft ingekocht bij sociaal ondernemers ten behoeve van de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten.
- a.
-
2. De subsidieontvanger maakt voor verantwoording als bedoeld in artikel 17 van de ASV gebruik van het door het college vastgestelde digitale verantwoordingsformulier.
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Artikel 6:1 Evaluatie
Het college evalueert deze subsidieregeling binnen één jaar na afloop van de regeling.
Artikel 6:2 Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in het Gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 31 december 2029.
Artikel 6:3 Citeertitel
Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling grootschalige activiteiten samen sociaal en vitaal Den Haag 2026.
Ondertekening
Den Haag, 12 mei 2026
Het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris,
Ilma Merx
de burgemeester,
Jan van Zanen
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1:4, aanhef
Bij een langdurig positief effect gaat het erom dat de activiteiten structureel worden aangeboden of op een andere manier continuïteit bieden, er voor de hele doelgroep ruimte moet zijn om mee te kunnen doen en ook te blijven doen, dat de activiteiten de doelgroep ondersteunen of onderling contact stimuleren en dat vertrouwen bij de deelnemers wordt opgebouwd en behouden. Dit betekent dat aanvragen die bijvoorbeeld gericht zijn op het organiseren van uitjes, feestjes en het vergroten van leefplezier op incidentele basis niet zien op het bereiken van een langdurig positief effect.
Artikel 1:4, onder a
Het college ziet graag dat aanvragers werkbare elementen inzetten bij het uitvoeren van hun activiteiten gericht op het tegengaan van eenzaamheid. Op basis van onderzoeken, waaronder die van Movisie, zijn een vijftal werkbare elementen geformuleerd. De aanvraag moet minimaal twee van deze elementen bevatten, maar het college moedigt het benutten van meer elementen aan om de effectiviteit van de activiteiten te vergroten.
Artikel 1:4, onder b
Het gaat hier om een aanbod van activiteiten dat specifiek gericht en bedoeld is voor kwetsbare inwoners met een beperking en waarbij de activiteit ook specifiek aansluit bij de behoefte van mensen met een beperking.
Artikel 1:4, onder b en c
De activiteiten moeten zich vooral richten op doelgroepen die nog thuiswonend zijn. Belangrijke reden hiervoor is dat activiteiten binnen een intramurale zorgomgeving al vanuit andere bronnen worden gefinancierd.
Artikel 1:6, tweede lid, onder g
Vrijwilligersvergoedingen moeten naar het oordeel van het college redelijk en proportioneel zijn. Dit betekent dat de kosten van de vergoedingen voor vrijwilligers in verhouding dienen te staan tot de totale kosten van de activiteiten en dat de vergoeding niet aan elke vrijwilliger wordt betaald, maar alleen aan die vrijwilligers die tot een specifieke doelgroep behoren of een meer dan bovengemiddelde inzet leveren. Te denken valt aan vrijwilligers met een laag inkomen of vrijwilligers die een lange werkweek maken als vrijwilliger.
Artikel 1:9, tweede lid, onder a
De impact wordt beoordeeld aan de hand van de drie factoren. Bij de aard van de problematiek onder de deelnemers geldt dat onder andere de complexiteit van de problematiek of de mate waarin er sprake is van een verminderde vitaliteit, participatie of zelfredzaamheid van belang is. Bij de aard en de duur van de aangeboden activiteiten speelt een rol hoe lang en hoe vaak deelnemers aan een activiteit kunnen deelnemen, maar ook of de aanvraag bijvoorbeeld ziet op activiteiten voor een doelgroep waar nog weinig aanbod voor is en daarmee samenhangend het aantal unieke deelnemers, op een deel van de stad waar nog weinig aanbod van (bepaalde) activiteiten is of op activiteiten die bijzonder vernieuwend zijn. Tot slot wordt de kwantiteit in ogenschouw genomen in die zin dat bij het beoordelen van de impact ook aandacht wordt besteed aan het aantal unieke deelnemers.
Artikel 1:9, tweede lid, onder b
Bij het activeren van de doelgroep gaat het erom dat de doelgroep een actieve eigen bijdrage aan de activiteiten levert. Te denken valt aan het gezamenlijk organiseren van de activiteiten in plaats van enkel deel te nemen.
Zoals gezamenlijk maken van een theatervoorstelling in plaats van enkel bezoeken hiervan. Bij mantelzorgers gaat het om de mate waarin zij worden geactiveerd om zich open te stellen voor hulp.
Artikel 1:9, tweede lid, onder e
Bij de lastig te bereiken doelgroepen gaat het bijvoorbeeld om deelnemers met een ooievaarspas, een beperking, een migratieachtergrond of meervoudige problematiek.
Artikel 1:9, tweede lid, onder f
Bij de partners die ook hulp en ondersteuning bieden gaat het bijvoorbeeld om welzijnsinstellingen, wijkorganisaties of levensbeschouwelijke organisaties.
Artikel 1:9, tweede lid, onder h
De keurmerken zorgen ervoor dat aanvragers een visie op het vrijwilligerswerk binnen hun organisatie hebben en er aandacht is voor de positie van vrijwilligers binnen de organisatie. Aanvragers hoeven niet daadwerkelijk over een keurmerk te beschikken om aan dit criterium te voldoen. Mogelijk is ook dat aanvragers aantonen dat zij over een vergelijkbare structuur voor vrijwilligers beschikken of een vergelijkbaar vrijwilligersbeleid hebben of dat zij bezig zijn om dat te bieden.
Artikel 1:9, derde lid, onder a
Voor het effectief verminderen van eenzaamheid is inhoudelijke kennis noodzakelijk. Aanvragers worden aangemoedigd om gebruik te maken van de signaleringstrainingen om de inhoudelijke kennis van professionals en vrijwilligers te vergroten. Deze training dient qua kennisniveau vergelijkbaar te zijn met het handboek ‘Verbinden met eenzaamheid’ of het handboek ‘In gesprek over eenzaamheid’.
Artikel 1:9, derde lid, onder b
Onder inwoners met meervoudige problematiek worden onder andere inwoners bedoeld die te maken hebben met een combinatie van GGZ-problematiek, armoede/schulden en dakloosheid.
Artikel 3:1, onder d
Wanneer het college tot het oordeel komt dat de activiteiten in de ingediende aanvraag beter passen onder een andere subsidieregeling, dan kan het college uw aanvraag weigeren. Dit betreffen onder andere activiteiten waarbij gezamenlijk eten centraal staat. Aanvragers kunnen voor dergelijke activiteiten gebruik maken van de Subsidieregeling eten en ontmoeten Den Haag 2024.
Artikel 4:1, onder h
Het college vindt het van belang dat gesubsidieerde organisaties overwegen om producten noodzakelijk voor het uitvoeren van gesubsidieerde activiteiten sociaal in te kopen. Daarom wordt van subsidieontvangers verwacht dat zij bij gelijke geschiktheid een afweging maken om sociaal in te kopen en hier in hun verantwoording van de subsidie een toelichting op te geven.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl