Subsidieregeling vrijwilligersorganisaties Veenendaal maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en bestaanszekerheid

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 21-05-2026

Intitulé

Subsidieregeling vrijwilligersorganisaties Veenendaal maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en bestaanszekerheid

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal;

overwegende dat

  • in het kader van het Integraal beleidskader sociaal domein en het Model Veenendaal 2020 de inzet van vrijwilligers een centrale rol speelt bij het versterken van de sociale basis;

  • het college de wens heeft de sociale basis in relatie tot de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet te versterken door middel van het subsidiëren van activiteiten van vrijwilligersorganisaties;

  • in de sociale basis altijd sprake is van samenwerking met vrijwilligers en een mengvorm van formele en informele zorg;

gelet op

artikel 2, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Veenendaal;

besluit de volgende nadere regeling vast te stellen:

Subsidieregeling vrijwilligersorganisaties Veenendaal maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en bestaanszekerheid

Artikel 1. Begripsbepalingen

Voor toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal;

  • kwetsbare inwoners: inwoners die blijvend of tijdelijk in een kwetsbare positie verkeren;

  • verordening: Algemene subsidieverordening Veenendaal;

  • vrijwilligersorganisatie: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid (stichting of vereniging) die zonder winstoogmerk activiteiten uitvoert. Deze activiteiten worden uitgevoerd door vrijwilligers. Er is geen structureel betaalde uitvoerende functie, met eventueel uitzondering van een ondersteunende of coördinerende functie. Deze betaalde functie mag slechts zijn gericht op het ondersteunen of coördineren van vrijwilligers, en niet op andere werkzaamheden van de organisatie. Alle andere werkzaamheden moeten op vrijwillige basis (onbetaald en onverplicht voor anderen) worden verricht.

Artikel 2. Doelgroep

Deze subsidieregeling is van toepassing op de verstrekking van subsidies aan vrijwilligersorganisaties.

Artikel 3. Doel

Deze subsidieregeling heeft als doel:

  • a.

    het voorkomen of verminderen van zorg in de vorm van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo of de Jeugdwet;

  • b.

    vergroten van bestaanszekerheid door praktische hulp bij het vinden en aanvragen van voorzieningen of uitkeringen, door juridisch advies of hulp en begeleiding bij beginnende schulden.

Artikel 4. Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Het college kan subsidie verlenen voor de volgende activiteiten, voor zover deze naar het oordeel van het college bijdragen aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 3 onder a:

    • a.

      het bieden van lichte ondersteuning en begeleiding aan kwetsbare inwoners;

    • b.

      het verbinden van vrijwilligers aan kwetsbare inwoners of het verbinden van kwetsbare inwoners aan elkaar;

    • c.

      het organiseren van bijeenkomsten voor groepen inwoners met als doel onderlinge verbondenheid en steun te stimuleren en het daarmee opbouwen van een kennissen- en vriendennetwerk om op terug te vallen.

  • 2.

    Het college kan subsidie verlenen voor de volgende activiteiten, voor zover deze naar het oordeel van het college bijdragen aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 3 onder b:

    • a.

      het bieden van praktische ondersteuning bij het aanvragen van voorzieningen of invullen van formulieren;

    • b.

      het geven van juridisch advies.

  • 3.

    De activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, hebben een preventief karakter.

  • 4.

    De volgende activiteiten komen in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      Activiteiten die gericht zijn op sport, cultuur en mantelzorg;

    • b.

      Activiteiten waarvoor reeds op grond van een andere gemeentelijke subsidieregeling of anderszins bekostiging door de gemeente plaatsvindt;

    • c.

      Activiteiten die niet breed toegankelijk zijn voor inwoners van Veenendaal;

    • d.

      Activiteiten of een programma van activiteiten die een politiek of religieus karakter hebben;

    • e.

      Activiteiten die in strijd zijn met het gemeentelijk beleid;

    • f.

      Activiteiten die reeds plaats hebben gevonden.

    • g.

      Kosten voor waardering van vrijwilligers.

Artikel 5. Drempelcriteria

Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 4 kan uitsluitend worden verleend als voldaan wordt aan de volgende drempelcriteria:

  • a.

    De activiteiten worden geheel door vrijwilligers uitgevoerd, met eventueel uitzondering van activiteiten gericht op het ondersteunen of coördineren van vrijwilligers vanuit een betaalde functie;

  • b.

    De activiteiten sluiten aan bij en zijn een aanvulling op het lokale aanbod van activiteiten van relevante partijen, zoals de gemeente, Veens Welzijn, wijkteams, cliëntorganisaties of andere vrijwilligersorganisaties;

  • c.

    De te subsidiëren activiteiten maken aantoonbaar deel uit van een samenhangend en structureel activiteitenprogramma dat rechtstreeks bijdraagt aan de verwezenlijking van een van de doelen, bedoeld in artikel 3.

Artikel 6. Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor subsidieverlening komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking, voor zover deze kosten naar rato van het aantal daadwerkelijk uitgevoerde activiteiten aan de activiteiten kunnen worden toegerekend:

    • a.

      kosten van materialen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten;

    • b.

      kosten voor de huur van ruimten die worden gebruikt voor de uitvoering van de activiteiten;

    • c.

      personele kosten van een vrijwilligerscoördinator of een bestuurslid met een vergelijkbare coördinerende rol, tot een maximaal subsidiebedrag van € 30.000,- per aanvraag, waarbij een maximum geldt van € 15.000,- per kalenderjaar.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid onder c komen personele kosten alleen voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      de professionele kennis of kunde van de medewerker noodzakelijk is om de activiteit uit te kunnen voeren en de kosten verband houden met ten minste een van de volgende werkzaamheden:

      • koppelen of matchen van vrijwilligers aan de juiste kwetsbare inwoners;

      • begeleiden, werven, selecteren en opleiden van vrijwilligers; en

    • b.

      de activiteiten zonder bekostiging van coördinatie of professionele inzet niet in de gewenste mate kunnen worden voortgezet of geen doorgang kunnen vinden en het stoppen of verminderen van de activiteiten een aanzienlijke negatieve invloed heeft op het behalen van de door de gemeente beoogde beleidsdoelstellingen.

  • 3.

    Kosten komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking voor zover het college van oordeel is dat de kosten proportioneel zijn gelet op de aard en omvang van de te organiseren activiteiten.

Artikel 7. Indienen van de subsidieaanvraag

  • 1.

    Subsidie op basis van deze regeling wordt voor twee jaar verleend.

  • 2.

    Subsidieaanvragen worden ingediend uiterlijk 30 april voorafgaand aan de jaren waarop de subsidie betrekking heeft. Aanvragen kunnen uitsluitend in even jaren worden ingediend.

  • 3.

    Aanvragen die het college buiten de aanvraagperiode ontvangt, worden geweigerd zonder verdere inhoudelijke beoordeling.

  • 4.

    De subsidieaanvraag wordt door middel van de formulieren op de website ingediend. Uit deze formulieren blijkt op welke manier aan de doelstellingen en de criteria van deze subsidieregeling wordt voldaan met een bijbehorende begroting.

  • 5.

    In de aanvraag vermeldt de aanvrager in ieder geval per activiteit voor welke kosten subsidie wordt aangevraagd en de hoogte van deze kosten.

Artikel 8. Subsidieplafond en wijze van verdeling

  • 1.

    Het college stelt één keer per twee jaar het subsidieplafond vast dat jaarlijks geldt voor de daaropvolgende twee kalenderjaren. Voor zover de programmabegroting voor een van die kalenderjaren nog niet is vastgesteld, wordt het subsidieplafond voor dat jaar vastgesteld onder voorbehoud van vaststelling van de begroting door de gemeenteraad. Na vaststelling van de programmabegroting door de raad stelt het college het subsidieplafond voor dat kalenderjaar definitief vast.

  • 2.

    Het college kan bij de vaststelling van het subsidieplafond het totale plafond verdelen in een deelplafond voor activiteiten die bijdragen aan het doel, bedoeld in artikel 3 onder a en een deelplafond voor activiteiten die bijdragen aan het doel, bedoeld in artikel 3 onder b.

  • 3.

    Het college kan het subsidieplafond verlagen conform artikel 5 van de verordening, waarbij de verlaging ook geldt voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4.

    Indien het subsidieplafond niet toereikend is, verdeelt het college het beschikbare budget naar evenredigheid, waarbij het toe te kennen subsidiebedrag wordt verminderd met het percentage waarmee de aanvragen, voor zover deze voor verlening in aanmerking komen, het subsidieplafond overschrijden.

Artikel 9. Subsidiebedrag en cofinanciering

Per aanvrager bedraagt de subsidie maximaal 70% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 60.000,-, waarbij een maximum geldt van € 30.000,- per kalenderjaar.

Artikel 10. Verplichtingen

Het college legt, in aanvulling op hoofdstuk 6 van de verordening, aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen op:

  • a.

    indien het een activiteit of programma betreft voor kinderen tot 18 jaar of met kwetsbare mensen, dienen de vrijwilligers, leidinggevenden en coaches, te beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag;

  • b.

    de subsidieontvanger verleent alle medewerking aan evaluatie en monitoring van gesubsidieerde activiteiten, onder andere op basis van de verantwoordingsrapportages conform de vastgestelde formats;

  • c.

    de subsidieontvanger informeert het college onverwijld indien de continuïteit van de gesubsidieerde activiteiten in het geding is.

Artikel 11. Verlening en bevoorschotting

  • 1.

    De subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Dit begrotingsvoorbehoud wordt opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    Aan de subsidieontvanger wordt in twee termijnen een voorschot van het verleende subsidiebedrag uitbetaald, tenzij in de verleningsbeschikking anders is bepaald.

  • 3.

    De subsidieverleningen worden gepubliceerd.

Artikel 12. Besluit tot subsidievaststelling

Op subsidievaststelling op grond van deze regeling is hoofdstuk 7 van de verordening van toepassing, met dien verstande dat de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indient uiterlijk op 30 april in het jaar na afloop van de twee kalenderjaren waarvoor de subsidie is verleend.

Artikel 13. Hardheidsclausule

Het college kan, in bijzondere gevallen, afwijken van het bepaalde in deze subsidieregeling, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard voor de aanvrager, mits de afwijking past binnen het doel en de strekking van deze regeling.

Artikel 14. Intrekking oude regeling

De Subsidieregeling vrijwilligerswerk en informele zorg Veenendaal wordt ingetrokken.

Artikel 15. Overgangsbepalingen

  • 1.

    De Subsidieregeling vrijwilligerswerk en informele zorg Veenendaal blijft van toepassing op subsidies die voor 1 januari 2026 onder die subsidieregeling zijn aangevraagd.

  • 2.

    Aanvragen om subsidie die zijn ingediend in 2026 en voor de inwerkingtreding van deze regeling, worden afgehandeld volgens de bepalingen van deze regeling.

  • 3.

    In afwijking van artikel 7, tweede lid, moeten subsidieaanvragen voor de subsidiejaren 2027 en 2028 uiterlijk op 30 september 2026 ingediend zijn.

  • 4.

    Voor aanvragers aan wie het college voor het jaar 2026 een subsidie heeft verleend die hoger was dan € 30.000, geldt voor de subsidiejaren 2027 en 2028 de volgende afbouw:

    • a.

      in afwijking van artikel 9 bedraagt de subsidie per organisatie maximaal 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 75.000,- , voor zover dit gunstiger is voor de aanvrager en met dien verstande dat de subsidie niet hoger mag zijn dan tweemaal het bedrag aan subsidie dat is verleend voor 2026;

    • b.

      in afwijking van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, geldt voor de daar bedoelde personele kosten een maximaal subsidiebedrag van € 60.000 per aanvrager per twee jaar, waarbij een maximum geldt van € 30.000 per kalenderjaar.

Artikel 16. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 17. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling vrijwilligersorganisaties Veenendaal maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en bestaanszekerheid.

Ondertekening

Ondertekening

Vastgesteld in de vergadering van 12 mei 2026

Sjoukje Deelstra

secretaris

Gert-Jan Kats

burgemeester

Toelichting

I Algemeen deel

Het Integraal Beleidskader (IBK) van de gemeente Veenendaal beschrijft de belangrijkste maatschappelijke doelen voor het sociaal domein. De kern draait om drie hoofdambities:

  • 1.

    Bestaanszekerheid

    • Inwoners hebben voldoende inkomen en financiële stabiliteit

    • Schulden worden voorkomen of aangepakt

    • Iedereen heeft toegang tot basisvoorzieningen

  • 2.

    Zelfredzaamheid

    • Mensen kunnen zoveel mogelijk zelfstandig leven

    • Inwoners nemen eigen regie over hun leven

    • Hulp is gericht op versterken van eigen kracht

  • 3.

    Passende ondersteuning

    • Goede en toegankelijke zorg en hulp voor wie dat nodig heeft

    • Ondersteuning sluit aan bij de persoonlijke situatie

    • Snelle en effectieve hulp (liefst zo vroeg mogelijk)

II Artikelsgewijs

Artikel 1

Onder kwetsbare inwoners worden inwoners verstaan die kwetsbaar zijn vanwege levensgebeurtenissen, fysieke of verstandelijke beperkingen (al of niet aangeboren), sociaaleconomische of sociaal-culturele omstandigheden (achterstanden). Mensen zijn kwetsbaar als de draaglast van de ervaren problemen en tegenslagen te groot is voor de beschikbare draagkracht van het individu of diens netwerk. Deze opsomming is niet volledig.

Artikel 3, onder a

Deze bepaling omschrijft één van de doelstellingen van de subsidieregeling. De regeling is gericht op het voorkomen of verminderen van het gebruik van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of de Jeugdwet. Daarmee wordt ingezet op preventie en vroegtijdige ondersteuning van inwoners zodat zwaardere zorg via de WMO of de jeugdwet voorkomen kan worden.

Het uitgangspunt is dat tijdige, laagdrempelige ondersteuning kan bijdragen aan het voorkomen dat problemen verergeren en uiteindelijk leiden tot een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Activiteiten die zich richten op lichte ondersteuning, sociale verbinding, het opbouwen van grote persoonlijke netwerken, voorkomen van eenzaamheid, informele hulp of het versterken van de zelfredzaamheid van inwoners kunnen hieraan bijdragen.

De subsidieregeling biedt daarom ruimte om activiteiten te ondersteunen die een preventieve werking hebben en die het vermogen van inwoners versterken om zelfstandig te functioneren of gebruik te maken van informele netwerken. Door dergelijke activiteiten te stimuleren, kan de behoefte aan zwaardere, individuele voorzieningen op grond van de Wmo of de Jeugdwet worden voorkomen, verminderd of uitgesteld.

Met deze doelstelling wordt beoogd bij te dragen aan een meer preventieve inrichting van ondersteuning binnen het sociaal domein. Subsidie kan daarom worden verleend voor activiteiten die naar het oordeel van het college aantoonbaar bijdragen aan het voorkomen of beperken van de inzet van maatwerkvoorzieningen.

Artikel 3, onder b

Met deze doelstelling wordt beoogd bij te dragen aan een ondersteuningsstructuur voor inwoners die moeite hebben met het aanvragen van regelingen of voorzieningen. Dit draagt bij aan het gebruik van de regelingen en daarmee aan bestaanszekerheid. Juridische advies en hulp en begeleiding bij beginnende schulden hebben een preventieve werking en voorkomt of beperkt de inzet van maatwerkvoorzieningen.

Artikel 4, eerste lid, onder c

Hiermee bedoelen we dus bijeenkomsten waar inwoners elkaar ontmoeten en deelnemen aan een activiteit. Hieronder vallen geen uitjes met vrijwilligers.

Artikel 4 derde lid

Met preventief karakter bedoelen we dat de activiteiten die gesubsidieerd kunnen worden vanuit deze regeling bijdragen aan het voorkomen of verminderen van zorg in de vorm van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo of de Jeugdwet.

Artikel 5, onder a

Het uitgangspunt is dat alle werkzaamheden vrijwillig worden gedaan, dus ook de ondersteunende en coördinerende taken.

Artikel 5, onder b

Deze bepaling houdt in dat de activiteiten die worden georganiseerd niet los staan van wat er al in de wijk of gemeente gebeurt, maar juist aansluiten bij het bestaande aanbod. Het doel hiervan is om ervoor te zorgen dat activiteiten elkaar versterken in plaats van overlappen of met elkaar concurreren.

Concreet betekent dit dat bij het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten wordt gekeken naar wat andere relevante partijen al aanbieden. Denk hierbij aan de gemeente, Veens Welzijn, wijkteams, cliëntorganisaties en andere vrijwilligersorganisaties. Door hierop aan te sluiten kan beter worden ingespeeld op de behoeften van inwoners en kan samenwerking worden gestimuleerd.

Daarnaast wordt met deze bepaling beoogd dat de activiteiten een aanvullende rol vervullen. Dit houdt in dat zij een leemte in het bestaande aanbod opvullen, een extra mogelijkheid bieden voor inwoners of bestaande initiatieven versterken. Zo wordt voorkomen dat middelen en inzet worden gebruikt voor activiteiten die al op vergelijkbare wijze worden aangeboden.

De bepaling stimuleert afstemming, samenwerking en complementariteit met het lokale netwerk van organisaties en initiatieven, zodat het totale aanbod voor inwoners zo effectief en samenhangend mogelijk is.

Artikel 5, onder c

Met deze bepaling wordt bedoeld dat activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet op zichzelf staan, maar onderdeel zijn van een breder, samenhangend en structureel activiteitenprogramma. De activiteiten moeten passen binnen een duidelijk plan of aanpak waarin verschillende activiteiten elkaar aanvullen en gezamenlijk bijdragen aan de doelstellingen van de subsidieregeling.

Dit betekent dat de aanvrager moet kunnen laten zien hoe de activiteit past binnen een groter geheel van activiteiten die gedurende een langere periode worden uitgevoerd. Het gaat dus niet om een eenmalige of losse activiteit, maar om een structurele inzet die gericht is op het ondersteunen van inwoners.

Daarnaast moet de aanvrager aantonen dat de activiteiten rechtstreeks bijdragen aan één van de doelstellingen van deze subsidieregeling. Dat kan bijvoorbeeld door activiteiten die:

  • erop gericht zijn om zwaardere zorg of ondersteuning, zoals maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo of de Jeugdwet, te voorkomen of te verminderen door vroegtijdige ondersteuning, informele hulp of preventieve activiteiten; of

  • inwoners helpen bij het vergroten van hun participatie en bestaanszekerheid, bijvoorbeeld door praktische ondersteuning bij het vinden, begrijpen en aanvragen van voorzieningen, regelingen of uitkeringen.

Met deze bepaling wordt beoogd dat subsidie wordt ingezet voor activiteiten die planmatig, duurzaam en doelgericht bijdragen aan preventie, participatie en bestaanszekerheid van inwoners.

Artikel 6, eerste lid onder c en tweede lid

Personele kosten voor een ondersteunende en coördinerende functie komen alleen voor subsidie in aanmerking, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de subsidiabele activiteiten. Het betreft een vrijwilligerscoördinator of een bestuurslid dat een vergelijkbare coördinerende rol vervult. Hiermee wordt erkend dat voor het organiseren en uitvoeren van activiteiten met inzet van vrijwilligers in sommige gevallen professionele kennis en organisatorische capaciteit nodig is.

De subsidiemogelijkheid is beperkt tot situaties waarin de inzet van professionele kennis of kunde aantoonbaar noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de activiteiten. Het gaat daarbij in het bijzonder om werkzaamheden die gericht zijn op het organiseren en ondersteunen van de inzet van vrijwilligers, zoals het koppelen van vrijwilligers aan kwetsbare inwoners en het begeleiden, werven, selecteren en opleiden van vrijwilligers. Deze taken zijn van belang voor een zorgvuldige en effectieve inzet van vrijwilligers en dragen bij aan de kwaliteit en continuïteit van de activiteiten.

Door de subsidiabele personele kosten te beperken tot een coördinerende functionaris en tot specifiek omschreven werkzaamheden, wordt voorkomen dat structurele personeelskosten van organisaties in brede zin via deze regeling worden gefinancierd. De bepaling is daarmee gericht op het faciliteren van de noodzakelijke coördinatie van vrijwilligers, zonder dat de regeling bedoeld is voor het bekostigen van reguliere formatie.

Om de regeling uitvoerbaar en doelmatig te houden is bepaald dat voor personele kosten als bedoeld in deze bepaling een maximaal subsidiebedrag van € 15.000 per aanvraag per jaar kan worden aangevraagd, waarbij dit bedrag jaarlijks geïndexeerd wordt met de gemeentelijke indexatie. Dit bedrag biedt ruimte voor een beperkte inzet van professionele capaciteit (bijvoorbeeld een parttime inzet voor coördinatie), terwijl het karakter van de regeling als ondersteuning van voornamelijk vrijwilligersactiviteiten behouden blijft.

Artikel 6, derde lid

Deze bepaling regelt dat uitsluitend kosten voor subsidie in aanmerking komen wanneer deze naar het oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Hiermee wordt beoogd te waarborgen dat subsidiegelden doelmatig en verantwoord worden ingezet.

Bij de beoordeling van de subsidieaanvraag beoordeelt het college of de opgevoerde kosten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten en of de hoogte daarvan passend is in verhouding tot de beoogde resultaten en de schaal van de activiteiten. Kosten die bovenmatig zijn of onvoldoende verband houden met de uitvoering van de activiteiten komen niet voor subsidie in aanmerking.

Deze bepaling biedt het college beoordelingsruimte om per aanvraag te toetsen of de kosten proportioneel zijn. Daarbij kan onder meer worden gekeken naar de aard van de activiteiten, het aantal deelnemers, de duur en frequentie van de activiteiten en de wijze waarop de activiteiten worden georganiseerd.

Met deze bepaling wordt beoogd te waarborgen dat subsidiegelden efficiënt worden besteed en dat de aangevraagde middelen in een redelijke verhouding staan tot de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend.

Artikel 7, eerste lid

Deze bepaling regelt dat de subsidie voor twee jaar wordt verleend. De subsidie kan dus een keer per twee jaar worden aangevraagd.

Artikel 9.

Het beschikbare budget bedraagt maximaal €30.000 per jaar. Dit betekent dat de kosten gelijkmatig over de jaren verdeeld dienen te worden. Het is derhalve niet toegestaan om in het ene jaar €50.000 aan kosten te maken en dit te compenseren met €10.000 in een ander jaar, of andersom.

Artikel 11, eerste lid

Een gemeente stelt elk jaar een nieuwe begroting vast. Het verstrekken van subsidie voor twee jaren heeft gevolgen voor meerdere begrotingsjaren. Daarom wordt de tweejarige subsidie verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. In de subsidiebeschikking wordt dit ook opgenomen.

Een begrotingsvoorbehoud houdt in dat de verstrekking van subsidie afhankelijk is van de beschikbaarheid van voldoende financiële middelen in de (toekomstige) gemeentelijke begroting. Dit betekent dat een subsidie wordt toegekend onder voorbehoud van vaststelling van de begroting door de gemeenteraad. Indien de raad besluit om minder of geen budget beschikbaar te stellen, kan dit gevolgen hebben voor de (voortzetting van de) subsidie. Een verleende subsidie kan ingetrokken of gewijzigd worden, als de definitieve begroting onvoldoende ruimte biedt om de subsidieverlening na te kunnen komen. Het college moet overigens binnen vier weken na vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep doen op een begrotingsvoorbehoud, daarna vervalt de voorwaarde. Dit volgt uit artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht.