Subsidieregeling monumenten Fryslân 2026

Geldend van 20-05-2026 t/m heden

Intitulé

Subsidieregeling monumenten Fryslân 2026

Gedeputeerde staten van Fryslân,

gelet op

Verordening (EU) 2022/2472van de Commissie van 14 december 2022 PbEU, L 327), in het bijzonder artikel 36, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard,

Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 (PbEU, L187) in het bijzonder artikel 53, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

Artikel 1.3, derde lid, van de Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2022,

overwegende dat het op grond van het omgevingsprogramma Erf-Goed 2025-2028 wenselijk is door middel van subsidies een stimulans te geven aan het restaureren, herbestemmen en onderhouden van Friese monumenten,

besluiten:

vast te stellen de Subsidieregeling monumenten Fryslân 2026:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;

  • b.

    Architect: persoon die is ingeschreven in het architectenregister als bedoeld in de Wet op de architectentitel;

  • c.

    Asv: Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2022;

  • d.

    Bestek: volledige en nauwkeurige beschrijving van voorwaarden waaronder en eisen ten aanzien van de wijze waarop werkzaamheden aan een bouwwerk worden uitgevoerd, bestaande uit algemene voor het werk geldende juridische en administratieve voorwaarden en bepalingen, met voorschriften betreffende bouwplaats voorzieningen, de nauwkeurige beschrijvingen van toe te passen constructies en per onderdeel benodigde kwaliteit en hoeveelheid van te gebruiken materialen en eisen die worden gesteld aan de wijze van verwerken, alsmede de afwerking van kleuren;

  • e.

    Boerderij: ensemble van hoofdgebouw met bijgebouwen dat oorspronkelijk uitsluitend of voor het overwegende deel is vervaardigd voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf;

  • f.

    Bouwhistorisch onderzoek: in een schriftelijke rapportage vastgelegde opname of verkenning naar gegevens betreffende de bouw-, verbouwings- en gebruiksgeschiedenis van één of meer gebouwen of zelfstandige onderdelen daarvan, of naar een door mensen gemaakte structuur, aan de hand van archief- en literatuuronderzoek en waarnemingen aan de vorm, de constructie, de gebruikte materialen en de afwerking ervan. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een deskundige en is in overeenstemming met de uitvoeringsrichtlijnen bouwhistorisch onderzoek met waardenstelling, Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) URL2007;

  • g.

    Buitenplaats: complex dat een historisch en architectonisch geheel vormt in nuttig gebruik, bestaande uit een versterkt huis, buitenhof of landhuis met bijgebouwen, bouwwerken en tuinornamenten met omliggende terreinen die bestaan uit grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, weiden, siertuinen of moestuinen;

  • h.

    Casco: de dragende onderdelen en het omhulsel, bestaande uit dak, kappen met spantconstructies, balklagen en vloeren, dragende muren met wandopeningen, funderingen, kelders en gewelven. Tot het casco wordt ook gerekend het binnenpleisterwerk van de muren die deel van het casco uitmaken, alsmede de buitenafwerking, de kozijnen, ramen en deuren;

  • i.

    Deelrestauratie: instandhoudingswerkzaamheden aan een zelfstandig onderdeel of een zelfstandig bouwkundige eenheid, waarvan het casco in slechte of matige staat verkeert, die voor de instandhouding van het gehele monument noodzakelijk zijn;

  • j.

    Deskundige: onafhankelijke partij die op grond van opleiding en ervaring gekwalificeerd moet worden geacht om een opdracht uit te voeren in het kader van een op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteit;

  • k.

    Directievoering: begeleiding van de uitvoering van de restauratie, bestaande uit onder meer de volgende werkzaamheden: voeren van een afstemmingsoverleg, toetsen van de voortgang en kwaliteit van de werkzaamheden, het maken van bouw- en voortgangsverslagen;

  • l.

    Gebouwd monument: monument, niet zijnde een groen monument;

  • m.

    Gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van Fryslân;

  • n.

    Gemeentelijk monument: gebouwd monument dat op grond van een gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en op de gemeentelijke monumentenlijst is geplaatst;

  • o.

    Groen monument: monument zijnde een aanleg die geheel of gedeeltelijk bestaat uit beplanting, zoals een park- of tuinaanleg, met dien verstande dat verdedigingswerken zonder een rijksbeschermde groenaanleg niet worden aangemerkt als groen monument;

  • p.

    Herbestemming: planologische wijziging naar een andere dan de bestaande functie van een monument of zelfstandig onderdeel daarvan, waarbij door de wijziging de bestaande functie van het monument in overwegende mate wijzigt naar, en geschikt gemaakt wordt voor, een nieuwe functie door middel van voor de wijziging noodzakelijke bouwkundige ingrepen;

  • q.

    Inspectierapport: een door de Monumentenwacht overeenkomstig het Inspectiehandboek voor monumenten opgesteld rapport dat de technische of fysieke staat van een monument, zelfstandig onderdeel of zelfstandige bouwkundige eenheid beschrijft;

  • r.

    Instelling van bijzonder provinciaal belang: organisatie met de status Professionele Organisatie voor Monumentenbehoud (POM) die tevens provinciale boekjaarsubsidie ontvangt;

  • s.

    Kerk: gebouw of zelfstandig onderdeel daarvan, dat oorspronkelijk uitsluitend of voor het overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;

  • t.

    Klinkend monument: monument bestaande uit een uurwerk, orgel, beiaard of luidklok;

  • u.

    Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten: van kracht zijnde bijlage als bedoeld in artikel 4 van de regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 september 2012, nr. WJZ/387165 (10152), houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor de instandhouding van rijksmonumenten;

  • v.

    Molen: bouwwerk dat bewegingsenergie van wind, water of spierkracht omzet in rotatie-energie van de wieken die nuttig kan worden gebruikt voor het aandrijven van machines of pompen;

  • w.

    Monument: bouwwerk, zelfstandige onderdeel daarvan of aangelegde onroerende zaak, welke een tastbaar product van menselijk handelen is, en welke op zich of in verband met zijn omgeving van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn betekenis voor de wetenschap of zijn cultuurhistorische betekenis, niet zijnde een archeologisch monument.

  • x.

    Monumentenwacht: een Monumentenwacht die is aangesloten bij de Vereniging Provinciale Monumentenwachten Nederland;

  • y.

    Onderhoud: reguliere werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het beschermde monument of onderdelen ervan;

  • z.

    Ontwerpopgave: planvorming waarbij sprake is van het wijzigen van het casco, buitengevels, binnenwanden, vloeren of plafonds van het bouwwerk of een zelfstandig onderdeel daarvan;

  • aa.

    Oorspronkelijk woonhuis: gebouwd monument, dan wel een zelfstandig bouwkundige eenheid daarvan, dat in oorsprong geheel of gedeeltelijk voor wonen is gebouwd, niet zijnde gebouwen die deel uitmaken van een in het Museumregister Nederland opgenomen museum, kastelen, paleizen, kerkgebouwen, kerkelijke dienstgebouwen in kerkelijk gebruik, het hoofdhuis van buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens en de daarbij behorende woning, gemalen, watertorens, boerderijen of industrieel erfgoed;

  • bb.

    Reconstructie: werkzaamheden die nodig zijn voor het opnieuw maken en terugbrengen van verloren gegane onderdelen van monumenten in een vroegere gedaante;

  • cc.

    Restauratie: het verrichten van die werkzaamheden, die het normale onderhoud te boven gaan en die voor het herstel van een monument noodzakelijk zijn;

  • dd.

    Restauratieplan (gebouwde monumenten): plan bestaande uit een rapportage van de technische staat, tekeningen van de bestaande toestand, tekeningen van herstellingen en toevoegingen, alsmede een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden in de vorm van een werkomschrijving of bestek, een omschrijving van de met de werkzaamheden beoogde resultaten en bijbehorende sluitende begroting. De werkomschrijving of het bestek, en de begroting, zijn conform de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten en bevatten de in die Leidraad genoemde onderdelen. In geval van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onder d, en artikel 2.2.1 kan in plaats van een begroting worden volstaan met een uitgewerkte offerte;

  • ee.

    Restauratieplan (groene monumenten): plan bestaande uit een tuin-historisch onderzoek, tekeningen van de bestaande toestand, tekeningen van herstellingen en toevoegingen, alsmede een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden in de vorm van een werkomschrijving of bestek, een omschrijving van de met de werkzaamheden beoogde resultaten en bijbehorende sluitende begroting. De werkomschrijving of het bestek, en de begroting, zijn conform de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten en bevatten de in die Leidraad genoemde onderdelen;

  • ff.

    Rijksmonument: beschermd monument als bedoeld in de Erfgoedwet, niet zijnde een archeologisch monument, dat als zodanig is opgenomen in het Rijksmonumentenregister;

  • gg.

    Subsidieregeling instandhouding monumenten: Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 september 2012, nr. WJZ/387165 (10152), houdende regels voor de verstrekking van subsidie voor de instandhouding van rijksmonumenten;

  • hh.

    Technisch urgent: noodzaak tot restauratie van het monument, een zelfstandig onderdeel of een zelfstandig bouwkundige eenheid, omdat het casco daarvan in een inspectierapport van de Monumentenwacht is aangeduid als matig of slecht;

  • ii.

    Tuin-historisch onderzoek: onderzoek naar de aanleg, veranderings- en gebruiksgeschiedenis van aanleggen van tuinen, (stads)parken, boerenerven, begraafplaatsen, vestingwerken en andere groenstructuren die een begrenzing hebben, in hun ruimtelijke samenhang, aan de hand van de vorm (ontwerp), onderliggende structuren en ideeën, de gebruikte materialen en beplanting en de afwerking. Het onderzoek is in overeenstemming met de Richtlijnen Tuinhistorisch onderzoek, voor waardenstelling van groen erfgoed, samengesteld door R. van Immerseel en L. Hendriks (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2012) en brengt in kaart en beschrijft hoe de oorspronkelijke situatie was en welke veranderingen er in de loop der tijd zijn aangebracht en beschrijft de bestaande situatie als uitkomst van die eerdere processen;

  • jj.

    Traditionele dakbedekking: dakbedekking van dezelfde soort, kwaliteit, vorm, materiaal, uitstraling en architectuurhistorische techniek als de dakbedekking ten tijde van de oorspronkelijk bouw van het monument;

  • kk.

    UAsv: Uitvoeringsregeling Asv provincie Fryslân 2022;

  • ll.

    Woonhuis: gebouwd monument, dan wel een zelfstandig bouwkundige eenheid daarvan, dat uitsluitend voor wonen is bestemd of voor de helft of meer van de oppervlakte voor bewoning wordt gebruikt of geschikt is, niet zijnde gebouwen die deel uitmaken van een in het Museumregister Nederland opgenomen museum, kastelen, paleizen, kerkgebouwen, kerkelijke dienstgebouwen in kerkelijk gebruik, het hoofdhuis van buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens en de daarbij behorende woning, gemalen, watertorens, vuurtorens, boerderijen of industrieel erfgoed;

  • mm.

    Zelfstandig bouwkundige eenheid: bouwwerk dat in zowel constructief als functioneel opzicht te onderscheiden is van de naastgelegen bouwwerken en is opgenomen als onderdeel van het monument in het Monumentenregister of op de gemeentelijke monumentenlijst;

  • nn.

    Zelfstandig onderdeel: deel van een gebouwd monument dat is aan te merken als een dak, kerktoren, dakruiter, vieringtoren, uurwerk, orgel, luidklok, klokkenstoel, glas-in-lood venster, ringmuur of hekwerk gebouwd als erfafscheiding, roeden of waterwerken van een molen, muur- of plafondschildering, tegeltableau of interieur.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen die eigenaar of zakelijk gebruiksgerechtigde zijn van een monument.

Artikel 1.3 Openstellingsbesluit

  • 1. Gedeputeerde staten kunnen een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van deze regeling.

  • 2. Een openstellingsbesluit bevat ten minste een aanvraagperiode en een subsidieplafond. Gedeputeerde staten kunnen voor de afzonderlijke subsidiabele onderdelen van deze regeling verschillende aanvraagperioden en subsidieplafonds vaststellen.

  • 3. Gedeputeerde staten kunnen in het openstellingsbesluit nadere regels stellen met betrekking tot het indienen van een aanvraag, de kring van subsidieontvangers en de subsidiehoogte.

Artikel 1.4 Aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor subsidie wordt ingediend door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld aanvraagformulier en gaat vergezeld van de in het aanvraagformulier verplichte bijlagen.

  • 2. Per openstelling kan maximaal één aanvraag worden ingediend per monument.

Artikel 1.5 Verdeelsystematiek

  • 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van datum van binnenkomst van de subsidieaanvragen, waarbij de datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van binnenkomst.

  • 2. Voor zover door verstrekking van subsidie voor volledige aanvragen, die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van loting.

Artikel 1.6 Staatssteun

  • 1. Subsidie ten behoeve van ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector, met name de primaire landbouwproductie, wordt slechts verstrekt met toepassing van artikel 36 van Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

  • 2. Subsidie ten behoeve van ondernemingen die geen landbouwbedrijven zijn wordt slechts verstrekt met toepassing van art 53 van Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 (PbEU, L187), waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

Artikel 1.7 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Subsidies tot € 25.000 worden volledig bevoorschot.

  • 2. Het voorschot voor subsidies vanaf € 25.000 bedraagt maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 3. Een voorschot wordt eenmalig uitgekeerd, op een in de subsidiebeschikking genoemd moment.

  • 4. Betaling van voorschotten vindt plaats op het door de subsidieontvanger in de subsidieaanvraag opgegeven bankrekeningnummer.

Artikel 1.8 Verantwoording en vaststelling

  • 1. Bij subsidies tot € 25.000,- toont de subsidieontvanger desgevraagd, op een door gedeputeerde staten in de subsidiebeschikking aangegeven wijze, aan dat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. Gedeputeerde staten stellen de subsidie ambtshalve vast binnen 22 weken na de datum waarop de gesubsidieerde activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.

  • 2. Bij subsidies vanaf € 25.000,- tot € 125.000,- dient de subsidieontvanger een vaststellingsaanvraag in. Bij de vaststellingsaanvraag wordt overgelegd:

    • a.

      een activiteitenverslag, waaruit blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verstrekt overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten als bedoeld in artikel 3.3 Asv.

    De vaststellingsaanvraag moet worden ingediend binnen 13 weken na de datum waarop de gesubsidieerde activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht of, indien dat eerder is, binnen 13 weken nadat de activiteiten feitelijk zijn verricht. Gedeputeerde staten stellen de subsidie vast binnen 22 weken na ontvangst van de vaststellingsaanvraag, op basis van de uitgevoerde activiteiten en de werkelijk gemaakte kosten en opbrengsten.

  • 3. Bij subsidies vanaf € 125.000,- dient de subsidieontvanger een vaststellingsaanvraag in. Bij de vaststellingsaanvraag wordt overgelegd:

    • a.

      een activiteitenverslag, waaruit blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verstrekt overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een financieel verslag, waarin in ieder geval is opgenomen:

      • i.

        een opgave van het bedrag van de werkelijk gemaakte en betaalde kosten;

      • ii.

        een opgave van het bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, met inbegrip van bijdragen van derden, en een opgave van het bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage.

    • c.

      een controleverklaring van het onder b bedoelde financiële verslag, als bedoeld in artikel 3.5 Asv.

    De vaststellingsaanvraag moet worden ingediend binnen 13 weken na de datum waarop de gesubsidieerde activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht of, indien dat eerder is, binnen 13 weken nadat de activiteiten feitelijk zijn verricht. Gedeputeerde staten stellen de subsidie vast binnen 22 weken na ontvangst van de vaststellingsaanvraag, op basis van de uitgevoerde activiteiten en de werkelijk gemaakte kosten en opbrengsten.

Artikel 1.9 Eigendomsoverdracht

  • 1. Indien de subsidieontvanger de eigendom of een ander zakelijk recht van een monument of een zelfstandig onderdeel overdraagt aan een derde, dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na de overdracht, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij gedeputeerde staten. Artikel 1.8 is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kunnen gedeputeerde staten op verzoek van de eigenaar aan wie de eigendom of het zakelijk recht is overgedragen, aan die eigenaar subsidie verstrekken ten behoeve van de afronding van het restauratieplan. Artikel 1.5 en 1.7 zijn niet van toepassing.

Hoofdstuk 2 Subsidiabele onderdelen

Paragraaf 2.1 Restauratie rijksmonumenten en herstel dak rijksmonumentale boerderij

Artikel 2.1.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

      de restauratie bij herbestemming van een rijksmonument;

    • b.

      de restauratie van een rijksmonument;

    • c.

      een deelrestauratie van een rijksmonument;

    • d.

      restauratie of reconstructie van het dak van een rijksmonumentale boerderij.

  • 2. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde onderdeel kan ook een groen monument betreffen.

  • 3. Geen subsidie wordt verstrekt voor een woonhuis of oorspronkelijk woonhuis.

Artikel 2.1.2 Weigeringsgronden

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Asv wordt de subsidieaanvraag geweigerd indien:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van de Omgevingswet en waarvoor geen vergunning is aangevraagd op het moment van indiening van de subsidieaanvraag of waarvoor de vergunning is geweigerd;

    • b.

      het restauratieplan, waarbij sprake is van een ontwerpopgave, niet is opgesteld door een architect;

    • c.

      niet wordt voldaan aan de toetsingscriteria van artikel 2.1.3;

    • d.

      de aanvraag is ontvangen of ingediend buiten het tijdvak waarvoor gedeputeerde staten het subsidieplafond hebben vastgesteld;

    • e.

      de werkzaamheden betrekking hebben op een monument dat in eigendom is van een overheid of door een overheid gebruikt wordt voor haar publieke taken;

    • f.

      het te verstrekken subsidiebedrag minder dan € 5.000 bedraagt;

    • g.

      de activiteiten betrekking hebben op een woonhuis of een oorspronkelijk woonhuis;

    • h.

      bij schade alle subsidiabele kosten door een verzekering worden gedekt.

  • 2. De in het eerste lid, onderdeel b, genoemde weigeringsgrond is niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel d.

Artikel 2.1.3 Toetsingscriteria

  • 1. Om voor subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie bij herbestemming van een rijksmonument;

    • b.

      de cultuurhistorische betekenis wordt door de herbestemming niet geschaad;

    • c.

      voorafgaande aan de planvorming tot herbestemming is een bouwhistorisch onderzoek verricht en het resultaat hiervan heeft aantoonbaar onderdeel uitgemaakt van de planvorming tot herbestemming;

    • d.

      indien de aanvraag betrekking heeft op een herbestemming naar wonen worden ten minste twee woningen gerealiseerd.

  • 2. Om voor subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel b in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie van een rijksmonument;

    • b.

      de cultuurhistorische betekenis wordt door de restauratie niet geschaad;

    • c.

      in geval van een rijksmonument, niet zijnde een groen monument, is de restauratie technisch urgent;

    • d.

      in geval van een groen monument: uit een rapport van een deskundige blijkt dat de betreffende onderdelen van het monument, zoals beschreven in paragraaf 92 van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, in slechte of matige staat verkeren;

  • 3. Om voor subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel c, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie van een rijksmonument;

    • b.

      de zelfstandig bouwkundige eenheid of het zelfstandig onderdeel maakt deel uit van de omschrijving van het monument in het Monumentenregister, of uit een bouwhistorisch onderzoek of een verklaring van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed blijkt dat de cultuurhistorische waarde daarvan als hoog wordt aangemerkt;

    • c.

      de cultuurhistorische betekenis wordt door de restauratie niet geschaad;

    • d.

      in geval van een rijksmonument, niet zijnde een groen monument, is de restauratie technisch urgent.

    • e.

      in geval van een groen monument: uit een rapport van een deskundige blijkt dat de betreffende onderdelen van het monument, zoals beschreven in paragraaf 92 van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, in slechte of matige staat verkeren;

  • 4. Om voor subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel d, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie of reconstructie van dakbedekking, of delen daarvan, van een rijksmonumentale boerderij;

    • b.

      de traditionele dakbedekking wordt gerestaureerd of de bestaande niet traditionele dakbedekking wordt vervangen door traditionele dakbedekking;

    • c.

      indien en voor zover de bestaande dakbedekking wordt gerestaureerd, is die dakbedekking in een rapport van de Monumentenwacht aangemerkt als matig of slecht.

Artikel 2.1.4 Subsidiabele en niet subsidiabele kosten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de restauratiekosten als bedoeld in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, voor zover die kosten technisch noodzakelijk, sober en doelmatig zijn.

  • 2. Wanneer sprake is van een klinkend monument kan tevens subsidie worden verstrekt voor de kosten als bedoeld in de Nota Klinkende Monumenten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (2007).

  • 3. Wanneer sprake is van een groen monument kan, in afwijking van het eerste lid, uitsluitend subsidie worden verstrekt voor de kosten van de onderdelen zoals genoemd in paragraaf 92 van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten.

  • 4. Wanneer sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel d, kan tevens subsidie worden verstrekt voor:

    • i.

      de kosten van restauratie van onder de betreffende dakbedekking gelegen panlatten, rietlatten, stopriet, spreilaag, tengels, juffers en sporen indien en voor zover die onderdelen in een rapport van de Monumentenwacht zijn aangemerkt als matig of slecht;

    • ii.

      de kosten van reconstructie als bedoeld in dat onderdeel.

  • 5. Kosten die reeds zijn gesubsidieerd op grond van de Subsidieregeling instandhouding monumenten komen niet voor subsidie in aanmerking.

  • 6. De kosten voor werkzaamheden waarmee al een aanvang is gemaakt voordat de subsidieaanvraag is ingediend, of nadat de aanvraag is ingediend en voordat een beslissing op de aanvraag is genomen, komen slechts voor subsidie in aanmerking indien gedeputeerde staten positief hebben beslist op een nadrukkelijk schriftelijk verzoek daartoe.

  • 7. Indien en voor zover de subsidiabele kosten uit de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten op grond van een bepaling uit paragraaf 2.3 van de UAsv niet voor subsidie in aanmerking zouden komen, blijft die bepaling op grond van artikel 5.1 UAsv jo. artikel 4.1, eerste lid, onderdeel a en b, Asv in zoverre buiten toepassing.

Artikel 2.1.5 Subsidiehoogte

  • 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel a, bedraagt maximaal 65% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 500.000.

  • 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel b, niet zijnde een rijksmonumentale molen, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 500.000.

  • 3. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel b, die betrekking hebben op een rijksmonumentale molen, bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 500.000.

  • 4. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel c, bedraagt:

    • a.

      in geval van een rijksmonument, niet zijnde een molen, maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 250.000.

    • b.

      in geval van een rijksmonumentale molen, maximaal 60% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 250.000.

  • 5. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, onderdeel d, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 25.000.

Artikel 2.1.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De volgende verplichtingen zijn op de subsidie van toepassing:

    • a.

      indien de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt vergunningplichtig zijn, mag pas met die werkzaamheden worden gestart nadat de benodigde vergunning is verleend;

    • b.

      onverminderd paragraaf 2.4 van de Asv doet de subsidieontvanger onverwijld schriftelijk melding aan gedeputeerde staten, zodra aannemelijk is dat de werkelijke kosten die met de activiteiten zijn gemoeid in totaal 20% lager zullen uitvallen dan de begrote kosten, zoals deze in de aanvraag waren opgenomen;

    • c.

      de activiteiten worden uitgevoerd onder directievoering van een architect;

    • d.

      de subsidieontvanger laat controle toe op de uitvoering van een project, door rijk, provincie en gemeente;

    • e.

      met de gesubsidieerde restauratiewerkzaamheden wordt gestart binnen twee jaar na de datum van subsidieverlening;

    • f.

      de activiteiten worden voltooid binnen drie jaar na de datum van subsidieverlening;

    • g.

      de subsidieontvanger bewaart en onderhoudt het monument voor de duur van ten minste vijf jaar na het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, conform de staat waarin het door die activiteiten is gebracht;

    • h.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de in de beroepsgroep van restauratiebedrijven geldende normen;

    • i.

      voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden wordt het project aangemeld bij Restauratie Opleidingsprojecten (ROP). De subsidieontvanger is verplicht ROP-leerlingen desgewenst ervaring te laten opdoen met restauratiewerkzaamheden door deze te betrekken bij de uitvoering van de werkzaamheden. Deze verplichting is niet van toepassing indien en voor zover de subsidie betrekking heeft op een groen monument;

    • j.

      de subsidieontvanger zorgt na het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend dat het monument voor de duur van ten minste vijf jaar ten minste drie dagen per jaar openbaar toegankelijk is. Indien het monument voor wonen of een bedrijf wordt gebruikt geldt in plaats van deze verplichting dat subsidieontvanger voor de duur van ten minste vijf jaar het monument aanmeldt en openstelt voor de jaarlijkse Open Monumentendag;

  • 2. De verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en i, zijn niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onderdeel d.

  • 3. Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van het eerste lid, onderdeel c, indien naar hun oordeel blijkt dat de restauratie onder begeleiding van een organisatie plaatsvindt waarvan de deskundigheid op dit terrein genoegzaam is gebleken. Toestemming behoeft niet te worden aangevraagd indien:

    • a.

      deze toestemming na 1 januari 2005 al een keer is verleend; of

    • b.

      de betreffende organisatie hiervoor is gecertificeerd door de stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg op grond van de Beoordelingsrichtlijn Erkend Monumenten Adviesbureau.

  • 4. Gedeputeerde staten kunnen de in het eerste lid, onderdeel f, bedoelde termijn op een daartoe strekkend schriftelijk gemotiveerd verzoek eenmalig verlengen met een termijn van maximaal één jaar. Dat verzoek bevat in ieder geval een toelichting over de voortgang van de activiteiten, de reden van de opgelopen vertraging en de verwachte duur van de vertraging.

  • 5. Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van het eerste lid, onderdeel i, indien naar hun oordeel blijkt dat de activiteiten niet geschikt zijn voor deze verplichting of wanneer uit een verklaring van het opleidingsinstituut blijkt dat er geen leerlingen kunnen worden geleverd voor de activiteiten.

  • 6. Gedeputeerde staten kunnen de subsidieontvanger de verplichting opleggen om:

    • a.

      mee te werken aan een onderzoek naar de ontstaans-, bouw- en bewoningsgeschiedenis van het monument;

    • b.

      tussentijds te berichten over de voortgang van de werkzaamheden;

    • c.

      voorafgaande aan de uitvoering een afstemmingsoverleg met de provinciale dienst te voeren.

Paragraaf 2.2 Restauratie gemeentelijke monumenten en herstel boerderijdaken gemeentelijke monumenten

Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

      de restauratie bij herbestemming van een gemeentelijk monument;

    • b.

      de restauratie van een gemeentelijk monument;

    • c.

      een deelrestauratie van een gemeentelijk monument;

    • d.

      herstel van het dak van een boerderij die is aan te merken als gemeentelijk monument.

  • 2. Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde onderdeel kan ook een groen monument betreffen.

  • 3. Geen subsidie wordt verstrekt voor een woonhuis of oorspronkelijk woonhuis.

Artikel 2.2.2 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Asv wordt de subsidieaanvraag geweigerd indien:

  • a.

    de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van de Omgevingswet of een gemeentelijke monumentenverordening en geen vergunning is aangevraagd op het moment van indiening van de subsidieaanvraag, of de vergunning is geweigerd;

  • b.

    niet wordt voldaan aan de toetsingscriteria als bedoeld in artikel 2.2.3;

  • c.

    de aanvraag is ontvangen of ingediend buiten het tijdvak waarvoor gedeputeerde staten het subsidieplafond hebben vastgesteld;

  • d.

    de werkzaamheden betrekking hebben op een monument dat eigendom is van een overheid of door een overheid gebruikt wordt voor haar publieke taken;

  • e.

    het te verstrekken subsidiebedrag minder dan € 5.000 bedraagt;

  • f.

    de activiteiten betrekking hebben op een woonhuis of een oorspronkelijk woonhuis.

  • g.

    bij schade alle subsidiabele kosten door een verzekering worden gedekt.

Artikel 2.2.3 Toetsingscriteria

  • 1. Om voor subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de werkzaamheden hebben betrekking op een gemeentelijk monument;

    • b.

      er is sprake van herbestemming;

    • c.

      de cultuurhistorische betekenis wordt door de herbestemming niet geschaad;

    • d.

      voorafgaand aan de planvorming tot herbestemming is een bouwhistorisch onderzoek verricht en het resultaat hiervan heeft aantoonbaar onderdeel uitgemaakt van de planvorming tot herbestemming;

    • e.

      indien de aanvraag betrekking heeft op een herbestemming naar wonen worden ten minste drie woningen gerealiseerd.

  • 2. Om voor subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onderdeel b of c, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie van een gemeentelijk monument;

    • b.

      de cultuurhistorische betekenis wordt door de restauratie niet geschaad;

    • c.

      in geval van een monument, niet zijnde een groen monument, is de restauratie technisch urgent;

    • d.

      in geval van een groen monument, verkeren de betreffende onderdelen van het monument, zoals beschreven in paragraaf 92 van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, in slechte of matige staat.

  • 3. Om voor subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onderdeel d, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag heeft betrekking op de restauratie of reconstructie van dakbedekking, of delen daarvan, van een boerderij die is aangewezen als gemeentelijk monument;

    • b.

      de traditionele dakbedekking wordt gerestaureerd of de bestaande niet traditionele dakbedekking wordt vervangen door traditionele dakbedekking;

    • c.

      indien en voor zover de bestaande dakbedekking wordt gerestaureerd, is die dakbedekking in een rapport van de Monumentenwacht aangemerkt als matig of slecht.

Artikel 2.2.4 Subsidiabele kosten

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de restauratiekosten als bedoeld in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, voor zover die kosten technisch noodzakelijk, sober en doelmatig zijn.

  • 2. Wanneer sprake is van een klinkend monument kan tevens subsidie worden verstrekt voor de kosten zoals genoemd in de Nota Klinkende Monumenten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (2007).

  • 3. Wanneer sprake is van een groen monument kan, in afwijking van het eerste lid, uitsluitend subsidie worden verstrekt voor de kosten van de onderdelen zoals genoemd in paragraaf 92 van de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten.

  • 4. Wanneer sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onderdeel d, kan tevens subsidie worden verstrekt voor:

    • a.

      de kosten van restauratie van onder de betreffende dakbedekking gelegen panlatten, rietlatten, stopriet, spreilaag, tengels, juffers en sporen indien en voor zover die onderdelen in een rapport van de Monumentenwacht zijn aangemerkt als matig of slecht;

    • b.

      de kosten van reconstructie als bedoeld in dat onderdeel.

  • 5. De kosten voor werkzaamheden waarmee al een aanvang is gemaakt voordat de aanvraag is ingediend, of nadat de aanvraag is ingediend en voordat een beslissing op de aanvraag is genomen, komen slechts voor subsidie in aanmerking indien gedeputeerde staten positief hebben beslist op een nadrukkelijk schriftelijk verzoek daartoe.

  • 6. Indien en voor zover de subsidiabele kosten uit de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten op grond van een bepaling uit paragraaf 2.3 van de UAsv niet voor subsidie in aanmerking zouden komen, blijft die bepaling op grond van artikel 5.1 UAsv jo. artikel 4.1, eerste lid, onderdeel a en b, Asv in zoverre buiten toepassing.

Artikel 2.2.5 Subsidiehoogte

  • 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onderdeel a, bedraagt maximaal 65% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 25.000,-.

  • 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onderdelen b en d, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 25.000,-.

  • 3. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onderdeel c, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 12.500,-.

Artikel 2.2.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De volgende verplichtingen zijn aan de subsidie verbonden:

    • a.

      indien de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt vergunningplichtig zijn, mag pas met die werkzaamheden worden gestart als de benodigde vergunning is verleend.

    • b.

      onverminderd paragraaf 2.4 van de Asv doet de subsidieontvanger onverwijld schriftelijk melding aan gedeputeerde staten, zodra aannemelijk is dat de werkelijke kosten die met de activiteiten zijn gemoeid in totaal 20% lager zullen uitvallen dan de begrote kosten, zoals deze in de aanvraag waren opgenomen;

    • c.

      de subsidieontvanger laat controle toe op de uitvoering van een project, door rijk, provincie en gemeente;

    • d.

      met de gesubsidieerde restauratiewerkzaamheden wordt gestart binnen twee jaar na de datum van subsidieverlening;

    • e.

      de activiteiten worden voltooid binnen drie jaar na de datum van subsidieverlening;

    • f.

      de subsidieontvanger bewaart en onderhoudt het monument voor de duur van ten minste vijf jaar na het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, conform de staat waarin het door die activiteiten is gebracht;

    • g.

      de werkzaamheden worden uitgevoerd volgens in de beroepsgroep van restauratiebedrijven geldende normen;

    • h.

      de subsidieontvanger zorgt na het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, dat het monument ten minste drie dagen per jaar openbaar toegankelijk is. Indien het monument voor wonen of bedrijf wordt gebruikt dient het monument gedurende vijf jaar te worden aangemeld en opengesteld voor de jaarlijkse Open Monumentendag.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen de in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde termijn op een daartoe strekkend schriftelijk gemotiveerd verzoek eenmalig verlengen met een termijn van maximaal één jaar. Dat verzoek bevat in ieder geval een toelichting over de voortgang van de activiteiten, de reden van de opgelopen vertraging en de verwachte duur van de vertraging.

  • 3. Gedeputeerde staten kunnen toestemming verlenen af te wijken van het in het eerste lid, onderdeel h bepaalde, indien naar hun oordeel blijkt dat het monument niet geschikt is voor deze verplichting.

  • 4. Gedeputeerde staten kunnen de subsidieontvanger de verplichting opleggen om:

    • a.

      mee te werken aan een onderzoek naar de ontstaans-, bouw- en bewoningsgeschiedenis van het monument;

    • b.

      tussentijds te berichten over de voortgang van de werkzaamheden;

    • c.

      voorafgaande aan de uitvoering een afstemmingsoverleg met de provinciale dienst te voeren.

Paragraaf 2.3 Onderhoud rijksmonumentale molens

Artikel 2.3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor het onderhoud van een rijksmonumentale molen.

Artikel 2.3.2 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Asv wordt de subsidieaanvraag geweigerd indien:

  • a.

    de werkzaamheden in overwegende mate gericht zijn op reconstructie;

  • b.

    de werkzaamheden gericht zijn op het verplaatsen van een molen;

  • c.

    de werkzaamheden gericht zijn op de restauratie van een molen;

  • d.

    de aanvraag is ontvangen of ingediend buiten het tijdvak waarvoor gedeputeerde staten het subsidieplafond hebben vastgesteld;

  • e.

    de werkzaamheden betrekking hebben op een monument dat eigendom is van een overheid of door een overheid gebruikt wordt voor haar publieke taken;

  • f.

    het te verstrekken subsidiebedrag minder dan € 500 bedraagt;

  • g.

    bij schade alle subsidiabele kosten door een verzekering worden gedekt.

Artikel 2.3.3 Toetsingscriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de molen is aangewezen als rijksmonument;

  • b.

    voor de molen is subsidie verstrekt op grond van de Subsidieregeling instandhouding monumenten en de looptijd van de betreffende subsidiebeschikking bedraagt ten tijde van de aanvraag nog minimaal één jaar.

Artikel 2.3.4 Subsidiabele kosten

  • 1. De subsidiabele kosten zijn de kosten die door het rijk subsidiabel zijn geacht in de lopende subsidiebeschikking op grond van de Subsidieregeling instandhouding monumenten.

  • 2. Indien en voor zover de in het eerste lid bedoelde kosten op grond van een bepaling uit paragraaf 2.3 van de UAsv niet voor subsidie in aanmerking zouden komen, blijft die bepaling op grond van artikel 5.1 UAsv jo. artikel 4.1, eerste lid, onderdeel a en b, Asv in zoverre buiten toepassing.

Artikel 2.3.5 Subsidiehoogte

De subsidie bedraagt maximaal 15% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 500 en een maximum van € 10.875.

Artikel 2.3.6 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De volgende verplichtingen zijn aan de subsidie verbonden:

    • a.

      de subsidieontvanger laat controle toe op de uitvoering van een project, door rijk, provincie en gemeente;

    • b.

      de activiteiten worden voltooid binnen de termijn genoemd in de lopende subsidiebeschikking op grond van de Subsidieregeling instandhouding monumenten;

    • c.

      de subsidieontvanger bewaart en onderhoudt het monument voor de duur van ten minste vijf jaar na het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, conform de staat waarin het door die activiteiten is gebracht.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde termijn op een daartoe strekkend schriftelijk gemotiveerd verzoek eenmalig verlengen met een termijn van maximaal één jaar. Dat verzoek bevat in ieder geval een toelichting over de voortgang van de activiteiten, de reden van de opgelopen vertraging, de verwachte duur van de vertraging en een afschrift van het verlengingsbesluit van het Rijk.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 3.1 Intrekking oude regeling en overgangsrecht

De Subsidieregeling monumenten Fryslân 2025 wordt ingetrokken, met dien verstande dat die regeling van toepassing blijft op subsidies die op grond van die regeling zijn verstrekt.

Artikel 3.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling monumenten Fryslân 2026.

Ondertekening

Leeuwarden, 12 mei 2026

Voorzitter drs. A.A.M. Brok

Secretaris J. Algra

Toelichting

Algemeen

Woonhuizen en oorspronkelijke woonhuizen niet subsidiabel

Op grond van deze regeling is het niet mogelijk subsidie te ontvangen voor activiteiten die betrekking hebben op een woonhuis of oorspronkelijk woonhuis. Voor de restauratie van rijksmonumentale woonhuizen kan een laagrentende lening worden afgesloten bij het Nationaal Restauratiefonds. Daarnaast kan voor onderhoud subsidie aangevraagd worden bij het Rijk (voorheen fiscaal aftrekbaar). Ten behoeve van gemeentelijke monumenten kan een laagrentende lening worden afgesloten via het Cultuurfonds voor Monumenten Fryslân. Mogelijk kan ook aanspraak worden gemaakt op een gemeentelijke subsidie.

Woonhuizen

Onder het begrip woonhuis vallen in de eerste plaats gebouwen die op het moment van de subsidieaanvraag uitsluitend voor wonen zijn bestemd. Dat moet blijken uit het ter plaatse geldende Omgevingsplan van de betreffende gemeente. Als ter plaatse geen ander gebruik dan wonen is toegestaan, is sprake van een woonhuis. Een subsidieaanvrager kan eventueel met een vergunning die is verleend in afwijking van het Omgevingsplan (of van een bestemmingsplan) aantonen dat niettemin een ander gebruik dan wonen is toegestaan. In dat geval is het gebouw (toch) niet uitsluitend voor wonen bestemd.

Verder worden als woonhuis aangemerkt gebouwen die voor de helft of meer van de oppervlakte feitelijk voor bewoning worden gebruikt of voor de helft of meer geschikt zijn voor bewoning. Met ‘geschikt zijn’ wordt bedoeld dat het gebouw is ingericht voor bewoning, met de daarvoor benodigde voorzieningen zoals bijvoorbeeld een keuken en een badkamer. Het feit dat een pand ten tijde van de subsidieaanvraag (tijdelijk) leeg staat, omdat de huurders bijvoorbeeld zijn vertrokken, doet bijvoorbeeld niet af aan het karakter als woonhuis.

Voor het bepalen van de oppervlakte worden alle ruimtes die behoren bij de woonfunctie, zoals kelders, zolders, bergingen en garages, ook meegenomen.

In de begripsbepalingen is een aantal limitatief geformuleerde uitzonderingen opgenomen van gevallen die (toch) niet als woonhuis als bedoeld in de regeling worden aangemerkt, ook als zij wel uitsluitend voor wonen zijn bestemd of voor meer dan de helft worden bewoond of geschikt zijn. Voor die uitzonderingsgevallen gelden meestal grotere instandhoudingsopgave en beperktere exploitatiemogelijkheden dan bij andere monumenten. Dit hangt samen met hun omvang, constructiewijze of de aanwezigheid van specifieke monumentale waarden die de gebruiksmogelijkheden beperken. Beschermde monumenten die deel uitmaken van een in het Museumregister Nederland geregistreerd museum worden niet aangemerkt als woonhuis omdat de eigenaren van deze monumenten – vaak stichtingen – veelal geen recht hebben op fiscale aftrek van onderhoudskosten, en zij doorgaans beperkte inkomsten hebben.

Oorspronkelijke woonhuizen

Van belang is dat ook geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die betrekking hebben op oorspronkelijke woonhuizen. Dat zijn gebouwde monumenten, dan wel een zelfstandig bouwkundige eenheid van gebouwde monumenten, die in oorsprong geheel of gedeeltelijk voor wonen zijn gebouwd. Dat zijn bijvoorbeeld pastorieën, kosterswoningen die niet in kerkelijk gebruik zijn, dienstwoningen bij ensembles (zoals koetsierswoningen en tuinmanswoningen van buitenplaatsen of parken, of wachterswoningen bij bruggen of sluizen). Dergelijke gevallen worden altijd als woonhuis aangemerkt, ook als zij onder één monumentnummer staan geregistreerd met het gebouw waar zij bij horen.

Het gaat bij deze categorie gebouwen, behalve om monumenten die geheel als woonhuis zijn vervaardigd, ook om monumenten met in oorsprong gemengde functies, zoals: wonen/horeca, wonen/kantoor, wonen/pakhuis, wonen/werken en wonen/winkel.

Of sprake is van een oorspronkelijk woonhuis, kan uit verschillende omstandigheden blijken. Voor rijksmonumenten is de informatie die in het Rijksmonumentenregister is opgenomen leidend. Voor gemeentelijke monumenten kan gebruik worden gemaakt van de informatie op www.monumenten.nl, van een gemeentelijke monumentenlijst of van originele bouwtekeningen van het betreffende gebouw.

Voor oorspronkelijke woonhuizen geldt dat in de begripsbepalingen dezelfde limitatief geformuleerde uitzonderingen zijn opgenomen, als die bij de definitie van woonhuis.

Subsidiabele kosten

De instandhouding van monumenten is een gezamenlijke opgave van onder meer Rijk en provincies. Daarover zijn afspraken gemaakt met het Rijk. Bovendien bekostigt het Rijk een deel van de subsidiemiddelen die beschikbaar zijn op grond van deze regeling. Het is om die reden wenselijk dat de regels van Rijk en provincie zoveel mogelijk gelijk zijn. Dat geldt met name voor de kosten waarvoor subsidie kan worden verstrekt. In het kader van de uniformiteit is niet wenselijk dat bepaalde kosten door het Rijk wel subsidiabel worden gesteld, maar de provincie diezelfde soort kosten niet subsidieert. Om die reden wordt voor de subsidiabele kosten verwezen naar de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, die onderdeel uitmaakt van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (SIM) van het Rijk.

Van belang is dat alleen subsidie wordt verstrekt voor de in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten genoemde kosten, voor zover die kosten technisch noodzakelijk, sober en doelmatig zijn. Sober en doelmatig houdt in dit verband in dat de werkzaamheden gericht moeten zijn op maximaal behoud van monumentale waarden, dat ze op een vakkundige wijze worden uitgevoerd en dat met de werkzaamheden verval en vervolgschade worden voorkomen. Behoud gaat hierbij vóór herstel, herstel vóór vervanging en vervanging vóór reconstructie. Het reconstrueren van monumenten is in beginsel niet subsidiabel.

Bij (materiaal)technisch noodzakelijk gebleken vervanging dienen de nieuwe onderdelen in materiaal, vorm, detaillering, uitvoering, afwerking én kwaliteit zoveel mogelijk overeen te komen met de afkomende, te vervangen onderdelen. Van geval tot geval zal een gedegen afweging moeten plaatsvinden of onderdelen of elementen gereconstrueerd mogen en kunnen worden en zo ja op welke manier.

Het is uiteindelijk ter beoordeling van gedeputeerde staten of aan voornoemde uitgangspunten wordt voldaan. Een restauratieplan wordt op deze punten getoetst aan de hand van de bevindingen in het inspectierapport en detailfoto’s van de gebreken enerzijds en de in het plan opgenomen werkzaamheden anderzijds.

Denkbaar is dat bepaalde kosten uit die Leidraad (toch) niet voor subsidie in aanmerking zouden komen, omdat een bepaling uit paragraaf 2.3 van de UAsv daaraan in de weg staat. Gelet op het voorgaande is dat niet wenselijk. Om die reden is besloten de betreffende bepaling uit paragraaf 2.3 UAsv buiten toepassing te laten indien en voor zover mocht blijken dat toepassing van die bepaling zou leiden tot het weigeren van subsidie voor kosten die wel subsidiabel zouden zijn op grond van de regeling i.c.m. de Leidraad. Dat kan zowel op grond van artikel 5.1 UAsv jo. artikel 4.1, eerste lid, onderdeel a, Asv, omdat de bepalingen van deze regeling ten behoeve van de uniformiteit zijn opgesteld in samenwerking met het Rijk, als op grond van artikel 5.1 UAsv jo. artikel 4.1, eerste lid, onderdeel b, Asv, omdat de subsidie op grond van deze regeling wordt verstrekt voor activiteiten waarvoor ook het Rijk subsidie verstrekt (op grond van de SIM) en het in het kader van de uniformiteit wenselijk is die regels op dit onderdeel te volgen.

Eigendommen van overheden

Voor monumenten die eigendom zijn van overheidsorganisaties, zoals gemeenten, waterschappen en zelfstandige bestuursorganen, is geen subsidie beschikbaar. Van overheden wordt verwacht dat zij hun monumentale gebouwen en bouwwerken binnen de reguliere exploitatie en onderhoudsplannen opnemen met voldoende waarborgen ten aanzien van het behoud van de monumentale kwaliteiten en financiële middelen. Ook uitgezonderd zijn monumenten die weliswaar niet in direct eigendom zijn van overheden, maar van bijvoorbeeld een gemeentelijke stichting, maar wel in gebruik zijn bij de overheid of door een overheid gebruikt wordt voor haar publieke taken. Voorbeeld hiervan zijn bruggen of sluizen. Overheidseigendommen dienen door de desbetreffende organisatie zelt onderhouden en gerestaureerd te worden.

Technische urgentie

Alleen subsidieaanvragen die betrekking hebben op zeer restauratiebehoeftige monumenten komen voor restauratiesubsidie in aanmerking. Hierbij is ervoor gekozen prioriteit te geven aan monumenten die in matige of slechte staat verkeren blijkens een rapport van de Monumentenwacht. Voor restauratie bij herbestemming geldt het technisch urgentie-criterium niet. Dit hangt samen met de provinciale doelstelling om herbestemming van panden mogelijk te maken.

Voor het beoordelen van de staat van het casco hanteert de Monumentenwacht de criteria die staan in het Inspectie Handboek. Met behulp van de in dat handboek opgenomen kwaliteitsomschrijvingen kan per onderdeel van het monument worden beoordeeld wat het kwaliteitsbeeld daarvan is: goed, redelijk, matig of slecht. Om te kunnen spreken van een technische urgentie tot restauratie als bedoeld in deze regeling, moet het casco van het betreffende monument, zelfstandig onderdeel of zelfstandig bouwkundige eenheid waarvoor subsidie wordt aangevraagd in het inspectierapport van de Monumentenwacht zijn aangeduid als matig of slecht. In andere gevallen wordt de subsidie geweigerd.

Indieningstermijn

Wanneer een aanvraag te vroeg of te laat is gedaan, zal deze worden geweigerd. Voor de volgorde van registratie en behandeling van de aanvragen wordt uitgegaan van de ontvangsttheorie. Dat wil zeggen dat de datum van ontvangst van de volledige aanvragen bepalend is voor de volgorde waarin de subsidies worden verdeeld. Aanvragen worden per datum en niet per tijdstip geregistreerd omdat het niet mogelijk is om gelijke behandeling te garanderen voor alle mogelijkheden waarop de aanvragen kunnen binnenkomen (elektronisch fax, post, persoonlijk afgeven). Elke aanvraag die op eenzelfde dag binnenkomt, wordt daarom zonder tijdstip geregistreerd. Let op dat de aanvraag de juiste handtekeningen bevat en dat deze alle handtekeningen bevat conform de statuten. Aanvragen waar handtekeningen ontbreken worden gezien als niet- volledige aanvragen.

Loting

Uitgegaan wordt van een stelsel waarin de beschikbare bedragen worden verdeeld naar volgorde van ontvangst. Niet uitgesloten is dat op dezelfde dag meerdere subsidieaanvragen binnenkomen en dat honorering van al deze aanvragen tot een overschrijding van het voor die categorie betreffende subsidieplafond zou leiden. Daarom is een voorziening opgenomen om voor die situatie een nadere rangorde aan te kunnen brengen in de aanvragen van de desbetreffende dag. Deze rangorde wordt bepaald door middel van loting van volledige aanvragen. De loting bepaalt de volgorde waarin de subsidieaanvragen worden behandeld; niet het tijdstip van indiening. Alle aanvragen die op dezelfde dag zijn ingediend, maken gelijke kans om voor subsidie in aanmerking te komen. Het maakt niet uit hoe snel de aanvraag is ingediend. Ook het indienen van meerdere aanvragen beïnvloedt de loting niet: per aanvrager wordt slechts één subsidieaanvraag in behandeling genomen. Indien een aanvraag dient te worden aangevuld wegens onvolledigheid, geldt voor de verdeelsystematiek de datum van ontvangst van de aanvulling, als datum van ontvangst van de aanvraag.

Uitvoeringstermijn

De uitvoering mag niet langer dan een periode van drie (3) jaar beslaan, te rekenen vanaf de datum van de subsidiebeschikking. Die termijn is bepaald omdat onwenselijk wordt geacht dat subsidiegeld jarenlang wordt ‘opgespaard’. Verlenging van die termijn is slecht mogelijk met maximaal één jaar en alleen op uitdrukkelijk en gemotiveerd schriftelijk verzoek daartoe. Hiermee wordt beoogd (nagenoeg) obstakelvrije restauratieplannen te stimuleren. Dit wordt mede ingegeven door de wens van het stimuleren van de economie.

Gewijzigde omstandigheden: meldingsplicht

Er kunnen zich na subsidieverlening gewijzigde omstandigheden voordoen. Zodra zo’n omstandigheid zich na het indienen van de aanvraag of na de subsidieverlening voordoet, dient dit onverwijld aan gedeputeerde staten te worden bericht. Zo’n omstandigheid kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de eigenaar bij nader inzien besluit de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend op een later tijdstip uit te voeren, of andere werkzaamheden uit te voeren dan waarvoor subsidie is verleend. Ook is bijvoorbeeld denkbaar dat het monument is verwoest, sloop wordt overwogen of de eigenaar in surséance van betaling is geraakt of diens faillissement wordt uitgesproken. Al dit soort (en andere) gewijzigde omstandigheden moeten onverwijld worden gemeld.

Naast deze algemene meldingsplicht is in de regeling een specifieke meldingsplicht opgenomen voor de situatie dat de werkelijke kosten fors lager (20% of meer) uitvallen dan begroot.

Het is belangrijk om altijd te voldoen aan de meldingsplicht. Het niet voldoen aan deze plicht kan eventueel gevolgen hebben voor de verstrekte subsidie, waarbij geldt dat de gevolgen van schending van de meldingsplicht bovenop de eventuele gevolgen komen die voortvloeien uit de omstandigheden waarvoor de melding is gedaan. Het loont dus niet om een melding achterwege te laten. Daarnaast kan een tijdige melding, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, mogelijk leiden tot een tussentijdse wijziging van de subsidie zonder (grote) gevolgen voor het subsidiebedrag. Bij een te late melding zijn gedeputeerde staten in ieder geval minder coulant. Door tijdig te melden is de kans bovendien kleiner dat u aan het einde van het subsidietraject, bij de vaststelling, voor vervelende verrassingen komt te staan.

Paragraaf 2.1 Restauratie rijksmonumenten en herstel daken van rijksmonumentale boerderijen

Restauratie bij herbestemming

Het provinciebestuur wil de restauratie en het vernieuwend hergebruik van monumenten stimuleren. Dit sluit ook aan op één van de pijlers uit de Modernisering Monumentenzorg door het Rijk. In de regeling wordt dit gestimuleerd door een hoger subsidiepercentage van 65% in plaats van 50% en behoeft niet te worden voldaan aan het criterium van technische urgentie.

Vooraf bouwhistorisch onderzoek

Bij een herbestemming is de kans groot dat er een behoorlijke bouwkundige ingreep plaatsvindt. Het is belangrijk dat er dan zorgvuldig met de monumentale waarden wordt omgegaan. Bij een herbestemming dient voorafgaande aan de planvorming een bouwhistorische onderzoek te worden uitgevoerd. Met deze bepaling wordt beoogd het bouwhistorisch onderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming te stimuleren. Daarmee kunnen de monumentale waarden tijdig worden gesignaleerd en in de planvorming worden betrokken. Dit is van belang voor het ontwerpproces alsook voor de toetsing van plan in een eventuele vergunningprocedure.

Bouwhistorisch onderzoek is een specialisme dat belangenvrij dient te worden uitgevoerd. Om die reden dient het bouwhistorisch onderzoek te worden uitgevoerd door een onafhankelijk(e) ter zake deskundig onderzoeker of onderzoeksbureau. De bouwhistorisch onderzoeker mag dus geen rol hebben in de totstandkoming of toetsing van het ontwerp of bij de uitvoering van de beoogde werkzaamheden.

Herstel daken van rijksmonumentale boerderijen

Monumentale boerderijen hebben een bijzondere plaats in de Friese geschiedenis en het Friese landschap. Zij zijn daarmee een belangrijk onderdeel van de Friese identiteit. De provincie vindt het daarom belangrijk dat deze boerderijen behouden blijven. Voor de restauratie daarvan kan onder voorwaarden aanspraak worden gemaakt op de ‘gewone’ subsidie voor rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten als bedoeld in deze regeling. Om voor die subsidie in aanmerking te komen, moet het (gehele) casco van de boerderij in matige of slechte staat verkeren. Voor diverse monumentale boerderijen geldt echter dat (met name) de staat van het dak problematisch is, zonder dat gelijk het hele casco van de boerderij matig of slecht is. Die gevallen komen dan dus niet voor de ‘gewone’ Sumo subsidie in aanmerking.

Gelet op het hiervoor genoemde belang van Friese monumentale boerderijen, het prominente beeld dat de daken van die boerderijen innemen en de ten opzichte van veel andere gevallen relatief hoge kosten die herstel van dergelijke daken met zich brengt, is besloten voor deze categorie een afzonderlijke subsidie beschikbaar te stellen. Dat betekent dat binnen de Sumo tevens subsidie kan worden verstrekt voor het herstellen van daken van rijksmonumentale boerderijen, of delen daarvan. Die subsidie kent grote gelijkenissen met de vroegere ‘dakenregeling’ (de Subsydzjeregeling Dakken Fryske Pleatsen).

De subsidie is primair gericht op het herstellen van de dakbedekking (de dakpannen of het riet) van of naar traditionele dakbedekking. Dat kan voor het gehele dak, of voor een of meerdere dakvlakken.

Bij herstel van of naar traditionele rieten dakbedekking wordt gebruik gemaakt van natuurriet. Bij herstel van of naar een traditioneel pannendak wordt gebruik gemaakt van dakpannen die wat betreft het type, de dikte, het formaat en de kleur met de (eventueel nog aanwezige) oorspronkelijke dakpannen (van vóór 1940) overeenkomen. Daarmee zijn uitgesloten pantypen die na de Tweede Wereldoorlog zijn ontwikkeld, zoals de (niet keramische) groot formaat of sneldekpannen en de Opnieuw Verbeterde Hollandse (OVH-)pan. Uiteraard verdient hergebruik de voorkeur, maar ook het gebruik van tweedehandse pannen van pantypen van vóór 1940 is toegestaan.

In feite kunnen zich twee situaties voordoen:

  • 1.

    De te herstellen dakbedekking is reeds aan te merken als traditionele dakbedekking. Voor het restaureren (herstellen of vervangen) daarvan kan subsidie worden verstrekt. Om te voorkomen dat bestaande traditionele dakbedekking onnodig wordt aangepakt, moet uit een rapport van de Monumentenwacht blijken dat de betreffende (delen van de) dakbedekking als matig of slecht is aangemerkt.

  • 2.

    De te herstellen dakbedekking is niet (meer) traditioneel. In dat geval kan alleen subsidie worden verstrekt voor het vervangen van die dakbedekking door traditionele dakbedekking. Dat komt in feite neer op reconstructie. De te vervangen dakbedekking hoeft niet matig of slecht te zijn. Het kan namelijk zo zijn dat de bestaande, niet traditionele, dakbedekking (bijv. tijdelijke golfplaten) op zichzelf niet in matig of slechte staat verkeert. Toch draagt het vervangen daarvan door traditionele dakbedekking bij aan het herstel naar de Friese identiteit en daarmee aan het doel van de subsidie.

In beide gevallen komen primair de kosten voor het restaureren (1) of reconstrueren (2) van de dakbedekking voor vergoeding in aanmerking. In aanvulling daarop kan eventueel ook subsidie worden verkregen voor de kosten van restauratie (herstel of vervanging) van de onder de dakbedekking gelegen panlatten, rietlatten, stopriet, spreilaag, tengels, juffers en sporen. Daarvan geldt wel dat die betreffende onderdelen in een rapport van de Monumentenwacht moeten zijn aangemerkt als matig of slecht.

Bij een aanvraag voor dit onderdeel kan, in plaats van een sluitende begroting (als onderdeel van het verplicht in te dienen restauratieplan) worden volstaan met een uitgewerkte offerte.

Architect

Restauratieplan met ontwerpopgave

Ten behoeve van de kwaliteitsborging dient het restauratieplan van monumenten te worden opgesteld door een architect, indien er sprake is van een ontwerpopgave.

Uitvoering

Restauraties van monumenten mogen alleen worden uitgevoerd onder directievoering van een architect. De veelal specialistische opgave van de restauratie al of niet in combinatie met herbestemming vergt de begeleiding van een architect. Ontheffing is mogelijk wanneer de restauratie wordt begeleid door een organisatie waarvan, naar het oordeel van gedeputeerde staten, ‘de deskundigheid op dit terrein genoegzaam is gebleken’. In algemene zin wordt geen (structurele) toestemming verleend om de restauratie onder begeleiding van een andere organisatie plaats te laten vinden. De verzoeken worden van geval tot geval beoordeeld. Met name als sprake is van een restauratieplan met ontwerpopgave wordt terughoudend omgegaan met het verlenen van toestemming, omdat het opstellen van een restauratieplan en de directievoering naar het oordeel van gedeputeerde staten zoveel mogelijk in één hand dienen te blijven.

Voor restauratie of reconstructie van boerderijdaken geldt een uitzondering op de verplichting om een architect in te schakelen. Met name omdat de kosten van inzet van een architect niet opwegen tegen het relatief beperkte subsidiebedrag dat voor die activiteit kan worden verkregen.

Kwaliteitsnormen

De subsidieontvanger is verplicht de werkzaamheden uit te laten voeren volgens de in de beroepsgroep van restauratiebedrijven geldende normen. Hieronder worden de zogenaamde Uitvoeringsrichtlijnen (URL) begrepen zoals die door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) in samenwerking met de beroepsgroep zijn opgesteld. Ook heeft de ERM een erkenningsregeling voor bedrijven werkzaam in de restauratiesector. Op de website van de stichting staan per branche bedrijven die erkend zijn op basis van een erkenningsrichtlijn. Meer info over de Uitvoeringsrichtlijn en erkenning is te vinden op https://www.stichtingerm.nl/indexExterne link:http://www.stichtingerm.nl/indexhttps://www.stichtingerm.nl/index

Daarnaast is er met steun van het bedrijfsleven een onafhankelijke stichting tot stand gekomen die zich inzet voor restauratiekwaliteit en een openbaar register beheert waarin bedrijven zijn opgenomen die bewezen hebben om in de uitvoering kwaliteit te leveren voor restauratie van monumenten of op specifieke specialistische onderdelen daarvan. Dit is de Stichting Certificering Restauratie die op dit moment als werkgebied de provincies Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel heeft. Het register en informatie over de stichting is te vinden op: https://www.stichtingerm.nl/indexExterne link:http://www.screstauratie.nl/

Paragraaf 2.2 Restauratie gemeentelijke monumenten en herstel boerderijdaken gemeentelijke monumenten

De paragraaf voor gemeentelijke monumenten is op hoofdlijnen hetzelfde als die voor rijksmonumenten. Voor de toelichting wordt daarom verwezen naar het algemene deel van deze toelichting en de toelichting bij paragraaf 2.1. Anders dan voor (de meeste van) die rijksmonumenten, geldt voor gemeentelijke monumenten geen verplichting om een architect in te schakelen. Met name omdat de kosten van inzet van een architect niet opwegen tegen het relatief beperkte subsidiebedrag dat beschikbaar is voor gemeentelijke monumenten. Daarnaast geldt voor gemeentelijke monumenten dat zij, in plaats van een sluitende begroting (als onderdeel van het verplicht in te dienen restauratieplan) kunnen volstaan met een uitgewerkte offerte.