Beleidsregel rechtmatigheid gemeente Steenbergen

Geldend van 19-05-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel rechtmatigheid gemeente Steenbergen

Burgemeester en wethouders van Steenbergen in behandeling genomen de Beleidsregel rechtmatigheid gemeente Steenbergen;

gelet op: gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

BESLUIT:

De beleidsregel rechtmatigheid gemeente Steenbergen vast te stellen.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

  • 1. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen;

    • b.

      Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • c.

      jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

    • d.

      gift: een bijdrage of meerdere bijdragen met een onverplicht karakter als bedoeld in artikel 31 tweede lid onderdeel m van de wet;

    • e.

      kostenbesparingen: bijdragen voor algemeen noodzakelijke kosten van levensonderhoud bijvoorbeeld de betaling van de kosten van boodschappen, gas, elektriciteit, water of zorgpremie. Bijdragen van voedselbanken worden in het geheel niet in aanmerking genomen;

    • f.

      Wet: Participatiewet;

    • g.

      Wmo 2015: Wet maatschappelijk ondersteuning 2015;

    • h.

      zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de wet.

HOOFDSTUK 2. Giften en kostenbesparingen

Artikel 2. Giften en bijdragen die leiden tot een kostenbesparing

  • 1. Giften en kostenbesparingen worden niet tot de middelen gerekend voor zover de ontvangen giften en kostenbesparingen per uitkering en per kalenderjaar niet meer bedragen dan het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet. Als de uitkering gedurende het kalenderjaar is toegekend, geldt het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet voor de periode vanaf toekenning tot en met 31 december.

  • 2. Of een gift als vermogen of inkomen moet worden aangemerkt is pas van belang op het moment dat het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet wordt overschreden. Een gift is in ieder geval verantwoord zolang deze op jaarbasis niet meer is dan het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet. Dit betekent niet dat iedere gift boven het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet automatisch gekort moet worden. Tot het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid onderdeel m van de wet wordt vrijgelaten, daarboven vindt een maatwerkbeoordeling plaats.

  • 3. Bij giften hoger dan het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet is het karakter van de gift bepalend of de gift als inkomen of als vermogen wordt aangemerkt. Als er sprake is van een gift die als inkomen wordt aangemerkt, dan wordt deze gift in beginsel toegerekend aan de maand van ontvangst en verrekend met de uitkering. Als er sprake is van een gift die tot het vermogen wordt gerekend, wordt het in aanmerking te nemen bedrag op de dag van ontvangst gezien als een vermogensmutatie.

  • 4. Als er sprake is van een gift in de vorm (duurzame gebruiks)goederen dan wordt deze gift, voor zover deze in aanmerking wordt genomen, aangemerkt als vermogen. De waarde van deze gift wordt vastgesteld aan de hand van de Prijzengids zoals opgesteld door het NIBUD. Als de bijstandsgerechtigde met bewijsstukken aannemelijk kan maken dat de waarde in het vrije economisch verkeer anders is, dan wordt deze waarde gehanteerd. Als de waarde hoger is dan het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid onderdeel m van de wet dan wordt het meerdere opgeteld bij het vermogen.

  • 5. De waarde van giften in natura wordt indien mogelijk bepaald aan de hand van de Prijzengids zoals opgesteld door het NIBUD. Indien de bijstandsgerechtigde de beschikking heeft over aankoopbewijzen/facturen van de ontvangen giften, kunnen deze ter onderbouwing van de waarde van de ontvangen gift in natura als bewijsmiddel aangevoerd worden en wordt van die waarde uitgegaan. Voor wat betreft de schenking van een motorvoertuig, wordt gehandeld overeenkomstig wat is opgenomen in het uitvoeringsbeleid voertuigen ISD Brabantse Wal.

  • 6. Bij giften in natura hoger dan het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet is het karakter van de gift bepalend of de gift als inkomen of als vermogen wordt aangemerkt. Als er sprake is van een gift die als inkomen wordt aangemerkt, dan wordt deze gift in beginsel toegerekend aan de maand van ontvangst en verrekend met de uitkering. Als er sprake is van een gift die tot het vermogen wordt gerekend, wordt het in aanmerking te nemen bedrag op de dag van ontvangst gezien als een vermogensmutatie.

Artikel 3. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

  • 1. Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord en laat deze giften buiten beschouwing:

    • a.

      giften bedoeld voor een specifieke bestemming, waarvoor belanghebbende, indien hij of zij de gift niet had ontvangen, aanspraak zou kunnen maken op bijzondere bijstand op grond van de wet of een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015;

    • b.

      giften bedoeld voor medische kosten van een bijstandsgerechtigde of diens gezin én voor zover deze kosten niet worden vergoed vanuit de (aanvullende) zorgverzekering;

    • c.

      giften in natura in de vorm van verstrekking van de kledingbank of soortgelijke erkende instellingen;

    • d.

      giften van werkgevers voor werknemers als deze onbelast zijn;

    • e.

      bedragen die worden ontvangen ten behoeve van crowdfunding worden vrijgelaten als middelen voor de bijstand als is vastgesteld dat deze crowdfunding in het individuele geval en vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. De bedragen mogen niet worden aangewend voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van de bijstandsgerechtigde. Als de bijstandsgerechtigde de bedragen wel hiervoor aanwendt, wordt overwogen de bedragen (alsnog) aan te merken als middelen voor de bijstand. Dit kan tot gevolg hebben dat het betreffende bedrag alsnog wordt beoordeeld als een gift als bedoeld in artikel 31 tweede lid, onderdeel m Participatiewet.

  • 2. De belanghebbende dient in geval artikel 3 lid 1 sub a, b of e van toepassing is bewijsstukken te overleggen dat de gift gebruikt is voor dit betreffende doel. Voor zover de gift niet gebruikt is voor het betreffende doel, kan dit bedrag worden aangemerkt als middel voor de bijstand en alsnog worden beoordeeld als een gift als bedoeld in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet.

  • 3. De vrijlating op individuele gronden zoals bedoeld in lid 1 geldt niet voor kostenbesparingen.

Artikel 4. Meldplicht

Voor giften en kostenbesparingen tot het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet geldt geen meldplicht. Wanneer het bedrag genoemd in artikel 31 tweede lid, onderdeel m van de wet overschreden wordt, dient deze in overeenstemming met de inlichtingenplicht direct, dan wel binnen 28 dagen na ontvangst aan de ISD Brabantse Wal gemeld te worden door de belanghebbende(n).

HOOFDSTUK 3. Zoektermijn jongere

Artikel 5 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

  • 1. Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van tenminste een van de volgende omstandigheden:

    • a.

      de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;

    • b.

      de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:

      • 1.

        in een inrichting verbleven;

      • 2.

        opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1., van de Wmo 2015; of

      • 3.

        bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.

    • c.

      voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;

    • d.

      de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

    • e.

      de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;

    • f.

      de jongere die dakloos is of dreigt dakloos te worden;

    • g.

      de jongere die kampt met aantoonbare psychische problematiek;

    • h.

      de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding in detentie of jeugdzorg gezeten.

HOOFDSTUK 4. Vereenvoudigde aanvraagprocedure

Artikel 6 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem bekend zijn in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid van de wet te gebruiken, wanneer:

    • a.

      dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag; en,

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen 6 maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,

    • c.

      de voorgaande bijstandsverlening is beëindigd vanwege werkaanvaarding.

  • 2. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a.

      hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en vermogen.

  • 3. Als er wijzigingen zijn op één of meerdere gebieden genoemd in lid 2 leidt dit ertoe dat de aanvraag van belanghebbende als reguliere aanvraag wordt opgepakt.

  • 4. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid van de Ioaw.

HOOFDSTUK 5. Bijstand terugwerkende kracht

Artikel 7 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1. Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44 vijfde lid van de Wet als:

    • a.

      er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

      • 1.

        de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

      • 2.

        een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

      • 3.

        de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

      • 4.

        de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

    • b.

      er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

      • 1.

        het voorkomen van crisissituaties, te denken valt aan een huisuitzetting.

      • 2.

        De belanghebbende moet aantonen dat hij of zij in de betreffende periode recht op bijstand had én onderbouwen waarom de melding te laat was en waarom dat hem of haar niet kan worden verweten.

      • 3.

        Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal 3 maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

      • 4.

        Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 8 Hardheidsclausule

Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meerdere belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

Artikel 9 Intrekking beleidsregels vrijlating giften

De beleidsregel ''Beleidsregel vrijlating giften gemeente Steenbergen 2022'' wordt ingetrokken op de dag dat de Beleidsregel rechtmatigheid gemeente Steenbergen in werking treedt.

Artikel 10 Citeertitel, inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1. Deze beleidsregel kunnen worden aangehaald als ‘’Beleidsregels rechtmatigheid gemeente Steenbergen’’.

  • 2. Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 3. Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

Ondertekening

Steenbergen, 12 mei 2026

Hoogachtend,

Burgemeester en wethouders van Steenbergen,

De secretaris, De burgemeester,

A.N. Phaff- de Groot R.P. van den Belt, MBA