Verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening Noordenveld 2026

Geldend van 04-03-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening Noordenveld 2026

De raad van de gemeente Noordenveld;

gelezen het voorstel van de gemeente van het college van burgemeester en wethouders d.d. 27 januari 2026,

overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;

Het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de individuele voorzieningen en andere voorzieningen die door het college worden verleend, met betrekking tot de criteria voor toekenning, de beoordelingsprocedure en de factoren die worden overwogen bij een individuele voorziening, in overeenstemming met andere voorzieningen. Ook de procedure voor het bepalen van de hoogte van een persoonsgebonden budget moet worden vastgesteld om onterechte ontvangst van individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten, misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet tegen te gaan. Verder zijn er regels nodig om een goede verhouding tussen de prijs voor jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en de gestelde kwaliteitseisen te waarborgen;

dat van inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

Gelet op de artikelen 2.1.3, eerste, tweede en vierde lid, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; artikel 5.4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; de artikelen 2.9, 2.11, tweede lid, en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; artikel 4a Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de artikelen 121, 122, 147 en 150 van de Gemeentewet;

BESLUIT:

De Verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening Noordenveld 2026 vast te stellen.

HOOFDSTUK 1: BEGRIPPEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Voorzieningen;

  • a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau;

  • b.

    algemene voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015 en jeugdhulpvoorziening die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de inwoner, jeugdige of zijn ouders;

  • c.

    Andere voorziening: voorziening niet vallend onder de Wmo 2015 of de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.

  • d.

    collectieve maatwerkvoorziening: maatwerkvoorziening die in collectieve vorm wordt verstrekt;

  • e.

    individuele voorziening: jeugdhulpvoorziening, toegesneden op de jeugdige of diens ouder(s) en niet-vrij toegankelijk;

  • f.

    maatwerkvoorziening: niet-vrij toegankelijke voorziening, op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd, als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo,

  • g.

    Overige;

  • h.

    adl: algemene dagelijkse levensverrichtingen;

  • i.

    adviseur: iemand die door of namens het college wordt ingeschakeld om te adviseren bij het onderzoek op basis van een hulpvraag;

  • j.

    besluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of Besluit Jeugdwet, door het Rijk vastgesteld;

  • k.

    bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid en artikel 2.1.4a van de Wmo en artikel 8.2.1 van de Jeugdwet;

  • l.

    budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet;

  • m.

    cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • n.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld;

  • o.

    eigen kracht: het vermogen van de jeugdige, ouder(s) of cliënt om, al dan niet met ondersteuning van het sociale netwerk, zelf bij te dragen aan de oplossing van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, stoornissen, of aan het verbeteren van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.

  • p.

    fout: het onbedoeld onjuist handelen en daarmee oneigenlijk gebruik maken van maatwerkvoorzieningen, individuele voorzieningen of pgb als gevolg van onduidelijkheid, vergissing of onoplettendheid;

  • q.

    fraude: het opzettelijk onjuist handelen, en daarmee handelen in strijd met de regelgeving, met het oogmerk op eigen of andermans (financieel) gewin.

  • r.

    gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • s.

    huiselijke kring: een familielid, een huisgenoot, de echtgenoot of voormalig echtgenoot of een mantelzorger.

  • t.

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo of behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet;

  • u.

    hulpvrager: cliënt als bedoeld in de Wmo en jeugdige of zijn ouders als bedoeld in de Jeugdwet;

  • v.

    ingezetene: cliënt die blijkens de Basisregistratie Personen dan wel op grond van feitelijk verblijf het hoofdverblijf heeft in de gemeente;

  • w.

    mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • x.

    melding: kenbaar maken van de hulpvraag, als bedoeld in dit artikel onder m, aan het college;

  • y.

    nadere regels: uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, vastgesteld door college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld;

  • z.

    niet integer handelen: Misbruik maken van voorkennis, persoonlijke en medische informatie van cliënten. Zich laten beïnvloeden in zijn oordeel als gevolg van een persoonlijke relatie, sociale status, uiterlijk, sekse en bevolkingsgroep. Iemand te bewegen door bedreiging, het aanbieden van geld of diensten of andere voordelen, door het uitoefenen van lichamelijke of psychische druk, dan wel het hanteren van listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels, met als doel een maatwerkvoorziening, individuele voorziening, of overeenkomst te verkrijgen op grond van de Wmo 2015 en/of Jeugdwet.

  • aa.

    Pgb: persoonsgebonden budget: als bedoeld in artikel 1.1.1. Wmo, zijnde een door het college verstrekt budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, of; als bedoeld in artikel 8.1.1 Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders/verzorgers, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • ab.

    pgb-aanbieder: een derde die in opdracht van een cliënt dan wel diens vertegenwoordiger diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een individuele- dan wel maatwerkvoorziening behoren uitvoert.

  • ac.

    pgb-beheerder: beheerder van de pgb, dit kan zowel de cliënt zelf zijn dan wel diens vertegenwoordiger.

  • ad.

    professional: iemand die beroepsmatig ondersteuning biedt;

  • ae.

    resultaat: het doel dat bereikt moet worden;

  • af.

    resultatenplan: plan waarin staat beschreven welke haalbare resultaten de cliënt dan wel de jeugdige of zijn ouders wil/ willen, kan/kunnen bereiken en alle ondersteuning die ingezet wordt om dit mogelijk te maken, op het gebied van zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie, gezondheid en veiligheid;

  • ag.

    sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de hulpvrager een sociale relatie onderhoudt;

  • ah.

    schulddienstverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.

  • ai.

    vertrouwenspersoon: persoon die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, of; persoon die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger personen die bij een melding aan een Veilig Thuis-organisatie betrokken zijn op hun verzoek ondersteunt bij de uitoefening van hun rechten jegens Veilig Thuis;

  • aj.

    ii. zin: zorg in natura;

  • ak.

    zin-aanbieder: rechtspersoon die jegens het college, op grond van de met aanbieder gesloten (raam-)overeenkomst, gehouden is een algemene voorziening, maatwerk- of individuele voorziening te leveren.

Voor zover niet anders bepaald, hebben begrippen in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels en beleidsregels dezelfde betekenis als in de wet.

Het college kan middels nadere regels verdere invulling geven aan het bepaalde in de voorgaande leden.

HOOFDSTUK 2 TOEGANG

Artikel 2. Toegang maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening

Het college stelt, rekening houdend met de regels in de artikelen 2.3.1. tot en met 2.3.5. van de Wmo, artikel 2.3. van de Jeugdwet en artikel 4. van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, via specifieke voorschriften vast hoe in overleg met de persoon die hulp nodig heeft wordt bepaald of hij in aanmerking komt voor een op maat gemaakte voorziening of individuele voorziening.

Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding schriftelijk, mondeling en/of telefonisch doen. Het is ook mogelijk dat iemand anders een melding namens de inwoner doet. De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een melding te doen.

Artikel 3. Toegang beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen

  • 1.

    De cliënt met een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, woonachtig binnen de regio van de centrumgemeente meldt zich bij de gemeente waar hij/zij ingeschreven staat. Deze gemeente onderzoekt of, en zo ja welke, ondersteuning via de Wmo nodig is, of er voorliggende oplossingen zijn, en stelt indien van toepassing de indicatie.

  • 2.

    Het college van de centrumgemeente Assen is door regiogemeenten gemandateerd om ondersteuning op het gebied van beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen (en de bijbehorende begeleiding en eventueel dagbesteding) toe te kennen en draagt zorg voor financiering vanuit de Wmo.

  • 3.

    Bij een melding van een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, van een persoon woonachtig buiten de regio van de centrumgemeente, stelt de gemeente waar de cliënt zich meldt vast waar deze persoon het beste kan wonen. Hierbij handelt de gemeente in de geest van de uitgangspunten en modelregels in het Convenant Landelijke Toegang Beschermd Wonen en de bijbehorende handreiking.

  • 4.

    De lokale regels van de centrumgemeente op het gebied van beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen gelden als uitgangspunt voor de toekenning van een maatwerkvoorziening.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als een voor zover genoemde jeugdhulpaanbieders van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

HOOFDSTUK 3 MAATWERK WMO

Artikel 5. Maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Een voorziening in het kader van de Wmo wordt toegekend op basis van de vier domeinen: veilig, zelfredzaam, meedoen en gezondheid. Deze domeinen zijn uitgewerkt in de volgende resultaatgebieden:

    • a.

      Veilige huiselijke relatie

    • b.

      Zelfstandig wonen

    • c.

      Financiën op orde

    • d.

      Omgang met instanties op orde

    • e.

      Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) op orde

    • f.

      Sociaal netwerk

    • g.

      Maatschappelijke participatie

    • h.

      Gezondheid

    • i.

      Verslaving

  • 2.

    De ondersteuning die passend is bij het vastgestelde resultaatgebied wordt geboden in de vorm van één of meer van de onderstaande producten. De precieze vorm, aard en omvang van de ondersteuning wordt nader bepaald door het college:

    • a.

      Ambulante begeleiding

      • i.

        Begeleiding basis

      • ii.

        Begeleiding basis plus

      • iii.

        Begeleiding specialistisch

    • b.

      Huishoudelijke ondersteuning

      • i.

        Schoon en leefbaar huis

      • ii.

        Schoon en leefbaar huis met regie

    • c.

      Dagbesteding

      • i.

        M1: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar (on)betaald werk

      • ii.

        M2: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar onderwijs

      • iii.

        M3: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en behouden van een zinvolle dag invulling en sociale participatie

    • d.

      Logeeropvang

    • e.

      Verblijf in het kader van de Wmo, waaronder:

      • i.

        Beschermd wonen

        • 1.

          Beschermd wonen nabij

        • 2.

          Beschermd wonen toezicht

      • ii.

        Begeleid kamerwonen

        • 1.

          Begeleid kamerwonen exclusief wooncomponent

        • 2.

          Begeleid kamerwonen inclusief wooncomponent

      • iii.

        Thuiswonen

        • 1.

          Thuiswonen licht

        • 2.

          Thuiswonen intensief

      • iv.

        Aanvullende begeleiding

        • 1.

          Dagbesteding

        • 2.

          Begeleiding complex

  • 3.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van:

    • a.

      een woningaanpassing heeft als resultaat dat de door de hulpvrager ondervonden aantoonbare beperkingen in het normale gebruik van de woning worden opgeheven of verminderd;

    • b.

      een vervoersvoorziening heeft als resultaat dat de hulpvrager zich lokaal of regionaal kan verplaatsen;

    • c.

      een hulpmiddel heeft als resultaat dat de belemmeringen die de hulpvrager ondervindt in het dagelijks leven worden opgeheven dan wel worden verminderd;

    • d.

      huishoudelijke hulp heeft als resultaat dat er een schoon en leefbaar huis is.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels ter uitwerking van de in lid 1 en lid 2 genoemde ondersteuning op de resultaatgebieden uit een van de domeinen veilig (V), zelfredzaam (Z), meedoen (M) en gezond (G) en de in lid 3 genoemde maatwerkvoorzieningen.

Artikel 6. Vervoer

  • 1.

    Uitgangspunt is dat de cliënt zelf verantwoordelijk is voor het vervoer naar en van de locatie waar de maatwerkvoorziening wordt geleverd.

  • 2.

    Vervoer wordt uitsluitend verstrekt als onderdeel van een maatwerkvoorziening ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, wanneer deze voorziening noodzakelijk is om gebruik te kunnen maken van de toegekende ondersteuning.

  • 3.

    Het college verstrekt een vervoersvoorziening alleen als naar zijn oordeel is aangetoond dat de cliënt geen mogelijkheden heeft om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van het sociale netwerk het vervoer te organiseren.

  • 4.

    Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er sprake is van omstandigheden waardoor de eigen mogelijkheden en diens probleemoplossend vermogen van de cliënt en diens omgeving ontoereikend zijn om zelf in vervoer te voorzien.

Artikel 7. Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp na melding

  • 1.

    In aansluiting op de artikelen 1.2.1, onder a. en 2.3.5 lid 3 van de wet wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zover de cliënt de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen:

    • a.

      door gebruik te maken van zijn eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp van huisgenoten;

    • c.

      met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk;

    • d.

      door gebruik te maken van algemene voorzieningen;

    • e.

      door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten.

  • 2.

    • a.

      Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de wet beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 beschikbaar is.

    • b.

      Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder a. genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet.

  • 3.

    3. Bij de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, onder a. wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:

    • a.

      de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten;

    • b.

      de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten;

    • c.

      de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;

    • d.

      de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

    • e.

      de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

    • f.

      overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

Artikel 8. Onderzoek en advies en functiescheiding

  • 1.

    Het college vraagt een daartoe door hem aangewezen onafhankelijk adviseur om advies, indien dat advies naar het oordeel van het college nodig is voor een zorgvuldig onderzoek rond een melding, aanvraag of heronderzoek;

  • 2.

    De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het in lid 1 bedoelde onderzoek, aantoonbaar beschikken over:

    • a.

      Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;

    • b.

      Ergonomische kennis;

    • c.

      Bouwkundige/technische kennis;

    • d.

      Gedragswetenschappelijke kennis.

  • 3.

    Indien de adviseur zelf niet beschikt over de in lid 2 benoemde kennis en deze kennis wel noodzakelijk is voor het onderzoek, wint de adviseur deze in bij personen die over de benodigde deskundigheid beschikken.

  • 4.

    In gevallen waarin Wmo-uitvoeringstaken extern zijn belegd, ofwel de besluitvorming op Wmo-aanvragen wordt gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders, draagt het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van maatwerkvoorzieningen door deze partijen.

Artikel 9. Voorwaarden voor maatwerkvoorziening

Vraagt de inwoner een maatwerkvoorziening aan via de Wmo, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden.

  • 1.

    Een hulpvrager komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan hulpvrager niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de hulpvrager deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

      • i.

        op eigen kracht;

      • ii.

        met gebruikelijke hulp;

      • iii.

        met mantelzorg;

      • iv.

        met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

      • v.

        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of

      • vi.

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

      • vii.

        De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het gesprek als bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid van de Wmo, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de hulpvrager in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

    • b.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de hulpvrager met psychische of psychosociale problemen en de hulpvrager die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de hulpvrager deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen

      • i.

        op eigen kracht;

      • ii.

        met gebruikelijke hulp;

      • iii.

        met mantelzorg;

      • iv.

        met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of

      • v.

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

      • vi.

        De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2. van de Wmo, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de hulpvrager aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de hulpvrager in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk, naar vermogen, weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Als er recht op een maatwerkvoorziening bestaat, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de hier bovengenoemde voorwaarden.

Artikel 10. Weigeringsgronden voor maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt:

    • a.

      voor zover de hulpvrager aanspraak kan maken op een andere voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling;

    • b.

      voor zover de hulpvrager op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

    • c.

      voor zover de hulpvrager met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

    • d.

      indien de voorziening voor een persoon als de hulpvrager algemeen gebruikelijk is;

    • e.

      als de hulpvrager de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de hulpvrager dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;

    • f.

      indien het een voorziening betreft die de hulpvrager na de melding en vóór datum van de aanvraag of het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend;

    • g.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan hulpvrager al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de hulpvrager zijn toe te rekenen, of tenzij hulpvrager geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

    • h.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die al eerder aan de hulpvrager is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingsduur van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan;

    • i.

      indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de hulpvrager liggen of anti-revaliderend werkt;

    • j.

      voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

    • k.

      indien de voorziening voorzienbaar was, en van de hulpvrager redelijkerwijs verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen waardoor de hulpvraag overbodig zou zijn geworden;

    • l.

      als deze niet langdurig noodzakelijk is;

    • m.

      indien de hulpvrager geen inwoner van de gemeente Noordenveld is;

    • n.

      als deze niet als goedkoopst compenserende voorziening wordt aangemerkt;

    • o.

      indien de cliënt recht heeft op een voorziening op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en ervoor kiest dit recht niet te benutten.

  • 2.

    Er wordt geen woonvoorziening verstrekt:

    • a.

      voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • b.

      ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in de gemeenschappelijke ruimten betreft, zoals trapliften, automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders;

    • d.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing van een adequate naar een inadequate woning waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij het normale gebruik van de woning en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

    • e.

      indien hulpvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is verleend door het college;

    • f.

      de inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte;

    • g.

      als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld;

    • h.

      Bij de noodzaak van een bouwkundige woningaanpassing of herinrichting van de woning ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning geldt het primaat van verhuizen.

  • 3.

    Er wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt:

    • a.

      voor zover de kosten van het betrekken van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura of;

    • b.

      indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d en e van de wet.

Artikel 11. Beschikking

Het college legt zijn besluit vast in een beschikking, die aan de inwoner wordt toegezonden. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 1.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is. Het resultatenplan maakt integraal onderdeel uit van de beschikking;

    • b.

      Het aantal geïndiceerde uren of dagdelen per week of maand;

    • c.

      de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

    • d.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in aanvulling op het vermelde onder lid 1:

    • a.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget;

    • b.

      wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • c.

      de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

    • d.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget.

Artikel 12. Persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van een pgb:

    • a.

      wordt bepaald aan de hand van een door de hulpvrager opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering;

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

  • 2.

    De hoogte van het pgb wordt als volgt bepaald:

    • a.

      voor diensten;

      • i.

        voor een professional aan de hand van een percentage van het tarief voor zorg in natura. Dit percentage bedraagt 90% van het zorg in natura tarief;

      • ii.

        voor ondersteuning uit het sociaal netwerk (niet-professionals) geldt bij huishoudelijke hulp: maximaal het uurloon dat afgeleid is van het wettelijk minimumloon (inclusief vakantiegeld en vakantie-uren).

      • iii.

        voor ondersteuning uit het sociaal netwerk (niet-professionals) geldt bij begeleiding: maximaal het uurloon dat afgeleid is van het wettelijk minimumloon (inclusief vakantiegeld en vakantie-uren).

      • iv.

        voor logeren bedraagt de tegemoetkoming voor een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 2 en 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015;

      • v.

        voor hulpmiddelen en woningaanpassingen na consultatie in de markt en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de hulpvrager goedkoopst compenserende voorziening.

  • 3.

    Het college bepaalt bij nadere regeling welke voorwaarden gesteld worden aan de verstrekking van een persoonsgebonden budget, waaronder de voorwaarden voor het betrekken van ondersteuning van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Artikel 13. Bijdrage in de kosten

  • 1.

    Een hulpvrager is een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een persoonsgebonden budget, zolang de hulpvrager van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    De hoogte van de bijdrage wordt bepaald door:

    • a.

      'De bijdrage, bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de WMO dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste de landelijk vastgestelde bijdrage per bijdrageperiode voor de hulpvrager of de gehuwde hulpvragers tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4., derde lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

    • b.

      Wanneer er onvoldoende betalingscapaciteit is bij een hulpvrager kan er, tijdelijk, worden afgezien van het opleggen van een bijdrage.

    • c.

      Er wordt geen bijdrage opgelegd als dit nadelige gevolgen heeft voor de ondersteuning die wordt gegeven op grond van de Wmo 2015.

    • d.

      Er wordt geen bijdrage opgelegd voor de maatwerkvoorziening met hoofdresultaat M1 arbeidsmatige dagbesteding, en met hoofdresultaat M2 educatieve dagbesteding.

  • 3.

    Een hulpvrager is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer. De specifieke hoogte van deze bijdrage is beschikbaar op de officiële website van Publiek Vervoer onder de sectie 'spelregels per gemeente'. De bedragen worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van ontwikkelingen van de indexering van de landelijke OV-tarieven. Het OV-bureau Groningen-Drenthe indexeert jaarlijks ook het bedrag per gereden kilometer. Dit bedrag wordt door de gemeente als referentie gebruikt om de prijs per gereden kilometer voor het Wmo-vervoer te bepalen.

  • 4.

    Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige hulpvrager is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een hulpvrager.

  • 5.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald:

    • a.

      door aanbesteding;

    • b.

      na een consultatie in de markt, of

    • c.

      in overleg met de aanbieder.

Artikel 14. Vrijstelling bijdrage in de kosten

Het college kan vrijstelling geven in de bijdrage van de kosten voor een maatwerkvoorziening. Het college kan nadere regels hierover vaststellen.

Artikel 15. Waardering mantelzorgers

Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van hulpvragers in de gemeente bestaat.

Artikel 16. Tegemoetkoming meerkosten beperking of chronische problemen

  • 1.

    Het college kan, in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.

Artikel 17. Onafhankelijke cliëntenondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op onafhankelijke, kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de hulpvrager uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de hulpvrager en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

HOOFDSTUK 4 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN JEUGD

Artikel 18. Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    Een individuele voorziening wordt toegekend op basis van de vier domeinen: veilig, zelfredzaam, meedoen en gezondheid. Deze domeinen zijn uitgewerkt in de volgende resultaatgebieden:

    • a.

      Veilige huiselijke relatie

    • b.

      Zelfstandig wonen

    • c.

      Financiën op orde

    • d.

      Omgang met instanties op orde

    • e.

      Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) op orde

    • f.

      Sociaal netwerk

    • g.

      Maatschappelijke participatie

    • h.

      Gezondheid

    • i.

      Verslaving

  • 2.

    De ondersteuning die passend is bij het vastgestelde resultaatgebied wordt geboden in de vorm van één of meer van de onderstaande individuele voorzieningen. De precieze vorm, aard en omvang van de ondersteuning wordt nader bepaald door het college:

    • a.

      Ambulante begeleiding

      • Begeleiding basis

      • Begeleiding basis plus

      • Begeleiding specialistisch

    • b.

      Dagbesteding

      • M1: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar (on)betaald werk

      • M2: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar onderwijs

      • M3: Dagbesteding gericht op ontwikkeling en behouden van een zinvolle daginvulling en sociale participatie

    • c.

      Logeeropvang

    • d.

      Behandeling

      • G1 Basis GGZ

      • G1 Specialistische GGZ

      • G1 Hoog specialistische GGZ

      • G1 Medicatiecontrole

      • G2 Behandeling verslaving

      • G3 Vaktherapie

      • G3 Intensieve ambulante gezinsbehandeling

      • G3 Intensieve ambulante gezinsbehandeling instellingen

      • G3 Medisch Orthopedisch Centrum (MOC)

      • M6 Kinderdagcentrum (KDC)

    • e.

      Verblijf

      • G1 Verblijf met behandeling GGZ

      • G1 Verblijf met behandeling LVB

      • G1 Verblijf met behandeling Drie-milieus voorziening

      • G2 Verblijf met behandeling Verslavingsproblematiek

      • G3 Verblijf met behandeling Opvoedingsproblematiek

      • G3 Verblijf met intensieve begeleiding

      • G3 Begeleid kamer wonen

      • G3 Verblijf met intensieve begeleiding

      • G3 Verblijf met begeleiding

      • Gezinshuis

      • Gezinshuis plus

      • Buitenland trajecten

      • Gezinspsychiatrie 3-Noord

    • f.

      Dyslexiezorg

      • Dyslexie diagnose

      • Dyslexie behandeling

    • g.

      Babythuiszorg

  • 3.

    Het college stelt nadere regels ter uitwerking van de in lid 1 en lid 2 genoemde ondersteuning op de resultaatgebieden uit een van de domeinen veilig (V), zelfredzaam (Z), meedoen (M) en gezond (G).

Artikel 19. Interventieniveaus

1. Ondersteuning op de volgende interventieniveaus is vrij toegankelijk:

  • Interventieniveau 1: universele preventie;

  • Interventieniveau 2: selectieve preventie;

  • Interventieniveau 3: kortdurende ondersteuning.

2. Ondersteuning op de volgende interventieniveaus is niet vrij- toegankelijk:

  • Interventieniveau 4: ondersteuning laagfrequent ingezet en bij een enkelvoudig te behalen resultaat;

  • Interventieniveau 5: ondersteuning die frequent wordt ingezet;

  • Interventieniveau 6: ondersteuning die hoogfrequent wordt ingezet;

  • Interventieniveau 7: ondersteuning, exclusief verblijf (bijv, dagbesteding, thuiswonen +);

  • Interventieniveau 8: ondersteuning in combinatie met verblijf en wordt 24 uur per dag geboden.

Artikel 20. Vervoer

  • 1.

    Uitgangspunt is dat ouder(s) of verzorger(s), in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

  • 2.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

  • 3.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.

  • 4.

    Het college beoordeelt per individuele situatie of er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het vervoer niet door of met behulp van de cliënt of diens omgeving georganiseerd kan worden.

  • 5.

    Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

Artikel 21. Onderzoek, advies en functiescheiding

  • 1.

    Het college zet voor het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en zorgt ervoor dat de deskundigheid bekend is bij de aanvrager.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde advies, met inachtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      Bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      Bij het Nederlands Instituut voor Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      Op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 3.

    Afhankelijk van de vereisten van het in lid 1 bedoelde onderzoek moet de adviseur aantoonbaar beschikken over:

    • a.

      Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;

    • b.

      Ergonomische kennis;

    • c.

      Bouwkundige/technische kennis; of

    • d.

      Gedragswetenschappelijke kennis.

  • 4.

    Indien de adviseur zelf niet beschikt over de in lid 3 benoemde kennis en deze kennis wel noodzakelijk is voor het onderzoek, wint de adviseur deze in bij personen die over de benodigde deskundigheid beschikken.

  • 5.

    In gevallen waarin de uitvoeringstaken voor de Jeugdwet extern zijn belegd, ofwel de besluitvorming op Jeugdaanvragen wordt gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders, draagt bij het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van maatwerkvoorzieningen door deze partijen.

Artikel 22. Voorwaarden en weigeringsgronden voor individuele voorzieningen

  • 1.

    Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover:

    • a.

      zij op eigen kracht, met gebruikelijke zorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag;

    • b.

      zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of;

    • c.

      zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening.

  • 2.

    Geen individuele voorziening wordt verstrekt indien het een voorziening betreft die de hulpvrager vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk alsnog toestemming verleent of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria, zoals genoemd in het eerste lid, of ter bepaling van specifieke criteria voor bepaalde individuele voorzieningen.

Artikel 23. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1.

    Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 2.

    Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 3.

    Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 4.

    Bij de beoordeling van het derde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de leeftijd, behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet niet tot overbelasting leidt;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien;

    • g.

      de mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen;

    • h.

      overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden.

Artikel 24. Regeling zak- en kleedgeld

  • 1.

    Het college kan ten behoeve van de jeugdige die verblijft in een jeugdhulpvoorziening, met uitzondering van pleegzorg, een vervangende bijdrage ter beschikking stellen dat overeenkomstig is met de Nibud-norm van zak- en kleedgeld, als aan de volgende criteria is voldaan:

    • a.

      de kosten zijn noodzakelijk en bijzonder;

    • b.

      er is sprake van een voogdijmaatregel of de jeugdige is onder toezicht gesteld en op grond van een machtiging uit huis geplaatst;

    • c.

      voor deze kosten kan geen vergoeding op grond van een andere regeling worden verstrekt;

    • d.

      de kosten zijn redelijkerwijs niet te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders.

  • 2.

    De bijdrage zoals bedoeld in lid 1 wordt uitbetaald aan de voogd van de jeugdige of de instelling waar de jeugdige verblijft. De voogd of de instelling dient aan te tonen dat zij voldoende heeft getracht de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht, waarop door de ouders geen bijdragen zijn voldaan.

Artikel 25. Beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening, wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      welke individuele voorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is en de specifieke afspraken hierover. Het resultatenplan maakt integraal onderdeel uit van de beschikking;

    • b.

      Het aantal geïndiceerde uren of dagdelen per week of maand.

    • c.

      de ingangsdatum en duur van de verstrekking.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in aanvulling op het vermelde onder lid 2:

    • a.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget;

    • b.

      wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • c.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget

Artikel 26. Persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van een pgb:

    • a.

      wordt bepaald aan de hand van een door de jeugdige en/of zijn ouders opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede jeugdhulp in te kopen en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.

  • 2.

    De hoogte van het pgb tarief wordt als volgt bepaald:

    • a.

      voor diensten

      • i.

        voor een professional aan de hand van een percentage van het tarief voor zorg in natura. Dit percentage bedraagt 90% van het zorg in natura tarief;

      • ii.

        Voor ondersteuning uit het sociaal netwerk (niet-professionals) geldt maximaal het uurloon dat afgeleid is van het wettelijk minimumloon (inclusief vakantiegeld en vakantie-uren).

      • iii.

        het tarief voor logeren door een hulp uit het sociaal netwerk bedraagt de tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 8 en 8ab van de Regeling Jeugdwet.

  • 3.

    Het college bepaalt bij nadere regeling welke voorwaarden gesteld worden aan de verstrekking van een persoonsgebonden budget, waaronder de voorwaarden voor het betrekken van ondersteuning van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

    • a.

      Bij de inzet van een persoon uit het sociaal netwerk, dient de jeugdige en/of dienen ouders gemotiveerd aan te geven dat die inzet leidt tot goede ondersteuning, die minimaal zo efficiënt en doelmatig is als het betrekken van jeugdhulp van een persoon buiten het sociaal netwerk, gelet op:

    • b.

      de frequentie van de hulp;

    • c.

      het type hulp;

    • d.

      de aard van de hulpvraag waaraan met de verstrekking van het pgb wordt tegemoetgekomen;

    • e.

      de duur van die hulpvraag;

    • f.

      de mate van verplichting die voortvloeit uit het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden voor de persoon van wie de jeugdhulp betrokken wordt

Artikel 27. Vertrouwenspersoon

De vertrouwenspersoon kan de inwoner (jeugdige, ouder of pleegouder) op verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen in verband met de hulpverlening door de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassssering en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

  • 2.

    Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

HOOFDSTUK 6 SCHULDDIENSTVERLENING

Het is beter financiële problemen te voorkomen, dan op te lossen. Inwoners kunnen met vragen over geld en geldproblemen terecht bij de toegang van het sociaal domein in Noordenveld. Nadat de inwoner zich heeft gemeld, bespreekt een medewerker van de gemeente met de inwoner welk effect hij met zijn hulpvraag wil bereiken. Wat is er nodig? Hoe is de situatie van de inwoner? Wat kan de inwoner zelf doen om zijn financiële situatie te verbeteren? Welke (andere) voorzieningen zijn er mogelijk? De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen.

Artikel 28. Beschikking

De beschikking tot schulddienstverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van maximaal 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden. Het streven is om de feitelijke beslistermijn voor de inwoner zo kort mogelijk te houden.

HOOFDSTUK 7 HERZIENING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP

Artikel 29. Wijzigingen, herziening en intrekking

  • 1.

    De inwoner dan wel diens vertegenwoordiger doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015.

  • 2.

    De jeugdige en zijn ouders doen aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1. van de Jeugdwet.

  • 3.

    Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015 en/of artikel 8.1.1. van de Jeugdwet herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      De cliënt en/of zijn ouders niet langer op de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb is aangewezen;

    • c.

      De maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      De cliënt en/of zijn ouders niet voldoet aan de aan maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb verbonden voorwaarden;

    • e.

      De cliënt en/of zijn ouders de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb voor een ander doel gebruikt.

  • 4.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken voor zover blijkt dat het pgb niet is aangewend voor de bekostiging van de maatwerkvoorziening of individuele voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van de herziening en/of intrekking af te zien.

Artikel 30a. Opschorting betaling uit het pgb

Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e Wmo.

Artikel 30b. Terugvordering

  • 1.

    Als het college een beslissing op grond van artikel 21 lid 3 onder a van deze verordening heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en diegene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van een ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb.

  • 2.

    Indien de aanbieder van pgb en/of zin op grond van de Wmo 2015 aantoonbaar opzettelijk ondoelmatig en/of onrechtmatig ondersteuning heeft verleend, dan kan geheel of gedeeltelijk de geldwaarde gevorderd worden van de ten onrechte genoten voorziening bij de pgb- en/of zin-aanbieder.

  • 3.

    Indien de aanbieder van pgb en/of zin op grond van de Jeugdwet aantoonbaar ondoelmatig en/of onrechtmatig ondersteuning heeft verleend, dan kan geheel of gedeeltelijk de geldwaarde gevorderd worden van de ten onrechte genoten voorziening bij de pgb- en/of zin- aanbieder.

  • 4.

    Het college kan tot terugvordering overgaan indien:

    • a.

      cliënt voor de einddatum van de pgb naar een andere gemeente verhuist of overlijdt. Dit naar rato van de resterende volle maanden tot aan de einddatum van het pgb;

    • b.

      voor zover een cliënt het budget of een deel daarvan niet kan verantwoorden;

    • c.

      de pgb- en/of zin-aanbieder geld heeft ontvangen voor zorg die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend;

    • d.

      voor zover cliënt wist of heeft kunnen weten dat het pgb ten onrechte is betaald, dan wel de maatwerkvoorziening of individuele voorziening ten onrechte is verstrekt;

    • e.

      het recht op een in eigendom verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken;

    • f.

      het recht op een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken;

    • g.

      een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is toegeëigend, vervreemd of verpand;

    • h.

      een maatwerkvoorziening of individuele voorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet.

  • 5.

    Indien het toegekende pgb-budget niet of niet geheel verantwoord kan worden, wordt het bedrag dat onvoldoende verantwoord kan worden, teruggevorderd.

  • 6.

    Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van de terug- en/of invordering af te zien.

HOOFDSTUK 8 KWALITEIT

Artikel 31. Kwaliteit

  • 1.

    Alle aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de hulpvrager;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard

    • d.

      te voldoen aan het meest recente Toetsingskader NMD Wmo en Jeugdzorg en, voor wat betreft de gecontracteerde aanbieders, tevens aan de contracteisen.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de hulpvrager ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 32. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

    • c.

      1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

    • d.

      2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, als bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

HOOFDSTUK 9 TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 33. Toezicht en handhaving

  • 1.

    Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze toezicht wordt gehouden op de rechtmatigheid en integere uitvoering van maatwerk- en individuele voorzieningen (Wmo 2015 en Jeugdwet).

  • 2.

    Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze toezicht wordt gehouden op de kwaliteit en doelmatigheid van maatwerkvoorzieningen (Wmo 2015).

  • 3.

    Voor de uitvoering van het toezicht als bedoeld in lid 1 en lid 2 wijst het college toezichthoudende ambtenaren aan.

  • 4.

    Een toezichthoudend ambtenaar belast met het toezichthouden op de rechtmatigheid kan tevens worden aangesteld als buitengewoon opsporingsambtenaar.

  • 5.

    Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze wordt gehandhaafd indien er sprake is van niet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen, onrechtmatigheid, niet integer handelen, fouten of fraude.

  • 6.

    Het college bepaalt bij nadere regels op welke wijze rapporten van bevindingen opgesteld door een toezichthoudend ambtenaar over de kwaliteit van maatwerkvoorzieningen verstrekt op grond van de Wmo 2015 openbaar worden gemaakt.

Artikel 34. Controle maatwerk- en individuele voorzieningen

  • 1.

    Het college onderzoekt periodiek – al dan niet op basis van een vooraf vastgesteld programma, signalen en/of steekproefsgewijs – het gebruik van maatwerk, individuele voorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 2.

    Het college monitort het gebruik van maatwerk, individuele voorzieningen en pgb's en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen.

Artikel 35a. Tegengaan oneigenlijk gebruik

Het college spant zich in om fouten bij het gebruik van maatwerk- en individuele voorzieningen te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

  • a.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordigers en aanbieders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen of uitvoeren van een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb's zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • b.

    Het college zoekt waar mogelijk samenwerking met andere gemeenten, organisaties die zich ook bezighouden met de kwaliteit, het tegengaan van niet integer handelen, fouten en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen.

  • c.

    Het college verricht zo nodig onderzoek bij zorgverleners van maatwerk-, algemene of individuele voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Noordenveld hebben of die ondersteuning verlenen op grond van een pgb aan inwoners van Noordenveld. Deze partijen zijn verplicht om (kosteloos) hun medewerking te verlenen.

  • d.

    Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, (accountants)controles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • e.

    Het college controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen.

Artikel 35b. Meldpunt kwaliteit en rechtmatigheid

Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over onvoldoende kwaliteit, oneigenlijk gebruik, niet integer handelen en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de Wmo 2015 en Jeugdwet.

HOOFDSTUK 10 CALAMITEITEN EN GEWELD

Artikel 36. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Voor de maatwerk- en individuele voorzieningen:

  • 1.

    treft het college een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan;

  • 2.

    melden aanbieders iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar;

  • 3.

    onderzoekt de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de Wmo, de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

HOOFDSTUK 11 KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 37. Klachtregeling

  • 1.

    Het college beschikt over een regeling voor de afhandeling van klachten ten aanzien van het in behandeling nemen van meldingen en aanvragen zoals bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van hulpvragers ten aanzien van zowel algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 38. Medezeggenschap

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van hulpvragers over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 39. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval hulpvragers of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen, en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

  • 5.

    Het college wijst de ingezetenen op de mogelijkheid initiatieven, zoals een right to challenge te ontplooien die het uitvoeren van taken van het college op grond van de Wmo betreffen, zoals vastgelegd in artikel 2.6.7 van de Wmo.

  • 6.

    Het college kan nadere regels stellen omtrent de in lid 5 beschreven mogelijkheid om initiatieven te ontplooien.

  • 7.

    Ter uitvoering van lid 5 wordt aangesloten bij het gemeentelijk subsidie- en inkoopbeleid.

HOOFDSTUK 12 SLOTBEPALINGEN

Artikel 40. Nadere regels, beleidsregels en hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het gestelde in deze verordening.

  • 3.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de hulpvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 41. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening Noordenveld 2024 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een hulpvrager houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening Noordenveld 2024 totdat het college een nieuwe beslissing heeft genomen. Het nieuwe besluit wordt genomen met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving.

  • 3.

    Op aanvragen die zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening 2026, wordt de verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening 2024 toegepast, tenzij toepassing van de verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening 2026 gunstiger is voor de hulpvrager.

  • 4.

    Beslissen op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening Noordenveld 2024, geschiedt op grond van die verordening. Deze behoudt ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht.

  • 5.

    Van het in lid 4 gestelde kan ten gunste van de hulpvrager worden afgeweken.

Artikel 42 Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd. Het college stuurt hiertoe telkens per jaar, na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 43 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 4 maart 2026.

  • 2.

    Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schuldhulpverlening gemeente Noordenveld 2026.

Ondertekening

Algemene toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening gemeente Noordenveld 2026

Algemeen

De verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening gemeente Noordenveld geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Schuldhulpverlening is een wettelijke taak van gemeenten sinds de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) in 2012. De gemeente is sinds 1 januari 2015 bestuurlijke en financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet.

Met deze geïntegreerde verordening wordt beter invulling gegeven aan de transitiedoelen zoals één gezin één plan, de inzet op resultaten in samenhang met de eigen kracht van de inwoner en een soepele overgang van jeugdhulp naar mogelijke benodigde vervolgondersteuning middels maatschappelijke ondersteuning of beschermd wonen.

Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende ondersteuning, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Zowel de Jeugdwet als ook de Wmo en de Wgs schrijft voor dat de gemeenteraad, over verschillende onderwerpen, per verordening in ieder geval regels opstelt.

Jeugdwet

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:

  • 1.

    over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen;

  • 2.

    met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

  • 3.

    over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

  • 4.

    over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • 5.

    voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;

  • 6.

    over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en

  • 7.

    ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente. Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, derde lid, bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

Wet maatschappelijke ondersteuning

Er zijn inmiddels diverse uitspraken gedaan waaruit blijkt dat de essentialia van het voorzieningenpakket moeten worden vastgelegd. De bevoegdheden die op grond van deze verordening bij het college liggen worden uitgewerkt in de nadere regels.

De Wmo schrijft in artikelen 2.3.1. tot en met 2.3.5. van de Wmo voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:

  • 2.

    over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen;

  • 3.

    met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening;

  • 4.

    over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere wetten en regels;

  • 5.

    over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

  • 6.

    voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Wmo;

  • 7.

    over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Wmo, en

  • 8.

    ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van Wmo, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

De Wgs geeft gemeenten een wettelijke grondslag voor vroegsignalering. Gemeenten ontvangen signalen over achterstallige betalingen in de vaste lasten van schuldeisers. Dankzij deze signalen kunnen gemeenten eerder contact leggen met inwoners en worden problematische schulden voorkomen. De wet bepaald in artikel 4a, lid 3, dat de gemeenteraad per verordening moet vastleggen binnen welke termijn, na het eerste gesprek over de hulpvraag, wordt besloten of iemand voor een schuldenregeling in aanmerking komt (de maximale Awb-termijn is 8 weken).

Artikelsgewijze toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening gemeente Noordenveld

HOOFDSTUK 1 BEGRIPPEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien zowel de Wmo als de Jeugdwet al een flink aantal definities kennen die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. In gevallen waarin slechts in een van beide wetten een definitie van een begrip staat, is het begrip in deze begripsbepalingen wél opgenomen. Voorbeelden daarvan zijn Persoonsgebonden budget (pgb) en gebruikelijke hulp.

In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Soms aangeduid als ‘jeugdigen en ouders’ en veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’.

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor de uitvoering van deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

HOOFDSTUK 2 TOEGANG

Artikel 2. Toegang maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening

Op grond van de Wmo - artikel 2.1.3, tweede lid, onder a- moeten gemeenten onder meer regelen op welke wijze wordt vastgesteld of een hulpvrager voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van artikel 2.1.3. voornoemd. De raad delegeert het vaststellen van de procedure volledig aan het college. Voordeel van deze variant is dat de procedure sneller gewijzigd kan worden. De wet regelt zelf – in de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5- al de nodige zaken waar bij het opstellen van de nadere regels rekening mee gehouden zal worden.

Op grond van de Jeugdwet – artikel 2.9 onder a – stelt de gemeente bij verordening in ieder geval regels over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en vrij toegankelijke voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. De raad delegeert het vaststellen van de procedure volledig aan het college. De Jeugdwet zelf kent geen procedurele bepalingen.

Artikel 3. Toegang beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen

Dit artikel beschrijft de procedure rondom de melding, het onderzoek, de aanvraag en de beschikking bij hulpvragen over het zich handhaven in de samenleving, gericht op beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen. De centrumgemeente neemt vooralsnog namens de regiogemeente het formele besluit om beschermd wonen, begeleid kamerwonen of thuiswonen al dan niet toe te kennen (beschikking). Het onderzoek en advies van de regiogemeente wordt bij dit besluit betrokken, nu de indicatiestelling vanaf 1 januari 2024 door de regiogemeente zelf wordt uitgevoerd. Dit zal veranderen na de volledige afronding van de doordecentralisatie van taken richting de regiogemeenten. In regionaal verband worden er afspraken gemaakt over de indicatiecriteria voor beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen, de beleidsontwikkelingen, de landelijke financiële stromen en de uitstroommogelijkheden.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen.

Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multi-problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld.

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

Toegang via Veilig Thuis

Ten slotte vormt ook Veilig Thuis Drenthe een toegang tot onder andere jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

HOOFDSTUK 3 MAATWERK WMO

Artikel 5. Maatwerkvoorzieningen

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de delegatiebepaling van artikel 2.1.3 Wmo, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening de regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in art 2.1.2 Wmo bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen, en van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen.

In de Wmo is het begrip maatwerkvoorziening als volgt gedefinieerd:

op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon

afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter

ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen,

woningaanpassingen en andere maatregelen,

2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede

hulpmiddelen en andere maatregelen,

3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

Artikel 6. Vervoer

Inwoners zijn in principe zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de plek waar zij ondersteuning krijgen, bijvoorbeeld dagbesteding. Alleen als dit niet mogelijk is, ook niet met hulp van anderen, kan de gemeente een vervoerindicatie verstrekken. Dit gebeurt alleen als het vervoer nodig is om van een maatwerkvoorziening gebruik te maken. Het college beoordeelt per situatie of eigen mogelijkheden en hulp vanuit de omgeving onvoldoende zijn.

Artikel 7. Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp na melding

Lid 1

Uit artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 blijkt dat een (passende) maatwerkvoorziening moet worden verstrekt als bepaalde onderzochte alternatieven (eigen kracht, algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit netwerk en/of algemene voorzieningen) geen of onvoldoende oplossing bieden. Dat sluit ook aan op wat artikel 1.2.1 Wmo 2015 regelt.

Omgekeerd geredeneerd: voor zover die (op basis van artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015) onderzochte mogelijke alternatieven wel een oplossing bieden, hoeft er geen maatwerkvoorziening geboden te worden. De maatwerkvoorziening is immers de ‘hekkensluiter’ bij het zoeken naar oplossingen voor problemen op het gebied van zelfredzaamheid, participatie en het zich handhaven in de samenleving, zie TK, 2013-2014, 33 841, nr. 3 blz.148.

Door dit artikel op te nemen in de verordening, wordt rechtszekerheid geboden.

Lid 2

Onderdeel a

Als een cliënt zich meldt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, moet het college die melding systematisch onderzoeken. Bij dat onderzoek moet worden bekeken of het probleem waarvoor de cliënt zich meldt, opgelost kan worden zonder een Wmo-maatwerkvoorziening. Daarbij moet onder meer worden onderzocht of dat probleem geheel of gedeeltelijk via gebruikelijke hulp kan worden opgelost.

Er moet dus sprake zijn van huisgenoten; bij alleenwonende cliënten is onderzoek naar gebruikelijke hulp niet nodig.

Wel kan het dan verstandig zijn om kritisch te beoordelen of de cliënt ook echt alleen woont, ter voorkoming van misbruik van de Wmo (of andere regelingen waarbij de woonsituatie een rol speelt).

Onderdeel b

In artikel 2.3.8 lid 3 van de wet is de medewerkingsplicht van de cliënt geregeld. Aangezien bij onderzoek (zie artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015) of heronderzoek (zie artikel 2.3.9 Wmo 2015) ook onderzoek naar de aanwezigheid van gebruikelijke hulp van huisgenoten vereist is, is onder b. ook een medewerkingsplicht voor die huisgenoten geregeld. Het gaat om alle denkbare medewerking, zoals het aanleveren van bewijsstukken, medewerking aan een gesprek en medewerking aan het onderzoek door een deskundige.

Lid 3

Om te bepalen of huisgenoten gebruikelijke hulp kunnen bieden moeten gemeenten beoordelen wat er in redelijkheid van die huisgenoten kan worden gevraagd. Om de manier waarop die beoordeling plaatsvindt kenbaar te maken, stellen gemeenten zelf regels in hun verordening, zie artikel 2.1.3 lid 2, onder b. Wmo 2015. Zo wordt meer rechtszekerheid geboden en willekeur zoveel mogelijk vermeden.

In het tweede lid is daarom een aantal criteria neergelegd, die de beoordeling concretiseren van wat redelijkerwijs van huisgenoten kan worden gevraagd.

Ad a.

Hier wordt de samenstelling van het huishouden genoemd. Verschillende factoren kunnen een rol spelen bij het antwoord op de vraag wat er redelijkerwijs gevraagd kan worden. In een groot huishouden zijn er in principe meer mensen van wie mogelijk hulp kan worden gevraagd.

Maar er kan meer spelen, zoals de leeftijd van de verschillende huisgenoten. Van volwassen huisgenoten kan meer gevraagd worden dan van (jonge) kinderen.

Andersom vragen jonge kinderen zelf ook zorg, waardoor mogelijk minder tijd overblijft voor gebruikelijke hulp voor huisgenoten uit de Wmo-doelgroep (mensen met beperkingen, chronische psychische problemen en met psychosociale problemen).

Ad b.

Onder b. wordt de aard van de relatie tussen huisgenoten genoemd. Echtgenoten onderling en ouders en kinderen hebben een directe familierechtelijke band; ze zijn eerstegraads bloed- of aanverwanten. Echtgenoten onderling en ouders hebben sowieso een wettelijke zorgplicht (voor elkaar en voor hun kinderen) op grond van het Burgerlijk Wetboek.

In grote lijnen komt het erop neer, dat hoe nauwer de familieband is, hoe meer van huisgenoten kan worden verwacht.

Aan de andere kant zijn er steeds meer samengestelde gezinnen, waarbij één van de volwassen partners geen familieband heeft met kinderen binnen dat gezin. Maar wellicht wel een (gedeeltelijke) zorgtaak voor eigen kinderen uit een vorige relatie, die geen huisgenoot zijn, maar voor wie misschien wel een zorgtaak speelt.

Ad c.

De behoefte aan ondersteuning van de cliënt is afhankelijk van diens beperkingen. Dan kan het gaan om de hoeveelheid hulp die de cliënt nodig heeft, maar ook om de vraag hoe die hulpvraag in de tijd is verdeeld. Het kan gaan om hulp die direct of op wisselende tijdstippen moet worden geboden.

Soms gaat het om hulp die goed te plannen is, en misschien kan worden gecombineerd met gezamenlijke gezinsactiviteiten, waarbij men elkaar spreekt. Denk aan het doornemen van de dag tijdens het ontbijt.

Ook kan een rol spelen of de hulp uitstelbaar is en/of kan worden verdeeld over de week, bijvoorbeeld huishoudelijk werk of administratieve werkzaamheden. Veel administratief werk kan tegenwoordig worden beperkt door digitalisering. Denk aan het regelen van automatische incasso’s voor het betalen van vaste lasten.

Het is ook denkbaar dat ondersteuning bepaalde kwalificaties vraagt van degene die de cliënt ondersteunt, en dat huisgenoten die niet hebben. Denk aan bepaalde complexe gedragsproblematiek waarvoor gespecialiseerde hulp nodig is. Ook kan een nauwe sociale relatie juist een belemmering zijn om bepaalde hulp te bieden, omdat daarvoor juist een objectieve benadering door een (professionele) buitenstaander nodig is om adequate hulp te geven.

Waar mogelijk wordt het vaststellen van de behoefte aan (de omvang van) hulp gerelateerd aan normtijden in gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld aan normtijden voor het indiceren van huishoudelijke hulp.

Ad d.

Onder de toelichting op onderdeel c. is een aantal voorbeelden gegeven rond de variatie in hulpvragen van cliënten.

Tegenover de ondersteuningsvraag staan de mogelijkheden van huisgenoten. Kunnen die huisgenoten aan die vraag voldoen? Of is deze vraag te groot of te gecompliceerd voor één of meer huisgenoten? Daarbij kunnen allerlei factoren een rol spelen. Denk aan het hebben van een baan buitenshuis, lange reistijden, of het hebben van een zorgtaak voor kinderen binnen of buiten de gezinsrelatie.

Ook huisgenoten van wie gebruikelijke hulp wordt gevraagd, kunnen beperkingen hebben, zowel fysiek als geestelijk. Die kunnen mogelijkheden om hulp te bieden beïnvloeden, in samenhang gezien met de aard en omhang van de hulpvraag van de cliënt.

Een huisgenoot met fysieke beperkingen kan misschien niet alle huishoudelijke werkzaamheden overnemen, maar bijvoorbeeld wel een cliënt met geestelijke problematiek helpen met organisatorische zaken.

Zo nodig kan het college deskundigenonderzoek (laten) doen naar fysieke en geestelijke (on-) mogelijkheden van huisgenoten om te bepalen of het bieden van gebruikelijke hulp mogelijk is, en zo ja, in welke mate. Daarbij is van belang dat (dreigende) overbelasting van degenen die de hulp verlenen, wordt voorkomen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door bij (dreigende) overbelasting wel een tijdelijke indicatie voor ondersteuning te geven, die gefaseerd wordt afgebouwd. Zo wordt aan de betrokkenen ruimte gegeven om zich in te stellen op de situatie. Dat kan spelen bij een situatie waarin iemand plotseling ernstig beperkt raakt en huisgenoten tijd nodig hebben om zich op de nieuwe situatie te kunnen instellen.

Ad e.

Sommige problemen waarvoor cliënten een Wmo-melding doen, spelen al langere tijd. In zulke gevallen is de vraag hoe de cliënt zich in de periode voorafgaand aan de melding heeft ‘gered’.

Hebben huisgenoten daarbij een rol gespeeld, en zo ja welke? En kunnen die huisgenoten hun ondersteuning dan niet ‘redelijkerwijs’ blijven bieden, als dat voorafgaand aan de melding ook mogelijk was?

Of is de ondersteuning te zwaar geworden en zijn huisgenoten overbelast of dreigen ze overbelast te raken? Het is denkbaar dat de duur en intensiteit van de hulp op een gegeven moment te veel wordt. Ook kunnen andere factoren een rol spelen, bijvoorbeeld ouder worden, een bijkomende mantelzorgtaak bijvoorbeeld voor ouder wordende ouders, of door een andere baan.

Zo nodig kan het college deskundigenonderzoek (laten) doen naar (dreigende) overbelasting van huisgenoten om te bepalen of het bieden van gebruikelijke hulp mogelijk is, en zo ja, in welke mate.

Ad f.

Het is niet mogelijk alle denkbare omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om gebruikelijke hulp te bieden, in regels te vatten. Daarom is onder f. in algemene zin verwezen naar overige relevante omstandigheden van huisgenoten. De term ‘relevante’ vraagt om een inhoudelijke beoordeling van de omstandigheden door het college.

Artikel 8. Onderzoek en advies en functiescheiding

Lid 1

In het stappenplan dat de Centrale Raad heeft geformuleerd in een uitspraak als toetsingskader om te bepalen of het onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest (zie onderdeel 4.4.2 van de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2018:819) is aangegeven dat waar nodig extern advies wordt gevraagd om op basis van zorgvuldig onderzoek te kunnen beslissen op een aanvraag. Zie ook artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. Zie ook Afdeling 3.3 Algemene wet bestuursrecht. Lid 1 specificeert deze regel voor de lokale Wmo-uitvoering.

Lid 2

Al jarenlang winnen gemeenten in het kader van (vroeger) de Wvg en de Wmo sociaal-medisch of ergonomisch advies in. Met de komst van de Wmo 2015 en de bijbehorende nieuwe doelgroepen is er ook behoefte aan gedragswetenschappelijke kennis rond de indicatiestelling van beschermd wonen en begeleiding. Geestelijke problematiek speelt hierbij vaak een hoofdrol, en de vraag is welke voorzieningen vanuit de Wmo passend zijn voor die doelgroep. Is er wel Wmo-begeleiding nodig, of is GGZ voorliggend? Of is juist een combinatie van begeleiding en GGZ passend? En als er een voorziening nodig is, is de vraag in welke omvang die nodig is en welke kwalificaties de begeleider moet hebben.

Deze deskundigheid kan ook nodig zijn om te bepalen of een cliënt in staat is een persoonsgebonden budget te beheren.

Het beantwoorden van al die vragen vereist soms inzet van specifieke deskundigheid, naast de al langer bestaande inzet van een sociaal-medisch adviseur, bouwkundig of ergonomisch deskundige.

Lid 4

Veel gemeenten plaatsen de Wmo-uitvoering om hen moverende redenen ‘op afstand'. Die uitbesteding van taken vindt in allerlei vormen plaats. Soms gaat het alleen om het 'voorwerk’, waarbij onderzoek wordt gedaan door een externe organisatie, maar waarbij het college zelf beslist op aanvragen. In zo'n geval kan de externe partij adviseur zijn, met de bijkomende juridische consequenties. Zie bijvoorbeeld de onderdelen 4.4.1 en 4.4.2 van de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2018:1113.

Een bekend voorbeeld zijn wijkteams, die soms in een aparte privaatrechtelijke organisatie zijn ondergebracht. In andere gevallen wordt een gemeenschappelijke regeling in het leven geroepen of wordt een college van een andere gemeente of zelfs een aanbieder gemandateerd om te beslissen op aanvragen.

In al deze gevallen moet door het college gezorgd worden dat er geen vermenging van taken plaatsvindt. Advisering, besluitvorming en levering van ondersteuning moeten vanuit oogpunt van zorgvuldigheid onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd.

Artikel 9. Voorwaarden voor een maatwerkvoorziening

In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de Wmo is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een hulpvrager voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.

De gemeente maakt bij het beoordelen van hulpvragen gebruik van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. Met de hulpvrager wordt de hulpvraag geïnventariseerd en wordt besproken welk resultaat haalbaar is voor de hulpvrager. Vervolgens wordt bekeken welke inzet nodig is om die resultaten te behalen. Dit alles wordt vastgelegd in een resultatenplan.

Als uit het resultatenplan blijkt dat (een deel van) de hulpvraag niet kan worden opgelost met behulp van de in artikel 9 lid 1 genoemde mogelijkheden, komt de hulpvrager in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De beschikking vermeldt in welke vorm de maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget) wordt verstrekt.

In lid 2 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.

Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst compenserend geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

Artikel 10. Weigeringsgronden voor maatwerkvoorziening

Met dit artikel is invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de Wmo, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.

Ten aanzien van het eerste lid:

Ad. a

De wet kent geen bepaling zoals die was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007 waarin werd bepaald dat geen aanspraak bestaat op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen.

Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de hulpvrager aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat hulpvrager de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat hulpvrager daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).

Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De hulpvrager kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.

Ad. b

Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

Ad. c

Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de Wmo. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.

Ad. d

Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de hulpvrager, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564).

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de hulpvrager (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de hulpvrager ziet op het beantwoorden van de vraag of de hulpvrager over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad

Ad. e

Hier wordt gedoeld op de situatie dat de hulpvrager een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de hulpvrager gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserend voorziening beschouwt.

Ad. f

Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

Ad. g

Om vast te kunnen stellen of het aan het college is om op grond van de Wmo en de verordening een voorziening te verstrekken, zal er een onderzoek uitgevoerd moeten worden. Mogelijk is aanvullend medisch advies of andere aanvullende gegevens nodig om de noodzaak vast te stellen. Wanneer de hulpvrager niet mee wil werken aan het onderzoek, kan het college niet vaststellen of deze noodzaak aanwezig is.

De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.

Ad. h

Een hulpvrager komt niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking indien de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs vermijdbaar was, de voorziening voorzienbaar was en van de hulpvrager kon worden verwacht dat hij maatregelen getroffen zou hebben die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt. Dit is gebaseerd op artikel 2.3.5, derde en vierde lid van de wet.

Ad. i

Het betreft hier een ‘kan’-bepaling en weet eveneens zijn grondslag in artikel 2.1.3, (eerste lid en) tweede lid, aanhef en onder a, van de wet. In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is:

“Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en koopt een huis waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.”

Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening.

Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit volgt verder dat met sub b nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24).

Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Sub b voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag.

Ad. l

Uitgangspunt is dat een voorziening langdurig door de hulpvrager dient te worden gebruikt. Voor de woningen/woonruimten zoals genoemd in dit onderdeel geldt dat de woningen/woonruimten betreft die in principe niet voor langdurig gebruik worden aangemerkt Om te voorkomen dat het college meerdere keren, op verschillende locaties, voor één en hetzelfde probleem een voorziening dient te verstrekken, is dit onderdeel opgenomen in de verordening. Dit heeft uiteraard betrekking op voorzieningen die op enigerlei wijze niet herbruikbaar zijn in andere woningen/woonruimten. Een uitzondering wordt gemaakt voor inwoners die het college middels een persoonsgebonden beschikking of een omgevingsvergunning toestemming heeft verleend in de woning te wonen.

Ad. o.

De Wlz gaat voor op de Wmo als iemand daar recht op heeft. Als iemand afziet van Wlz-zorg terwijl hij daar wel recht op heeft, kan de gemeente de Wmo-aanvraag afwijzen. Uitzonderingen hierop zijn:

1. Maatwerkvervoer voor Wlz-cliënten in een instelling;

2. Hulpmiddelen of woningaanpassingen voor Wlz-cliënten die thuis wonen.

Artikel 11. Beschikking

De hulpvrager moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de hulpvrager goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.

Eerste lid. Dit artikel omschrijft wat het besluit tot toekenning van een individuele voorziening in ieder geval moet omvatten. NB. Daarnaast geldt uiteraard ook de Algemene wet bestuursrecht. De eisen die deze wet aan beschikkingen stelt zijn niet in de verordening opgenomen.

Bij toekenning in natura wordt de toegekende voorziening omschreven. Belangrijk daarbij is dat het beoogde resultaat wordt benoemd, vanaf welke datum hulpvrager recht heeft op de voorziening en voor welke duur deze is toegekend. Ook wordt het aantal geïndiceerde uren of dagdelen opgenomen. Op deze manier is voor een inwoner duidelijk wat het kan verwachten van de ondersteuning.

De beschikking bevat tevens een verwijzing naar het resultatenplan, dat onderdeel uitmaakt van de beschikking.

Tweede lid. Als een maatwerkvoorziening wordt toegekend in de vorm van een pgb wordt eveneens hetgeen in het eerste lid staat opgenomen in de beschikking. Aanvullend daarop benoemt het besluit de eisen die gelden voor de besteding van het pgb, de hoogte ervan en de wijze van berekening en de wijze waarop de pgb-houder verantwoording aflegt over de besteding ervan.

De financieel-administratieve afhandeling van het pgb gebeurt verplicht voor alle pgb-houders door de SVB. De budgethouder heeft een trekkingsrecht. Alle bestedingen worden door de SVB bijgehouden en zijn inzichtelijk voor de budgethouders en gemeente. De verantwoording is daarmee voor budgethouders eenvoudiger, dan voorheen. De gemeente toetst vooral vooraf. Het geld kan alleen besteed worden aan wat is afgesproken (toets SVB bij betalen facturen). Gemeenten hebben steeds inzage in de bestedingen.

Toegekende ondersteuning wordt door de medewerkers van de gemeente geëvalueerd. Dat betekent dat met betrokkenen gesproken wordt over de beoogde resultaten en of de ondersteuning daaraan bijdraagt. Dit gebeurt ook bij het toekennen van een pgb. Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, vragen wij de budgethouders, om in de (tussen)evaluatie ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het persoonsgebonden budget en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet.

Artikel 12. Persoonsgebonden budget

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo een pgb verstrekken. In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Hulp in de vorm van dagbesteding wordt naar zijn aard niet door het sociaal netwerk verleend (in groepsverband en op locatie) en komt daarom niet terug in artikel 12.

Artikel 13. Bijdrage in de kosten

Dit artikel heeft betrekking op maatwerkvoorzieningen en pgb’s op grond van de Wmo en geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, tweede lid, derde en zesde lid, en 2.1.5, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s is gelimiteerd aan ten hoogste de landelijk vastgestelde bijdrage per bijdrageperiode voor de hulpvrager of de gehuwde hulpvragers tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4., derde lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

Onder onvoldoende betalingscapaciteit (zoals vermeld in artikel 13, lid 2, sub b) wordt verstaan dat er sprake is van problematische schulden en dat een inwoner in een schuldentraject (minnelijk of wettelijk) zit, dan wel toewerkt naar een schuldentraject via een erkende schulddienstverleningsinstantie.

Artikel 13, lid 2, sub c geeft aan dat er geen bijdrage wordt opgelegd als dit nadelige gevolgen heeft voor de ondersteuning. Dit is bijvoorbeeld het geval als sprake is van zorgmijding. Onder een zorgmijder wordt verstaan, de sociaal kwetsbare inwoner die, vaak psychische, gezondheidsproblemen heeft en volgens derden zorg nodig heeft maar nadrukkelijk geen hulp of zorg vraagt of accepteert en zorginstellingen/zorgverleners mijdt.

Artikel 14. Vrijstelling bijdrage in de kosten

Met dit artikel wordt aan het college de mogelijkheid geboden onder voorwaarden een vrijstelling te verlenen van de bijdrage in de kosten. Het college kan deze voorwaarden vastleggen in nadere regels.

Artikel 15. Waardering mantelzorgers

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Het college krijgt van de raad de bevoegdheid deze verplichting uit de wet bij uitvoeringsregeling nader in te vullen.

Met deze waardering erkennen wij de inzet die mantelzorgers leveren en dat zij daarvoor onze steun en waardering verdienen. Deze individuele waardering kan ertoe bijdragen aan het in beeld brengen en bereiken van mantelzorgers die zichzelf nog niet als zodanig beschouwen.

Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van hulpvragers in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wmo definieert een hulpvrager als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van hulpvragers die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de hulpvrager bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

Artikel 16. Tegemoetkoming meerkosten beperking of chronische problemen

In artikel 2.1.7 van de Wmo is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een passende voorziening wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

De tegemoetkoming kan op aanvraag worden verstrekt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking.

Artikel 17. Onafhankelijke cliëntondersteuning

In artikel 2.2.4 Wmo is bepaald dat het college ervoor zorgt dat cliëntondersteuning beschikbaar is voor ingezetenen. Het belang van betrokkene geldt als uitgangspunt bij de inzet van deze ondersteuning.

De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van ingezetenen.

Hoofdstuk 4 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN JEUGD

Artikel 18 en 19. Vormen van jeugdhulp en interventieniveaus

Dit artikel werkt de delegatiebepaling uit 2.9, onder a, van de Jeugdwet. Dit artikel verplicht de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen over de toegang tot voorzieningen en de uitvoering ervan door het college.

De Jeugdwet bevat geen expliciete definitie van een voorziening, maar maakt onderscheid tussen algemene vrij toegankelijke als individuele voorzieningen. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Individuele voorzieningen betreffen doorgaans gespecialiseerde zorg. De gemeente, huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder beoordelen of de jeugdige en zijn ouders deze individuele voorziening nodig hebben.

Voorzieningen in het kader van de Jeugdwet vallen onder de wettelijke definitie van jeugdhulp (artikel 1.1):

  • 1.

    ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

  • 2.

    het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

  • 3.

    het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.

Een heldere beschrijving is wenselijk zodat inwoners weten welke vormen van hulp beschikbaar zijn.

Sinds 2017 is het uitgangspunt voor de omvang van de ondersteuning: het te bereiken resultaat voor de inwoner. De daarbij best passende voorziening en de omvang van de ondersteuning is afhankelijk van de situatie en kan per inwoner verschillen, waardoor maatwerk geborgd wordt.

De resultaten hebben betrekking op een eindsituatie of tussenstand, die de inwoner of het gezin met de ondersteuning kan bereiken. Het gaat om de gewenste, haalbaar en realistisch te achten situatie na de ondersteuning. De interventieniveaus worden gebruikt voor het bepalen van de zwaarte en de intensiteit van de ondersteuning.

Artikel 20. Vervoer

Idem artikel 6. Het gaat hier alleen om een individuele voorziening en niet een maatwerkvoorziening vanuit Wmo.

Artikel 21. Onderzoek, advies en functiescheiding

Lid 1

Bij het beoordelen van aanvragen moet het college indien nodig extern advies inwinnen om zorgvuldig onderzoek te waarborgen. Dit volgt uit het stappenplan van de CRvB en artikel 3:2 Awb. Deze verplichting wordt hier lokaal geconcretiseerd.

Lid 2

Het college moet zorgen dat in elk stadium van het onderzoek de juiste deskundigheid beschikbaar én zichtbaar is voor de hulpvrager (zie o.a. CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097).

Lid 3

Bij uitbesteding van taken, bijvoorbeeld aan wijkteams of andere externe partijen, moet het college garanderen dat advisering, besluitvorming en ondersteuning gescheiden blijven. Dit voorkomt belangenverstrengeling en waarborgt een zorgvuldige werkwijze (zie ECLI:NL:CRVB:2018:1113).

Artikel 22. Voorwaarden en weigeringsgronden voor individuele voorzieningen

Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.

Eerste lid.

Het uiteindelijke doel van de Jeugdwet is het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en van anderen in de sociale omgeving. Niet alleen moet voorkomen worden dat overheidsbemoeienis leidt tot zorgafhankelijkheid, maar die bemoeienis moet actief en maximaal bijdragen aan de eigen kracht van jongere, gezin en samenleving.

Het toekennen van een individuele voorziening moet derhalve als sluitstuk van het totaalpakket aan ondersteuning worden gezien. Na inventarisatie van de problemen waar de jongeren en/of het gezin mee geconfronteerd worden, onderzoekt de gemeente met de jongere op welke wijze deze opgelost kunnen worden. Het eerste lid geeft een opsomming van mogelijkheden die voorrang krijgen boven de inzet van een individuele voorziening. In de nadere regels worden deze algemene criteria nader uitgewerkt.

Tweede lid

Aan een besluit over in te zetten jeugdhulp gaat een onderzoek vooraf. De gemeente kijkt tijdens dat onderzoek met name ook naar wat nodig is om de jongere zelf de problemen op te laten lossen. Als door de jongere/het gezin op eigen initiatief maatregelen zijn genomen, dan wordt door de gemeente in beginsel geen individuele voorziening getroffen.

Derde lid

Dit lid maakt het mogelijk dat het college nadere regels stelt met betrekking tot de algemene criteria of specifieke criteria voor bepaalde individuele voorzieningen.

Artikel 23. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden.

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).

De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.

Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.

Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt:

“(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).

Eerste lid

Het eerste lid van artikel 10 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.

Tweede lid

Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.

Derde lid

Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.

Vierde lid

De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.

Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.

Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van:

a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.

Vijfde lid

Op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

Artikel 24. Regeling zak- en kleedgeld

De voogd of instelling toont aan dat geprobeerd is de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht. Dit blijkt uit een dossier met minimaal:

- Eén schriftelijke aanschrijving;

- Geen bijdrage van ouders én;

- Ouders zijn onvindbaar, of

- Contact is onwenselijk voor de hulp, of

- Ouders kunnen aantoonbaar niet betalen.

Artikel 25. Beschikking

Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen of er overeenkomstig artikel 3, tweede lid van deze verordening, een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb.

Voor dyslexiezorg is in Drenthe een andere zorgroute afgesproken met het onderwijs en zorgaanbieders.

Artikel 26. Persoonsgebonden budget

Het college kan op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet een pgb verstrekken. In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Hulp in de vorm van dagbesteding wordt naar zijn aard niet door het sociaal netwerk verleend (in groepsverband en op locatie) en komt daarom niet terug in artikel 26.

Artikel 27. Vertrouwenspersoon

In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie.

De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. In hoofdstuk 4 van het Besluit Jeugdwet is een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon. Deze taak wordt landelijk uitgevoerd door het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ, dat zorgt voor ondersteuning door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

HOOFDSTUK 6 SCHULDDIENSTVERLENING

Artikel 28. Beschikking

De wet regelt dat inwoners met problematische schulden bij gemeenten terecht kunnen voor onder meer advies, schuldbemiddeling of een saneringskrediet. Het uitgangspunt is dat schulddienstverlening breed toegankelijk is. Daarbij is van belang dat het voor de inwoner duidelijk is binnen welke termijn na het eerste gesprek over de hulpvraag wordt besloten of diegene voor een schuldenregeling in aanmerking komt.

Hoofdstuk 7 HERZIENING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP

Artikel 29. Wijzigingen, herziening en intrekking

Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 2.9, onder d van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, lid 4 van de Wmo waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van respectievelijk individuele of maatwerkvoorzieningen of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo.

Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen.

Artikel 30a. Opschorting betaling uit het pgb

Met deze regeling wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo en wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden.

In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de Wmo). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.

Het is aan de SVB om te beslissen om over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met toepassing van de bij verordening gestelde regels gebeurd (artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.

Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg.

Hoofdstuk 8 KWALITEIT

Artikel 31. Kwaliteit

Wmo

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c van de Wmo, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.

Jeugdwet

Artikel 4.1.1 bepaalt dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verantwoorde hulp moeten aanbieden, waaronder verstaan wordt hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op een reële behoefte van de jeugdige of ouder.

Bovengenoemde kwaliteitseisen van Wmo en Jeugdwet zijn nader uitgewerkt in een kwaliteitskader dat geldt voor alle aanbieders, zowel de gecontracteerde aanbieders als de pgb-aanbieders. Het betreft het meest recente Toetsingskader NMD Wmo en Jeugdzorg.

Artikel 32. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

Het college kan andere partijen (aanbieders) inschakelen om de wet uit te voeren, behalve wanneer het gaat om het vaststellen van de rechten en plichten van de cliënt. Voor gevallen waarin deze partijen een voorziening leveren, moeten er regels worden opgesteld om ervoor te zorgen dat de prijs voor de voorziening in verhouding staat tot de kwaliteit ervan. Deze regels moeten ervoor zorgen dat de deskundigheid van de medewerkers en de arbeidsvoorwaarden worden meegenomen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geeft nadere richtlijnen hierover. Het doel is om een vaste of redelijke prijs vast te stellen voor diensten die door derden namens het college worden geleverd, om zo de kwaliteit en continuïteit van deze diensten te waarborgen. Deze regels zijn van toepassing op algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen, maar alleen op diensten die deel uitmaken van een voorziening. Continuïteitseisen gelden specifiek voor diensten binnen maatwerkvoorzieningen. Deze regels zijn niet van toepassing op subsidies, hoewel het college bij het toekennen van subsidies wel rekening kan houden met kostprijselementen.

Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dient het college voor het vaststellen van de vaste prijs of reële prijs rekening te houden met de vastgestelde kwaliteit van de dienst en de continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Met het derde lid van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt een vaste prijs of reële prijs nader gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs. De kostprijselementen waar het college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren staan hierin vermeld en zijn opgenomen in het tweede en derde lid van artikel 18. Het betreft de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen. Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs.

Een vaste of redelijke prijs wordt bepaald op basis van verschillende kosten, waaronder de kosten van de medewerker. Deze kosten omvatten loonkosten, sociale verzekeringen, pensioenpremies en andere wettelijke verplichtingen met betrekking tot arbeid. Aanbieders moeten medewerkers inzetten volgens passende arbeidsvoorwaarden, rekening houdend met de vereiste vaardigheden. Het college moet de benodigde activiteiten en de bijbehorende kosten vaststellen. Bij gebrek aan een collectieve arbeidsovereenkomst voor een medewerker, zoals bij zelfstandigen of buitenlandse aanbieders, moet het college toch een redelijke prijs hanteren met vergelijkbare arbeidsvoorwaarden. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Bij aanbestedingen waarbij geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, gelden de wettelijke minimumnormen.

Een reële prijs, naast de kosten van de medewerker, omvat diverse kostprijselementen zoals overheadkosten, niet-productieve uren van medewerkers, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs, en kosten gerelateerd aan gemeentelijke eisen. Om kosten te beheersen, kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde activiteiten te verminderen zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Het college moet de reële prijs vaststellen voor specifieke processen en deze opnemen in aanbestedingsprocedures en contracten. De reële prijs wordt bekendgemaakt als eis in aanbestedingsdocumenten en inschrijvingen die hier niet aan voldoen, worden als ongeldig beschouwd. Artikel 5.4 van de wet biedt een kader voor het gunnen van overheidsopdrachten voor maatschappelijke ondersteuning en vult de bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012 verder in. Het is cruciaal om de reële prijs zorgvuldig en objectief te onderbouwen, aangezien deze artikelen specifieke regels bevatten ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012.

Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium.

De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb).

De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 maakt geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.

Eerste lid

In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

Tweede lid

Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

Derde lid

Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.

Vierde lid

Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 18. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Vijfde lid

Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 18. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 van de wet en artikel 1 van de toelichting bij deze verordening). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt in werking per 1 april 2019. Het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (artikel 18 van de verordening) is van toepassing op opdrachten die na de inwerkingtreding van het besluit zijn aangekondigd (zie hoofdstuk 2.2 van de Aanbestedingswet 2012) of gegund (gunningbeslissing).

Op bestaande overeenkomsten is het oude recht van toepassing, tenzij die overeenkomst eenzijdig wordt verlengd. Dit zal met name spelen bij een in de overeenkomst opgenomen beding tot eenzijdige en ongewijzigde verlenging. Na de inwerkingtreding van het besluit kunnen deze bestaande overeenkomsten alleen worden voortgezet indien zij passen binnen het kader van artikel 5.4 (artikel 18 van de verordening).

HOOFDSTUK 9 TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 33. Toezicht en handhaving

Wmo

Op grond van het eerste lid van artikel 6.1 van de Wmo moet het college personen aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo. Deze toezichthoudende ambtenaar is, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van dossiers.

Jeugdwet

De Rijksoverheid oefent ook vanaf 1 januari 2015 landelijk toezicht uit op:

• de jeugdhulpaanbieders,

• de gecertificeerde instellingen,

• de certificerende instelling,

• het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK),

• de Raad voor de Kinderbescherming en

• de justitiële jeugdinrichtingen.

Dit landelijke toezicht wordt uitgevoerd door de Inspectie Jeugdzorg (IJZ), de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ)

De inspectie houdt toezicht op de wettelijke kwaliteitseisen die gelden voor het jeugddomein.

In het geldend aanbestedingsdocument is aangegeven dat de toezicht houdende ambtenaar op zowel Jeugd als Wmo aanbieders toezicht houdt.

Artikel 34. Controle maatwerk- en individuele voorzieningen

Op grond van artikel 2.3.6 vierde lid van de Wmo en artikel 2.9 onder d van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budget alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.

Hoofdstuk 10 CALAMITEITEN EN GEWELD

Artikel 36. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Wmo

In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Het college heeft daarin invulling gegeven door het vaststellen van het Protocol meldingen calamiteiten en geweld.

Jeugdwet

Voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen geldt op grond van artikel 4.1.8 Jeugdwet een meldplicht voor calamiteiten en geweld bij de verlening van jeugdhulp of uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Deze meldingen met betrekking tot jeugdzaken moeten gedaan worden aan de 3 samenwerkende inspecties: de inspectie Jeugdzorg, Gezondheidszorg en Veiligheid en Justitie.

In aanvulling op bovenstaande is in het Protocol meldingen calamiteiten en geweld en het geldend aanbestedingsdocument aangegeven dat door de aanbieder bij de toezichthoudende ambtenaar meldingen van calamiteiten en geweld voor zowel Jeugd als Wmo gedaan worden.

HOOFDSTUK 11 KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 37. Klachtregeling

In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de Wmo, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van hulpvragers is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo en artikel 4.2.1 van de Jeugdwet).

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat hulpvragers in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De hulpvrager kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Op grond van de ‘Regeling adviescommissie Klaagschriften gemeente Noordenveld’ kan hiertegen een klacht worden ingediend. Er is een onafhankelijke commissie ingesteld ter advisering op de afhandeling van klaagschriften.

Is de hulpvrager niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat hulpvragers die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

In het derde lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd

Artikel 38. Medezeggenschap

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. Artikel 2.10 van de Jeugdwet bepaalt dat dit artikellid van overeenkomstige toepassing is op de Jeugdwet.

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo).

In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Artikel 39. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo en artikel 2.10 van de Jeugdwet.

In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

HOOFDSTUK 12 SLOTBEPALINGEN

Artikel 40. Nadere regels, beleidsregels en hardheidsclausule

Ondanks dat het in de Wmo en de Jeugdwet om maatwerk gaat, zal het college er in uitzonderingsgevallen niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, te beoordelen of deze afweging in de specifieke situatie niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. De hardheidsclausule functioneert in dat geval als vangnet.

Wanneer de hardheidsclausule vaker gebruikt wordt in vergelijkbare gevallen is dit een aanwijzing voor de noodzaak van de aanpassing van het beleid.

Artikel 41. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. Omdat dit voor de hulpvrager nadelige gevolgen kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat hiervan afgeweken kan worden als dit gunstiger is voor de hulpvrager.

Artikel 42. Evaluatie

Deze verplichting vloeit voort uit de volgende artikelen: art. 2.5.1 en 2.5.3 Wmo en art. 2.10 Jeugdwet.

Artikel 43. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe deze verordening dient te worden aangehaald.