Beleidsregels Participatiewet in Balans gemeente Westland 2026, spoor 1

Geldend van 14-05-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels Participatiewet in Balans gemeente Westland 2026, spoor 1

Beleidsregels van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland over:

  • het vrijlaten van giften in individuele gevallen;

  • het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren vóór afloop van de zoektermijn;

  • het toepassen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure; en

  • het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland;

gelezen het voorstel van 4 mei 2026;

  • gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

  • gelet op de artikelen 31, tweede lid, onderdelen m en s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet;

  • gelet op de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

b e s l u i t vast te stellen de volgende beleidsregels:

Beleidsregels Participatiewet in Balans gemeente Westland 2026, spoor 1

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland;

  • gift: elke bevoordeling uit vrijgevigheid van personen of instellingen, in geld of natura, zonder tegenprestatie, die niet voortvloeit uit een wettelijke verplichting;

  • IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • jongere: de belanghebbende of het gezin als bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Participatiewet;

  • middelen: inkomen en vermogen als bedoeld in artikel 31 van de Participatiewet;

  • probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet meer kunnen worden afgelost;

  • schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • Wet: Participatiewet;

  • zoektermijn: de termijn van vier weken, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet.

HOOFDSTUK 2. BELEIDSKEUZES

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

  • 1. Bij de beoordeling of giften in een individueel geval verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen m en s, van de Wet, beschouwt het college in ieder geval als verantwoord:

  • giften in natura en in contanten, niet zijnde kostenbesparende bijdragen als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet met een maximale waarde van € 1.200 per jaar.

  • 2. Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.

  • 3. In uitzonderlijke individuele omstandigheden kan het college besluiten een hoger bedrag vrij te laten.

Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren jonger dan 27 jaar voor afloop van de zoektermijn

In beginsel geldt voor jongeren <27 jaar een zoektermijn, zo is de bedoeling van de wetgever. Op de zoektermijn zijn uitzonderingen mogelijk voor jongeren in knellende situaties. In die situaties kan de jongere meteen zijn aanvraag indienen, zonder eerst naar andere mogelijkheden voor arbeid of scholing te zoeken. Het uitgangspunt van de wetgever blijft, ook na deze versoepeling, onverminderd dat van een naar het oordeel van het college zelfredzame jongere mag worden verwacht dat hij zijn mogelijkheden om via werk of opleiding verder in zijn toekomst te investeren intensief onderzoekt, voordat hij bijstand aanvraagt. Dit draagt bij aan de eigen verantwoordelijkheid.

  • 1.

    Voor jongeren jonger dan 27 jaar geldt in beginsel een zoektermijn van vier weken.

  • 2.

    Het college kan de aanvraag vóór afloop van de zoektermijn in behandeling nemen wanneer de omstandigheden van de jongere daartoe aanleiding geven.

  • 3.

    Van dergelijke omstandigheden kan onder meer sprake zijn bij jongeren die:

    • º

      verblijven in of recent afkomstig zijn uit een inrichting of maatschappelijke opvang;

    • º

      uit een pleegzorgsituatie komen;

    • º

      kampen met (ernstige) psychische problematiek waarvoor behandeling plaatsvindt;

    • º

      statushouder zijn en zijn gestart met inburgering;

    • º

      dakloos zijn of niet staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen;

    • º

      te maken hebben (gehad) met een jeugdzorg- of kinderbeschermingsmaatregel;

    • º

      zich anderszins in een kwetsbare positie bevinden waardoor van hen redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij zelfstandig binnen vier weken werk of scholing vinden.

  • 4.

    De in het derde lid genoemde situaties zijn niet limitatief. De beoordeling blijft maatwerk.

Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot hergebruik van gegevens als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, wanneer:

    • a.

      dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na beëindiging van de algemene bijstand; en

    • c.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd wegens:

      1°. werkaanvaarding; of

      2°. een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet.

  • 2. Het college verifieert vooraf of zich wijzigingen hebben voorgedaan in:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen (anders dan inkomsten uit voormalige arbeid) en het vermogen.

  • 3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen op grond van artikel 15a, eerste lid, van de IOAW, met uitzondering van het vermogen.

Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

De ingangsdatum van de bijstand is in beginsel de datum van melding.

  • 1.

    Het college kan bijstand met terugwerkende kracht toekennen wanneer:

    • º

      de belanghebbende al verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden; en

    • º

      sprake was van onvoldoende bestaanszekerheid; en

    • º

      individuele omstandigheden dit rechtvaardigen

    • º

      de belanghebbende onvoldoende zicht had op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie.

    • º

      de belanghebbende met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft gekregen.

  • 2.

    Bij deze beoordeling kunnen onder meer de volgende omstandigheden worden betrokken:

    • º

      eerdere meldingen of aanvragen voor een (andere) uitkering;

    • º

      nood- of crisissituaties;

    • º

      het ontbreken van inkomsten door bijzondere omstandigheden;

    • º

      aantoonbaar niet-verwijtbare schulden die recent zijn ontstaan;

    • º

      medische omstandigheden zoals opname of ernstig ongeval;

    • º

      ingrijpende gebeurtenissen zoals overlijden van een naaste.

  • 3.

    Wanneer één of meer van deze omstandigheden zich voordoen, kan bijstand worden toegekend tot maximaal drie maanden vóór de meldingsdatum.

  • 4.

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op uitkeringen op grond van artikel 16a, vierde lid, van de IOAW.

HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN

Artikel 6. Evaluatie

Het college evalueert deze beleidsregels binnen drie jaar na inwerkingtreding op doeltreffendheid en uitvoerbaarheid.

Artikel 7. Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2026.

  • 2. Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregels in werking zijn getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

Artikel 8. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels Participatiewet in Balans gemeente Westland 2026, spoor 1”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland in de vergadering van 4 mei 2026.

Burgemeester en wethouders van Westland,

de secretaris,

M.L.M. Weerts

de burgemeester,

B.R. Arends

TOELICHTING

1. Algemeen

Per 1 januari 2026 is de Participatiewet gewijzigd door de Participatiewet in Balans en de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen uit de Participatiewet in Balans treden gefaseerd in werking.

Deze beleidsregels geven invulling aan de beleids- en uitvoeringsruimte van het college voor vijf bevoegdheden uit de eerste fase van deze wetswijzigingen. Het doel van deze bevoegdheden is het versterken van bestaanszekerheid, het verminderen van onnodige administratieve lasten en het vergroten van maatwerk binnen de wettelijke kaders.

Met deze beleidsregels maakt het college onder voorwaarden gebruik van de mogelijkheid om:

  • 1.

    giften ruimer vrij te laten bij de bijstandsverlening;

  • 2.

    de vier weken zoektermijn voor jongeren in individuele gevallen achterwege te laten;

  • 3.

    bijstandsaanvragen te vereenvoudigen door hergebruik van gegevens;

  • 4.

    bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen tot maximaal drie maanden vóór de meldingsdatum.

Voor de bevoegdheden onder 3 en 4 geldt dat deze ook worden toegepast op aanvragen op grond van de IOAW. Dit is vastgelegd in artikel 4, derde lid, en artikel 5, vijfde lid, van de beleidsregels en draagt bij aan een consistente uitvoering.

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Definities

Dit artikel bevat definities van begrippen die specifiek zijn voor deze beleidsregel. Voor overige begrippen gelden de definities uit de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

Probleemschulden

De wet bevat geen exacte definitie van probleemschulden. Aansluiting is gezocht bij de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Wsnp. Doorslaggevend is of het college naar redelijke maatstaven kan vaststellen dat betrokkene zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen. Hiermee wordt ruimte geboden voor een praktische en niet boekhoudkundige beoordeling.

Schuldregeling

Onder schuldregeling wordt verstaan zowel een gemeentelijke schuldregeling op grond van de Wgs als een wettelijke schuldsanering op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt afronding tot een definitieve regeling van de schuldenlast.

Zoektermijn

De zoektermijn betreft de periode van vier weken na melding waarin jongeren tot 27 jaar worden geacht eerst werk of scholing te zoeken alvorens een bijstandsaanvraag kan worden ingediend. Deze beleidsregels beschrijven wanneer het college hiervan kan afwijken.

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

De Participatiewet bepaalt dat giften in beginsel als middel worden aangemerkt, tenzij het college oordeelt dat vrijlating in het individuele geval verantwoord is. Met de wetswijziging is vastgelegd dat giften en kostenbesparende bijdragen tot € 1.200 per kalenderjaar in ieder geval buiten beschouwing blijven.

Het college heeft geen beleidsruimte om dit bedrag categoriaal te verhogen of verlagen. Wel blijft ruimte bestaan om in individuele gevallen giften boven dit bedrag vrij te laten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdelen m en s, van de Wet.

In deze beleidsregels is vastgelegd in welke situaties het college giften in ieder geval verantwoord acht, bijvoorbeeld wanneer deze:

  • worden ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand zou zijn verstrekt;

  • noodzakelijk zijn voor medische kosten;

  • worden gebruikt voor het aflossen van probleemschulden die zijn ontstaan vóór de bijstandsverlening.

Het uitgangspunt blijft dat giften niet mogen leiden tot een inkomens- of vermogenspositie die onverenigbaar is met bijstandsverlening.

Artikel 3. Behandeling van bijstandsaanvragen van jongeren vóór afloop van de zoektermijn

De wetgever blijft uitgaan van het principe dat jongeren tot 27 jaar primair investeren in werk of scholing. Tegelijkertijd erkent de wetgever dat dit uitgangspunt niet voor alle jongeren realistisch is.

Met de toevoeging van artikel 41, elfde lid, van de Participatiewet krijgt het college expliciet de bevoegdheid om aanvragen vóór afloop van de zoektermijn in behandeling te nemen wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven.

In de beleidsregels zijn voorbeelden opgenomen van situaties waarin jongeren zich in een kwetsbare positie bevinden. Deze opsomming is niet limitatief en dient als handvat voor de individuele beoordeling. De afweging blijft maatwerk.

Artikel 4. Vereenvoudigde aanvraagprocedure

De aanvraagprocedure voor bijstand wordt door inwoners vaak als complex en belastend ervaren, met name bij korte onderbrekingen door werk. Artikel 43a van de Participatiewet biedt het college de mogelijkheid om bij herhaalde aanvragen binnen twaalf maanden gebruik te maken van reeds beschikbare gegevens.

Met deze beleidsregels maakt het college gebruik van deze mogelijkheid. Het doel is:

  • het verminderen van administratieve lasten voor inwoners;

  • het versnellen van de besluitvorming;

  • het beperken van perioden zonder inkomen.

Het college verifieert daarbij of kerngegevens, zoals hoofdverblijf, gezinssituatie en inkomen, zijn gewijzigd. Indien nodig kan alsnog aanvullende informatie worden opgevraagd.

Deze werkwijze wordt eveneens toegepast bij aanvragen op grond van de IOAW.

Artikel 5. Bijstand met terugwerkende kracht

De hoofdregel in de Participatiewet is dat bijstand ingaat op de meldingsdatum. Met de invoering van artikel 44, vijfde lid, is het college bevoegd om in individuele omstandigheden bijstand toe te kennen tot maximaal drie maanden vóór die datum.

De wetgever beoogt hiermee situaties te ondervangen waarin:

  • de belanghebbende zich niet eerder kon melden door niet verwijtbare omstandigheden; en/of

  • het niet toekennen van terugwerkende kracht leidt tot ernstige financiële gevolgen.

De beleidsregels bevatten een afwegingskader met relevante indicatoren, zonder deze limitatief vast te leggen. Dit waarborgt zowel rechtszekerheid als maatwerk.

Ook deze bevoegdheid wordt door het college toegepast bij IOAW uitkeringen.

Artikel 6. Evaluatie

Het college evalueert deze beleidsregels binnen drie jaar na inwerkingtreding. Daarbij wordt gekeken naar:

  • de doeltreffendheid;

  • de uitvoerbaarheid;

  • de rechtmatigheid;

  • de effecten voor inwoners.

De evaluatie kan aanleiding geven tot bijstelling van het beleid.

Artikel 7. Inwerkingtreding en overgangsrecht

Besluiten die zijn genomen vóór 1 januari 2026 blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist. Dit voorkomt rechtsonzekerheid en waarborgt een zorgvuldige overgang naar het nieuwe beleidskader.