Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761640
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761640/1
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026
Geldend van 12-05-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem;
gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2024;
overwegende, dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders omgaat met diens bevoegdheden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
besluit de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026 vast te stellen.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Sinds de komst van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 heeft de gemeentelijke overheid een andere rol: van zorgen vóór naar zorgen dat, ondersteunend en faciliterend. De overheid stelt haar inwoners in staat zo veel mogelijk de regie op het eigen leven te hebben en te behouden.
Meer verantwoordelijkheid voor de inwoner en meer regie betekent ook dat de gemeente zich niet langer boven de inwoner stelt, maar juist naast de inwoner gaat staan. Het is nadrukkelijk de intentie van het college van burgemeester en wethouders (hierna: college of de gemeente) om vanuit het Gesprek in goed overleg met de inwoner te zoeken naar oplossingen bij problemen die inwoners ervaren als het gaat om zelfredzaamheid en participatie.
Volgens de wet (artikel 1.1.1 eerste lid) is maatschappelijke ondersteuning:
- 1.
Het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld;
- 2.
Het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving;
- 3.
Het bieden van beschermd wonen en opvang.
Deze beleidsregels richten zich niet op de aspecten uit het eerste lid, maar beperken zich tot het tweede en derde lid. Zelfredzaamheid en participatie worden hierbij vertaalt in een aantal resultaten.
Resultaten ten behoeve van de inwoner:
- •
het kunnen participeren/het kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, waaronder het hebben van sociale contacten met de medemens(en);
- •
het behouden en/of versterken van het sociale netwerk;
- •
het kunnen verrichten van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL);
- •
het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden, waaronder een schoon en leefbaar huis;
- •
het kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;
- •
het kunnen wonen in een geschikt huis;
- •
het zich kunnen verplaatsen in en om de woning;
- •
het zich kunnen verplaatsen per vervoermiddel in de directe leefomgeving.
Resultaten ten behoeve van de mantelzorger:
- •
in staat zijn en blijven om mantelzorg te verrichten.
1.1 Begripsbepaling.
- 1.
De begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt en in lid 2 niet worden omschreven hebben de betekenis zoals omschreven in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2024 en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026.
- 2.
In deze Beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn gefaciliteerd of geïnitieerd door het college. Gebruik ervan is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Gebruik door mantelzorgers is een mogelijkheid;
- b.
Beschermd Thuis: zelfstandig wonen in de eigen woning of een intermediaire woonvorm binnen de wijk, met professionele ondersteuning en 24/7 bereikbaarheid van zorg, gericht op herstel, zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie;
- c.
Beschermd Wonen: het verblijf in een accommodatie van een instelling, zoals omschreven in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waarbij toezicht en begeleiding worden geboden gericht op zelfredzaamheid, participatie, stabilisatie en veiligheid van personen met psychische of psychosociale problemen die zich niet zelfstandig kunnen handhaven;
- d.
maatwerkvoorziening: voorziening afgestemd op de individuele omstandigheden, mogelijkheden en voorkeuren van de inwoner. Daarbij wordt rekening gehouden met persoonlijke behoeften en kenmerken, zodat ondersteuning bijdraagt aan het behoud van zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving. Inzet ervan kan ook gericht zijn op het ondersteunen of tijdelijk ontlasten van een mantelzorger bij (dreigende) overbelasting;
- e.
mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
- f.
participatie: deelname aan het maatschappelijke verkeer;
- g.
sociale netwerk: personen uit de huiselijke kring of anderen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Onder de huiselijke kring vallen onder andere familieleden, huisgenoten en mantelzorgers;
- h.
zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.
- a.
Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag
Dit hoofdstuk beschrijft de procedure die voorafgaat aan een eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening in het kader van de wet. De procedure begint wanneer de inwoner de gemeente om hulp vraagt, wat als melding wordt aangeduid. Deze melding vormt de aanleiding voor de gemeente om een onderzoek te starten.
De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen bestaan voor de hulpvraag waarvoor de inwoner geen maatwerkvoorziening van de gemeente nodig heeft. Als de inwoner akkoord gaat met deze alternatieve oplossingen, eindigt de procedure op dat moment. Het is ook mogelijk dat de inwoner na het onderzoek besluit een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening. In dit hoofdstuk worden de regels uiteengezet die van belang zijn voor zowel de melding als de aanvraag.
2.1 Melding
- 1.
Als een inwoner behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning, kan hij of zij contact opnemen met het Wmo-team, onderdeel van loket 0-100. Dit eerste contact wordt binnen de Wmo een melding genoemd. Een melding kan op verschillende manieren worden gedaan: schriftelijk, telefonisch, digitaal of persoonlijk. Het loket legt de melding vast.
- 2.
De melding kan worden gedaan door de inwoner zelf, of namens hem of haar door een partner, vertegenwoordiger of gemachtigde. Ontvangen we een signaal van een zorgverlener, dan nemen we altijd contact op met de inwoner of diens vertegenwoordiger.
- 3.
Soms vraagt een inwoner alleen om informatie of advies. Dit valt niet onder een melding in de zin van de Wmo. Pas als iemand aangeeft ondersteuning nodig te hebben bij zelfredzaamheid, participatie of het zich handhaven in de samenleving (betreft: beschermd wonen en opvang), spreken we van een melding.
2.2 Uitnodiging voor het Gesprek
Samen met de inwoner wordt een afspraak gepland voor het Gesprek, dat meestal bij de inwoner thuis plaatsvindt. De inwoner kan aangeven wie hij graag bij het gesprek aanwezig wil hebben; het loket vraagt daarbij expliciet naar mantelzorgers. Ook wordt de inwoner gewezen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen. De afspraak wordt schriftelijk bevestigd door het loket - dit geldt tevens als bevestiging van de melding.
2.3 Persoonlijk plan
- 1.
Bij het plannen van het Gesprek nodigen we de inwoner uit om een persoonlijk plan op te stellen. Dit helpt om vooraf goed na te denken over de ervaren problemen en mogelijke oplossingen. In het persoonlijk plan beschrijft de inwoner welke belemmeringen hij of zij ervaart op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, en hoe deze volgens hem of haar het beste kunnen worden aangepakt.
- 2.
Het indienen van een persoonlijk plan is niet verplicht. Wel vragen we de inwoner om informatie te delen die volgens hem of haar belangrijk is voor het goed kunnen beoordelen van de ondersteuningsvraag.
2.4 Cliëntondersteuning
- 1.
In de schriftelijke bevestiging van het Gesprek wordt de inwoner geïnformeerd over de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning.
- 2.
Deze ondersteuning bestaat uit informatie, advies en begeleiding die gericht is op het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Cliëntondersteuning helpt ook bij het vinden van passende hulp op het gebied van onder andere zorg, welzijn, jeugdhulp, onderwijs, wonen, werk en inkomen. De ondersteuning gaat dus verder dan alleen de Wmo.
- 3.
Stichting MEE voert voor de gemeente Hattem de onafhankelijke cliëntondersteuning uit. Daarnaast mag de inwoner zich altijd laten bijstaan door iemand naar eigen keuze, zoals een mantelzorger, partner, familielid of vrijwilliger. De voorkeur van de inwoner staat hierbij centraal.
2.5 Onderzoek en het Gesprek
- 1.
Het onderzoek naar de ondersteuningsvraag start met het Gesprek en moet zo snel mogelijk plaatsvinden, uiterlijk binnen zes weken. Na het Gesprek kan blijken dat nader onderzoek nodig is. In het geval dat dit nadere onderzoek niet binnen de termijn van zes weken lukt, dan kan deze termijn (alleen) in overleg met de inwoner worden verlengd.
- 2.
Tijdens het onderzoek wordt de situatie van de inwoner in kaart gebracht. Waar mogelijk worden ook mantelzorgers, huisgenoten of andere betrokkenen uit het sociale netwerk betrokken. Een (onafhankelijke) cliëntondersteuner kan eveneens bij het Gesprek aanwezig zijn.
2.6 Extern (medisch) advies
Wanneer de situatie van een inwoner complex is, kan de medewerker van het loket extern advies nodig hebben om samen tot een passend ondersteuningsplan te komen. In dat geval wordt, met toestemming van de inwoner, advies ingewonnen bij een door de gemeente gecontracteerde (medisch) adviseur.
2.7 Verslag; het ondersteuningsplan
Na het onderzoek wordt een ondersteuningsplan opgesteld. Hierin worden de uitkomsten van het onderzoek vastgelegd. Het plan bestaat uit o.a. de volgende onderdelen:
- a.
Bevindingen uit het onderzoek, waaronder:
- i.
een beknopte samenvatting van het Gesprek;
- ii.
als van toepassing: de uitkomst van aanvullend opgevraagd medisch of ander advies;
- iii.
overige relevante informatie die tijdens het onderzoek naar voren is gekomen.
- i.
- b.
Gemaakte afspraken met de inwoner over:
- i.
inzet van eigen kracht;
- ii.
ondersteuning vanuit het sociale netwerk;
- iii.
mantelzorg.
- i.
- c.
Adviezen over het gebruik van gebruikelijke en algemene voorzieningen.
- d.
Aanvraag voor een maatwerkvoorziening, als dit van toepassing is.
2.8 De aanvraag voor een maatwerkvoorziening
- 1.
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan op drie manieren worden ingediend:
- a.
Door het ondertekenen en opsturen van het ondersteuningsplan waarin de maatwerkvoorziening is opgenomen;
- b.
Door het ondertekenen en opsturen van het ondersteuningsplan, met daarop een aanvullende of afwijkende aanvraag voor een andere maatwerkvoorziening;
- c.
In uitzonderlijke gevallen: door direct een aanvraag in te dienen zonder voorafgaand Gesprek of onderzoek. Dit is alleen mogelijk in overleg met het loket, wanneer de situatie van de inwoner al voldoende bekend is.
- a.
- 2.
In principe dient een aanvraag pas ná het onderzoek plaats te vinden. Als het ondersteuningsplan niet binnen zes weken na de melding is ontvangen, mag de inwoner alsnog zelfstandig een aanvraag indienen.
2.9 Besluit
- 1.
Zodra een aanvraag is ontvangen, heeft het college maximaal twee weken de tijd om een besluit te nemen. Deze termijn geldt ook wanneer er geen onderzoek of Gesprek heeft plaatsgevonden.
- 2.
In sommige gevallen kan de beslistermijn worden opgeschort, dit is mogelijk op basis van bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.10 Bezwaar en beroep
- 1.
Het college neemt een besluit op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening op basis van de Wmo 2015. Tegen dit besluit kan de inwoner bezwaar maken en eventueel in beroep gaan.
- 2.
In het besluit staat duidelijk uitgelegd hoe bezwaar kan worden ingediend.
Hoofdstuk 3 Afwegingskader
3.1 Afwegingskader en stappenplan CRvB
- 1.
Er is voor alle maatwerkvoorzieningen een gelijkluidend afwegingskader. Dit afwegingskader is een nadere uitwerking stap 4 van het stappenplan zoals opgesteld door de Centrale Raad van Beroep (CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819). Dit stappenplan is als volgt:
-
Stap 1: wat is de precieze hulpvraag
Stap 2: welke problemen doen zich voor bij de zelfredzaamheid en participatie
Stap 3: welke ondersteuning naar aard en omvang is nodig om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid van de aanvrager
Stap 4: of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door anderen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp kunnen bieden
Stap 5: of er na bovengenoemde stappen nog iets te compenseren overblijft. Als dat het geval is zet het college een maatwerkvoorziening in.
-
- 2.
Door middel van het afwegingskader worden de volgende aspecten beoordeeld:
- a.
Andere wetgeving (waaronder aanspraak op de Wet langdurige zorg)
- b.
Eigen kracht
- c.
Gebruikelijke voorzieningen
- d.
Gebruikelijke hulp
- e.
Mantelzorg
- f.
Sociaal netwerk
- g.
Algemene voorzieningen
- a.
- 3.
Het afwegingskader helpt om per situatie te beoordelen in hoeverre deze onderdelen kunnen bijdragen aan het verminderen of oplossen van beperkingen.
- 4.
Elke hulpvraag wordt op dezelfde manier onderzocht, met oog voor de persoonlijke situatie, voorkeuren en behoeften van de inwoner. Ook als aanvragen op elkaar lijken, kunnen de uitkomsten verschillen. Samen met de inwoner en het netwerk wordt gezocht naar passende oplossingen.
- 5.
In het ondersteuningsplan worden de (on)mogelijkheden per onderdeel van het afwegingskader beschreven.
3.2 Andere wetgeving (waaronder aanspraak op de Wet langdurige zorg)
- 1.
Bij elke hulpvraag beoordeelt het college eerst of ondersteuning mogelijk is via andere wetgeving, zoals, maar niet uitsluitend, de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Jeugdwet, Participatiewet of Wet op de kinderopvang. Deze wetten hebben elk hun eigen doel en regels. Als een passende oplossing binnen een andere wet beschikbaar is, wordt van de inwoner verwacht dat hij daar gebruik van maakt.
- 2.
De Wmo vraagt om afstemming met andere wetten. Daarom kan het soms nodig zijn dat het college samenwerkt met uitvoerders van andere regelingen en dat er gezorgd wordt, waar nodig, voor een warme overdracht.
- 3.
Bij spoedeisende situaties waarin onduidelijk is of een andere wet voorziet in een oplossing, kan tijdelijk ondersteuning via de Wmo worden ingezet.
- 4.
Bij een Wlz-indicatie is in principe geen Wmo-ondersteuning voor begeleiding mogelijk. Dit geldt ook als een inwoner weigert mee te werken aan een Wlz-aanvraag, terwijl daar mogelijk wel recht op bestaat. Sinds 2017 valt ook huishoudelijke hulp voor zelfstandig wonende Wlz-cliënten onder de Wlz.
- 5.
Vanaf 2020 worden mobiliteitshulpmiddelen voor bewoners van Wlz-instellingen vergoed vanuit de Wlz. Voor inwoners die zelfstandig wonen, blijven deze hulpmiddelen (zoals rolstoelen, scootmobielen en aangepaste fietsen) onder de Wmo vallen.
- 6.
Voor Wlz-cliënten in instellingen die vóór 2020 al een mobiliteitshulpmiddel via de gemeente ontvingen, blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie totdat vervanging nodig is.
- 7.
Bij andere toekomstige wijzigingen die niet in deze beleidsregels genoemd worden volgt de gemeente Hattem de landelijke wetgeving.
3.3 Eigen kracht
Onder eigen kracht worden de mogelijkheden verstaan die mensen hebben om hun leven zo in te richten dat zij hun problemen bij zelfredzaamheid of ondersteuning zelf verminderen of voorkomen. Voorbeelden:
- •
Als gevraagd wordt om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing, maar een herindeling van het meubilair maakt de huidige woning ook geschikt, dan heeft dit de voorkeur boven een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo;
- •
Een inwoner die een beroep doet op begeleiding omdat er beperkingen zijn ten aanzien van het bijhouden en het nakomen van zijn of haar gemaakte afspraken, wordt allereerst verwezen naar een agendabeheersysteem op de eventueel aanwezige computer/laptop of naar een agenda-app zoals te downloaden via de eventueel in het bezit zijnde smartphone;
- •
Eenvoudige algemeen aanschafbare aanpassingen aan de woning om het gebruik daarvan te verbeteren, bijvoorbeeld een eenvoudige douchestoel, drempelhulpen, het aanbrengen van steunpunten of een tweede trapleuning.
3.4 Gebruikelijke voorzieningen
- 1.
Gebruikelijke voorzieningen zijn producten of diensten die algemeen beschikbaar zijn en bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Deze voorzieningen worden als normaal beschouwd binnen het dagelijks leven en vallen daarom niet onder de voorzieningen die via de Wmo worden verstrekt. Wat als ‘gebruikelijk’ wordt gezien, hangt af van maatschappelijke normen, jurisprudentie en actuele ontwikkelingen.
- 2.
Een voorziening wordt als gebruikelijk beschouwd wanneer deze:
- a.
niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
- b.
daadwerkelijk beschikbaar is;
- c.
een passende bijdrage levert aan het zorgen voor een situatie waarin de cliënt zelfredzaam kan zijn of kan participeren en;
- d.
met een inkomen op minimumniveau financieel kan worden gedragen
- a.
3.5 Gebruikelijke hulp
- 1.
Gebruikelijke hulp betreft de normale, dagelijkse zorg die huisgenoten – zoals partners, ouders, inwonende kinderen en andere leden van het huishouden – geacht worden elkaar onderling te bieden. Dit betekent dat wanneer één van de huisgenoten tijdelijk of langdurig uitvalt, van de anderen verwacht wordt dat zij taken overnemen en ondersteuning bieden.
- 2.
Gebruikelijke hulp geldt voor alle huisgenoten van 18 jaar en ouder, en in beperkte mate ook voor kinderen en jongeren onder de 18 jaar. De mate waarin hulp als gebruikelijk wordt beschouwd, hangt af van de aard van de sociale relatie: hoe hechter en intiemer de relatie, hoe meer hulp als vanzelfsprekend wordt gezien. Als het gebruikelijk is dat mensen elkaar in een bepaalde situatie zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.
- 3.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp wordt per situatie zorgvuldig gekeken of de betreffende huisgenoot daadwerkelijk in staat is om deze hulp te bieden. In uitzonderlijke gevallen, zoals bij een zeer korte levensverwachting, kan worden afgezien van het verlangen naar gebruikelijke hulp.
3.5.1 Gebruikelijke hulp bij huishoudelijke taken
-
1. Van partners, ouders en huisgenoten (18+) mag in principe worden verwacht dat zij gebruikelijke hulp kunnen bieden. Ook naast een fulltime baan of fulltime studie. Het kan hierbij gaan om huishoudelijke taken, maar ook om het begeleiden van kinderen binnen het normale patroon van dagelijkse begeleiding van ouders aan kinderen.
-
2. Wanneer een huisgenoot structureel enkele dagen of nachten afwezig is en daardoor de gebruikelijke hulp niet kan leveren, beoordeelt het college of ondersteuning noodzakelijk is. In dat geval kan ondersteuning worden ingezet voor taken die niet kunnen blijven liggen tot de huisgenoot weer aanwezig is.
-
3. Van kinderen wordt in beperkte mate gebruikelijke hulp verwacht. Bij het beoordelen van hun bijdrage wordt zorgvuldig gekeken naar wat redelijk is op basis van hun leeftijd, ontwikkelingsfase en feitelijke mogelijkheden. Deze bijdragen worden gezien als onderdeel van de normale opvoeding en ontwikkeling, en vallen daarmee onder gebruikelijke hulp.
- a.
Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden.
- b.
Kinderen van 5 tot 12 jaar kunnen binnen hun eigen mogelijkheden betrokken worden bij lichte huishoudelijke taken, zoals opruimen, tafeldekken en -afruimen, afwassen of afdrogen, en het doen van een kleine boodschap.
- c.
Kinderen vanaf 13 jaar kunnen daarnaast verantwoordelijk worden gehouden voor het op orde houden van hun eigen kamer, zoals opruimen, bed verschonen en stofzuigen.
- a.
-
4. Vanaf 18 jaar wordt iemand geacht zelfstandig te kunnen wonen, bijvoorbeeld in het kader van een studie, en een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt verondersteld dat men in staat is een volledig huishouden te voeren.
-
5. Wanneer jongeren tot 23 jaar nog thuis wonen, bijvoorbeeld bij een ouder die ondersteuning nodig heeft, wordt de inzet van gebruikelijke hulp afgestemd op wat redelijkerwijs van hen verwacht mag worden. Hierbij wordt gekeken naar hun leeftijd, ontwikkelingsfase en feitelijke mogelijkheden.
3.5.2 Gebruikelijke hulp bij het bieden van begeleiding en het voeren van regie
-
1. Bij begeleiding is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen kortdurende en langdurige situaties. Hoofdregel:
- a.
Als er sprake is van een kortdurende situatie, wordt van de partner, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent voor die periode. Het gaat hierbij om een periode van maximaal 3 maanden;
- b.
Als er sprake is van een chronische situatie, wordt van de partner, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent binnen algemeen aanvaarde maatstaven.
- a.
-
2. Binnen algemeen aanvaardbare maatstaven is in ieder geval:
- a.
het bieden van begeleiding op het gebied van maatschappelijke participatie;
- b.
het begeleiden bij het normaal maatschappelijke verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts enzovoort;
- c.
het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie;
- d.
het leren omgaan door derden, zoals familie en vrienden, met de persoon met beperkingen (waaronder kinderen).
- a.
3.5.3 Grenzen aan gebruikelijke hulp
In de volgende situaties zal gebruikelijke hulp in de regel niet of niet volledig aan de orde zijn:
- a.
Een werkende partner/huisgenoot is beroepshalve minimaal 7 etmalen aaneengesloten van huis. Bijvoorbeeld in het geval van een internationale vrachtwagenchauffeur of bij offshore werkzaamheden;
- b.
Er is sprake van een dreigende (medische) overbelasting van de gebruikelijke zorgverlener. Bijvoorbeeld als gevolg van een combinatie van gebruikelijke zorg met grote psychische belasting;
- c.
In crisissituaties bij bijvoorbeeld het plotselinge overlijden van de (verzorgende) partner/ouder met jonge kinderen of bij een korte levensverwachting van de zorgvrager;
- d.
Bij personen waar in redelijkheid niet meer verwacht kan worden dat de gebruikelijke hulp aangeleerd kan worden;
- e.
Kinderen bieden in de regel geen gebruikelijke hulp als het gaat om het begeleiden van hun ouders of broertjes en zusjes. Ook hier geldt net als bij huishoudelijke taken dat naarmate het kind ouder wordt er meer ondersteuning verwacht kan worden.
3.6 Mantelzorg
- 1.
Mantelzorg betreft ondersteuning die voortkomt uit een persoonlijke relatie en die niet afdwingbaar is. Het gaat om zorg die verder gaat dan wat als gebruikelijke hulp wordt gezien, en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
- 2.
Mantelzorg betreft doorgaans intensieve en langdurige hulp van iemand die de inwoner zeer nabij staat. Deze vorm van ondersteuning gaat vaak verder dan wat gebruikelijk is binnen een sociaal netwerk.
- 3.
Een belangrijk aandachtspunt bij mantelzorg is de balans tussen de draagkracht en de draaglast van de mantelzorger. In tegenstelling tot vrijwilligerswerk, is mantelzorg gebaseerd op de bestaande band tussen de mantelzorger en de persoon die ondersteuning ontvangt.
3.7 Sociaal netwerk
- 1.
Het sociale netwerk omvat een bredere kring van mensen met wie de inwoner regelmatig contact heeft, zoals buren, vrienden, geloofsgenoten of leden van een vereniging. De Wmo 2015 gaat ervan uit dat het redelijk is om van inwoners te vragen eerst binnen dit netwerk hulp of ondersteuning te zoeken.
- 2.
In de praktijk blijkt dit voor veel inwoners lastig. Daarom is het belangrijk dat de consulent van de gemeente de inwoner actief ondersteunt bij het verkennen van mogelijkheden binnen het eigen netwerk. Tijdens het onderzoek dat volgt op een melding, is het essentieel om hier expliciet aandacht aan te besteden.
3.8 Algemene voorzieningen
- 1.
Er zijn veel verschillende algemene voorzieningen. Een algemene voorziening wordt bekostigd of gefaciliteerd door de gemeente. Voorbeelden binnen de gemeente Hattem:
- •
SPOOR inclusief het Geheugensteunpunt, mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning bij Stichting Welzijn Hattem;
- •
Hulp bij thuisadministratie en financiën: “Op KO€RS” bij Stichting Welzijn Hattem.
- •
- 2.
Het is van belang dat algemene voorzieningen gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning en inzichtelijk zijn voor zowel inwoners, vrijwilligers als professionals.
3.9 Maatwerkvoorziening
- 1.
Wanneer het afwegingskader geen oplossing biedt om de beperkingen van de inwoner te verminderen of weg te nemen, beoordeelt het college of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is.
- 2.
Een maatwerkvoorziening is aanvullend op wat de inwoner zelf kan bijdragen. Samen met de inzet van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg en ondersteuning vanuit het sociale netwerk vormt dit een samenhangend ondersteuningsaanbod: maatwerk.
Hoofdstuk 4 Algemene bepalingen maatwerkvoorzieningen
4.1 Goedkoopst adequaat
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als dit een passende oplossing is en als deze niet duurder dan nodig is. Een passende oplossing is als de voorziening voldoet aan de hulpvraag en toereikend is volgens objectieve criteria. Zijn er meerdere passende voorzieningen? Dan wordt gekozen voor de goedkoopste. De beoordeling gebeurt vanuit het perspectief van de gemeente.
4.2 Langdurig noodzakelijk
- 1.
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als iemand langdurig is aangewezen op een hulpmiddel, aanpassing of vorm van ondersteuning. Bij tijdelijke beperkingen is geen sprake van langdurige noodzaak en wordt geen maatwerkvoorziening toegekend. De verwachte eindsituatie moet vooraf duidelijk zijn om te kunnen bepalen of de voorziening passend is.
- 2.
Een uitzondering kan gelden voor huishoudelijke hulp. Deze kan tijdelijk worden ingezet, bijvoorbeeld in een crisissituatie, zodat een huishouden ruimte krijgt om zaken te regelen. Ook als herstel of verbetering van de situatie te verwachten is, kunnen huishoudelijke hulp of begeleiding tijdelijk worden ingezet. Daarbij geldt dat het gebruik binnen afzienbare tijd kan worden beëindigd.
- 3.
Bij begeleiding wordt langdurige noodzaak opgevat als langer dan drie maanden. Begeleiding die langer duurt dan drie maanden gaat vaak verder dan wat als gebruikelijke hulp wordt gezien. Bij hulpmiddelen wordt langdurige noodzaak in de regel opgevat als een gebruiksduur van langer dan zes maanden. Voor kortdurend gebruik kan een beroep worden gedaan op de uitleen via de thuiszorgwinkel op basis van de Zorgverzekeringswet.
- 4.
De genoemde termijnen van drie en zes maanden zijn richtlijnen. In sommige situaties wordt daarvan afgeweken. Bij een inwoner in de laatste levensfase kan een maatwerkvoorziening toch worden toegekend, ook als het gebruik maar kort is. Is er sprake van een wisselend, maar blijvend patroon, dan geldt dat als langdurige noodzaak.
4.3 Inzet informele hulp niet altijd mogelijk
Bij sommige vormen van begeleiding en de integrale hersteltrajecten voor Beschermd Thuis is informele hulp niet mogelijk. In deze situaties is professionele inzet noodzakelijk. Het gaat dan om acute situaties of begeleiding met een hoge intensiteit, gericht op ontwikkeling. In zulke gevallen wordt formele hulp in natura ingezet, omdat de complexiteit en zwaarte van de ondersteuning dat vereisen.
4.4 Maatwerkvoorziening is op het individu gericht
Een maatwerkvoorziening is in de eerste plaats gericht op het individu. Dit houdt in dat de aanvraag altijd door één persoon wordt ingediend en dat de voorziening uitsluitend wordt toegekend voor deze specifieke aanvrager. Een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de sociale situatie en leefomgeving, maar de voorziening blijft individueel van aard.
4.5 Geen vergoeding voor eerder gemaakte kosten
In principe wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor kosten die al gemaakt zijn vóór de aanvraag. Daarbij geldt het volgende onderscheid:
- a.
Zijn de kosten gemaakt vóór de melding bij de gemeente? Dan wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt, tenzij er naar oordeel van de gemeente sprake was van een acute noodsituatie.
- b.
Zijn de kosten gemaakt ná de melding of aanvraag, maar vóór het besluit? Dan kan het college alsnog besluiten tot verstrekking, maar alleen als:
- i.
vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college, of
- ii.
achteraf beoordeeld kan worden of de voorziening noodzakelijk, passend en adequaat was.
- i.
4.6 Geen dubbele verstrekking van maatwerkvoorzieningen
- 1.
Een maatwerkvoorziening wordt niet opnieuw verstrekt als dezelfde voorziening al eerder is toegekend en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Alleen als de voorziening buiten de schuld van de aanvrager is verloren gegaan, kan een uitzondering worden gemaakt. Als een ander daarvoor verantwoordelijk is, kan die partij aansprakelijk worden gesteld.
- 2.
Bij een verhuizing van een passende, aangepaste woning naar een woning die dat niet is, wordt de nieuwe woning niet opnieuw aangepast. Alleen als de verhuizing noodzakelijk was, kan het college besluiten om alsnog aanpassingen toe te kennen.
4.7 Eigen bijdrage in de kosten
- 1.
De gemeente mag een bijdrage vragen voor hulp of ondersteuning via de Wmo 2015.
- 2.
Voor algemene voorzieningen wordt meestal geen bijdrage gevraagd. Als er kosten zijn voor bijvoorbeeld koffie of gebruik van materiaal, dan mogen die kosten niet hoger zijn dan wat het echt kost. Het is niet verplicht om deze producten af te nemen.
- 3.
Voor maatwerkvoorzieningen geldt een eigen bijdrage. Daarbij worden de landelijke regels gevolgd. In sommige situaties geldt geen eigen bijdrage. Deze uitzonderingen staan in de wet of in de verordening. De eigen bijdrage wordt geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).
Hoofdstuk 5 Regels persoonsgebonden budget
Een maatwerkvoorziening kan op verschillende manieren worden toegekend:
- •
Als zorg in natura (de gemeente regelt de hulp)
- •
Als persoonsgebonden budget (pgb; de inwoner regelt zelf zijn hulp)
- •
Als financiële tegemoetkoming
Dit hoofdstuk gaat over de regels voor het gebruik van een pgb. Dit is een aanvulling op de bepalingen van het pgb in de Nadere regels.
5.1 Voorwaarden voor een pgb
- 1.
Een pgb is mogelijk als aan de volgende wettelijke voorwaarden wordt voldaan:
- a.
De inwoner is in staat om het pgb goed te beheren. Dit kan zelfstandig, met hulp van het netwerk of een vertegenwoordiger.
- b.
De inwoner geeft gemotiveerd aan waarom gekozen wordt voor een pgb.
- c.
Het moet duidelijk zijn dat de hulp of voorziening via een pgb veilig, effectief en passend wordt ingezet.
- a.
- 2.
De gemeente beoordeeld of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Als dat het geval is, bestaat in principe de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb. Deze keuze wordt vastgelegd in een budgetplan, we noemen dit het pgb-plan. De onderdelen van het pgb-plan zijn opgenomen in de verordening.
- 3.
De gemeente kan ervoor kiezen om de gevolgen van de keuze voor een pgb te bespreken in een tweede gesprek.
5.2 Toetsing pgb-vaardigheid
- 1.
Om een pgb te kunnen gebruiken, is het belangrijk dat de aanvrager voldoende pgb-vaardig is. Dit betekent dat er voldoende kennis en vaardigheden aanwezig zijn om het pgb verantwoord te beheren.
- 2.
De gemeente toetst de pgb-vaardigheid aan de hand van 10 punten. Op de website van de rijksoverheid staat meer informatie over de pgb-vaardigheid in een zogeheten infographic (www.rijksoverheid.nl; zoek op: Infographic met toelichting - Checken 10 punten pgb-vaardigheid). Deze punten geven inzicht in het vermogen om:
- a.
de eigen situatie en zorgvraag goed te overzien;
- b.
de regels en verplichtingen van het pgb te kennen of op te zoeken;
- c.
een overzichtelijke administratie bij te houden;
- d.
zelfstandig keuzes te maken en zorgverleners te selecteren;
- e.
duidelijk te communiceren met betrokken instanties;
- f.
afspraken te maken, vast te leggen en te verantwoorden;
- g.
de kwaliteit van de zorg te beoordelen;
- h.
zorg te organiseren bij ziekte of afwezigheid van zorgverleners;
- i.
als opdrachtgever op te treden richting zorgverleners;
- j.
voldoende juridische kennis te hebben of deze te kunnen vinden.
- a.
- 3.
De uitkomst van deze toets bepaalt of een pgb op verantwoorde wijze kan worden ingezet. Als dit niet het geval is, wordt zorg in natura aangeboden.
Hoofdstuk 6 Begeleiding
6.1 De resultaten bij begeleiding
Begeleiding wordt ingezet om het volgende te bereiken:
- •
Zelfstandig kunnen zorgen voor dagelijkse dingen zoals opstaan, aankleden, eten en persoonlijke verzorging (verrichten van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen (verder ADL)). Mensen zijn ADL-zelfredzaam als zij de volgende dingen kunnen:
- o
in en uit bed komen;
- o
aan- en uitkleden;
- o
bewegen/lopen, gaan zitten en weer opstaan;
- o
lichamelijke hygiëne, toiletbezoek;
- o
eten/drinken;
- o
medicijnen innemen;
- o
ontspanning en sociaal contact.
- o
- •
Het huishouden op orde kunnen houden, zoals schoonmaken, koken en de administratie bijhouden. De inwoner is in staat om zelfstandig te wonen (voeren van een gestructureerd huishouden).
- •
Mee kunnen doen in de samenleving, bijvoorbeeld door contact te hebben met anderen, deel te nemen aan activiteiten of vrijwilligerswerk te doen (participeren)
- •
Het sociale netwerk behouden of versterken, zodat er mensen zijn om op terug te vallen of samen dingen mee te doen.
6.2 Aanvullend afwegingskader begeleiding
- 1.
Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 3 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.
- 2.
Voorliggend aan een maatwerkvoorziening begeleiding is een algemene voorziening. Hattem kent diverse algemene voorzieningen. Specifiek genoemd worden in dit de kader:
- o
SPOOR inclusief Geheugensteunpunt, mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning. SPOOR is bedoeld voor inwoners met lichte regieproblemen ten aanzien van:
- ▪
de zelfredzaamheid die nodig is voor het uitvoeren van de noodzakelijke ADL-handelingen
- ▪
het voeren van een gestructureerd huishouden
- ▪
het ondersteunen van inwoners met beginnende dementie en hun naasten (Geheugensteunpunt);
- ▪
het ondersteunen van vrijwilligers en mantelzorgers.
- ▪
- o
Op KO€RS ondersteunt inwoners met regieproblemen op het gebied van administratie en financiën.
- o
-
Via SPOOR is er een dagelijks geopende inloopvoorziening waar iedereen welkom is voor een kop koffie, een praatje of hulp bij het invullen van formulieren. De organisatie richt zich op de thema’s signalering, ontmoeting, voorlichting en preventie en ontwikkelt hiervoor diverse activiteiten. Naast de inloop biedt SPOOR ook kortdurende, lichte individuele begeleiding en tijdelijke groepsgerichte dagbesteding om mensen extra ondersteuning te geven.
- 3.
Het gaat bij begeleiding om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.
- 4.
Denk bij algemene en gebruikelijke voorzieningen ook aan:
- a.
welzijnswerk, kinderopvang, sport;
- b.
gebruikelijke oplossingen kunnen gevonden worden in planningshulpmiddelen, zoals een agenda, een computer met software op het gebied van planning, administratie of financiën, het automatisch inrichten van administratie etc.;
- c.
algemene voorzieningen zijn er in de vorm van professionele- en vrijwilligersorganisaties die inwoners ondersteunen, bijvoorbeeld hulp bij het omgaan met geld etc.;
- a.
- 5.
Niet relevant is of men gebruik wil maken van een dergelijke voorziening. Wel belangrijk is dat de inwoner in staat is de voorziening te gebruiken.
6.3 Individuele begeleiding en begeleiding groep
Begeleiding kan individueel verstrekt worden of in een groep. Bij de afweging welke vorm geschikt is, zal vanzelfsprekend gekeken worden naar de goedkoopst adequate oplossing. Als beide vormen even goed werken, dan krijgt begeleiding groep de voorkeur. Zo kunnen meer mensen geholpen worden met het beschikbare geld.
6.4 Producten voor begeleiding
De gemeente Hattem heeft de maatwerkvoorzieningen voor begeleiding regionaal ingekocht. Onderdeel van de overeenkomst die hierbij is opgesteld, is het zorgproductenboek. In dit zorgproductenboek zijn de producten beschreven welke ingezet worden voor begeleiding. Het zorgproductenboek is te vinden op de website www.zorgregiomijov.nl.
6.5 Vervoer van en naar begeleiding groep
Bij een vraag om vervoer van en naar begeleiding groep gelden de volgende uitgangspunten:
- 1.
Eerst wordt gekeken wat de inwoner zelf kan regelen, bijvoorbeeld via eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk of algemene voorzieningen.
- 2.
PlusOV is voorliggend op vervoer via de zorgaanbieder. Alleen wanneer PlusOV het vervoer om specifieke redenen niet kan bieden, kan een beroep worden gedaan op het product vervoer.
- 3.
Vervoer via de zorgaanbieder wordt alleen ingezet als het noodzakelijk is voor het kunnen deelnemen aan begeleiding groep.
- 4.
De inzet van vervoer wordt altijd beoordeeld op basis van de individuele situatie van de inwoner.
6.6 Respijtzorg in de vorm van kortdurend verblijf
- 1.
Onder de Wmo 2015 is het mogelijk om kortdurend verblijf in te zetten als vorm van respijtzorg, met als doel het ontlasten van een (dreigend) overbelaste mantelzorger. Dit is alleen mogelijk als er geen noodzaak is voor 24-uurs zorg.
- 2.
Indien er wél sprake is van een noodzaak voor 24-uurs zorg, wordt de inwoner verwezen naar de Wet langdurige zorg (Wlz). Voor inwoners die de Wlz in de thuissituatie verzilveren, is het ook mogelijk om vanuit de Wlz kortdurend verblijf in te zetten.
- 3.
Daarnaast bieden veel zorgverzekeraars binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw) tegenwoordig ook mogelijkheden voor mantelzorgvervanging. Soms valt ook kortdurend verblijf hieronder. Als een inwoner een (aanvullende) verzekering heeft waarin deze mogelijkheid is opgenomen, wordt hij of zij gevraagd eerst deze optie te onderzoeken.
- 4.
De inzet van kortdurend verblijf is altijd maatwerk en afhankelijk van de persoonlijke situatie van de inwoner.
6.7 Afbakening begeleiding en persoonlijke verzorging
- 1.
Persoonlijke verzorging (PV) valt onder de Zvw als er sprake is van een behoefte aan geneeskundige zorg, of als er een groot risico is dat die zorg nodig wordt. Denk bijvoorbeeld aan ouderen die een verhoogd risico hebben om te vallen. In dat geval kan wijkverpleging via de basisverzekering worden ingezet. De wijkverpleegkundige is aan zet in de beoordeling hiervan.
- 2.
Als er geen sprake is van geneeskundige zorg of een verhoogd risico daarop, maar de PV wel nodig is in combinatie met begeleiding, dan valt dit onder de Wmo 2015.
6.8 Normenkader Begeleiding
Bij het bepalen van de aard en omvang voor begeleiding wordt gebruik gemaakt van de meest recente versie van het Normenkader Begeleiding. Dit normenkader is ontwikkeld door bureau HHM en Factum Advies. Het normenkader helpt bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en het afwegen en onderbouwen van de aard en omvang voor begeleiding.
6.9 Looptijd van de maatwerkvoorziening begeleiding
De looptijd voor de maatwerkvoorziening begeleiding wordt zorgvuldig afgestemd op de specifieke ondersteuningsbehoeften en omstandigheden van de inwoner. Er wordt voor elke situatie een passende looptijd afgestemd. De looptijd moet lang genoeg zijn om effectieve ondersteuning mogelijk te maken, maar ook flexibel blijven zodat er bij veranderingen in de situatie kan worden bijgestuurd.
Hoofdstuk 7 Huishoudelijke hulp
7.1 De resultaten bij hulp bij het huishouden
Huishoudelijke hulp wordt ingezet om het volgende te bereiken:
- •
Het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden. Dit betekent dat een inwoner in staat is om diens huishouden op orde te houden. Dit omvat onder andere het schoon en leefbaar houden van de woning, het doen van boodschappen, het bereiden van maaltijden,
- •
Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden. Daarnaast voldoet het aan basale hygiëne-eisen.
- o
Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van inwoners worden voorkomen.
- o
Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
- o
- •
De inwoner moet daarbij gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken (alleen die in gebruik zijn), keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop.
7.2 Aanvullend afwegingskader Huishoudelijke hulp
- 1.
Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 3 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.
- 2.
Bij andere wettelijke voorzieningen moet gedacht worden aan de Wet langdurige zorg en de Wet arbeid en zorg. In sommige gevallen kunnen mensen in crisissituaties een beroep doen op thuiszorg vanuit de aanvullende zorgverzekering.
- 3.
Alle vormen van voor- en naschoolse opvang en kinderopvang zijn voorliggend op een voorziening vanuit de Wmo. Denk in dit kader ook aan ouderschapsverlof of zorgverlof. Mogelijk zijn er vanuit het sociale netwerk familieleden, buren of vrienden die kinderen (tijdelijk) kunnen opvangen.
- 4.
Denk bij eigen mogelijkheden van de inwoner ook aan een particuliere hulp. Wanneer een inwoner voor het ontstaan van de beperkingen al een particuliere hulp had, bestaat er in de regel geen noodzaak om een voorziening op grond van de Wmo te treffen.
- 5.
Voor huishoudelijke taken zijn er diverse gebruikelijke oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan een glazenwasser voor het reinigen van de buitenkant van de ramen. Het schoonhouden van de ramen buiten evenals andere ruimte buiten (tuin, balkon etc.) maken geen onderdeel uit van een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp. Er zijn ook vele technische, gebruikelijke oplossingen, zoals een (robot)stofzuiger, (af)wasmachine, wasdroger of magnetron. Het eventueel aanschaffen van deze voorzieningen wordt als voorliggend gezien ten opzichte van het inzetten van de maatwerkvoorziening.
- 6.
Boodschappen kunnen gedaan worden met gebruik van een boodschappendienst of met hulp uit het sociaal netwerk.
- 7.
Ten aanzien van de wasverzorging geldt, dat het de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner is om kleding aan te schaffen die strijkvrij is. Het strijken van linnengoed wordt zonder een medische indicatie niet noodzakelijk geacht.
- 8.
Voor het bereiden van de maaltijden is het gebruik van vriesversmaaltijden of andere vormen van kant-en-klaarmaaltijden voorliggend. Bij het gebruik van de broodmaaltijden wordt de inwoner gevraagd creatief te zijn en brood klaar te (laten) zetten, wanneer zijn belemmeringen hem beperken om deze maaltijden zelf te verzorgen. Het kiezen voor producten die gemakkelijk in het gebruik zijn is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner.
- 9.
Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten', leiden niet tot een indicatie voor huishoudelijke hulp.
- 10.
Van de inwoner wordt verwacht dat er alleen ondersteuning gevraagd wordt die naar redelijkheid nodig is en niet meer dan noodzakelijk. Als er in de (woon)situatie van de inwoner sprake is van keuzen die boven het gewone/gemiddelde uitstijgen dan maakt dit niet gelijk dat alle benodigde ondersteuning door de gemeente wordt opgelost.
7.3 Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning
- 1.
Voor het bepalen van het aantal uren hulp dat nodig is, maken we gebruik van de meest recente versie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van bureau HHM. Dit normenkader biedt een richtlijn voor het vaststellen van het benodigde aantal uren.
- 2.
Het doel van het gebruik van het normenkader is om te komen tot passende huishoudelijke hulp. Passend betekent dat de hulp aansluit bij wat de inwoner nodig heeft. Het normenkader is daarbij een hulpmiddel om te komen tot een zorgvuldige professionele afweging voor ondersteuning op maat van de individuele inwoner.
- 3.
Het normenkader is gebaseerd op een ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (zie volgende kopje voor verdere uitleg hiervan). In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als er sprake is van volledige overname van het huishouden zoals omschreven bij die ‘gemiddelde cliëntsituatie’. Het kan voorkomen dat er meer of minder uren hulp nodig is. Dit is het maatwerk wat ervoor zorgt dat er passende huishoudelijke hulp wordt ingezet.
7.4 Gemiddelde cliëntsituatie, meer en minder inzet
- 1.
De gemiddelde cliëntsituatie nemen we als ijkpunt. Het is de situatie waarvoor de normtijden vaak passend zijn. Bij het onderzoek door de consulent wordt onderzocht of er hulp gelijk aan, minder of meer dan bij de gemiddelde cliëntsituatie nodig is. De gemiddelde cliëntsituatie is als volgt:
- a.
een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;
- b.
wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;
- c.
er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;
- d.
de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;
- e.
de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;
- f.
er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;
- g.
er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;
- h.
de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.
- a.
- 2.
Er kunnen factoren van invloed zijn die maken dat er minder of meer inzet nodig is. Deze invloedsfactoren zijn kenmerken van de cliënt, kenmerken van het huishouden en kenmerken van de woning.
- a.
Kenmerken cliënt:
- i.
de fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten
- ii.
beperkingen en belemmeringen van de cliënt die leiden tot extra inzet
- iii.
de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk en vrijwilligers waardoor minder inzet nodig is
- i.
- b.
Kenmerken huishouden:
- i.
samenstelling van het huishouden. Dit gaat om het aantal personen en de leeftijd van de leden in het huishouden. Gebruikelijke hulp kan hier van toepassing zijn.
- ii.
Door de aanwezigheid van een of meer huisdieren kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn. Let wel, dit is niet in elke situatie waarin een huisdier aanwezig is het geval.
- i.
- c.
Kenmerken woning:
- i.
Het kan voorkomen dat de inrichting van de woning zorgt voor extra inzet. Hierbij moet ook gekeken worden naar wat aangepast kan worden aan de inrichting om het schoon en leefbaar houden te vergemakkelijken.
- ii.
Door de bewerkelijkheid van de woning is soms extra inzet vereist.
- iii.
De omvang van de woning kan soms leiden tot extra inzet. Dat is niet standaard het geval.
- i.
- a.
- 3.
Een uitgebreidere omschrijving van de kenmerken is te vinden in het normenkader zelf. Deze is op www.hhm.nl te vinden. Ook in de bijlagen van het normenkader wordt meer uitleg gegeven over situaties die zorgen voor meer of minder inzet.
- 4.
De omschrijvingen in het normenkader en de bijlagen worden zoveel mogelijk gehanteerd bij het vaststellen van de in te zetten normtijd.
- 5.
Daarnaast zijn er situaties denkbaar die niet omschreven zijn. In dat geval blijft het noodzakelijk om zorgvuldig onderzoek te doen naar de ondersteuningsbehoefte van een cliënt.
7.5 Hulp 1x per twee weken
- 1.
Het kan voorkomen dat hulp eens in de twee weken volstaat voor een inwoner. Het uitgangspunt hierbij is inzet van 2,5 uur per 2 weken. De ene week dat de hulp niet komt moet er doorgaans wel schoongemaakt worden. Dit kan door de inwoner zelf gedaan worden of door inzet van mantelzorg, netwerk of vrijwilligers.
- 2.
Inzet van de normtijd 1x per 2 weken is passend als:
- a.
de inwoner of diens netwerk moet tussen de momenten dat de hulp weer komt in staat zijn om de ‘algemene hygiëne’ in huis op orde te houden;
- b.
dit betekent dat ‘op middenhoogte’ een aantal zaken in huis voldoende bijgehouden worden: wastafel, aanrecht, toilet(ten) en stof afnemen op middenniveau;
- c.
ook de vloeren moeten bijgehouden worden: zelf, bijvoorbeeld met een (steel)stofzuiger, Swiffer of met een robotstofzuiger of door iemand anders, etc.
- d.
er is geen sprake van verzwarende factoren/beperkingen.
- a.
7.6 Basismodule: Schoon en leefbaar huis
- 1.
De basismodule schoon en leefbaar huis kan als maatwerkvoorziening ingezet worden in situaties waarin de inwoner beperkingen ervaart bij het voeren van een gestructureerd huishouden maar waarin de inwoner nog wel regie kan voeren.
- 2.
Het resultaat van de basismodule is het bereiken van een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapkamer in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en hal/trap. De genoemde ruimtes moeten met enige regelmaat schoongemaakt worden om een basishygiëne te borgen waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Een leefbaar huis is opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen
- 3.
Het huis dient zodanig schoon te zijn dat het niet vervuilt en zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon huishouden wordt gerealiseerd. Dit wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoon gemaakt hoeven te worden. De inwoner die regie kan voeren over diens huishouden is in de regel prima in staat om keuzes te maken ten aanzien van het schoonmaken en hierbij prioriteiten te stellen.
- 4.
In het Gesprek zal altijd eerst onderzocht worden wat de inwoner met beperkingen nog op eigen kracht of met behulp van gebruikelijke zorg, mantelzorg of het sociale netwerk kan uitvoeren op het gebied van het huishouden. Als blijkt dat met de inzet van deze hulp het resultaat een schoon en leerbaar huis niet behaald kan worden, dan kan de basismodule ingezet worden als aanvulling. De basismodule omvat het lichte en zware schoonmaakwerk. Hierbij zijn er taken te onderscheiden die wekelijks of tweewekelijks uitgevoerd moeten worden, maar ook taken met een incidenteel karakter.
- 5.
De taken welke onder de basismodule vallen zijn te vinden het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning.
- 6.
Met de basismodule krijgt een inwoner de beschikking over een vast aantal uren huishoudelijke hulp per jaar. Deze uren kunnen naar eigen inzicht en in overleg met de zorgaanbieder gebruikt worden voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis. In principe komt deze ondersteuning neer op gemiddeld 2 uur hulp per week. Een inwoner kan ervoor kiezen om meer of minder hulp per week in te zetten al naar gelang de ondersteuningsbehoefte. Deze behoefte kan van tijd tot tijd wisselen. De inwoner kan over de in te zetten hulp (welke taken en met welke frequentie) zelf afspraken maken met de zorgaanbieder. Daarbij dienen de inwoner en de zorgaanbieder goed bij te houden hoeveel uren er ingezet worden en dat het jaarbudget niet overschreden wordt.
7.7 Module: Wasverzorging
- 1.
Het resultaat van deze module is het beschikken over schone kleding en omvat het wassen, drogen en vouwen van kleding. Daarbij wordt per situatie bekeken welke taken wel of niet uitgevoerd kunnen worden. Bijvoorbeeld het sorteren en het vullen van de wasmachine met kleding zijn veelal lichte werkzaamheden die meestal niet direct overgenomen hoeven te worden. Gaat het bijvoorbeeld om beddengoed dan is dit vaak zwaarder en moet dit mogelijk wel overgenomen worden. Ook het vouwen van kleding is een taak die veelal zittend uitgevoerd kan worden door de inwoner zelf. Is dit niet mogelijk, dan kan de taak overgenomen worden.
- 2.
Een wasdroger is een gebruikelijke voorziening en daarom voorliggend. Ook de aanwezigheid van een was-service is voorliggend op de inzet van deze module.
- 3.
De omvang van de wasmodule is afgestemd op het huishouden: één- of meerpersoonshuishouden. Als er sprake is van factoren waardoor er minder of meer inzet nodig is, dan wordt de omvang hierop afgestemd. De omvang betreft ook bij deze module een aantal uren per jaar. Deze kunnen samen met andere modules naar eigen inzicht ingezet worden. Als het totaal aantal uren per jaar maar niet overschreden wordt.
7.8 Module: Regie/organisatie huishouden en advies, instructie, voorlichting (AIV)
- 1.
In sommige situaties is het wenselijk een specifieke toegeruste professional in te zetten voor de uitvoering van de huishoudelijke hulp. Dit kan het geval zijn, wanneer er sprake is van ernstige psychiatrische, psycho-geriatrische of psychosociale problemen bij de inwoner. In deze situaties kan er sprake zijn van regieverlies van de inwoner waardoor overname van de organisatie van het huishouden op zijn plaats is. De hulp neemt naast de huishoudelijke taken ook de aansturende en regietaken ten aanzien van het huishouden over. De hulp heeft daarnaast ook een signalerende functie van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de inwoner.
- 2.
In zijn algemeenheid mag je van hulpen verwachten dat zij zelfstandig hun werkzaamheden plannen. Inzet van deze module kan alleen als de hulp aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen.
- 3.
Het kan voorkomen dat een inwoner niet gewend is om huishoudelijke taken te verrichten, maar dat hij daar wel leerbaar in is. Binnen deze module kunnen aan de inwoner instructies worden gegeven voor het aanleren van vaardigheden op huishoudelijk gebied. Ook het aanleren van huishoudelijke vaardigheden aan de huisgenoot van de inwoner kan met deze module bereikt worden. Op basis van een concreet leerplan gaat een huishoudelijke professional samen met de inwoner aan de slag. Het stimuleren, samen opwerken en coachen maken hier onderdeel van uit. Het gaat hierbij altijd om een kortdurende inzet welke gestopt kan worden zodra de taken voldoende aangeleerd zijn.
- 4.
Ook middels de inzet van begeleiding individueel kan het huishouden aangeleerd worden. Dit laatste is alleen mogelijk als er ook andere begeleidingsdoelen aanwezig zijn. Bij alleen aanleren van huishoudelijke taken gaat de inzet van huishoudelijke hulp middels deze module voor op de inzet van begeleiding individueel.
- 5.
De omvang van deze module is een vast aantal uren per jaar. Als het gaat om de inzet van advies, instructie en voorlichting dan gaat het ook om tijdelijke inzet. Deze module kan alleen afgegeven worden in combinatie met de Basismodule Schoon Huis.
7.9 Module: Maaltijden
- 1.
Onder deze module valt het verzorgen van de broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd. Zoals ook in het aanvullende afwegingskader opgenomen, zijn er verschillende voorliggende voorzieningen beschikbaar voor (bereiden van) de maaltijden. Van inwoners wordt verwacht dat zij eerst zelf oplossingen zoeken. Denk hierbij aan hulp vanuit het eigen netwerk, vrijwilligers of ondersteuning via de Zorgverzekeringswet. Alleen wanneer deze opties niet toereikend zijn, kan de module maaltijden worden ingezet.
- 2.
De inzet van de module maaltijden gebeurt waar mogelijk in overleg met andere zorgaanbieders en het netwerk/mantelzorg. Samen wordt bekeken op welke momenten iemand aanwezig is om een maaltijd aan te reiken. Als nodig kan deze module voor alle dagen van de week worden ingezet.
- 3.
Het uitgangspunt is dat, als nodig:
- a.
Broodmaaltijden één keer per dag worden bereid en klaargezet. Een tweede broodmaaltijd kan tegelijkertijd worden klaargemaakt en in de koelkast worden gezet.
- b.
Warme maaltijden één keer per dag worden opgewarmd en/of klaargezet. Dit betreft kant-en-klaarmaaltijden. Let op: als er kinderen jonger dan 12 jaar in het huishouden aanwezig zijn, zijn kant-en-klaarmaaltijden niet passend en moet er maatwerk worden geleverd.
- a.
- 4.
De omvang van deze module is een vast aantal uren per jaar. In geval van aanwezigheid van kinderen jonger dan 12 jaar moet de omvang individueel bepaald worden.
7.10 Module: Kindzorg
- 1.
In situaties waarbij kinderen betrokken zijn, kan het nodig zijn om direct huishoudelijke hulp in te zetten. Dit geldt bijvoorbeeld bij crisissituaties waarin tijdelijk opvang nodig is, of wanneer zorgtaken voor kinderen moeten worden overgenomen (zoals wassen, kleden, maaltijden).
- 2.
Ook in deze gevallen wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan doen, met het sociale netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg etc. Als er geen andere mogelijkheden zijn, dan pas kan huishoudelijk hulp worden ingezet.
- 3.
Deze hulp is altijd tijdelijk en wordt voor een periode van maximaal 3 maanden ingezet. Dit geeft het gezin de ruimte om te werken aan een structurele oplossing. De opvang tijdens reguliere schoolvakanties wordt voor schoolgaande kinderen als gebruikelijk beschouwd. Hiervoor wordt geen extra huishoudelijke hulp geïndiceerd.
- 4.
De omvang van kindzorg is maximaal 40 uur per week, inclusief eventuele begeleidingsuren. Deze maximale inzet wordt alleen toegekend als er kinderen in het gezin zijn die niet naar school (kunnen) gaan.
- 5.
Normering van activiteiten voor de verzorging van kinderen:
- a.
Naar bed brengen: 10 minuten per keer per kind
- b.
Uit bed halen: 10 minuten per keer per kind
- c.
Wassen en kleden: 30 minuten per dag per kind
- d.
Eten en/of drinken geven: 20 minuten per maaltijd
- e.
Babyvoeding geven (flesje/potje): 10 minuten per keer per kind
- f.
Brengen/halen naar school of opvang: 15 minuten per keer per gezin
- a.
- 6.
Taken kunnen gecombineerd worden. Als meerdere kinderen op hetzelfde moment naar bed gaan, wordt dit als één keer gerekend. De frequentie van hulp is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind.
7.11 Producten voor huishoudelijke hulp
- 1.
Nadat is vastgesteld welke modules nodig zijn, wordt bekeken via welk product deze hulp het beste kan worden geleverd. Er zijn twee producten beschikbaar, namelijk Schoon Huis en Regie op gestructureerd huishouden.
- 2.
Standaard wordt het product Schoon Huis ingezet. Het product Regie op gestructureerd huishouden wordt ingezet wanneer één of meer van de volgende modules nodig zijn:
- a.
Regie/organisatie huishouden en advies, instructie, voorlichting (AIV)
- b.
Kindzorg
- a.
- 3.
Als de modules ‘Regie/organisatie huishouden en advies, instructie, voorlichting (AIV)’ of ‘Kindzorg’ gecombineerd worden met de basismodule, dan wordt in dat geval ook voor de basismodule het product Regie op gestructureerd huishouden geleverd.
- 4.
De gemeente Hattem heeft de maatwerkvoorzieningen voor huishoudelijke hulp regionaal ingekocht. Onderdeel van de overeenkomst die hierbij is opgesteld, is het zorgproductenboek. In dit zorgproductenboek zijn ook de producten beschreven welke ingezet worden voor huishoudelijk hulp. Het zorgproductenboek is te vinden op de website www.zorgregiomijov.nl. Over deze producten worden ook regionaal afspraken gemaakt. Het productenboek is hierbij leidend als het gaat om de soort producten welke ingezet kunnen worden.
7.12 Looptijd van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp
Voor elke situatie wordt een passende looptijd afgestemd. De hulp bij het huishouden kan tijdelijk nodig zijn, maar ook voor langere tijd. Tijdens het Gesprek wordt de looptijd passend bij de situatie van de inwoner bepaald.
Hoofdstuk 8 Woonvoorzieningen
8.1 De resultaten bij woonvoorzieningen
Een woonvoorziening wordt ingezet om het volgende te bereiken:
- •
het kunnen wonen in een geschikt huis;
- •
het kunnen verrichten van de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL);
- •
het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden.
Het verkrijgen van een woning valt niet onder de verantwoordelijkheid van de Wmo. Inwoners zijn zelf verantwoordelijk voor het vinden van geschikte woonruimte. Daarbij wordt verwacht dat zij rekening houden met hun huidige én toekomstige situatie. Dit betekent dat zij bij het zoeken naar een woning ook nadenken over eventuele bestaande of te verwachten beperkingen van een bekende aandoening.
8.2 Aanvullend afwegingskader woonvoorzieningen
- 1.
Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 3 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.
- 2.
Een geschikt huis omvat de meest elementaire woonfuncties zoals toegang tot de woning en verblijf in de woning. Belangrijke functies hierbij zijn slapen, lichaamsreiniging, het bereiden en gebruiken van maaltijden.
- 3.
De gemeente Hattem past het verhuisprimaat toe. Als verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is, is dit voorliggend.
- 4.
Het verhuisprimaat wordt niet toegepast als de kosten lager zijn dan het normbedrag dat wordt gehanteerd als financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten (zie geldende Wmo-verordening en financieel besluit).
- 5.
Een woonvoorziening wordt uitsluitend verstrekt bij een hoofdverblijf en in ieder geval niet in geval van: hotels/pensions, trekkerswoonwagens/toer- en stacaravans, kloosters, tweede woningen/vakantiewoningen/recreatiewoningen, gehuurde kamer, specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.
- 6.
Een losse unit (tijdelijke unit met slaapkamer en/of natte cel) is voorliggend in geval van een grote woningaanpassing, zoals een verbouwing of een aanbouw.
- 7.
De losse woonunit of aanbouw wordt niet gerealiseerd als wens om een mantelzorgwoning te realiseren.
- 8.
Het kan noodzakelijk zijn om extra grond te verwerven ten behoeve van een aanbouw of uitbreiding van een bepaald vertrek. Het aantal m2 dat voor vergoeding in aanmerking komt is gemaximeerd (zie geldende Wmo-verordening en financieel besluit).
- 9.
Er wordt geen voorziening toegekend voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.
8.3 Het primaat van verhuizen
- 1.
Bij het verzoek om een woonvoorziening/woningaanpassing wordt eerst gekeken of verhuizen een goede oplossing is. Dit noemen we het primaat van verhuizen. Het uitgangspunt is dat verhuizen vaak een praktische en kostenefficiënte manier is om aanpassingen in de woonomgeving te realiseren. Dit is mogelijk de goedkoopst adequate oplossing.
- 2.
Pas als verhuizen geen passende optie is, wordt gekeken naar het aanpassen van de huidige woning. Daarbij wordt altijd rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de inwoner, zoals de beschikbaarheid van geschikte woningen, sociale omstandigheden en de impact van een verhuizing.
- 3.
Het primaat van verhuizen wordt toegepast als:
- a.
De kosten van de woningaanpassing hoger zijn dan het normbedrag voor een verhuiskostenvergoeding (zie geldende Wmo-verordening en financieel besluit);
- b.
Er binnen een medisch aanvaardbare termijn passende woonruimte beschikbaar is;
- c.
De woningaanpassing technisch complex of ingrijpend is.
- a.
8.3.1 Afwegingskader bij primaat van verhuizen
-
1. Bij het toepassen van het verhuisprimaat moet rekening worden gehouden met de individuele omstandigheden van een inwoner. Bij elke melding wegen we de belangen af en onderzoeken of het verhuisprimaat toegepast kan worden. Bij deze belangenafweging tussen het aanpassen van de woning of verhuizen naar een andere woning spelen verschillende onderdelen een rol. Het gaat om de volgende onderdelen:
- a.
De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen
- b.
Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen
- c.
Volkshuisvestelijke factor
- d.
Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn
- e.
Sociale omstandigheden
- f.
Afstemming met andere voorzieningen
- g.
Werksituatie
- h.
Verandering in woonlasten
- i.
Wooncomfort
- j.
Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning?
- k.
De wil van de cliënt om te verhuizen
- a.
8.3.2 Tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten
-
1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten wanneer verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is én het verhuisprimaat is opgelegd.
-
2. Een verhuiskostenvergoeding kan ook verstrekt worden aan een inwoner die op verzoek van het college een aangepaste woning vrijgemaakt voor bewoning door iemand met een beperking.
-
3. De te verlaten woning moet in de gemeente Hattem staan.
-
4. Een inwoner komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten wanneer de inwoner:
- a.
voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Hierbij wordt het voor studie of opleiding ‘op kamers wonen’ niet als zelfstandig wonen beschouwd;
- b.
verhuist vanuit of naar een woning die niet bedoeld is om het hele jaar bewoond te worden, zoals een vakantiewoning;
- c.
verhuist naar een instelling of een verzorgingshuis;
- d.
verhuist op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing gebruikelijk is;
- e.
verhuist vanuit een adequate woning op eigen verzoek.
- a.
-
5. De hoogte van deze tegemoetkoming is vastgelegd in de geldende Wmo-verordening en het financieel besluit.
8.3.3 Woning aanpassen
Als het verhuisprimaat niet toepasbaar is, dan wordt de huidige woning aangepast. Hierbij wordt gekozen voor de goedkoopst compenserende voorziening(en). Dit houdt o.a. in dat er bij een kostencalculatie rekening gehouden wordt met aanpassing en kosten op het niveau van sociale woningbouw.
8.3.4 Niet willen verhuizen
Het kan voorkomen dat het verhuisprimaat van toepassing is, maar dat de inwoner niet wil verhuizen. In dat geval kan de gemeente een bedrag toekennen ter hoogte van de verhuiskostenvergoeding. De inwoner kan dit bedrag gebruiken om de huidige woning aan te passen. Meerkosten zijn in dit geval voor rekening van de inwoner.
8.4 Woningaanpassingen
8.4.1 Bereikbaarheid en toegankelijkheid van de woning
-
1. Het uitgangspunt is dat een woning in ieder geval via één ingang bereikbaar is. Een tweede ingang kan noodzakelijk zijn om de berging, de tuin of het terras te bereiken. Het is niet noodzakelijk om de auto in de garage te kunnen stallen. Auto’s in de buitenlucht parkeren is gebruikelijk.
-
2. Veel oplossingen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): de ondergrond van het toegangspad, de bestrating van het toegangspad, de aanleg van het benodigde (brede) toegangspad, drempelhulpen bij de toegangsdeuren, het aanbrengen van een steunpunt bij/op de deurpost.
8.4.2 Doorgankelijkheid van de woning
Met de doorgankelijkheid van de woning wordt bedoeld het kunnen bereiken van de ruimten in het huis. Veel oplossingen om de doorgankelijkheid te verbeteren zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): het aanbrengen van steunpunten, het plaatsen van een drempelhulp, het verwijderen van drempels, een tweede trapleuning, aanpassen van hang- en sluitwerk.
Trap
Als traplopen lastig of niet meer mogelijk is door een lichamelijke beperking, kan een traplift een passende oplossing zijn. Het doel van een traplift is om iemand te helpen zelfstandig gebruik te blijven maken van de woning, bijvoorbeeld om te kunnen slapen of douchen op een andere verdieping.
Een traplift kan worden toegekend als:
- •
Er sprake is van een medische noodzaak;
- •
De inwoner niet zelfstandig de trap kan gebruiken;
- •
Er geen geschikt alternatief is, zoals verhuizen naar een gelijkvloerse woning;
- •
De inwoner de traplift veilig kan gebruiken.
Bij een tijdelijke situatie, waarin iemand tijdelijk niet in staat is om de trap te gebruiken, wordt geen traplift verstrekt. In dat geval wordt uitgegaan van eigen kracht, bijvoorbeeld door tijdelijk een bed in de woonkamer te plaatsen.
Deuren
Deuren zijn met name een belemmering bij gebruik van een rolstoel. Noodzakelijke oplossingen kunnen zijn: verbreden van een deur, elektrische deuropener, schuifdeur.
8.4.3 Bruikbaarheid van de woning
Keuken
Een keuken kan worden aangepast als dit noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren van een inwoner met een beperking. De aanpassing is bedoeld om de zelfredzaamheid te bevorderen, zodat de inwoner zelfstandig gebruik kan maken van de keuken.
Een keukenaanpassing komt in aanmerking als:
- •
De inwoner zelf in belangrijke mate de keukenactiviteiten uitvoert;
- •
Er geen huisgenoot is die deze taken als gebruikelijke hulp kan overnemen;
- •
De aanpassing noodzakelijk is om essentiële kook- en eetactiviteiten mogelijk te maken.
De aanpassing wordt uitgevoerd tot het niveau van voorzieningen zoals gebruikelijk in de sociale woningbouw. Dit betekent dat luxe of bovenmatige voorzieningen niet worden vergoed.
Veel oplossingen om het gebruik van de keuken te verbeteren zijn algemeen verkrijgbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Denk hierbij aan: hendelkranen, keramische of inductiekookplaat, korfladen of andere praktische indelingen. Deze opsomming is niet limitatief; andere algemeen verkrijgbare hulpmiddelen kunnen ook onder eigen verantwoordelijkheid vallen.
Natte cel, toilet
Veel oplossingen om het gebruik van de natte cel of toilet te verbeteren zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst):
Steunpunten, drempelhulpen, bad vervangen door een douche, douchebak vervangen door een inloopdouche, antisliptegels, thermostaatkranen, een eenvoudig douchezitje, verhoogde toiletpot, toilet met spoel- en föhninstallatie.
Slechts in uitzonderlijke situaties zal het nodig zijn om een voorziening te treffen om het bad te kunnen gebruiken. Een tweede toilet op de verdieping is gebruikelijk en wordt in de regel niet verstrekt.
Niet elementaire gebruiksruimten
Een hobby-, werk- of speel-/recreatieruimte wordt niet gerekend tot de elementaire woonfuncties en wordt dan ook niet aangepast in het kader van de Wmo. Dit geldt ook voor het treffen van een voorziening uit oppas- of verzorgingsoogpunt.
Gemeenschappelijke ruimten
In principe worden geen woningaanpassingen uitgevoerd aan gemeenschappelijke ruimten. Een uitzondering betreft het toegankelijk maken van de gemeenschappelijke ruimte. Dit laatste geldt niet voor woongebouwen die specifiek gericht zijn op ouderen en mensen met beperkingen en wanneer het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden.
8.5 Tijdelijke huisvesting/huurderving en het verwijderen van voorzieningen
- 1.
In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat een inwoner tijdelijk niet in de woning kan verblijven tijdens het aanpassen ervan. Als dubbele woonlasten in zo’n situatie niet te vermijden zijn, kunnen deze worden vergoed. De vergoeding geldt alleen voor kosten die direct samenhangen met de woningaanpassing en wordt maximaal 6 maanden toegekend.
- 2.
Wanneer een aangepaste woning tijdelijk leegstaat, kan de gemeente een vergoeding toekennen aan de verhuurder. Dit geeft de verhuurder de ruimte om eerst te zoeken naar een nieuwe huurder die gebruik kan maken van de aanpassing. De eerste maand van leegstand komt niet voor vergoeding in aanmerking. Ook hier geldt dat de vergoeding maximaal 6 maanden kan worden verstrekt.
- 3.
Als een huurder verhuist uit een woning waarin Wmo-voorzieningen zijn aangebracht, hoeft de aanpassing niet te worden verwijderd. Dit geldt zowel voor de huurder als voor de gemeente. Deze bepaling is opgenomen in de Wmo 2015 en draagt bij aan het behoud van aangepaste woningen voor toekomstige gebruikers.
8.6 Tillift
- 1.
Wanneer een inwoner door lichamelijke beperkingen niet zelfstandig transfers kan maken (bijvoorbeeld van en naar bed), kan een tillift een passende oplossing zijn. De tillift maakt het mogelijk om deze handelingen, eventueel met assistentie, veilig uit te voeren.
- 2.
In principe gaat de voorkeur uit naar een verrijdbare tillift, tenzij een plafondlift aantoonbaar noodzakelijk is. Bij de keuze voor het type tillift wordt ook rekening gehouden met de belasting voor mantelzorgers, zeker wanneer zij het hulpmiddel bedienen.
8.7 Overige woonvoorzieningen
Voorzieningen, die tijdelijk (korter dan 6 maanden) nodig zijn, kunnen worden geleend bij de thuiszorgwinkel. Dit wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. Verschillende losse woonvoorzieningen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): een eenvoudige douchestoel (niet verrijdbaar) of douchekruk, badplank, toiletstoel, vloerbedekking.
8.8 Bezoekbaar maken van een woning
- 1.
Soms is het wenselijk dat een woning bezoekbaar wordt gemaakt voor een inwoner. Dit betekent dat de woning zó wordt aangepast dat de inwoner deze kan bereiken, de woonkamer kan betreden en gebruik kan maken van het toilet.
- 2.
In de meeste gevallen gaat het om één woning die de inwoner regelmatig bezoekt, bijvoorbeeld wekelijks of tweewekelijks. Voor het bezoekbaar maken van een woning geldt een maximumbedrag, zoals vastgelegd in de geldende Wmo-verordening en het financieel besluit.
- 3.
Een woning kan alleen bezoekbaar gemaakt worden als de inwoner zijn woonplaats heeft in de gemeente Hattem. Woont iemand in een andere gemeente, dan moet het verzoek voor het bezoekbaar maken van een woning worden ingediend bij die gemeente. Dit geldt ook wanneer de woning die aangepast moet worden in de gemeente Hattem staat, maar de persoon zelf in een andere gemeente woont. In dat geval is de woonplaats van de persoon bepalend voor welke gemeente verantwoordelijk is voor het beoordelen van het verzoek.
8.9 Uitraasruimte
Bepaalde psychische problemen van een inwoner, bijvoorbeeld hyperactiviteit of moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen (op bepaalde tijden) aanleiding geven tot problemen bij het verblijf van deze inwoner in de woonruimte. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een uitraaskamer te beschikken. Wanneer er noodzaak is tot een uitraasruimte gaat het vaak om minderjarige kinderen. Onder een uitraaskamer wordt verstaan een kamer (verblijfsruimte), waarin een inwoner met gedragsproblemen zich kan afzonderen of tot rust kan komen.
De criteria voor een uitraaskamer zijn:
- •
Betrokkene beschadigt zichzelf (zelfverwonding);
- •
Betrokkene beschadigt de omgeving (vernielzucht);
- •
Er is sprake van ongecontroleerde driftbuien of overmatige apathie.
Het vaststellen van deze criteria zal in eerste instantie gebeuren door een orthopedagoog, gevolgd door een medisch advies.
Hoofdstuk 9 Rolstoelen
9.1 De resultaten bij rolstoelen
Een rolstoel wordt ingezet om het volgende te bereiken:
- •
het zich kunnen verplaatsen in en om de woning.
Verplaatsing in en om de woning betreft het zich verplaatsen met een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik.
9.2 Aanvullend afwegingskader rolstoelen
- 1.
Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 3 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.
- 2.
Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die in en direct vanuit de woning worden gedaan. Het gaat hierbij om inwoners die voor het dagelijks verplaatsen zijn aangewezen op zittend verplaatsen met een rolstoel.
- 3.
Bekeken wordt of de loop- en stahulpmiddelen vanuit de Zorgverzekeringswet een oplossing bieden.
9.3 Accessoires
- 1.
Accessoires voor rolstoelen worden alleen verstrekt wanneer deze medisch noodzakelijk zijn en ze niet als gebruikelijk worden beschouwd.
- 2.
De volgende accessoires zijn gebruikelijk (waarbij de opsomming niet is beperkt tot onderstaande): (rolstoel)handschoenen, regenkleding, boodschappenmandje/-tas, bandenpomp, spiegels, schootskleed/voetenzak, zonnekap/-scherm.
- 3.
In de regel medisch noodzakelijk zijn: orthesejas, zuurstoffleshouder, stokhouder en in sommige situaties spaakbeschermers.
9.4 Training
Rolstoeltraining is een eerstelijnsvoorziening (ergotherapeut) en wordt niet verstrekt in het kader van de Wmo.
Hoofdstuk 10 Sporthulpmiddelen
10.1 De resultaten bij sporthulpmiddelen
Een sporthulpmiddel wordt ingezet om het volgende te bereiken:
- •
het hebben van contacten met medemensen en deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten.
10.2 Aanvullend afwegingskader sporthulpmiddelen
- 1.
Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 3 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.
- 2.
Een sporthulpmiddel kan via de Wmo worden verstrekt wanneer het bijdraagt aan deelname aan sportieve activiteiten en daarmee aan maatschappelijk participatie van mensen met een beperking. Het hulpmiddel ondersteunt actief meedoen in de samenleving.
- 3.
Een sporthulpmiddel komt in aanmerking voor verstrekking als de gebruiker actief lid is van een sportvereniging en/of aantoonbaar deelneemt aan sportieve activiteiten, zoals trainingen of wedstrijden.
- 4.
Sportprotheses vallen niet onder de Wmo. Vergoeding hiervan gaat via de Zorgverzekeringswet.
- 5.
Hulpmiddelen die gebruikt worden voor topsport, vallen buiten de verantwoordelijkheid van de Wmo. Topsporters zijn personen met een erkende Topsport- (A-, HP- of Selectiestatus) of Talent-status (IT-, NT- of B-status). Als een voorziening via de sportbond of vereniging (nog) niet beschikbaar is, kan de gemeente overwegen om een hulpmiddel toe te kennen volgens de regels voor amateursport.
10.3 Voorwaarden voor verstrekking
- 1.
Om in aanmerking te komen voor een sporthulpmiddel, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
- a.
Het sporthulpmiddel is niet bedoeld voor tijdelijk of incidenteel gebruik
- b.
De sport wordt regelmatig beoefend
- c.
Het sporten draagt direct of indirect bij aan sociale contacten (ontmoeting met anderen)
- a.
- 2.
Waar mogelijk moet het sporthulpmiddel eerst worden uitgeprobeerd via een uitleenservice of een algemeen beschikbaar sporthulpmiddel.
10.4 Vorm van verstrekking
Een sporthulpmiddel kan toegekend worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Dit is een maximumbedrag bedoeld voor aanschaf, verzekering en onderhoud.
Hoofdstuk 11 Vervoersvoorzieningen
11.1 De resultaten bij vervoersvoorzieningen
Een vervoersvoorziening wordt ingezet om het volgende te bereiken:
- •
het zich kunnen verplaatsen per vervoermiddel in de directe leefomgeving;
- •
het kunnen participeren/het kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, waaronder het hebben van sociale contacten met medemensen;
- •
het behouden en/of versterken van het sociale netwerk.
Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel betekent dat iemand zich in de eigen woon- en leefomgeving kan verplaatsen, bijvoorbeeld om boodschappen te doen, familie of vrienden te bezoeken, of deel te nemen aan sociale of culturele activiteiten. Onder de directe woonomgeving wordt een straal van ongeveer 15 tot 20 kilometer verstaan. Het gaat om vervoer dat nodig is voor het dagelijks leven. Vervoer voor werk of scholing valt niet onder de Wmo.
11.2 Aanvullend afwegingskader vervoersvoorzieningen
- 1.
Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 3 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen.
- 2.
Personen met een beperking kunnen via een Wmo-indicatie in aanmerking komen voor een tariefkorting voor het vraagafhankelijk vervoer van PlusOV.
- 3.
Een maatwerk-vervoersvoorziening van en naar begeleiding groep is alleen mogelijk als PlusOV niet passend of toereikend is voor de vervoersbehoefte van een inwoner.
- 4.
Er worden geen dubbele voorzieningen verstrekt voor lokale verplaatsingen. De keuze voor één vervoermiddel wordt toereikend geacht.
- 5.
Het vervoermiddel wordt alleen dan verstrekt als het een functie heeft in het leven van alledag en niet uitsluitend voor incidentele en/of recreatieve doeleinden.
- 6.
De inwoner beschikt over voldoende rijvaardigheid en verkeersinzicht om het vervoermiddel te kunnen gebruiken.
- 7.
De inwoner is in staat zorg te dragen voor dagelijks onderhoud van de voorziening en is in staat om de voorziening veilig en droog te stallen en op te laden.
11.3 Vervoermiddelen voor lokale verplaatsingen
Een vervoermiddel kan worden verstrekt als maatwerkvoorziening wanneer een inwoner door een beperking niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen binnen de directe woonomgeving (circa 15–20 km), en er geen andere passende oplossing beschikbaar is. Het vervoermiddel is bedoeld om de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de inwoner te bevorderen. Denk aan het doen van boodschappen, het onderhouden van sociale contacten of het bezoeken van activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan o.a. een scootmobiel, driewielfiets en rolstoelfiets.
Een vervoermiddel kan worden toegekend als:
- •
De inwoner door een beperking niet zelfstandig kan lopen of fietsen over langere afstanden;
- •
Er geen gebruik gemaakt kan worden van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zoals een (elektrische) fiets of openbaar vervoer;
- •
Er geen hulp beschikbaar is vanuit het netwerk (bijvoorbeeld vervoer door een mantelzorger);
- •
Het vervoermiddel veilig gebruikt kan worden door de inwoner;
- •
Het vervoermiddel adequaat gestald kan worden.
Algemeen verkrijgbare en gebruikelijke vervoermiddelen vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner en worden niet verstrekt via de Wmo.
11.3.1 Stallingsruimte
Bij vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel of driewielfiets moet rekening worden gehouden met de stalling. Door gewijzigde regelgeving in het Bouwbesluit is het stallen van scootmobielen op galerijen of in gangen niet meer toegestaan. Omdat het gebruik van scootmobielen toeneemt door de vergrijzing, wordt het vinden van een geschikte stallingsplek steeds uitdagender. Bij een aanvraag onderzoekt de Wmo-consulent daarom zorgvuldig de stalmogelijkheden. Is er geen adequate stalling, dan kan de voorziening worden geweigerd. Bij weigering blijft de gemeente echter betrokken bij het zoeken naar een alternatieve oplossing voor het vervoersprobleem van de inwoner.
11.3.2 Accessoires
-
1. Accessoires aan vervoersvoorzieningen worden alleen verstrekt wanneer deze medisch noodzakelijk zijn en niet als gebruikelijk worden beschouwd.
-
2. De volgende accessoires zijn gebruikelijk: (rolstoel)handschoenen, regenkleding, boodschappenmandje/tas, bandenpomp, spiegels, schootskleed/voetenzak, zonnekap/-scherm.
-
3. In de regel medisch noodzakelijk zijn: orthesejas, zuurstoffleshouder, stokhouder en in sommige situaties spaakbeschermers.
11.4 Regionaal vervoer
11.4.1 Vraagafhankelijk vervoer door PlusOV
-
1. Inwoners die door een beperking niet zelfstandig gebruik kunnen maken van regulier (openbaar) vervoer kunnen in aanmerking komen voor vraagafhankelijk vervoer via PlusOV. Dit vervoer is bedoeld om deelname aan het maatschappelijke verkeer mogelijk te maken binnen de directe leefomgeving (circa 15-20 km).
-
2. Vraagafhankelijk vervoer kan worden toegekend als:
- a.
De inwoner door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking niet zelfstandig kan reizen;
- b.
Er geen gebruik gemaakt kan worden van eigen vervoer, openbaar vervoer of hulp vanuit het netwerk;
- c.
Het vervoer nodig is voor maatschappelijke participatie, zoals boodschappen doen, sociale contacten onderhouden of deelnemen aan activiteiten.
- a.
11.4.2 Kilometerbudget
-
1. Inwoners die gebruik maken van het vraagafhankelijke vervoer kunnen jaarlijks maximaal 1.500 km reizen. In sommige gevallen is het standaardbudget van 1.500 km niet voldoende. Het is mogelijk om meer kilometers toe te voegen aan het budget. Deze individuele ophoging blijft mogelijk als de vervoersbehoefte van een inwoner dit rechtvaardigt.
-
2. Deze ophoging is maatwerk en wordt alleen overwogen als:
- a.
De grens van 1.500 kilometer bijna bereikt is vóór het einde van het kalenderjaar; én
- b.
Er sprake is van een blijvende, aantoonbare vervoersbehoefte.
- a.
-
3. Er worden niet op voorhand extra kilometers toegekend. De beoordeling vindt plaats op basis van het gebruik en de individuele omstandigheden van de inwoner.
11.4.3 Vorm van voorziening
De voorziening wordt geleverd in natura via PlusOV. De gemeente beoordeelt de aanvraag en draagt zorg voor de toewijzing. De inwoner ontvangt informatie over het gebruik, de voorwaarden en de planning van ritten via PlusOV.
11.4.4 Begeleiding in het vraagafhankelijke vervoer (PlusOV)
-
1. In sommige situaties is het nodig dat een inwoner tijdens het vervoer via PlusOV wordt begeleid. Er zijn twee vormen van begeleiding mogelijk: medische begeleiding en sociale begeleiding.
-
2. Eén medisch begeleider mag gratis meereizen, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a.
De inwoner reist via PlusOV op basis van een Wmo-indicatie; én
- b.
De begeleiding door de chauffeur is onvoldoende om veilig te reizen.
- a.
-
3. Medische begeleiding is noodzakelijk in situaties zoals:
- a.
Tijdens de rit is medische zorg nodig;
- b.
Er is sprake van gedragsproblematiek of angst, waarbij begeleiding rust en veiligheid biedt;
- c.
Tijdens de rit is ADL-hulp nodig.
- a.
-
4. Inwoners met een Wmo-indicatie mogen één persoon extra meenemen tegen het Wmo-tarief. Dit noemen we sociale begeleiding. Deze begeleider ondersteunt bijvoorbeeld bij het uitstappen of bij het vinden van de juiste locatie.
11.4.5 Ritbijdrage en voorwaarden vervoer PlusOV
Voor het gebruik van het vraagafhankelijk vervoer wordt een ritbijdrage gevraagd welke bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief. De tarieven zijn opgenomen in de geldende Wmo-verordening en het financieel besluit.
11.4.6 Routegebonden vervoer door PlusOV
-
1. Routegebonden vervoer via PlusOV is bedoeld voor inwoners die door een beperking niet zelfstandig kunnen reizen naar een vaste bestemming voor begeleiding groep.
-
2. Routegebonden vervoer kan worden toegekend als:
- a.
De inwoner een Wmo-indicatie heeft voor begeleiding groep;
- b.
De locatie niet zelfstandig bereikbaar is door de inwoner, ook niet met hulp van het netwerk of via regulier openbaar vervoer.
- a.
-
3. De voorziening wordt geleverd in natura via PlusOV. De gemeente draagt zorg voor de toewijzing en afstemming met de vervoerder. De inwoner ontvangt informatie over het gebruik en de planning van het vervoer.
11.5 Bovenregionaal vervoer
Valys is een landelijk systeem voor inwoners met een mobiliteitsbeperking. Valys is bedoeld voor sociaal recreatieve uitstapjes op bovenregionale afstanden. Bovenregionaal betekent dat de bestemming óf het vertrekpunt van de reis op meer dan 25 kilometer afstand van het woonadres ligt.
11.6 Financiële tegemoetkoming
In een enkel geval kan het voorkomen dat het vervoer door PlusOV, in combinatie met, of een andere vervoermiddel geen passende oplossing biedt voor het ondervonden vervoersprobleem. In dat geval kan een financiële tegemoetkoming verstrekt worden voor de extra kosten van vervoer. Een financiële tegemoetkoming is alleen aan de orde bij ernstige beperkingen, waarbij gedacht kan worden aan sociaal/psychische factoren ten gevolge waarvan de privacy of de veiligheid van de inwoner of medepassagiers niet is gegarandeerd, zoals:
- •
privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne ten gevolge hebben voor de inwoner;
- •
extreme gedragsstoornissen;
- •
extreme fobieën, die ook na uitvoerige therapeutische behandeling niet zijn verholpen.
De bepaling of iemand geen gebruik kan maken van vervoer door PlusOV wordt in de meeste gevallen vastgesteld door het opvragen van een extern medisch advies. De financiële tegemoetkoming kan gebruikt worden voor een vergoeding voor het gebruik van een (rolstoel)taxi of het gebruik van een auto. De maximale bedragen van deze tegemoetkomingen zijn opgenomen in de geldende Wmo-verordening en het financieel besluit.
11.7 Autoaanpassing
- 1.
Wanneer een inwoner al in het bezit is van een auto, kan het in sommige gevallen het goedkoopst adequaat zijn om een aanpassing aan de auto te doen. Hiervoor kan bekeken worden wat de kosten zouden zijn van gebruik van PlusOV eventueel in combinatie met een ander vervoermiddel.
- 2.
Aanpassingen aan een auto om de voorziening voor lokale verplaatsing mee te kunnen nemen in de auto komen niet voor vergoeding in aanmerking.
- 3.
Voorwaarde is dat de inwoner in het bezit is van een auto.
- 4.
Aanvullend zijn er de volgende voorwaarden:
- a.
De aan te passen auto is niet ouder dan 7 jaar;
- b.
De beoordeling of iemand met een beperking in staat is om op een veilige manier met een auto deel te nemen aan het verkeer wordt gedaan door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Via de afdeling aanpassingen van het CBR wordt advies gegeven over de noodzakelijke technische aanpassingen om de auto veilig te kunnen besturen. De kosten voor dit advies komen voor rekening van de inwoner;
- c.
Vergoeding voor aanpassing wordt maximaal eenmaal per 7 jaar verstrekt;
- d.
Er wordt rekening gehouden met de verwachte termijn dat de autoaanpassing adequaat is.
- a.
- 5.
Veel autoaccessoires/aanpassingen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar geacht en worden niet verstrekt op grond van de Wmo. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): automatische transmissie, elektrische ruitenwisser en sproeier achter, driepuntsgordels, hoofdsteunen, kunststoffen bekleding, buitenspiegel van binnenuit verstelbaar, elektrische bedienbare portierruiten, neerklapbare of inklapbare achterbank (in verband met meenemen rolstoel), uitneembare hoedenplank (in verband met meenemen rolstoel), derde of vijfde deur in verband met meenemen rolstoel, warmtewerend glas, achterruitverwarming, verstelbare voorstoelen, stoffen bekleding van stoelen, handgrepen bij de passagiersplaats voorin, comfort rembekrachtiging, gelaagde voorruit, interval op de voor- en achterruitwisser, stuurbekrachtiging, airconditioning, trekhaak, verwarmde buitenspiegels.
- 6.
Aanpassingen die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen mits medisch of anderszins noodzakelijk:
- a.
aanpassingen aan de stoel van de chauffeur of bijrijderstoel;
- b.
autostoeltjes voor kinderen (geen gebruikelijke stoeltjes);
- c.
aanpassingen voor het meenemen van de rolstoel in de auto;
- d.
aanpassingen voor vervoer van een rolstoelgebruiker in de auto;
- e.
aanpassingen voor het veilig vervoeren van hulpapparatuur zoals zuurstofflessen, in uitzonderlijke situaties een extra verwarmingselement.
- a.
Hoofdstuk 12 Maatschappelijke Opvang/ Beschermd Wonen / Beschermd Thuis
12.1 Inleiding
De maatschappelijke opvang en het beschermd wonen voor inwoners met psychische of psychosociale problematiek zijn op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een verantwoordelijkheid van gemeenten.
De gemeenten in de regio Oost-Veluwe (Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde, Hattem en Voorst) geven uitvoering aan deze verantwoordelijkheid in regionaal verband. De samenwerking is vastgelegd in een samenwerkingsconvenant en nader uitgewerkt in afspraken over taken, financiering en uitvoering.
In het kader van de landelijke ontwikkeling naar verdere doordecentralisatie van beschermd wonen werken gemeenten toe naar een situatie waarin zij individueel en gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor deze voorziening. De gemeenten in de regio Oost-Veluwe hebben daarbij uitgesproken te blijven samenwerken en financiële solidariteit te behouden.
Daartoe wordt gewerkt met een regionaal budget voor beschermd wonen, waarvoor de gemeente Apeldoorn als centrumgemeente optreedt als budgethouder
Via mandaatverlening bieden de regiogemeenten het juridisch kader waarbinnen de centrumgemeente deze taken namens hen uitvoert. De taken die de budgethouder uitvoert voor de gemeenten in de regio Oost-Veluwe zijn vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst (DVO).
Onder beschermd wonen en beschermd thuis worden de voorzieningen verstaan zoals gedefinieerd in de verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente.
12.2 Implementatie en doorontwikkeling Beschermd Thuis
In 2021 zijn gemeenten in de regio Oost-Veluwe gestart met de implementatie van het Regionaal Ontwerp Beschermd Thuis 2030, gericht op de transformatie van beschermd wonen naar beschermd thuis voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Deze beweging is inmiddels ingezet en wordt in de uitvoering verder doorontwikkeld.
Gemeenten werken met ingekochte producten die deze beweging ondersteunen. Beschermd Thuis omvat:
- •
Herstelgericht verblijf: Dit is een intramuraal product dat overeenkomt met klassiek beschermd wonen. De zorg en ondersteuning worden geleverd binnen de intramurale setting van de aanbieder, waarbij 24-uurs zorg op de locatie beschikbaar is. Zowel de zorgkosten als de hotelmatige kosten worden gefinancierd; de inwoner betaalt een eigen bijdrage.
- •
Integraal hersteltraject: Dit is een extramuraal product dat bestaat uit twee varianten: integraal hersteltraject perspectief en integraal hersteltraject intensief. De inwoner woont zelfstandig, met een duidelijke scheiding tussen wonen en zorg. De benodigde zorg en ondersteuning worden ambulant aan huis geleverd, met 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid van zorg op afroep.
De criteria zoals opgenomen in de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning zijn van toepassing op alle maatwerkvoorzieningen binnen het Wmo-domein (waaronder maatschappelijke opvang en beschermd wonen). Het college kan een inwoner voor een voorziening in aanmerking laten komen wanneer wordt voldaan aan deze criteria.
Het college van de gemeente Apeldoorn heeft in 2017 de volgende convenanten ondertekend:
- •
Convenant Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang, inclusief de daarbij behorende handreiking Landelijke toegang maatschappelijke opvang.
- •
Convenant Landelijke toegankelijkheid Beschermd Wonen, inclusief de daarbij behorende handreiking en beleidsregels Landelijke toegang Beschermd Wonen.
Daarnaast hebben de colleges besloten om de in deze handreikingen vastgelegde beleidsregels ongewijzigd over te nemen als de geldende beleidsregels voor de desbetreffende gemeenten.
12.3 Maatwerkvoorzieningen
Als het college heeft bepaald dat een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dan zijn er verschillende producten te kiezen. De productkeuze voor een maatwerkvoorziening Beschermd Thuis wordt door het college bepaald op basis van de beschrijving van de producten voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen.
Voor deze en andere productbeschrijvingen wordt verwezen naar de zorgproductenboeken van de ZorgRegio MIJ/OV Documenten en downloads - Zorgregio Midden-IJssel/Oost-Veluwe.
Hoofdstuk 13 Slotbepalingen
13.1 Inwerkingtreding en citeertitel
- 1.
Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.
- 2.
Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026”.
- 3.
De beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem houdende regels omtrent de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (citeertitel: Beleidsregels Wmo 2021 Gemeente Hattem) worden ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 21 april 2026,
Door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem,
de secretaris,
de burgemeester,
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl