Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761598
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761598/1
Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Hoogeveen
Geldend van 09-05-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente HoogeveenHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;
gelezen het ambtelijk voorstel;
overwegende, dat het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen voor
de uitleg van de volgende wettelijke voorschriften en de invulling van de bevoegdheden die het college heeft op grond van die wettelijke voorschriften;
omdat daarmee rechtszekerheid wordt geboden en om te zorgen voor consistente besluitvorming;
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 35, 44, eerste lid, en 51 van de Participatiewet;
gezien het advies van de Cliëntenraad Sociale Zekerheid Hoogeveen dat op grond van artikel 47 van de Participatiewet in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Inspraakverordening is ingewonnen;
besluit vast te stellen de volgende beleidsregel:
Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Hoogeveen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- a.
ALO-kop: de verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders zoals bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget;
- b.
Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen;
- c.
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;
- d.
draagkracht: de middelen waarover beschikt kan worden om zelf in de bijzonder noodzakelijke kosten te voorzien. De draagkracht in relatie tot bijzondere bijstand wordt uitgedrukt in een percentage van de voor de bijzondere bijstand in aanmerking te nemen middelen;
- e.
maximale huurgrens: de huurgrens zoals bedoeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag;
- f.
meerinkomen: het deel van het inkomen dat het college in aanmerking neemt bij het bepalen van de draagkracht;
- g.
netteringspercentage: het percentage bedoeld in artikel 6, lid 2, van het Bbz 2004 of bij een onderneming met rechtspersoonlijkheid het vennootschapsbelastingpercentage;
- h.
statushouder: asielzoeker die een verblijfsvergunning heeft gekregen en in het kader van de taakstelling huisvesting vergunninghouders gehuisvest is in de gemeente Hoogeveen;
- i.
wet: de Participatiewet;
- j.
wisselende inkomsten: inkomsten die periodiek verschillen en van dezelfde werkgever worden ontvangen;
- k.
woonkosten bij huurwoning: huur zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;
- l.
woonkostentoeslag: bijzondere bijstand voor de woonkosten.
Artikel 2 Ingangsdatum
In afwijking van artikel 44, eerste lid, van de wet kan bijzondere bijstand worden verleend voor kosten die zijn gemaakt tot en met drie maanden voor de datum waarop belanghebbende zijn aanvraag bijzondere bijstand heeft ingediend.
Artikel 3 Drempelbedrag
Het college hanteert geen drempelbedrag als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet.
Artikel 4 Bepaling van het inkomen en vermogen
-
1. De hoogte van het inkomen wordt exclusief vakantietoeslag vastgesteld met inachtneming van artikel 31 van de wet.
-
2. In afwijking van het eerste lid wordt uitgegaan van het inkomen inclusief vakantietoeslag als belanghebbende inkomsten ontvangt inclusief vakantiegeld.
-
3. De hoogte van het inkomen wordt bij niet-bijstandsgerechtigden vastgesteld aan de hand van de meest recente inkomensspecificatie, tenzij het inkomen in de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan, afwijkt van de meest recente inkomensspecificatie. In dat geval wordt het inkomen vastgesteld aan de hand van de inkomensspecificatie over de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan.
-
4. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt bij wisselende inkomsten uitgegaan van het gemiddelde inkomen genoten in de zes maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan.
-
5. Het college rekent de studietoeslag als bedoeld in artikel 36b van de wet tot het inkomen.
-
6. Het vermogen wordt vastgesteld met ingang van de eerste dag van de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan en wordt vastgesteld met in achtneming van artikel 34, eerste lid, van de wet.
Artikel 5 Inkomen zelfstandige
-
1. Het inkomen van een zelfstandige wordt afwijkend bepaald:
- a.
Het inkomen wordt bepaald aan de hand van het bruto-inkomen als bedoeld in artikel 1, onder f, van het Bbz 2004, van het boekjaar voorafgaande aan het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan, hierna te noemen jaar -1.
- b.
Als het bruto-inkomen over het jaar -1 niet kan worden bepaald, wordt het inkomen uit eigen bedrijf of zelfstandig beroep bepaald aan de hand van een kolommenbalans of de meest recente aangifte omzetbelasting.
- c.
In bijzondere situaties kan van de periode van jaar-1 worden afgeweken. Hiervan is in ieder geval sprake als de periode tussen de aanvraag bijzondere bijstand en jaar-1 langer is dan 9 maanden.
- a.
-
2. Het bruto-inkomen bedoeld in het eerste lid wordt verminderd met het netteringspercentage van betreffend jaar.
-
3. Overige bruto-inkomsten die niet zijn onderworpen aan voorheffing loonbelasting worden verminderd met het ten tijde van de aanvraag geldende netteringspercentage.
-
4. Inkomsten anders dan in het tweede of derde lid benoemd worden vastgesteld volgens artikel 4.
-
5. De zelfstandige die een uitkering voor algemene bestaanskosten (levensonderhoud) op grond van het Bbz 2004 ontvangt, heeft geen in aanmerking te nemen draagkracht.
-
6. De zelfstandige zoals bedoeld in het vijfde lid, met vermogen boven de vermogensgrens zoals is opgenomen in artikel 3 van het Bbz 2004, heeft geen recht op bijzondere bijstand.
Artikel 6 Vermogen zelfstandige
Bij de vermogensvaststelling van een zelfstandige is artikel 7 van het Bbz 2004 van toepassing. Hierbij geldt geen vermogensvrijlating, uitgezonderd het voor het bedrijf noodzakelijke vermogen, inclusief vermogen in de woning. Dat betekent dat de zelfstandige of parttime ondernemer buiten het vermogen in de eigen woning niet mag beschikken over enig privévermogen.
Artikel 7 Draagkracht
-
1. Het college rekent niet tot de draagkracht het inkomen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, tot en met 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld. Het deel van het inkomen dat meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld, wordt het meerinkomen genoemd.
-
2. Het college rekent niet tot de draagkracht het inkomen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, tot en met 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het deel van het inkomen dat meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, wordt het meerinkomen genoemd.
-
3. In afwijking van het eerste en het tweede lid wordt uitgegaan van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor de onderstaande kosten:
- a.
duurzame gebruiksgoederen;
- b.
griffiekosten die samenhangen met onderdeel d;
- c.
inrichtingskosten statushouders;
- d.
kosten bewind, curatele en mentorschap;
- e.
verhuis- en/of inrichtingskosten;
- f.
woonkostentoeslag.
- a.
-
4. Twintig procent van het meerinkomen wordt als draagkracht in aanmerking genomen.
-
5. In afwijking van het derde lid wordt bij woonkostentoeslag 100% van het meerinkomen in aanmerking genomen voor draagkracht.
-
6. Indien de vastgestelde draagkracht niet meer dan € 25,00 per jaar bedraagt, past het college deze draagkracht niet toe.
-
7. Het vermogen boven de in artikel 34, derde lid, van de wet genoemde grens neemt het college volledig in aanmerking voor de draagkracht.
-
8. In afwijking van het zevende lid wordt niet tot het vermogen gerekend:
- a.
afkoopwaarde uitvaartverzekeringen;
- b.
het vermogen gebonden in een door hem zelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf waarvan hij eigenaar is;
- c.
bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn.
- a.
-
9. Het college acht geen draagkracht aanwezig in het inkomen:
- a.
Bij beslaglegging, wanneer over een inkomen wordt beschikt niet hoger dan de beslagvrije voet;
- b.
Bij een WSNP, wanneer over een inkomen wordt beschikt niet hoger dan het vrij te laten bedrag;
- c.
Bij een minnelijke schuldregeling waarbij het vrij te laten bedrag is vastgesteld, overeenkomstig het Vtlb-rapport van de Werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa.
- a.
-
10. In afwijking van het negende lid acht het college wel draagkracht aanwezig indien sprake is van kostendelende medebewoners. Over het verschil tussen de beslagvrije voet of het vrij te laten bedrag en de van toepassing zijnde kostendelersnorm, berekent het college dan de draagkracht.
Artikel 8 Afwijkende draagkracht zelfstandigen
In afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, kan voor de doelgroep zelfstandigen bij de toepasselijke bijstandsnorm ook een bedrag aan woonkostentoeslag en/of een vergoeding voor de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering worden opgeteld. Het percentage dat geldt als inkomensgrens is in dit geval het percentage van de bijstandsnorm plus woonkostentoeslag en/of premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Als bij de vaststelling van het netto-inkomen van de zelfstandige die algemene bijstand ingevolge het Bbz 2004 ontvangt tevens rekening is gehouden met de woonkosten en/of de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering als bedoeld in artikel 1, onder g, van het Bbz 2004, dan komt de zelfstandige niet in aanmerking voor een afzonderlijke verstrekking voor deze kosten.
Artikel 9 Draagkrachtperiode
De draagkracht wordt voor een periode van twaalf maanden vastgesteld.
De periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan.
Indien sprake is van bijzondere bijstand voor periodieke kosten, stelt het college de draagkracht maximaal per kalenderjaar vast.
Indien geen draagkracht aanwezig is, kan de draagkrachtperiode worden vastgesteld op maximaal drie achtereenvolgende kalenderjaren voor belanghebbenden met uitsluitend een uitkering op grond van de:
- a.
Participatiewet;
- b.
AOW;
- c.
WAO;
- d.
WIA;
- e.
Wajong.
Artikel 10 Hoogte bijzondere bijstand
Bij aanvragen bijzondere bijstand zoekt het college voor het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand aansluiting bij de Nibud Prijzengids voor kosten die daarin genoemd zijn, tenzij anders aangegeven in deze beleidsregel.
Hoofdstuk 2 Kosten van bijzondere bijstand
Artikel 11 Uitvaartkosten
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de uitvaartkosten aan belanghebbende die erfgenaam is, als:
- a.
hij deze kosten (mede) moet betalen;
- b.
(zijn deel van) de kosten niet uit het erfdeel kunnen worden betaald; en
- c.
hij onvoldoende middelen heeft om de kosten te kunnen betalen.
- a.
-
2. Het college rekent de volgende kosten tot de uitvaartkosten:
- a.
akte van overlijden;
- b.
Basistarief uitvaartverzorger;
- c.
overbrengen van overledene naar rouwcentrum of woonhuis;
- d.
laatste verzorging van overledene;
- e.
kist;
- f.
opbaren in uitvaartcentrum;
- g.
rouwauto;
- h.
algemeen graf;
- i.
technische crematie.
- a.
Artikel 12 Bijzondere bijstand voor vaste lasten woning tijdens verblijf in inrichting
-
1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de vaste lasten indien:
- a.
belanghebbende in een inrichting verblijft;
- b.
de noodzaak van het doorbetalen van vaste lasten en het aanhouden van de woning vaststaat;
- c.
het vooraf duidelijk is dat de opname niet langer duurt dan zes maanden.
- a.
-
2. Onder vaste lasten als bedoeld in het eerste lid verstaat het college:
- a.
de huur minus huurtoeslag;
- b.
de kosten van het gas, water en elektriciteit;
- c.
de kosten voor lopende abonnementen en/of verzekeringen die niet per direct opgezegd kunnen worden. Gedurende de opzegtermijn wordt bijzondere bijstand verstrekt.
- a.
Artikel 12a Dieetkosten, stookkosten, bewassing, kledingslijtage en maaltijdvoorziening
-
1. Het college verleent bijzondere bijstand voor de meerkosten als de noodzakelijkheid is aangetoond.
-
2. Voor deze kosten wordt een medisch advies opgevraagd bij een daartoe bevoegde arts.
-
3. Het medisch advies mag niet ouder zijn dan vijf jaar.
Artikel 13 Woninginrichtingskosten statushouders
-
1. Bijzondere bijstand voor inrichtingskosten is mogelijk indien er sprake is van een eerste verhuizing na het verlaten van het AZC.
-
2. De Gemeentelijke Kredietbank verstrekt een lening onder borgstelling tot maximaal het normbedrag van de Gemeentelijke Kredietbank. Het normbedrag is afhankelijk van de gezinssamenstelling van de belanghebbende.
-
3. De lening dient te worden terugbetaald met vijf procent van de geldende bijstandsnorm.
-
4. Voor de meerkosten, het aflossingsbedrag boven de vijf procent, wordt bijzondere bijstand “om niet” verstrekt.
-
5. Indien sprake is van een gezinshereniging vindt eerst een onderzoek naar de noodzaak van extra woninginrichting plaats.
-
6. De hoogte van de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bedraagt maximaal de bedragen genoemd in de bijlage inrichtingskosten behorende bij deze beleidsregels.
Artikel 14 Woninginrichtingskosten niet-statushouders
Op belanghebbenden die in een vergelijkbare positie verkeren als statushouders is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15 Reiskosten algemeen en reiskosten schoolgaande kinderen
-
1. Indien het college bijzondere bijstand voor reiskosten noodzakelijk acht dan bedraagt de bijzondere bijstand:
- a.
bij eigen vervoer maximaal de belastingvrije kilometervergoeding die de Belastingdienst hanteert;
- b.
bij openbaar vervoer maximaal de kosten van dit vervoer tegen het laagste tarief.
- a.
-
2. Voor het bepalen van de reisafstand maakt het college gebruik van de ANWB-routeplanner en gaat daarbij uit van de kortste route.
-
3. Het college acht bijzondere bijstand voor reiskosten niet noodzakelijk als de enkele reisafstand 8 kilometer of minder bedraagt. Is de reisafstand meer dan 8 kilometer, dan vergoedt het college de volledige reiskosten.
-
4. Voor de reiskosten voor schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs is in beginsel bijzondere bijstand mogelijk wanneer het schooltype niet in de gemeente Hoogeveen aanwezig is.
Artikel 16 Kinderopvang
Het college kan aan inwoners die over onvoldoende middelen beschikken bijzondere bijstand verstrekken voor de eigen bijdrage van kinderopvang. Dit in aanvulling op de tegemoetkoming die het college verstrekt voor de kosten van kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie.
Artikel 17 Woonkostentoeslag bij een huurwoning
-
1. Woonkostentoeslag kan worden verleend indien een belanghebbende die een huurwoning bewoont, vanwege bijzondere omstandigheden niet in staat is de huur geheel of gedeeltelijk te betalen, omdat de rekenhuur hoger is dan de maximale huurgrens op grond van de Wet op de huurtoeslag.
-
2. Het college verleent uitsluitend woonkostentoeslag over dat deel van de (reken)huur dat meer bedraagt dan de maximale huurgrens van artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag.
-
3. De woonkostentoeslag wordt voor de duur van een half jaar toegekend, als de huur hoger is dan de maximale huurgrens. Tevens wordt dan op grond van artikel 55 van de wet, de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting, onder de volgende voorwaarden:
- a.
actief zoeken naar goedkopere woonruimte in de provincie Drenthe en omgeving;
- b.
ingeschreven staan als woningzoekende bij woningcorporaties, bijvoorbeeld bij Thuiskompas;
- c.
reageren op elke aangeboden woning met een huur lager dan de maximale huurgrens, ongeacht de aard of ligging van de woning;
- d.
geen passende woonruimte weigeren;
- e.
alles in het werk stellen om goedkopere woonruimte te verkrijgen.
- a.
-
4. Indien de verplichting als bedoeld in het vierde lid is opgelegd, kan de woonkostentoeslag met maximaal een half jaar worden verlengd als belanghebbende buiten zijn schuld nog geen woning heeft kunnen krijgen waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag.
-
5. Zelfstandigen kunnen voor woonkostentoeslag een beroep doen op het Bbz 2004.
-
6. Een belanghebbende bij wie de huurovereenkomst ingaat na de eerste van de maand, kan in het geval van onvoorziene omstandigheden over die maand woonkostentoeslag aanvragen. De woonkostentoeslag wordt dan berekend overeenkomstig de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. Het deel van de (reken)huur voor zover dat meer bedraagt dan de maximale huurgrens vergoedt het college dan volledig.
Artikel 18 Woonkostentoeslag bij een eigen woning
-
1. Woonkostentoeslag kan worden verleend indien de eigenaar die de eigen woning bewoont vanwege bijzondere omstandigheden niet in staat is de woonkosten van die eigen woning geheel of gedeeltelijk te betalen.
-
2. De woonkostentoeslag wordt berekend conform de systematiek van de Wet op de huurtoeslag, waarbij uitsluitend de volgende woonkosten in de berekening worden meegenomen:
- a.
de kosten van de betaalde hypotheekrente onder aftrek van de daadwerkelijk ontvangen belastingteruggaaf;
- b.
de volgende zakelijke lasten in verband met het hebben van een eigen woning:
- •
het eigenaarsdeel van de waterschapslasten;
- •
de premies van glas- en opstalverzekeringen;
- •
het eigenaarsdeel onroerendzaakbelasting;
- •
het eigenaarsdeel rioolheffing;
- •
erfpachtcanon.
- •
- c.
Bij bewoning van een flat of appartement worden in aanvulling op onderdelen a en b de volgende kosten meegenomen:
- •
schoonmaakkosten gemeenschappelijke ruimtes;
- •
energiekosten voor de lift;
- •
kosten verlichting gemeenschappelijke ruimtes.
- •
- a.
-
3. De woonkostentoeslag wordt verhoogd met dat deel van de woonkosten dat hoger is dan de maximale huurgrens als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag.
-
4. De woonkostentoeslag wordt voor één jaar toegekend, indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens.
-
5. Indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens wordt, op grond van artikel 55 van de wet, de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting, onder de volgende voorwaarden:
- a.
actief zoeken naar goedkopere woonruimte binnen de gemeente Hoogeveen;
- b.
reageren op elke aangeboden goedkopere huisvesting, ongeacht de aard of ligging van de huisvesting;
- c.
geen passende woonruimte weigeren;
- d.
alles in het werk stellen om de woning te verkopen: schakelt een makelaar in, zet via een advertentie de woning te koop zoals krant, toegankelijke websites voor het aanbieden van de koopwoning;
- e.
ingeschreven staan als woningzoekende bij woningcorporaties.
- a.
-
6. De periode als bedoeld in lid 4 kan met maximaal één jaar worden verlengd als belanghebbende buiten zijn schuld nog geen goedkopere huisvesting heeft kunnen krijgen.
-
7. De woonkostentoeslag wordt voorlopig vastgesteld en na ontvangst van de definitieve aanslag van de belastingdienst over het betreffende jaar wordt de hoogte van de woonkostentoeslag herbeoordeeld en definitief vastgesteld.
-
8. Bij zwaarwegende redenen kan er worden afgezien van het opleggen van de verhuisplicht.
-
9. Zelfstandigen kunnen voor woonkostentoeslag een beroep doen op het Bbz 2004.
Artikel 19 Jongeren in inrichting
-
1. Een persoon van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar die in een inrichting verblijft, kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud, wanneer hij geen beroep kunnen doen op zijn ouders, omdat:
- a.
de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
- b.
deze persoon redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken.
- a.
-
2. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de norm die geldt voor personen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Participatiewet.
-
3. Een persoon als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als:
- a.
de ouder(s) is/zijn overleden of in het buitenland woont/wonen en deze onbereikbaar is/zijn;
- b.
de jongere in het kader van de Jeugdwet destijds uit huis is geplaatst;
- c.
de jongere op de ingangsdatum van de bijstandsverlening twaalf maanden of langer zelfstandig woont; of
- d.
er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere zelf geen verandering kan worden gebracht.
- a.
-
4. Dit artikel komt te vervallen met ingang van de datum waarop de wet in die zin is gewijzigd en in werking is getreden, dat ook personen als bedoeld in het eerste lid voor bijstand voor de kosten van levensonderhoud in aanmerking kunnen komen op grond van die wet.
Hoofdstuk 3 Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 20 Overgangsrecht
-
1. Besluiten waarin periodieke bijzondere bijstand is toegekend, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel, blijven na de inwerkingtreding van deze beleidsregel hun werking houden voor de duur waarvoor ze zijn toegekend.
-
2. Deze beleidsregel is van toepassing op bezwaarschriften, ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel waarop nog niet is beslist.
-
3. Deze beleidsregel is van toepassing op aanvragen waarop nog niet is besloten en die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel.
Artikel 21 Slotbepalingen
-
1. De Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Hoogeveen worden ingetrokken met ingang van de datum waarop deze beleidsregel in werking treedt.
-
2. Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking.
-
3. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel bijzondere bijstand Hoogeveen.
Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 21 april 2026
Ondertekening
De secretaris, De burgemeester,
Mike Hacking Martijn Breukelman
Bijlage inrichtingskosten statushouders
|
samenstelling gezin |
netto lening |
|
alleenstaande kamerbewoner |
€ 1.923,00 |
|
alleenstaande zelfstandig wonend |
€ 3.677,00 |
|
gezin met twee personen |
€ 6.173,00 |
|
gezin met 3 personen |
€ 7.032,00 |
|
gezin met 4 personen |
€ 7.831,00 |
|
gezin met 5 personen |
€ 8.648,00 |
|
gezin met 6 personen |
€ 9.494,00 |
|
gezin met 7 personen |
€ 10.270,00 |
|
gezin met 8 personen |
€ 11.046,00 |
|
voor ieder extra gezinslid |
€ 776,00 |
Toelichting Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Hoogeveen
Algemeen
De bijzondere bijstand is wettelijk geregeld in artikel 35 van de Participatiewet.
In deze beleidsregel vult het college zijn bevoegdheden in ten aanzien van de bijzondere bijstand bij de vaststelling van de draagkracht, de draagkrachtperiode en bij de bepaling van de inhoud van het bijzondere bijstandsbeleid.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
Voor zover de beleidsregel begrippen gebruikt die afwijken of niet voorkomen in de Participatiewet en Algemene wet bestuursrecht, worden die hier gedefinieerd.
Artikel 2 Ingangsdatum
Het college moet beoordelen of een aanvraag bijzondere bijstand met terugwerkende kracht is gedaan. Het college moet beoordelen op welk moment de kosten zijn gemaakt, gelet op artikel 44, eerste lid, van de wet. Met het verbod om met terugwerkende kracht toe te kennen moet niet te streng worden omgegaan bij de bijzondere bijstand. Het kan namelijk gebeuren dat het indienen van een aanvraag voordat de kosten zich voordoen niet mogelijk is. Vasthouden aan het verbod op bijstandsverlening met terugwerkende kracht zou in die gevallen betekenen dat de functie van de bijzondere bijstand wordt uitgehold 1 . In artikel 44, vijfde lid, van de wet staat ook dat bijstand maximaal drie maanden met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Daar moeten dan wel individuele omstandigheden toe noodzaken. Bij aanvragen bijzondere bijstand maakt het college standaard gebruik van deze bevoegdheid, zolang die kosten niet langer dan drie maanden geleden zijn gemaakt voorafgaand aan de aanvraag. Reden om dit artikel in de beleidsregel op te nemen.
Artikel 3 Drempelbedrag
De gedachte achter het drempelbedrag is het voorkomen van relatief grote administratieve inspanningen voor kleine bedragen. Dit drempelbedrag is € 170,00 (2025). Bijzondere bijstand voor kosten die binnen twaalf maanden het drempelbedrag niet te boven gaan, mag het college weigeren op grond van artikel 35, tweede lid, van de wet. Van deze bevoegdheid maakt het college geen gebruik.
Artikel 4 Bepaling van het inkomen en vermogen
Eerste lid
Dat het inkomen met inachtneming van artikel 31 van de wet wordt vastgesteld, betekent dat het inkomen dat op basis van artikel 31 van de wet niet tot middelen wordt gerekend, ook niet tot de middelen wordt gerekend bij aanvragen bijzondere bijstand.
Tweede lid
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
Derde lid
In geval dat het inkomen afwijkt van de meest recente inkomensspecificatie, vraagt het college de inkomensspecificaties op van de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan.
Vierde lid
Wanneer een belanghebbende bij een werkgever periodiek wisselende inkomsten heeft, gaat het college uit van het gemiddelde inkomen over een periode van een half jaar.
Vijfde lid
De studietoeslag is bedoeld voor studenten die naast hun studie niet in staat zijn inkomsten te verwerven met een bijbaantje. Bij een student die bijzondere bijstand aanvraagt, wordt rekening gehouden met het inkomen uit het bijbaantje. Dit maakt dat het college ook de studietoeslag tot het inkomen rekent.
Zesde lid
De wijze waarop dit lid moet worden toegepast, wordt verduidelijkt aan de hand van het volgende voorbeeld: Als een belanghebbende op 6 december bijzondere bijstand aanvraagt en de kosten zich ook hebben voorgedaan in de maand december, dan stelt het college het vermogen vast per 1 december.
Artikel 5 Inkomen zelfstandige
Eerste lid
Onderdeel a
Een periode van een heel boekjaar geeft een beter beeld van de werkelijke inkomenssituatie van een zelfstandig, want bij hen kunnen de inkomsten op maandbasis behoorlijk fluctueren. Dit geeft een betrouwbaarder beeld van de gemiddelde inkomenssituatie.
Onderdelen b en c
Deze onderdelen geven aan wanneer daarvan afgeweken kan worden.
Tweede en derde lid
Deze leden behoeven geen nadere toelichting.
Artikel 6 Vermogen zelfstandige
Dit volgt uit artikel 7 van het Bbz 2004. Daarin staat expliciet. wat niet tot het vermogen wordt gerekend. Al het andere vermogen wordt dus wel in aanmerking genomen.
In het Bbz geldt geen bescheiden (privé)vermogensvrijlating zoals in de Participatiewet geldt, ook niet voor het privévermogen van gezinsleden.
Artikel 7 Draagkracht
Eerste tot en met vijfde lid
Deze leden behoeven geen nadere toelichting.
Zesde lid
De draagkracht is dan dermate gering, dat deze buiten beschouwing wordt gelaten.
Zevende lid
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
Achtste lid
Onderdeel a
Om te voorkomen dat inwoners als gevolg van hun aanvraag bijzondere bijstand hun uitvaarverzekering moeten afkopen en daardoor niet verzekerd zijn tegen deze kosten, laat het college deze buiten beschouwing.
Onderdeel b
Voor inwoners met een minimum inkomen en een overwaarde in de eigen woning die ze zelf bewonen is het niet of nauwelijks mogelijk om deze te gelde te maken of (verder) te bezwaren, om de kosten die zich voordoen zelf te betalen. Dit maakt dat het college die overwaarde buiten beschouwing laat.
Onderdeel c
Dit komt overeen met artikel 34, tweede lid, onderdeel a, van de wet. Ook in het kader van aanvragen bijzondere bijstand rekent het college dit niet tot het vermogen.
Negende lid
Als er beslag ligt is er geen draagkracht. Ook wanneer de beslagvrije voet hoger is dan de inkomensgrens zoals vastgelegd in het beleid. De beslagvrije voet is namelijk het bestaansminimum waarvan geleefd moet worden. Zie CRvB 11-4-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:705.
Onderdeel b
Bij een Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) beschikt belanghebbende uitsluitend over een inkomen ter hoogte van het vrij te laten bedrag (vtlb). Het vtlb bestaat uit de beslagvrije voet en verhogingen daarvan op grond van het vtlb-rapport. Over het inkomen hoger dan de vtlb kan belanghebbende niet beschikken en kan om die reden niet tot de draagkracht worden gerekend. Dit is vaste rechtspraak. In dit onderdeel wordt geregeld dat bij een WSNP ook het inkomen ter hoogte van de vtlb niet tot de draagkracht wordt gerekend. Het college wil inwoners met een problematische schuldensituatie ondersteunen. Door de eventuele draagkracht in de vtlb buiten beschouwing te laten, wil het college bevorderen dat de WSNP tot een goed einde wordt gebracht en de inwoner schuldenvrij wordt. Dit gelet op de vele onderzoeken, waaruit blijkt wat de gevolgen zijn van problematische schulden 2. Veelal zal ook daadwerkelijk geen draagkracht aanwezig te zijn.
Onderdeel c
Het college ondersteunt inwoners met een problematische schuldensituatie op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Met deze bepaling wil het college voorkomen dat de minnelijke schuldregeling belemmerd wordt.
Tiende lid
Bij beslaglegging, WSNP en minnelijke schuldregeling wordt bij het bepalen van de beslagvrije voet of het vrij te laten bedrag geen rekening gehouden met de kostendelersnorm, maar met de norm die belanghebbende als alleenstaande (ouder) of gehuwde ontvangt. Dit maakt dat in situaties waarin een belanghebbende kostendelende medebewoners heeft hij wel draagkracht heeft.
Artikel 8 Afwijkende draagkracht zelfstandigen
Eerste lid
Als de zelfstandige verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid en/of recht kan hebben op woonkostentoeslag, kunnen de maandelijks te betalen premie en/of woonkostentoeslag worden opgeteld bij de algemene bijstandsnorm. De norm is in dit geval dan de 120% van de algemene bijstandsnorm en de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en/of de woonkostentoeslag samen.
Tweede lid
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 9 Draagkrachtperiode
Eerste lid
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
Tweede lid
Periodieke kosten wijzigen veelal jaarlijks, waardoor hier gekozen is om de draagkracht maximaal per kalenderjaar vast te stellen. Vraagt een belanghebbende halverwege het jaar bijzondere bijstand aan voor periodieke kosten dan zal de draagkracht maximaal tot en met 31 december van dat jaar vastgesteld worden.
Derde lid
Bij belanghebbenden met een dergelijk inkomen doen wijzigingen in de draagkracht zich niet of nauwelijks voor. Het is ter inschatting aan de consulent of er in de individuele situatie de draagkrachtperiode voor deze langere periode vastgesteld kan worden.
Artikel 10 Hoogte bijzondere bijstand
In de Nibud-prijzengids staat over de verantwoording van en toelichting op de prijsgegevens het volgende:
‘De cijfers in de Prijzengids voor de bijzondere bijstand komen voor een groot deel van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Daar worden maandelijks duizenden prijzen van verschillende artikelen verzameld. Een deel van de prijzen hebben we zelf verzameld door middel van steekproeven in gangbare winkels.
Verder hebben we gebruikgemaakt van informatie van de ANWB, verschillende telecomproviders, het Voedingscentrum, Vewin, de Consumentenbond, Milieu Centraal, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en uitvaart.nl. Bij elke tabel staat de bron vermeld. Hiervoor zijn analyses gemaakt op basis van prijsinformatie van het CBS.’ Dit maakt dat voor de hoogte van de bijzondere bijstand gekozen is voor de prijzengids van het Nibud.
Hoofdstuk 2 Kosten van bijzondere bijstand
Artikel 11 Uitvaartkosten
Het college kiest voor de hoogstnoodzakelijke kosten. Kosten van bijvoorbeeld een advertentie of een volgauto zijn hierbij niet meegenomen. Voor de kosten genoemd in dit artikel sluit het college aan bij de Nibud-prijzengids, zoals blijkt uit het voorgaande artikel.
Artikel 12 Bijzondere bijstand voor vaste lasten woning tijdens verblijf in inrichting
Voor inwoners die een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente en in de bijstandsperiode in een inrichting worden opgenomen, wijzigt het college de bijstandsnorm niet meteen in de norm die geld voor personen in een inrichting.
In situaties waarin de bijstandsnorm nog niet is gewijzigd in de norm die geldt voor personen in een inrichting is bijzondere bijstand voor de vaste lasten niet noodzakelijk. De kosten kunnen dan immers uit de algemene bijstand voldaan worden. Het artikel zal dan ook met name worden toegepast bij inwoners die op het moment van opname in de inrichting nog geen algemene bijstand ontvingen.
Van belang is dat binnen een redelijke termijn uitzicht bestaat op terugkeer naar de woning. Daarvan is sprake als de verwachting is dat dit binnen zes maanden plaatsvindt. Als bij voorbaat duidelijk is dat de opname in een inrichting blijvend is, is het aanhouden van de woning en daaruit voortvloeiende kosten alleen al om die reden niet noodzakelijk.
Artikel 12a Dieetkosten, stookkosten, bewassing, kledingslijtage en maaltijdvoorziening
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 13 inrichtingskosten statushouders
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 14 Woninginrichtingskosten niet-statushouders
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 15 Reiskosten algemeen en reiskosten schoolgaande kinderen
Eerste tot en met derde lid
In dit artikel bepaalt het college wat de hoogte van bijzondere bijstand voor de reiskosten is, op welke wijze het college de reisafstand bepaalt en wat de minimale reisafstand moet zijn om voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen. Daarnaast moet vaststaan dat het gaat om noodzakelijke reiskosten.
Vierde lid
Het volgen van het voortgezet onderwijs acht het college dermate van belang dat in geval een kind van een inwoner voortgezet onderwijs volgt wat niet in de gemeente Hoogeveen aanwezig is, in beginsel bijzondere bijstand mogelijk is.
Artikel 16 Kinderopvang
Het daadwerkelijk gebruik kunnen maken van kinderopvang als daar een sociaal-medische indicatie voor is afgegeven, acht het college dermate van belang dat in geval ouders daarvoor onvoldoende middelen hebben, bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van de kinderopvang verleend kan worden.
Artikel 17 Woonkostentoeslag bij een huurwoning
Eerste en tweede lid
De Wet op de huurtoeslag (WHT) is met ingang van 1 januari 2026 gewijzigd.
Ook bewoners van een huurwoning met een huur hoger dan de maximale huurgrens komen voor huurtoeslag in aanmerking. Dit betekent dat alleen het deel van de huur dat meer bedraagt dan die maximale huurgrens voor bijzondere bijstand in aanmerking kan komen.
Tweede en derde lid
In deze leden is aangegeven op welke wijze het college de hoogte van de woonkostentoeslag vaststelt.
Derde en vierde lid
Het college verstrekt de bijzondere bijstand tijdelijk. Het is aan de inwoner om zo snel mogelijk te verhuizen naar een woning met een huur lager dan de maximale huurgrens. Het college legt daartoe een aanvullende verplichting op die strekt ter beëindiging van de bijzondere bijstand voor de woonkosten. Die verplichting legt het college op als de huur hoger is dan de maximale huurgrens.
Vijfde lid
Indien woonkostentoeslag noodzakelijk is kan de zelfstandige een beroep doen op het Bbz 2004.
Zesde lid
De Belastingdienst verstrekt geen huurtoeslag over een onvolledige huurmaand.
Bijzondere bijstand kan dan voor de huur worden toegekend als sprake is van een onvoorziene omstandigheid. Als voorzienbaar is dat een inwoner op termijn een huurwoning kan betrekken, dan kan hij onder andere voor deze huurkosten reserveren. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de inwoner als woningzoekende staat ingeschreven. Bij onvoorziene situaties kan onder andere gedacht worden aan:
- o
o een echtscheiding of verlating en een van beide ex-partners achterblijft in de huurwoning; of
- p
een plotseling onvoorziene inkomensdaling.
Artikel 18 Woonkostentoeslag bij een eigen woning
Eerste lid
Hierbij kan worden gedacht aan een onvoorziene situatie zoals een plotseling onvoorziene inkomensdaling. Bij een echtscheiding of verlating zal de ex-partner meestal de mede-eigenaar zijn van de eigen woning zijn en om die reden moeten bijdragen aan de woonkosten van die eigen woning.
Tweede lid
Hierin staat wat het college verstaat onder woonkosten bij een eigen woning.
De aflossing van de hypothecaire geldlening wordt daartoe niet gerekend.
Derde lid
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
Vierde lid
De termijn is langer dan bij een huurwoning, omdat naast het zoeken naar goedkopere woonruimte de eigen woning verkocht moet worden.
Vijfde lid
Zie de toelichting op artikel 21 bij woonkostentoeslag voor huurwoningen.
Zesde lid
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
Zevende lid
De belastingteruggaaf vanwege de aftrek van hypotheekrente leidt tot lagere woonlasten. Reden waarom deze wordt opgevraagd. Op basis daarvan kan de definitieve hoogte van de bijzondere bijstand worden bepaald.
Achtste lid
Indien bijvoorbeeld het huis helemaal aangepast is vanwege de beperkingen van één van de gezinsleden, kan dat bijvoorbeeld worden aangemerkt als een zwaarwegende reden.
Negende lid
Indien woonkostentoeslag noodzakelijk is kan de zelfstandige een beroep doen op het Bbz 2004.
Artikel 19 Jongeren in inrichting
In het wetsvoorstel Participatiewet in balans is per abuis de mogelijkheid komen te vervallen dat jongeren in een inrichting van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar voor bijstand in aanmerking kunnen komen voor de kosten van levensonderhoud. Het ministerie van SZW heeft in een reactie aan Schulinck bevestigd dat in deze gevallen de problematiek tijdelijk moet worden opgevangen met artikel 35 Participatiewet en dat het ministerie werkt aan een structurele oplossing3 .
Reden waarom dit artikel in de beleidsregel is opgenomen. Voor de voorwaarden is aansluiting gezocht bij artikel 20, derde lid, onderdelen a en b van de wet zoals die per 1 januari 2026 gaat luiden en de nadere uitwerking van die voorwaarden in de Beleidsregel algemene bijstand Hoogeveen. Voor de hoogte is aansluiting gezocht bij de norm die geldt voor personen in een inrichting. Dit artikel kan komen te vervallen, zodra de wetgever dit in de wet heeft geregeld.
Hoofdstuk 3 Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 20 Overgangsrecht
Eerste lid
Besluiten genomen onder het oude beleid worden gerespecteerd voor de duur waarvoor ze zijn afgegeven.
Tweede en derde lid
Voor de uitvoering is het meteen van toepassing verklaren van de nieuwe beleidsregels op aanvragen en bezwaarschriften waarop nog niet is beslist, het meest eenvoudige.
Artikel 21 Slotbepalingen
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Noot
2[2] Weten is nog geen doen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, maar zie ook de website van de Rijksoverheid https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/06/27/hoge-maatschappelijke-kosten-van-schulden-vragen-om-stevige-aanpak
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl