Beleidsregel algemene bijstand gemeente Hoogeveen

Geldend van 09-05-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel algemene bijstand gemeente Hoogeveen

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;

gelezen het ambtelijk voorstel;

overwegende, dat het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen voor

de uitleg van de volgende wettelijke voorschriften en de invulling van de bevoegdheden die het college heeft op grond van die wettelijke voorschriften;

omdat daarmee rechtszekerheid wordt geboden en om te zorgen voor consistente besluitvorming;

gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 13, eerste lid, onderdelen a en e, 16, eerste lid, 17, eerste en tweede lid, 20, derde lid, 31, tweede lid, onderdelen m en n, 32, vierde lid, 34, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdeel a, 34a, eerste lid, onderdeel a, 36b, vierde lid, 44, derde lid, 53a, eerste lid, van de Participatiewet, de artikelen 6, eerste lid, onderdelen a en c, 8a, eerste lid, onderdeel a, 13, eerste lid, 16a, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 6, tweede lid, onderdelen b en d, 8a, eerste lid, onderdeel a, 13, eerste lid, 16a, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

gezien het advies van de Cliëntenraad Sociale Zekerheid Hoogeveen dat op grond van artikel 47 van de Participatiewet in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Inspraakverordening is ingewonnen;

besluit vast te stellen de volgende beleidsregel:

Beleidsregel algemene bijstand gemeente Hoogeveen

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    ALO-kop: de verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders zoals bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget;

  • b.

    college: college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen;

  • c.

    dakloze: een persoon die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet ingeschreven staat in het bevolkingsregister van de gemeente;

  • d.

    gemeente: gemeente Hoogeveen;

  • e.

    thuisloze: een persoon die steeds wisselt van onderdak en op een postadres ingeschreven staat in het bevolkingsregister van de gemeente;

  • f.

    tijdelijk verblijf: onder tijdelijk verblijf in de zin van artikel 6, eerste lid, onder a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 6, tweede lid, onder b, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen sluit het college aan bij de periode van vier weken genoemd in artikel 13, eerste lid, onder e, van de wet;

  • g.

    uitkeringsgerechtigde: een persoon die een uitkering van de gemeente ontvangt op grond van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • h.

    wet: de Participatiewet;

  • i.

    woonlandfactor: het kostenniveau van de niet-rechthebbende partner in het buitenland bepaalt het college met behulp van de woonlandfactor als bedoeld in de bijlage bij de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012.

    De woonlandfactor is dan: woonlandfactor voor dat land x de hoogte van de bijstandsnorm die voor de niet-rechthebbende zou gelden in Nederland.

Artikel 2 Termijn inlichtingenplicht

Het college verstaat onder onverwijld als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, en artikel 36b, vierde lid, van de wet, artikel 13, eerste en tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 13, eerste en tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen binnen zeven dagen. De mededeling uit eigen beweging moet worden doorgegeven via het wijzigingsformulier dat door het college beschikbaar is gesteld.

Artikel 3 Detentie

  • 1. Het college neemt de dag van in detentie neming mee als een volledige dag detentie, waardoor belanghebbende uitgesloten is van het recht op bijstand of uitkering op grond van Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. De dag van invrijheidstelling merkt het college niet aan als een dag in detentie.

  • 2. Als vooraf bekend is dat de detentieperiode niet langer duurt dan 30 dagen sluit het college belanghebbende gedurende de detentieperiode uit van het recht op bijstand of uitkering op grond van Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. De periode van uitsluiting wordt achteraf vastgesteld aan de hand van het ontslagbewijs.

  • 3. Als nog niet bekend is hoelang de detentieperiode duurt, of als de detentieperiode langer duurt dan 30 dagen, beëindigt het college per datum in detentie neming de bijstand of uitkering op grond van Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Artikel 4 Verblijf in buitenland

  • 1. Bij verblijf in het buitenland merkt het college de dag van vertrek als volledige dag aan in Nederland en de dag van terugkomst als volledige dag in het buitenland.

  • 2. Het verblijf in het buitenland moet twee weken voor vertrek door middel van een door het college beschikbaar gesteld formulier worden gemeld.

Hoofdstuk 2 Bijstandsnormen en Afstemming

Artikel 5 Wijziging bijstandsnorm en domicilie bij opname in inrichting

  • 1. Het college wijzigt de bijstandsnorm in de norm voor personen die in een inrichting verblijven indien de opname in een inrichting langer dan drie maanden duurt en voor gehuwden in de norm als bedoeld in artikel 23, derde lid, van de wet, indien belanghebbende zijn woning aanhoudt gedurende deze opname. In andere gevallen wijzigt de bijstandsnorm met ingang van de datum van opname.

  • 2. Voor de kosten van de vaste lasten van de woning, kan bijzondere bijstand worden aangevraagd in situaties waarin de bijstandsnorm is gewijzigd als bedoeld in het eerste lid. Dit is geregeld in de Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Hoogeveen.

  • 3. Als een opname in een inrichting buiten de gemeente plaatsvindt en langer dan zes maanden duurt, dan vindt een herbeoordeling plaats van de voortgang van de opname in combinatie met het domicilie.

Artikel 6 Afstemming bij verblijf in een inrichting

  • 1. Het college stemt de bijstandsnorm af voor personen in een inrichting, die de zorg ontvangen:

    • a.

      in de vorm van een persoonsgebonden budget op grond van de Wet langdurige zorg en een indicatie hebben voor zorg in een inrichting;

    • b.

      in de vorm van een volledig pakket thuis op grond van de Wet langdurige zorg; of

    • c.

      voor opvang of beschermd wonen in de vorm van een persoonsgebonden budget op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2. Tenzij deze kosten worden vergoed vanuit de Wet langdurige zorg of Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, houdt het college bij de afstemming als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval rekening met de volgende kosten:

    • a.

      kosten van huur minus huurtoeslag;

    • b.

      kosten van gas, water en elektra;

    • c.

      kosten van eten en drinken;

    • d.

      kosten opstal;

    • e.

      kosten internet.

  • 3. Indien het college de bijstandsnorm afstemt als bedoeld in het eerste lid onder a en b, verbindt het college aan de bijstand de verplichting van artikel 55 van de wet, om deze zorg om te zetten in Zorg in natura die geldt voor een inrichting indien dit mogelijk is bij dezelfde zorgaanbieder waar belanghebbende verblijft.

Artikel 7 Kind minderjarige moeder

  • 1. Aan het kind van een minderjarige moeder kan op grond van artikel 16, eerste lid, van de wet bijstand worden verstrekt als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      er kan geen beroep worden gedaan op eigen middelen en de onderhoudsplicht van de ouders van het kind;

    • b.

      er bestaat geen recht op de ALO-kop van de Belastingdienst.

  • 2. De hoogte van de bijstand is gelijk aan de hoogte van de ALO-kop.

Artikel 8 Afstemming vermogensgrens bij co-ouderschap

Indien sprake is van een co-ouderschap hanteert het college in afwijking van artikel 34, derde lid, onder a, van de wet de volgende vermogensgrens, te weten de vermogensgrens van een alleenstaande plus de vermogensgrens van een alleenstaande ouder gedeeld door twee afgerond op hele euro’s naar boven.

Artikel 9 Verhoging norm jongeren artikel 20 van de wet

Bij de beoordeling van het college of de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de wet verhoogd moet worden, wordt een jongere van 18 tot en met 20 jaar in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als:

  • a.

    de ouder(s) is/zijn overleden of in het buitenland woont/wonen en deze onbereikbaar is/zijn;

  • b.

    de jongere in het kader van de Jeugdwet destijds uit huis is geplaatst;

  • c.

    de jongere op de ingangsdatum van de bijstandsverlening twaalf maanden of langer zelfstandig woont; of

  • d.

    er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere zelf geen verandering kan worden gebracht.

Artikel 10 Overbruggingsuitkering

  • 1. De belanghebbende die de periode vanaf de aanvang van de bijstandsverlening tot de eerste uitbetaling van de algemene bijstand niet kan overbruggen, kan in aanmerking komen voor een overbruggingsuitkering.

  • 2. Het college kan bij een aanvraag algemene bijstand ambtshalve beoordelen of een belanghebbende in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering.

  • 3. De hoogte van de overbruggingsuitkering is gelijk aan 27/30 keer de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag minus:

    • a.

      Het inkomen;

    • b.

      Het vermogen voor zover dat meer is dan anderhalf maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

  • 4. De overbruggingsuitkering wordt om niet verstrekt, tenzij belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan.

Artikel 11 Afstemming bijstand niet-rechthebbende partner

  • 1. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel 24 van de wet en de inwerkingtreding van artikel 24a van de wet in het kader van de Participatiewet in balans, past het college deze artikelen van de wet toe.

  • 2. Dit artikel komt te vervallen met ingang van de datum waarop de artikelen in het eerste lid in werking zijn getreden.

Hoofdstuk 3 Middelen

Artikel 12 Ambtshalve verrekening inkomsten uit arbeid

  • 1. Het college past tot 1 januari 2027 ambtshalve artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r van de wet, artikel 8, tweede en vijfde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en artikel 8, derde en negende lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers toe, in die gevallen waarin een uitkeringsgerechtigde gedurende zijn uitkering algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt of meer algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, tenzij de uitkeringsgerechtigde dit niet wil.

  • 2. Het college past vanaf 1 januari 2027 ambtshalve artikel 34a, eerste lid, onderdeel a van de wet, artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers toe, in die gevallen waarin een uitkeringsgerechtigde gedurende zijn uitkering algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt of meer algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, tenzij de uitkeringsgerechtigde dit niet wil.

  • 3. Het college past voor jongeren tot 27 jaar het tweede lid ambtshalve toe vanaf 1 januari 2026;

  • 4. Het eerste tot en met het derde lid is niet van toepassing op de uitkeringsgerechtigde die het college niet tijdig heeft geïnformeerd over de aanvaarding of uitbreiding van zijn algemeen geaccepteerde arbeid, waardoor het college aan de uitkeringsgerechtigde geheel of gedeeltelijk ten onrechte een uitkering heeft verleend. Het achteraf ambtshalve de inkomsten uit arbeid vrijlaten of verrekenen op de wijze als omschreven in het eerste of tweede lid draagt naar oordeel van het college niet bij aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde.

Artikel 13 Materiële en immateriële schadevergoeding

  • 1. De schadevergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder n, van de wet die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt, tenzij:

    • a.

      de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade; of

    • b.

      de schadevergoeding voor een bezitting is die niet algemeen gebruikelijk is.

  • 2. Een schadevergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder n, van de wet die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen over de periode waarop de vergoeding betrekking heeft, tenzij een deel van de schadevergoeding betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de bijstandsuitkering. In dat laatste geval wordt dat deel van de schadevergoeding tot het vermogen gerekend.

  • 3. Een immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder n, van de wet, wordt niet als vermogen in aanmerking genomen als deze minder bedraagt dan € 6.000,00.

  • 4. Van een immateriële schadevergoeding die meer bedraagt dan € 6.000,00 wordt 2/3 van het meerdere aangemerkt als vermogen.

  • 5. In afwijking van het vierde lid gaat het college als volgt om in geval de immateriële schadevergoeding bedoeld is voor blijvende letselschade dan wel voor gederfde levensvreugde die blijvend van aard is:

    Het ontvangen bedrag aan immateriële schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal jaren waarin een belanghebbende naar verwachting te leven heeft. Dit bedrag per jaar is bepalend voor de vraag of het uitzonderen van de middelen van de ontvangen immateriële schadevergoeding vanuit een oogpunt van bijstandsverlening al dan niet verantwoord is. Dit gebeurt dan op de wijze als is omschreven in het derde en vierde lid.

  • 6. Als uit het totale bedrag van de schadevergoeding niet kan worden afgeleid welk deel de materiele en/of immateriële schade betreft, is het aan de klant om aan te tonen hoe de verdeling is.

Artikel 14 Giften

  • 1. Giften in natura worden omgerekend naar de waarde die zij vertegenwoordigen in het economische verkeer bij vrije oplevering tenzij het een bijdrage betreft die leidt tot een kostenbesparing. In het laatste geval is artikel 18, achtste lid, van de wet van toepassing.

  • 2. Als een gift samen met een bijdrage als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de wet in een kalenderjaar meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel m, van de wet, wordt het meerdere als middel in aanmerking genomen in de zin van de wet, tenzij deze giften en vergoedingen naar het oordeel van het college in het individuele geval en uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

  • 3. Het college acht giften als bedoeld in het tweede lid in ieder geval in de volgende gevallen uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord:

    • a.

      giften die worden gebruikt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verleend had kunnen worden;

    • b.

      giften die worden ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

    • c.

      giften die gebruikt worden om probleemschulden af te lossen die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de bijstandsverlening;

    • d.

      giften in natura (geen kostenbesparende bijdrage) met een waarde tot maximaal € 1.000,00.

Artikel 15 Vaststelling inkomen niet-rechthebbende partner in buitenland

Bij de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende partner die niet in Nederland verblijft, past het college de woonlandfactor toe op de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 32, vierde lid, van de wet, met uitzondering van de landen genoemd in de Kamerbrief van 24 mei 2017 van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met als referentie 2017-0000080717, zolang de bilaterale socialezekerheidsverdragen met die landen niet zijn aangepast.

Artikel 16 Vaststelling vermogen bij verhuizing vanuit andere gemeente

Wanneer het college algemene bijstand toekent, aansluitend op de algemene bijstand die een belanghebbende in een andere gemeente ontving, stelt het college het vermogen opnieuw vast.

Artikel 17 Vastelling vermogen bij boedelscheiding

  • 1. Het uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand.

  • 2. Is belanghebbende ten tijde van de aanvraag verwikkeld in een echtscheidingsprocedure dan wordt het definitieve vermogen vastgesteld zodra de boedelscheiding is afgerond.

  • 3. Het vermogen wordt na de afwikkeling van de echtscheiding vastgesteld per datum aanvang bijstand.

Artikel 18 Afkoopwaarde uitvaartverzekering

  • 1. Niet tot het vermogen wordt gerekend de waarde van een begrafenis- of crematieverzekering.

  • 2. Niet tot de middelen wordt gerekend een reservering voor een begrafenis of crematie als:

    • a.

      het bedrag uitsluitend bestemd is voor de kosten van uitvaart en gestort is op een speciale bankrekening;

    • b.

      het bedrag niet tussentijds kan worden opgenomen en;

    • c.

      het bedrag alleen bij overlijden kan worden opgenomen door een aangewezen gemachtigde of partner.

Artikel 19 Afkoop pensioenvoorzieningen

Eén of meerdere pensioenen die in een kalenderjaar zijn afgekocht tot een bedrag van in totaal niet meer dan € 125,00 netto, rekent het college niet tot de middelen.

Artikel 20 Algemeen gebruikelijke bezittingen

  • 1. Het college verstaat onder algemeen gebruikelijke bezittingen in ieder geval:

    • a.

      gebruikelijke huisraad en inboedel;

    • b.

      de waarde van de auto(’s), 45 km wagens en motoren tot een bedrag van in totaal € 5.000,00;

    • c.

      de waarde van de scooters en brommers tot een bedrag van in totaal € 2.500,00.

  • 2. Het college bepaalt de waarde van een auto aan de hand van de ANWB-koerslijst bij inruil bij een autobedrijf.

  • 3. Indien de auto niet meer in de ANWB-koerslijst voorkomt wordt uit gegaan van de gemiddelde prijs van minimaal twee maar maximaal vijf soortgelijke auto’s op www.autotrack.nl of www.autotrader.nl. Voor motoren en 45-km wagens wordt eveneens uitgegaan van de gemiddelde prijs op de genoemde websites.

  • 4. Indien de gezamenlijke waarde van de bezittingen, als bedoeld in het tweede lid, onder b, meer bedraagt dan € 5.000,00 dient de meerwaarde meegenomen te worden in de vermogensvaststelling.

  • 5. De waarde van de brommers en scooters stelt het college vast aan de hand van de aankoopbewijzen, leeftijd, opgegeven onderhoudstoestand en/of met behulp van advertenties op marktplaats.

  • 6. Indien de gezamenlijke waarde van de bezittingen, als bedoeld in het tweede lid, onder c, meer bedraagt dan € 2.500,00 dient de meerwaarde meegenomen te worden in de vermogensvaststelling.

  • 7. Indien vervoer noodzakelijk is vanwege een beperking, wordt de waarde van een aangepast voertuig vrijgelaten.

Artikel 21 Geen algemeen gebruikelijke bezittingen

  • 1. Het college verstaat in ieder geval niet onder algemeen gebruikelijke bezittingen:

    • a.

      vrachtauto, tractor, aanhangwagen, (sta)caravan, camper, boot; en

    • b.

      klassieker/oldtimer.

  • 2. De waarde van de onder het eerste lid onder a genoemde bezittingen wordt vastgesteld aan de hand van aankoopbewijzen, leeftijd, opgegeven onderhoudstoestand en navraag bij detailhandel.

  • 3. De waarde van de onder het eerste lid onder b genoemde bezittingen dient te worden vastgesteld aan de hand van een taxatierapport, dat niet ouder is dan 3 jaar en opgesteld door een erkend taxateur.

Artikel 22 Waardevolle dieren

  • 1. Dieren met een totale waarde van minder dan € 2.500,00 worden niet meegenomen in de vermogensvaststelling.

  • 2. Indien de gezamenlijke waarde van de dieren meer bedraagt dan € 2.500,00 dient de meerwaarde meegenomen te worden in de vermogensvaststelling.

  • 3. Bij waardevolle dieren wordt de waarde vastgesteld aan de hand van aankoopbewijzen, leeftijd en navraag bij erkende fokkers.

Artikel 23 Sieraden, goud/zilver, kunst en antiek

  • 1. Sieraden, goud/zilver, kunst en antiek met een totale waarde van minder of gelijk aan € 2.500,00 worden niet meegenomen in de vaststelling van het vermogen.

  • 2. Indien de waarde van in bezit zijnde sieraden, goud/zilver, kunst en antiek meer bedraagt dan € 2.500,00 dient de meerwaarde meegenomen te worden in de vaststelling van het vermogen.

  • 3. De waarde van sieraden, goud/zilver wordt vastgesteld door een juwelier.

  • 4. De waarde van kunst en antiek wordt vastgesteld door een galerij of antiekhandel.

  • 5. Indien een van de bovenstaande goederen tijdens de bijstand wordt geschonken aan een belanghebbende gelden de regels van het verkrijgen van een gift als bedoeld in artikel 14.

Artikel 24 Beoordeling interen op vermogen

  • 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor algemene bijstand of een belanghebbende verantwoord op zijn vermogen heeft ingeteerd, houdt het college rekening met:

    • a.

      een interingsnorm van anderhalf keer de toepasselijke bijstandsnorm;

    • b.

      verhoogd met het eventuele gemis aan huur- en zorgtoeslag; en

    • c.

      verminderd met de inkomsten die gedurende de interingsperiode zijn ontvangen.

  • 2. Met eventuele noodzakelijke uitgaven kan het college rekening houden.

Artikel 25 Vaststellen vermogen eigen woning

  • 1. Bij de waardebepaling van de eigen woning wordt uitgegaan van de geldende WOZ-waarde van de eigen woning verminderd met de daarop drukkende schulden.

  • 2. Op het saldo van de op de eigen woning drukkende schulden bedoeld in het eerste lid dient de opgebouwde waarde van een spaar- of beleggingshypotheek en/of levensverzekering verbonden aan de eigen woning in mindering te worden gebracht.

  • 3. Indien de WOZ-waarde niet bekend is of er niet is, gaat het college bij de waardebepaling van de eigen woning uit van de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Die waarde moet worden vastgesteld door een beëdigd taxateur of een persoon die over een vergelijkbare deskundigheid beschikt en die deskundigheid kan aantonen.

Hoofdstuk 4 Aanvragen en Ingangsdatum

Artikel 26 Verkorte aanvraag

  • 1. Belanghebbenden kunnen bij een aanvraag algemene bijstand gebruik maken van een verkort aanvraagformulier in de volgende situaties:

    • a.

      belanghebbende doet binnen twaalf maanden na beëindiging van de eerdere bijstandsuitkering in de gemeente een hernieuwd beroep op een bijstandsuitkering en er is geen sprake van een of meerdere van de onderstaande situaties:

      • i.

        de beëindiging was een gevolg van schending van de inlichtingenplicht;

      • ii.

        de beëindiging was een gevolg van vermogen hoger dan de vermogensgrens;

      • iii.

        de beëindiging was een gevolg van verblijf buiten Nederland; en/of

      • iv.

        de leefsituatie is gewijzigd, waarbij niet tot een wijziging wordt gerekend de geboorte van een kind of het bereiken van de meerderjarige leeftijd van het jongst inwonende kind.

    • b.

      belanghebbende verhuist van de gemeente Hoogeveen naar de gemeente De Wolden en van de gemeente Hoogeveen ook een bijstandsuitkering ontving;

    • c.

      bij beëindiging samenwoning van bijstandsgerechtigden uit de gemeente;

    • d.

      bij personen die een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente en gaan samenwonen;

    • e.

      bij overlijden van partner met wie een bijstandsuitkering werd ontvangen.

  • 2. Indien gebruik kan worden gemaakt van een verkort aanvraagformulier hoeven belanghebbenden alleen nog de volgende stukken in te leveren:

    • a.

      een ingevuld, gedateerd en ondertekend verkort aanvraagformulier;

    • b.

      bij een verhuizing een huurcontract; en

    • c.

      bij de geboorte van een kind gegevens over de kinderalimentatie.

  • 3. Als de individuele situatie daar aanleiding toe geeft, kan het college in afwijking van het eerste en/of tweede lid gemotiveerd overwegen om een aanvrager:

    • a.

      geen gebruik te laten maken van het verkorte aanvraagformulier;

    • b.

      wel gebruik te laten maken van het verkorte aanvraagformulier;

    • c.

      meer gegevens te laten verstrekken.

Artikel 27 Afhandelen aanvragen jongere voor afloop zoektermijn

Het college kan de aanvraag van de jongere in behandeling nemen voor afloop van de vierwekenzoektermijn als bedoeld in artikel 41, elfde lid van de wet, indien zich één van de volgende omstandigheden voordoet:

  • a.

    de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang (Wmo 2015);

  • b.

    de jongere verbleef het afgelopen jaar in een inrichting, opvang (Wmo 2015), pleeggezin of gezinshuis (Jeugdwet);

  • c.

    de jongere viel onder een kinderbeschermingsmaatregel in het afgelopen jaar;

  • d.

    de jongere een zorgbehoefte heeft;

  • e.

    de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

  • f.

    de jongere ontving het afgelopen jaar bijstand;

  • g.

    de jongere heeft probleemschulden of hier kans op als de vierwekenzoektermijn wordt toegepast;

  • h.

    De jongere die tot de doelgroep van de loonkostensubsidie behoort.

Artikel 28 Ingangsdatum uitkering

  • 1. De ingangsdatum van de uitkering is gelijk aan de datum van melding, tenzij de aanvraag niet binnen 7 dagen na melding is ingediend. In dat laatste geval is de ingangsdatum gelijk aan de datum waarop de aanvraag is ingediend.

  • 2. In het geval van een afwijzingsbeschikking, afkomstig van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering (UWV), geldt de meldings-/aanvraagdatum bij die instantie als ingangsdatum voor de bijstandsuitkering, indien belanghebbende zich binnen 7 dagen na dagtekening van de afwijzingsbeschikking komt melden, tenzij de aanvraag niet binnen 7 dagen na melding is ingediend. In dat laatste geval is de ingangsdatum gelijk aan de datum waarop de aanvraag is ingediend.

  • 3. In het geval van een beëindigingsbeschikking, afkomstig van de SVB of het UWV, sluit de ingangsdatum van de bijstandsuitkering aan op de einddatum van de uitkering, indien belanghebbende zich binnen 7 dagen na dagtekening van de beëindigingsbeschikking komt melden, tenzij de aanvraag niet binnen 7 dagen na melding is ingediend. In dat laatste geval is de ingangsdatum gelijk aan de datum waarop de aanvraag is ingediend.

  • 4. Bij een verhuizing vanuit een andere gemeente wordt, voor wat betreft de ingangsdatum van de uitkering, aangesloten bij de einddatum van de bijstandsuitkering in die andere gemeente indien men zich binnen 7 dagen na dagtekening van de beëindigingsbeschikking heeft gemeld, tenzij de aanvraag niet binnen 7 dagen na melding is ingediend. In dat laatste geval is de ingangsdatum gelijk aan de datum waarop de aanvraag is ingediend.

  • 5. Onder onverwijld als bedoeld in artikel 43, zesde lid, van de wet verstaat het college binnen 7 dagen na dagtekening van de afwijzingsbeschikking.

  • 6. Bij de beoordeling of individuele omstandigheden zich voordoen om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet, kunnen in ieder geval één van de volgende factoren een rol spelen:

    • a.

      Belanghebbende heeft door de late melding aantoonbaar aanzienlijke schulden of betalingsachterstanden opgelopen;

    • b.

      Belanghebbende heeft alles geprobeerd om zelfstandig in zijn bestaan te voorzien, voorafgaand aan zijn melding;

    • c.

      Belanghebbende is overvraagd door een crisissituatie, waardoor een te late melding of eerdere buiten behandelingstelling niet kan worden verweten.

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht en Slotbepalingen

Artikel 29 Overgangsrecht

  • 1. Aanvragen die zijn ingediend voordat deze beleidsregels in werking zijn getreden en waarop nog niet is beslist, worden afgehandeld krachtens deze beleidsregels.

  • 2. Deze beleidsregel is van toepassing op bezwaarschriften, ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel, waarop nog niet is beslist.

Artikel 30 Slotbepalingen

  • 1. De Beleidsregels algemene bijstand gemeente Hoogeveen 2019 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze beleidsregel in werking treedt.

  • 2. Deze beleidsregel treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

  • 3. Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel algemene bijstand gemeente Hoogeveen.

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 21 april 2026

Ondertekening

De secretaris, De burgemeester,

Mike Hacking Martijn Breukelman

Toelichting

Deze beleidsregel is opgesteld naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Participatiewet in balans. Daarin staat een aantal bevoegdheden van het college en is een aantal bevoegdheden van het college gewijzigd, komen te vervallen of erbij gekomen. Deze beleidsregel vult een aantal van de bevoegdheden van het college met betrekking tot de algemene bijstand nader in.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 2 Termijn inlichtingenplicht

Artikel 17, eerste en tweede lid, en 36b, vierde lid van de Participatiewet en artikel 13, eerste en tweede lid, van zowel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen geven aan dat belanghebbenden onverwijld aan hun inlichtingenplicht moet voldoen. Door aan onverwijld een termijn van zeven dagen te koppelen, is voor belanghebbenden duidelijk wat het college daaronder verstaat. Deze inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op het recht op uitkering als de arbeidsinschakeling.

Artikel 3 Detentie

Eerste lid

Personen die gedetineerd zijn, zijn uitgesloten van het recht op bijstand (artikel 13 lid 1 onderdeel a Participatiewet) en het recht op uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 6 lid 1 onder c IOAW en artikel 6 lid 2 onder d IOAZ). Om de ingangsdatum en de einddatum van detentie te bepalen, is in het beleid opgenomen dat de eerste dag van in detentie neming wordt aangemerkt als de eerste dag waarop een persoon is uitgesloten van het recht op bijstand of uitkering. Vanaf de dag van in vrijheidstelling kan weer recht op bijstand of uitkering bestaan.

Tweede en derde lid

Verder is in dit artikel bepaald dat het besluit om de bijstand of uitkering te beëindigen afhankelijk is van de duur van detentie. Is die periode niet bekend bij het college dan beëindigt het college de bijstand of uitkering.

Artikel 4 Verblijf in buitenland

Eerste lid

Personen die per kalenderjaar langer dan vier weken in het buitenland verblijven, hebben na die vier weken geen recht op bijstand op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel e, van de wet. Om te bepalen welke dag (aankomst- of vertrekdag) als dag in Nederland wordt gezien en welke dag in buitenland is dit beleid opgenomen.

In artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 6, tweede lid, onderdeel b van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen staat dat geen recht op uitkering bestaat als het verblijf buiten Nederland niet tijdelijk is. In beide wetten staat niet wat onder tijdelijk verblijf moet worden verstaan. Staatssecretaris Rutte van SZW heeft echter in de SZW-verzamelbrief januari 2004 medegedeeld aan gemeenten dat het wenselijk is dat voor IOAW- en IOAZ-gerechtigden hetzelfde regime gaat gelden als in de WWB (nu: Participatiewet) 1 .

Onder tijdelijk verblijf sluit het college daarom aan bij vier weken genoemd in de wet.

Dit is in het eerste artikel, onderdeel f, van deze begripsbepalingen opgenomen.

Om te bepalen welke dag (aankomst- of vertrekdag) als dag in Nederland wordt gezien en welke dag in buitenland is dit beleid opgenomen.

Tweede lid

De vakanties moeten van tevoren worden opgegeven. Dit hangt samen met de arbeidsverplichtingen die aan de bijstand of uitkering zijn verbonden. Ook kan het college bij uitnodigingen voor een rechtmatigheidsonderzoek of een onderzoek naar de plicht tot arbeidsinschakeling dan rekening houden met die vakanties.

Hoofdstuk 2 Bijstandsnorm en Afstemming

Artikel 5 Wijziging bijstandsnorm en domicilie bij opname in inrichting

Eerste lid

Om te voorkomen dat bij kortdurende opnames in een inrichting de bijstandsnorm gewijzigd moet worden wordt een termijn van 3 maanden aangehouden. Dit is in het belang van de inwoner die anders met een lagere uitkeringsnorm wordt geconfronteerd alsook in het belang van het college zelf omdat hiermee de werklast wordt verminderd.

Tweede lid

Dit lid behoeft geen toelichting

Derde lid

Formeel verstrekt het college de uitkering alleen aan de inwoners die in de gemeente wonen. Echter als het verblijf niet langer duurt dan 6 maanden blijft de inwoner zijn hoofdverblijf houden binnen onze gemeente. Duurt het verblijf langer dan 6 maanden, dan is het mogelijk dat het domicilie wijzigt en dient dit nader onderzocht te worden door het college.

Artikel 6 Afstemming bij verblijf in een inrichting

Eerste lid

Binnen de zorg bestaat er keuzevrijheid in welke vorm mensen deze zorg willen ontvangen. Doordat de wet achterblijft ten opzichte van de ontwikkelingen in de zorg, zijn de bijstandsnormen die de wet hanteert niet in alle gevallen toereikend. Dit maakt dat het college in de gevallen genoemd in het eerste lid de bijstandsnorm die geldt voor personen in een inrichting afstemt op een hoger bedrag.

Bij een verblijf in een inrichting kan wonen en zorg gescheiden zijn. Hierdoor kan een situatie ontstaan waarin belanghebbende woonlasten verschuldigd is. De algemene bijstand naar de norm voor verblijf in een inrichting is dan ontoereikend. De algemene bijstand moet via artikel 18 van de wet worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende.

Tweede lid

De lijst waarin de kosten worden opgesomd is niet uitputtend, het is mogelijk dat er meer kosten zijn dan hier worden genoemd.

Derde lid

De verplichting die het college verbindt aan de algemene bijstand strekt tot vermindering van die bijstand. Immers als alle kosten vergoed worden vanuit de Wet langdurige zorg, komen deze niet ten laste van de wet en is het college alleen nog maar de bijstandsnorm die geldt voor personen in een inrichting verschuldigd. Deze zorg in natura moet dan wel geleverd kunnen worden door de zorgaanbieder bij wie belanghebbende de zorg afneemt en verblijft.

Deze verplichting legt het college niet op bij inwoners die zorg ontvangen vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college draagt de verantwoordelijkheid voor deze inwoners zowel vanuit de wet als de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Indien het college die verplichting wel zou opleggen, dan leidt dit weliswaar tot lagere kosten in het kader van bijstandsverlening, maar leidt dit tot hogere uitgaven in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 7 Kosten minderjarige moeder

In beginsel is er geen aanleiding voor bijstandsverlening voor het kind van een minderjarige. Ook een minderjarige ouder heeft recht op kinderbijslag en het kindgebonden budget, eventueel verhoogd met de ALO-kop. Deze bedragen zijn passende én toereikende voorliggende voorzieningen voor de kosten van het levensonderhoud van minderjarige kinderen. Dit is daarom de reden dat er geen verschil is in hoogte van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en die voor een alleenstaande ouder. Alleen wanneer de minderjarige moeder geen ALO-kop ontvangt en de middelen van de minderjarige moeder en haar eventuele partner ontoereikend zijn, kan er reden zijn om bijstand aan het kind van de minderjarige ouder te verstrekken. De wettelijke grondslag daarvoor is dan dit artikel in samenhang met artikel 16 van de wet.

Artikel 8 Afstemming vermogensgrens bij co-ouderschap

De afstemming vindt plaats op grond van de individualiseringsbepaling, te weten artikel 18, eerste lid, van de wet.

Bij een co-ouderschap heeft de belanghebbende de zorg voor kinderen en valt hij om die reden niet onder het begrip van een alleenstaande. En omdat de belanghebbende niet de volledige zorg voor de kinderen heeft, valt hij niet onder een alleenstaande ouder.

Het college moet vaststellen welke vermogensgrens geldt voor een belanghebbende. Het doet dit op grond van de algemene individualiseringsbepaling 2

In dit artikel is bepaald op welke wijze het college dit doet.

Artikel 9 Verhoging norm jongeren artikel 20 van de wet

Dit artikel bepaalt het college in welke situaties de jongere in ieder geval geen beroep op zijn ouders kan doen en de jongerennorm verhoogd moet worden conform artikel 20 van de wet.

Artikel 10 Overbruggingsuitkering

Eerste lid

Inwoners die voorafgaand aan hun bijstandsaanvraag loon of een uitkering ontvingen, zullen veelal wel in staat zijn om de periode te overbruggen tussen de begindatum van hun bijstandsuitkering en de eerste uitbetaling van die bijstandsuitkering.

Inwoners die als gevolg van bijvoorbeeld een echtscheiding/verlating een bijstandsuitkering aanvragen zullen die periode niet altijd kunnen overbruggen.

Ook voor vergunninghouders die zich vanuit het AZC in de gemeente vestigen en een bijstandsuitkering aanvragen, is dit vaak niet het geval. Zij ontvingen voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een wekelijkse financiële toelage als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Dit kan anders zijn wanneer zij bijvoorbeeld voorafgaand aan de melding voor een aanvraag van een bijstandsuitkering inkomsten uit arbeid genoten.

Tweede lid

De overbruggingsuitkering kan altijd worden aangevraagd, maar als bij de behandeling van de aanvraag voor een bijstandsuitkering duidelijk is dat belanghebbende voor een overbruggingsuitkering in aanmerking komt, mag deze ook ambtshalve worden beoordeeld en toegekend.

Derde lid

Van belang voor het recht op de overbruggingsuitkering is wel of belanghebbende over een inkomen beschikt en over hoeveel vermogen hij beschikt.

Vierde lid

Dit lid volgt al uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de wet. Voor de duidelijkheid is dit nog een keer genoemd, dat dit ook voor de overbruggingsuitkering geldt.

Artikel 11 Afstemming bijstand niet-rechthebbende partner

Het oude beleid resulteerde in een uitkering die lager was, dan wat de wetgever met de invoering van de Participatiewet in balans beoogt. Reden waarom het college ervoor kiest om vooruit te lopen op de invoering van het gewijzigde artikel 24 en het toegevoegde artikel 24a van de wet als gevolg van de Participatiewet in balans.

Hoofdstuk 3 Middelen

Artikel 12 Ambtshalve verrekening inkomsten uit arbeid

Eerste en tweede lid

Het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid draagt naar het oordeel van het college altijd bij aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde. Reden waarom het college de inkomsten uit arbeid ambtshalve verrekent als omschreven in de artikelen genoemd in het eerste lid. Alleen als belanghebbende dit niet wil, past het college de ambtshalve verrekening niet toe.

Derde lid

Het jaar 2026 is een gedoogjaar voor het (deels) vrijlaten van inkomsten voor jongeren tot 27 jaar. Het college heeft besloten gebruik te maken van deze mogelijkheid tot gedogen. Vanaf het jaar 2027 hebben jongeren tot 27 jaar wettelijk gezien recht op een inkomstenvrijlating.

Vierde lid

Het college past het eerste lid niet toe, wanneer belanghebbende het college niet (tijdig) geïnformeerd heeft over zijn werkaanvaarding. Toepassing van het eerste lid draagt in dergelijke situaties niet bij aan de arbeidsinschakeling.

Artikel 13 Materiële en immateriële schadevergoeding

Het college kan op grond van artikel 31, tweede lid, onder n, van de wet materiële en immateriële schadevergoeding niet tot de middelen rekenen voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

Dit artikel bepaalt wanneer en in hoeverre het college een dergelijke vergoeding verantwoord acht. Daarbij neemt het college de volgende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in acht, te weten: ECLI:NL:CRVB:2023:909 voor immateriële schadevergoeding. Het gaat hier om andere schadevergoedingen dan genoemd in artikel 31, tweede lid, onder l, van de wet.

Eerste lid

Dit lid heeft uitsluitend betrekking op materiële schadevergoeding.

Onderdeel a spreekt voor zich.

Onderdeel b ziet op een schadevergoeding voor bezittingen die niet algemeen gebruikelijk zijn. Deze bezittingen worden wel tot het vermogen gerekend. De artikelen 18 tot en met 21 gaan in op algemeen gebruikelijke bezittingen.

Tweede lid

Als de schadevergoeding gaat over het verlies van arbeidsvermogen, gaat het over het inkomen/loon dat iemand had kunnen verdienen als bijvoorbeeld het ongeval niet had plaatsgevonden. Dit maakt dat dit als middel wordt meegenomen.

Derde en vierde lid

Hierin geeft het college weer welk deel van de immateriële schadevergoeding het verantwoord acht vanuit bijstandsverlening.

Vijfde lid

Deze uitzondering is opgenomen naar aanleiding van rechtspraak.

Zesde lid

Dit lid spreekt voor zich.

Artikel 14 Giften

Eerste lid

Dit lid regelt hoe het college de waarde van giften in natura vaststelt.

Tweede lid

Hier regelt het college hoe het rekening houdt met giften en bijdragen die hoger zijn dan het bedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de wet.

Artikel 15 Vaststelling inkomen niet-rechthebbende partner in buitenland

De levensstandaard verschilt per land. Die kan lager of hoger liggen dan in Nederland.

Ligt de levensstandaard lager dan in Nederland, dan bestaat de kans dat het college meer bijstand verstrekt dan nodig is aan de rechthebbende partner.

Ligt de levensstandaard hoger dan in Nederland, dan bestaat de kans dat de bijstand aan de rechthebbende partner niet toereikend is. Reden waarom het college hierover een artikel heeft opgenomen in deze beleidsregel. Het woonlandfactor mag niet op alle landen worden toegepast. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid noemt in de Kamerbrief van 24 mei 2017 van de Minister met als referentie 2017-0000080717 de volgende landen op wie de woonlandfactor niet mag worden toegepast:

Australië, Bosnië, Canada, Quebec, Chili, India, Israël, Japan, Kaapverdië, Kosovo, Macedonië, Marokko, Montenegro, Nieuw-Zeeland, Servië, Suriname, Tunesië, Uruguay, Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk (met betrekking tot het eiland Man) en Zuid-Korea.

Artikel 16 Vaststelling vermogen bij verhuizing vanuit andere gemeente

Bij overname van een belanghebbende uit een andere gemeente dienen in beginsel het vermogen en de toepasselijke vermogensgrens opnieuw te worden vastgesteld. De reden hiervoor is dat iedere gemeente een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de bijstandsverlening en dat het eigen beleid inzake de vaststelling van het vermogen per gemeente kan verschillen. Verder kan er op grond van de domiciliebepalingen van artikel 40, eerste lid, van de wet gesteld worden dat er feitelijk sprake is van een nieuwe aanvraag. Het college van de ontvangende gemeente doet dan een nieuwe vermogenstoets3

Artikel 17 Vastelling vermogen bij boedelscheiding

Eerste lid

Behoeft geen nadere toelichting

Tweede lid en derde lid

Het vermogen wordt eerst voorlopig vastgesteld. Zodra de boedelscheiding is afgerond wordt het vermogen definitief vastgesteld.

Artikel 18 Afkoopwaarde uitvaartverzekering

Eerste lid

De kans dat geen recht op bijstand bestaat als gevolg van de afkoopwaarde van een uitvaartverzekering is dermate gering dat deze niet tot de middelen wordt gerekend. Voor de inwoner wordt op deze manier het aanvraagproces versimpeld en voor uitvoerende teams wordt op deze manier het afhandelingsproces versimpeld.

2e lid

Voor bedragen die vaststaan op een bankrekening ter reservering voor de uitvaart, geldt voor het vrijlaten hiervan dezelfde onderbouwing als voor lid 1.

Artikel 19 Afkoop pensioenvoorzieningen

De kans dat geen recht op bijstand bestaat als gevolg van de afkoop van dergelijke kleine pensioenen is dermate gering dat deze niet tot de middelen worden gerekend. Zeker nu met de Participatiewet in balans bij de vaststelling van een tussentijdse vermogenswijziging ook schulden worden meegenomen, die na aanvang van de algemene bijstand zijn ontstaan.

Artikel 20 Algemeen gebruikelijke bezittingen

Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn (artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet). In dit artikel bepaalt het college welke bezittingen het algemeen gebruikelijk acht.

Eerste lid

Onder a

Wat onder gebruikelijke huisraad wordt verstaan is hier niet weergegeven. In ieder geval kan daar onder worden verstaan wat in de Nibud-prijzengids over woninginrichting staat.

Onder b en c

Voor het vinden van betaald werk of het kunnen verrichten van betaald werk acht het college van belang dat inwoners over een vervoersmiddel kunnen beschikken. Zeker omdat de gemeente veel dorpskernen kent, die minder goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer.

Tweede en derde lid

Hierin bepaalt het college op welke wijze het de waarde van de bezitting vaststelt.

Vierde lid

Behoeft geen nadere toelichting.

Vijfde lid

Hierin bepaalt het college op welke wijze het de waarde van de bezitting vaststelt.

Zesde lid

Behoeft geen nadere toelichting.

Zevende lid

In het zevende lid geeft het college invulling aan bezittingen in natura die gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn (artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet). Het zal hier vooral gaan om voertuigen die in het kader van de Wmo 2015 zijn aangepast.

Artikel 21 Geen algemeen gebruikelijke bezittingen

In dit artikel geeft het college aan wat het in ieder niet als algemeen gebruikelijke bezitting in aanmerking neemt. De opsomming in dit artikel is niet limitatief.

Eerste lid

Onder a

Behoeft geen nadere toelichting.

Onder b

Het gaat hier om voertuigen die veelal een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

Tweede en derde lid

Deze artikelen bepaalt hoe het college de waarde vaststelt van de bezittingen.

Artikel 22 Waardevolle dieren

In dit artikel bepaalt het college tot welk bedrag het college het bezit van dieren algemeen gebruikelijk acht op welke wijze de waarde wordt vastgesteld.

Artikel 23 Sieraden, goud/zilver, kunst en antiek

In dit artikel bepaalt het college tot welk bedrag het college het bezit van sieraden, goud/zilver, kunst en antiek algemeen gebruikelijk acht en op welke wijze de waarde wordt vastgesteld.

Artikel 24 Beoordeling interen op vermogen

Eerste lid

Bij belanghebbenden die voorafgaand aan hun aanvraag algemene bijstand van hun vermogen hebben geleefd, beoordeelt het college of zij voldoende besef van verantwoordelijkheid hebben betoond voor de voorziening in het bestaan.

Bij de beoordeling is allereerst van belang of het voor belanghebbenden voorzienbaar was dat zij na het interen op hun vermogen een beroep op de Participatiewet moeten doen.

In dit artikel staat op welke wijze die beoordeling plaatsvindt.

In het geval er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, kan het college een maatregel opleggen en/of de bijstand in de vorm van een geldlening verstrekken.

Tweede lid

Onder noodzakelijke uitgaven kan bijvoorbeeld worden verstaan:

- de inrichting van een woning wanneer belanghebbende na zijn echtscheiding niet (een deel van) de inboedel toebedeeld heeft gekregen;

- de kosten van noodzakelijke vervanging van duurzame gebruiksgoederen

Artikel 25 Vaststellen vermogen eigen woning

Over het algemeen kan bij het vaststellen van het vermogen van een eigen woning uit worden gegaan van de WOZ-waarde. Echter wanneer die woning zich niet in Nederland bevindt, zal de waarde op een andere wijze vastgesteld moeten worden. Reden waarom het derde lid is opgenomen.

Hoofstuk 4 Aanvragen en Ingangsdatum

Artikel 26 Verkorte aanvraag

In dit artikel is weergegeven wanneer een belanghebbende naar het oordeel van het college kan volstaan met een verkort aanvraagformulier.

Eerste lid

Hier staat in welke situaties de aanvraag kan worden afgehandeld met een verkort aanvraagformulier.

Tweede lid

Als volstaan kan worden met een verkort aanvraagformulier, hoeft belanghebbende alleen nog maar inzage te geven in zijn bankrekeningen over de afgelopen maand. Alleen bij een eventuele verhuizing dient nog een huurcontract te worden ingeleverd.

Artikel 27 Afhandelen aanvragen jongere voor afloop zoektermijn

Gemeenten hebben beleidsruimte om aanvragen van jongeren vóór afloop van de vierwekenzoektermijn toch in behandeling te nemen, artikel 41, elfde lid, Participatiewet.

Dit artikel vult deze beleidsruimte nader in, door een aantal omstandigheden te noemen, wanneer het college daar gebruik van kan maken.

Artikel 28 Ingangsdatum uitkering

Eerste lid

In dit lid geeft het college invulling aan wat het college verstaat onder het zo spoedig mogelijk indienen van een aanvraag na een melding om bijstand aan te vragen.

Tweede lid

Inwoners die een beroep doen op een voorliggende voorziening en daar geen recht op blijken te hebben, wil het college in de gelegenheid stellen om over dezelfde periode een aanvraag voor algemene bijstand in te dienen. Hiermee wil het college voorkomen dat inwoners lange tijd zonder middelen komen te zitten, waardoor problematische schulden kunnen ontstaan.

Derde en vierde lid

Deze leden behoeven geen nadere toelichting.

Vijfde lid

Behoeft geen nadere toelichting.

Zesde lid

Onderdeel a

De schulden moeten zijn ontstaan in de periode waarover belanghebbende over onvoldoende middelen beschikte, gelet op artikel 13, eerste lid, onderdeel g, van de wet.

Onderdeel b

Behoeft geen nadere toelichting.

Onderdeel c

Hierbij kan gedacht worden aan Life-events, bijvoorbeeld sterfgevallen in de naaste omgeving of een echtscheiding/verlating.

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht en Slotbepalingen

Artikel 29 overgangsrecht

Behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 30 Slotbepalingen

Behoeft geen nadere toelichting.


Noot
1

[1] Afkomstig uit Schulinck Participatiewet.

Noot
2

[2] Afkomstig uit Schulinck Participatiewet.

Noot
3

[3] Deze tekst is afkomstig van de kennisbank van Schulinck Participatiewet