Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026

Geldend van 09-05-2026 t/m heden

Intitulé

Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland,

gelet op artikel 30 van de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026;

besluit vast te stellen:

Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026

Inleiding

In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 is vastgelegd dat gemeenten zorgdragen voor maatschappelijke ondersteuning en de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Hiervoor moet de gemeenteraad bij verordening regels vaststellen. De Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Midden-Delfland 2026 geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015).

De wet, verordening en nadere regels vormen een onlosmakelijk samenhangend geheel, waarbij de één voortborduurt op de ander en nader concretiseert. De wet staat boven de verordening. De gemeentelijke verordening is een op gemeentelijk niveau door de raad vastgesteld algemeen verbindend voorschrift. Het is een wetgevende regeling op gemeentelijk niveau die in de nadere regels verder wordt geconcretiseerd.

De Wmo 2015 en de Verordening Wmo regelen de bevoegdheden van de raad en het college. De uitvoering van de wet en Verordening zal echter in de regel namens het college, in mandaat, gedaan worden door het Wmoteam.

De Verordening en nadere regels zijn richtlijnen, die dienen als basis bij het maken van een afwegingskader bij het eventueel toekennen van een maatwerkvoorziening. Er moet sprake zijn van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie en deze moeten het gevolg zijn van een beperking (somatisch, lichamelijk, verstandelijk) of chronische psychische of psychosociale problemen.

Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de inwoner en zijn sociaal netwerk (eigen kracht). Biedt het sociaal netwerk geen soelaas, dan kan een andere of algemeen gebruikelijke voorziening wellicht uitkomst bieden. Daarna wordt gekeken of algemene voorzieningen hen in staat stellen om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken, daarvoor is geen indicatie en dus geen beschikking nodig. Algemene voorzieningen kunnen ook welzijnsvoorzieningen zijn. De voorziening is uitsluitend in natura beschikbaar en de eigen bijdrage regeling via het Centraal Administratie Kantoor (CAK) is hier niet van toepassing.

Algemene voorzieningen maken het mogelijk om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Een voorwaarde voor een algemene voorziening is dat deze voorziening binnen de directe woon- en leefomgeving plaatsvindt. Daarmee bieden deze voorzieningen een snelle en adequate compensatie voor de beperkingen die iemand ervaart.

Indien deze oplossingen nog onvoldoende zijn wordt gekeken of een maatwerkvoorziening verstrekt kan worden. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ligt de focus op de te bereiken resultaten van de ingezette voorzieningen. Indien een inwoner niet beperkt is in zijn zelfredzaamheid en mogelijkheden tot participatie, is ondersteuning niet nodig (Wet- en regelgeving: Wmo artikel 1.1.1, artikel 1.2.1, artikel 2.3.2 lid 4 sub b, artikel 2. 3.5 lid 3 en 4).

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Geen nadere regel

Hoofdstuk 2 Toegangsprocedure

Artikel 2. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning

  • 1. De wetgever heeft in de Wmo 2015 een uitvoerige beschrijving van een zorgvuldige toegangsprocedure opgenomen. Het recht op compensatie is vervangen door het recht op een zorgvuldige toegangsprocedure. In bijlage 2 is de procedure schematisch weergegeven.

Artikel 3. Onderzoek

3.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen

  • 1.

    Het college acht een voorziening algemeen gebruikelijk als deze naar algemeen aanvaa_rde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten.

  • 2.

    De toetsingscriteria hiervoor zijn dat de voorziening:

    • a.

      niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

    • b.

      daadwerkelijk beschikbaar is;

    • c.

      een passende bijdrage levert aan het zorgen voor een situatie waarin de inwoner zelfredzaam kan zijn of kan participeren, en;

    • d.

      met een inkomen op minimumniveau financieel kan worden gedragen.

  • 3.

    Het college ziet een aantal voorzieningen in beginsel als algemeen gebruikelijk dan wel aan te schaffen op eigen kracht, zodat hiervoor geen maatwerkvoorziening voor wordt verstrekt. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn:

    • a.

      hendelmeng-/thermostaatkranen;

    • b.

      eenvoudig verkrijgbare badkamer aanpassingen zoals losse toiletverhogers, verhoogde toiletpotten, toiletstoelen, wandbeugels, pakpalen, douchekrukken en douchestoelen;

    • c.

      zonwering, al dan niet elektrisch;

    • d.

      airconditioning;

    • e.

      gebruikskosten van een personenauto;

    • f.

      automatische transmissie (automaat)/airconditioning/stuurbekrachtigingin de auto;

    • g.

      inductie- of keramische kookplaat;

    • h.

      afwasmachine;

    • i.

      fiets met lage instap; een snor-/bromfiets, brommobiel, een basis rollator, twee- en driewielscooter, inclusief gebruikskosten;

    • j.

      wasmachine;

    • k.

      wasdroger;

    • l.

      centrale verwarming en thermostatische radiatorkranen;

    • m.

      drempelvoorzieningen tot 10 cm;

    • n.

      regenkleding/schoot kleed;

    • o.

      aanpassingen ter vergroting van de veiligheid zoals bijzondere sloten;

    • p.

      (extra) energiekosten;

    • q.

      Verhoger voor wasmachine, meubelverhogers of 'olifantspoten' (om makkelijk uit de stoel te komen) en een pakpaal;

    • r.

      Halogeenverlichting voor slechtzienden;

    • s.

      Mobiele telefoon, computer of tablet.

  • 4.

    Specifieke hulpmiddelen:

    De Klantmanager Wmo kan de inwoner hierover advies geven en verwijzen naar een ergotherapeut.

  • 5.

    Trends en maatschappelijke ontwikkelingen zijn van invloed op de invulling van wat algemeen gebruikelijk is. Mettertijd kan een voorziening die voorheen niet 'algemeen gebruikelijk' was, dat nu wel zijn. Het aanbod en de prijzen van voorzieningen in gewone winkels speelt hierbij een rol, maar ook uitspraken van rechters. Voorbeelden hiervan zijn een (elektrische) fiets, een rollator, een verhoogd toilet etc.

  • 6.

    Indien een algemeen gebruikelijke voorziening met extra-aanpassingen een adequate oplossing biedt voor een probleem, komen alleen de betreffende aanpassingen in aanmerking voor een Wmo-verstrekking.

  • 7.

    Slechtst bij uitzonderingen kan de gemeente besluiten om toch over te gaan tot het verstrekken van een algemeen gebruikelijke voorziening. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft als mogelijke uitzonderingssituatie benoemd:

    • als door de beperkingen plotselinge zaken vervangen moeten worden, die voorheen adequaat waren en die zonder de beperkingen niet vervangen zouden zijn;

    • als er door de beperkingen een plotselinge noodzaak is om tot vervanging over te gaan;

    • als er door de beperkingen een noodzaak is om tot aanschaf van een duurdere voorziening over te gaan.

3.2. Mantelzorg betrekken bij het onderzoek

  • 1.

    Het college betrekt bij het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de inwoner waar nodig de mantelzorger van de inwoner.

Artikel 4. Ondersteuningsbehoefte

Geen nadere regel

Artikel 5. Aanvraag

5.1Voorziening in de vorm van een pgb

  • 1.

    Een inwoner die een maatwerkvoorziening als dienst in pgb vorm wil ontvangen, levert na afronding van het onderzoek een volledig ingevuld en ondertekend budgetplan in.

  • 2.

    Als de inwoner een maatwerkvoorziening als zaak in de vorm van een pgb wenst aan te schaffen, kan het college daarvoor een pakket van eisen kenbaar maken, waaraan de voorziening moet voldoen.

  • 3.

    Het college verschaft een vastgesteld format voor het invullen van een budgetplan.

  • 4.

    Als een inwoner niet het door het college vastgestelde format gebruikt, is het nodig dat het budgetplan voldoet aan de volgende vereisten en vermeldt:

    • a.

      de naam, adres en contactgegevens van de inwoner;

    • b.

      in geval van een vertegenwoordiger:

    • c.

      als dit een natuurlijke persoon is de naam, adres en contactgegevens;

    • d.

      als het een beroepsmatige vertegenwoordiger is, de (bedrijfs)naam, de contactpersoon, adres en contactgegevens en een uittreksel van de KvK van maximaal drie maanden oud;

    • e.

      de persoonsgegevens conform de informatie op reisdocumenten,

    • f.

      het adres van de inwoner,

    • g.

      de dagtekening;

    • h.

      de inwoner motiveert dat deze op eigen kracht of met een vertegenwoordiger voldoende in staat is om de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

    • i.

      waarom de inwoner de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen;

    • j.

      hoe naar de mening van de inwoner gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en inwonergericht is.

    • k.

      hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd;

    • l.

      op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan de participatie en zelfredzaamheid van de inwoner;

    • m.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de hulp en/of ondersteuning georganiseerd wordt;

    • n.

      de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. De doelen dienen specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden moeten zijn. Daarnaast zijn de doelen een concretisering van de doelen die zijn opgenomen in het ondersteuningsplan;

    • o.

      de ondersteuning die geboden wordt in een vertaling van de doelen in concrete acties: welke ondersteuning ontvangt de inwoner, op welke dagen en tijdstippen (passend in het dag-weekprogramma);

    • p.

      het budgetplan beschrijft hoe de ondersteuning is afgestemd met eventuele mantelzorgers en hoe het eigen netwerk van de inwoner daar waar mogelijk een actieve rol speelt in het ondersteuningsproces.

  • 5.

    Het budgetplan dient door zowel inwoner en eventueel (wettelijk) vertegenwoordiger als zorgverlener ondertekend te zijn.

  • 6.

    Indien delen van de ondersteuning worden uitgevoerd door anderen dan de zorgverlener, dan vermeldt de inwoner dan wel de vertegenwoordiger dit in het budgetplan.

Artikel 6. Verkorte procedure

  • 1.

    Het college kan in voorkomende gevallen de verkorte procedure voor het onderzoek naar de behoefte aan een maatwerkvoorziening volgen. Bij het reguliere onderzoek voert het college een uitgebreid onderzoek uit, meestal via een huisbezoek. Met een uitgebreid onderzoek op alle leefgebied en brengt het college de hulpvraag en de mogelijke oplossingen in kaart. Met het toepassen van de verkorte procedure handelt het college meldingen sneller af. Het onderzoek richt zich alleen op de in melding gevraagde ondersteuning en de daarbij horende leef- en compensatiegebieden. Het onderzoek is telefonisch. Tijdens de melding wordt bepaald of de inwoner in aanmerking komt voor de verkorte procedure. De inwoner ontvangt vervolgens verdere uitleg over de verkorte procedure.

  • 2.

    Voor de verkorte procedure komen de volgende meldingen in elk geval in aanmerking:

    • a.

      die naar het oordeel van het college eenvoudig en niet complex zijn;

    • b.

      waarbij het college voorziet dat de benodigde voorzieningen zorg in natura verstrekt kan worden; en het college de melding via telefonisch onderzoek kan behandelen en het opvragen van offertes, bankrekeningnummer en dergelijke niet aan de orde is. Uitzondering is het opvragen van het zorgplan als bedoeld in artikel 12 van de verordening;

    • c.

      de inwoner die ouder is dan 80 jaar en een indicatie voor de Regiotaxi nodig heeft en diens partner ongeacht de leeftijd van die partner.

  • 3.

    Het college kan de verkorte procedure inzetten voor het wijzigen van besluiten genomen op grond van de wet en de verordening. Dit kan als de melding gaat over een wijziging in de situatie van de inwoner, waarop de ondersteuning aangepast dient te worden.

  • 4.

    Wanneer een inwoner van buiten de gemeente Midden-Delfland naar de gemeente Midden-Delfland verhuist en in de vorige gemeente een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst ontving, kan het college gebruik maken van de verkorte procedure. Het college kan in dat geval een beschikbare voorziening verstrekken voor een periode van maximaal drie maanden. Binnen drie maanden na de verstrekking voert het college dan een regulier onderzoek uit.

    • a.

      Als een inwoner van buiten de HS gemeente verhuist naar Midden-Delfland en heeft de inwoner een maatwerkvoorziening op het gebied van Sociaal Persoonlijk Functioneren (SPF) dan verstrekt het college een indicatie in trede 4.

    • b.

      Als een inwoner van buiten de HS gemeente verhuist naar Midden-Delfland en heeft de inwoner een maatwerkvoorziening op het gebied van Ondersteuning en Regie bij huishouden (ORH) dan verstrekt het college een indicatie in trede 5.

  • 5.

    Als sprake is van een inwoner die naar de gemeente Midden-Delfland verhuist, en van buiten de gemeente Midden-Delfland komt, en die een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel had uit de gemeente die de inwoner verlaat, dan volgt het college de afspraken die genoemd staan in het Convenant meeverhuizen van individuele mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen bij een verhuizing.1

6.1Spoedeisende situaties

  • 1.

    Spoedsituaties zijn uitzonderlijke omstandigheden waarin directe inzet van ondersteuning onvermijdelijk is om ernstige gevolgen of ontwrichting te voorkomen. Spoedmeldingen worden vroegtijdig herkend en beoordeeld via een spoedtriage door het college. Als de situatie als spoedeisend wordt beoordeeld, neemt het college binnen 48 uur een besluit over de tijdelijke maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Tot spoedtriage worden in ieder geval gerekend meldingen waarbij sprake is van:

    • a.

      Ontslag uit het ziekenhuis of revalidatie, in combinatie met het ontbreken van een beschikbaar netwerk;

    • b.

      Noodzaak tot kindzorg in het kader van huishoudelijke ondersteuning, in combinatie met het ontbreken van een beschikbaar netwerk;

    • c.

      Dringende behoefte aan maaltijdvoorziening om medische of sociale redenen, in combinatie met het ontbreken van een beschikbaar netwerk.

  • 3.

    De tijdelijke voorziening wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes weken. Binnen deze periode wordt onderzocht of structurele ondersteuning nodig is. Indien nodig kan de indicatie verlengd of omgezet worden naar een reguliere maatwerkvoorziening.

  • 4.

    Naast spoedsituaties kunnen bepaalde omstandigheden aanleiding geven om een aanvraag met voorrang te behandelen. Dit betekent dat de beoordeling met prioriteit plaatsvindt, maar niet dat inzet binnen 48 uur noodzakelijk is. Voorbeelden van voorrangssituaties zijn:

    • a.

      Verhuizing vanuit een andere gemeente naar Midden-Delfland, waarbij de inwoner al ondersteuning bij het huishouden ontving;

    • b.

      Terminale aandoening of progressieve ziekte (zoals ALS) én onvoldoende ondersteuning vanuit het netwerk;

    • c.

      Ernstige vervuiling van de woning met risico voor de volksgezondheid en/of brandveiligheid of overlast voor de omgeving;

    • d.

      Overbelasting van een mantelzorger die dreigt uit te vallen.

  • 5.

    Het toekennen van een voorrangspositie betekent nadrukkelijk niet dat een aanvraag als spoedeisend wordt aangemerkt.

  • 6.

    Het afwegingskader bij beoordeling van spoed of voorrang:

    De beoordeling van spoed- en voorrangmeldingen vindt altijd plaats op basis van de individuele situatie van de inwoner. De toegang maakt per melding een afweging op basis van:

    • a.

      De ernst en urgentie van de situatie;

    • b.

      De aanwezigheid en inzetbaarheid van het sociaal netwerk;

    • c.

      De (on)mogelijkheden van de inwoner om de situatie tijdelijk zelf te overbruggen of met hulp van anderen.

Hoofdstuk 3 De te bereiken resultaten

Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college onderzoekt voor het kunnen vaststellen van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner de mate van zelfredzaamheid op verschillende leefgebieden. Het college hanteert hiervoor de resultatenmatrix van bijlage 3.

  • 2.

    Als een concrete omvang voor het vaststellen de ondersteuning nodig is, hanteert het college een normenkader voor het kunnen vaststellen van de ondersteuningsbehoefte voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding zoals de resultatenmatrix van bijlage 3.

  • 3.

    Voor voorzieningen voor zintuiglijk beperkte inwoners heeft het college een aantal landelijke zorgaanbieders, zoals Kalorama en Bartimeus geselecteerd. Deze brengen de ondersteuningsbehoefte in kaart en bieden begeleiding. Het college geeft hiervoor de beschikking af en verstrekt de voorziening.

  • 4.

    Bouwkundige woningaanpassingen worden in eigendom aan de woningeigenaar verstrekt. De woningeigenaar is zelf verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie en het eventueel verwijderen van deze voorzieningen.

  • 5.

    Voorzieningen met een nieuwwaarde van minder dan€ 500,- worden in eigendom verstrekt.

  • 6.

    In geen geval mag een inwoner wijzigingen aanbrengen in een voorziening in bruikleen, zonder toestemming van de gemeente. Indien de inwoner dit toch doet, kan de gemeente overgaan tot het innemen van de voorziening.

7.1Huiselijk geweld en kindermishandeling

De toegang tot voorzieningen op grond van voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld en kindermishandeling gebeurt via de door de regiogemeenten Haaglanden vastgestelde regiovisie 'Aanpak huiselijk geweld Haaglanden 2026 en verder2'.

7.2Maatschappelijke opvang en beschermd wonen

  • 1.

    De toegang tot dag-, nacht- en 24-uurs opvang gebeurt volgens de Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft houdende regels omtrent landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang (Beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang regio DWO). voor zover het college besloten heeft dat dit via de Centrumgemeente Delft verloopt. Volgens Mandaatbesluit Beschermd Wonen/ Beschermd Thuis en Maatschappelijke Opvang, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

  • 2.

    De toegang ten behoeve van Beschermd Wonen gebeurt voor zover het college besloten heeft dat dit via de Centrumgemeente Delft verloopt, conform de Beleidsregel Beschermd wonen, Beschermd thuis (centrum)gemeente Delft3. Mandaatbesluit Beschermd Wonen/ Beschermd Thuis en Maatschappelijke Opvang, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

  • 3.

    Inwoners met behoefte aan maatschappelijke opvang of beschermd wonen kunnen zich melden bij Delft Support van de gemeente Delft, telefonisch bereikbaar via 14015.

7.3Doelgroepenhuisvesting

Bij een woonvoorziening die is bedoeld voor een specifieke doelgroep verstrekt het college geen voorziening als deze voorziening hoort bij de doelgroep of vooraf te verwachten was.

Artikel 7a. Gebruikelijke hulp

Geen nadere regel

Artikel 7b. Primaat van verhuizen

  • 1. Het primaat van verhuizen zoals bedoeld in artikel 7b van de verordening wordt in principe opgelegd wanneer de totale kosten voor het aanpassen van de woning€ 15.000,00 of meer bedragen.

  • 2. Indien een verhuizing de goedkoopst adequate voorziening is, maar de inwoner ervoor kiest niet te verhuizen, dan kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor een woonvoorziening, al dan niet van bouwkundige of woontechnische aard. De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt maximaal de hoogte van de verhuiskostenvergoeding van€ 2.500,-.

  • 3. Het college verleent een tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een liftinstallatie indien die verstrekking heeft plaatsgevonden in het kader van de Wmo 2015. De hoogte van de tegemoetkoming is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten.

Artikel 7c. Vervoersvoorzieningen

  • 1. Om beperkingen in het vervoer inzichtelijk te maken onderscheidt de gemeente drie soorten afstanden:

    • a.

      lokaal verplaatsen over korte afstanden; loop- en fietsafstand in de directe omgeving van de woning;

    • b.

      regionaal vervoer; de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, brommer, auto of openbaar vervoer (OV) aflegt binnen de regio;

    • c.

      de lange afstanden; naar bestemmingen buiten de regio.

  • 2. Bovenregionale vervoersbehoefte hoeft het college niet te compenseren op grond van de wet.

  • 3. Het college verstrekt geen vergoeding voor vervoer door personen uit het informele netwerk tenzij dit in een individueel geval onevenredig is. In die gevallen compenseert het college op de goedkoopst mogelijke manier. Bij gebruik van de Wmo-vervoerspas betaalt een inwoner een eigen bijdrage. Door geen vervoerspas te gebruiken, spaart de inwoner deze kosten uit. De inwoner kan deze inzetten voor een tegemoetkoming van de reiskosten bij vervoer door een persoon uit het informele netwerk.

  • 4. Het college kan andere vervoersmiddelen verstrekken als maatwerkvoorziening:

    • a.

      aangepaste fietsen. Dit zijn fietsen zoals de driewielfiets en duofiets die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking;

    • b.

      scootmobiel. Dit is een elektrisch voortgedreven voertuig dat bedoeld is voor vervoer op de korte en middellange afstanden. Het college betrekt bij de afweging tot het verstrekken van een scootmobiel als maatwerkvoorziening de mogelijkheden op het gebied van stalling, laden en veiligheid;

    • c.

      gesloten buitenwagen, zijnde een overdekt voertuig dat niet harder dan 45 km per uur rijdt en waarvoor aparte (verkeers)regels gelden. Het college verstrekt een gesloten buitenwagen alleen als maatwerkvoorziening als deze medisch geïndiceerd is en er geen voordeligere adequate oplossing is voor de problemen bij de zelfredzaamheid en participatie.

    • d.

      auto-aanpassingen: als een inwoner geen gebruik kan maken van collectief vervoer kan het college, indien dit medisch geïndiceerd is, een voorziening verstrekken voor een niet gebruikelijke auto-aanpassing. Hiervoor geldt:

      • -

        Het college ziet stuurbekrachtiging, cruisecontrol of automaat als gebruikelijke auto aanpassing.

      • -

        Een benodigde aanpassing heeft een minimale levensduur van 7 jaar (uiteraard rekening houdend met de persoonskenmerken van de aanvrager op dat moment). Het college vraagt de inwoner aan te tonen dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog minimaal 7 jaar mee kan).

  • 5. De zorgaanbieder van dagbesteding is verantwoordelijk voor het uitvoeren van eventueel benodigd vervoer van en naar de dagbesteding. Inwoners mogen in dat geval niet de regiotaxi inzetten.

Artikel 7d. Voorwaarden en weigeringsgronden

Geen nadere regel

Artikel 8. Advisering

Geen nadere regel

Artikel 9. Maatwerkvoorzieningen

9.1Type woonvoorzieningen en voorwaarden

  • 1.

    Het college onderscheidt de volgende vormen van woonvoorzieningen:

    • a.

      losse of roerende woonvoorzieningen;

    • b.

      bouwkundige woonvoorziening en niet-verplaatsbare voorzieningen;

    • c.

      woningsanering, als sprake is van beperkingen als gevolg van COPD, astma of allergie;

    • d.

      eenmalig pgb voor verhuiskosten bij een verhuizing vanwege beperkingen en belemmeringen conform het bedrag in artikel 7b lid 2 van deze nadere regels.

  • 2.

    Het college vergoedt de jaarlijkse kosten voor het onderhoud van een woonvoorziening zolang de voorziening nog niet is afgeschreven.

  • 3.

    Bij het bepalen of al dan niet een bouwkundige woonvoorziening nodig is, houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.

  • 4.

    Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt er rekening gehouden met de afschrijving van de te vervangen materialen op de volgende wijze:

    Voorziening

    Afschrijvingstermijn

    Percentage afschrijving p/j

    Badkamer

    25jaar

    4%

    Keuken

    15 jaar

    6,5%

    Woningsanering

    7jaar

    14%

9.2Traplift

  • 1.

    In geval van een traplift verstrekt het college de goedkoopste, functionele voorziening. Hierbij wordt rekening gehouden met het gebruik van de trap voor de met de inwoner samenlevende huisgenoten zonder beperking. Als het voor het optimaal lopend op- en afgaan van de trap nodig is dat de traplift aan de spilzijde wordt bevestigd, is dat mogelijk.

  • 2.

    Het college verstrekt een traplift in bruikleen (bij natura levering). Het aanbrengen van hekwerk voor veiligheidsredenen om een traplift te kunnen plaatsen is onderdeel van het verstrekken van een traplift. Het college verstrekt het hekwerk altijd in eigendom aan de woningeigenaar.

  • 3.

    Indien de trap voorafgaand het plaatsen van de traplift niet voldeed aan de eisen van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL), draagt de inwoner/eigenaar van de woning er zorg voor dat de trap alsnog aan deze eisen voldoet. Als de trap niet aan het BBL voldoet, is het college niet gehouden om de traplift te verstrekken.

9.3Normenkader schoon en leefbaar huis

Voor het resultaatgebied 5 - Ondersteuning en regie bij het huishouden gaat het college voor een schoon en leefbaar huis uit van het HHM Normenkader zoals opgenomen in bijlage 8 bij deze nadere regels.

9.4Normaal gebruik van de woning

  • 1.

    Onder normaal gebruik van een woning verstaat het college het gebruik van de woning voor de elementaire woonfuncties: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het klaarmaken en eten van voedsel en het zich verplaatsen in de woning, en in geval van kinderen: het veilig kunnen spelen in de woning.

  • 2.

    Het college ziet aanpassingen voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutische baden niet als normaal gebruik van de woning en verleent hiervoor geen woonvoorziening.

9.5 Aanbouw

  • 1.

    In het geval dat vanwege een benodigde aanpassing van de woning een aanbouw nodig is en verhuizen echt niet tot de mogelijkheden behoort, dan laat het college indien mogelijk bij voorkeur een losse herbruikbare woonunit plaatsen.

  • 2.

    Het college kent in dat geval de voorziening in bruikleen toe, zodat deze voorziening (indien deze niet meer noodzakelijk is) beëindigd of, indien mogelijk, herplaatst kan worden.

  • 3.

    De kosten voor verwijdering van de voorziening en herstel van de buitengevel vergoedt het college op de goedkoopst compenserende wijze.

9.6Verwijderen woonvoorziening

De kosten voor het verwijderen van nagelvaste, niet in bruikleen verstrekte, woningaanpassingen vallen niet onder de maatwerkvoorziening en worden door het college niet vergoed, tenzij andere afspraken zijn gemaakt door het college met de woningcorporaties Midden-Delfland. Indien in verband met het verwijderen van deze voorzieningen herstelwerkzaamheden noodzakelijk zijn, worden uitsluitend de kosten van de goedkoopst adequate oplossing in aanmerking genomen.

9.7Woningsanering

  • 1.

    Wanneer een inwoner aantoonbare beperkingen heeft ten gevolge van bijvoorbeeld COPD, astma of allergie (zolang de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning), waardoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is, kan het college hiervoor een financiële tegemoetkoming in de kosten verstrekken.

  • 2.

    Het college vraagt extern advies met betrekking tot de aanvraag om woningsanering.

  • 3.

    Als de beperkingen en belemmeringen het gevolg zijn van een allergie die voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning, dan komt de inwoner niet in aanmerking voor een woningsanering.

  • 4.

    Het college kent in beginsel alleen een voorziening toe voor het saneren van de woon- en slaapkamer.

  • 5.

    Woningsanering in de Wmo heeft betrekking op overgordijnen in de woonkamer, overgordijnen in de slaapkamer, vitrage woon- en slaapkamer, vloerbedekking woonkamer, vloerbedekking slaapkamer. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen gordijnen, vitrage en vloerbedekking op de volgende wijze:

    • leeftijd tot 2 jaar: vergoeding van 100% van het normbedrag

    • leeftijd tot 4 jaar: vergoeding van 75% van het normbedrag

    • leeftijd tot 6 jaar: vergoeding van 50% van het normbedrag

    • leeftijd tot 8 jaar: vergoeding van 25% van het normbedrag

    • leeftijd ouder dan 8 jaar: geen vergoeding i.v.m. economische afschrijving.

  • 6.

    Het college stelt de hoogte van de voorziening mede vast aan de hand van de bedragen die het NIBUD hanteert voor vloerbedekking, vinyl en jaloezieën.

9.8Rolstoel

  • 1.

    Het college verstrekt voor het zichzelf kunnen verplaatsen een rolstoelvoorziening, zijnde een:

    • a.

      handmatig voortbewogen rolstoel;

    • b.

      elektrisch voortbewogen rolstoel;

    • c.

      aanpassingen aan de rolstoel;

  • 2.

    Het college verstrekt aanpassingen aan rolstoelen die standaard op een rolstoel aanwezig zijn (zoals comfort beensteunen of een werkblad), en die noodzakelijk zijn voor de inwoner. Het college acht accessoires zoals een boodschappenmand en een extra spiegel als niet noodzakelijk.

  • 3.

    Voor rolstoelen voor kortdurend gebruik gaat het college uit van de uitleenservice van de zorgverzekeraar als voorliggende voorziening.

9.9Sportvoorzieningen

  • 1.

    Indien de maatwerkvoorzieningbestaat uit een individuele sportvoorziening, bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming in de meerkosten maximaal€ 3.000,- waarin begrepen de kosten voor de aanschaf, het onderhoud, en reparatie.

  • 2.

    Indien de kosten van een sportvoorziening lager zijn dan€ 300,- wordt dit door het college als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Dit betekent dat van inwoners wordt verwacht dat zij dit zelf aanschaffen.

  • 3.

    De inwoner moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening.

  • 4.

    Het college gaat uit van een levensduur van een sportvoorziening van minimaal drie jaar. Voor sportvoorzieningen stelt het college minimaal voor drie jaar 5% van de nieuwwaarde of kostprijs van de voorziening beschikbaar voor reparatie en onderhoudskosten.

  • 5.

    Het college verstrekt geen voorziening voor het feitelijk kunnen bezoeken van of deelnemen aan activiteiten· zoals entreegelden of lidmaatschapsbijdragen.

9.10 Mantelzorg

  • 1.

    In beginsel valt mantelzorg onder het zelf oplossen van een probleem en staat daar in principe geen betaling tegenover. Betaling is evenmin een instrument om overbelasting van de mantelzorger tegen te gaan. Daarvoor lenen zich andere maatwerkvoorzieningen zoals respijtzorg, groepsbegeleiding of kortdurend verblijf.

  • 2.

    Indien de zorg geleverd wordt door een mantelzorger, dan is er sprake van informele zorg. 'Informele zorg' is de term voor de ondersteuning die mantelzorgers en vrijwilligers - onbetaald -verlenen naast de betaalde, professionele ofwel formele zorg.

  • 3.

    Formele zorg die naasten verlenen, kan uit een Pgb worden vergoed met een daarvoor vastgesteld informeel tarief. Deze zorg is gebonden aan bestaande wet- en regelgeving. Zo moeten zorgverleners een Zorgovereenkomst afsluiten in samenspraak met de budgethouder. Zie website SVB/Zorgovereenkomst met partner of familielid.

  • 4.

    De gemeente maakt onderscheid tussen ondersteuning die wordt geleverd door professionele hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen. In de hoogte van de tarieven wordt een onderscheid gemaakt in:

    • Een aantoonbaar gediplomeerd verzorger, waaronder zzp-ers;

    • Het sociale netwerk, werkstudenten, zzp-ers zonder diploma's en dergelijke.

  • 5.

    De Klantmanager Wmo kan betaling van de mantelzorger in overweging nemen als er geen bereikbare en doelmatige oplossing in natura beschikbaar is, en als blijkt dat dit voor de inwoner de beste optie is. Bijvoorbeeld bij 24-uurszorg, of als betaling van de mantelzorger de enige manier is om opname in een intramurale instelling te voorkomen. Dan is er geen sprake meer van mantelzorg maar van zorgverlening vanuit het sociale netwerk. Zie bijlage 4.

  • 6.

    Ook zal de betaling van personen in het sociale netwerk in elk geval beperkt moeten blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt. De inwoner motiveert zijn keuze voor de betaling van een mantelzorger in het Pgb plan.

9.11 Respijtzorg

  • 1.

    Respijtzorg biedt mantelzorgers de mogelijkheid hun zorgtaken voor een korte periode helemaal aan een ander over te laten. Beroepskrachten kunnen respijtzorg leveren in de vorm van dagopvang, logeerhuizen, zorgboerderijen of professionele respijtzorg bij de inwoner thuis. De vrijwillige thuiszorg kan mogelijk vrijwilligers leveren. De Zorgverzekeringswet kan mogelijk voorliggend zijn.

  • 2.

    De Klantmanager Wmo vraagt of de mantelzorger deelneemt aan het gesprek met de inwoner, zodat ook de belangen van de mantelzorger meegenomen worden in de beoordeling. Ter ontlasting van de mantelzorger en om overbelasting te voorkomen, kan de Klantmanager Wmo ondersteuning aanbieden in de vorm van Respijtzorg.

  • 3.

    De Klantmanager Wmo onderzoekt of er sprake is van overbelasting. Blijkt er sprake te zijn van (dreigende) overbelasting dan wordt beoordeeld in welke omvang ondersteuning nodig zou zijn ware er geen mantelzorger. De omvang van de ondersteuning wordt afgestemd op de zorgbehoefte van de inwoner. Respijtzorg, zoals hier bedoeld, wordt ingezet voor een maximale periode van 6 weken/jaar, maximaal 42 etmalen. Ook een indicatie voor 'kortdurend verblijf' kan de mantelzorger ontlasten.

Een laagdrempelige vorm van respijtzorg is verblijf in Strandgoed Ter Heijde. Zie bijlage 5 voor de aanmeldprocedure.

Artikel 10. Algemene voorzieningen

Geen nadere regel

Hoofdstuk 4 Besluitvorming

Artikel 11 Inhoud beschikking

Geen nadere regel

Artikel 12. Zorgplan

Geen nadere regel

Artikel 13. Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb)

  • 1.

    De gemeente stelt eisen aan de vaardigheden en verantwoordelijkheden die van belang zijn voor het beheren van een persoonsgebonden budget (pgb). In bijlage 6 is een schematische en toelichtende weergave die verduidelijkt wat het pgb-houderschap betekent.

  • 2.

    Het college kan een voorziening in de vorm van een pgb verstrekken voor de ondersteuner uit het sociale netwerk. Dat kan alleen als

13.1De budgethouder

  • 1.

    De budgethouder is verantwoordelijk voor:

    • a.

      het inkopen van de individuele voorziening, hulpmiddel of hulp;

    • b.

      het onderhoud, de reparaties en de verzekering van het hulpmiddel;

    • c.

      het afleggen van verantwoording aan het college over het pgb en de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening;

    • d.

      de hulpverlener is verantwoordelijk voor het doorgeven van loongegevens aan de belastingdienst.

13.2Maandloon

Bij uitbetaling van het pgb aan de zorgverlener mag de inwoner geen vaste maandlonen of maandbedragen inzetten ter bekostiging van de hulpverlening.

13.3Pgb buitenland

  • 1.

    Een inwoner kan een pgb alleen in het buitenland inzetten na voorafgaande schriftelijke toestemming van het college.

  • 2.

    De inwoner dient uiterlijk een maand voor het verblijf in het buitenland om toestemming te vragen bij het college.

  • 3.

    Indien nodig kan het college extern advies vragen over de wenselijkheid en noodzaak van het verblijf in het buitenland ten behoeve van het bevorderen van de participatie na terugkomst in Nederland.

  • 4.

    De maximale termijn waarmee in het buitenland verbleven kan worden met een pgb bedraagt 13 weken en 1 jaar in geval van palliatieve zorg.

  • 5.

    De eisen die in de wet, Verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 en in deze Nadere Regels gelden ook voor besteding van het pgb in het buitenland.

  • 6.

    Het college her-berekent bij toegestaan verblijf in het buitenland de hoogte van het pgb. Het pgb wordt berekend aan de hand van de aanvaardbaarheidspercentages zoals genoemd in bijlage D van de Regeling langdurige zorg4.

  • 7.

    De aanpassing van de hoogte van het pgb geldt voor materiële en immateriële voorzieningen. Als de inwoner niet voorafgaand aan het verblijf in het buitenland toestemming van het college heeft gevraagd en gekregen kan het college de maatwerkvoorziening beëindigen en terugvorderen.

13.4Betaalbaar stellen pgb

  • 1.

    Het college stelt een eenmalig pgb van een materiële voorziening betaalbaar na het overleggen van de definitieve factuur door de inwoner, die door het college is goedgekeurd op basis van het Pakket van Eisen.

  • 2.

    Het college betaalt het pgb uit na ontvangst van de definitieve factuur.

13.5Wisselen pgb en zorg in natura

  • 1.

    Het college kan één keer per jaar op verzoek van de inwoner de leveringsvorm van een voorziening wijzigen tussen een pgb en een verstrekking in natura (of andersom).

  • 2.

    Dit is niet mogelijk bij een verstrekking voor mate.riele ondersteuning.

Artikel 14. De hoogte van een persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het pgb-bedrag voor voorzieningen dient in beginsel toereikend en niet duurder te zijn dan de kostprijs van de vergelijkbare natura voorziening. Indien de voorziening niet kan worden geleverd door de gecontracteerde leveranciers, wordt de hoogte van het pgb-bedrag bepaald op basis van het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte.

  • 2.

    Het college hanteert in aanvulling op artikel 9.1 lid 4 van deze nadere regels in beginsel de volgende afschrijvingstermijnen:

    • -

      3 jaar bij een sportvoorziening;

    • -

      7 jaar voor losse voorzieningen (rolstoel, vervoersvoorziening, woonvoorziening) en auto aanpassingen.

    • -

      20 jaar voor een trap-, plateau- of tillift en een deuropener.

    • -

      25 jaar voor een bouwkundig woningaanpassing, met uitzondering van een aangepaste keuken.

14.1Hoogte van het pgb bij materiële voorzieningen

  • 1.

    De hoogte van een pgb voor een (elektrische)rolstoel, autoaanpassing, vervoersvoorziening of woonvoorziening is gelijk aan de goedkoopst adequate voorziening in natura. Wanneer de voorziening niet kan worden geleverd door de gecontracteerde leveranciers (en er dus geen natura prijs is), wordt de hoogte van het pgb bepaald op basis van het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte.

  • 2.

    Gedurende de afschrijvingsperiode kan de klant de onderhoud- en verzekeringskosten per jaar declareren bij de gemeente tot een maximum van de bedragen conform de contractafspraken 2022 met hulpmiddelenleverancier Meyra, zie daarvoor het contract met Meyra 2022. En voor de trapliften Otolift, zie contract Otolift.

  • 3.

    De hoogte van een pgb voor een woningaanpassingvan bouwkundige of woon- technische aard wordt vastgesteld op basis van het bedrag zoals vermeld in een door de gemeente opgestelde kostenberekening dan wel een door de gemeente geaccepteerde offerte. Bij de berekening van het totaalbedrag wordt rekening gehouden met meerkosten, zoals beschreven in bijlage 7.

  • 4.

    Het eenmalige pgb wordt uitbetaald door de gemeente, na ontvangst van de factuur. Bij dure voorzieningen kan op basis van de offerte een voorschot worden uitbetaald. Uitgaven die door de inwoner niet kunnen worden verantwoord met een betalingsbewijs, worden teruggevorderd.

14.2Hoogte van het pgb bij immateriële voorzieningen (zorg of hulp)

  • 1.

    Indien op basis van het budgetplan van de inwoner de ondersteuning niet toereikend is, dan kan er gemotiveerd worden afgeweken van de tarieven in de verordening voor het bieden van passende en toereikende ondersteuning bij een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het PGB wordt uitbetaald aan de Sociale verzekeringsbank (SVB), die het trekkingsrecht uitvoert.

14.3Tarievenlijst maatwerkvoorzieningen Wmo zorg in natura en pgb

De treden in de tabel zijn gebaseerd op de zogenaamde 'resultaatgebieden' uit de resultatenmatrix. Deze resultaatgebieden worden toegelicht in bijlage 3.

Resultaatgebieden

Indicatie

Tarieven 100% Zorg in Natura (ZIN)

PGB Formeel

Tarieven 80% (max.)

PGB Formeel ZZP PGB Informeel

Perceel 1

Sociaal Persoonlijk Functioneren trede 1

Per maand

€795,47

€636,38

Sociaal Persoonlijk Functioneren trede 2

Per maand

€618,70

€494,96

Sociaal Persoonlijk Functioneren trede 3

Per maand

€ 530,31

€424,25

Sociaal Persoonlijk Functioneren trede 4

Per maand

€ 265,16

€212,13

Sociaal Persoonlijk Functioneren Waakvlam

Per maand

€ 132,58

€ 106,06

Perceel 2

Financiën trede 1

Per maand

€530,31

€424,25

Financiën trede 2

Per maand

€ 353,54

€ 282,83

Financiën trede 3

Per maand

€ 265,16

€212,13

Financiën trede 4

Per maand

€ 176,76

€141,41

Financiën waakvlam

Per maand

€ 88,38

€ 70,70

Perceel 3

Huisvesting trede 1

Per maand

€ 530,31

€424,25

Huisvesting trede 2

Per maand

€ 353,54

€ 282,83

Huisvesting trede 3

Per maand

€265,16

€212,13

Huisvesting trede 4

Per maand

€ 176,76

€ 141,41

Huisvesting trede waakvlam

Per maand

€ 88,38

€ 70,70

Resultaatgebieden

Indicatie

Tarieven 100%

Zorg in Natura (ZIN) PGB Formeel

Tarieven 80% (max.)

PGB Formeel ZZP PGB Informeel

Perceel4

Dagbesteding trede 1

Per maand

€ 1.503,16

€ 1.202,53

Dagbesteding trede 2

Per maand

€ 1.033,41

€ 826,73

Dagbesteding trede 3

Per maand

€ 657,63

€ 526,10

Dagbesteding trede 4

Per maand

€289,35

€ 231,48

Dagbesteding trede waakvlam

Per maand

€80,91

€64,73

Perceel 5

Ondersteuning en regie bij het huishouden trede 1

Per maand

€724,75

€ 579,80

Ondersteuning en regie bij het huishouden trede 2

Per maand

€481,26

€ 385,01

Ondersteuning en regie bij het huishouden trede 3 (NIEUW)

Per maand

€401,06

€320,85

Ondersteuning en regie bij het huishouden trede 4 (NIEUW)

Per maand

€ 358, 08

€286,46

Ondersteuning en regie bij het huishouden trede 5

Per maand

€272,14

€217,71

Aanvullend product Wasverzorging

Per maand

€ 100,26

€ 80,21

Aanvullend product Kindzorg

Per minuut/ inspanning

€0,74

€0,59

Overgangsproducten ORH tot uiterlijk 31-12-2024 (alleen voor indicaties 2022 of eerder)

Ondersteuning en regie bij het huishouden trede 3 (OUD)

IWMO Code: 10503

Per maand

€469,48

€ 375,58

Ondersteuning en regie hij het huishouden trede 4 (OUD)

IWMO Code: 10504

Per maand

€ 353,87

€ 283,10

Resultaatgebieden

Indicatie

Tarieven 100%

Zorg in Natura (ZIN) PGB Formeel

Tarieven 80% (max.)

PGB Formeel ZZP PGB Informeel

Perceel 6

Gezondheid trede 1

Per maand

€ 530,31

€424,25

Gezondheid trede 2

Per maand

€ 441,92

€353,54

Gezondheid trede 3

Per maand

€ 353,54

€282,83

Gezondheid trede 4

Per maand

€ 176,76

€141,41

Gezondheid waakvlam

Per maand

€ 88,38

€70,70

Specifieke maatwerkvoorzieningen Wmo

Kortdurend verblijf, incl.:

Begeleiding, bescherming, alarmering, servicekosten en kosten van maaltijden

Per periode/ etmaal

€ 230,88

€ 184,70

Ontmoetingscentrum

IWMO Code: 10940

Per dagdeel

€64,97

€ 51,980

Ontmoetingscentrum wendagen

IWMO Code: 10940

Per dagdeel

€64,97

€ 51,98

Maaltijdvoorziening

Per week

€ 21,46

€17,17

Niet acute zorg buiten kantoortijden

Per periode/ per maand

€ 156,96

€ 125,57

Vervoer zonder rolstoel (retourrit)

Per dag (2x)

€ 19,39

€15,51

Vervoer met rolstoel (retourrit)

Per dag (2x)

€ 31,44

€ 25,15

Toeleiding naar passende dagbesteding (I.p.v. trede 4 bij geen locatie)

Per maand

€ 289,35

€ 231,48

14.4Tarief algemene voorziening was- en strijkservice

Dit tarief staat opgenomen in artikel 16 lid 10 van de Verordening. Deze algemene voorziening wordt alleen ingezet indien dit voor de inwoner een passende en toereikende oplossing biedt.

14.5Vervoersvoorziening

Indien de maatwerkvoorziening bestaat uit het reizen met het collectief vervoer (Regio Taxi pas), betaalt de inwoner voor een rit een tarief dat bestaat uit een opstaptarief en een bedrag per gereden km.

Regiotaxi met Wmo-vervoerspas

€1,16 (opstaptarief) en€ 0,201 per gereden kilometer

Regiotaxi zonder Wmo-vervoerspas (als OV-reiziger)

€ 2,65 (opstaptarief) en€ 0,903 per gereden kilometer

Artikel 15. Kwaliteitseisen pgb

  • 1. Het pgb dient ingezet te worden voor het bereiken van de vastgestelde resultaten. Dit betekent in ieder geval dat het budget niet gebruikt mag worden voor bemiddelingskosten of betaling van kosten van de dienstverlener die niet direct gerelateerd zijn aan zorginzet (zoals reis- en vervoerskosten, overheadkosten, kosten voor het opstellen van een zorg- en/of werkplan). Ook eventuele eigen vervoerskosten kunnen niet betaald worden vanuit het pgb.

  • 2. Een inwoner kan een bewindvoerder of wettelijk vertegenwoordiger inzetten als pgb vertegenwoordiger als:

    • a.

      de pgb-vertegenwoordiger aan dezelfde voorwaarden voldoet als de budgethouder en kan verantwoorden dat de zorg feitelijk en kwalitatief goed wordt verleend;

    • b.

      de pgb-vertegenwoordiger niet de aanbieder van zorg is, of in dienst heeft;

    • c.

      er geen sprake is van mogelijke belangenverstrengeling door de vertegenwoordiging van de inwoner;

    • d.

      de kosten van het beheer niet vanuit het pgb worden betaald.

  • 3. Als een inwoner de levering van een maatwerkvoorziening in een pgb wenst te ontvangen, en deze een vertegenwoordiger inzet voor het beheer ervan, is het nodig dat de vertegenwoordiger voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de pgb-vertegenwoordiger heeft een aantoonbare relatie met de inwoner;

    • b.

      de pgb-vertegenwoordiger voldoet aan dezelfde voorwaarden als de budgethouder en kan verantwoorden dat de zorg feitelijk en kwalitatief goed wordt verleend;

    • c.

      de pgb-vertegenwoordiger is niet de aanbieder van zorg.

Artikel 16. Eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Jaarlijks bepaalt de Minister de maximale eigen bijdrage die gemeenten kunnen vragen bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    De eigen bijdrage wordt berekend per periode van een maand.

  • 3.

    De eigen bijdrage wordt berekend en geïnd door het centraal administratiekantoor (CAK).

  • 4.

    De eigen bijdrage mag niet worden betaald uit het PGB. Zie Verordening Wmo 2026, artikel 16

  • 5.

    Bij een maatwerkvoorziening in bruikleen (natura verstrekking) berekent het college de eigen bijdrage op de prijs die de gemeente heeft betaald bij aanschaf van de voorziening, en/of de prijs die de gemeente betaalt per maand indien de voorziening in bruikleen is betrokken dan wel als er bijkomende maandelijkse servicekosten zijn.

  • 6.

    Voor het bepalen van een verplicht te betalen eigen bijdrage gaat het college, met inachtneming van hetgeen door het CAK is bepaald uit van een gezamenlijk huishouden als:

    • a.

      inwoner met partner of huisgenoot het grootste deel van de tijd samen in een woning verblijft, ook al beschikken de huisgenoten over een eigen woning. De Wet BRP is hierin leidend;

    • b.

      inwoner en partner of huisgenoot zorgen voor elkaar, financieel en/of bij de dagelijkse gang van zaken zoals het halen van de boodschappen of koken voor elkaar en bij ziekte;

    • c.

      inwoner en partner of huisgenoot hebben een gezamenlijke bankrekening of zijn fiscale partners;

    • d.

      inwonende volwassen kinderen en ouders tellen niet mee bij de vaststelling van een gezamenlijk huishouden voor het bepalen van een eventueel verplichte eigen bijdrage.

16.1 Specifieke regels voor de eigen bijdrage bij materiële voorzieningen

  • 1.

    Bij overname van een voorziening van een andere gemeente, vanwege verhuizing van de inwoner, is voor het overnamebedrag een eigen bijdrage verschuldigd. Het overnamebedrag wordt gebaseerd op de restwaarde van de voorziening.

  • 2.

    De eigen bijdrage wordt berekend over de aanschafwaarde/overnamewaarde en de onderhoudskosten. Dit geldt ook voor een voorziening verstrekt vanuit een PGB.

Hoofdstuk 5 Kwaliteit van de zorgverleners in natura

Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning in natura

  • 1. Het college hanteert ten behoeve van het toezicht op de kwaliteit als kwaliteitsstandaard het Kwaliteitsstandaard Wmo5.

  • 2. Het college laat het toezicht op de kwaliteit van de Wmo-voorzieningen en Wmo-ondersteuning van zorgaanbieders waarmee het college een contract heeft, uitvoeren door de GGD Haaglanden.

  • 3. Dit toezicht richt zich vooral op de vraag of de Wmo-voorziening voldoet aan de kwaliteitseisen. De toezichthouder past afhankelijk van de situatie verschillende vormen van toezicht toe. Dit varieert van calamiteiten- en signaalonderzoek tot preventieve bezoeken.

Artikel 18. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Geen nadere regel

Hoofdstuk 6 Herziening van de besluitvorming

Artikel 19. Wijzigingen, voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

  • 1. Indien de situatie van de inwoner wijzigt heeft deze de plicht het College hiervan zo snel mogelijk op de hoogte te stellen als hij/zij kan vermoeden dat dit invloed kan hebben op de verstrekte voorziening. Zo zal bij overlijden de voorziening stopgezet worden en dienen de erven dit zo snel mogelijk te melden.

  • 2. Een besluit, genomen op basis van de Verordening en deze nadere regels, kan in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden. In die situatie bestaat ook de mogelijkheid tot terugvordering, indien de situatie zich daartoe leent.

  • 3. Indien een besluit is ingetrokken kan eventueel tot terugvordering worden overgegaan. Voorwaarde is dat het recht op de voorziening is ingetrokken. Een voorziening in natura of een Pgb kan worden teruggevorderd.

Artikel 20. Opschorting betaling uit pgb

Geen nadere regel

Artikel 21. Onderzoek naar kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb's

Geen nadere regel

Artikel 22. Rechtmatigheid en doelmatigheid

Bij het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens wordt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht genomen. De privacywetgeving heeft betrekking op de hele procedure. Wanneer de gegevens niet kunnen worden verwerkt op de grondslagen anders dan toestemming, zal waar nodig en gepast om toestemming in de zin van de AVG worden gevraagd.

Hoofdstuk 7 Overige bepalingen

Artikel 23. Blijk van waardering mantelzorgers

Geen nadere regel

Artikel 23a. Tegemoetkoming meerkosten

  • 1. Binnen de Wmo is een tegemoetkoming in de meerkosten als maatwerkvoorziening in de vorm van een eenmalig pgb mogelijk. Voor deze voorziening geeft de gemeente een beschikking af. Dit heeft onder andere als doel om administratieve handelingen te beperken.

  • 2. Indien de maatwerkvoorzienig bestaat uit het gebruik van een taxi of auto voor het lokale vervoer, dan kan een eenmalig pgb in de meerkosten worden verstrekt. De hoogte van deze dit eenmalig pgb bedraagt op jaarbasis:€ 1.602,- per volledig jaar voor het gebruik van een taxi, rolstoeltaxi of (eigen)auto;

  • 3. Indien de maatwerkvoorziening bestaat uit een eenmalig pgb voor verhuizing en herinrichting, kan een vergoeding worden verstrekt van maximaal€ 2.500,-.

  • 4. Het college kan in geval van huurbeëindiging van een aangepaste woning een eenmalig pgb toekennen aan de woningeigenaar in verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal vijf maanden, gerekend vanaf de tweede maand van huurderving.

    • Deze periode van vijf maanden kan met ten hoogste drie maanden worden verlengd indien vaststaat dat binnen deze periode een belanghebbende voor de woning in aanmerking komt.

    • Het eenmalige pgb is gelijk aan de kale huur van de woonruimte, zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, en is ten hoogste de maximumhuurgrens van de Wet op de huurtoeslag.

  • 6. lndien een woning ten gevolge van het realiseren van een woningaanpassing voor een nieuwe bewoner leeg staat, kan het college een eenmalig pgb verlenen aan de eigenaar van de woonruimte voor de duur van maximaal vijf maanden, gerekend vanaf de tweede maand van huurderving.

    • Het eenmalig pgb is gelijk aan de kale huur van de woonruimte, zoals bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, en is ten hoogste de maximumhuurgrens van de Wet op de huurtoeslag.

Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

Geen nadere regel

Artikel 25. Klachtenregeling

Geen nadere regel

Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Geen nadere regel

Artikel 27. Inwonerparticipatie

Geen nadere regel

Artikel 28. Evaluatie

  • 1. Het college benoemt als dat nodig is in de beschikking de momenten waarop evaluatie plaatsvindt.

  • 2. Het college kan ook steekproefsgewijs de situatie op grond van de Wmo geboden ondersteuning onderzoeken op geschiktheid.

Artikel 29. Hardheidsclausule

  • 1.

    Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Wel dient gemotiveerd te worden waarom in een specifiek geval toepassing van het beleid leidt tot gevolgen voor een inwoner die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de nadere regels te dienen doelen.

Artikel 30. Nadere regels

Geen nadere regel

Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1. Dit besluit wordt aangehaald als "Nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026”.

  • 2. Deze Nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 treden in werking na publicatie.

  • 3. Met vaststelling van deze nadere regels worden de Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Midden-Delfland 2022 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2026 ingetrokken bij inwerkingtreding van de Nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 april 2026

M.A.I. Born

Gemeentesecretaris

F.I. Noordermeer – van Slageren

burgemeester

Bijlage 1 Lijst met afkortingen

ADL

Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen

AVG

Algemene Verordening Gegevensbescherming

Awb

Algemene wet bestuursrecht

BRP

Basisregistratie Personen

GAK

Centraal Administratie Kantoor

CIZ

Centraal Indicatiestelling Zorg

Ov

Openbaar Vervoer

Pgb

Persoonsgebonden budget

PvE

Programma van Eisen

SVB

Sociale Verzekeringsbank

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

Wlz

Wet langdurige zorg

Wmo

Wet maatschappelijke ondersteuning

ZIN

Zorg in Natura

Zvw

Zorgverzekeringswet

ZRM

Zelfredzaamheidmatrix

ZZP

Zorg Zwaarte Pakket

Zzp-er

zelfstandige zonder personeel

Bijlage 2 Schema proces toewijzing Wmo Ondersteuning

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 3 Resultatenmatrix

Resultaat-gebied

Trede 1

Ernstige problematiek

De situatie is onhoudbaar

Trede 2

Niet zelfredzaam

Situatie is slecht en niet toereikend

Trede 3

Beperkt zelfredzaam

Situatie is (nog) niet

stabiel

Trede4

Grotendeels zelfredzaam

Situatie is (deels) stabiel

Trede 5

Volledig zelfredzaam (m.u.v.

Ondersteunin gen regie bij

huishouden)

Sociaal en persoonlijk functio-neren

Cliënt is niet vaardig om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdaginge nom te gaan, heeft weinig inzicht in zijn problematiek en accepteert niet of moeilijk ondersteuning.

Er is geensprake van structuur in het dagelijks leven.

Erkan sprake zijn van huiselijk geweld, (kinder)mishande ling of verwaarlozing.

Cliënt is niet vaardig om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdaging en om te gaan, heeft weinig inzicht in zijn problematiek maar accepteert wel ondersteuning.

Cliënt kan niet zelfstandig structuur aanbrengen in het dagelijks leven.

Er is dreiging van een onveilige situatie, zoals huiselijk geweld of verbaal geweld.

Cliënt is niet vaardig om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdaging en om te gaan, heeft weinig inzicht in zijn problematiek maar accepteert wel ondersteuning.

Cliënt kan niet zelfstandig structuur aanbrengen in hetdagelijks leven.

Er is dreiging van een onveilige situatie, zoals huiselijk geweld of verbaal geweld.

Cliënt is niet vaardig om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdagin gen om te gaan, heeft weinig inzicht in zijn problematiek maar accepteert wel ondersteuning.

Cliënt kan niet zelfstandig structuur aanbrengen in het dagelijks leven.

Er is dreiging van een onveilige situatie, zoals huiselijk geweld of verbaal

geweld.

Cliënt is niet vaardig om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdagin gen om te gaan, heeft weinig inzicht in zijn problematiek maar accepteert wel ondersteuning.

Cliënt kan niet zelfstandig structuur aanbrengen in het dagelijks leven.

Er is dreiging van een onveilige situatie, zoals huiselijk geweld of verbaal

geweld.

Financiën

Geen inkomsten (ook niet structureel van naasten), hoge en groeiende schulden.

Onvoldoende inkomsten en/of ongepast uitgavepatroon.

Groeiende schulden.

Inkomen zou aan basisbehoeften tegemoet moeten komen, echter is er ondersteuning nodig bij een gepast uitgavepatroon.

Evt. schulden zijn aanwezig maar stabiel of kunnen met ondersteuning snel stabiel

worden.

Inkomen komt aan basisbehoefte n tegemoet.

Evt. Schulden zijn stabiel en deze verminderen.

Inkomen ruim voldoende, goed financieel beheer, mogelijkheid om te sparen.

Huisvesting

Dakloos of in nachtopvang.

Geen veilige, stabiele en/of toereikende huisvesting.

Client woont op een plaatswaar hij niet gewenst is, zijn woning niet kan betalen of uithuiszetting dreigt. En/of de woonvaardighe

den ontbreken.

Veilige en stabiele huisvesting maar slechts beperkt toereikend, in onderhuur en/of geen autonome huisvesting. En of woonvaardighe den zijn (nog) niet voldoende

ontwikkeld.

Veilige en toereikende huisvestiging, huurcontract met bepalingen, gedeeltelijke autonome huisvesting.

Veilige en toereikende huisvestiging, regulier (huur)contract en autonome huisvesting.

Daginvulling

Het vrijwel dagelijks bieden van een passende daginvulling.

Het vrijwel dagelijks bieden van een passende daginvulling.

Het vrijwel dagelijks bieden van een passende daginvulling.

Hetwekelijks bieden van een passende daginvulling.

In staat om zelfstandig te komen tot een deels zinvolle en passende

daginvulling.

Client heeft een passende daginvulling.

Ondersteun ingen regie bij het huishouden

Client heefteen passende daginvulling.

Client heefteen passende daginvulling.

Cliënt is in staat om regie te voeren over het huishouden. Voor het verrichten van de huishoudelijke taken en de wasverzorging en/of andere extra's is ondersteuning nodig.

Betreft overname van het volledige huis en overnamewas en/of andere extra's.

Cliënt is in staat om regie te voeren over het huishouden. Voor het verrichten van de huishoudelijke taken (zwaar en licht) is ondersteuning nodig.

Hetbetreft overname van het volledige huis, met

uitzondering van de was en/of andere extra's.

Client is in staat om regie tevoeren over het huishouden. Voor het verrichten van zwaar huishoudelijk werk is hulp nodig.

Betreft overname van de zwaar huishoudelijke taken waarbij cliënt (of

netwerk) zelf de licht huishoudelijke taken (en was of andere extra's

uitvoert.

Gezondheid

Er is sprake van gevaar voor eigen gezondheid en/of dat van anderen ten gevolge van lichamelijke, verstandelijke en/of mentale complexe problematiek (waaronder verslavingen).

Er is sprake van ernstige belemmeringen in de zelfredzaamhei d ten gevolge van lichamelijke, verstandelijke en/of mentale complexe problematiek (waaronder verslaving).

Cliënt komt zonder ondersteuning geen afspraken met professionals in de gezondheidszor

gna.

Cliënt ervaart belemmeringen in de zelfredzaam hei d ten gevolge van lichamelijke, verstandelijke en/of mentale complexe problematiek (waaronder verslaving).

Er is een stimulans en begeleiding nodig bij (basale) zelfzorg (inclusief eten), ofbehandeling.

Er is sprake van een belemmering in het lichamelijk, verstandelijk of mentale functioneren (waaronder verslavingen).

Cliënt heeft enige ondersteuning nodig bij het voeren van regie in het licht van deze belemmeringe n.

Cliënt is in staat om zich zelfstandig aan te passen en een eigen regie te voeren in het licht van fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven.

Bijlage 4 Keuzehulp Pgb voor informele zorgverleners

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 5 Strandgoed Ter Heijde

Aanmelding

  • 1.

    Potentiële cliënt en/of verwijzer neemt contact op met Strandgoed (via mail, telefoon, website) voor aanmelding.

  • 2.

    Bij de aanmelding vraagt de coördinator aan de potentiële cliënt of de cliënt nog andere Wmo voorzieningen heeft.

Intake

  • 3.

    Er vindt een intake plaats door de coördinator van het Strandgoed op basis van een intakeformulier dat goedgekeurd is door de H4 gemeenten en DSW.

  • 4.

    Het ingevulde intakeformulier wordt binnen 24 uur na het gesprek naar de Klantmanager Wmo gestuurd.

  • 5.

    Indien er spoed is, neemt de coördinator contact op met de Klantmanager Wmo.

  • 6.

    Indien er vragen zijn, zal de Klantmanager Wmo (telefonisch) contact opnemen met de coördinator van het Strandgoed.

  • 7.

    Binnen 5 dagen na ontvangst van het intakeformulier zal de Klantmanager Wmo een beschikking afgeven op basis van de gegevens uit het intakeformulier. Het Strandgoed wordt hiervan gelijktijdig per mail geïnformeerd (mail wordt gestuurd naar: strandgoed@pietervanforeest.nl

  • 8.

    Bij spoed worden er nadere afspraken gemaakt.

Verblijf

  • 9.

    De cliënt neemt zijn/haar intrek in het Strandgoed.

  • 10.

    Als blijkt dat de cliënt langer moet blijven, geeft de coördinator van het Strandgoed dit door aan de Klantmanager Wmo, waarbij de indicatie (wanneer nodig) wordt verlengd.

Vervolg

  • 11.

    Indien nodig zal de Klantmanager Wmo, zo snel mogelijk, na thuiskomst van de cliënt een keukentafelgesprek inplannen.

Declaratie

Declaratie van het product 'Kortdurend verblijf' wordt door Strandgoed in IWmo gedaan.

Bijlage 6 10 punten Pgb-vaardigheid

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 7 Meerkosten bij een bouwkundige woningaanpassing

Bij het vaststellen van de hoogte van het financiële tegemoetkoming/persoonsgebonden budget in de kosten van een bouwkundige woningaanpassing wordt rekening gehouden met de volgende kostensoorten:

  • De aanneemsom (waarin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening;

  • De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991;

  • In gevallen dat het noodzakelijk wordt is een architect in te schakelen: het architectenhonorarium tot ten hoogste tien procent van de aanneemsom, met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1997 van de Bond van Nederlandse Architecten;

  • De kosten van het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van twee procent van de aanneemsom;

  • De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

  • De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;

  • Renteverlies in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van de voorziening;

  • De kosten van het verwerven van extra bouwrijpe grond indien noodzakelijk als niet gebouwd kan worden binnen de oorspronkelijke kavel;

  • De door burgemeester en wethouders schriftelijk goedgekeurde kostenverhogingen die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;

  • De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

  • De kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening.

Bijlage 8 HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025

1.Normen onderliggend aan toekenning

De volgende normen zijn onderliggend bij de toekenning van huishoudelijke ondersteuning: Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen toegekend voor noodzakelijke activiteiten.

Er wordt in principe niet meer geïndiceerd dan nodig is om verantwoorde huishoudelijke ondersteuning te bieden in de essentiële woonfuncties van de aanvrager en de andere inwoners (partner/kinderen).

Alleen de ruimtes die door de bewoner(s) in gebruik zijn worden schoongemaakt/gehouden. Hieronder verstaan we limitatief de volgende ruimtes:

  • o

    sanitaire ruimte(s),

  • o

    keuken,

  • o

    woonkamer,

  • o

    de door de bewoner(s) gebruikte slaapkamer(s),

  • o

    de hal/trap die leidt naar bovengenoemde ruimtes.

Periodieke werkzaamheden (zoals het aan de binnenkant wassen van ramen) in andere ruimten dan hierboven omschreven, mogen bij uitzondering geïndiceerd worden. Hier wordt rekening gehouden met een lagere schoonmaakfrequentie.

Van de cliënt wordt verwacht dat deze bijdraagt aan het efficiënt uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. Activiteiten die de cliënt niet zelf (volledig) uit kan voeren, lukken misschien wel als activiteiten op een andere manier worden uitgevoerd. Het zogenaamde 'elimineren, volgorde veranderen, simplificeren, combineren van activiteiten'.

1.2lnrichtingvan de woning

Een extreem bewerkelijke inrichting van de woning leidt in principe niet tot de toekenning van extra ondersteuning. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. De cliënt wordt geacht zelf bij te dragen aan het efficiënt kunnen uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. De inrichting van de woning is namelijk een keuze waar de cliënt invloed op kan uitoefenen.

1.3Tuinonderhoud

Tuinonderhoud wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB 22-02-2017, ECLl:NL:CRVB:2017:885). Huishoudelijke ondersteuning beperkt zich tot de binnenzijde van de wooneenheid.

1.4Ramen wassen buitenkant

Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB, 29-03-2017, ECLl:NL:CRVB:2017:1302). Voor het aan de buitenkant wassen van de ramen is een adequaat alternatief beschikbaar in de vorm van een glazenwasser. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, geeft de Centrale Raad van Beroep aan dat deze kosten ook door inwoners met een minimuminkomen gedragen kunnen worden.

1.5Huisdieren

Heeft de cliënt huisdieren dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Immers, het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee. Als uitzondering kan gelden indien de cliënt is aangewezen op een blinde geleide hond of een zogeheten hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw of aan de jeugdige op grond van de Jeugdwet. De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 nog bevestigd dat beleid dat inhoudt dat de aanwezigheid van gewone huisdieren (niet zijnde hulphonden) geen aanleiding is voor het toekennen van aanvullende uren huishoudelijke ondersteuning, de rechterlijke toetsing kan doorstaan

(ECLl:NL:CRVB:2019:2585).

2.Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025

2.1.Context normenkader

In het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 wordt per onderdeel de frequentie en/of de benodigde tijd genoemd die/dat toegekend kan worden. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een richtlijn, met als doel om uniformiteit na te streven. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en als die situatie erom vraagt dan wordt van onderstaande richtlijn afgeweken. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Dit kan alleen als gemotiveerd aangegeven wordt waarom de verhoging of verlaging noodzakelijk is. Voor alles geldt dat als maatwerk vraagt om hiervan af te wijken, dit voorgaat op de richtlijn.

2.2.Gemiddeld huishouden

Het normenkader is van toepassing op een gemiddeld huishouden. Door uit te gaan van een gemiddelde situatie krijgen de normtijden een algemeen karakter en wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. In het normenkader is naast de directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de cliënt en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. Deze indirecte tijd is even noodzakelijk als de directe tijd om de beoogde resultaten te behalen. Onder een gemiddelde situatie wordt verstaan:

  • o

    een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende jeugdigen;

  • o

    wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

  • o

    er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;.

  • o

    de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

  • o

    de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

  • o

    er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

  • o

    er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

  • o

    de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

2.3.Niet-gemiddeld huishouden

Een aantal factoren kan maken dat een situatie niet gemiddeld is, maar dat een andere inzet nodig is door een andere frequentie van activiteiten of een andere tijdbesteding. Het gaat dan om de onderstaande factoren.

Kenmerken cliënt

  • o

    Mogelijkheden cliënt zelf.

    Hier wordt gekeken naar de fysieke en de psychische mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Wanneer deze zeer beperkt zijn, kan meer inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.

  • o

    Beperkingen en belemmeringen van de cliënt.

    Hier wordt gekeken naar de beperkingen en belemmeringen van de cliënt die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Naarmate een cliënt meer beperkingen en belemmering heeft, kan meer inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:

    Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).

    Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD.

  • o

    Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers.

    Hier wordt gekeken naar of er ondersteuning wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers. Afhankelijk van de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden kan minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk zijn omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.

Kenmerken huishouden

  • o

    Samenstelling van het huishouden.

    Hier wordt gekeken naar het aantal personen en leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet per se extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.

  • o

    Huisdieren

    Door de aanwezigheid van een blinde geleide hond of een zogeheten hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw of aan de jeugdige op grond van de Jeugdwet, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. In voorkomende gevallen wordt 15 minuten extra inzet per week toegekend.

Kenmerken woning

  • o

    Inrichting van de woning.

    Er kan extra inzet nodig zijn doordat er bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer staan of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarbij de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Zie hiervoor ook 11.2.5. 'Inrichting woning' over wat hierin van een cliënt verwacht wordt.

  • o

    Bewerkelijkheid van de woning.

    Er kan extra inzet nodig zijn door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.

  • o

    Omvang van de woning.

    Een grote woning kan, maar hoeft niet per se meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.

2.4.Normenkader huishoudelijke ondersteuning

afbeelding binnen de regeling

2.4.1.Schoonmaakactiviteiten

Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis

afbeelding binnen de regeling

2.4.2.Frequentie basisactiviteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis

afbeelding binnen de regeling

2.4.3.Frequentie incidentele activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis

afbeelding binnen de regeling

2.4.4.Aanvullende activiteiten

2.4.4.1.Wasverzorging

Iedere burger dient te beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding evenals schoon en gedroogd textiel (handdoeken en beddengoed). Ondersteuning bestaat uit wassen en strijken. Naast de algemene voorziening Was- en Strijkservice zijn strijkvrije kleding en een wasmachine/droger algemeen gebruikelijk/voorliggend. Mocht in uitzonderlijke situaties toch een maatwerkvoorziening nodig zijn dan betreft het strijken van kleding alleen de bovenkleding en alleen het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is..

  • Bij de beoordeling van de noodzaak voor wasverzorging, wordt beoordeeld of er een algemene was- en strijkservice beschikbaar is, of de kosten van de was- en strijkservice door de klant financieel gedragen kunnen worden en of de voorziening voor de klant adequate compensatie biedt.

  • Wordt wasverzorging geïndiceerd dan wordt verkend welk aandeel mantelzorgers en cliënt verwacht mag worden in de was- en droogcyclus (dit in verband met de praktische haalbaarheid voor wat betreft de aanwezigheid van de hulp in relatie tot de draaitijd van machines).

  • Het hebben van strijkvrije kleding is algemeen gebruikelijk/voorliggend. Mocht in uitzonderlijke situaties toch een maatwerkvoorziening nodig zijn, dan betreft het strijken van kleding alleen bovenkleding en alleen het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is.

  • Meerfactoren:

    • o

      Aantal kinderen jonger dan 16 jaar: + 30 min. per kind per week.

    • o

      Bedlegerige patiënten:+ 30 min. per week.

    • o

      Extra bewassing i.v.m. overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc.:+ 30 min. per week.

Activiteiten en frequentie

 

Activiteit

Frequenties*

Wasverzorging

afbeelding binnen de regeling

Wasgoed sorteren

1 x per week

Behandelen van vlekken

5 x per 2 weken (indien nodig)

Was in de wasmachine stoppen (incl. wasmachine aanzetten)

5 x per 2 weken

Wasmachine leeghalen

5 x per 2 weken

Sorteren naar droger of waslijn

5 x per 2 weken

Was in de droger stoppen

5 x per 2 weken

Droger leeghalen

5 x per 2 weken

Was ophangen

5 x per 2 weken

Was afhalen

5 x per 2 weken

Was opvouwen

5 x per 2 weken

Was strijken

1 x per week

Was opbergen/opruimen

5 x per 2 weken

* In een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van een frequentie van Sx per 2 weken voor de was, in een eenpersoonshuishouden is dat 2x per week.

2.4.4.2.Boodschappen

  • In beginsel wordt deze activiteit niet geïndiceerd, omdat hiervoor gebruik kan worden gemaakt van een boodschappendienst. Aan een boodschappendienst kunnen kosten verbonden zijn.

  • Er wordt geen rekening gehouden met eigen voorkeuren van de cliënt (bv. voor speciaal voedsel dat beperkt verkrijgbaar is zodat extra gereisd moet worden). Er wordt alleen rekening gehouden met extra inspanningen die geleverd moeten worden vanwege aantoonbare medische redenen.

  • Voor alle geïndiceerde zorg geldt dat algemeen (gebruikelijke) voorzieningen voor de hand liggen. We noemen het hier echter nadrukkelijker omdat de ervaring leert dat het in huis halen van boodschappen vaak voldoende gecompenseerd wordt middels algemeen gebruikelijke voorzieningen.

  • Factoren meer hulp:

  • Indien het cliëntsysteem bestaat uit meer dan 4 personen of er zijn kinderen aanwezig van jonger dan 12 jaar, dan kan er 2x per week boodschappen geïndiceerd worden.

  • Indien de afstand tot de winkels groot is, kan er 30 minuten per week extra geïndiceerd worden.

Activiteiten en frequentie

Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Tijdsbesteding (min/dag)

Boodschappen

afbeelding binnen de regeling

Het opstellen van boodschappenlijst

1 x per week

6,5 min

Boodschappen doen

1 x per week

39,4 min

Het opruimen van boodschappen

1 x per week

4,9 min

Totaal

 

50,9 min

2.4.4.3.Maaltijden

Het gaat om het klaarzetten van de broodmaaltijd(en) en het opwarmen van de warme maaltijd. Bij hoge uitzondering kan sprake zijn van het bereiden van de warme maaltijd. Het aansporen tot het nuttigen van een maaltijd valt niet onder de huishoudelijke ondersteuning, maar respectievelijk onder begeleiding (Wmo) en persoonlijke verzorging (Zorgverzekeringswet).

Komt de algemeen gebruikelijke voorziening niet tegemoet aan de eisen die aan de maaltijd worden gesteld (bv. bij een dieet dat voorgeschreven is door een arts) dan kan de warme maaltijd wel geïndiceerd worden. Als er jonge kinderen woonachtig zijn in het huishouden, kan het bereiden van de warme maaltijd geïndiceerd worden. Uit jurisprudentie (Rechtbank 's Hertogenbosch 25-10-2012, nr. AWB 12/1795) blijkt dat twee broodmaaltijden en één warme maaltijd per dag adequaat kan worden geacht.

Activiteiten en frequentie

Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Tijdsbesteding (min/dag)

Maaltijden

afbeelding binnen de regeling

Broodmaaltijden: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 maaltijd in de koelkast), afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen.

1 x per dag

20 min

Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen.

1 x per dag

20 min

2.4.4.4.Verzorging kinderen

De verzorging van gezonde kinderen die tot het gezin behoren vallen onder de verantwoordelijkheid van de ouders zelf. Zijn ouders hier niet volledig toe in staat en kunnen zij niet terugvallen op hun sociale omgeving of algemeen gebruikelijke voorzieningen, dan kan de gemeente tijdelijke (maximaal 3 maanden) ondersteuning (niet: volledige overname) bieden totdat een andere oplossing gevonden is. Het gaat om dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen in geval van ontwrichting of calamiteiten. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, een maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook problemen op het gebied van mobiliteit, zoals het begeleiden van kinderen naar school vallen eronder. Hierbij wordt altijd uitgegaan van het waar mogelijk combineren van activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bv. maaltijd bereiden, kinderen naar bed of school brengen), het aantal minuten eenmaal telt en niet per persoon.

  • Het gaat hier om verzorging van gezonde kinderen, waarbij de ouder door beperkingen de verzorging/opvang niet uit kan voeren.

  • Onder 'verzorging van de kinderen' valt ook: sfeer scheppen, spelen en opvoedingsactiviteiten.

  • Factoren voor meer hulp kunnen hier nog bovenop komen. Deze ondersteuning wordt, gedurende maximaal 3 maanden, ingezet om de ouder(s)/verzorger(s) de gelegenheid te bieden om eigen oplossingen te vinden buiten de Wmo.

  • Waar mogelijk worden activiteiten gecombineerd. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bv. kinderen in bad doen of naar bed of school brengen), dan wordt het aantal minuten eenmaal geïndiceerd en niet per persoon.

  • Opvang wordt alleen bij uitzondering geïndiceerd. Specifiek voorliggende voorzieningen zijn: zorgverlof, crèche, kinderopvang, BSO, tussenschoolse opvang, gastouder, etc.

  • Het is mogelijk om taken te combineren. Als kinderen op hetzelfde tijdstip naar bed gaan, telt dat voor 1 keer en niet per kind. De frequentie is gerelateerd aan de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind.

  • Factoren meer hulp:

    • o

      Aantal kinderen;

    • o

      Leeftijd kinderen;

    • o

      Gezondheidssituatie/functioneren kinderen/huisgenoten;

    • o

      Aanwezigheid gedragsproblematiek.

Activiteiten en frequentie

Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Tijdsbesteding (min/dag)

 

Verzorging kinderen

afbeelding binnen de regeling

Naar bed brengen

1 x per dag

10 min

Deze ondersteuning wordt, gedurende maximaal 3 maanden, ingezet om de ouder(s)/verzorger(s) de gelegenheid te bieden om eigen oplossingen te vinden buiten de Wmo.

Uit bed halen

1 x per dag

10 min

Wassen en kleden

1 x per dag

30 min

Eten en/of drinken geven

1 x per dag

20 min

Babyvoeding (flesje/potje)

1 x per dag

10 min

Naar school/crèche brengen/halen

1 x per dag

10 min

2.4.4.5.Dagelijkse organisatie huishouden (regievoering)

Dit gaat om de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden waarbij de inwoner niet (of onvoldoende) zelf de regie voert en er geen sociaal netwerk aanwezig is dat op adequate wijze regie kan voeren. Met adequaat wordt hier bedoeld dat de huishoudelijke ondersteuning voldoende aangestuurd wordt om de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. De inwoner is niet in staat om aan te geven wat er moet gebeuren door bijvoorbeeld psychische klachten, psychiatrische aandoening (waaronder psycho-geriatrisch, dementie) en/of psychosociale problematiek en/of een visuele handicap of een verstandelijke beperking. Er kan dan dagelijkse organisatie van het huishouden ingezet worden. Hierbij gaat het om de organisatie van huishoudelijke activiteiten (bepalen wat wanneer moet gebeuren) en het plannen en beheren van middelen (zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn).

Het gaat hierbij om maximaal één keer per week. Voor de administratieve werkzaamheden wordt alleen een indicatie afgegeven als dit in combinatie is met andere huishoudelijke activiteiten.

Meerfactoren:

  • Communicatieproblemen;

  • Aantal huisgenoten, vooral kinderen jonger dan 16 jaar;

  • (Psychosociale) problematiek bij meerdere gezinsleden.

Activiteiten en frequentie

Onderdeel

Activiteit

Frequentie en

Tijdsbesteding (min/week)

Dagelijkse organisatie huishouden

afbeelding binnen de regeling

Administratieve werkzaamheden

Deze activiteiten worden uitgevoerd in maximaal 30 minuten per week.

Organisatie huishoudelijke activiteiten

Plannen en beheren van middelen t.b.v. het huishouden.

2.4.4.6.Advies, instructie en voorlichting, gericht op het huishouden

Het gaat om het aanleren van activiteiten in relatie tot het huishouden. Er valt onderscheid te maken tussen tijdelijk aanleren en structureel adviseren:

Jjjdelijk aanleren van activiteiten:

Dit betreft cliënten die leerbaar zijn, bijvoorbeeld mensen met een (recente) lichamelijke beperking of mensen die de activiteiten nooit hebben aangeleerd maar deze moeten gaan uitvoeren door het wegvallen van een partner of gezinslid.

Structureel adviseren en instrueren:

Dit betreft cliënten die beperkter leerbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege psychiatrisch of cognitieve problemen als dementie, niet-aangeboren hersenletsel (NAH) of een licht verstandelijke beperking (LVB). Dit ligt op het snijvlak van HH en individuele begeleiding.

Het gaat hier om advies, instructie en voorlichting die gericht is op het huishouden, bij ontregelde huishouding in verband met bijvoorbeeld psychische stoornissen. Deze activiteit wordt alleen ingezet als iemand leerbaar wordt geacht. Wees kritisch of het om huishoudelijke ondersteuning gaat of om begeleiding.

Activiteiten en frequentie

Onderdeel

Activiteit

Frequentie en

Tijdsbesteding (min/dag)

Advies, Instructie en

Voorlichting

afbeelding binnen de regeling

Aanleren van activiteiten en samen

uitvoeren van de activiteiten gericht

op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging.

Een maatwerkvoorziening voor advies, instructie en

voorlichting kan afgegeven worden voor een periode van maximaal 6 weken met een maximale tijdsbesteding van 90 minuten per week

Aanleren van activiteiten en samen

uitvoeren van activiteiten gericht op

boodschappen en maaltijden.

2.4.5.Huishoudelijke ondersteuning wordt beëindigd/gewijzigd indien

  • De samenstelling van het huishouden wijzigt;

  • De cliënt verhuist;

  • De cliënt is overleden. Als er op het moment van overlijden een partner inwoont, dan wordt de huishoudelijke ondersteuning na 1 maand beëindigd. Indien deze partner de huishouding niet kan verzorgen, moet er binnen de 4 weken een nieuwe aanvraag worden gedaan;

  • De cliënt wordt opgenomen in het ziekenhuis. Er wordt dan geen hulp geleverd omdat de cliënt dan niet in de woning verblijft. Als er op het moment van de indicatiestelling een partner inwoont die de huishouding niet kan verzorgen moet er een nieuwe aanvraag worden gedaan (als de duur van de opname langer duurt dan 4 weken);

  • De cliënt of echtgenoot een Wlz-indicatie krijgt. Aanvullend kan voor de partner nog een Wmo indicatie worden afgegeven voor huishoudelijke ondersteuning;

  • Door een beleidswijziging.

2.4.6.Mantelzorg

Ook bij mantelzorgers kan er sprake zijn van problemen met een schoon en leefbaar huis. Dit kan voorkomen als de mantelzorger aantoonbaar niet toe komt aan een bijdrage tot een schoon en leefbaar huis van de verzorgde. Dat zou kunnen als gevolg van (dreigende) overbelasting. Om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen bestaat er de mogelijkheid om tijdelijk (maximaal 3 maanden) huishoudelijke ondersteuning in te zetten met als voorwaarde dat de mantelzorger in deze periode op zoek gaat naar een oplossing.


Noot
1

https://vng.nl/sites/default/files/2021-06/convenant_meeverhuizen_def.pdf

Noot
2

https://denhaag.raadsinformatie.nl/document/16238006/1/RIS323657+Bijlage+1+Regiovisie_Huiselijk+Geweld+Haaglanden?connection_type=16&connection_id=1096809

Noot
4

https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036014&bijlage=D&z=2025-07-01&g=2025-07-01