Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761589
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR761589/1
Beleidsregels Algemene bijstand gemeente Venlo 2026
Geldend van 09-05-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels Algemene bijstand gemeente Venlo 2026Burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;
gezien het voorstel van 21 april 2026;
gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de bepalingen in de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
overwegende, dat het college het nodig vindt kaders te maken voor de algemene bijstand;
besluiten vast te stellen:
Beleidsregels Algemene bijstand gemeente Venlo 2026
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1. Begrippen
- 1.
De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die we niet apart uitleggen, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Algemene wet bestuursrecht.
- 2.
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- a.
College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;
- b.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- c.
IOAZ: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
- d.
Jongere: iemand jonger dan 27 jaar die bijstand aanvraagt of een gezin waarvan beiden jonger zijn dan 27 jaar als bedoeld in artikel 41, vierde lid Pw;
- e.
Probleemschulden: schulden die iemand redelijkerwijs niet meer kan afbetalen. Het college beoordeelt dit;
- f.
Pw: Participatiewet;
- g.
Schuldregeling: een afspraak om schulden te regelen via de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;
- h.
Zoektermijn: de periode van vier weken (genoemd in artikel 41, vierde lid Pw) waarin jongeren zelf naar werk of scholing moeten zoeken, voordat ze bijstand kunnen aanvragen.
- a.
Artikel 2. Reikwijdte
Deze beleidsregels gaan over bijstand als bedoeld in de Pw, IOAW en IOAZ.
Hoofdstuk 2 De aanvraag
Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Sommige jongeren hoeven niet eerst vier weken te zoeken naar werk of een opleiding. Dat is geregeld in artikel 41, elfde lid Pw. Het college kan de aanvraag meteen in behandeling nemen. Dit doen we als sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:
- a.
De jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;
- b.
De jongere had in het afgelopen jaar een kinderbeschermingsmaatregel via een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4 van de Jeugdwet;
- c.
De jongere heeft probleemschulden of schulden die probleemschulden kunnen worden als de zoektermijn wordt toegepast.
Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
- 1.
De gegevens uit een eerdere bijstandsperiode worden opnieuw gebruikt als de nieuwe aanvraag binnen 12 maanden na beëindiging wordt ingediend.
- 2.
Dit geldt bij een beëindiging door het aannemen van werk, verblijf buiten de gemeente of tijdelijke uitsluiting als bedoeld in artikel 13 Pw of artikel 6 IOAW en IOAZ.
- 3.
Het college controleert of er veranderingen zijn in hoofdverblijf; gezinssituatie, inkomen en vermogen waardoor de rechtmatigheid verzekerd blijft.
- 4.
Deze werkwijze geldt ook voor aanvragen volgens artikel 15a, eerste lid IOAW.
Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
- 1.
Bijstand wordt met terugwerkende kracht verleend tot maximaal 3 maanden vóór de melding wanneer individuele omstandigheden dit noodzakelijk maken.
- 2.
Van omstandigheden die rechtvaardigen dat de bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend, kan bijvoorbeeld in een van de volgende situaties sprake zijn:
- a.
Iemand kon door omstandigheden geen aanvraag doen;
- b.
Een aanvraag voor een voorliggende voorziening is afgewezen;
- c.
Iemand had geen duidelijk beeld van de hoogte van het inkomen of vermogen, bijvoorbeeld door een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;
- d.
Iemand heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen;
- e.
Iemand heeft probleemschulden die samenhangen met het niet kunnen betalen van vaste lasten;
- f.
Na de melding is de huur van de woonruimte opgezegd, de zorgverzekering stopgezet, of gas, licht of water afgesloten.
- a.
Hoofdstuk 3 Geld en bezittingen (middelentoets)
Artikel 6. Saldo bankrekeningen bij vaststellen vermogen
- 1.
Van het totale positieve saldo van alle bankrekeningen (inclusief de bankrekeningen van de kinderen) telt bij de vermogensvaststelling een bedrag van anderhalf maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag niet mee als vermogen.
- 2.
Voor iemand die verblijft in een inrichting geldt tevens dat:
- a.
De van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag wordt opgehoogd met het bedrag voor ziektekosten (artikel 23, tweede lid Pw);
- b.
Het bedrag van de eigen bijdrage die op grond van de Wet langdurige zorg of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verschuldigd is, wordt opgeteld bij het vrij te laten bedrag zoals bedoeld in het eerste lid.
- a.
- 3.
Een negatief saldo op de bankrekeningen telt als schuld mee bij de vermogensvaststelling.
- 4.
Als door toepassing van de vrijlating een negatief bedrag ontstaat, wordt het saldo van de bankrekeningen op € 0,- vastgesteld.
Artikel 7. Waarde voertuig bij vaststellen vermogen
- 1.
Van de waarde van alle voertuigen met kenteken op naam (auto, motor, scooter, scoot/brommobiel, bromfiets, boot, caravan) samen, telt een bedrag van tweemaal de norm als bedoeld in artikel 21, onder b Pw niet mee als vermogen.
- 2.
Als het voertuig gelet op de omstandigheden van persoon en gezin noodzakelijk is (bijvoorbeeld wanneer een van de gezinsleden ernstig lichamelijk gehandicapt is), telt de volledige waarde niet mee.
Artikel 8. Reservering uitvaartkosten bij vaststellen vermogen
- 1.
Een reservering op een bankrekening of een polis voor begrafenis of crematie telt tot een bedrag van € 10.000 per persoon niet mee bij de vaststelling van het vermogen.
- 2.
Als het geld op een bankrekening staat gelden de volgende voorwaarden:
- a.
Het geld staat op een geblokkeerde rekening, en de blokkering is niet op eenvoudige wijze op te heffen;
- b.
Iemand wist op het moment van het openen van de rekening niet dat op korte termijn bijstand nodig zou zijn.
- a.
- 3.
Bij een polis voor begrafenis- of crematiekosten gelden de volgende voorwaarden:
- a.
Het geld van de polis is alleen bestemd voor de kosten van een uitvaart:
- b.
Iemand wist op het moment van het afsluiten van de polis niet dat op korte termijn bijstand nodig zou zijn.
- a.
Artikel 9. Zakgeld
- 1.
Zakgeld voor een ten laste van de uitkeringsgerechtigde komend kind telt niet mee als inkomen als:
- a.
Het bedrag niet hoger is dan € 25 per maand per kind; en
- b.
Het zakgeld wordt verstrekt door een persoon die een structurele zorg- of ouderlijke relatie met het kind heeft, zoals (maar niet beperkt tot) een ouder, stiefouder, pleegouder, grootouder, of wettelijke voogd.
- a.
- 2.
Zakgeld dat in plaats van alimentatie- en/of andere onderhoudsverplichtingen is gegeven, wordt niet vrijgelaten op grond van lid 1.
- 3.
Het ontvangen van zakgeld wordt eenmalig gemeld en wijzigingen worden doorgegeven via het wijzigingsformulier.
Artikel 10. Vrijlaten van giften
Naast de algemene jaarlijkse vrijlating van giften als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel m Pw, ziet het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
- a.
Giften die worden gegeven en besteed aan kosten waarvoor anders bijzondere bijstand of een Wmo voorziening verstrekt was;
- b.
Giften die worden gegeven en besteed aan medisch noodzakelijke kosten;
- c.
Giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voor de ingangsdatum van de bijstand;
- d.
Giften in natura, niet zijnde een bedrag die leidt tot een kostenbesparing volgens 18, achtste lid Pw, met een waarde tot maximaal het bedrag bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel m Pw.
Artikel 11. Schadevergoeding
- 1.
De schadevergoeding voor materiële schade telt niet mee als deze wordt gebruikt om de schade te herstellen. Wordt de schadevergoeding gebruikt voor iets anders, of is er meer geld dan de schade, dan telt het meerdere mee als vermogen.
- 2.
Schadevergoeding voor het verlies van inkomsten uit werk is inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft.
- 3.
Voor de vraag of een vergoeding voor immateriële schade vermogen is, maakt het college een persoonlijke afweging waar bijvoorbeeld de oorzaak van de schade, de vraag of de schade blijvend is en de leeftijd van betrokkene een rol spelen.
Artikel 12. Vrijlaten gratificaties
Een gratificatie die volgt uit de cao of arbeidsvoorwaarden telt niet mee als inkomen tot een bedrag als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel m Pw per kalenderjaar. Dit geld als:
- a.
Het een incidentele uitkering is;
- b.
Het geen structureel onderdeel is van het loon;
- c.
De gratificatie redelijk is.
Artikel 13. Inkomensvrijlating
- 1.
De inkomensvrijlating draagt bij aan de arbeidsinschakeling als iemand na één jaar niet gewerkt te hebben, werk aanvaardt.
- 2.
We passen de vrijlating toe bij iedere vorm van inkomsten uit arbeid, met uitzondering van verzwegen inkomsten.
Hoofdstuk 4 Verplichtingen
Artikel 14. Onverwijld uit eigen beweging
- 1.
Iemand moet uit zichzelf doorgeven wanneer er iets verandert dat belangrijk is voor het recht op bijstand of de kansen op werk.
- 2.
Iemand moet dit melden binnen zeven dagen nadat iemand weet of had kunnen weten dat er iets is veranderd. Voorbeelden van veranderingen zijn:
- a.
Gaan werken of stoppen met werken;
- b.
Ander inkomen;
- c.
Gezinssituatie verandert, zoals samenwonen of uit elkaar gaan;
- d.
Verhuizing;
- e.
Verandering in vermogen.
- a.
Hoofdstuk 5 Vormen van bijstand
Artikel 15. Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting
Als iemand tijdelijk in een inrichting verblijft én de eigen woonruimte wil aanhouden, past het college de bijstand drie maanden na opname aan de nieuwe situatie aan.
Artikel 16. Rente over leenbijstand
Als bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, hoeft daarover geen rente betaald te worden.
Artikel 17. Venlose Hardheidsclausule 'Menselijke Maat'
Het college wijkt af van deze regels ten gunste van de inwoner als strikte toepassing leidt tot onbillijkheid. Hierbij wordt getoetst aan het Venlose principe 'Variëren naar vermogen': maatwerk is geboden waar gelijke behandeling de kansengelijkheid of de stabiliteit van het gezin in de weg staat.
Hoofdstuk 6 Inwerkingtreding
Artikel 18. Inwerkingtreding
- 1.
Deze beleidsregels gaan in op 1 januari 2026.
- 2.
De Beleidsregels Algemene bijstand gemeente Venlo 2022, vastgesteld op 21 juni 2022, worden per die datum ingetrokken.
Artikel 19. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels Algemene bijstand gemeente Venlo 2026”.
Ondertekening
Venlo, 21 april 2026
Burgemeester en wethouders van Venlo
de secretaris, de burgemeester
Twan Beurskens, Antoin Scholten
Toelichting
Algemeen
Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (Pw) veranderd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026.
Deze veranderingen passen bij de strategische koers ‘Fier op Venlo’ en de verdieping daarvan in ‘Fier Verdiept’. Het is een transformatie waarbij de focus verschuift van louter rechtmatigheid naar brede welvaart en kansengelijkheid.
Bij zowel de landelijke herziening van de wet als de Venlose strategische koers zijn de volgende principes leidend:
- •
Vertrouwen als fundament: We gaan uit van de goede trouw van onze inwoners. De regels zijn bedoeld om te ondersteunen, niet om te belemmeren of te wantrouwen.
- •
De leefwereld centraal: Onze dienstverlening sluit aan bij de dagelijkse realiteit van de inwoner. We kijken over de schotten van de wetgeving heen naar wat een huishouden integraal nodig heeft.
- •
Maatwerk is de norm: Waar regels leiden tot onbillijkheid, is de professional bevoegd en verplicht om te handelen in de geest van de wet en de lokale visie.
- •
Eenvoud en toegankelijkheid: Regels en processen moeten begrijpelijk en uitvoerbaar zijn voor zowel de inwoner als de professional, met speciale aandacht voor het doenvermogen van de inwoner.
De nieuwe bevoegdheden uit Participatiewet in balans bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om:
- •
vrijgelaten giften te verruimen;
- •
de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten;
- •
gegevens die bij het college aanwezig zijn te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en,
- •
met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding.
Deze bevoegdheden worden in de beleidsregels ingevuld. Daarnaast zijn de bestaande artikelen uit de beleidsregels algemene bijstand getoetst aan de strategische koers en toegevoegd.
Artikelsgewijs
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.
Artikel 1. Begrippen
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.
Probleemschulden
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:
‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’
Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudigere woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.
Schuldregeling
Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente is verantwoordelijk voor schuldhulpverlening en kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken, op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt.
Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Wettelijk is geregeld dat voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs een uitzondering geldt. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling nemen.
Aanvullend worden in artikel 3 groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn in ieder geval ook achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.
Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Dit kan een belemmering zijn voor het aanvaarden van werk of bij flexibel werk. Door de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, stellen we sneller het recht vast waardoor financiële onzekerheid wordt voorkomen.
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
In het derde lid is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen.
Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
In de meeste gevallen zal de meldingsdatum de ingangsdatum zijn. Artikel 5 biedt ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen.
In het tweede lid worden een aantal omstandigheden genoemd die de terugwerkende kracht in ieder geval rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden, of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, moeten de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
Artikel 10. Vrijlaten van giften
In artikel 10 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, tweede lid, onderdelen m en s, van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie en jurisprudentie blijkt dat voor het aannemen van een gift het nodig is dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn.
Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, achtste lid Pw). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt. Bijdragen van voedselbanken worden in het geheel niet in aanmerking genomen. Bijdragen (in geld of in natura) van andere charitatieve instellingen stellen we hiermee gelijk.
Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid Pw wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, tweede lid, onderdeel s Pw, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar.
In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.
Artikel 11. Schadevergoeding
Volgens jurisprudentie kan de gemeente bij de beoordeling in hoeverre een vergoeding voor immateriële schade kan worden vrijgelaten niet meer volstaan met de vuistregel van 1/3-2/3. In plaats daarvan moet de gemeente een op de persoon toegesneden afweging maken. Daar spelen de oorzaak van de schade (letsel of iets anders?), of de schade blijvend van aard is en de leeftijd van betrokkene een rol. Daarbij is niet van belang hoe dit bedrag individueel is of kan worden aangewend. Ook is niet van belang hoe dat zich verhoudt tot andere personen met leed die geen (letsel)schadevergoeding hebben ontvangen.
Artikel 17. Venlose hardheidsclausule
Voor het gebruik van de hardheidsclausule kan het volgende afwegingskader worden gebruikt:
- 1.
De Bedoeling: Wat is het uiteindelijke doel van deze specifieke regel in deze situatie? Draagt dit besluit bij aan de bestaanszekerheid of de zelfredzaamheid van de inwoner?
- 2.
De Menselijke Maat: Leidt de strikte toepassing van de regel tot een resultaat dat redelijk en billijk is? Wordt er voldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden en het doenvermogen?
- 3.
Vertrouwen: Handelen we hier vanuit een positief mensbeeld of vanuit angst voor misbruik? Is de gevraagde bewijslast proportioneel en gaan we uit van de eigen kracht van de inwoner?
- 4.
Integrale Blik: Welke impact heeft dit besluit op andere levensgebieden (zorg, wonen, gezin)? Wordt er samengewerkt met partners in de sociale basis om een integrale oplossing te bieden?
- 5.
Eenvoud: Is de weg naar de oplossing zo kort en eenvoudig mogelijk gemaakt? Kan de inwoner het proces overzien en is de communicatie in begrijpelijke taal?
Bij elke casus waar de professional twijfelt over de uitkomst, dient dit kader als moreel kompas. Als de uitkomst van een strikte juridische toets (de 'systeemwereld') botst met de antwoorden in dit afwegingskader (de 'leefwereld'), dan biedt de hardheidsclausule de juridische ruimte om af te wijken ten gunste van de inwoner.
Het doel is om 'mens-zijn' in de uitvoering te legitimeren: regels zijn er voor de mensen, niet andersom. Hiermee borgen we dat de transformatie van 'Fier op Venlo' geen papieren werkelijkheid blijft, maar in elk contact met de inwoner voelbaar is.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl