Beleidsregel leerlingenvervoer gemeente Deurne 2025

Geldend van 07-05-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel leerlingenvervoer gemeente Deurne 2025

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne;

gelet op artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs en gelet op het bepaalde in de Verordening leerlingenvervoer gemeente Deurne 2014 en Verordening leerlingenvervoer gemeente Deurne 2025;

b e s l u i t :

vast te stellen de volgende beleidsregel:

Leerlingenvervoer gemeente Deurne 2025

Inleiding

De voorliggende beleidsregels zijn een uitwerking van de verordening leerlingenvervoer gemeente Deurne 2025 en bieden uitleg over de manier waarop het college van burgemeester en wethouders uitvoering geven aan de verordening. Het zijn zowel handvatten voor de uitvoering als leidraad voor de eenduidige motivering van besluiten.

De in deze beleidsregels opgenomen kaders worden toegepast bij de uitvoering van zowel de Verordening leerlingenvervoer Deurne 2014 als de Verordening leerlingenvervoer Deurne 2025.

Uitgangspunten

Het college hanteert bij de uitvoering van de verordening de volgende uitgangspunten:

  • -

    De mogelijkheden van de leerling en de ouder(s)/verzorger(s) staan centraal. Het Leerlingenvervoer draagt zoveel mogelijk bij aan de groei naar zelfstandigheid van de leerling.

  • -

    Waar mogelijk stimuleren we het (gedeeltelijk) zelfstandig reizen lopend, per fiets of met openbaar vervoer. Beoordeeld wordt of de leerling in staat is zelfstandig naar school te lopen, fietsen of dat dit onder begeleiding mogelijk is. Ook wordt er gekeken in hoeverre de zelfredzaamheid van de leerling kan worden vergroot. Bijvoorbeeld door het leren van de verkeersregels of het oefenen met reizen. Doel is dat de leerling zo zelfstandig mogelijk naar school reist. Aangepast vervoer is niet het uitgangspunt, maar het vergroten van de eigen zelfstandigheid.

  • -

    De verantwoordelijkheid voor het van en naar school brengen van de leerling ligt wettelijk gezien bij de ouder(s)/verzorger(s). Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen. Het leerlingenvervoer is niet bedoeld om ouders te ontlasten van hun verantwoordelijkheid voor een goede schoolgang van de leerling.

  • -

    Het leerlingenvervoer is een bekostiging dan wel een tegemoetkoming in de kosten van het vervoer tussen het woon- of verblijfadres of opstapplaats en school. Met uitzondering en onder bepaalde voorwaarden kan er afgeweken worden naar stage, opvoedkundige centra en/of ophaaladressen elders.

  • -

    De vorm van vergoeding van leerlingenvervoer is zo goedkoop mogelijk en sluit zoveel mogelijk aan op de individuele mogelijkheden en eventuele beperking van de leerling.

Begripsomschrijving

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Deurne 2025;

1. Algemeen

1.1. Indienen aanvraag

(uitwerking van hoofdstuk 2 artikel 2 van de verordening 2025)

  • 1.

    Een aanvraag kan ingediend worden door ouders, pleegouders of voogd en meerjarige leerling.

  • 2.

    Als er sprake is van co-ouderschap, moeten beide ouders afzonderlijk een aanvraag indienen bij hun eigen gemeente. Elke aanvraag wordt beoordeeld volgens de verordening leerlingenvervoer die in die gemeente van kracht is.

1.2. Meerjarig beschikken

(uitwerking van hoofdstuk 2 artikel 7 van de verordening 2025)

  • 1.

    Het college bepaalt voor hoe lang een indicatie Leerlingenvervoer wordt verstrekt. Als duidelijk is dat een leerling de komende schooljaren geen of nauwelijks progressie zal doormaken in zijn/haar ontwikkeling, kan de indicatie voor meerdere schooljaren worden afgegeven. Onderbouwing van deskundige is daarbij nodig.

  • 2.

    Een meerjarige beschikking wordt door het college herzien bij:

    • a.

      Het aflopen van de geldigheidsduur van de Toelaatbaarheidsverklaring (TLV);

    • b.

      Het schooljaar dat de leerling 11 jaar wordt, met als peildatum 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft;

    • c.

      Verandering van thuissituatie.

  • 3.

    Wanneer er een verandering plaatsvindt in de thuissituatie, dienen ouders deze wijziging te melden bij de gemeente. Denk hierbij aan wijziging van woonadres, verandering in werk etc.

1.3. Toetsing vervoersvoorziening

(uitwerking van hoofdstuk 2, artikel 8 van de verordening 2025)

  • 1.

    Tijdens de behandeling van de aanvraag onderzoekt het college of voldaan wordt aan de criteria gesteld in de verordening. Het moet gaan om schoolvervoer. Dat betekent: vervoer van thuis of opstapplaats naar en van school. In de volgende situaties is er geen sprake van leerlingenvervoer in de zin van de verordening:

    • a.

      Vervoer tijdens schoolvakanties – met uitzondering van de gevallen genoemd in artikel 15;

    • b.

      Vervoer op afwijkende schooltijden, bijvoorbeeld door lesuitval, schoolreisje, sportdag of proefwerkweek, tenzij dit is aangegeven in de schoolgids;

    • c.

      Vervoer voor incidentele verzoeken/wijzigingen;

    • d.

      Vervoer tussen schoolgebouwen onderling;

    • e.

      Vervoer tussen school, zwembad of gymnastieklokaal;

    • f.

      Vervoer voor medisch of paramedische behandelingen/therapie zoals huisarts, tandarts, revalidatiecentrum, dagbehandeling, ziekenhuis e.d.;

    • g.

      Vervoer vanwege een tijdelijke beperking (< 3 maanden);

    • h.

      Vervoer voor andere doeleinden dan schoolonderwijs, zoals vervoer naar huiswerkbegeleiding, remedial teaching, sportvereniging e.d.

  • 2.

    Ouders zijn in de situaties zoals beschreven in het eerste lid zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind.

2. Begrip ‘gehandicapte leerling’

(uitwerking van hoofdstuk 1, artikel 1 van verordening 2025)

  • 1.

    In de verordening wordt een leerling aangemerkt als gehandicapte leerling wanneer hij of zij door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken.

  • 2.

    Een leerling wordt niet als gehandicapte leerling beschouwd wanneer hij of zij, ondanks een aanwezige beperking, wel zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. De beperking moet structureel zijn, dat wil zeggen: naar verwachting langer dan drie maanden voortduren. Beperkingen die met medicatie of behandeling voldoende kunnen worden verholpen, worden niet als structureel beschouwd.

  • 3.

    Het college verzorgt geen vervoer bij tijdelijke medische beperkingen korter dan drie maanden (bijvoorbeeld een gebroken been). Het college is uitsluitend verantwoordelijk voor vervoer voor leerlingen met een structurele, niet-behandelbare beperking.

  • 4.

    Indien een leerling gedurende een groot deel van het schooljaar door herstel of revalidatie niet in staat is gebruik te maken van het openbaar vervoer, kan het college – indien noodzakelijk – tijdelijk leerlingenvervoer toekennen.

  • 5.

    Bij tijdelijke medische beperkingen geldt:

    • bij een beperking korter dan drie maanden: geen aanspraak op leerlingenvervoer;

    • bij een beperking langer dan drie maanden: het college beoordeelt per individuele aanvraag of tijdelijke toekenning noodzakelijk is.

  • 6.

    Voor tijdelijke voorzieningen overlegt de ouder een schriftelijke medische verklaring. Het college kan aanvullende deskundigen inschakelen en verleent vervoer voor de duur van herstel of revalidatie, met de mogelijkheid tot tussentijdse herbeoordeling.

3. Adviezen deskundigen

(uitwerking van hoofdstuk 2 artikel 4 van de verordening 2025)

  • 1.

    Om te kunnen beoordelen of een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en, als dat het geval is, voor welk type voorziening de leerling dan in aanmerking komt, kan in de onderstaande gevallen advies van deskundigen gevraagd worden:

    • a.

      Als een leerling door zijn handicap in het geheel niet, of alleen onder begeleiding van openbaar vervoer gebruik kan maken;

    • b.

      Als een leerling al dan niet onder begeleiding – niet naar school kan fietsen;

    • c.

      Als een leerling vanwege een beperking niet in staat is om naar een opstapplaats te gaan;

    • d.

      Als een leerling het rooster zoals in de schoolgids is aangegeven niet kan volgen.

  • 2.

    Adviezen kunnen worden gegeven door:

    • a.

      de commissie voor de begeleiding, ingesteld door een of meer scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs;

    • b.

      de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer instellingen;

    • c.

      de ambulante begeleider van de leerling;

    • d.

      (de directeur van de) school;

    • e.

      het samenwerkingsverband.

  • 3.

    Wanneer de specifieke handicap van de leerling daarom vraagt kan advies worden ingewonnen van deskundigen als de huisarts van de leerling, de jeugdgezondheidsdienst, de geneeskundige dienst, een sociaal-medische adviesdienst, een medicus gespecialiseerd in de betreffende handicap, een orthopedagoog, kinderpsycholoog en dergelijke. Een onafhankelijk onderzoek is soms noodzakelijk. De kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente.

4. Afstands- en reistijdbepaling

4.1. Afstand woning – school

(uitwerking van hoofdstuk 2 artikel 9 van de verordening 2025)

  • 1.

    Bij de beoordeling van de aanvragen dienen een aantal afstanden te worden berekend. De afstand wordt berekend:

    • a.

      om vast te stellen of aan het afstandscriterium wordt voldaan; In artikel 9, lid 1 van de verordening wordt uitgegaan van 6 km of meer.

    • b.

      om te bepalen welke school dichterbij de woning staat;

    • c.

      om de hoogte van de vergoeding voor de auto/fiets vast te stellen.

  • 2.

    Voor de berekening van de afstand tussen de woning van de leerling en de school en het bepalen of het de dichtstbijzijnde school betreft, wordt de ANWB routeplanner op www.anwb.nl gebruikt, instelling ‘kortste route’ met de auto en/of fiets.

  • 3.

    Als de afstand tussen de woning en school korter is dan het voor de leerling geldende afstandscriterium, wordt er bij de beschikking op de aanvraag een uitdraai meegestuurd.

  • 4.

    Als de afstand van de heenreis en de terugreis verschillend is, wordt bij het meten van de afstand uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg en de terugweg. Afronding op 1 decimaal.

  • 5.

    Als uit bovenstaande berekening blijkt, dat er recht is op een vergoeding leerlingenvervoer en dit resulteert in een vergoeding voor het eigen vervoer (fiets of eigen auto) wordt het aantal te vergoeden kilometers afgestemd op de afstand, die aan de hand van dat vervoermiddel is berekend.

  • 6.

    Er wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kan het college hierover advies vragen aan een onafhankelijk deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen.

4.2. Reistijd OV woning- school

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 22 van de verordening 2025)

  • 1.

    Om de reistijd tussen de woning en de school per openbaar vervoer te bepalen wordt de reisplanner 9292 (Externe link:www.9292.nl) gebruikt.

  • 2.

    In het primair onderwijs (PO), speciaal basisonderwijs (SBO) en voortgezet speciaal onderwijs (VSO) worden kinderen geacht minimaal 0 tot 2 keer te kunnen overstappen. Voor kinderen in het SO is dit minimaal 0 tot 1 keer.

4.3. Loopafstand woning – opstapplaats

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 11 van de verordening 2025)

  • 1.

    Voor de beoordeling van de vraag of een leerling lopend een afstand kan afleggen naar een opstapplaats gelden de volgende uitgangspunten:

    • a.

      onder de 10 jaar: maximaal 1,5 kilometer enkele reis;

    • b.

      10 jaar en ouder: maximaal 2,0 kilometer enkele reis.

  • 2.

    De afstanden benoemd in lid 1 zijn alleen van toepassing als de leerlingen en ouders geen andere vervoersmogelijkheden hebben om naar een opstapplaats te gaan.

4.4. Fietsafstand woning – school

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 19 van de verordening 2025)

  • 1.

    Voor de beoordeling van de vraag of een leerling fietsend, al dan niet met begeleiding, een afstand kan afleggen naar school gelden de volgende uitgangspunten:

    • a.

      4 t/m 8 jaar: maximaal 6 kilometer; de ouder met kind achterop 6 kilometer;

    • b.

      9 t/m 11 jaar: maximaal 10 kilometer enkele reis;

    • c.

      12 jaar en ouder: maximaal 15 kilometer enkele reis.

  • 2.

    Deze afstanden gelden voor kinderen zonder beperking die naar het reguliere onderwijs gaan. Voor kinderen die naar het speciaal basisonderwijs (SBO), speciaal onderwijs (SO) of voortgezet speciaal onderwijs (VSO) gaan, worden de afstanden bijgesteld op basis van informatie, die door ouders en of medisch adviseur aangeleverd worden.

5. Bekostiging

5.1. Bekostiging openbaar vervoer

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 19 van de verordening 2025)

  • 1.

    Als de leerling in aanmerking komt voor een vergoeding voor het openbaar vervoer, dan worden de kosten berekend met de website: Externe link:www.9292.nl. De vergoeding wordt gebaseerd op het goedkoopste tarief voor de gemeente Deurne voor het openbaar vervoersabonnement.

  • 2.

    Bepaalde doelgroepen kunnen bij de NS kosteloos een begeleiderskaart aanvragen. Het college kan ouders verplichten om deze kaart aan te vragen in plaats van het toekennen van een vergoeding voor de begeleiding.

5.2. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 23 van de verordening 2025)

  • 1.

    Op grond van artikel 23 van de geldende Verordening Leerlingenvervoer kan het college een andere passende vervoersvoorziening toekennen, zoals een bijdrage voor aanschaf van een elektrische fiets (e-bike), bakfiets of handbike. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      De bijdrage bedraagt maximaal de kosten van het openbaar vervoer, waarbij wordt uitgegaan van een minimale gebruiksduur van twee jaar.

    • b.

      Indien alsnog binnen deze 2 jaar voor de leerling een beroep wordt gedaan op ander vervoer op grond van de geldende Verordening Leerlingenvervoer, wordt de verstrekte vergoeding voor de e-bike hiermee verrekend.

    • c.

      Er wordt uitgegaan van 400 ritten per schooljaar.

    • d.

      De ouders schaffen de e-bike aan en sturen de factuur naar de gemeente.

    • e.

      Onderhoud, schade, verzekering of diefstal komen voor rekening van de ouders.

    • f.

      De aanschaf van de e-bike, bakfiets of handbike vindt zoveel mogelijk plaats bij de fietsenhandelaar in de woonplaats van de ouders/leerling. Enerzijds in verband met onderhoud (kan praktisch op korte termijn geregeld worden), anderzijds stimuleert dit de plaatselijke economie.

    • g.

      Als de leerling de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, wordt een e-bike als algemeen gebruikelijk vervoermiddel gezien en vindt geen bekostiging meer plaats.

    • h.

      Het recht op een kilometervergoeding komt te vervallen.

6. Begeleiding

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 8 van de verordening 2025)

  • 1.

    Ouders zijn verantwoordelijk voor het organiseren van de begeleiding van hun kind naar school en opstapplek.

  • 2.

    Begeleiding is primair een taak van de ouders. Zij dienen ook voor alternatieve begeleiding te zorgen als zij bijvoorbeeld door ziekte of een andere reden, tijdelijk niet in staat zijn om hun kind niet zelf naar school te begeleiden. Als ouders er zelf niet in slagen begeleiding te leveren, kunnen zij daarvoor hun netwerk inschakelen, zoals bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of vrijwilligers. In de verordening is het mogelijk om naast de vervoerskosten van de leerling ook die van de begeleider te vergoeden voor zover hij met de leerling meereist.

  • 3.

    In sommige situaties lukt het ouders en het netwerk niet om de begeleiding vorm te geven of leidt dit tot ernstige benadeling van het gezin. Ouders moeten in dat geval voldoende aantonen dat het voor hen of anderen in het netwerk onmogelijk is de leerling te begeleiden of, dat de begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. Van een ernstige benadeling van het gezin is naar het oordeel van het college sprake als één van de volgende situatie van toepassing is:

    • a.

      De leerling en begeleider reizen per openbaar vervoer of eigen vervoer en de begeleider heeft meer reistijd dan 60 minuten enkele reis.

    • b.

      Er is sprake van een alleenstaande ouder en door de aanwezigheid van andere kind(eren) onder de 11 jaar die op dezelfde start- en eindtijd naar verschillende scholen gaan is de ouder niet in staat om alle kinderen zelf naar school te brengen, dan wel te begeleiden.

    • c.

      Er is sprake van een alleenstaande ouder en de ouder heeft een structurele lichamelijke, zintuiglijke en/of psychische beperking waardoor het niet in staat is om de begeleiding te bieden. De beperking dient onderbouwd te worden met een medische verklaring van een specialist.

  • 4.

    Er is sprake van een alleenstaande ouder en er is sprake van een inburgeringsverplichting, scholings- of arbeidsverplichting op basis van de Participatiewet van de ouder op de vervoersmomenten van de leerling.

  • 5.

    Het enkele feit dat beide ouders werken is zonder bijkomende omstandigheden die een belemmering zijn om zelf te begeleiden of anderen namens hen te laten begeleiden geen reden om aangepast vervoer toe te kennen of af te wijken van het gebruik van een opstapplaats.

7. Wangedrag

(uitwerking van hoofdstuk 5 artikel 27 van de verordening 2025)

  • 1.

    Het college kan een herziend besluit nemen of het besluit intrekken als bij herhaling gebleken is dat de leerling of de ouder/verzorger van de leerling door agressief gedrag of anderszins de orde in de taxi verstoort of de veiligheid van de taxi en inzittenden in gevaar brengt. Hierbij worden de volgende stappen gehanteerd:

    • Fase 1: Incidenten worden in beginsel door de vervoerder opgelost. Het doel is om gezamenlijk met ouders en eventueel school een oplossing te zoeken voor het incident. De vervoerder onderzoekt samen met ouders of de leerling een andere plek in de taxi kan krijgen of dat er andere afspraken gemaakt moeten worden.

    • Fase 2: Bij een volgend incident, voortdurend wangedrag of een onaanvaardbaar incident legt de vervoerder contact met de gemeente. Bij onaanvaardbaar gedrag wordt er een eerste schriftelijke waarschuwing aan de leerling en ouders gestuurd.

    • Fase 3: Als voorgaande stappen niet het gewenste resultaat hebben kan een schorsing per direct volgen, voor een periode van één volle schoolweek. Tijdens de schorsing is de Leerplichtwet onverkort van kracht. Ouders dienen zelf voor het vervoer van hun kind zorg te dragen. De kosten die hieraan verbonden zijn, zijn voor de verantwoordelijkheid van de ouders.

    • Fase 4: Bij een volgend incident of voortdurend wangedrag kan de leerling volledig worden uitgesloten van het vervoer voor een nader te bepalen periode.

  • 2.

    Wanneer er sprake is van buitensporig wangedrag waarbij anderen in gevaar worden gebracht of anderen buitensporig respectloos worden behandeld, kan een onmiddellijke schorsing, zonder vooraf het sturen van een schriftelijke waarschuwing voor een nader te bepalen periode worden opgelegd.

8. Afwijking van lestijden

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 13 van de verordening 2025)

  • 1.

    Het vervoer bij wisselende of afwijkende schooltijden behoort niet tot de gemeentelijke taak, maar is de verantwoordelijkheid van ouders zelf. Ook voor uitvaluren, bij examens en proefwerkweken of bij halve vrije dagen bijvoorbeeld vanwege studiedagen of vakanties worden geen (extra) taxiritten ingezet, tenzij dit in de schoolgids is aangegeven.

8.1. Aangepast lesrooster vanwege structurele handicap

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 13 van de verordening 2025)

  • 1.

    Uitsluitend wanneer de structurele handicap van een leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het onderwijsprogramma, dient de gemeente het vervoer tijdens de schooltijd te bekostigen. De ouders dienen hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door:

    • a.

      een verklaring van de leerplichtambtenaar waaruit een leerplichtakkoord blijkt;

    • b.

      een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd;

    • c.

      een verklaring van de (directie van de) school waaruit de medische noodzaak blijkt; of

    • d.

      een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog) waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen.

  • 2.

    Hierbij wordt eerst een beroep gedaan op de van ouders redelijkerwijs te verwachten inzet. Wanneer ouders één of meerdere dagen per week zelf het vervoer verzorgen, kunnen zij in aanmerking komen voor een kilometervergoeding.

  • 3.

    Voorwaarde is dat in ieder geval één rit per dag aansluit bij het reguliere leerlingenvervoer.

  • 4.

    De vervoerder vervoert zoveel mogelijk de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk. Dit kan met zich meebrengen dat de leerling maximaal twee klokuren later opgehaald wordt van school.

9. Opstapplaatsen

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 11 van de verordening 2025)

  • 1.

    Het college wijst een leerling, die aanspraak maakt op een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer toe aan een opstapplaats.

  • 2.

    Het is de verantwoordelijkheid van ouders om de leerling van de woning naar de opstapplaats en van de opstapplaats naar de woning te begeleiden;

  • 3.

    De reisafstand (te voet) van de woning van de leerling naar de opstapplaats bedraagt niet meer dan 2,0 kilometer. De reisafstand wordt bepaald aan de hand van ANWB routeplanner.

  • 4.

    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet indien de leerling gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap naar redelijkheid geen gebruik kan maken van de opstapplaats.

  • 5.

    Voor het beoordelen van de toepassing van het vierde lid kan worden gevraagd om een medische verklaring ter onderbouwing.

  • 6.

    De door het college aangewezen opstapplaatsen zijn opgenomen in bijlage 1.

10. Onderwijs-zorg arrangement

  • 1.

    Wanneer een onderwijs zorgarrangement bestaat uit een substantieel onderwijsprogramma (minimaal 50% onderwijstijd), wordt dit aangemerkt als schoolbezoek en kan leerlingenvervoer worden toegekend.

  • 2.

    Vervoer wordt uitsluitend verstrekt voor het onderwijsdeel van het arrangement. Zorgritten komen niet voor leerlingenvervoer in aanmerking.

  • 3.

    De locatie van het OZA dient door school of samenwerkingsverband te zijn erkend als onderwijslocatie. Zonder deze erkenning wordt geen leerlingenvervoer verstrekt.

  • 4.

    Ouders overleggen een verklaring van school waarin de onderwijsdoelen, onderwijstijd en duur van het onderwijs zorgarrangement zijn vastgelegd.

  • 5.

    Leerlingenvervoer voor OZA’s wordt toegekend voor maximaal drie maanden, waarna een herbeoordeling plaatsvindt op basis van voortgang.

  • 6.

    Wanneer het onderwijs zorgarrangement voornamelijk of volledig bestaat uit zorgactiviteiten, wordt geen aanspraak gemaakt op leerlingenvervoer.

  • 7.

    Het samenwerkingsverband dient te bevestigen dat het OZA de meest passende tijdelijke onderwijssetting is. Zonder deze instemming wordt geen vervoer toegekend.

11. Individueel vervoer

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 22 van de verordening 2025)

  • 1.

    Met individueel vervoer wordt bedoeld, dat een leerling om medische en/of psychosociale reden niet samen met andere leerlingen kan worden vervoerd. Gemeente Deurne hanteert het uitgangspunt dat aangepast vervoer gecombineerd vervoer is met ander leerlingen. In zeer uitzonderlijke gevallen kan een leerling, tijdelijk, individueel vervoerd worden als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      Er is een medische noodzaak en deze kan door de ouders/verzorgen met bewijzen van een deskundige worden aangetoond;

    • b.

      De begeleiding in het gecombineerd vervoer door de ouders of hun netwerk biedt niet voldoende uitkomst;

    • c.

      De leerling wordt de rest van de dag ook individueel begeleid. Hiervoor ontvangen wij het individuele ondersteuningsplan dat door de school wordt gemaakt, waaruit blijkt dat individueel onderwijs wordt toegepast.

  • 2.

    Individueel vervoer wordt in beginsel toegekend voor de duur van maximaal drie maanden. Bij een eventuele verlenging wordt opnieuw een belangenafweging gemaakt.

12. De school is vol

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 12 van de verordening 2025)

  • 1.

    Leerlingenvervoer wordt uitsluitend toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Een school wordt als toegankelijk aangemerkt indien de leerling tot de school is toegelaten en er plaats beschikbaar is.

  • 2.

    Indien de dichtstbijzijnde geschikte school niet toegankelijk is wegens capaciteitsgebrek, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school.

  • 3.

    De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan zolang de leerling niet kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school vanwege een wachtlijst.

  • 4.

    Zodra plaatsing op de dichtstbijzijnde school mogelijk is, kan het college de vervoersvoorziening beperken tot die school, ongeacht of ouders ervoor kiezen de leerling daadwerkelijk naar een andere school te laten gaan.

13. Dislocaties en nevenvestigingen scholen

(uitwerking van hoofdstuk 3 artikel 12 van de verordening 2025)

  • 1.

    Indien een school meerdere locaties of nevenvestigingen heeft, geldt voor de toepassing van het leerlingenvervoer de feitelijke onderwijslocatie waar de leerling onderwijs volgt als school.

14. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking per 1 april 2026 en geldt voor aanvragen leerlingenvervoer vanaf schooljaar 2026-2027. Voor de uitvoering van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Deurne 2014 worden deze beleidsregels gehanteerd als interpretatieve leidraad, voor zover niet in strijd daarmee.

  • 2.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als: beleidsregels leerlingenvervoer gemeente Deurne 2025

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne in de vergadering van 3 maart 2026

Het college van burgemeester en wethouders,

de gemeentesecretaris van Deurne,

de burgemeester van Deurne,