Beleidsregels vrijlating giften, kostenbesparende bijdragen en schadevergoedingen Participatiewet gemeente De Fryske Marren

Geldend van 07-05-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels vrijlating giften, kostenbesparende bijdragen en schadevergoedingen Participatiewet gemeente De Fryske Marren

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren;

gelet op artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 17 eerste lid van de Participatiewet, artikel 18 achtste lid van de Participatiewet en artikel 31 tweede lid onder l, m en s van de Participatiewet;

besluit vast te stellen de Beleidsregels vrijlating giften, kostenbesparende bijdragen en schadevergoedingen Participatiewet gemeente De Fryske Marren.

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren;

  • b. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;

  • c. gift: een door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen geldbedrag of schenking in natura uit vrijgevigheid van derden (personen of instellingen), waarbij geen sprake is van een tegenprestatie, wederdienst of verplichtend karakter;

  • d. kostenbesparende bijdragen: betalingen of aankopen gedaan door derden waarmee wordt bespaard op de noodzakelijke kosten van het bestaan van de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin;

  • e. immateriële schadevergoeding: een door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen financiële vergoeding voor schade die niet direct in geld is uit te drukken zoals pijn, verdriet, emotioneel trauma verlies van levensvreugde of geestelijk gemis, waarvan de hoogte door de schadeverzekeraar of rechter is bepaald;

  • f. materiële schadevergoeding: door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen financiële vergoeding voor geleden schade die direct in geld is uit te drukken;

  • g.

    de wet: Participatiewet;

  • 2.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Doel van de beleidsregels

Deze beleidsregels zorgen ervoor dat er meer eenduidigheid ontstaat bij de omgang met giften, kostenbesparende bijdragen en schadevergoedingen. Zo ontstaat een helder kader voor de uitvoering en meer rechtszekerheid voor onze inwoners.

Artikel 3 Giften en kostenbesparende bijdragen

  • Door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen, zoals bedoeld in artikel 18 achtste lid van de wet, worden niet in aanmerking genomen voor zover de som van deze giften en kostenbesparende bijdragen het grensbedrag per kalenderjaar zoals genoemd in artikel 31 lid 2 onder m van de wet niet overstijgt.

Artikel 4 Vrijlating van giften in individuele gevallen

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder s van de wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

  • 1. Giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

  • 2. Giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten die vanuit medisch oogpunt wenselijk of noodzakelijk zijn, voor zover dit de levensstandaard van belanghebbende niet verhoogd;

  • 3. Giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand. Een schuld is in ieder geval problematisch als op het moment van aanvang van de bijstand een negatief vermogen is vastgesteld en er een aantoonbare terugbetalingsverplichting rust op deze schuld, waarvan de termijn is overschreden.

  • 4. Giften in de vorm van verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank, speelgoedbank, stichting leergeld, Stichting Urgente Noden en dergelijke charitatieve instellingen;

  • 5. Giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid van de wet, die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin, noodzakelijk zijn;

  • 6. Een gift of lening die wordt versterkt in afwachting van de afhandeling van een bijstandsaanvraag, voor zover dit bedrag lager of gelijk is aan het bedrag van een overbruggingsuitkering;

  • 7. Door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin van hun werkgever ontvangen onbelaste inkomsten worden niet als inkomen of vermogen in aanmerking genomen;

Artikel 5 Schadevergoedingen

  • 1.

    De schadevergoeding die is bedoeld als compensatie van materiële schade wordt als vermogen in aanmerking genomen voor zover die schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van schade.

  • 2.

    De schadevergoeding die is bedoeld voor compensatie van verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft.

  • 3.

    Bij schadevergoeding voor immateriële schade wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • a.

    schade voor gederfde levensvreugde, zoals schending van eer en goede naam, discriminatie of een onterechte detentie en;

  • b.

    schade die blijvend aan aard is en invloed heeft op de verwachte uitstroom van een bijstandsgerechtigde uit de bijstand.

  • 4.

    De vergoeding voor gederfde levensvreugde als bedoeld in lid 3 onder a van dit artikel wordt voor 30% van het deel dan hoger is dan € 3.000,- in aanmerking genomen als vermogen.

  • 5.

    De vergoeding voor schade die blijvend is als bedoeld in lid 3 onder b van dit artikel wordt toegerekend aan de statistisch te verwachten resterende levensduur van de bijstandsgerechtigde, te rekenen vanaf het moment van ontstaan van de schade, en herleid tot een maandbedrag.

  • 6.

    Als het in lid 5 van dit artikel genoemde maandbedrag lager is dan 15% van de voor de bijstandsgerechtigde op het moment van ontstaan van de schade geldende bijstandsnorm, dan wordt de schadevergoeding vrijgelaten.

  • 7.

    Als het in lid 5 van dit artikel genoemde maandbedrag hoger is dan 15% van de voor de bijstandsgerechtigde op het moment van de schade geldende bijstandsnorm dan wordt het bedrag, voor zover dat meer bedraagt dan het genoemde percentage van 15%, vermenigvuldigd met het aantal in maanden gedurende de periode als bedoeld in lid 5.

  • 8.

    Als het bedrag dat conform lid 7 van dit artikel is berekend hoger is dan het bedrag dat conform lid 4 van dit artikel is berekend, dan wordt laatstgenoemd bedrag als vermogen in aanmerking genomen.

Artikel 6 Inlichtingenplicht

  • 1. Voor giften en kostenbesparende bijdragen die het in artikel 31 lid 2 onder m van de wet genoemde grensbedrag per kalenderjaar niet overstijgen geldt geen meldingsplicht, maar er is een meldingsverzoek voor giften en kostenbesparende bijdragen van € 500,- of meer ineens;

  • 2. De gemeente verwacht van haar inwoners dat ze nauwgezet bijhouden welke giften en kostenbesparende bijdragen worden ontvangen, van wie u deze heeft ontvangen, wat de hoogte daarvan is en met welk doel ze worden verleend.

  • 3. Zodra de bijstandsgerechtigde weet of kan weten dat de door hem of leden van diens gezin ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen in het betreffende kalenderjaar het in artikel 31 lid 2 onder m van de wet genoemde grensbedrag overstijgen, is de bijstandsgerechtigde verplicht dit binnen drie weken te melden bij de gemeente;

  • 4.

    Inwoners kunnen de overschrijding van het in het artikel 31 lid 2 onder m van de wet genoemde grensbedrag melden via het contactformulier op de website van de gemeente of via het wijzigingsformulier van de gemeente;

  • 5. Indien een overschrijding van de grensbedrag zoals bedoeld in artikel 31 lid 2, onderdeel m, van de wet niet of niet tijdig wordt gemeld, wordt een schending van de inlichtingenplicht aangenomen.

  • 6. Schadevergoedingen dienen in beginsel altijd en binnen drie weken te worden gemeld. Het is de verantwoordelijkheid van de belanghebbende om documenten aan te leveren waaruit blijkt op welke grond de belanghebbende de schadevergoeding is toegekend.

Artikel 7 Onderzoek naar giften, kostenbesparende bijdragen en schadevergoedingen

De gemeente doet onderzoek naar het recht op bijstand als hiervoor aanleiding bestaat en zal hierbij ook de ontvangsten van giften, kostenbesparende bijdragen en schadevergoedingen betrekken indien hiervoor aanleiding bestaat. In beginsel geldt dat de gemeente uitgaat van vertrouwen en pas aanleiding ziet voor een onderzoek als hiervoor een signaal wordt ontvangen. Het staat de gemeente echter vrij om gedurende het kalenderjaar inzicht te vragen over de door de inwoner ontvangen giften, kostenbesparende bijdragen en schadevergoedingen.

Artikel 8 Hardheidsclausule

Het college kan de bepalingen gesteld bij of krachtens deze beleidsregels buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op de doelstelling van deze beleidsregels, naar haar oordeel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 9 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug vanaf 1 januari 2026.

  • 2.

    De beleidsregels vrijlating giften en schadevergoedingen Participatiewet De Fryske Marren worden met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 ingetrokken.

Artikel 10 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels vrijlating giften, kostenbesparende bijdragen en schadevergoedingen gemeente De Fryske Marren

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van gemeente De Fryske Marren,

Datum: 23 april 2026,

L. P. Stoel, burgemeester

D. Cazemier, gemeentesecretaris

Toelichting

Algemeen

Voor giften en andere (onkosten)vergoedingen geldt al sinds het ontstaan van de bijstandswetgeving dat deze buiten beschouwing kunnen worden gelaten, voor zover dat naar het oordeel van het collegeverantwoord is. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling om de vrijgevigheid van personen en instellingen te ontmoedigen. Uitkeringsgerechtigden moe(s)ten van deze vrijgevigheid kunnen profiteren.

Echter, giften ontvangen is niet onbeperkt mogelijk vanwege het vangnetkarakter van de wet.

Met de Participatiewet in Balans is nu wettelijk (artikel 31 tweede lid onderdeel m) geregeld dat giften en kostenbesparende bijdragen buiten beschouwing worden gelaten voor bijstandsverlening tot een grensbedrag per uitkering, per kalenderjaar. Het bedrag geldt ongeacht of de bijstandsgerechtigde het gehele jaar of maar een deel van het jaar een uitkering ontvangt. In 2026 is het grensbedrag € 1200,-. De hoogte van dit bedrag wordt periodiek aangepast. Het volgt de jaarlijks procentuele stijging van de consumentenprijsindex en wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 50,-.

De in de wet genoemde categorale vrijlating van giften en kostenbesparende bijdragen is gemaximeerd tot het in de wet genoemde grensbedrag. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen. Alleen op individuele gronden is het geoorloofd om hogere giften vrij te laten als dit uitoogpunt van bijstandsverlening verantwoord is (artikel 31, tweede lid onderdeel s). Dit is in ieder geval mogelijk in de situaties als bedoeld in de artikel 4 van deze beleidsregels.

Artikelsgewijs

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit artikel zijn de begripsbepalingen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begripsbepalingen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.

Lid 1 c gift

Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’. Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).

Lid 1 d Kostenbesparende bijdragen

In de artikelen 31 lid 2 onder m en 18 lid 8 van de wet wordt het begrip bijdrage genoemd. Het gaat hier feitelijk om een kostenbesparende bijdrage. Dit zijn betalingen of aankopen gedaan door derden waarmee wordt bespaard op de noodzakelijke kosten van het bestaan van de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin. De betalingen kunnen structureel zijn (denk aan betaling van huur of zorgpremie) of incidenteel (betaling boodschappen, kleding, e.d.).

Lid 1 e immateriële schadevergoeding

Bij immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder I van de wet, ook wel smartengeldgenoemd, gaat het om een vergoeding voor schade die niet direct in geld is uit te drukken zoals pijn, verdriet, emotioneel trauma verlies van levensvreugde of geestelijk gemis, waarvan de hoogte door de schadeverzekeraar of rechter is bepaald.

Lid 1 f materiele schadevergoeding

Bij materiële schadevergoeding als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder I van de wet gaat het om een vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Het gaat om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat bijstandsgerechtigde al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kan gaan om reeds gemaakt kosten of om kosten die nog gemaakt moeten worden.

Artikel 2 Doel van de beleidsregels

Het vrijlaten van giften en kostenbesparende bijdragen tot het grensbedrag moet ertoe leiden dat uitkeringsgerechtigden weer meer kunnen profiteren van de vrijgevigheid van hun omgeving. Zij moeten binnen de wettelijke kaders gebruik kunnen maken van hun netwerk juist omdat zij zich al in een (financieel) kwetsbare positie bevinden. Daarnaast moeten zij gebruik kunnen maken van gangbare betalingsvormen (denk aan betaalverzoeken, tikkies en overschrijvingen) zonder dat dit gelijk rechtmatigheidsvragen oproept. Een grensbedrag geeft rechtszekerheid aan de bijstandsgerechtigde, maar op individuele gronden mag de gemeente ook hogere giften vrijlaten.

Artikel 3 Giften en kostenbesparende bijdragen

In dit artikel wordt volstaan met een verwijzing naar artikel 31, tweede lid onder m van de Participatiewet. Hiervoor is gekozen omdat het grensbedrag jaarlijks door het Rijk kan worden aangepast op basis van de procentuele stijging van de consumentenprijsindex. Hiermee wordt voorkomen dat een aanpassing van het grensbedrag in de wet een aanpassing van het bedrag in de beleidsregel vergt.

Artikel 4 Vrijlating van giften in individuele gevallen

In dit artikel worden giften met een specifieke bestemming beschreven waarvan de gemeente oordeelt dat het vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Deze situaties zijn niet limitatief bedoeld. Ook kunnen specifieke giften die bijvoorbeeld betrekking hebben op de doelstellingen van de Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke ondersteuning (WMO) leiden tot een aanvullende vrijlating. Dit zal een individuele beoordeling zijn. De vrijlating op individuele gronden (artikel 31 lid 2 onder s) geldt niet voor kostenbesparende bijdragen als bedoeld in artikel 18, acht lid van de wet.

Lid 1 en 2

Giften voor kosten waarvoor bijzondere bijstand mogelijk is worden niet gerekend tot de middelen waarmee bij de bijstand rekening wordt gehouden. Dit is ook het geval als de bijzondere bijstand tot een bepaald bedrag de kosten vergoedt en de gift hoger is. Als er geen bijzondere bijstand mogelijk is, maar de kosten wel als noodzakelijk of wenselijk kunnen worden aangemerkt, kan de gift eveneens worden vrijgelaten, mits dit maar niet leidt tot verhoging van de levensstandaard. Dit is bijvoorbeeld het geval als de bijstandsgerechtigde een gift ontvangt voor het aanschaffen van een noodzakelijk hulpmiddel, bijvoorbeeld een scootmobiel, of als het gaat om medische kosten die uit bijstandsoogpunt als niet noodzakelijk worden aangemerkt, maar wel als wenselijk.

Lid 3

De wet biedt maar beperkte mogelijkheden tot bijstandsverlening in schulden. Echter, het hebben van problematische schulden is in algemene zin een belemmering in het sociaal functioneren. Als een derde hierin de bijstandsgerechtigde tegemoet wil komen door een gift, die is bedoeld voor betaling van de problematische schulden, dan wordt die gift in beginsel niet als middel in aanmerking genomen. Het artikel geldt alleen voor schulden die voor aanvang van de bijstandsverlening zijn gemaakt. Tijdens de bijstand gemaakte schulden aflossen met een gift zou feitelijk betekenen dat de belanghebbende een suppletie boven de bijstandsnorm krijgt, waardoor de belanghebbende in een financieel betere positie komt, dan een belanghebbende die tijdens de bijstand geen schulden maakt. De gemeente zou hiermee de indruk kunnen wekken aan inkomenspolitiek te doen.

Lid 5

Ook giften in natura kunnen als middel bij de bijstandverlening betrokken worden. Gaat het om giften in natura voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, dan kunnen die als kostenbesparende bijdragen worden aangemerkt en moet beoordeeld worden of deze leiden tot afstemming van de algemene bijstand. Andersoortige giften in natura (bijv. een antieke klok) kunnen als middel in aanmerking worden genomen als het om zaken gaat die in redelijkheid te gelde gemaakt kunnen worden. In onderdeel d zijn daaraan grenzen gesteld.

Lid 6

De overbruggingsuitkering betreft 1 maal de maandnorm exclusief vakantiegeld minus het saldo op de bankrekeningen op de datum van de aanvraag.

Lid 7

Door het onverplicht karakter is er voldoende reden om onverplichte verstrekkingen van werkgevers aan werknemers buiten beschouwing te laten. Veelal gaat het om onbelaste giften met beperkte financiële waarde. Te denken valt bijvoorbeeld aan een kerstpakket, tegoedbonnen of een bedrag met de kerst, etc.

Artikel 5 Schadevergoedingen

Als de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin een vergoeding voor immateriële schade of materiële schade ontvangen, wordt eerst bezien of de schadevergoeding moet worden vrijgelaten op grond van de artikelen 31 lid 2 onder l van de wet in samenhang met artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Laatstgenoemd artikel bevat een lijst uitkeringen en vergoedingen, waaronder schadevergoedingen, die moeten worden vrijgelaten voor het bepalen van het recht op algemene bijstand. Als de schadevergoeding niet is te vinden in die lijst, moet worden beoordeeld of vrijlating van de schadevergoeding in het individuele geval en uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

Lid 1

Als er sprake is van ontvangst van een door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen schadevergoeding voor materiële schade, zal beoordeeld moeten worden of de vergoeding is gebruikt voor het wegnemen van de schade. Indien dit niet (helemaal) het geval is, wordt het deel dat niet is aangewend om degeleden schade weg te nemen als vermogen in aanmerking genomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele kosten die in de toekomst nog gemaakt moeten worden, zoals bijvoorbeeld fysiotherapie. Indien hier sprake van is kan de vergoeding niet als vermogen worden aangemerkt.

Lid 2

Door tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid kan iemand zijn baan verliezen. Het gevolg zal in veel gevallen zijn dat het inkomen van iemand voor een bepaalde periode, of zelfs helemaal, weg valt. Een vergoeding voor loonderving is bestemd voor de kosten van levensonderhoud en wordt daarom binnen de bijstand beschouwd als inkomen binnen de bijstand.

Het proces van afhandelen van de schade kan lange tijd duren. De uiteindelijk toegekende schadevergoeding kan dan ook over een periode gaan die in het verleden ligt. Er zal daarom beoordeeld moeten worden op welk periode de vergoeding precies betrekking heeft. Het bedrag van de toegekende schadevergoeding wordt vervolgens gedeeld door het aantal maanden waarop deze vergoeding betrekking heeft en maandelijks gekort als inkomen. In de meeste gevallen gaat het om één bedrag, waarbij het bedrag per maand niet duidelijk is. De bijstandsgerechtigde zal moeten aantonen om welk verlies van arbeidsvermogen het gaat. Dit kan bijvoorbeeld door middel van salarisspecificaties of jaaropgaven, maar ook door een overzicht van de nog te lijden schade opgemaakt door een letstelschadespecialist.

Lid 3

Als er een schadevergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, gaat het meestal om een zeer ernstige situatie. In een dergelijke situatie heeft de bijstandsgerechtigde het recht om gecompenseerd te worden voor de geleden schade, zonder dat dit direct van invloed is op het recht op bijstand. Schadevergoedingen voor immateriële schade worden daarom niet volledig als vermogen aangemerkt. Aan de andere kant kan deze vrijlating niet onbegrensd zijn. Een bedrag ter hoogte van € 3.000,- wordt gezien als verantwoord. Wanneer de immateriële schadevergoeding hoger is dan € 3.000,-, wordt dat dat het bedrag van€ 3.000,- overschrijdt voor 30% in aanmerking genomen als vermogen bedoeld in artikel 34 lid 1 onder b van de wet.

Lid 5 tot en met 8

Voor wat betreft de statistisch te verwachten levensduur wordt uitgegaan van de cijfers van CBS-statline. Het percentage van 15% is geïnspireerd door een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep1 (CRvB). In de uitspraak was sprake van een vrijlating van € 125,- per maand: ten tijde van het letsel circa 10% van de bijstandsnorm. Dit werd door de CRvB als een te beperkte hoogte beschouwd om als vermogen in aanmerking te nemen. Stimulansz adviseert gemeenten uit te gaan van een iets hoger percentage, namelijk15%.

Voorbeeld

Hierbij een rekenvoorbeeld van een bijstandsgerechtigde met schade die blijvend van aard is. Jan is op 1 januari 2020 betrokken bij een ernstig verkeersongeval. Jan raakt ernstig gewond en zal zijn hele leven te kampen hebben met ernstige beperkingen. Jan wordt op 1 oktober 2025 door de schadeverzekeraar gecompenseerd met een vergoeding voor immateriële schade van € 150.000,-. Jan is op 1 januari 2020 40 jaar oud geworden. Volgens CBS-statline bedraagt zijn verwachte levensduur 86 jaar. Jan ontvangt Een bijstandsuitkering vanaf 1 februari 2020. De bijstandsnorm bedroeg op 1 februari 2020 € 1400,- per maand. De berekening is nu als volgt:

  • 150.000 : 46 = € 3260,86 per jaar;

  • dat is € 271,73 per maand;

  • dat is hoger dan 15% van € 1400,- = € 210,-;

  • het verschil is € 61,73;

  • dus moet een bedrag € 34.074,96 (12 x 46 x € 61,73) als vermogen in aanmerking worden genomen.

Artikel 6 Inlichtingenplicht

Lid 1

Er is een meldingsverzoek voor ontvangen giften en kostenbesparende bijdragen van € 500,- of meer ineens. De gemeente kan dan samen met de bijstandsgerechtigde kijken of er gevolgen zijn voor de uitkering, en zo ja, welke en eventueel per wanneer. Zolang er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht kan de gemeente niet handhaven als de bijstandsgerechtigde een ontvangst van giften tot het grensbedrag per kalanderjaar als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder m van de wet niet meldt.

Lid 2 en 3

Het is de bedoeling dat bijstandsgerechtigden giften en kostenbesparende bijdragen zelf bijhouden. Zodra de bijstandsgerechtigde ziet dat het grensbedrag aan giften of bijdragen is bereikt moet de bijstandsgerechtigde dit binnen drie weken doorgeven aan de gemeente.

Lid 4 tot en met 6

Met deze wetswijziging blijft de inlichtingenplicht gelden voor bedragen die samen boven het grensbedrag uitkomen, maar ook voor alle wijzigingen die invloed kunnen hebben op het recht op en de hoogte van de bijstandsuitkering2 en voor de medewerkingsplicht3. Dit betekent onder andere het volgende:

  • de gemeente moet bijstandsgerechtigden goed informeren over wat giften en kostenbesparende bijdragen zijn;

  • hoe en wanneer bijstandsgerechtigden giften en bijdragen moeten melden;

  • de bijstandsgerechtigde moet inzicht geven in inkomsten als de gemeente hierom vraagt.

Artikel 8 Hardheidsclausule

In dit artikel is een algemene hardheidsclausule opgenomen. In een individueel geval zou toepassing van de beleidsregel kunnen leiden tot een onredelijk nadelig gevolg voor een belanghebbende. Dit artikel geeft de mogelijkheid om in zo’n geval af te wijken van de regels ten gunste van de belanghebbende.

Ondertekening


Noot
1

Zie ECLI:NL:CRVB:2023:909

Noot
2

Zie artikel 17 lid 1 van de wet

Noot
3

Zie artikel 17 lid 2 van de wet