Beleidsregels terugwerkende kracht bij bijstandsverlening gemeente De Fryske Marren

Geldend van 05-05-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels terugwerkende kracht bij bijstandsverlening gemeente De Fryske Marren

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren;

gelet op de titel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 44, vijfde lid van de Participatiewet en artikel 16a, vierde lid van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

besluit vast te stellen de Beleidsregels terugwerkende kracht bij bijstandsverlening gemeente De Fryske Marren.

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Fryske Marren;

  • b. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;

  • c. Ioaw: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • 2.

    Begrippen die in deze beleidsregel voorkomen en niet nader worden toegelicht, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Doel en reikwijdte van de beleidsregels

Deze beleidsregels geven invulling aan artikel 44, vijfde lid, Participatiewet en artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw en geven aan onder welke omstandigheden bijstand met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Zo ontstaat een helder kader voor de uitvoering en meer rechtszekerheid voor onze inwoners.

Artikel 3 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    De bijstandsverlening gaat in beginsel in op de datum waarop belanghebbende zich voor het eerst meldt voor een aanvraag;

  • 2. In afwijking van lid 1 van dit artikel kan het college bij wijze van uitzondering en als dit naar het oordeel van het college door individuele omstandigheden van belanghebbende noodzakelijk is, bijstand met terugwerkende kracht verlenen tot maximaal drie maanden voor de dag waarop belanghebbende zich voor het eerst heeft gemeld voor een aanvraag;

  • 3. Van individuele omstandigheden als bedoeld in lid 2 van dit artikel is in ieder geval sprake als:

  • a. er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

  • 1e de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

  • 2° de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

  • 3° een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

  • 4° een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;

  • 5° de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

  • 6e de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

  • b. er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

  • 1° de belanghebbende heeft betalingsachterstanden;

  • 2° de huur van woonruimte dreigt te worden opgezegd, de zorgverzekering dreigt te worden geroyeerd, of gas, licht of water dreigt te worden afgesloten.

  • 4. Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld;

  • 5. Het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

Artikel 4 Hardheidsclausule

Het college kan de bepalingen gesteld bij of krachtens deze beleidsregels buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op de doelstelling van deze beleidsregels, naar haar oordeel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 5 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking en werken terug en werken terug vanaf 1 januari 2026

Artikel 6 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels terugwerkende kracht bij bijstandsverlening gemeente De Fryske Marren

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van gemeente De Fryske Marren,

Datum: 23 april 2026,

L. P. Stoel, burgemeester

D. Cazemier, gemeentesecretaris

Toelichting

Algemeen

Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:

‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’

Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.

Artikelsgewijs

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel zijn de begripsbepalingen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Doel en reikwijdte

Hier wordt het doel van de beleidsregels omschreven: het bieden van een kader voor het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht. De reikwijdte is beperkt tot situaties waarin artikel 44 lid 5 van de Participatiewet of artikel 16a, vierde lid van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers van toepassing is.

Artikel 3

Lid 3

In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:

  • 1.

    De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden;

  • 2.

    De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.

De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.

Lid 3a

Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.

Lid 3b

Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdeel 1) of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals (dreigende) huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen (onderdeel 2). Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.

Lid 4

Artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toe te kennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stelt het college vast wat de maximale termijn voor terugwerkende kracht is.

Lid 5

De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.

Artikel 4 Hardheidsclausule

In dit artikel is een algemene hardheidsclausule opgenomen. In een individueel geval zou toepassing van de beleidsregel kunnen leiden tot een onredelijk nadelig gevolg voor een belanghebbende. Dit artikel geeft de mogelijkheid om in zo’n geval af te wijken van de regels ten gunste van de belanghebbende.

Ondertekening